<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR71895_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, gemeente West Maas en Waal, versie 2.0</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waalkanter, 29-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, gemeente West Maas en Waal, versie 2</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-09-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009/09-08</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, gemeente West Maas en Waal, versie 2.0</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen.</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Wet</cursief>: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al><cursief>Compensatiebeginsel</cursief>: de algemene verplichting
                                    aan het college van burgemeester en wethouders om personen met
                                    beperkingen, door het treffen van voorzieningen, een zodanige
                                    uitgangspositie te verschaffen dat zij in aanvaardbare mate
                                    zelfredzaam zijn en in staat zijn tot maatschappelijke
                                    participatie;</al></li><li nr="c."><al><cursief>Beperkingen</cursief>: moeilijkheden die een persoon
                                    heeft met het uitvoeren van activiteiten;</al></li><li nr="d."><al><cursief>Persoon met beperkingen</cursief>: een persoon die ten
                                    gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische
                                    en/of psychosociale probleem, aantoonbare beperkingen ondervindt
                                    bij de maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="e."><al><cursief>Mantelzorger</cursief>: een persoon, die mantelzorg
                                    verleent als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b. van de
                                    wet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>Zelfredzaamheid</cursief>: het lichamelijk,
                                    verstandelijk, geestelijk en financiële vermogen om
                                    voorzieningen te treffen die maatschappelijke participatie
                                    mogelijk maken;</al></li><li nr="g."><al><cursief>Maatschappelijke participatie</cursief>: normale
                                    deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren
                                    van een huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich
                                    in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Algemene voorziening</cursief>: een voorziening die een
                                    regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die
                                    een persoon ondervindt, in die zin dat er een beperkte
                                    toegangsbeoordeling plaatsvindt;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Individuele voorziening</cursief>: een voorziening die
                                    individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening
                                    geen adequate oplossing biedt;</al></li><li nr="j."><al><cursief>Huishoudelijke voorziening</cursief>: een voorziening
                                    ter ondersteuning bij of ter overname van activiteiten op het
                                    gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan
                                    wel de leefeenheid waartoe een persoon behoort.</al></li><li nr="k."><al><cursief>Rolstoelvoorziening:</cursief> een voorziening die de
                                    aanvrager is staat stelt zich in en om de woning te verplaatsen
                                    en waarvan het rijden de primaire functie is.</al></li><li nr="l."><al><cursief>Woonvoorziening</cursief>: voorziening, niet zijnde een
                                    huishoudelijke voorziening of een rolstoelvoorziening, die de
                                    aanvrager in staat stelt tot het normale gebruik van de
                                    woning.</al></li><li nr="m."><al><cursief>Vervoersvoorziening:</cursief> voorziening die de
                                    aanvrager is staat stelt zich lokaal te verplaatsen per
                                    vervoermiddel.</al></li><li nr="n."><al><cursief>Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten</cursief>:
                                    een door het college van burgemeester en wethouders vast te
                                    stellen bijdrage, die bij respectievelijk de verstrekking van
                                    een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget (een
                                    eigen bijdrage) of een financiële tegemoetkoming (een eigen
                                    aandeel, inclusief besparingsbijdrage en drempelbedrag) betaald
                                    moet worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning van toepassing zijn;</al></li><li nr="o."><al><cursief>Voorziening in natura</cursief>: een voorziening die in
                                    eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt, in opdracht van de
                                    gemeente;</al></li><li nr="p."><al><cursief>Persoonsgebonden budget</cursief>: een geldbedrag
                                    waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen
                                    voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening en
                                    het Besluit te stellen regels van toepassing zijn;</al></li><li nr="q."><al><cursief>Financiële tegemoetkoming</cursief>: een tegemoetkoming
                                    in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op
                                    het inkomen van de aanvrager;</al></li><li nr="r."><al><cursief>Algemeen gebruikelijk</cursief>: naar geldende
                                    maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel
                                    bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager
                                    behorend;</al></li><li nr="s."><al><cursief>Meerkosten</cursief>: kosten van een mogelijk krachtens
                                    de wet te verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten
                                    uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te
                                    beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="t."><al><cursief>Huisgenoot</cursief>: iedere meerderjarige met wie de
                                    aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont tenzij
                                    sprake is van een commerciële relatie;</al></li><li nr="u."><al><cursief>Budgethouder</cursief>: een persoon aan wie ingevolge
                                    deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die
                                    aan het college verantwoording over de besteding van het
                                    persoonsgebonden budget verschuldigd is.</al></li><li nr="v."><al><cursief>Inkomen:</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>het netto-inkomen;</al></li><li nr="2."><al>het gezamenlijk netto-inkomen van de ouders of
                                            pleegouders van de ondersteuningsbehoevende, indien de
                                            ondersteuningsbehoevende jonger is dan 18 jaar en geen
                                            echtgenoot heeft in de zin van artikel 1 lid 2 tot en
                                            met 7 van de wet;</al></li><li nr="3."><al>het gezamenlijk netto-inkomen van de
                                            ondersteuningsbehoevende en zijn echtgenoot, indien de
                                            ondersteuningsbehoevende een echtgenoot heeft in de zin
                                            van artikel 1 lid 2 tot en met 7 van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="w."><al><cursief>Norminkomen:</cursief> de normen, genoemd in paragraaf
                                    3.2 van de Wet werk en bijstand, omgerekend tot een bedrag per
                                    kalenderjaar, waarbij deze normen voor een belanghebbende van 21
                                    jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die een alleenstaande of
                                    een alleenstaande ouder is, en die niet in een inrichting
                                    verblijft, eerst zijn verhoogd met de toeslag, genoemd in
                                    artikel 25 lid 2 van de Wet werk en bijstand, en de normen van
                                    een alleenstaande of gehuwde, die in een inrichting verblijft,
                                    eerst zijn verhoogd met de bedragen, genoemd in artikel 23 lid 2
                                    van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="x."><al><cursief>College</cursief>: college van burgermeester en
                                    wethouders van de gemeente West Maas en Waal.</al></li><li nr="y."><al><cursief>Besluit</cursief>: Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente West Maas en Waal.</al></li><li nr="z."><al><cursief>Leefeenheid:</cursief> een eenheid bestaande uit
                                    gehuwden die al dan niet tezamen met één of meer minderjarig
                                    ongehuwden duurzaam een huishouden voeren, dan wel een ongehuwde
                                    meerderjarige die met één of meer minderjarige ongehuwden
                                    duurzaam een huishouden voert, waarbij onder gehuwden ook worden
                                    verstaan ongehuwd samenwonenden en andere volwassenen die met
                                    elkaar en/of met kinderen samenwonen;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Beperkingen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                        gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in
                                        en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op
                                        basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te
                                        verminderen. Uitzondering hierop is hulp bij het huishouden,
                                        deze kan ook voor een korte periode worden toegekend;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor aanvrager algemeen gebruikelijk
                                        is;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente West
                                        Maas en Waal;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik
                                        van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                        gebruikte materialen;</al></li><li nr="d."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li><li nr="e."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="f."><al>voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van de aanvraag heeft
                                        gemaakt;</al></li><li nr="g."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan
                                        deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen
                                        gehandicapten (WVG-verordening 2004) is verstrekt en de
                                        normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                        verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen.</al></li><li nr="h."><al>indien er aanspraak op een voorziening gemaakt kan worden op
                                        basis van andere wet- of regelgeving of op basis van een
                                        wettelijke verzekering.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Identificatieplicht</titel></kop><al>De aanvrager is verplicht aan het college desgevraagd een document als
                            bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht terstond ter
                            inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de
                            uitvoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Keuzevrijheid.</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura en als
                            persoonsgebonden budget. Het college stelt aan de hand van de in het
                            Besluit neergelegde criteria vast in welke situaties de bij wet
                            verplichte keuze niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit
                            neergelegde criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Voorziening in natura.</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            tussen de leverancier en de aanvrager van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Financiële tegemoetkoming.</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit in de beschikking
                            opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Persoonsgebonden budget.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de wet,
                            zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien
                                    van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van
                                    de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken
                                    voorziening in natura, zoals vastgelegd in het Besluit;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld
                                    wordt door het college vastgelegd in het Besluit;</al></li><li nr="d."><al>op het persoonsgebonden budget is de Overeenkomst
                                    persoonsgebonden budget gemeente West Maas en Waal van
                                    toepassing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de omvang
                            en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt waarin
                            aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget te
                            verwerven voorziening dient te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget ter
                            beschikking gesteld door storting op de rekening van de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte persoonsgebonden
                            budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. De
                            budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke stukken, zoals
                            genoemd in het Besluit, op verzoek van het college per omgaande te
                            verstrekken. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden wordt door het
                            college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden budget
                            geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Eigen bijdragen.</titel></kop><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is
                            de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële
                            tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Het college van Burgemeester en
                            Wethouders legt in het Besluit de omvang van de eigen bijdrage
                            vast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Hulp bij het huishouden.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden.</titel></kop><al>De, door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Primaat van de algemene hulp bij het huishouden.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4,
                            5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 9 onder a. vermelde voorziening
                            in aanmerking komen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                    chronisch psychische en psychosociale problemen of</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg</al></li></lijst><al>het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken
                            en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan
                            oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 9 onder b. en c. vermelde
                            voorzieningen in aanmerking worden gebracht indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de in artikel 9 onder a. genoemde voorziening een onvoldoende
                                    oplossing biedt of</al></li><li nr="b."><al>niet beschikbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing wanneer het
                            gaat om hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
                            vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Gebruikelijke zorg.</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 9 komt een persoon als bedoeld
                            in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de wet niet
                            in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar
                            deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel
                            in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten, in dit geval is het
                            protocol gebruikelijke zorg van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Omvang en zwaarte van de hulp bij het huishouden.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren,
                                afgerond naar decimalen, per week. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De zwaarte van de hulp bij het huishouden wordt vastgesteld
                                overeenkomstig Protocol indicatiestelling huishoudelijke
                                verzorging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget.</titel></kop><al>Het bedrag per uur dat in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt
                            verstrekt, wordt jaarlijks door het college vastgesteld en vastgelegd in
                            het Besluit.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Woonvoorzieningen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen.</titel></kop><al>De, door het college, ter compensatie van beperkingen bij het normale
                            gebruik van de woning, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan
                            uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                                woonvoorzieningen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 15, onder a. vermelde voorziening
                            in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond
                            van ziekte of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale
                            problemen een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de algemene
                            woonvoorziening dit snel en adequaat kan oplossen.</al><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 15, onder b. c. en d. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht indien de in het vorige lid
                            genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een snelle en adequate
                            oplossing leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen.</titel></kop><al>De in artikel 15 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen
                            bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                    herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet-bouwkundige of niet woontechnische
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Primaat van de verhuizing.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder
                            a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als
                            gevolg van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en
                            psychosociale problemen, het normale gebruik van de woning
                            belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder
                            b, c en d in aanmerking worden gebracht wanneer de in het eerste lid
                            genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate
                            voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15,
                            onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een, op
                            basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                            (inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen), aanwezige
                            gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen
                            het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze
                            persoon tot rust kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Primaat van de losse woonunit.</titel></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing, -zowel financieel als bouwkundig- van een
                            woning die het eigendom is van een verhuurder, die niet bereid is de
                            aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die
                            op basis van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek,
                            inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen, behoefte
                            hebben aan een dergelijke woning, kan het college een herplaatsbare
                            losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van
                            overwegende aard bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Uitsluitingen.</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="-"><al>het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
                                    vakantiewoningen, recreatiewoningen en kamerverhuur;</al></li><li nr="-"><al>specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen en
                                    AWBZ-instellingen voor wat betreft voorzieningen in
                                    gemeenschappelijke ruimten;</al></li><li nr="-"><al>voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder
                                    noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Hoofdverblijf.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                            hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                            voorziening wordt getroffen.</al><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening
                            getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de
                            aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.</al><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                            waar de aan te passen woning staat.</al><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het
                            tweede lid bedoelde woonruimte.</al><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de
                            woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Beperkingen.</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                                    van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek,
                                    inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen, geen
                                    aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig
                                    was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                    beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                    tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend
                                    door het college;</al></li><li nr="c."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis
                                    van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat
                                    deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van
                                    een onverwacht optredende noodzaak;</al></li><li nr="d."><al>de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
                                    geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is
                                    naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
                                    verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen
                                    problemen met het normale gebruik van de woning zijn
                                    ondervonden.</al></li><li nr="e."><al>er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
                                    ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of
                                    woontechnische kenmerken van de door de aanvrager bewoonde
                                    woning.</al></li><li nr="f."><al>de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
                                    toegankelijkheid van de woning wordt begrepen) worden
                                    ondervonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop.</titel></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening
                            heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij
                            verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding
                            van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het
                            college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in het
                            Besluit door het college vastgelegde afschrijvingsschema te worden
                            terugbetaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                    vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    vervoersvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Het recht op een algemene voorziening.</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 24 onder a. vermelde voorziening
                            in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond
                            van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en psychosociale
                            problemen:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer.</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 24, onder b. en c. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare
                            beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronisch
                            psychische en psychosociale problemen, het gebruik van een collectief
                            systeem als bedoeld in artikel 24, onder a., onmogelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen.</titel></kop><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen
                            van gehuwde personen meer bedraagt dan de in het Besluit voor de diverse
                            categorieën genoemde norminkomen, wordt het bezit van een personenauto
                            algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto
                            vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en
                            onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of
                            vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers.</titel></kop><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                            vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                            uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon-
                            en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een
                            uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal
                            contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden,
                            terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende
                            vereenzaming te voorkomen.</al><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie
                            door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar
                            van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000 kilometer mogelijk
                            maken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning, dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            rolstoelvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een sportrolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Incidenteel en dagelijks rolstoelgebruik en
                                sportrolstoel.</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 29, onder a. en b. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen
                            op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en
                            psychosociale problemen, incidenteel of dagelijks zittend verplaatsen in
                            en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden
                            op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere
                            wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.</al><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 29, onder c vermelde voorziening
                            in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond
                            van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en psychosociale
                            problemen, het sporten zonder sportrolstoel onmogelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Sportrolstoel</titel></kop><al>De voorziening genoemd in artikel 29 onder c wordt in de vorm van een
                            financiële tegemoetkoming verleend, waarmee voor een periode van drie
                            jaar een rolstoel aangeschaft en onderhouden kan worden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Gebruik aanvraagformulier.</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                            college ter beschikking gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij VraagWijzer waar zowel
                            aanvragen voor voorzieningen inzake de wet alsook
                                aanvragenzorg inzake de Algemene Wet Bijzondere
                            Ziektekosten kunnen worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de
                            beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                            aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college
                                    te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een
                                    of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of
                                    onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                            advies indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                    afgewezen;</al></li><li nr="b."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem aangewezen
                            adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die
                            noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de advisering zoals genoemd in het tweede lid wordt door de adviseur
                            gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de International
                            Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde
                            ICF classificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Samenhangende afstemming.</titel></kop><al>Het college legt in het Besluit regels vast omtrent de wijze waarop de
                            verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend wordt afgestemd
                            op de situatie van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr><titel>Wijzigingen in de situatie.</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening,
                            geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze
                                    verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens
                                    zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend
                                    geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                            persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                            tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                            aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft
                            plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan de reeds
                            uitbetaalde financiële tegemoetkoming of het verstrekte persoonsgebonden
                            budget worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                            voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte gegevens.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39.</nr><titel>Hardheidsclausule.</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen bij of krachtens deze verordening, indien
                            toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40.</nr><titel>Indexering.</titel></kop><al>Het college verhoogd of verlaagd jaarlijks per 1 januari de in het kader
                            van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit
                            geldende bedragen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens
                            het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41.</nr><titel>Evaluatie.</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast. Het college zendt hiertoe om de 4 jaar na
                            inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over
                            de doeltreffendheid en de effectiviteit van de verordening in de
                            praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42.</nr><titel>Inwerkingtreding.</titel></kop><al>Deze verordening is vastgesteld op 24 september 2009 en treedt in
                            werking met ingang van 1 januari 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43.</nr><titel>Citeertitel.</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeenten West Maas en Waal, versie 2.
                            Daarnaast kan deze verordening worden aangehaald als
                            “Wmo-verordening”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>