<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR71530_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening Rijswijk 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Rijswijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-10-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Rijswijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Groot Rijswijk,
                22-07-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening Rijswijk 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988 art. 12, 15 en 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht art. 2.1 en 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-07-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10-018</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Kunst en Cultuur</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening Rijswijk 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De gemeenteraad; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 11 mei
                        2010, no. 10-018; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van
                        de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht; BESLUIT: vast te stellen de volgende aangepaste versie van de
                        Monumentenverordening:</al><al/><al><vet>Monumentenverordening Rijswijk 2008</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>monument:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                        betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                        waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige
                                        zaak als bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>beschermd gemeentelijk archeologisch monument: monument, bedoeld in
                                onderdeel a, onder 2;</al></li><li nr="c."><al>beschermd gemeentelijk monument: monument, dat overeenkomstig de
                                bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument
                                is aangewezen;</al></li><li nr="d."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de
                                overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument
                                aangewezen zaken;</al></li><li nr="e."><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument dat is ingeschreven in
                                de ingevolge de herziene Monumentenwet 1988 vastgestelde register
                                als bedoeld in artikel 1.1 eerste lid van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht (Wabo)onroerend monument, dat is ingeschreven in de
                                ingevolge de herziene Monumentenwet 1988 vastgestelde
                                registers;</al></li><li nr="f."><al>kerkelijk monument: monument, dat eigendom is van een
                                kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een
                                kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel
                                wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst;</al></li><li nr="g."><al>Welstands- en monumentencommissie (WMC): de Rijswijkse welstands- en
                                monumentencommissie is ontstaan door samenvoeging van de
                                monumentencommissie met de welstandscommissie. De juridische basis
                                voor deze commissie is voor wat betreft monumentenzorg artikel 15
                                lid 1 van de herziene Monumentenwet 1988 en artikel 1 van de
                                Verordening op de Monumentencommissie (raadsbesluit nr. 149 van 28
                                januari 1988, in werking 20 juni 1989). De commissie is door B&amp;W
                                ingesteld en heeft als taak het college te adviseren over alle
                                aangelegenheden, die van belang zijn voor de behartiging van de
                                monumentenzorg in de gemeente Rijswijk. Voor wat betreft het
                                onderdeel welstandsadvisering is de juridische basis artikel 12b van
                                de Woningwet alsmede artikel 9.1 lid 1 van de Bepalingen regelende
                                de taak, de samenstelling en de werkwijze van de Welstands- en
                                Monumentencommissie Rijswijk (Bijlage nr. 9 bij de
                                Bouwverordening)</al></li><li nr="h."><al>bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                                onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit
                                van een monument.</al></li><li nr="i."><al>B&amp;W: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                Rijswijk. </al></li><li nr="j."><al>RCE: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De RCE is een
                                uitvoerende ambtelijke dienst vallend onder het Directoraat-Generaal
                                Culturele Zaken van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                                Wetenschappen;</al></li><li nr="k."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="l."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
                            </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                        gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                            monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt hij
                            advies aan de Welstands- en Monumentencommissie. In spoedeisende
                            gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een beschermd
                            gemeentelijk monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt
                            verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de aanwijzing
                            van een beschermd gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voordat het college een kerkelijk monument als beschermd gemeentelijk
                            monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de registratie als bedoeld in
                            artikel 6 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 9 tot en met 13 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                            van artikel 3 van de herziene Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                            grond van artikel 4 van de Monumentenverordening Zuid-Holland.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Monumenten, die na plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst worden
                            ingeschreven in het monumentenregister als bedoeld in artikel 6 van de
                            herziene Monumentenwet 1988 of op de Provinciale monumentenlijst als
                            bedoeld in artikel 6 van de Monumentenverordening Zuid-Holland, worden
                            geacht niet meer op de gemeentelijke monumentenlijst te zijn geplaatst.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Welstands- en Monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht
                            weken na ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van
                            de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de
                            adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan
                        degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan
                        en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het beschermde gemeentelijke monument op de
                            gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de
                            datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling en
                            een beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                            belanghebbende wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede tot en met vierde lid, alsmede artikel 4 zijn van
                            overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte
                            betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van artikel 3, tweede
                            tot en met vierde lid, alsmede artikel 4, eerste lid, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                            monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid, en
                            artikel 4 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt
                            gegeven aan artikel 3 van de herziene Monumentenwet 1988 of aan artikel
                            4 van de Monumentenverordening Zuid-Holland.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                            aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al>Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te
                        vernielen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Vergunning</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij
                        zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te
                                verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of
                                te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of
                                in gevaar gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor
                                een vergunning als bedoeld in dit artikel en de daarbij te
                                overleggen gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend.
                            </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vervallen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                            aanvraag om vergunning voor een beschermd gemeentelijk monument aan de
                            Welstands- en Monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de
                            Welstands- en Monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                            bevoegd gezag. Bij overschrijding van de genoemde termijn van vier weken
                            wordt de Welstands- en Monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben
                            de beoordeling over te laten aan de behandelend
                            monumentenambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen binnen een maand na inwerkingtreding
                            van deze verordening een aanvraagformulier als bedoeld in de Awb vast
                            voor een monumentenvergunning voor een beschermd monument;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen binnen een maand na inwerkingtreding
                            van deze verordening <cursief>Beleidsregels Indieningsvereisten aanvraag
                                monumentenvergunning </cursief> vast;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Aanvragen om een vergunning die niet voorzien zijn van het in lid 4
                            bedoelde aanvraagformulier kunnen niet in behandeling worden genomen.
                        </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>B&amp;W toetsen de ontvankelijkheid van de aanvraag aan het in lid 5
                            bedoelde <cursief>Beleidsregels Indieningsvereisten aanvraag
                                monumentenvergunning</cursief>. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien B&amp;W de aanvraag ontvankelijk verklaren en in behandeling
                            nemen, toetsen zij de aanvraag aan de herziene Monumentenwet 1988, deze
                            verordening en de in de monumentenzorg gangbare redelijke eisen van
                            monumentenzorg. De uit te brengen beschikking betreft een afweging van
                            het belang van de monumentenzorg (het algemeen belang) en de belangen
                            van belanghebbenden. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>B&amp;W stellen binnen een half jaar na inwerkingtreding van deze
                            verordening Beleidsregels m.b.t. redelijke eisen van monumentenzorg
                            vast. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Zolang door de gemeente geen redelijke eisen van monumentenzorg zijn
                            vastgesteld of zolang geen monumentenbeleidsnota is vastgesteld, worden
                            hieronder de normen verstaan uit de brochures Techniek, voorheen
                            Restauratie en Beheer van de RCE.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Kerkelijk monument</titel></kop><al>Het bevoegd gezag verleent met betrekking tot een beschermd gemeentelijk
                        (kerkelijk) monument geen vergunning ingevolge de bepalingen van artikel 10
                        dan in overeenstemming met de eigenaar, indien en voor zover het een
                        vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening
                        in het monument in het geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in
                                    artikel 10 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen jaar van de vergunning gebruik wordt gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de
                            monumentencommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de aanvraag om
                            vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de Welstands- en
                            Monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Welstands- en Monumentencommissie adviseert schriftelijk over de
                            aanvraag binnen drie maanden (negentig dagen) na de datum van verzending
                            van het afschrift.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt de
                            Welstands- en Monumentencommissie geacht niet geadviseerd te hebben.
                            Indien de termijn dreigt te worden overschreden en de overschrijding zou
                            vallen in de maanden december, juni, juli of augustus, dan zijn B&amp;W
                            bevoegd de termijn met maximaal vier weken te verlengen. Hieraan dient
                            een schriftelijk verzoek hiertoe van de Welstands- en
                            monumentencommissie ten grondslag te liggen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als
                                        bedoeld in artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                        vergunning als bedoeld in artikel 10; </al></li><li nr="c."><al>schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te
                        zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag
                        een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de verordening
                        ter regeling van de procedure bij toepassing van artikel 49 van de Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met de artikelen 9 en 10 van deze verordening,
                        wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college van B&amp;W dan
                            wel de burgemeester aan te wijzen personen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met de opsporing van de in deze verordening strafbaar gestelde feiten
                            zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering,
                            belast de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren voor zover zij
                            tevens buitengewoon opsporingsambtenaar zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Hardheidclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college handelt overeenkomstig deze verordening, tenzij dat voor één
                            of meer belanghebbenden evolgen zou hebben die wegens bijzondere
                            omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de verordening
                            te dienen doelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bewijslast voor de bijzondere omstandigheden ligt bij de
                            aanvrager.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Evaluatiebepaling</titel></kop><al>Deze verordening wordt in ieder geval 2 jaar na inwerkingtreden van deze
                        verordening geëvalueerd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentenverordening, vastgesteld bij besluit van de raad van 26
                            september 1989 en gewijzigd bij raadsbesluit van 27 september 1994 wordt
                            ingetrokken op de datum waarop het eerste lid toepassing vindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De op grond van de ingevolge het tweede lid ingetrokken verordening
                            geregistreerde gemeentelijke monumenten worden geacht aangewezen te zijn
                            overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De beschermde gemeentelijke monumenten, geregistreerd op de
                            monumentenlijst van de ingevolge het tweede lid genoemde ingetrokken
                            verordening, worden geacht geregistreerd te zijn overeenkomstig de
                            bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning en aanwijzing die zijn ingediend vóór de
                            inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met
                            inachtneming van de in het tweede lid ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als '”Monumentenverordening Rijswijk
                        2008”.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Rijswijk in zijn openbare
                        vergadering van 4 maart 2008 en gewijzigd in de vergadering van 30 september
                        2008 en 15 juni 2010.</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><tussenkop>A Algemene toelichting</tussenkop><al>Bij het opstellen van deze modelverordening zijn de ‘Aanwijzingen voor de
                    decentrale regelgeving’ in aanmerking genomen.</al><al>De bepalingen van de herziene Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen
                    systematiek vormen een belangrijke basis voor de bepalingen van de
                    modelverordening.</al><al>Drie hoofdpunten zijn in de verordening geregeld:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanwijzing van zaken tot beschermd gemeentelijk monument. Dit betreft
                            ook beschermde archeologische monumenten;</al></li><li nr="2."><al>het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke monumenten;</al></li><li nr="3."><al>de verwijzing naar het vergunningenstelsel voor beschermde
                            rijksmonumenten in de herziene Monumentenwet 1988.</al></li></lijst><al>Daarnaast is beoogd het bouwhistorisch onderzoek een nadrukkelijke rol te laten
                    spelen bij de bepaling van het gemeentelijk monumentenbeleid.</al><al>In 2004 is de modelverodening van de VNG naar aanleiding van de dualisering van
                    het gemeentebestuur herzien. Inhoudelijk is de verordening hetzelfde gebleven
                    omdat de raad in het dualistische stelsel de verordenende bevoegd-heid heeft
                    gehouden. Wel is de tekst kritisch bekeken op dubbelingen, vernieuwingen als de
                    Tijdelijke Referendumwet (zie artikel 19) en verouderd taalgebruik.</al><tussenkop>B Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip 'monument' is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de herziene Monumentenwet 1988.</al><al>Cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een
                    bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan
                    en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of
                    dat gebied heeft gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    waarde.</al><al>De onder 2 bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een perceel
                    met een of meer bomen zijn. Het is niet vereist dat op het terrein ook een
                    bouwkundig monument voorkomt teneinde over een monument te kunnen spreken. Een
                    'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al> De vijftig-jaargrens die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke
                    monumenten overgenomen. Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                    monumenten die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn,
                    reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><al>De term 'beschermd gemeentelijk archeologisch monument' wordt apart gedefinieerd
                    in verband met de enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument
                    inneemt ten aanzien van de vergunningverlening. Ten eerste is er verschil in
                    behandeling tussen een rijks- of gemeentelijk archeologisch monument bij een
                    vergunningaanvraag. De vergunningverlening voor het verstoren of in enig opzicht
                    wijzigen van een beschermd gemeentelijk monument is een bevoegdheid van het
                    college. Als er echter sprake is van een archeologisch rijksmonument beslist de
                    minister op de vergunningaanvraag.</al><al>Ten tweede regelt de herziene Monumentenwet 1988 dat het doen van een opgraving
                    alleen plaats mag vinden met vergunning van de minister. Deze verplichting geldt
                    in zijn algemeenheid voor alle archeologische monumenten. Het maakt dus niet uit
                    of er sprake is van rijks- of gemeentelijke bescherming, het doen van
                    opgravingen is vergunningplichtig. Deze vergunning tot het doen van opgravingen
                    kan onder bepaalde voorwaarden alleen worden toegekend aan de rijksdienst, een
                    instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente of commerciële
                    bureau’s. Vanwege deze twee aspecten wordt in deze verordening een onderscheid
                    gemaakt tussen een 'normaal' en een (gemeentelijk) 'archeologisch'
                    monument.</al><al>In het geval van een opgraving regelt de herziene Monumentenwet 1988 (artikelen
                    42 tot en met 49) de eigendom van roerende monumenten die men daarbij aantreft.
                    Deze regels gelden in alle gevallen dat opgravingen worden gedaan of men bij
                    toeval op een vondst stuit waarvan men kan vermoeden dat het om een monument
                    gaat. Er wordt geen onderscheid gehanteerd tussen rijks- en gemeentelijke
                    monumenten.</al><tussenkop>Sub c, e en f</tussenkop><al>Hier wordt gesproken over onroerende monumenten. Roerende monumenten worden
                    derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het effectueren van de
                    bescherming een probleem vormt. Roerende monumenten kunnen meestal eenvoudig
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld
                    schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen.</al><al>Zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de
                    beschermde status krijgen, op basis van de redengevende omschrijving.</al><al>Ingeval de gemeente de mogelijkheid wil bieden om ook roerende monumenten te
                    beschermen, kan zij dit doen. In dat geval dient het woord 'onroerende' op
                    plaatsen in de modelverordening waar het gemeentelijke monumenten betreft te
                    worden geschrapt. Voor de gemeente is het mogelijk door middel van aanvullende
                    regelgeving te voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen die als beschermd
                    gemeentelijk monument zijn aangewezen buiten de gemeentegrenzen verdwijnen.
                    Controle en handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks
                    mogelijk.</al><tussenkop>Sub d</tussenkop><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert.</al><al>Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts
                    een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het
                    de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het
                    is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te
                    trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel 6.</al><tussenkop>Sub e</tussenkop><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om
                    vergunningen voor de wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de
                    vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en
                    met 21 van de herziene Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><tussenkop>Sub f</tussenkop><al>Ingeval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot beschermd gemeentelijk
                    monument is overleg tussen eigenaar en gemeente nodig (zie artikel 3, lid 4). Is
                    er sprake van een vergunning voor het gemeentelijke of rijksbeschermde
                    kerkelijke monument, dan kan overeenstemming tussen eigenaar en
                    vergunningverlener nodig zijn (zie artikel 12). Overleg en overeenstemming
                    betreffen de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het kerkelijke
                    monument. Voor bijvoorbeeld een pastorie, een catechesatieruimte of verblijven
                    van kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de
                    regel dan ook niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de andere
                    monumenten gelden.</al><tussenkop>Sub g</tussenkop><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    monumentenverordening en de herziene Monumentenwet 1988. Door de
                    monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de
                    toepassing van de herziene Monumentenwet 1988 te adviseren aan het college, is
                    voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15, lid 1, van de herziene
                    Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente niet over een monumentenbeleid
                    beschikken, dan moet dit niet in de bepaling opgenomen worden.</al><al>In het gedualiseerde bestel is een belangrijke vernieuwing dat elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instelt. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college.
                    Het is dan ook het college die deze commissie instelt op grond van artikel 84
                    Gemeentewet. De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit te
                    werken. In een dualistisch stelsel is het niet mogelijk dat de raad in haar
                    verordening bepaalt dat er een commissie is ingesteld welke adviseert aan het
                    college. Het is immers aan het college om te bepalen of zij een advies commissie
                    willen.</al><al>Deze redenering gaat niet op voor wat betreft de monumentencommissie. In de
                    monumentenverordening wordt door de raad bepaald dat er een monumentencommissie
                    is die advies uitbrengt aan het college. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet.
                    In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de
                    inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het college over
                    aanvragen van vergunningen als bedoeld in artikel 11 van de herziene
                    Monumentenwet. De wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen
                    keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Door het
                    ontbreken van deze keuzevrijheid is er geen strijdigheid met het duale
                    uitgangspunt als de raad in haar verordening bepaalt dat er een commissie is die
                    adviseert aan het college. In de verordening wordt zo immers uitwerking gegeven
                    aan het bepaalde in artikel 15 van de herziene Monumentenwet.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en
                    ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand. Dit artikel is van
                    belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de
                    vergunningverlening.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                    monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing
                    heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst
                    is slechts een administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het gebruik van het
                    monument.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie. De verordening
                    bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een
                    regeling die de taak en werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is
                    daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>De verordening bevat geen voorschriften voor de bescherming van het monument
                    gedurende de tijd dat de aanwijzingsprocedure loopt, zoals de herziene
                    Monumentenwet 1988 dat doet. De spoedprocedure kan in situaties die ernstige
                    gevolgen voor het aan te wijzen monument hebben, bewerkstelligen dat binnen
                    korte tijd de verbodsbepalingen van de verordening van toepassing zijn. Er
                    moeten dan gegronde redenen aanwezig zijn om de spoedprocedure te kunnen
                    gebruiken.</al><al>Indien de gemeente wil zekerstellen dat de potentieel aan te wijzen monumenten
                    tijdens de aanwijzingsprocedure ook zijn beschermd, moet een voorbescherming als
                    in de herziene Monumentenwet 1988 worden opgenomen.</al><al>Er wordt niet bepaald dat de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord
                    voordat het college over een aanwijzing een besluit neemt, omdat dit is geregeld
                    in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al>In het geval dat de gemeente besluit een aparte archeologische
                    begeleidingscommissie in te stellen moet de eerste zin van artikel 3, lid 2, als
                    volgt worden aangepast:</al><al>'Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt zij advies aan
                    de monumentencommissie of aan de archeologische begeleidingscommissie indien het
                    een archeologisch monument betreft.'</al><al>Deze wijziging moet dan ook in artikel 11, lid 1, worden doorgevoerd.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de historische
                    geschiedenis van een gebouw. In de herziene Monumentenwet 1988 is geen bepaling
                    over bouwhistorisch onderzoek opgenomen. Het laten verrichten van bouwhistorisch
                    onderzoek behoort daarmee tot de beleidsvrijheid van de gemeente. Er is een
                    tweetal momenten te onderscheiden wanneer een gemeente bouwhistorisch onderzoek
                    kan vragen.</al><al>Ten eerste bij een (aanvraag tot) aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                    monument. De informatie over de bouwhistorische waarde van een gebouw kan van
                    invloed zijn op de beslissing van het college om het pand al dan niet als
                    beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop het pand in
                    de registers wordt ingeschreven.</al><al>Ten tweede bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een beschermd
                    gemeentelijk monument. De bouwhistorische waarde die door een verbouwing of
                    andere wijziging aangetast wordt is van invloed op de beslissing van het
                    college.</al><al> Alhoewel het er in beide gevallen om gaat om informatie te krijgen over de
                    bouwhistorische waarde van een pand zijn de mogelijkheden om het bouwhistorisch
                    onderzoek te kunnen uitvoeren verschillend. Dit vindt zijn oorzaak in wiens
                    belang de aanvraag tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument of de
                    vergunningaanvraag wordt gedaan. Daarnaast is van belang of het al dan niet een
                    woning betreft. Dit heeft te maken met de mogelijkheden om een gebouw als
                    gemeente binnen te kunnen treden.</al><al>De aanvraag tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument is in veel
                    gevallen niet afkomstig van de eigenaar van het pand. Veelal dient een
                    belangenvereniging voor monumenten een aanvraag tot aanwijzing in. In die
                    gevallen dat een ander dan de eigenaar van een pand een aanvraag tot aanwijzing
                    indient, dan wel de gemeente ambtshalve aanwijzingsvoorstellen doet, kan de
                    gemeente de eigenaar moeilijk verplichten bouwhistorisch onderzoek uit te
                    voeren. Indien de eigenaar of gebruiker een aanvraag voor vergunning tot
                    wijziging van het gebouw indient, kan de gemeente hieraan de voorwaarde
                    verbinden dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht. In dat geval zullen (een
                    deel van) de kosten van het bouwhistorisch onderzoek ten laste van de eigenaar
                    kunnen worden gebracht, gezien het belang dat deze bij de vergunningverlening
                    heeft (zie verder bij 'Vergunning tot wijziging van een monument').</al><al>Om het bouwhistorisch onderzoek uit te voeren moet men het gebouw betreden. Voor
                    het binnentreden is toestemming van de eigenaar nodig. Deze toestemming vormt
                    naast de kosten van het onderzoek het tweede mogelijke knelpunt voor het
                    bouwhistorisch onderzoek. Bij het binnentreden moet onderscheid worden gemaakt
                    tussen woningen en gebouwen anders dan woningen. Het binnentreden van woningen
                    is in verband met het huisvrederecht aan strengere voorwaarden gebonden dan het
                    binnentreden van andere gebouwen.</al><al>Op grond van de Gemeentewet kan de gemeente zich niet de toegang tot een woning
                    verschaffen ten behoeve van het verrichten van bouwhistorisch onderzoek. Het
                    binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoners is slechts
                    toegestaan in die gevallen dat het binnentreden tot doel heeft het handhaven van
                    de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                    personen. Bouwhistorisch onderzoek heeft dit niet tot doel. Bij woningen is de
                    gemeente dus afhankelijk van de bereidheid van de woningeigenaar om
                    bouwhistorisch onderzoek uit te laten voeren. Argumenten die de gemeente kan
                    gebruiken zijn het verkrijgen van zicht op de cultuurhistorische waarde van een
                    gebouw en het feit dat mogelijk anders bij een wijzigingsvergunning
                    bouwhistorisch onderzoek als voorwaarde kan worden gesteld. De situatie is
                    anders in die gevallen dat het andere gebouwen dan woningen betreft. In de
                    verordening is in artikel 17 opgenomen dat door het bevoegd gezag aangewezen
                    personen in het kader van het toezicht op de naleving van de verordening ruimten
                    binnen kunnen treden. Dit geldt ook voor het doen van bouwhistorisch onderzoek
                    op grond van de verordening.</al><al>De gemeente kan voordat zij een besluit neemt over de vergunningverlening tot
                    wijziging van een monument bepalen dat informatie over de bouwhistorische waarde
                    van het gebouw nodig is. Het is niet noodzakelijk om het vragen van
                    bouwhistorisch onderzoek in de verordening vast te leggen. De voorwaarden die de
                    gemeente omtrent de afhandeling van aanvragen om een beschikking op grond van de
                    Awb (artikel 4:5) kan stellen bieden voldoende houvast. Argument hierbij is dat
                    inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de beoordeling van de
                    aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De gemeente bepaalt dan
                    dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de noodzakelijke gegevens
                    behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake
                    zijn van evenredigheid. De gemeente kan de aanvrager bijvoorbeeld niet
                    verplichten om voor het gehele pand bouwhistorisch onderzoek uit te voeren als
                    slechts voor een deel van het pand een wijzigingsvergunning wordt aangevraagd.
                    Daarnaast moet de gemeente bij het stellen van voorwaarden rekening houden met
                    de kosten die met het bouwhistorisch onderzoek zijn gemoeid. Deze kosten moeten
                    in redelijke verhouding tot de kosten van de verbouwing staan. Er zijn binnen
                    het bouwhistorisch onderzoek verschillende gradaties aan te geven (mate van
                    gedetailleerdheid). Zie voor de benodigde tijd van het onderzoek C1-1.6.3
                    (Bijlagen). De VNG adviseert om in het aanvraagformulier op te nemen dat
                    bouwhistorisch onderzoek mogelijk nodig is om tot een beoordeling op de aanvraag
                    te komen. Op deze manier is de aanvrager op het moment van aanvragen op de
                    hoogte van wat er van hem wordt verlangd. In de toelichting op het
                    aanvraagformulier kan de gemeente aangeven dat het bouwhistorisch onderzoek door
                    ter zake deskundigen moet worden uitgevoerd. De gemeente kan hierbij aangeven
                    welke personen of instanties in haar ogen voldoende gekwalificeerd zijn. Als de
                    gemeente besluit om het bouwhistorisch onderzoek te subsidiëren kunnen meer
                    verplichtend kwalitatieve eisen aan het onderzoek of onderzoekers worden
                    gesteld.</al><al>Het feit dat het binnentreden van een woning niet afgedwongen kan worden is bij
                    een aanvraag tot vergunningverlening geen probleem. Indien de eigenaar weigert
                    om de personen die het bouwhistorisch onderzoek moeten verrichten binnen te
                    laten dan kan hij niet aan de verplichting van de vereiste bescheiden voldoen.
                    In die gevallen zal het college de aanvraag, na herhaald verzoek de verlangde
                    gegevens te leveren, niet in behandeling nemen.</al><al>Bij de verlening van de vergunning kan de gemeente in de vergunningvoorwaarden
                    het doen van onderzoek en het verstrekken van documentatie tijdens de
                    bouwwerkzaamheden regelen, net als het veilig stellen van de afkomende
                    bouwhistorische elementen.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in de Awb dat belanghebbenden zienswijzen
                    naar voren kunnen brengen (artikel 4:8). Overleg is immers meer dan het naar
                    voren kunnen brengen van zienswijzen.</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Monumenten die al op een rijkslijst of een provinciale lijst staan, komen niet
                    voor aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument in aanmerking.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2).</al><al>Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten de aanvrager, eigenaar
                    en andere belanghebbenden beter waar ze aan toe zijn. De redactie van lid 2
                    heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het
                    college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of
                    besluiten om het (te laat uitgebrachte advies, maar binnen de termijn voor het
                    college) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig
                    beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge
                    artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>De mededeling van het college is voor de eigenaar en de anderszins zakelijk
                    gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat de mededeling door
                    de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de mededeling bij aangetekend
                    schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich er dan niet op beroepen van
                    niets te weten.</al><al>Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en
                    de aanvrager, omdat de Awb zulks bepaalt (afdeling 3.6). Is artikel 4:8
                    toegepast (het horen van geadresseerde en van derde belanghebbenden) en is van
                    de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen de betrokkenen op grond
                    van het bepaalde in artikel 3:43 Awb een mededeling te ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Door aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument is het gehele pand,
                    inclusief het interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere
                    zaken die zich op het perceel van het monument bevinden, zoals bijgebouwen,
                    tuininrichting en bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de
                    werking van de verordening vallen. Voor elke wijziging van het monument is dus
                    een vergunning nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met
                    kadastrale vernummering, kan ook een plattegrond worden aangehecht.</al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de aldus bij te houden monumentenlijst is om eenieder
                    snel inzicht te geven in welke zaken om welke reden als beschermd gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen.</al><al>Het kan beleid zijn van een gemeente dat alleen de buitenkant van beschermd
                    gemeentelijk monument beschermd wordt.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te
                    wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure (advies van
                    monumentencommissie of eventueel archeologische begeleidingscommissie of
                    eigenaar van een kerkelijk monument) als voor de aanwijzing (lid 2), tenzij de
                    wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing
                    worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in
                    te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt dat het advies van de monumentencommissie
                    nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende gevallen (lid 2). Monumenten op de
                    gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze
                    zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van
                    de monumentenlijst gehaald.</al><al>Lid 3 regelt dat monumenten die na aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                    monument worden geregistreerd als rijksmonument, vanaf dat tijdstip geacht
                    worden niet meer te zijn aangewezen.</al><al>Voor de situatie waarin een provinciale monumentenlijst bestaat is een
                    vergelijkbare regeling opgenomen. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                    monumentenverordening dit regelt.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>De verbodsbepaling van artikel 9 vertoont gelijkenis met artikel 11 lid 1 van de
                    herziene Monumentenwet 1988.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>De verordening legt de vergunningverlening ten aanzien van rijksmonumenten op
                    basis van de herziene Monumentenwet 1988 in handen van het college.</al><al>Het is verstandig de vergunningverlening voor rijks- en gemeentelijke monumenten
                    procedureel en inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Het is voor
                    de aanvrager, maar ook voor de behandelende gemeentelijke diensten en voor het
                    college van praktische betekenis dat beide aanvragen zoveel mogelijk langs
                    dezelfde weg worden afgehandeld.</al><al>De herziene Monumentenwet 1988 regelt de vergunningverlening voor de wijziging
                    van rijksmonumenten door het college in de artikelen 11 tot en met 21 jo.
                    artikel 14 van de monumentenverordening. In dit artikel gaat het derhalve alleen
                    over gemeentelijke monumenten.</al><al>Artikel 10 regelt dat een vergunning nodig is om een monument te verstoren. Dit
                    geldt ook voor archeologische monumenten. Over opgravingen en vondsten is niets
                    in de verordening geregeld. Reden hiervoor is dat deze aspecten uitputtend in de
                    herziene Monumentenwet 1988 zijn geregeld.</al><al>De herziene Monumentenwet 1988 regelt:</al><lijst><li nr="-"><al>dat voor opgravingen een vergunning nodig is;</al></li><li nr="-"><al>dat een rechthebbende van een terrein moet dulden dat de
                            opgravingsbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen
                            verricht;</al></li><li nr="-"><al>de eigendomskwestie van vondsten;</al></li><li nr="-"><al>een schaderegeling.</al></li></lijst><al>Als de gemeente zelf archeologische monumenten beschermt, kan zij in de
                    toelichting van de verordening aangeven wat zij onder verstoren verstaat. In de
                    herziene Monumentenwet 1988 wordt hierover geen uitspraak gedaan. Ingrepen die
                    de bestemming van de grond veranderen en waardoor het grondwaterpeil verandert
                    of waarbij bijvoorbeeld graafwerk dieper dan 0,50 m wordt verricht kunnen worden
                    aangemerkt als het verstoren van een archeologisch monument in de zin van
                    artikel 10.</al><al>Ten aanzien van de vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van
                    belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de
                    Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een aanvraagformulier voor de
                    vergunning kan de gemeente aangeven welke gegevens zijn vereist.</al><al>Wat de eventueel benodigde gegevens voor bouwhistorisch onderzoek betreft wordt
                    verwezen naar de toelichting van artikel 3, lid 3.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Als het college de aanvraag in behandeling neemt, moet door hem op grond van de
                    verordening advies gevraagd worden aan de monumentencommissie. Nadat dit advies
                    aan het college is uitgebracht moet hij ermee rekening houden dat artikel 4:7 of
                    artikel 4:8 Awb van toepassing kan zijn. Over het voornemen de beschikking af te
                    geven, dan wel geheel of gedeeltelijk af te wijzen moeten de aanvrager en de
                    belanghebbenden worden gehoord. Deze kunnen naar keuze hun zienswijzen
                    schriftelijk of mondeling naar voren brengen op grond van artikel 4:9 Awb. De
                    monumentencommissie adviseert het college binnen acht weken na de adviesaanvraag
                    (lid 2). Vervolgens, dus na ontvangst van het advies, beslist het college binnen
                    acht weken (lid 3). De redactie van lid 3 heeft tot gevolg dat, wanneer de
                    monumentencommissie niet tijdig adviseert, de adviesbevoegdheid automatisch
                    overgaat naar de behandelend monumentenambtenaar. Zodoende kan het college toch
                    nog gemotiveerd een beslissing nemen. </al><al>De totale termijn kan met maximaal tien weken worden verlengd, mits de aanvrager
                    tijdig van het uitstel op de hoogte wordt gesteld (lid 4).</al><al>De totale termijn van 26 weken spoort niet meer met die voor de bouwvergunning.
                    In artikel 46 Woningwet wordt voor licht vergunningplichtige bouwwerken enen
                    termijn van maximaal 6 weken voorgeschreven. Voor een reguliere bouwvergunning
                    wordt een termijn van maximaal 18 weken voorgeschreven en als een reguliere
                    bouwvergunning gefaseerd wordt verleend dan geldt er een termijn van maximaal 24
                    weken. Om niet gedurende de lopende monumentenprocedure de bouwvergunning te
                    moeten weigeren (conform de weigeringsgrond van artikel 44 sub e Woningwet)
                    adviseren wij om in overleg met de aanvrager van de monumenten- en
                    bouwvergunning de aanvraag bouwvergunning pas later in te dienen of in procedure
                    te nemen. In de Woningwet is namelijk alleen een aanhoudingsregeling voor
                    vergunningen van rijksmonumenten opgenomen (artikel 54 Woningwet).</al><al>Als het college niet tijdig beslist, wordt de monumentenvergunning geacht te
                    zijn verleend (lid 5). Hierbij is niet aangesloten bij de Awb (die kent immers
                    de fictieve weigering), maar bij de bouwvergunning en rijksmonumentenvergunning.
                    Deze kennen namelijk ook een fictieve vergunningverlening bij overschrijding van
                    de fatale termijnen. Er kan ook worden gekozen voor een fictieve weigering, de
                    in de Awb geregelde systematiek. Een voordeel hiervan is dat er dan nog niets
                    onherroepelijks kan gebeuren.</al><al>De bepaling van lid 6 komt overeen met die in de herziene Monumentenwet 1988,
                    maar niet met hetgeen geregeld is voor de bouwvergunning en de Awb.</al><al>Het is ook mogelijk om dit lid achterwege te laten, zodat geen schorsende
                    werking optreedt. Indien belanghebbenden in dat geval schorsende werking wensen,
                    moeten zij hiervoor bij de rechtbank een voorziening vragen. Het voordeel is dat
                    tijdverlies wordt voorkomen in gevallen dat geen bezwaren tegen de
                    vergunningverlening bestaan. Het nadeel is dat al onomkeerbare acties kunnen
                    worden ondernomen, voordat het besluit onherroepelijk is geworden.</al><al>Het is niet nodig om te regelen dat het college aan een vergunning voorschriften
                    kan verbinden in het belang van de monumentenzorg of dat de vergunning voor
                    bepaalde tijd kan worden verleend. Het verbinden van voorschriften aan een
                    vergunning en het verlenen van een vergunning voor bepaalde tijd is namelijk een
                    ongeschreven regel van het bestuursrecht. Dat kan dus ook zonder het in de
                    verordening te regelen.</al><al>Indien de aanvraag een verstoring van een gemeentelijk archeologisch monument
                    betreft kan de gemeente bij het afgeven van een vergunning bepalen dat de
                    belangen waardoor het terrein is aangewezen voldoende moeten zijn beschermd. Dit
                    kan zij regelen door in de vergunningvoorwaarden op te nemen dat de
                    rechthebbende op het terrein toestemming moet verlenen aan door het college aan
                    te wijzen personen om het terrein te betreden en om graafwerk of
                    documentatiewerkzaamheden op het terrein te laten verrichten.</al><al>Een en ander kan ook nodig zijn in verband met het verkrijgen van voldoende
                    gegevens om op de vergunningaanvraag te kunnen beschikken. Een en ander geldt
                    ook voor bovengrondse monumenten. Zowel in de sloopvergunning als bij de
                    intrekking van de aanwijzing kunnen voorafgaand aan de sloop voorwaarden worden
                    gesteld ter documentatie van het monument voor de lokale geschiedenis en om
                    afkomende bouwhistorische elementen veilig te stellen.</al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding, dan
                    is overeenstemming niet vereist. Zie de toelichting op artikel 1, sub f.</al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c heeft
                    de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten
                    aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een
                    nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                    behoren voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener (het college) de
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Gelet op de taak van de monumentencommissie, ligt het voor de hand dat een
                    afschrift van de intrekking aan die commissie wordt gezonden. Er kunnen zich
                    omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                    monumentencommissie om advies te vragen. De commissie kan ook ongevraagd
                    adviseren. De inkennisstelling van de vergunninghouder en het met redenen
                    omkleed moeten zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat artikel 3:41 Awb dit
                    regelt.</al><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit artikel vloeit voort uit artikel 15, lid 1, van de herziene Monumentenwet
                    1988. Alhoewel de Awb termijnen doorgaans in aantallen weken uitdrukt, is in lid
                    1 de dagentermijn uit de herziene Monumentenwet 1988 gevolgd.</al><al>De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor
                    rijksmonumenten staat in de artikelen 11 tot en met 21 van de herziene
                    Monumentenwet 1988.</al><tussenkop>Leden 2 en 3</tussenkop><al>De herziene Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                    aanvragen om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te voorkomen
                    dat dit wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de
                    monumentencommissie tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is
                    in lid 3 bepaald dat de monumentencommissie na het verstrijken van de in lid 2
                    gestelde adviestermijn geacht wordt te hebben geadviseerd door de behandelend
                    monumentenambtenaar advies te laten uitbrengen. Zodoende kan het college toch
                    nog gemotiveerd een beslissing nemen.</al><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Dit artikel is dus niet verplicht. Alternatief voor een
                    schadevergoedingsregeling is de civielrechtelijke jurisprudentie over
                    schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad, Boek 6, artikel 126 BW).</al><al>Ten opzichte van de (on)rechtmatige-daadprocedure, heeft een
                    schadevergoedingsregeling de volgende voordelen:</al><lijst><li nr="-"><al>een lage drempel voor de burger en meer mogelijkheden voor overleg
                            (administratieve voorprocedure);</al></li><li nr="-"><al>samenhang tussen monumenten en ruimtelijke ordening (artikel 49 WRO);
                            vandaar dat in lid 2 voor de behandeling van de aanvragen de bepalingen
                            van de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van
                            artikel 49 van de WRO van overeenkomstige toepassing zijn
                            verklaard.</al></li></lijst><al>Ten opzichte van de (on)rechtmatige-daadprocedure, heeft de
                    schadevergoedingsregeling de volgende nadelen:</al><lijst><li nr="-"><al>zoals vermeld is de regeling geen wettelijke verplichting;</al></li><li nr="-"><al>de regeling kan een aanzuigende werking hebben;</al></li><li nr="-"><al>er is een (civielrechtelijk) alternatief.</al></li></lijst><al>Het aanwijzen, wijzigen of intrekken van de aanwijzing als beschermd
                    gemeentelijk monument is uit het schadevergoedingsartikel weggelaten. Dit heeft
                    als reden dat eventuele schade pas optreedt als voor bepaalde activiteiten geen
                    of niet de gewenste vergunning is verleend.</al><tussenkop>Artikel 16</tussenkop><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de
                    keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete te stellen
                    van de tweede of de eerste categorie. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 335,- (augustus 2006); in
                    de tweede categorie maximaal € 3.350,- (augustus 2006). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>In de herziene Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het
                    verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld
                    aan een geldboete van de vijfde categorie (€ 67.000,- (augustus 2006)).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te
                    bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie voor de hand
                    liggend.</al><al>In de verordening hoeft niet de mogelijke straf opgenomen te worden om bij
                    overtreding de rechterlijke uitspraak openbaar te maken. Een dergelijke
                    strafbepaling is overbodig, omdat iedere rechterlijke uitspraak openbaar
                    is.</al><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr).</al><al>Een toezichthouder mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voorzover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is (artikel 5:13
                    Awb). Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.</al><tussenkop>Artikel 18 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Om rechtmatig te handelen dient in de verordening tegenwoordig standaard een
                    hardheidsclausule opgenomen te worden. “Hardheidsclausule” is een term die
                    gebruikt wordt in de Nederlandse wet en regelgeving, waarmee wordt aangegeven
                    dat de instantie, die belast is met de uitvoering van een wet of regel, de
                    bevoegdheid heeft om van die wet of regel af te wijken als toepassing van die
                    wet of regel in voor een belanghebbende onbedoeld en onvoorzien buitengewoon
                    onbillijk uitwerkt. Deze clausule wordt soms toegepast als een aanvrager door
                    een overmachtsituatie niet de aan de regels uit de verordening kan voldoen die
                    vereist zijn om bijv. een vergunning te verkrijgen. Voorwaarde is wel dat de
                    aanvrager al in een vroeg stadium de situatie heeft besproken met de hiertoe
                    aangewezen ambtenaar.</al><al>In de hardheidsclausule is bepaald dat het college gebonden is aan deze
                    verordening en daarvan in principe niet kan afwijken. Enkel kan worden afgeweken
                    indien er sprake is van:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="-"><al>onevenredige gevolgen, en</al></li><li nr="-"><al>gevolgen die onevenredig zijn in relatie met de doelen, die door deze
                            verordening</al></li></lijst><al>worden gediend.</al><tussenkop>Artikel 19 Evaluatiebepaling</tussenkop><al>Om rechtmatig te handelen dient in elke verordening tegenwoordig standaard een
                    evaluatiebepaling opgenomen te worden.</al><tussenkop>Artikel 20 Inwerkingtreding </tussenkop><al>Nadat de raad deze verordening heeft vastgesteld dient deze eerst volgens het
                    bepaalde in artikel 15 lid 2 van de Monumentenwet 1988 ter kennisname aan de
                    minister van OC en W gebracht te worden. Deze heeft twee maanden de tijd om
                    eventueel beroep aan te tekenen tegen de verordening. Bij het uitblijven van
                    beroep treedt de verordening na twee maanden in werking. </al><al>Vervolgens wordt bepaald dat de op grond van de oude verordening op de
                    gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht worden te zijn
                    aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening (de leden 3
                    en 4). Ten slotte is in lid 5 geregeld dat aanvragen om vergunning voor
                    gemeentelijke monumenten die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze
                    verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening (ook indien de
                    nieuwe verordening al in werking getreden is.)</al><al>Nadat de raad heeft besloten, dient de verordening bekend gemaakt te worden
                    –onder toevoeging van de kanttekening dat er een mogelijkheid bestaat dat de
                    RACM nog beroep aantekent - ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet. Hierin
                    wordt de bekendmaking van verordeningen geregeld. </al><tussenkop>Artikel 21</tussenkop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>