<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR71333_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Planschadeverordening 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loon op Zand</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loon op Zand</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekjournaal 2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Planschadeverordening 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-05-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-05-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Planschadeverordening 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Besluit</vet></al><al>De raad van de gemeente Loon op Zand;</al><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 17
                        maart 2009, nummer 2009/23;</al><al>gelet op het advies van de commissie Fysieke Omgeving en Milieu d.d. 2 1
                        april 2009;</al><al>voorts gelet op de artikelen 142, 147 en 149 van de Gemeentewet, artikel 6.7
                        van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.1.3.3 van het Besluit
                        ruimtelijke ordening;</al><al>besluit vast te stellen de:</al><al><vet>Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade
                        gemeente Loon op Zand 2009:</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a. aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als
                        bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient; </al><al>b. adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan te
                        wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c, Besluit ruimtelijke
                        ordening; </al><al>c. adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 3,
                        vijfde lid, van deze verordening; </al><al>d. besluit: Besluit ruimtelijke ordening; </al><al>e. college: het college van burgemeester en wethouders; </al><al>f. gemeente: gemeente Loon op Zand; </al><al>g. planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1 , tweede lid,
                        Wet ruimtelijke ordening; </al><al>h. plan schade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet
                        ruimtelijke ordening; </al><al>i. wet: Wet ruimtelijke ordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in
                        artikel 6.1.3.1 van het besluit verstrekt het college, aan sen of meerdere
                        adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te
                        brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het besluit
                        of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt
                                door het college een adviseur aangewezen, die beschikt over
                                voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van
                                planschade; </al></li><li nr="2."><al>indien het college van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft
                                op planschade vanwege inkomensderving en er, gezien de complexiteit,
                                aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra
                                deskundigheid, wordt door het college een tweede adviseur aangewezen
                                die deskundig is op het gebied van accountancy of van financieel
                                economische bedrijfsvoering;</al></li><li nr="3."><al> indien het college van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft
                                op planschade vanwege waardevermindering van een onroerende zaak en
                                er gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte
                                bestaat aan extra deskundigheid, wordt door het college een tweede
                                adviseur aangewezen die deskundig is ter zake van de waardering van
                                onroerende zaken en van waardevermindering daarvan als gevolg van
                                een planologische verslechtering; </al></li><li nr="4."><al>indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde lid
                                van toepassing zijn, worden zowel de in het tweede als het derde lid
                                bedoelde adviseurs aangewezen; </al></li><li nr="5."><al>bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een
                                adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur
                                voorzitter is; </al></li><li nr="6."><al>de adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Deskundigheid en onafhankelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen. kan het college
                                verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring
                                deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3. eerste, tweede
                                of derde lid. bedoelde aspecten waarop deze persoon de aanvraag moet
                                beoordelen; </al></li><li nr="2."><al>een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van
                                de raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de
                                planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing
                            adviseur ofadviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college de opdracht tot advisering, zoals bedoeld in
                                artikel 2, verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele
                                andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als
                                bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet
                                schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van: </al><al>a. een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of; </al><al>b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde lid. </al></li><li nr="2."><al>de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de
                                belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid,
                                van de wet kunnen binnen twee weken na de verzending van de
                                mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende
                                gemotiveerd een verzoek tot wraking van een of meerdere adviseurs
                                bij het college indienen; </al></li><li nr="3."><al>het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in
                                het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot
                                wraking van een of meerdere adviseurs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Werkwijze adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de
                                aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de
                                beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de
                                adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking; </al></li><li nr="2."><al>het college wijst uit de ambtelijke organisatie een of meer personen
                                aan die de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de
                                adviesopdracht bijstaan; </al></li><li nr="3."><al>de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert een
                                of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid
                                bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden
                                gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de
                                advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan
                                wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur
                                of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken
                                bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel
                                6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de
                                gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken; </al></li><li nr="4."><al>de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het
                                tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter
                                plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de
                                plaatsopneming uit; </al></li><li nr="5."><al>ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken
                                onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de
                                adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt; </al></li><li nr="6."><al>van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde
                                lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wei onder
                                verantwoordelijkheid van de adviseur of de voorzitter van de
                                adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit
                                te brengen advies; </al></li><li nr="7."><al>alvorens een advies uit te brengen, zendt de adviseur of de
                                adviescommissie binnen zestien weken na de verzending van de
                                opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de
                                aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de
                                belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid,
                                van de wet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan
                                deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven
                                termijn van ten hoogste vier weken verlengen; </al></li><li nr="8."><al>de aanvrager, de gemeente, eventuele andere betrokken
                                bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel
                                6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden in de gelegenheid
                                gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies
                                schriftelijk hierop te reageren; </al></li><li nr="9."><al>in het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of
                                de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in
                                het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college,
                                waarbij de betreffende reacties zijn betrokken; </al></li><li nr="10"><al>in het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de
                                adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken
                                van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het
                                college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Uitbetaling tegemoetkoming</titel></kop><al>Indien het college een tegemoetkoming in de plan schade vaststelt, vindt
                        uitbetaling plaats op een door aanvrager aangegeven rekening, direct na het
                        onherroepelijk worden van het vaststellingsbesluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al>1.Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag waarop de
                        verordening bekend is gemaakt; </al><al>2. deze verordening wordt aangehaald als "Planschadeverordening 2009". 
                        </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus
                        besloten in de open bare vergadering van de raad van de gemeente Loon op
                        Zand van 14 mei 2009.</ondertekening><ondertekening>voorzitter,</ondertekening><ondertekening>griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op de Planschadeverordening 2009.</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Krachtens artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan degene die in de
                    vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak
                    schade lijdt of zal lijden als gevolg van een planologische maatregel, op
                    aanvraag een tegemoetkoming in planschade worden toegekend, voor zover de schade
                    redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor
                    zover de tegemoetkoming in planschade niet voldoende anderszins verzekerd is.
                    Afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) van de Wro bevat bepalingen over het
                    tijdstip waarbinnen aanvragen moeten worden ingediend (artikel 6.1, vierde en
                    vijfde lid, Wro), is uitgewerkt welke schade in ieder geval voor rekening van de
                    aanvrager dient te blijven (artikel 6.2 Wro) en wordt ingegaan op zaken die het
                    bestuursorgaan bij het nemen van een beslissing op het aanvragen om een
                    tegemoetkoming in planschade dient te betrekken (artikel 6.3 Wro). Artikel 6.1,
                    derde lid, Wro stelt eisen aan de aanvraag om een tegemoetkoming, die op grond
                    van artikel 6.7 Wro in het Bro zijn uitgewerkt. De regels in het Bro leiden tot
                    een uniformering en standaardisering van regels omtrent de inrichting en
                    behandeling en de wijze van beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming in
                    schade. Onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en het Besluit op de
                    ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) bestond de noodzaak dat iedere gemeente een
                    regeling voor de behandeling van de planschadeverzoeken moest opstellen. De
                    regeling met betrekking tot de behandeling van de aanvragen is nu terug te
                    vinden in het Bro. In het Bro zijn in afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) de
                    vereisten voor het indienen van een aanvraag, alsmede een aantal
                    procedurevoorschriften en de regels voor het aanwijzen van een adviseur
                    opgenomen. Artikel 6.1.3.2 Bro verplicht het college een adviseur aan te wijzen
                    die advies uitbrengt over de op de aanvraag te nemen beslissing. In artikel
                    6.1.3.3, eerste lid, Bro wordt voorgeschreven dat de gemeente een verordening
                    moet vaststellen over de wijze waarop een adviseur wordt aangewezen en de wijze
                    waarop deze tot een advies komt. In artikel 6.1.3.3, tweede lid, Bro wordt
                    bepaald dat de verordening in ieder geval betrekking moet hebben op: </al><al>a. de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur;| </al><al>b. de gevallen waarin een adviescommissie wordt ingeschakeld; </al><al>c. het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld; </al><al>d. de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en
                    de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro
                    vooraf in de aanwijzing van de adviseur worden gekend, dan wei na deze
                    aanwijzing kunnen wraken; </al><al>e. de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en
                    de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro
                    onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden
                    betrokken, en de hierbij geldende termijnen.</al><al/><tussenkop>De Planschadeverordening 2009 in verhouding tot de Procedureregeling
                    planschadevergoeding 2005</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de Planschadeverordening 2009 blijft de oude
                    planschaderegeling nog van toepassing in enkele gevallen. De Procedureregeling
                    planschadevergoeding 2005 is nog van toepassing op aanvragen om
                    planschadevergoeding die zijn ingediend voor 1 juli 2008 en waarop nog niet
                    onherroepelijk is beslist. De Planschadeverordening 2009 is van toe passing op
                    de aanvragen die zijn ingekomen op de dag na de dag waarop de verordening bekend
                    is gemaakt. Dit is de dag waarop de verandering in werking treedt. Voor
                    aanvragen die zijn ingekomen na 1 juli 2008 maar voor de inwerkingtreding van de
                    verordening, geldt dat deze zoveel mogelijk op basis van de verordening zullen
                    worden behandeld.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Bij de definiëring van de begrippen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij
                    de Wro en het Bro en voor zover dit noodzakelijk werd geacht, is een aanvulling
                    gegeven. Voor een juiste interpretatie van de verordening is naast raadpleging
                    van artikel 1 kennisneming van de algemene bepalingen in artikel 6.1.1.1 Bro van
                    belang. Ten behoeve van de duidelijkheid van de begrippen adviseur en
                    adviescommissie is in deze verordening een van het Bro afwijkende omschrijving
                    van het begrip adviseur opgenomen. Onder 'persoon' dient ook 'rechtspersoon' te
                    worden begrepen. Het begrip gemeente is afzonderlijk gedefinieerd om te
                    verduidelijken dat indien de verordening het woord gemeente gebruikt, het de
                    gemeente betreft waar de aanvraag om tegemoetkoming in planschade is
                    ingediend.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Opdrachtverstrekking</tussenkop><al>Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan Mn of
                    meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel
                    6.1.3.1 Bro of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel
                    6.1.3.1, eerste lid, Bro geeft het college de bevoegdheid een aanvraag binnen
                    vier, dan wei acht weken indien de aanvrager eerst nog een termijn krijgt de
                    aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen. Artikel 6.1. 3.1,
                    tweede lid, Bro heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel 4:5 Algemene wet
                    bestuursrecht, waarbij een onvolledige aanvraag verder buiten behandeling moet
                    worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro moet het besluit tot
                    het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag aan
                    de aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de gelegenheid is
                    gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgt het college acht weken de tijd na
                    het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is verstreken, om
                    het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend te maken. De
                    laatstgenoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd.
                    Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten behandeling
                    wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld
                    in artikel 6.1. 3.1 Bro worden overschreden. In het laatste geval dienen
                    niettemin in een of meerdere adviseurs te worden aangewezen en dient een
                    opdracht te worden verstrekt. De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat
                    de termijn om te wraken is verstreken en er geen verzoeken tot wraking zijn
                    ingediend, dan wel door het college afwijzend is beslist over een ingediend
                    verzoek tot wraking.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Adviseur of adviescommissie</tussenkop><al>Het college schakelt een of meerdere adviseurs gezamenlijk in voor de advisering
                    over de op de aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel is bepaald in welke
                    gevallen een adviseur of een adviescommissie dient te worden ingeschakeld en
                    over welke deskundigheid een adviseur dient te beschikken. Een adviseur kan een
                    natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze tussen een natuurlijke
                    persoon of een rechtspersoon wordt aan de gemeente overgelaten (zie de Nota van
                    Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 63). Een adviesbureau
                    gespecialiseerd in planschade kan derhalve worden aangewezen als adviseur
                    bedoeld in het eerste lid, of als een van de adviseurs (tweede of derde lid) in
                    een adviescommissie. Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van een of
                    meerdere adviseurs noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg
                    om telkens dezelfde adviseur(s) aan te wijzen (vaste adviseur/vaste
                    adviescommissie). In het eerste lid is bepaald dat een eerste adviseur wordt
                    aangewezen die over voldoende deskundigheid op het gebied van
                    planschadeadvisering dient te beschikken. Afhankelijk van de kennelijke oorzaak
                    van de plan schade kan een tweede en/of derde adviseur worden aangewezen, die
                    over specifieke deskundigheid op het gebied van planschade wegens
                    inkomensderving onderscheidenlijk wegens waardevermindering van een onroerende
                    zaak als gevolg van een planologische verslechtering beschikt.</al><al>Het is aan het college om te beoordelen of deze (eerste) adviseur zelfstandig
                    kan adviseren, of dat er gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag
                    behoefte is een tweede en/of derde adviseur bij de opdracht te betrekken, die
                    beschikt over specifieke deskundigheid. Het college zal de tweede en/of derde
                    adviseur dan vervolgens moeten aanwijzen; bij de aanwijzing van twee of meer
                    adviseurs is er sprake van een adviescommissie (artikel 3, vijfde lid). De
                    adviseurs dienen de in artikel 6.1.3.4 Bro genoemde zaken te betrekken. Artikel
                    6.1.3.5, eerste lid, Bro bepaalt dat de adviseur of de adviescommissie zich door
                    derden kan laten adviseren en bijstaan. Indien hiermee kosten zijn gemoeid, is
                    instemming van het college vereist.</al><al/><tussenkop>Artikel 4, Deskundigheid en onafhankelijkheid</tussenkop><al>Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder a, Bro schrijft voor dat de verordening regels
                    moet bevatten over de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur. Om
                    de deskundigheid van de adviseurs te waarborgen, is in het eerste lid bepaald
                    dat het college alvorens zij tot aanwijzing van een persoon als adviseur
                    overgaat, kan verlangen dat deze persoon aantoont op grond van opleiding en
                    ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3, tweede of derde
                    lid, genoemde aspecten, waarop hij of zij de aanvraag dient te beoordelen. In
                    aansluiting op artikel 3:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht juncto
                    artikel 6.1.1.1 onder c, Bro, waaruit voortvloeit dat een adviseur niet werkzaam
                    mag zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt
                    geadviseerd, wordt in artikel 4, tweede lid, bepaald dat die adviseur eveneens
                    niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Voorts bepaalt
                    artikel 4, tweede lid, dat een adviseur niet betrokken mag zijn bij de
                    planologische maatregel, waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit betreft
                    deskundigen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de in het geding zijnde
                    planologische maatregel. In het bijzonder kan worden gedacht aan personen
                    behorende tot de risicoanalysecommissie, die optreedt in het kader van
                    planologische maatregelen.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij
                    aanwijzing adviseur ofadviescommissie</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen
                    en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van
                    de Wro schriftelijk op de hoogte moeten worden gebracht van de aanwijzing van
                    een adviseur of adviescommissie. De aanwijzing van een adviseur dient
                    schriftelijk bekend te worden gemaakt. In het geval meerdere adviseurs worden
                    aangewezen, worden deze aanwijzingen gezamenlijk schriftelijk bekend gemaakt.
                    Indien de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere
                    belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro
                    zich niet kunnen verenigen met de aanwijzing van een of meerdere adviseurs is er
                    de mogelijkheid om een of meerdere adviseurs te wraken. Op verzoek van de
                    aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden
                    als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro kunnen een of
                    meerdere adviseurs worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden,
                    waardoor de vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid schade zou kunnen
                    lijden. Genoemde partijen worden gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld
                    een verzoek tot wraking van een of meerdere adviseurs bij het college kenbaar te
                    maken. Het college moet binnen twee weken na het verstrijken van de termijn tot
                    het indienen van een verzoek tot wraking beslissen.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Werkwijze adviseur of adviescommissie</tussenkop><al>Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager. eventuele andere betrokken
                    bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en
                    derde lid, van de Wro onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling
                    van het advies worden betrokken. Tevens worden de hiervoor geldende termijnen
                    vastgelegd. In het tweede en derde lid is bepaald dat vanuit de gemeente
                    bijstand wordt verleend aan de adviseur of adviescommissie, door alle voorhanden
                    zijnde informatie met betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in plan
                    schade ter beschikking te stellen. Daarnaast worden alle bescheiden die naar het
                    oordeel van de adviseur of van de adviescommissie nodig zijn voor de beoordeling
                    van de aanvraag aan hen ter beschikking gesteld. Het derde, vierde en vijfde lid
                    bevatten regels over achtereenvolgens de hoorzitting, de bezichtiging en de
                    taxatie. Deze onderdelen behoeven niet afzonderlijk te worden georganiseerd. Het
                    is mogelijk om de hoorzitting te combineren met de bezichtiging en/of taxatie.
                    Volgens artikel 6. t .3.5, tweede lid, Bro mag van de bezichtiging worden
                    afgezien, indien uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort
                    te worden afgewezen. Het concept advies dient binnen zestien weken na
                    dagtekening van de opdracht aan de gemeente, aanvrager, eventueel andere
                    betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 5.4a,
                    tweede en derde lid, van de Wro te worden toegezonden. Deze termijn kan met ten
                    hoogste vier weken worden verlengd (zevende lid). Artikel 6.1.3.3, tweede lid
                    onder e, Bro bepaalt dat de verordening aandacht moet schenken aan de wijze
                    waarop de aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere
                    belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro bij
                    de opstelling van het advies moeten worden betrokken. De Nota van Toelichting
                    bij het Bro noemt als voorbeeld dat de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld
                    om binnen een bepaalde periode op het concept advies te reageren (zie de Nota
                    van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 56). In dit kader bepaalt het
                    achtste lid dat de gemeente, de aanvrager, eventuele andere bestuursorganen en
                    andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de
                    Wro in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken schriftelijk op het
                    concept advies te reageren. Het negende en het tiende lid be palen de termijnen
                    voor het uitbrengen van het advies aan het college.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Uitbetaling</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen om duidelijkheid te geven over het moment waarop de
                    tegemoetkoming zal worden uitbetaald. Gekozen is voor direct na het
                    onherroepelijk worden van het besluit tot toekenning van een tegemoetkoming om
                    te voorkomen dat civielrechtelijke procedures moeten worden gevolgd om
                    uiteindelijk ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen terug te vorderen.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Slotbepalingen</tussenkop><al>In de citeertitel kan een jaartal worden opgenomen om de betrokken verordening
                    te onderscheiden van eventuele gelijkluidende opvolgende verordeningen.
                    </al><al><vet>Preadvies</vet></al><al>Portefeuillehouder: HW</al><al>Datum collegebesluit: 17 maart 2009</al><al>Onderwerp: Voorstel tot vaststelling van de Planschadeverordening 2009 en
                    daarbij behorende toelichting</al><al>Programma: 1. Wonen</al><al>Commissie: Fysieke Omgeving en Milieu</al><al>Agenda nr.: 10,2009/23 </al><al><vet>Aan de raad van de gemeente Loon op Zand,</vet></al><tussenkop>0. Samenvatting</tussenkop><al>Voorstel aan de raad tot vaststelling van de Planschadeverordening 2009 met de
                    daarbij behorende toelichting en tot intrekking van de Procedureverordening
                    Schadevergoeding ex artikel 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening. </al><tussenkop>1. Inleiding</tussenkop><al>Op 1 juli 2008 zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke
                    ordening (Bro) in werking getreden. Op grond van het Bro is de gemeente
                    verplicht een verordening vast te stellen met betrekking tot de procedure voor
                    aanvragen van tegemoetkoming in planschade. </al><al><cursief>2. Wat willen we bereiken</cursief></al><al>Op de eerste plaats het voldoen aan een wettelijk voorschrift door het
                    vaststellen van een verordening. Tevens wordt een rechtmatige gang van zaken
                    bevorderd bij de behandeling van aanvragen om tegemoetkoming in planschade. Voor
                    aanvragers en eventuele andere belanghebbenden wordt vastgelegd hoe de procedure
                    voor de behandeling van dergelijke aanvragen verloopt.</al><tussenkop><vet><cursief>3. Wat gaan we daarvoor doen</cursief></vet></tussenkop><al>In de Wro en het Bro zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de
                    vormvereisten en inhoud van de aanvragen om tegemoetkoming in planschade,
                    alsmede over de behandeling en beoordeling van de aanvragen. In het Bro wordt
                    aangegeven dat de verordening in ieder geval betrekking moet hebben op de
                    deskundigheid en onafhankelijkheid van de adviseur, de gevallen waarin een
                    commissie als adviseur wordt ingeschakeld, de wijze waarop de aanvrager en
                    eventuele andere belanghebbenden vooraf in de aanwijzing van de adviseur worden
                    gekend, de wijze waarop de aanvrager en eventuele andere belanghebbenden de
                    aanwijzing van de adviseur kunnen wraken en de wijze waarop de aanvrager en
                    eventuele andere belanghebbenden door de adviseur, onder verslaglegging, worden
                    gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken. De Vereniging van
                    Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft een modelverordening gepubliceerd. Dit model
                    is in grote lijnen gevolgd. Op enkele onderdelen is van het model afgeweken.
                    Hierbij gaat het veelal om ondergeschikte zaken, behoudens de volgende
                    wijzigingen. In artikel 3, leden 2 en 3, is de tekst 'na advies te hebben
                    ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur', geschrapt. Deze
                    procedurestap leidt tot verlenging van de proceduretijd, terwijl dit in de
                    praktijk direct op voorhand bij de opdracht tot advise ring wordt geregeld. Een
                    extra artikel is toegevoegd, waarin wordt bepaald dat een vastgestelde
                    tegemoetkoming wordt uitbetaald direct na het onherroepelijk worden van het
                    besluit. Deze bepaling is overgenomen uit het voorgaande regiem en ter
                    voorkoming van privaatrechtelijke procedures tot terugvordering van uiteindelijk
                    ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen. In de Wro (artikel 6.4) is bepaald
                    dat het college een recht ad € 300,00 moet heffen. Als het recht niet tijdig is
                    betaald, wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. De raad kan bij
                    verordening, niet zijnde de Legesverordening, dit recht met tweederde verhogen
                    of verlagen. Argumenten om het recht te verhogen, mogen niet liggen in de hoogte
                    van de te maken behandelingskosten van aanvragen. De motivering zou uitsluitend
                    mogen liggen in het ontmoedigen om aanvragen in te dienen. Volgens de bedoeling
                    van de wetgever kan de raad zijn bevoegdheid ook gebruiken om aanvragers met
                    lage inkomens tegemoet te komen. Op voorhand ziet het college hiertoe geen
                    redenen. Bovendien krijgt de aanvrager bij toekenning of gedeeltelijke
                    toekenning van planschade, het recht terug. Indien de raad wei van deze
                    bevoegdheid gebruik zou wensen te maken, levert dit in verhouding extra veer
                    administratief werk op. Om deze redenen doet het college de raad geen voorstel
                    om gebruik te maken van de mogelijkheid om het bij wet vastgestelde recht te
                    verhogen of te verlagen. De onder het voorgaande wetsregiem vastgestelde
                    verordening behoeft niet langer van kracht te blijven, omdat op alle daaronder
                    vallende aanvragen onherroepelijk is beslist. In verband daarmee stelt het
                    college de raad voor om de Procedureverordening Schadevergoeding ex artikel 49
                    Wet op de Ruimtelijke Ordening 2003 met ingang van datum raadsbesluit in te
                    trekken.</al><tussenkop>4. Wat gaat het kosten</tussenkop><al>Aan het voorstel zijn geen financiële consequenties verbonden.</al><tussenkop>5. Communicatie</tussenkop><al>Na vaststelling door de raad wordt het besluit bekend gemaakt. De verordening
                    zal in werking treden op de eerste dag na de bekendmaking.</al><tussenkop>6. Advies raadscommissie</tussenkop><al>Dit voorstel is besproken in de vergadering van de commissie Fysieke Omgeving en
                    Milieu van 21 april 2009. De griffier heeft ons over de bespreking het volgende
                    bericht: "het voorstel gaf de commissie geen aanleiding tot het maken van op- of
                    aanmerkingen. Afgesproken is om het voorstel als akkoordstuk te agenderen voor
                    de raadsvergadering van 14 mei 2009".</al><tussenkop>7. Voorgesteld wordt</tussenkop><al>1.de Planschadeverordening 2009 en de daarbij behorende toelichting vast te
                    stellen.</al><tussenkop>8. Bijlagen</tussenkop><al>Geen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>