<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR71301_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Boekel &amp; Venhorst, 21-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvestingonderwijs gemeente Boekel.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003420&amp;artikel=102">Wet op het primair onderwijs</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003549&amp;artikel=100">Wet op de expertisecentra</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002399&amp;artikel=76">Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>1999-09-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1997-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>1997-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING VOORZIENINGEN HUISVESTING ONDERWIJS</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Boekel, gelezen het voorstel van burgemeester en
                        wethouders van 9 september 1999;</al><al>gezien het advies van de commissie voor Onderwijs c.a. d.d. 24 augustus
                        1999;</al><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100
                        van de Wet op de expertisecentra en artikel 76m van de Wet op het
                        voortgezet onderwijs;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in
                        de huisvesting voor het basisonderwijs bij verordening te regelen;</al><al>besluit vast te stellen de volgende: Verordening voorzieningen
                        huisvesting onderwijs.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en
                                    Wetenschappen;</al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school,
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al>school: school voor basisonderwijs;</al></li><li nr="d."><al>–school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale
                                    school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                                    op het primair onderwijs;</al></li><li nr="e."><al>nevenvestiging: deel van een school voor basisonderwijs dat door
                                    de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair
                                    onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="f."><al>voorziening: één van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="h."><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding
                                    van een voorziening of voor vergoeding van de kosten van
                                    bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 25
                                    van deze verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="j."><al>aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                    vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding; </al></li><li nr="k."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="l."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="m."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp
                                    en de aard van de constructie en materialen tenminste 60 jaren
                                    als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;
                                    12.4 Verordening onderwijshuisvesting 2</al></li><li nr="n."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen tenminste 15
                                    jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="o."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en inrichting, als bedoeld in artikel 95, van de Wet op
                                    primair onderwijs;</al></li><li nr="q."><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="r."><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet
                                    op het primair onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                    staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van
                                    de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="t."><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                            bestaande uit:</al><al>1° nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in
                            aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke
                            vervanging van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet
                            op dezelfde locatie;</al><al>2° uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al><al>3° gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten
                            behoeve van de huisvesting van een school;</al><al>4° verplaatsing van één of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de
                            huisvesting van een school;</al><al>5° terrein voor zover benodigd voor de realisering van een onder a sub
                            1° tot en met 4° omschreven voorziening;</al><al>6° inrichting met onderwijsleerpakket voor zover deze nog niet eerder
                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking zijn
                            gebracht;</al><al>7° inrichting met meubilair voorzover deze nog niet eerder voor
                            bekostiging van rijks- of</al><al>gemeentewege in aanmerking is gebracht;</al><al>8° medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al
                            bij een andere school in gebruik is, en medegebruik van een
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit één of meer activiteiten
                                    zoals onderscheiden in bijlage <vet>I</vet>;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs
                                    bestaande uit één of meer activiteiten zoals onderscheiden in
                                    bijlage <vet>I</vet>;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, alsmede
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet manifest
                                    geworden materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit
                                    ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging van schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket en meubilair als gevolg van bijzondere
                                    omstandigheden;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder 1, kan een
                            aanvraag worden ingediend voor een vergoeding van de kosten van
                            bouwvoorbereiding. Hierbij is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van één van de in artikel 2 genoemde voorzieningen,
                                dan wel bij toekenning van vergoeding voor de kosten van
                                bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt bij de wijze van
                                vaststelling van de hoogte van de vergoeding een onderscheid gemaakt
                                tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de
                                feitelijk voorziene kosten per geval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De
                                vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV,
                                deel B.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a , onderdelen 1,2,6 en 7 als bedoeld in
                                artikel 3. Deel B van bijlage IV is van toepassing op de
                                voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen
                                3,4,5,8,b,c,d,e. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan burgemeester en wethouders
                                    gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het
                                    bepaalde in deze verordening. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde gegevens worden onderscheiden in: </al><lijst><li nr="a."><al>basisgegevens, zijnde gegevens die eenmalig in hun
                                            geheel worden verstrekt en vervolgens alleen in geval
                                            van wijziging worden gemeld bij burgemeester en
                                            wethouders; </al></li><li nr="b."><al>periodieke gegevens, zijnde gegevens die met een vaste
                                            regelmaat door het bevoegd gezag dienen te worden
                                            verstrekt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De in het tweede lid onder a genoemde basisgegevens omvatten:
                                </al><lijst><li nr="1°"><al> gegevens over het bevoegd gezag, bestaande uit naam, adres,
                            denominatie en vestigingsplaats, alsmede een opgave van een
                            contactpersoon inzake aangelegenheden aangaande de huisvesting; </al></li><li nr="2°"><al>gegevens over de onder het beheer van het bevoegd gezag staande
                            school of scholen die geheel of gedeeltelijk gehuisvest zijn in een
                            gebouw gelegen in de gemeente, bestaande uit Brin-nummer, naam, adres,
                            onderwijssoort en eventuele onderwijsafdelingen en, voor zover van
                            toepassing, de aanduiding of de school bestaat uit een hoofdvestiging
                            met één of meer nevenvestigingen;</al></li><li nr="3°"><al>gegevens over de bij de school of school in gebruik zijnde gebouwen
                            gespecificeerd per gebouw, bestaande uit:</al><lijst><li nr="-"><al>het adres;</al></li><li nr="-"><al>de status van het gebouw zijnde hoofdgebouw of dislocatie;</al></li><li nr="-"><al>de bouwaard zijnde permanent of noodlokaal;</al></li><li nr="-"><al>het bouwjaar zijnde het oorspronkelijk bouwjaar of, in geval het
                                    gebouw bestaat uit in verschillende jaren gebouwde delen, de
                                    bouwjaren onderscheiden naar gebouwdeel met de daarbij behorende
                                    bruto-vloeroppervlakte;</al></li><li nr="-"><al>bruto-vloeroppervlakte van het gebouw uitgedrukt in m²;</al></li><li nr="-"><al>de genormeerde en feitelijke capaciteit van het gebouw voorzover
                                    bestemd voor een school voor basisonderwijs, te bepalen aan de
                                    hand van het gestelde in bijlage III, deel A en B;</al></li></lijst></li><li nr="4°"><al>gegevens over de omvang van het medegebruik uitgedrukt in het aantal
                            groepen, voor zover het primair onderwijs betreft en het aantal in medegebruik genomen
                            m² voorzover het voortgezet onderwijs betreft, te verstrekken door de
                            hoofdgebruiker van het gebouw waarin medegebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="5°"><al>gegevens over het adres, het stichtingsjaar en de oppervlakte van de
                            oefenzaal indien het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school
                            voor basisonderwijs, eigenaar is van een gymnastiekruimte.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De in het tweede lid onder b genoemde periodieke gegevens
                            omvatten:</al><lijst><li nr="1°"><al>een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal
                            leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat ingeschreven op de
                            school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw gelegen
                            op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="2°"><al>een afschrift van een tussentijdse opgave aan de minister van het
                            aantal leerlingen dat staat ingeschreven op de school in verband met een
                            groei van het aantal leerlingen;</al></li><li nr="3°"><al>indien de school gedeeltelijk is gehuisvest in één of meer locaties
                            op het grondgebied van de gemeente, een opgave van het aantal leerlingen op de wettelijke
                            teldatum per locatie.</al><al>De onder 1°en 2° vermelde gegevens worden door het bevoegd gezag
                            tegelijkertijd met de opgave aan de minister verstrekt aan burgemeester
                            en wethouders.</al><al>De in het derde lid vermelde gegevens worden door het bevoegd gezag
                            gevoegd bij de jaarlijkse opgave als bedoeld onder 1°.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs verstrekt
                            jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een
                            opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste
                            onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende
                            gegevens:</al><lijst><li nr="1°"><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal
                            klokuren;</al></li><li nr="2°"><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het gebruik
                            wordt gewenst;</al></li><li nr="3°"><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek wordt
                            gewenst.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>In aanvulling op de in het eerste tot en met het vijfde lid bedoelde
                            gegevens verstrekken de bevoegde gezagsorganen op verzoek van
                            burgemeester en wethouders alle inlichtingen die nodig zijn voor de
                            uitvoering van deze verordening. Hieronder kunnen in alle gevallen zijn
                            begrepen:</al><lijst><li nr="1°"><al>een oordeel over de juistheid en volledigheid van door burgemeester
                            en wethouders voorgelegde gegevens die betrekking hebben op het bevoegd gezag;</al></li><li nr="2°"><al>inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het opmaken van de staat van
                            het onderhoud als bedoeld in artikel 37.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>PROGRAMMA EN OVERZICHT</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opneming van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij
                                    burgemeester en wethouders. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag niet voor 1 februari is ingediend, besluiten
                                    burgemeester en wethouders de aanvraag niet te behandelen. Het
                                    besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager
                                    bekendgemaakt binnen vier weken na ontvangst van de ingediende
                                    aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school, en voorzover van toepassing,
                                                het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                                bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in
                                        artikel 2, onder a onderdelen 6° tot en met 8° en artikel 2,
                                        onder d, e ;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                        moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft
                                        als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1° tot en met
                                        4°;</al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt indien
                                        het een voorziening betreft bestaande uit nieuwbouw ter
                                        gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw, uit
                                        onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs
                                        of uit herstel van een constructiefout;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                        voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                        voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                        indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                        vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                        in artikel 27.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in
                                        het eerste of tweede lid delen burgemeester en wethouders
                                        dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de aanvrager.
                                        Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om voor
                                        15 maart de ontbrekende gegevens in te vullen.</al></li></lijst><al>Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet heeft
                                verstrekt voor 15 maart, besluiten burgemeester en wethouders de
                                aanvraag niet te behandelen.</al><lijst><li nr="4."><al>Indien een door burgemeester en wethouders in behandeling
                                        genomen aanvraag betrekking heeft op een voorziening voor
                                        een school waarvan de beoordeling van de noodzaak mede is
                                        gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school
                                        op de wettelijke teldatum van 1 oktober van het jaar waarin
                                        de datum genoemd in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager
                                        onverwijld aan burgemeester en wethouders een afschrift van
                                        de opgave als bedoeld in artikel 5, vierde lid onder 1°.
                                        Indien het afschrift niet binnen een week na het tijdstip
                                        van de wettelijke teldatum is ontvangen, delen burgemeester
                                        en wethouders dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij
                                        wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld alsnog binnen
                                        drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling in te
                                        dienen. Indien het afschrift van de opgave niet binnen de
                                        termijn bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, besluit de
                                        raad de aanvraag niet te behandelen.</al></li><li nr="5."><al>Een besluit om ingevolge het derde lid de aanvraag niet te
                                        behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier
                                        weken na het verstrijken van de daarin genoemde termijn. Een
                                        besluit om ingevolge het vierde lid de aanvraag niet te
                                        behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier
                                        weken na het nemen van de daarin genoemde beslissing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende en in behandeling genomen aanvragen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verstrekken ter informatie aan de
                                bevoegde gezagsorganen een opgave van de ingevolge artikel 6 en
                                artikel 25 ingediende aanvragen. Voor zover van toepassing geven
                                burgemeester en wethouders daarbij aan welke aanvraag of aanvragen
                                niet in behandeling worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na het in behandeling nemen van een aanvraag door burgemeester
                                    en wethouder kan deze voor 1 mei volgend op de datum als genoemd
                                    in artikel 6, door de aanvrager nader worden toegelicht. De
                                    toelichting kan plaatsvinden op verzoek van de aanvrager of op
                                    verzoek van burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde
                                    in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is,
                                    treden burgemeester en wethouders voor de in het eerste lid
                                    genoemde datum in overleg met de aanvrager indien zij van
                                    oordeel zijn dat de door de aanvrager overgelegde begroting van
                                    de kosten dient te worden aangepast. Wanneer in het overleg geen
                                    overeenstemming wordt bereikt over de hoogte van het geraamde
                                    bedrag dan geven burgemeester en wethouders dat, onder
                                    vermelding van de redenen, aan in het voorstel tot vaststelling
                                    van het bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in
                                    paragraaf 2.3. Burgemeester en wethouders geven in dit voorstel
                                    tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan waarvan voor de
                                    aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing van
                                    het gestelde in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens burgemeester en wethouders een voorstel aan de raad
                                    doen met betrekking tot het programma en het overzicht, worden
                                    de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid
                                    gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat
                                    voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door burgemeester en wethouders vastgestelde datum
                                    schriftelijk daarvan in kennis gesteld. Zij worden hierbij
                                    tevens in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het
                                    voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan
                                    burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders stellen
                                    de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren
                                    gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende, schriftelijk
                                    kenbaar gemaakte zienswijzen, alsmede van de reactie van
                                    burgemeester en wethouders op deze zienswijzen, wordt door
                                    burgemeester en wethouders een verslag gemaakt. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen en wordt
                                    gevoegd bij het voorstel aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een bevoegd gezag of burgemeester en wethouders een
                                    advies wensen van de Onderwijsraad over het voorstel met
                                    betrekking tot de voorgenomen inhoud van het programma in
                                    relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting, dan wordt dit door het bevoegd gezag of burgemeester
                                    en wethouders tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid
                                    kenbaar gemaakt. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk
                                    gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het advies
                                    van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het
                                    verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en burgemeester en wethouders worden
                                    in het overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar
                                    voren te brengen over een verzoek om advies van de
                                    Onderwijsraad. Het schriftelijke verzoek om advies en de
                                    daarover naar voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het
                                    verslag van het overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn belast met de indiening van een
                                    verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgen zij
                                    ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken, waaronder het
                                    schriftelijk verslag van het overleg met de daarin opgenomen
                                    zienswijzen, ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het
                                    verzoek.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door burgemeester en wethouders
                                    toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of
                                    gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou
                                    leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde
                                    gezagsorganen door burgemeester en wethouders bij de toezending
                                    van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader
                                    overleg. In alle andere gevallen beoordelen burgemeester en
                                    wethouders of nader bestuurlijk overleg over het advies van de
                                    Onderwijsraad noodzakelijk is. Burgemeester en wethouders geven
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van
                                    de Onderwijsraad.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Burgemeester en
                                    wethouders informeren de raad over dit overleg in de vorm van
                                    een aanvulling op het verslag als bedoeld in het vierde
                                    lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bedrag, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt als onderdeel van de gemeentebegroting het
                                        bedrag vast dat beschikbaar is voor de vergoeding van de
                                        aangevraagde voorzieningen. Dit bedrag kan worden gesplitst
                                        in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort en/of per
                                        voorziening. Het programma en het overzicht worden door de
                                        raad tegelijkertijd met de gemeentebegroting
                                        vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Indien de gemeentebegroting niet uiterlijk op 31 december
                                        wordt vastgesteld van het jaar waarin de datum als bedoeld in artikel 6 valt, dan worden het
                                bedrag, het programma en het overzicht, afzonderlijk van de
                                gemeentebegroting, uiterlijk op 31 december vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>Indien ten tijde van de vaststelling van de
                                        gemeentebegroting het bedrag, het programma en het overzicht
                                        nog niet kunnen worden vastgesteld, dan vindt de
                                        vaststelling van het bedrag, het programma en het overzicht
                                        plaats op uiterlijk 31 december van het jaar waarin de datum
                                        als bedoeld in artikel 6 valt.</al></li><li nr="4."><al>Indien uiterste datum als genoemd in het tweede en derde lid
                                        voor de vaststelling van het bedrag, het programma en het overzicht wordt overschreden, worden de
                                aangevraagde en in behandeling genomen voorzieningen geacht voor
                                vergoeding in aanmerking te zijn gebracht. Voor de hoogte van de
                                vergoeding is dan het gestelde in artikel 4 in samenhang met bijlage
                                IV bepalend. De uitvoering van de voorziening geschiedt dan volgens
                                het bepaalde in paragraaf 2.4.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                gemaakt, komen, voor zover de raad heeft 
                                vastgesteld dat geen van de in de wet opgenomen weigeringsgronden
                                van toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het programma.
                                Bij deze vaststelling past de raad de regels toe met betrekking
                                tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in
                                        bijlage III.</al></li></lijst><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                                voorzieningen neemt de raad, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V,
                                uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag
                                of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend
                                zijn.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt,
                                voor zover van toepassing, door de raad aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A voor
                                        de betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                        voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                        buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het overzicht bevat de aangevraagdevoorzieningen die, gelet
                                        op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                        voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluit vaststelling bedrag, programma en
                                    overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het bedrag,
                                het programma en het overzicht geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling
                                door toezending door burgemeester en wethouders van de besluiten aan de aanvragers.
                                Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de besluiten door burgemeester en wethouders
                                schriftelijk mededeling gedaan aan de overige bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma
                                        treden burgemeester en wethouders in overleg met de
                                        aanvrager over de wijze van uitvoering van de op het
                                        programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt alle
                                        informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de
                                        voorziening. Daarbij worden, voorzover van toepassing,
                                        afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de wet;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting
                                        door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                        inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop door burgemeester en wethouders toepassing
                                        wordt gegeven aan de toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing
                                in verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als
                                bedoeld in artikel 16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over de
                                        besteding van de beschikbaar te stellen middelen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                        voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin, dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de
                                        aanbesteding van de uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij
                                        worden, voor zover van toepassing gezien de aard van de
                                        voorziening, de gestelde richtlijnen als bedoeld in bijlage
                                        IV, deel B in acht genomen.</al></li><li nr="3"><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet
                                tot overeenstemming heeft geleid, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk
                                vastgelegd in een verslag van het overleg en binnen vier weken na
                                afloop van het overleg ter kennis gebracht van de aanvrager. Indien
                                de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of binnen twee
                                weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft gereageerd, wordt,
                                afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht dat
                                er overeenstemming of geen overeenstemming is bereikt.</al></li><li nr="4."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                vierde lid, nemen burgemeester en wethouders binnen vier weken nadat de
                                overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
                                nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="5."><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                derde lid is bereikt, delen burgemeester en wethouders binnen vier weken nadat het verslag is
                                vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt
                                aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de voorziening
                                geen aanvang zal nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid is
                                    bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter goedkeuring in bij burgemeester en
                                    wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst beslissen burgemeester en
                                    wethouders over de goedkeuring van de bouwplannen en de
                                    desbetreffende begroting en over het tijdstip waarop de
                                    bekostiging een aanvang kan nemen. Burgemeester en wethouders
                                    kunnen, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn
                                    verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is
                                    besloten, worden de bouwplannen en de begroting geacht te zijn
                                    goedgekeurd en vangt de bekostiging aan op het door de aanvrager
                                    aangegeven tijdstip. Binnen twee weken na de datum van de
                                    beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het
                                    tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, delen
                                    burgemeester en wethouders de beslissing schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stellen
                                    burgemeester en wethouders eveneens vast of de feiten en
                                    omstandigheden waarin de school verkeert ten opzichte van de
                                    feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
                                    programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar
                                    oordeel van burgemeester en wethouders ingrijpende wijziging van
                                    de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet voor
                                    bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De goedkeuring van de bouwplannen, de goedkeuring van de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften en de toetsing of er sprake is van
                                    nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven, als
                                    naar het oordeel van burgemeester en wethouders, dat niet
                                    noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het programma
                                    opgenomen voorziening. Burgemeester en wethouders doen hiervan
                                    mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in
                                    artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin. De beslissing van burgemeester en wethouders als bedoeld
                                    in het tweede lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het
                                    bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Nadat burgemeester en wethouders het bouwplan van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin
                                    hebben goedgekeurd, overlegt de aanvrager met inachtneming van
                                    de hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan burgemeester en wethouders de aan de aanvrager
                                    uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de voorziening.
                                    Burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken na
                                    ontvangst van de offertes over het bedrag dat definitief
                                    beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de voorziening
                                    en over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
                                    nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de datum van deze
                                    beslissing hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Voor de
                                    vaststelling van het definitieve bedrag is de offerte met de
                                    laagste prijsstelling bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij de beslissing als bedoeld in
                                artikel 16, tweede lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip
                                waarop de bekostiging een aanvang kan nemen, bepalen dat de
                                beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De
                                beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een
                                zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het
                                programma geplaatste voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op vergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op vergoeding van een voorziening vervalt, indien
                                    niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwopdracht is verleend dan
                                    wel een koop , huur of erfpachtovereenkomst is gesloten en een
                                    afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan
                                    burgemeester en wethouders is gezonden. De in de eerste volzin
                                    bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de
                                    aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het
                                    aantal werkbare dagen, binnen welke het werk wordt opgeleverd.
                                    De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn
                                    onherroepelijk. In geval van een huur of erfpachtovereenkomst
                                    wordt daarin de datum van inwerkingtreding vermeld, alsmede de
                                    duur van de overeenkomst. In geval van een koopovereenkomst
                                    wordt daarin de datum van aankoop vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op vergoeding vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij
                                    burgemeester en wethouders tot verlenging van de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen voor 15 september over het
                                    verzoek tot verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt
                                    ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de
                                    termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag om vergoeding van een voorziening in de huisvesting die
                                gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan
                                worden ingediend bij burgemeester en wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de volgende gegevens te
                                verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                        voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon
                                        worden aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6°tot en met 8°
                                en artikel 2 onder d, e;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien
                                        het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders een
                                        of meer gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken,
                                        wordt dit binnen twee weken na datum van indiening van de
                                        aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De
                                        aanvrager heeft de gelegenheid de ontbrekende gegevens
                                        binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te
                                        dienen bij burgemeester en wethouders. Indien de aanvrager
                                        de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige
                                        volzin bedoelde termijn heeft verstrekt, besluiten
                                        burgemeester en wethouders de aanvraag niet te
                                        behandelen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders beslissen binnen zes weken na ontvangst
                                van de aanvraag of binnen zes weken nadat de aanvullende gegevens
                                zijn verstrekt of hadden moeten zijn</al><al>verstrekt. Binnen twee weken na de datum van de beslissing wordt de
                                aanvrager hiervan</al><al>schriftelijk in kennis gesteld door burgemeester en wethouders.</al><al>2.De aanvraag wordt geacht voor vergoeding in aanmerking te zijn
                                gebracht indien</al><al>burgemeester en wethouders niet binnen de in het eerste lid genoemde
                                termijnen een</al><al>beslissing hebben genomen. Voor de hoogte van de vergoeding is dan
                                het gestelde in bijlage IV bepalend. De uitvoering van de
                                voorziening geschiedt dan volgens het bepaalde in artikel 23.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien
                                    burgemeester en wethouders hebben vastgesteld dat het treffen
                                    van de voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs,
                                    geen uitstel kan lijden en geen van de in de wet opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling
                                    passen burgemeester en wethouders de regels toe met betrekking
                                    tot:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage
                                    III.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing van burgemeester en wethouders kan een gedeelte
                                    van de gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde
                                    voorziening omvatten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermelden burgemeester en
                                    wethouders welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in
                                    bijlage IV, deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar
                                    wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een
                                    voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21,
                                    eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treden
                                    burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk in overleg met de
                                    aanvrager over de wijze van uitvoering. Het bepaalde in de
                                    artikelen 15, 16 en 17 is daarbij overeenkomstig van toepassing,
                                    met uitzondering van de in tweede lid van artikel 16 genoemde
                                    termijn van zes weken. Hiervoor moet worden gelezen drie
                                    weken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het overleg wordt vastgesteld voor welke datum een
                                    bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop, huur of
                                    erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
                                    afschrift daarvan aan burgemeester en wethouders moet zijn
                                    gezonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak vergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 23, tweede lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop ,
                                    huur of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan burgemeester en wethouders, vervalt de
                                    aanspraak op vergoeding. Ten aanzien van de inhoud van een
                                    bouwopdracht, dan wel koop, huur of erfpachtovereenkomst is het
                                    gestelde in artikel 18, eerste lid van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op vergoeding vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij burgemeester en wethouders tot verlenging van de
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen drie weken na
                                    ontvangst van het verzoek. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>VERGOEDING KOSTEN BOUWVOORBEREIDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen
                                    voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik
                                    bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan
                                    voorafgaand een aanvraag indienen bij burgemeester en wethouders
                                    voor een vergoeding van de kosten van de bouwvoorbereiding. Het
                                    betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                                    aanbesteding van die voorziening.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar
                                    voorafgaand aan het jaar waarin de vergoeding gewenst wordt.
                                    Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door burgemeester en
                                    wethouders vastgesteld aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt
                                    gewenst;</al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste
                                    locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                    school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                    vereisten;</al></li><li nr="g."><al>indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand
                                    gebouw: een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
                                    vervanging blijkt;</al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                    indien de vergoeding kostenbouwvoorbereiding is aangemerkt als
                                    een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin.</al></li></lijst><al>Bij de rapportage als bedoeld onder g wordt gebruik gemaakt van het door
                            burgemeester en wethouders vastgestelde formulier Bouwkundige
                            opname.</al></li><li nr="4."><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                            lid, delen burgemeester en wethouders dit voor 15 februari schriftelijk
                            mee aan de aanvrager en stellen hem in de gelegenheid om voor 15 maart
                            de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde en vijfde
                            lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of
                                    het overleg over de begroting is het gestelde in artikel 9 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Alvorens burgemeester en wethouders een voorstel aan de raad
                                    doen met betrekking tot het besluit over de aanvraag om een
                                    vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding, treden zij in
                                    overleg met de aanvrager. Dit overleg over de aanvraag vindt
                                    plaats tezamen met het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste
                                    lid. De leden twee, drie en vier van artikel 10 zijn daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Beschikking op aanvraag</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad neemt op het tijdstip als bedoeld in artikel 11 een
                                beslissing over de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voorzover:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar
                                van uitvoering voorbekostiging in aanmerking kan worden
                                gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, wordt in de beschikking vermeld
                                tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. Over de daadwerkelijke
                                beschikbaarstelling van het bedrag worden afspraken gemaakt tussen
                                aanvrager en burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak vergoeding</titel></kop><al>De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van een
                            vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding vervalt, indien door de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk gestart is met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie is
                            verstrekt aan burgemeester en wethouders waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>MEDEGEBRUIK EN VERHUUR</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen overgaan tot vordering van een
                                gedeelte van een gebouw of terrein, bestemd voor het basisonderwijs,
                                (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs,
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare berekeningswijze
                                        en</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><al>1.Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs,
                                indien uit de vergelijking van het aantal groepen zoals berekend op
                                basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals
                                vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er ten
                                minste één leslokaal niet nodig is voor de daar gevestigde school of
                                scholen;</al><al>2.Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><al>wanneer het betreft een gebouw dat gebruikt wordt voor
                                basisonderwijs, indien de som van het aantal klokuren gebruik dat
                                wordt vergoed op grond van artikel 38 minder is dan 40
                                klokuren;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot vordering ten
                                behoeve van medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het
                                beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven aan een andere
                                school of scholen ten behoeve van het onderwijs aan die school of
                                scholen.</al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan
                                die scholen reeds ter beschikking staande huisvestingscapaciteit.</al></li><li nr="3."><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                        wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                        gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van
                                        doelmatigheid het vorderen van leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                        biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een
                                        school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                        dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de vordering
                                        plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen, indien de bij de
                                        vordering betrokken bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in
                                het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om over te gaan
                                tot vordering van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voeren zij daarover
                                overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt
                                en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit
                                overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in artikel
                                10.</al></li><li nr="2."><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld
                                in artikel 11, doen burgemeester en wethouders schriftelijk mededeling van de vordering
                                aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling
                                kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen
                                heeft gegeven geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></li><li nr="3."><al>Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om over te gaan
                                tot vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voeren zij
                                daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met het
                                bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd.</al></li><li nr="4."><al>Binnen een week na afloop van het overleg als bedoeld in het
                                        vorige lid, doen burgemeester en wethouders schriftelijk
                                        mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan
                                        gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als
                                        dat bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven
                                        geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></li><li nr="5."><al>De schriftelijke mededeling van burgemeester en wethouders
                                        als bedoeld in de tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                        waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal groepen of aantal leerlingen
                                        ten behoeve waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke
                                oefening, het aantalklokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking
                                        heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                        gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van
                                        het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel
                                C.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen overgaan tot vordering indien er
                                sprake is van leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte
                                zoals bepaald in artikel 30.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens over te gaan tot vordering voeren burgemeester en
                                wethouders overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                        onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat
                                het onderwijs an de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik
                                ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van burgemeester en wethouders en het bevoegd
                                gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang
                                        kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg doen
                                        burgemeester en wethouders schriftelijk mededeling van de
                                        vordering aan het bevoegd gezag. Indien het overleg zoals
                                        bedoeld in het eerste lid heeft geleid tot afspraken, bevat
                                        de mededeling in ieder geval die afspraken. Voorzover het
                                        overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, bevat de
                                        mededeling de beslissing van burgemeester en wethouders over
                                        de punten waarover geen overeenstemming bestond. Indien het
                                        bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven geen
                                        bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de
                                        schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden
                                        afgezien.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming burgemeester en wethouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens een huurovereenkomst te sluiten, vraagt het bevoegd
                                        gezag toestemming voor de verhuur aan burgemeester en
                                        wethouders.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en
                                        bevat een aanduiding van de huurder, alsmede van de bestemming van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verlenen de toestemming niet
                                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                        bepalingen daaromtrent uit de wet of regelgeving;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                        school.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders nemen binnen vier weken na
                                        ontvangst van het verzoek een besluit en zenden dat aan het bevoegd gezag.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>EINDE GEBRUIK GEBOUWEN EN TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat een gebouw of terrein niet meer door het bevoegd gezag
                                    nodig is voor de huisvesting van een school wordt het gebruik
                                    van het gebouw of terrein zo spoedig mogelijk beëindigd, doch
                                    uiterlijk op de datum genoemd in de door burgemeester en
                                    wethouders en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                    of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                    beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                    gezamenlijke akte.</al></li><li nr="2."><al>Indien er, naar het oordeel van burgemeester en wethouders,
                                    mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het eerste
                            lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort, wordt, voordat de
                            eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden, een staat van onderhoud
                            opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van
                                    burgemeester en wethouders na overleg met het bevoegd
                                    gezag.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing,
                                    vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd
                                    gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan
                                    burgemeester en wethouders betaald wordt. Indien het overleg
                                    niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke
                                    handelwijze gevolgd wordt.</al></li><li nr="5."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien
                                    dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet nodig
                                    is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>GEBRUIK EN VERGOEDING GYMNASTIEKRUIMTE VOOR BASISONDERWIJS EN (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Omvang en vergoeding gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De omvang van het door de gemeente bekostigde gebruik van een
                            gymnastiekruimte door een school voor basisonderwijs is gebaseerd op het
                            aantal klokuren per week waarin volgens het activiteitenplan door de
                            school de gymnastiekruimte wordt gebruikt.</al><al>Voor een school voor basisonderwijs wordt het maximaal aantal klokuren
                            dat voor vergoeding in aanmerking komt vastgesteld volgens het bepaalde
                            in bijlage III, deel B en bedraagt ten hoogste 1,5 klokuur per week per
                            groep leerlingen van 6 jaar en ouder.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                    gehouden school voor basisonderwijs dat eigenaar is van een
                                    gymnastiekruimte ontvangt jaarlijks een vergoeding. De hoogte
                                    van de vergoeding wordt vastgesteld volgens het bepaalde in
                                    bijlage IV, deel A, op basis van de door het betreffende bevoegd
                                    gezag ingevolge artikel 5, derde lid, onder 5°, verstrekte
                                    gegevens. Het maximaal aantal voor vergoeding in aanmerking
                                    komende klokuren wordt op grond van het eerste lid vastgesteld.
                                    Wanneer er sprake is van medegebruik van de gymnastiekruimte
                                    door een of meer andere scholen voor basisonderwijs wordt voor
                                    de bepaling van de hoogte van de vergoeding het aantal klokuren
                                    getotaliseerd.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders keren de ingevolge het tweede lid
                                    vastgestelde jaarlijkse vergoeding in driemaandelijkse termijnen uit aan het bevoegd gezag als
                            bedoeld in het tweede lid, waarbij de eerste termijn aanvangt aan het
                            begin van het schooljaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte als bedoeld in artikel 5, vijfde lid wordt
                                    beschouwd als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien
                                    verstande dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het
                                    bepaalde in dit artikel van toepassing is.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks voor 1 mei
                                    voorafgaande aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de
                                    ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast van het
                                    onderwijsgebruik door scholen voor basisonderwijs van de op het
                                    grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe
                                    wordt het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                    capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van
                                    een capaciteit van 26 klokuren per week per
                                    gymnastiekruimte.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders nemen bij de vaststelling van het
                                    voorstel tot inroostering het volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik
                                    van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
                            school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte wordt voor de betreffende school
                            het eerste ingeroosterd voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                            ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                    basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een
                                    gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                    gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                    gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                    gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voorzover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal
                                    klokuren dat ingevolge artikel 38, eerste lid voor bekostiging
                                    door de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel
                                    klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de
                                    school.</al></li></lijst><al>Burgemeester en wethouders nemen het aantal klokuren als bedoeld in dit
                            lid onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voorzover daarvoor nog
                            capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor
                            bekostiging door de gemeente in aanmerking komt.</al></li><li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door burgemeester en
                                    wethouders binnen twee weken na vaststelling toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen voor basisonderwijs. De bevoegde
                                    gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over
                                    het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na
                                    toezending van het voorstel. In het overleg worden de
                                    vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de
                                    gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot
                                    inroostering.</al></li><li nr="6."><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stellen burgemeester en wethouders voor 15 juni volgend op de
                                    genoemde datum in het eerste lid, de definitieve inroostering
                                    vast van het gebruik van de gymnastiekruimte voor het volgende
                                    schooljaar. Indien burgemeester en wethouders daarbij afwijken
                                    van een of meer in het overleg als bedoeld in het vijfde lid
                                    naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd.</al></li><li nr="7."><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen
                                    de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke
                                    mededeling van burgemeester en wethouder over de inroostering in
                                    de beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze
                                    mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van
                                    artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin
                                    van artikel 32, vierde lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                                verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks de in het kader van deze
                            verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van
                            voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen
                            prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><al><vet>1. De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                voorzieningen huisvesting</vet></al><al><vet>onderwijs gemeente Boekel.</vet></al><al><vet>2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                1997.</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 september
                        1999.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De secretaris,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen</tussenkop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder -behoudens de financiële toets- de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: lesgebouwen;</al></li><li nr="-"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2a en 1.10 d worden niet
                    noodzakelijk</al><al>geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere
                    omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en
                    ter beoordeling van burgemeester en wethouders.</al><tussenkop>1.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b1 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                    en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of </al><al>b2 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                    en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                    jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende</al><al>gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat
                    opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al><al>b1 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                    zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat voor
                    een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>a vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling
                    van</al><al>burgemeester en wethouders;</al><al>b vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                    herbeschikkingsoperatie;</al><al>c vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                    noodzakelijk is.</al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><tussenkop>1.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit:</al><al>a het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van
                    het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig is;</al><al>b1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik
                    bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht
                    of</al><al>b2 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht
                    of</al><al>b3 het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont,
                    dat er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                    jaren binnen het gebouw kunnen worden gehuisvest en</al><al>c het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te realiseren,
                    terwijl</al><al>d evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van burgemeester en
                    wethouders, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                    in oppervlakte tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde
                    bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel
                    of gedeeltelijk inpandig een of meer benodigde leslokalen te maken.</al><tussenkop>1.3.2 a Uitbreiding basisschool met een tweede speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een tweede speellokaal blijkt uit:</al><al>a het feit dat de basisschool ten minste vijf groepen jongste leerlingen (van
                    vier en vijf jaar oud) van ten minste 20 leerlingen telt en dat de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                    jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en voor ten minste
                    vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening deze groepen
                    leerlingen kunnen worden verwacht terwijl</al><al>b voor het spelen van (een deel van) de vier en vijfjarigen geen gebruik kan
                    worden gemaakt van een gymnastiekruimte of van een speellokaal van een andere
                    basisschool of school voor speciaal onderwijs binnen 300 meter hemelsbreed.</al><tussenkop>1.3.2b Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                    speellokaal </tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit”</al><al>a het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten;</al><al>b het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal blijven bestaan
                    en </al><al>c het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl </al><al>d medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                    hemelsbreed niet mogelijk is en </al><al>e evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van burgemeester en
                    wethouders, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                    tussen de feitelijk aanwezige broto-oppervlakte en de genormeerde
                    bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A,
                    inpandig een speellokaal te maken.</al><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl</al><al>b1 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vier jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik
                    een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al><al>d er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of
                    op korte termijn beschikbaar komt en</al><al>e de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders, staan ten opzichte van de
                    kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><tussenkop>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>a er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen opeen afstand van meer dan 2000
                    meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al><al>b er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik
                    een passende huisvesting voor de school te realiseren en</al><al>c de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van een
                    nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde
                    tijdsduur, zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders.</al><tussenkop>1.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket blijkt uit het feit
                    dat de school, op grond van de laatste teldatum voorafgaand aan de indiening van
                    de aanvraag, uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en voor zo'n
                    uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging
                    heeft plaatsgevonden.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra onderwijsleerpakket,
                    indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de school na fusie groter is
                    dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen.</al><tussenkop>1.8 Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor eerste aanschaf van meubilair blijkt uit het feit dat de
                    school, op grond van de laatste teldatum voorafgaand aan de indiening van de
                    aanvraag, uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en voor zo'n
                    uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging
                    heeft plaatsgevonden.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra meubilair, indien het
                    aantal groepen ongewogen leerlingen na fusie groter is dan dat van de aan de
                    fusie deelnemende scholen.</al><al>De noodzaak voor een toeslag meubilair als gevolg van de
                    groepsgrootteverkleining blijkt uit het feit dat de basisschool als gevolg van
                    de daadwerkelijke inzet van de formatie voor speciale doeleinden tot het
                    verkleinen van de groepsgrootte, tenminste 1 groep extra creëert, en een toeslag
                    meubilair voor deze groep in de periode vanaf 1 augustus 1997 nog niet eerder is
                    toegekend.</al><tussenkop>1.9 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste één groep
                    leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, aanwezig is.</al><tussenkop>1.10 Aanpassing</tussenkop><al>De voorziening aanpassing bestaat, met uitzondering van het aanbrengen van een
                    invalidentoilet en het toegankelijk maken van het gebouw voor gehandicapten,
                    uit:</al><al>a wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voorhet basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in bijlage III,
                    delen A en D;</al><al>b een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten;</al><al>c creëren (extra) leslokaal binnen het gebouw;</al><al>d creëren speellokaal binnen het gebouw;</al><al>e voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet en regelgeving </al><al>f vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al>g het terrein toegankelijk maken vor rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen van
                    een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen</al><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter
                    beoordeling van burgemeester en wethouders, te verwezenlijken zijn.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te kunnen
                    afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal groepen
                    leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen
                    een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig
                    is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen
                    of zes- tot twaalfjarigen.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat er meer groepen
                    leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw, als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, ruimte voor biedt, terwijl er tevens sprake is van een
                    bruikbaar verschil tussen de feitelijke bruto-oppervlakte en de genormeerde
                    bruto-oppervlakte dat het mogelijk maakt inpandig een of meer noodzakelijke
                    extra leslokalen te creëren. Bovendien dienen er geen medegebruiksmogelijkheden
                    aanwezig te zijn binnen een afstand van 2000 meter</al><al>hemelsbreed.</al><al>Indien het inpandig creëren van een leslokaal meer kost dan uitbreiding, op
                    grond van bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde
                    voorziening is.</al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de school niet beschikt
                    over een speellokaal en er geen ruimte groter dan 56 m² aanwezig is en er
                    bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een school binnen 300 meter
                    mogelijk is.</al><al>Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding,
                    zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders, op grond van bijlage IV,
                    deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende weten regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad f</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><tussenkop>Ad g</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dienst het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>1.11 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>a onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                    bijgevoegdeoverzicht onderhoud primair onderwijs;</al><al>b (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en
                    sluitwerk);</al><al>c algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale
                    verwarming.</al><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement
                    ten minste in een matige conditie verkeert volgens de bouwkundige opname zoals
                    bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het
                    bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>De noodzaak van vervanging blijkt uit het feit dat ten minste 75 % van de
                    binnenkozijnen en</al><al>binnendeuren, volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, zo slecht is dat niet door adequaat onderhoud een redelijke
                    verlenging van de levensduur kan worden verkregen.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>De noodzaak van vervanging blijkt uit het feit dat de conditie van ten minste 75
                    % van de radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming,
                    volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, zo
                    slecht is dat niet door adequaat onderhoud een redelijke verlenging van de
                    levensduur kan worden verkregen.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaren voor de school
                    noodzakelijk is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan een noodlokaal komt voor bekostiging in
                    aanmerking</al><al>indien:</al><al>a het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld
                    in bijlage II, nog ten minste vier jaren noodzakelijk is en</al><al>b voor de aanwezige groepen leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                    medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed.</al><tussenkop>1.12 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>1.13 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                    en</tussenkop><tussenkop>meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere</al><al>omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><tussenkop>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen</al><lijst><li nr="-"><al>1km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20
                            klokuren,</al></li><li nr="-"><al>3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren
                            of</al></li><li nr="-"><al>7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5
                            klokuren,</al></li></lijst><al>gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten, dan wel van binnen een
                    redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende</al><al>gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen</al><lijst><li nr="-"><al>1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20
                            klokuren,</al></li><li nr="-"><al>3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren
                            of</al></li><li nr="-"><al>7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li></lijst><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><al>a het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m² en
                    het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen</al><lijst><li nr="-"><al>1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20
                            klokuren,</al></li><li nr="-"><al>3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren
                            of</al></li><li nr="-"><al>7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5
                            klokuren</al></li></lijst><al>gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten, dan wel van binnen redelijke
                    termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij 1.2
                    onder a, in aanmerking komt en</al><al>b het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen</al><lijst><li nr="-"><al>1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20
                            klokuren,</al></li><li nr="-"><al>3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren
                            of</al></li><li nr="-"><al>7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5
                            klokuren</al></li></lijst><al>gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten, dan wel van binnen een
                    redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door de gemeente
                    vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en d de kosten van
                    ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter
                    beoordeling van burgemeester en wethouders, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw.</al><al>d de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders, staan ten opzichte van de
                    kosten van vervangende bouw.</al><tussenkop>1.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><al>a het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    is of wordt goedgekeurd en</al><al>b het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><tussenkop>1.7 Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>a het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    is of wordt goedgekeurd en</al><al>b het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>a het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al><al>b het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder (een
                    deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><tussenkop>1.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door de gemeente
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al><tussenkop>1.9 Aanpassing</tussenkop><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><al>1 het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>2 het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>3 wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III,
                    delen A en D;</al><al>4 voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet en regelgeving;</al><al>5 vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><tussenkop>Ad 1</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><tussenkop>Ad 2</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><tussenkop>Ad 3</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders, te verwezenlijken
                    zijn.</al><tussenkop>Ad 4</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op
                    korte termijn moet worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad 5</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>1.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>a onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                    overzicht onderhoud primair onderwijs;</al><al>b (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en
                    sluitwerk);</al><al>c algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor centrale
                    verwarming.</al><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement
                    ten minste in een matige conditie verkeert volgens de bouwkundige opname zoals
                    bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het
                    bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat de conditie van ten minste 75 % van de
                    binnenkozijnen en</al><al>binnendeuren volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, zo slecht is dat niet door adequaat onderhoud een redelijke
                    verlenging van de levensduur kan worden verkregen.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat de conditie van ten minste 75 % van de
                    radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming, volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, zo slecht is
                    dat niet door adequaat onderhoud een redelijke verlenging van de levensduur kan
                    worden verkregen.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gestel
                    in Bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaren voor de school nodig
                    is.</al><tussenkop>1.11 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                    en</tussenkop><tussenkop>meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere</al><al>omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><tussenkop>I 1 Overzicht Onderhoud PO</tussenkop><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                            activiteit).</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                            activiteit).</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie
                            activiteit).</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk en goten.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van
                    leerlingprognoses</tussenkop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaar
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange-termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg, die noodzakelijk zijn
                    om het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    kortetermijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen in het
                    voedingsgebied van de school of nevenvestiging door in elk geval rekening</al><al>te houden met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="b."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het</al></li></lijst><al>voedingsgebied;</al><lijst><li nr="c."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="e."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="f."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m f voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. </al><al>Bij deze levering worden in elk geval de aannames/assumpties, waarop de prognose
                    is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><tussenkop>1. Basisschool</tussenkop><al>De relevante leeftijdsgroepen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 30% van de 12-jarigen en</al></li><li nr="-"><al>vrouwen van 0 tot 49 jaar, minimaal in 5 jaars leeftijdsgroepen.</al></li></lijst><al>Voor het opstellen en indienen van een prognose voor een huisvestings-
                    voorziening, bestemd voor het basisonderwijs, wordt het <vet>prognosemodel PROBO
                        </vet><vet>II</vet><vet>, versie 2.1. </vet>voorgeschreven, zoals vastgelegd
                    bij ministeriële regeling Modelprognose basisonderwijs 1994 (Uitleg O en
                    W-regelingen, nr. 10, 13 april 1994). Aanlevering van prognoses kan plaatsvinden
                    door de relevante gegevens en berekeningen op</al><al>papier af te drukken.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling</tussenkop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li><li nr="-"><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li><li nr="-"><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li><li nr="-"><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A De bepaling van de capaciteit</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld.</al><tussenkop>1.1 Gebouwen van hoofd en nevenvestigingen (inclusief de dislocaties met
                    een permanenteof tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de “Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs.</al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het aantal
                    groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal groepen is gelijk aan het
                    aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen in een gebouw
                    betreft het aantal lesruimten, inclusief het handvaardigheidslokaal, groter dan
                    of gelijk aan 42 m². De speellokalen worden niet meegeteld.</al><al>De cpapciteit van een gebouw voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                    vastgelegd in het aantal groepen waarvoor een gebouw geschikt is. Dit aantal
                    groepen is het aantal lokalen verminderd met 1. Het aantal lokalen wordt
                    verminderd met 2 indien het gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen en het aantal
                    lokalen wordt verminderd met 3 indien het gebouw bestaat uit meer dan 26 lokalen
                    om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal
                    lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimte, inclusief de vaklokalen,
                    groter dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden niet meegeteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd dient een relatie te
                    worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het
                    aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling.</al><al>Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis
                    van de BVO, vastgesteld met behulp van de onderstaande tabellen 1, 2 en 3 voor
                    respectievelijk huisvesting met een permanente bouwaard en huisvesting met een
                    tijdelijke bouwaard.</al><tussenkop>Tabel 1 Gebouwen met een permanente bouwaard</tussenkop><al>Permanente gebouwen waarin meer dan 30 leerlingen worden gehuisvest</al><al>Minimale bruto vloeroppervlakte Aantal groepen leerlingen</al><al>315 2</al><al>420 3</al><al>525 4</al><al>720 5</al><al>825 6</al><al>930 7</al><al>1035 8</al><al>1140 9</al><al>1245 10</al><al>1350 11</al><al>1455 12</al><al>1560 13</al><al>1665 14</al><al>En vervolgens telkens te verhogen met 105 m² ten behoeve van 1 groep
                    leerlingen.</al><al>Indien het gebouw beschikt over een tweede speellokaal wordt de minimale
                    brutovloeroppervlakte zoals weergegeven in tabel 1, opgehoogd met 90m2.</al><al>Permanente gebouwen waarin minder dan 31 leerlingen worden gehuisvest</al><al>Minimale bruto vloeroppervlakte Aantal groepen leerlingen</al><al>300 2</al><tussenkop>Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige
                    huisvesting</tussenkop><al>Minimale bruto vloeroppervlakte Aantal groepen leerlingen</al><al>305 2</al><al>410 3</al><al>515 4</al><al>710 5</al><al>815 6</al><al>920 7</al><al>1025 8</al><al>En vervolgens telkens te verhogen met 105 m² ten behoeve van 1 groep
                    leerlingen</al><tussenkop>Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende
                    huisvesting</tussenkop><al>Minimale bruto vloeroppervlakte Aantal groepen leerlingen</al><al>100 1</al><al>180 2</al><al>260 3</al><al>340 4</al><al>420 5</al><al>En vervolgens telkens te verhogen met 80 m² ten behoeve van 1 groep
                    leerlingen.</al><al>Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal
                    groepen zoals vastgesteld op basis van de tabellen 1, 2 of 3, is het aantal
                    lokalen de capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen
                    kleiner is dan het aantal groepen zoals is vastgesteld op basis van de tabellen
                    1, 2 of 3, wordt de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke
                    BVO en de normatieve BVO behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw
                    geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal m² waarmee de BVO van het
                    gebouw is overgedimensioneerd. De registratie vindt plaats</al><al>vanwege het mogelijk verwerken van deze overdimensionering van de BVO op het
                    moment dat het gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet
                    worden uitgebreid.</al><tussenkop>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard</tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1 met uitzondering van de verwijzing naar de tabellen 1, 2 en
                    3. Voor de bepaling van het aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt
                    uitgegaan van 105 m² BVO per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw
                    met een permanente bouwaard en van 80 m² per groep leerlingen indien sprake is
                    van een gebouw met een tijdelijke bouwaard.</al><tussenkop>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een</al><al>hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de
                    rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is
                    vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                    en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat
                    nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit. Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van
                    de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij
                    de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de
                    gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij
                    als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De
                    vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en burgemeester en wethouders,
                    burgemeester en wethouders anders beslissen.</al><tussenkop>1.4 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster.</al><al>Indien het kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>1.5 Inventaris</tussenkop><al>Met de inventarisgegevens worden de gegevens bedoeld, waarmee het aantal groepen
                    van de desbetreffende school wordt vastgesteld, waarvoor het onderwijsleerpakket
                    en meubilair aanwezig is. Het aantal groepen waarvoor inventaris aanwezig is, is
                    gelijk aan het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is bij aanvang
                    van het schooljaar 1996/1997.</al><al>Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO voor meer groepen
                    inventaris is verstrekt, tonen burgemeester en wethouders dit aan doormiddel van
                    de door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen afgegeven
                    beschikkingen, da wel doormiddel van de correspondentie tussen burgemeester en
                    wethouders en het desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien
                    burgemeester en wethouders, zonder tussenkomst van het ministerie, zelf hebben
                    voorzien in de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair. Indien in
                    het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor minder groepen inventaris is
                    verstrekt, toont het bevoegd gezag van de school dit aan.</al><al>De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair
                    worden afzonderlijk vastgelegd.</al><tussenkop>1.6 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>1.6.1Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt</al><al>40 klokuren.</al><tussenkop>1.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>1.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</tussenkop><tussenkop>1 School voor Basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>In het basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor de
                    huisvestingsbehoefte. Het aantal groepen wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal formatieplaatsen. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van
                    een aanvraag voor opneming op het programma, is afhankelijk van de vraag of een
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening wordt toegekend. Het aantal formatieplaatsen wordt als
                    volgt bepaald.</al><al>Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening wordt voor de bepaling van het aantal formatieplaatsen niet gerekend
                    met het aantal gewogen leerlingen maar met het aantal leerlingen dat op 1
                    oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de
                    school zal zijn ingeschreven, verhoogd met 3 %. Het verkregen getal wordt naar
                    beneden afgerond. In tabel 5, Schema formatieplaatsen, is de formatie
                    weergegeven voor de verschillende aantallen leerlingen. Het aantal
                    formatieplaatsen wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de
                    komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden
                    afgerond.</al><al>Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening wordt voor de bepaling van het aantal formatieplaatsen
                    uitgegaan van de volgende formule:</al><al>F = A + D </al><al>waarbij:</al><al>F = het aantal formatieplaatsen;</al><al>A = de basisformatie: het aantal formatieplaatsen dat wordt berekend aan de hand
                    van aan de hand van tabel 5, met dien verstande dat niet wordt gerekend met het
                    ongewogen aantal leerlingen dat naar verwachting op 1 oktober voorafgaande aan
                    elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
                    verhoogd met 3%, waarbij het verkregen getal op een geheel getal naar beneden
                    wordt afgerond;</al><al>D = de formatie voor speciale doeleinden van een basisschool, voorzover bestemd
                    voor de formatie die wordt ingezet ten behoeve van de verkleining van de
                    groepsgrootte en kwaliteitsverbetering voor de eerste vier schooljaren van de
                    leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO en die door een
                    schoolbestuur daadwerkelijk wordt ingezet om de groepsgrootte te verkleinen. De
                    factor D wordt berekend door het ongewogen aantal leerlingen dat naar
                    verwachting op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking
                    heeft op de school zal zijn ingeschreven, verhoogd met 3% (waarbij het verkregen
                    getal op een geheel getal wordt afgerond naar beneden) te vermenigvuldigen met
                    0,305. Dit getal wordt vervolgens gedeeld door 179. De uitkomst van deze
                    berekening wordt volgens de normale rekenkundige regels afgerond op één cijfer
                    achter de komma.</al><al>Het verkregen getal F wordt, voor het bepalen van de ruimtebehoefte, alleen op
                    een geheel getal naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is
                    dan 5. In het andere geval wordt het getal op een geheel getal naar beneden
                    afgerond.</al><al>Ten behoeve van de bepaling van de omvang voor een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van het aantal
                    formatieplaatsen uitgegaan van de volgende formule:</al><al>F=A + ½(B-A) + C + D</al><al>Waarbij:</al><al>F = het aantal formatieplaatsen;</al><al>A = de basisformatie:</al><al>a het aantal formatieplaatsen dat wordt berekend aan de hand van tabel 5, met
                    dien verstande dat wordt gerekend met het ongewogen aantal leerlingen op de
                    meest recente teldatum 1 oktober, verhoogd met 3% waarbij het verkregen getal op
                    een geheel getal naar beneden wordt afgerond, of,</al><al>b (indien de formatie opnieuw berekend wordt bij een toename van het aantal
                    leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) het aantal formatieplaatsen
                    dat wordt berekend aan de hand van tabel 5, met dien verstande dat wordt
                    gerekend met het ongewogen aantal leerlingen dat staat ingeschreven op de datum
                    dat de berekening is uitgevoerd;</al><al>B = de basisformatie + de formatie onderwijsachterstandenbestrijding:</al><al> a het aantal formatieplaatsen dat wordt berekend aan de hand van tabel 5, met
                    dien verstande dat wordt gerekend et het gewogen aantal leerlingen, vermeerderd
                    met het aantal formatieplaatsen onderwijsachterstandenbestrijding dat door de
                    gemeente wordt bekostigd vanuit de specifieke uitkering onderwijs in allochtone
                    levende talen. Het gewogen aantal leerlingen wordt berekend door de som van de
                    gewichten, bedoeld in het Formatiebesluit WPO, toegekend aan de leerlingen op de
                    meest recente teldatum 1 oktober, te verminderen met 9 % van het ongewogen
                    aantal leerlingen. Het verkregen getal wordt op een geheel getal naar beneden
                    afgerond. Artikel 121, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs is van
                    toepassing. Indien deze berekening leidt tot een gewogen aantal leerlingen dat
                    lager is dan het ongewogen aantal leerlingen op de meest recente teldatum 1
                    oktober, dan wordt het gewogen aantal leerlingen gelijkgesteld aan dat aantal
                    leerlingen. Vervolgens wordt dat aantal leerlingen verhoogd met 3% waarbij het
                    verkregen getal op een geheel getal naar beneden wordt afgerond, of,</al><al> b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                    leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) het aantal formatieplaatsen
                    dat wordt berekends aan de hand van tabel 5, met dien verstande dat wordt
                    gerekend met het gewogen aantal leerlingen. Het gewogen aantal leerlingen wordt
                    in dit geval berekend door de som van de gewichten, bedoeld in het
                    Formatiebesluit WPO, van het aantal leerlingen op de datum dat de berekening is
                    uitgevoerd, te verminderen met 9% van het ongewogen aantal leerlingen op die
                    datum, waarbij het verkregen getal op een geheel getal aar beneden wordt
                    afgerond. Indien deze berekening leidt tot een gewogen aantal leerlingen dat
                    lager is dan het ongewogen aantal leerlingen op die datum, dan wordt het gewogen
                    aantal leerlingen gelijkgesteld aan dat aantal leerlingen;</al><al>C = aanvullende formatie op grond van bijzondere omstandigheden: het aantal
                    formatieplaatsen, toegekend op basis van artikel 120, derde lid van de Wet op
                    het primair onderwijs;</al><al>D = overeenkomstig de factor D bij de formule voor blijvend gebruik bestemde
                    voorzieningen, met dien verstande dat wordt gerekend met het ongewogen aantal
                    leerlingen op de meest recente teldatum 1 oktober.</al><al>Het verkregen getal F wordt, voor het bepalen van de ruimtebehoefte alleen op
                    een geheel getal naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is
                    dan 5. In het andere geval wordt het getal op een geheel getal naar beneden
                    afgerond.</al><al>In tabel 5 (Schema formatieplaatsen) is de formatie weergegeven voor de
                    verschillende (on)gewogen aantallen leerlingen.</al><tussenkop>Tabel 5 Schema formatieplaatsen</tussenkop><al>De formatie wordt berekend aan de hand van onderstaand schema:</al><al>(on)gewogen aantal formatie (on)gewogen aantal formatie-</al><al>leerlingen plaatsen leerlingen plaatsen</al><al>1 tot en met 30 2,0 252 tot en met 260 8,9</al><al>31 tot en met 36 2,2 261 tot en met 268 9,2</al><al>37 tot en met 42 2,4 269 tot en met 277 9,5</al><al>43 tot en met 49 2,6 278 tot en met 285 9,8</al><al>50 tot en met 56 2,8 286 tot en met 293 10,1</al><al>57 tot en met 63 3,0 294 tot en met 302 10,4</al><al>64 tot en met 70 3,2 303 tot en met 310 10,7</al><al>71 tot en met 77 3,4 311 tot en met 319 11,0</al><al>78 tot en met 84 3,6 320 tot en met 327 11,3</al><al>85 tot en met 91 3,8 328 tot en met 335 11,6</al><al>92 tot en met 98 4,0 336 tot en met 344 11,9</al><al>99 tot en met 105 4,2 345 tot en met 352 12,2</al><al>106 tot en met 116 4,4 353 tot en met 361 12,5</al><al>117 tot en met 126 4,7 362 tot en met 369 12,8</al><al>127 tot en met 137 5,0 370 tot en met 377 13,1</al><al>138 tot en met 147 5,3 378 tot en met 386 13,4</al><al>148 tot en met 158 5,6 387 tot en met 394 13,7</al><al>159 tot en met 168 5,9 395 tot en met 403 14,0</al><al>169 tot en met 179 6,2 404 tot en met 411 14,3</al><al>180 tot en met 189 6,5 412 tot en met 419 14,6</al><al>190 tot en met 199 6,8 420 tot en met 428 14,9</al><al>200 tot en met 209 7,1 429 tot en met 436 15,2</al><al>210 tot en met 218 7,4 437 tot en met 445 15,5</al><al>219 tot en met 226 7,7 446 tot en met 453 15,8</al><al>227 tot en met 235 8,0 454 tot en met 461 16,1</al><al>236 tot en met 243 8,3 462 tot en met 470 16,4</al><al>244 tot en met 251 8,6 471 tot en met 478 16,7</al><al>en vervolgens boven het aantal van 478 (on)gewogen leerlingen telkens voor
                    achtereenvolgens 9, 8, 8, 9 en 8 (on)gewogen leerlingen verhoogd met 0,3
                    formatieplaats.</al><tussenkop>1.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Per groep leerlingen 6 tot 12 jarigen wordt maximaal 1,5 klokuur
                    gymnastiek vergoed (cf. artikel 38 en 39 van de verordening). Het aantal groepen
                    is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Ten behoeve van de bepaling van
                    het aantal formatieplaatsen wordt uitgegaan van de formule</al><al>F = A + ½(B-A)</al><al>De componenten F,A, en B zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de
                    formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B,
                    onder 1.1.</al><al>De relatie tussen het aantal leerlingen en het aantal formatieplaatsen is
                    weergegeven in tabel 5 (Schema formatieplaatsen).</al><al>Voor het bepalen van het aantal groepen 6-12jarigen wordt aangesloten bij het
                    normatieve overzicht “splitsing aantal groepen leerlingen”zoals laatstelijk
                    gepubliceerd in het bekostigingsstelsel basisonderwijs, programma’s van eisen
                    voor het jaar 1997.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal groepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
                    verhoogd met 3%. Het verkregen getal wordt naar beneden afgerond. De relatie
                    tussen het aantal leerlingen en het aantal formatieplaatsen (het aantal groepen)
                    is weergegeven in tabel 5, “Schema formatieplaatsen”.</al><tussenkop>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</tussenkop><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste vijftien jaar noodzakelijk is. Het
                    aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: Wijze
                    van bepalen van de ruimtehoefte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten
                    minste vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald
                    zoals beschreven in deel B van deze bijlage: Wijze van bepalen van de
                    ruimtehoefte.</al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m² en het aantal m² behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing of door aanpassing in combinatie met uitbreiding van het bestaande
                    gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze
                    bijlage: De bepaling van de capaciteit.</al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
                    gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw, hoger zijn dan de
                    kosten van uitbreiding sec van het gebouw.</al><al>Een toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de omvang
                    van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw,
                    vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van een
                    bestaand gebouw, de vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting
                    een uitbreiding van wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw
                    betreft, geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal
                    bevat.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven
                    in deel B van deze bijlage: Wijze van bepalen van de ruimtehoefte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting aanwezig is.</al><tussenkop>1.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal groepen
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is tenminste vier jaar en korter dan vijftien
                    jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: Wijze van bepalen van de ruimtehoefte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten
                    minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep.</al><al>Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    Wijze van bepalen van de ruimtehoefte.</al><al>Een tijdelijk voorziening voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal
                    wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel
                    uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat,
                    Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding dan wel een uitbreiding
                    ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt tevens als voorwaarde dat
                    het bestaande gebouw geen speellokaal bevat.</al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m² en het aantal m² behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals
                    omschreven in deel A van deze bijlage: De bepaling van de capaciteit.</al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
                    gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier
                    jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt
                    bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: Wijze van bepalen van de
                    ruimtehoefte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting, tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar,
                    noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening verplaatsing van
                    noodlokalen wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar. Het aantal
                    groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: Wijze van
                    bepalen van de ruimtehoefte.</al><tussenkop>1.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van
                    het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                    het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                    III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd
                    en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket voor
                    het aantal groepen, op basis van het aantal gewogen leerlingen, zoals normatief
                    kan worden gevormd op de, voor het indienen van de aanvraag, laatst bekende
                    teldatum.</al><al>Het aantal groepen op basis van het aantal gewogen leerlingen wordt bepaald met
                    behulp van de formule: F = A + ½(B-A) + C. De componenten F,A, B en C zijn
                    identiek aan de componenten zoals weergegeven in de formule voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B onder 1.1.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                    meubilair, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
                    eerste aanschaf van het meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke
                    eerste aanschaf van het meubilair voor het aantal groepen, op basis van het
                    aantal ongewogen leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd op de, voor het
                    indienen van de aanvraag, laatst bekende teldatum.</al><al>Het aantal groepen op basis van het aantal ongewogen leerlingen wordt bepaald
                    met behulp van de formule F = A. De componenten F en A zijn identiek aan de
                    componenten zoals weergegeven in de formule voor blijvend gebruik bestemde
                    voorzieningen in bijlage III, deel B onder 1.1.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de toeslag meubilair als gevolg van de
                    groepsgrootteverkleining bepaald door het verschil in het op een geheel getal
                    afgeronde aantal groepen, op basis van basisformatie verhoogd met de formatie
                    voor speciale doeleinden – voorzover bestemd voor de verkleining van de
                    groepsgrootte en kwaliteitsverbetering voor de eerste vier schooljaren van de
                    leerlingen en die door het schoolbestuur daadwerkelijk wordt ingezet om de
                    groepsgrootte te verkleinen – en het op een geheel getal afgeronde aantal
                    groepen op basis van de basisformatie. Het aantal groepen wordt alleen op een
                    geheel getal naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan
                    vijf.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, danwel
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor
                    het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>1.4 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m²/ll met eenminimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden
                            volstaan met 600 m² netto;</al></li><li nr="-"><al>1 speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 84
                            m²;</al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte leslokaal: 42 m² netto.</al></li></lijst><tussenkop>4 Gymnastiekruimten</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De oefenruimte is minimaal 252 m² netto.</al></li><li nr="-"><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al></li><li nr="-"><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten en een was- /
                            douchegelegenheid.</al></li></lijst><tussenkop>III- 1 Overzicht Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                    vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs</tussenkop><al>De vaststelling van de bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw:</al><al>De bruto vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de bruto
                    vloeroppervlakten</al><al>van alle onderwijsruimten en andere ruimten op alle vloerniveaus.</al><al>De bruto vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de
                    buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op
                    vloerhoogte.</al><al>De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de bruto
                    vloeroppervlakte te worden gerekend.</al><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in of aanpandige gymnastieklokalen
                    wordt</al><al>toegerekend aan het lesgebouw.</al><al>Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in of aanpandig gelegen
                    gymnastieklokalen wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de
                    scheidingsconstructie.</al><al>Tot de bruto vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of een vide,
                    voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m².</al><al>Uitzonderingen:</al><al>In en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf
                    bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend.</al><al>Indien de bruto vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen de netto
                    oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De bruto vloeroppervlakte wordt
                    dan verkregen door de gevonden nettovloeroppervlakte te vermenigvuldigen met de
                    factor 1,1.</al><al>Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of
                    andere ruimte, wordt de bruto vloeroppervlakte bepaald door de
                    nettovloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte &gt; 2,60
                    m te vermenigvuldigen met de factor 1,1.</al><al>Voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging,
                    keuken, stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de
                    bruto vloeroppervlakte.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage IV Financiële normering</tussenkop><al>De financiële normering valt uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al></li><li nr="-"><al>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al></li><li nr="-"><al>deel C: bepaling medegebruikstarief;</al></li><li nr="-"><al>deel D: vergoeding van door de minister voor 1997
                            goedgekeurdevoorzieningen.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen</tussenkop><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding
                    (paragrafen 1.1, 1.2, 2.1, 2.2 en 3.1) is tevens een vergoeding voor
                    bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8 % (bij projecten tot een
                    bruto-vloeroppervlakte van 2.500 m²) respectievelijk 5 % (bij grotere projecten)
                    van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van
                    een op het programma geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en
                    uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de
                    bouwvoorbereiding in mindering gebracht.</al><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                            1.4);</al></li><li nr="-"><al>onderhoud (paragraaf 1.5);</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de
                    vergoedingen voor 1998. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli
                    1997 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 1998 (2,75 % voor de
                    huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 2,25% voor onderhoud,
                    eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4. </al><tussenkop>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</tussenkop><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een vijftal
                    kostencomponenten, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor paalfundering;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen/bouwrijp maken en
                            verhuiskosten bij vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen
                    kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke
                    diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor
                    de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de
                    gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal
                    benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel
                    D.</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering</al><al>op staal, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding
                    bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Met deze
                    vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto vloeroppervlakte
                    worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>Vaste voet (inclusief twee groepen): fl. 930.226,--</al></li><li nr="-"><al>Elke volgende groep: fl. 186.727,--</al></li></lijst><al><vet>Toeslag voor paalfundering</vet>.</al><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van het
                    gebouw op staal. In een aantal gevallen zal fundering op palen nodig zijn. De
                    kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn drie categoriën , te
                    weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer. De vergoeding is
                    uitgedrukt in een vast bedrag (inclusief twee groepen) en een bedrag per
                    groep.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al> 1&gt;15m 15&lt;20m &gt;20m</al><lijst><li nr="-"><al>Vaste voet (incl. twee groepen) fl. 13.104,-- fl. 19.113,- fl
                            30.585,-</al></li><li nr="-"><al>Elke volgende groep: fl. 2.722,-- fl 4.603,= fl. 8.238,=</al></li></lijst><tussenkop>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal</tussenkop><al>In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van
                    een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk
                    van de lengte van de paalfundering, waarmee 90 m² ruimte gerealiseerd kan
                    worden.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>Geen paalfundering nodig: fl. 160.053,--</al></li><li nr="-"><al>Lengte paalfundering 1 &lt; 15 meter: fl. 162.385,--</al></li><li nr="-"><al>Lengte paalfundering 15 &lt; 20 meter: fl. 163.997,--</al></li><li nr="-"><al>Lengte paalfundering &gt; 20 meter: fl. 167.113,--</al></li></lijst><tussenkop>Toeslag voor sloopkosten etc.</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt bestaat de mogelijkheid dat het oude
                    schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein moet daarna
                    worden hersteld en, indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats wordt
                    gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                    locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor sloopkosten (inclusief eventuele verhuiskosten)
                    zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per groep,
                    afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te worden.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>Permanente bouw: fl. 8.122,-- per groep</al></li><li nr="-"><al>Tijdelijke bouw: fl. 4.063,-- per groep</al></li></lijst><tussenkop>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</tussenkop><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1.000 m²
                    brutovloeroppervlakte (maximaal 9 groepen) is onderstaand de financiële
                    normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van
                    de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard).</al><tussenkop>Kosten voor terrein</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw. (paragraaf 1.1)</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het lokaal, inclusief fundering op
                    staal, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De
                    vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Met deze
                    vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto vloeroppervlakte
                    worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>Vaste voet: fl. 134.762,--</al></li><li nr="-"><al>Bedrag per groep: fl. 216.023,--</al></li></lijst><tussenkop>Toeslag voor paalfundering</tussenkop><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van de
                    uitbreiding van het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal echter fundering
                    op palen nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er
                    zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en
                    langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrage en een bedrag per
                    groep.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al> 1&lt;15m 15&lt;20m &gt;20m</al><lijst><li nr="-"><al>Vaste voet: fl. 6.033,-- fl 7.868,-- fl. 12.622,--</al></li><li nr="-"><al>Per groep: fl. 954,-- fl. 2.474,-- fl. 5.002,--</al></li></lijst><tussenkop>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal</tussenkop><al>In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van
                    een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk
                    van de lengte van de paalfundering, waarmee 90 m² ruimte gerealiseerd kan
                    worden. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een afzonderlijk speellokaal steeds in
                    combinatie met een uitbreiding van ten minste één groep (lokaal)
                    plaatsvindt.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>Geen paalfundering nodig: fl. 185.163,--,--</al></li><li nr="-"><al>Lengte paalfundering 1 &lt; 15 meter: fl. 185.980,--</al></li><li nr="-"><al>Lengte paalfundering 15&lt;20 meter: fl. 187.284,--</al></li><li nr="-"><al>Lengte paalfundering &gt; 20 meter: fl. 189.451,--</al></li></lijst><al>In geval van uitbreiding met alleen een speellokaal zonder gelijktijdige
                    toekenning van een ander lokaal, wordt voor zowel een basisschool als een
                    speciale school voor basisonderwijs de vergoeding op basis van de volgende
                    bedragen bepaald:</al><lijst><li nr="-"><al>Geen paalfundering nodig: fl. 323.335,--,--</al></li><li nr="-"><al>Lengte paalfundering 1 &lt; 15 meter: fl. 332.603,--</al></li><li nr="-"><al>Lengte paalfundering 15&lt;20 meter: fl. 334.628,--</al></li><li nr="-"><al>Lengte paalfundering &gt; 20 meter: fl. 336.271,--</al></li></lijst><tussenkop>Toeslag voor sloopkosten etc.</tussenkop><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</al><tussenkop>1.3 Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van, voor tijdelijk gebruik bestemde, voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                    hoofdlocatie, uitbreiding van een (permanente) hoofdlocatie met een voor
                    tijdelijk gebruik bestemd gebouw en uitbreiding van bestaande voor tijdelijk
                    gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een
                    tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik
                    bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke
                    voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit
                    niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie</al><al>Bij de berekening van de hieronder genoemde bedragen voor nieuwbouw van
                    noodlokalen is uitgegaan van de volgende bruto vloeroppervlakte:</al><lijst><li nr="-"><al>Per groep: 80 m²</al></li><li nr="-"><al>Toeslag voor eerste groep: 20 m²</al></li><li nr="-"><al>Toeslag voor nieuwbouw als hoofdlocatie: 160 m².</al></li></lijst><al>Elk voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw heeft een aantal standaard-
                    voorzieningen nodig (entree en dergelijke). In verband hiermee wordt voor het
                    eerste lokaal een toeslag gegeven. Hiernaast dienen voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen, die als hoofdgebouw gaan fungeren, ook te beschikken
                    over een aantal ruimten, die normaliter ook in een permanent hoofdgebouw
                    aanwezig zijn (lerarenkamer, administratieruimte en dergelijke). Hiervoor wordt
                    eveneens een toeslag gegeven.</al><al>De vergoeding bestaat uit een vast bedrag, een bedrag per groep alsmede bedragen
                    voor de beide toeslagen. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de
                    toeslag voor paalfundering, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. Tussen haakjes staan de
                    bedragen indien paalfundering niet noodzakelijk is.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>Vast bedrag: fl. 60.749,-- (fl. 60.187,--)</al></li><li nr="-"><al>Bedrag per groep: fl. 119.430,-- (fl. 112.591,--)</al></li></lijst><al>Toeslag eerste groep: fl. 29.858,-- (fl. 28.148,--)</al><al>Toeslag hoofdlocatie: fl. 238.861,-- (fl. 225.181,--)</al><tussenkop>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</tussenkop><al>Ook bij uitbreiding van tijdelijke voorzieningen wordt wat betreft de bruto
                    vloeroppervlakte uitgegaan van 80 m² per groep. De vergoeding bestaat uit een
                    vast bedrag en een bedrag per groep. In deze bedragen zijn begrepen de
                    bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en
                    inrichting van terreinen (tussen haakjes staan de bedragen indien paalfundering
                    niet noodzakelijk is).</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Vast bedrag: fl. 34.147,-- (fl. 27.420,--)</al><al>Bedrag per groep: fl. 125.143,-- (fl. 122.005,--)</al><tussenkop>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn ertwee typen huur mogelijk, te weten huur van een noodlokaal en
                    huur van een bestaand gebouw. In ditdeel van de bijlage is een genormeerde
                    huurvergoeding opgenomen voor een noodlokaal. Huur van een bestaand gebouw wordt
                    vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van
                    feitelijke kosten)</al><al>De hoogte van de huurvergoeding voor een noodlokaal is gebaseerd op de hieronder
                    genoemde genormeerde investeringswaarde van een noodlokaal, exclusief de
                    toeslagen voor herstel/inrichting van terrein, eenmalige aansluitkosten en de
                    toeslag voor paalfundering. Indien deze toeslagen als gevolg van de lokale
                    omstandigheden noodzakelijk zijn, worden zij bij plaatsing van het noodlokaal
                    vergoed.</al><al>Bij het bepalen van de investeringswaarde wordt er vanuit gegaan dat bij een
                    huurperiode korter dan 15 jaar een restwaarde voor het noodlokaal blijft
                    bestaan. Deze restwaarde wordt van de investeringswaarde afgetrokken, zodat een
                    netto-investeringswaarde overblijft.</al><al>Bij de berekening van de netto-investeringswaarde wordt de volgende
                    verdeelsleutel gehanteerd, uitgedrukt als cumulatief percentage van de
                    nieuwbouwwaarde van een noodlokaal:</al><al>huurperiode huurperiode huurperiode</al><al>in jaren cum. % in jaren cum. % in jaren cum. %</al><al>1 26 % 6 75 % 11 91 %</al><al>2 45 % 7 79 % 12 94 %</al><al>3 56 % 8 83 % 13 96 %</al><al>4 64 % 9 86 % 14 98 %</al><al>5 70 % 10 89 % 15 100 %</al><al>De netto-investeringswaarde wordt bepaald door het hiervoor genoemde percentage
                    te nemen van de hieronder aangegeven bouwkosten.</al><al>bouwkosten fundering herst.terrein aansluitkosten</al><tussenkop>nieuwbouw</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>vaste voet 54.255,-- 562,-- 924,-- 6.856,--</al></li><li nr="-"><al>per groep 106.261,-- 6.840,-- 6.330,--</al></li><li nr="-"><al>toeslag1e groep 26.565,-- 1.710,-- 1.582,--</al></li><li nr="-"><al>toeslag hoofdlokatie 212.522,-- 13.678,-- 12.660,--</al></li></lijst><tussenkop>uitbreiding</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>vaste voet 26.763,-- 6.727,-- 658,--</al></li><li nr="-"><al>per groep 115.676,-- 3.139,-- 6.330,--</al></li></lijst><al>Aan de hand van de periode waarvoor de tijdelijke voorziening wordt toegekend
                    (gebaseerd op de prognose), wordt de netto-investeringswaarde bepaald.</al><al>De hoogte van de huurvergoeding wordt vervolgens gebaseerd op de gemiddelde
                    jaarlijkse lasten aan rente en aflossing van deze netto-investeringswaarde op
                    basis van lineaire afschrijving. Het geldende rentepercentage is het
                    rentepercentage, dat wordt gehanteerd voor de gemeentebegroting.</al><tussenkop>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De bedragen voor eerste inrichting vallen uiteen in bedragen voor
                    onderwijsleerpakket (OLP) en bedragen voor meubilair. De hierna opgenomen
                    bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal groepen.
                    Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het
                    verschil tussen de investeringsbedragen</al><al>van de school met en zonder uitbreiding.</al><al>Voor nieuwe instituten geldt dat op de hierna genoemde bedragen, bij eerste
                    aanschaf van het totale onderwijsleerpakket en meubilair, een korting wordt
                    toegepast van 10 %.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Aanwezig aantal Totaal Meubilair OLP</al><al>groepen</al><al>2 128.420,-- 50.274,-- 78.146,--</al><al>3 156.264,-- 67.021,-- 89.243,--</al><al>4 191.035,-- 85.682,-- 105.353,--</al><al>5 222.736,-- 100.514,-- 122.222,--</al><al>6 256.289,-- 120.610,-- 135.678,--</al><al>7 280.356,-- 134.486,-- 145.870,--</al><al>8 301.011,-- 146.447,-- 154.564,--</al><al>9 334.627,-- 162.715,-- 171.912,--</al><al>10 357.194,-- 174.677,-- 182.517,--</al><al>11 379.438,-- 186.639,-- 192.798,--</al><al>12 408.719,-- 202.907,-- 205.812,--</al><al>13 439.042,-- 214.869,-- 224.173,--</al><al>14 461.286,-- 226.830,-- 234.455,--</al><al>15 490.568,-- 243.100,-- 247.468,--</al><al>16 512.811,-- 255.061,-- 257.750,--</al><al>17 539.712,-- 267.023,-- 272.690,--</al><al>18 568.994,-- 283.291,-- 285.703,--</al><al>19 591.239,-- 295.253,-- 295.986,--</al><al>20 613.483,-- 307.215,-- 306.269,--</al><al>21 647.422,-- 323.483,-- 323.939,--</al><al>22 669.666,-- 335.444,-- 334.222,--</al><al>23 691.910,-- 347.407,-- 344.503,--</al><al>24 721.189,-- 363.674,-- 357.516,--</al><al>25 756.627,-- 380.421,-- 376.206,--</al><al>26 770.336,-- 387.598,-- 382.739,--</al><al>27 799.617,-- 403.866,-- 395.751,--</al><al>28 821.860,-- 415.827,-- 406.033,--</al><al>29 848.764,-- 427.790,-- 420.974,--</al><al>30 878.046,-- 444.059,-- 433.988,--</al><al>Voor een basisschool wordt per groep voor de toeslag meubilair als gevolg van de
                    groepsgrootteverkleining een bedrag van f 5163,- beschikbaar gesteld.</al><tussenkop>1.5 Onderhoud</tussenkop><al>Voor de in bijlage 1 onderscheiden onderhoudsactiviteiten kan een aanvraag voor
                    vergoeding worden ingediend bij de gemeente. Indien niet gekozen wordt voor
                    vergoeding op basis van feitelijke kosten, maar op basis van normbedragen,
                    worden onderhoudsactiviteiten op basis van onderstaande normering vergoed.</al><al>De hierna volgende normbedragen zijn investeringsbedragen voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs.</al><al>De normbedragen omvatten per activiteit een bedrag voor een vaste voet en een
                    bedrag per m² brutovloeroppervlakte.</al><al>Activiteit Bedrag voor Bedrag per</al><al>vaste voet m² BVO</al><al>1a Hellend dak</al><lijst><li nr="-"><al>vervangen pannen, goten,houtwerk C* fl. 35.410,-- C* fl. 29,10</al></li><li nr="-"><al>vervangen dakgoot van pvc fl. 5.442,-- fl. 6,50</al></li><li nr="-"><al>vervangen dakranden fl. 15.889,-- fl. 18,93</al></li></lijst><al>1b Plat dak **</al><lijst><li nr="-"><al>vervangen bitumendakbedekking fl. 31.539,-- fl. 44,14</al></li><li nr="-"><al>vervangen dakranden en hemelwaterafvoeren fl. 18.444,-- fl. 22,29</al></li><li nr="-"><al>vervangen daklichten fl. 896,-- fl. 4,52</al></li></lijst><al>2 Buitenberging</al><lijst><li nr="-"><al>vervangen dak berging fl. 626,-- fl. 0,69</al></li><li nr="-"><al>vervangen rijwielberging fl. 6.923,-- fl. 16,51</al></li><li nr="-"><al>vervangen rijwielstaanders fl. 104,-- fl. 4,38</al></li></lijst><al>3 Terrein</al><lijst><li nr="-"><al>vervangen erfscheiding fl.31.555,-- fl.14,78</al></li><li nr="-"><al>vervangen riolering fl. 1.865,-- fl.10,52</al></li><li nr="-"><al>vervangen bestrating fl. 1.508,-- fl.38,31</al></li></lijst><al>4 Buitenzijde gebouw</al><al>-algehele vervanging van kozijnen en</al><al>deuren, alsmede van hang- en sluitwerk - fl. 9.301,-- fl.222,06</al><lijst><li nr="-"><al>algehele vervanging van boeiboorden fl. 2.086,-- fl. 2,44</al></li><li nr="-"><al>vervanging brandtrap fl. 355,--</al></li></lijst><al>5 Binnenzijde gebouw</al><al>-algehele vervanging van kozijnen en deuren, alsmede</al><al>van hang- en sluitwerk fl. 4.331,-- fl. 30,31</al><al>-algehele vervanging van radiatoren, CV-leidingen</al><al>en convectoren fl. 5.298,-- fl. 82,63</al><al>* C= de oppervlakte van het dak bedekt met pannen gedeeld door de
                    bruto-oppervlakte.</al><al>** Indien een schoolgebouw bestaat uit meerdere verdiepingen, wordt niet het
                    aantal </al><al>m² BVO maar het aantal m² dakoppervlakte als maatstaf voor de hoogte van de
                    vergoeding genomen.</al><tussenkop>1.6 Gymnastiek</tussenkop><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    brutovloeroppervlakte van 455 m² bedraagt fl. 1.079.990,-- (op het
                    schoolterrein) respectievelijk fl. 1.121.411,-- (op het schoolterrein). Deze
                    vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting
                    van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>paallengte 1 &lt; 15 meter: f 22.556,--</al></li><li nr="-"><al>paallengte 15 &lt; 20 meter: f 31.095,--</al></li><li nr="-"><al>paallengte &gt; 20 meter: f 43.671,--</al></li></lijst><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m².</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140
                    m² of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252
                    m². </al><al>Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit:</al><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m²: fl. 260.546,--</al><al>Uitbreiding met 121 t/m 150 m²: fl. 316.729,--.</al><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al> 112-120 m2 121-150 m2</al><lijst><li nr="-"><al>paallengte 1 &lt; 15 meter fl. 10.098,-- fl 12.626,--</al></li><li nr="-"><al>paallengte 15 &lt; 20 meter fl. 17.490,-- fl. 21.857,--</al></li><li nr="-"><al>paallengte &gt; 20 meter fl. 28.594,-- fl. 35.743,--</al></li></lijst><tussenkop>Vergoeding per klokuur</tussenkop><al>Ingevolge artikel 117 van de Wet op het primair onderwijs worden de volgende
                    vergoedingsbedragen voor het gebruik van een gymnastiekzaal vastgesteld. De
                    bedragen bevatten een vergoeding voor onderhoud aan de binnenzijde van het
                    gebouw, de materiële instandhouding alsmede een vergoeding voor vervanging en
                    aanpassing van onderwijsleerpakket en meubilair. De hoogte van de vergoeding is
                    afhankelijk van het stichtingsjaar van de gymnastiekaccommodatie en de
                    oppervlakte van de oefenzaal.</al><al>De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een variabel bedrag per vastgesteld
                    klokuur.</al><al>Stichtingsjaar en omvang oefenzaal Vast bedrag Variabel bedrag</al><al>Tot 1987:</al><lijst><li nr="-"><al>&lt; 90 m² fl. 4.538,-- fl. 551,--</al></li><li nr="-"><al>90 - 130 m² fl. 5.823,-- fl. 697,--</al></li><li nr="-"><al>130 - 170 m² fl. 6.367,-- fl. 753,--</al></li><li nr="-"><al>170 - 190 m² fl. 6.076,-- fl. 824,--</al></li><li nr="-"><al>190 - 230 m² fl. 5.819,-- fl. 907,--</al></li><li nr="-"><al>&gt; 230 m² fl. 6.586,-- fl. 1.015,--</al></li></lijst><al>Vanaf 1987:</al><al>-&gt; 252 m² fl. 5.229,-- fl. 923,--</al><tussenkop>Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</tussenkop><al>Naast gymnastiek in een eigen lokaal van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik of
                    huur (van een andere school/de gemeente/een commerciële exploitant). Afhankelijk
                    van de eigenaar van de accommodatie bestaat recht op de volgende
                    vergoeding:</al><lijst><li nr="-"><al>Indien de gymnastiekzaal van een andere school voor primair onderwijs
                            wordt gebruikt, wordt het variabele deel van het klokuurbedrag aan de
                            eigenaar vergoed.</al></li><li nr="-"><al>Indien de gymnastiekzaal van een school voor voortgezet onderwijs wordt
                            gebruikt, wordt het vaste en het variabele deel van het klokuurbedrag
                            vergoed.</al></li><li nr="-"><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt,
                            volstaat ingebruikgeving van de accommodatie voor het vastgesteld aantal
                            klokuren.</al></li><li nr="-"><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                            gebruikt, zal de huurprijs (stichtingskosten + materiële instandhouding)
                            worden vergoed. De huurprijs wordt door de gemeente aan de exploitant
                            voldaan.</al></li></lijst><tussenkop>OLP/meubilair</tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal voor zowel een basisschool als een school voor speciaal
                    basisonderwijs bedraagt f. 80.670,--.</al><tussenkop>Onderhoud</tussenkop><al>De klokuurvergoeding voorziet niet in een genormeerde vergoeding voor
                    onderhoudsactiviteiten aan de buitenzijde van het gebouw. Een schoolbestuur met
                    een eigen gymnastieklokaal kan derhalve aanspraak maken op onderhoud voor de
                    buitenzijde conform de activiteitenlijst in bijlage 1 van de verordening. De
                    hieronder genoemde bedragen gaan uit van een gymnastiekaccommodatie van 455 m².
                    Bij kleinere gebouwen kunnen de bedragen naar rato worden bepaald.</al><al>De bedragen zien er voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs als volgt uit:</al><al>Activiteit Investering </al><al>Vervanging dakbedekking (Bit.) fl. 20.018,--</al><al>Vervanging dakranden/hwa fl. 18.746,--</al><al>Vervanging daklichten fl. 2.710,--</al><al>Vervanging staanders rijwielstalling fl. 2.997,--</al><al>Vervanging erfscheiding fl. 13.387,--</al><al>Herstel riolering fl. 8.007,--</al><al>Herstel bestrating fl. 5.150,--</al><al>Alg. vervanging buitenkozijnen fl. 83.368,--</al><al>Alg. vervanging hang- en sluitwerk fl. 1.532,--</al><al>Alg. vervanging boeiboorden fl. 4.755,--</al><al>Alg. vervanging binnenkozijnen fl. 63.475,--</al><al>Alg. vervanging hang- en sluitwerk fl. 14.107,--</al><al>Alg. vervanging radiatoren etc. fl. 14.764,--</al><tussenkop>4 INDEXERING</tussenkop><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn herleid naar het prijspeil van 1
                    juli 1996. Jaarlijks worden door het college van burgemeester en wethouders de
                    werkelijke prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte
                    prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de
                    vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma bekendgemaakt.</al><tussenkop>Werkelijke prijsontwikkeling</tussenkop><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling
                    tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen
                    aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het
                    prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding en onderhoud wordt als
                    prijsbijstellingscijfer</al><al>aangehouden het CBS-indexcijfer Nieuwbouwprijzen van woningen, gepubliceerd in
                    de Maandstatistiek bouwnijverheid van het CBS (eventueel zou voor onderhoud
                    kunnen worden aangesloten bij het prijsindexcijfer van de materialen in de
                    woningbouw).</al><al>Voor de voorzieningen onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair en
                    de</al><al>klokuurvergoedingen gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het
                    CBS-indexcijfer prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie voor alle huishoudens
                    (NR-reeks), gepubliceerd in de Maandstatistiek van de prijzen van het CBS.</al><tussenkop>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</tussenkop><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is
                    noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma
                    en het moment van vergoeding vast te stellen.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, aanpassing en onderhoud geldt als
                    prijsindexcijfer het MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) bruto
                    investeringen voor woningen, zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in
                    september.</al><al>Voor de voorzieningen onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair en
                    de</al><al>klokuurvergoedingen gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer
                    prijsmutatie van de nettomateriële overheidsconsumptie, zoals bekendgemaakt op
                    de derde dinsdag in september.</al><tussenkop>DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</tussenkop><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                    vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis
                    van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge
                    artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke kosten,
                    dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te worden
                    voldaan.</al><tussenkop>Europese aanbesteding</tussenkop><al>Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald bedrag uitkomt,
                    worden ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen 1993 de richtlijnen van de
                    Europese Unie (89/440/EG) toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf de volgende
                    bedragen:</al><al>-200.000 ECU (exclusief BTW) voor leveringen en diensten;</al><al>- 5.000.000 ECU (exclusief BTW) voor werken.</al><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder de
                    definitie werken. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of onderwijsleerpakket valt
                    onder leveringen. Bij aankoop van gebouwen en terreinen is de richtlijn
                    uiteraard niet van toepassing.</al><al>De richtlijnen voor aanbesteding van deze opdrachten zijn nader uitgewerkt in
                    het Uniform</al><al>aanbestedingsreglement-EG 1991 (UAR-EG 91), hetgeen van toepassing is op
                    opdrachten in het kader van deze verordening.</al><tussenkop>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag</tussenkop><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen, zoals
                    vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen 1993, van toepassing. Deze
                    richtlijnen en de hierbij behorende procedures zijn uitgewerkt in het Uniform
                    aanbestedingsreglement 1986 (UAR 86), hetgeen van toepassing is op opdrachten in
                    het kader van deze verordening.</al><al>Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt
                    over de wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat, tenzij
                    burgemeester en wethouders na overleg anders beslissen, ten minste twee offertes
                    gevraagd dienen te worden.</al><tussenkop>DEEL C Bepaling medegebruikstarieven</tussenkop><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede een instelling als bedoeld in de
                    Wet educatie en beroepsonderwijs betaalt voor het onderwijsgebruik van een
                    lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een vergoeding. Deze vergoeding is
                    gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen ter
                    beschikking wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma’s van eisen
                    voor het basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie
                    van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage V Criteria voor de urgentie van aangevraagde
                    voorzieningen</tussenkop><tussenkop>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</tussenkop><al>Huisvestingsvoorzieningen, aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria als bedoeld in artikel 12 eerste lid, onderdelen a, b en c, worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen,</al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs en aanpassingen aan
                            de buitenzijde van gebouwen voor voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al></li></lijst><tussenkop>Ad 1</tussenkop><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voorzover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein, en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening behoort tot deze
                    hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de
                    noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij
                    dienen om een tekort aan capaciteit op te heffen.</al><tussenkop>Ad 2</tussenkop><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander
                    gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, aanpassingen aan de buitenzijde in het voortgezet onderwijs, herstel
                    van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in bijzondere
                    omstandigheden en de aanpassing “vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie”in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al><tussenkop>Ad 3</tussenkop><al>Aanpassingen aan de binnenzijde van gebouwen voor voortgezet onderwijs en de
                    aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                    (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                    verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al><tussenkop>Ad 4</tussenkop><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al><tussenkop>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten
                    (sub-prioriteiten)</tussenkop><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit, op basis van de subprioriteit, de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten 2,3 en 4,de
                    subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft.</al><al>Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking
                    komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast.</al><al>Onder <cursief>lesruimten </cursief>vallen: theorie-/leslokalen,
                    vak-/speellokalen en gymnastiekaccommodaties.</al><al>Onder <cursief>niet-lesruimten</cursief> vallen: kabinetten, personeelsruimten
                    en overige nevenruimten binnen het gebouw.</al><al>Onder het begrip <cursief>overige ruimte</cursief> vallen: bergingen,
                    fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein.</al><tussenkop>2.1 Binnen de hoofdprioriteit voor 'voorzieningen om tekorten aan
                    capaciteit als bepaald met bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li></lijst><tussenkop>2.2 Binnen de hoofdprioriteit voor 'voorzieningen noodzakelijk om een
                    adequaat</tussenkop><tussenkop>onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport (als aangegeven in artikel 7 lid 2 onder c) de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,de laagste
                            score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li><li nr="2."><al>3 Binnen de hoofdprioriteit “voorzieningen noodzakelijk om te voldoen
                            aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder
                            aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen”komt
                            voor plaatsing op het programma in aanmerking:</al></li></lijst><al>a als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet en
                    regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld
                    in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al><al>b vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet voldoet aan
                    de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport
                    zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al><al>c vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte dat
                    niet voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                    volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onderc, de minste is;</al><al>d vervolgens de voorziening aan een niet lesruimte die niet voldoet aan de wet
                    en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                    bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al><al>e vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de wet
                    en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                    bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al><tussenkop>2.4 Binnen de hoofdprioriteit : voorzieningen die wenselijk zijn als
                    gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en /of gewenste bouwkundige
                    aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                    onderwijs”komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</tussenkop><al>a als eerste de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                    percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het
                    hoogst is;</al><al>b vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                    waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid
                    geldt het hoogst is;</al><al>c vervolgens de voorziening aan niet lesruimte die als lesruimte in gebruik
                    wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig
                    beleid geldt het hoogst is;</al><al>d vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden,
                    waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al><al>e vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene aard,
                    waarbij de ouderdom van het niet aangepaste gebouw het hoogste is.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>