<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR71072_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs Lochem</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Extra Nieuws, 16-12-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Lochem</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0003420">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0003549">Wet op de expertisecentra, art. 100</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0002399">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009-10759</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs Lochem</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Lochem, gelezen het voorstel van het
                        college;</al><al/><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100
                        van de Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het
                        voortgezet onderwijs; </al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in
                        de huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal
                        onderwijs en het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen; </al><al/><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al><vet>Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs Lochem</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="·"><al>a. minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en
                                    Wetenschappen;</al></li><li nr="·"><al>b. bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school,
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="·"><al>c. school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="·"><al>d. - school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale
                                    school voor basisonderwijs als bedoeld in van de Wet op het
                                    primair onderwijs ; </al><lijst><li nr="o"><al>- school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een
                                            school voor speciaal onderwijs of een school voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op de expertisecentra , een
                                            instelling voor speciaal en voortgezet speciaal
                                            onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de
                                            expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal
                                            onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                            expertisecentra ;</al></li><li nr="o"><al>- school voor voortgezet onderwijs: school of
                                            scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                            onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                            onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                            praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1 , 2 en 5 van
                                            de Wet op het voortgezet onderwijs .</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>e. nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs ,
                                    artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra of
                                    artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor
                                    bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="·"><al>f. voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="·"><al>g. programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="·"><al>h. overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="·"><al>i. aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding
                                    van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding
                                    van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze
                                    verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="·"><al>j. aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="·"><al>k. voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in van deze verordening, 10 jaren of langer noodzakelijk
                                    is;</al></li><li nr="·"><al>l. voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in
                                    de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als
                                    bedoeld in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 10
                                    jaren noodzakelijk is;</al></li><li nr="·"><al>m. permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    40 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="·"><al>n. noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    10 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="·"><al>o. gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs
                                    in lichamelijke oefening;</al></li><li nr="·"><al>p. advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                    95 van de Wet op het primair onderwijs , artikel 93 van de Wet
                                    op de expertisecentra , artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs ;</al></li><li nr="·"><al>q. verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden,
                                    niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van
                                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></li><li nr="·"><al>r. gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de
                                    Wet op het primair onderwijs , artikel 108 van de Wet op de
                                    expertisecentra , artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs ;</al></li><li nr="·"><al>s. beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van
                                    gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in artikel 110 ,
                                    tweede lid van de Wet op het primair onderwijs , artikel 108 ,
                                    tweede lid van de Wet op de expertisecentra , artikel 76u ,
                                    tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs ;</al></li><li nr="·"><al>t. eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs , artikel 108
                                    van de Wet op de expertisecentra , artikel 76u van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs .</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                    rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw
                                    ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waarin een
                                    school is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw
                                    ten behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve
                                    van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub
                                    1 tot en met 4 omschreven voorziening;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen
                                    voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of
                                    gemeentewege in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                                    bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                    gebracht;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat
                                    al bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een
                                    gymnastiekruimte;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                    zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of
                                    meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                    ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                    behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a sub 1 en
                            2 kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of
                                    bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                    in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte
                                    van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf
                                    genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk
                                    voorziene kosten per geval.</al></li><li nr="2."><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                    inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De
                                    vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                    worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage
                                    IV, deel B.</al></li><li nr="3."><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                    bedoeld in artikel 2, onder a, sub 1,<sup/>2, 6,7 en f. Deel B
                                    van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld
                                    in artikel 2, onder a, sub 3, 4, 5, 8 en b, c, d, e alsmede
                                    artikel 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt
                                voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het betreffende
                                programma door het bevoegd gezag ingediend bij het college. Hierbij
                                wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid, neemt
                                het college niet in behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het gebouw
                                    ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                    voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                    voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                    school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten,
                                    tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2,
                                    onder a onderdelen 6 tot en met 8 en artikel 2, onder d, e en
                                    f;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet
                                    worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als
                                    bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1 tot en met 4;</al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt, indien
                                    het een voorziening betreft bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>° nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                    gebouw;</al></li><li nr="2."><al>° onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs of
                                    van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, of;</al></li><li nr="3."><al>° herstel van een constructiefout.</al></li></lijst><al>Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                            vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname'.</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                    voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                    voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting, indien
                                    de aanvraag volgt op een toekenning van een vergoeding van de
                                    kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de
                                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                                    Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt,
                                    neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></li><li nr="4."><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat
                                    ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het
                                    afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft
                                    ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld
                                    het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift
                                    niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is
                                    verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                    behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de
                            ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft daarbij
                            aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe te
                                lichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de aanvraag
                                een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid,
                                laatste volzin van toepassing is en het college van oordeel is dat
                                de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting dient te worden
                                aangepast. Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van
                                het bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in paragraaf
                                2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer er in het overleg
                                geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde
                                bedrag. Het college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het
                                geraamde bedrag aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt
                                uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                    voorgenomen inhoud van het voorstel. Zij worden hierbij tevens
                                    in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het
                                    voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar
                                    tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt
                                    aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                    verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen
                                    deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting.</al></li><li nr="6."><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden in het overleg
                                    tijdens de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                    brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                    beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg.</al></li><li nr="8."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen
                                    beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het
                                    advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van
                                    de Onderwijsraad.</al></li><li nr="9."><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding
                                van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan
                                worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31
                                december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels
                                    toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in
                                    bijlage III.</al></li></lijst><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                            voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria als
                            bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het programma voor
                            zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste
                            lid, toereikend zijn.</al></li><li nr="2."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V.</al></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                    aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A voor de
                                    betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de voorziening
                                    als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                    buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het
                                bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn
                                opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen
                                wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn
                                opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen
                                twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het
                                college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de
                                bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over de
                                besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd met
                                de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van
                                de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt
                                alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de
                                voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken
                                gemaakt over:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de
                                Wet op de Expertisecentra en de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door de
                                aanvrager;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming van
                                het beschikbaar te stellen bedrag;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing van het
                                bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband met
                                wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als
                                bedoeld in artikel 16;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over de besteding
                                van de beschikbaar te stellen middelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, dan
                                geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet
                                tot overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast
                                in een verslag, dat het binnen vier weken na afloop van het overleg
                                ter kennis van de aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk
                                instemt met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet
                                schriftelijk heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud
                                van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
                                nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde
                                lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het
                                verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager.
                                Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de
                                voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid,
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college.</al></li><li nr="2."><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college
                                    over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende
                                    begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                    aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet
                                    binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn
                                    verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de
                                    bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven
                                    tijdstip.</al></li></lijst><al>Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende
                            begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt,
                            binnen twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan de
                            aanvrager.</al><lijst><li nr="3."><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in
                                    aanmerking.</al></li><li nr="4."><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15.</al></li><li nr="5."><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin. De beslissing van het college als bedoeld in het tweede
                                    lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan.
                                    Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="6."><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                    ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                    hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                                    voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist
                                    binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag
                                    dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van
                                    de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                    aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de
                                    datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede lid
                            of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de bekostiging een
                            aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling van de gelden in
                            termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van de gelden geschiedt
                            dan telkens op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de
                            financiële verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het
                            programma geplaatste voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de
                                aanvrager niet vóór <cursief>1 oktober</cursief> van het jaar
                                volgend op de vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft
                                verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft
                                gesloten en een afschrift hiervan niet voor <cursief>15
                                    oktober</cursief> daaropvolgend aan het college is gezonden. De
                                in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en
                                vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in
                                het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De
                                in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een
                                huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van
                                inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst. Een
                                koopovereenkomst vermeldt de datum van aankoop.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding
                                van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door
                                bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                                rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk
                                gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn, als bedoeld in
                                het eerste lid, bij het college heeft ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot verlenging
                                van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het
                                besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het
                                eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting die
                            gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan
                            worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een
                            door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de
                                volgende gegevens te verstrekken:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in de
                                huisvesting spoedeisend maken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden
                                aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school,
                                die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het
                                een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen
                                6 tot en met 8 en artikel 2 onder d, e en f;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien het een
                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                volzin.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na
                                datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de
                                aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de
                                ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag
                                niet te behandelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag
                                of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of
                                hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na de datum van de
                                beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld
                                door het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden gegeven,
                                stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij
                                een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
                                worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de
                                voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de
                                in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet
                                op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de regels toe
                                met betrekking tot:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage III
                                .</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                omvatten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde
                                in , deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt
                                gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een
                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                volzin. Bij de beschikking stelt het college vast voor welke datum
                                een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
                                afschrift daarvan aan de raad moet zijn toegezonden. Binnen
                                    <cursief>vier</cursief> maanden na de datum van de beschikking
                                door het college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een
                                koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste lid,
                            waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig
                            mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van overeenkomstige
                            toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, genoemd in
                            artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een termijn van drie weken geldt.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde tijdstippen
                                een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is
                                gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten
                                aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 18, eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding
                                van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die
                                niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk
                                vier weken voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk
                                gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging
                                van de termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op
                                totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college het
                                verzoek inwilligt, noemt de raad een nieuwe datum waarop de
                                aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek
                                afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als
                                vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                                college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                                aanbesteding van die voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt
                                gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de dagtekening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt
                                gewenst;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste
                                locatie van de voorziening;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school
                                die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging
                                blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand
                                gebouw. Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het
                                college vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname';</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de
                                bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening
                                bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige lid, is het
                                bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
                                bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en
                                vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar
                                van uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden
                                gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw
                            of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                    school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en
                                    B en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld
                                    in artikel 6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft
                                    ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere
                                    huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan
                                    de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                    andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie
                                    en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die
                                    school of instelling gangbare berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                    school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs of
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien uit de vergelijking van
                                het aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op
                                basis van , deel B en de capaciteit van het gebouw in vierkante
                                meters bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis van bijlage
                                III, deel A, blijkt dat er ten minste een aantal vierkante meters
                                bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage III, deel C
                                genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde school
                                of scholen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet
                                onderwijs, indien uit de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals
                                berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het
                                gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat
                                er een overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de
                                lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat
                                er binnen het overschot aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                geen sprake is van onderbenutting van de onderwijsruimten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een of meer
                                scholen voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                indien de som van het aantal klokuren gebruik dat door het college
                                wordt vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>wanneer het een gebouw betreft van een school voor voortgezet
                                onderwijs, indien uit de berekening op basis van bijlage III, deel B
                                blijkt dat benutting van het gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij
                                het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor
                                het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het
                                geval is;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een of meer
                                scholen voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs en
                                voortgezet onderwijs, indien de som van de berekeningswijzen genoemd
                                onder a en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik
                                indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het
                                beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven
                                aan een andere school of scholen ten behoeve van het onderwijs aan
                                die school of scholen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan
                                die scholen reeds ter beschikking staande
                                huisvestingscapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is
                                bij een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van
                                doelmatigheid het vorderen van leegstand in een ander gebouw een
                                betere oplossing biedt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school
                                van dezelfde richting is gehuisvest en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst
                                gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de
                                vordering plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in
                                het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van
                                leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het college
                                daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand
                                gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is
                                bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld
                                in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze
                                mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg
                                te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in
                                het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert het
                                college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag
                                waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                huisvesting is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet
                                het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd
                                gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden
                                afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
                                bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt
                                gevorderd;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan
                                gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke
                                oefening, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking
                                heeft;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat gevorderd
                                wordt;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het
                                medegebruik.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg,
                            met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een vergoeding voor het
                            medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt,
                            geldt het bepaalde in bijlage IV, deel C.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                    gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school
                                    voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de
                                    school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs
                                    gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met
                                het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs
                                aan de in het gebouw gevestigde school;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat
                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het
                                medegebruik ondervindt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een
                                redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan
                                nemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het
                                eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het
                                overlegheeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                geval die afspraken. Voor zover het overleg niet tot overeenstemming
                                heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over
                                deze punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft
                                geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke
                                mededeling als hier bedoeld worden afgezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                toestemming voor de verhuur aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een
                                aanduiding van de huurder, en de bestemming van de te verhuren
                                ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met bepalingen
                                daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs of;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo
                                spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
                                door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                gezamenlijke akte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1
                                april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de
                                voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal
                                klokuren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het gebruik
                                wordt gewenst;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek wordt
                                gewenst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                                voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
                                het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                                capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van
                                een gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I, deel B;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
                                school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte wordt voor de
                                betreffende school het eerste ingeroosterd voor die
                                gymnastiekruimte;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                gegevens:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een
                                gymnastiekruimte;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden gedurende
                                welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal
                                klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte
                                voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs voor
                                bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld
                                hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de
                                school. Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid
                                onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover
                                daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden
                                met het totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente
                                in aanmerking komt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De bevoegde
                                gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het
                                voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending
                                van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de
                                bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                voorstel tot inroostering.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde
                                lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het
                                zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit
                                gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                                betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van
                                het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten
                                van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het
                                volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een
                                beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een
                                beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Lochem.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking na bekendmaking en met ingang
                                    van 1 januari 2010.</al></li><li nr="3."><al>De op 23 oktober 2006 vastgestelde Verordening voorzieningen
                                    huisvesting onderwijs gemeente Lochem wordt met ingang van
                                    1-1-2010 ingetrokken.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 7 december 2009</ondertekening><ondertekening>de griffie de voorzitter</ondertekening><ondertekening>J.P. Stegeman F.J. Spekreijse</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen</tussenkop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: lesgebouwen;</al></li><li nr="-"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><al>1.1<vet><cursief>Nieuwbouw</cursief></vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste tien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li></lijst><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>1.2<vet><cursief>Vervangende bouw</cursief></vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b."><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                            zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste tien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht
                            of</al></li></lijst><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al> Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><tussenkop>1.3.1 Uitbreiding algemeen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en</al></li><li nr="b."><al>1. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                            II, aantoont dat gedurende ten minste tien aaneengesloten jaren voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen)
                            worden verwacht of</al></li><li nr="2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen)
                            worden verwacht of</al></li><li nr="3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                            aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <cursief>2000 meter</cursief> hemelsbreed een passende extra
                            huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                    speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste tien jaren zal blijven
                            bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            hemelsbreed niet mogelijk is en</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                            bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                            A, inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl</al><al>b.1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste tien jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht en</al><lijst><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><tussenkop>1.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2010 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs
                    uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><tussenkop>1.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><tussenkop>1.9 Aanpassing</tussenkop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                            afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al></li><li nr="c."><al>creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor speciaal
                            basisonderwijs;</al></li><li nr="d."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li><li nr="e."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="f."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen;</al></li><li nr="g."><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen.</al></li></lijst><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks
                    ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te kunnen
                    afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal leerlingen het
                    gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen een of meer
                    andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot
                    twaalfjarigen.</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale school
                    voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan zes jaar
                    worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt is voor het
                    onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school voor
                    basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan
                    56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een
                    school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast is de noodzaak afhankelijk van
                    het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten.</al><al>Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding,
                    zulks ter beoordeling van het college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt
                    beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><tussenkop>Ad f</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste tien jaren voldoende leerlingen om de school in stand te
                    kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut
                    noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose
                    onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd
                    als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>Ad g</tussenkop><al>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en</al></li><li nr="b."><al>bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met
                            onderwijskundige vernieuwingen, en</al></li><li nr="c."><al>het een permanent gebouw betreft, en</al></li><li nr="d."><al>het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat.</al></li></lijst><tussenkop>1.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                            II gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de school nodig is;
                            en</al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed.</al></li></lijst><tussenkop>1.11 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                    geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                    onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><tussenkop>2.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste tien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li></lijst><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>2.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging
                            van de levensduur);</al></li><li nr="b."><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                            zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste tien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht
                            of</al></li></lijst><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>2.3 Uitbreiding</tussenkop><tussenkop>2.3.1 Uitbreiding algemeen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en</al></li><li nr="b."><al>1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste t<cursief>ien aaneengesloten
                                jaren</cursief> voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding
                            deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li></lijst><al>b2 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vier aaneengesloten jaren</cursief>
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen
                    worden verwacht of</al><al>b3 het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont,
                    dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal <cursief>vier
                        aaneengesloten jaren</cursief> binnen het gebouw of de gebouwen kunnen
                    worden gehuisvest en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen <cursief>2000
                        meter</cursief> hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                    realiseren.</al><tussenkop>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste tien jaren zal blijven
                            bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                            motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is
                            en,</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto
                            oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A,
                            geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><tussenkop>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1 het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl</al><al>b.1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste tien jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht en</al><lijst><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><tussenkop>2.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2010 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><tussenkop>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
                    van een speellokaal blijkt uit het feit dat de school uitgebreid wordt met een
                    speellokaal.</tussenkop><tussenkop>2.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><tussenkop>2.9 Aanpassing</tussenkop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de
                            eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten;</al></li><li nr="c."><al>verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw;</al></li><li nr="d."><al>functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor een ander
                            vak (alleen voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="e."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li><li nr="f."><al>vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; en</al></li><li nr="g."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al></li></lijst><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten,
                    zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn indien een gebouw in
                    gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De voorzieningen die dan
                    noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen voor die onderwijssoort, die
                    nog niet in het gebouw aanwezig zijn.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal leerlingen
                    zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden beëindigd omdat
                    binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is, terwijl dit gebouw niet
                    is ingericht voor het desbetreffende onderwijs.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan 60
                    leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de prognose als
                    vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste <cursief>tien
                        jaren</cursief> aanwezig zullen zijn en de dislocatie voor t<cursief>ien
                        jaren of meer</cursief> - gelet op de bouwkundige staat - als hoofdgebouw
                    kan dienen.</al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor een ander
                    vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is goedgekeurd.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad f</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><tussenkop>Ad g</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste <cursief>tien jaren</cursief> voldoende leerlingen om de
                    school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende
                    aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl
                    volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing
                    slechts goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk
                    is.</al><tussenkop>2.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodlokalen op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                            gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de
                            school nodig zijn; en</al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik elders.</al></li></lijst><tussenkop>2.11 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college.</al><tussenkop>3.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste tien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li></lijst><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>3.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de
                            bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in
                            zo'n slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b."><al>1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                            vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li></lijst><al>b2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal leerlingen
                    kan worden verwacht en</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>3.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met
                            tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                            vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A - voor de aanwezige
                            capaciteit en bijlage III, deel B - voor de ruimtebehoefte -, aangeeft
                            en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                            dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding
                            met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen
                            leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl</al><al>b.1 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste tien jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><lijst><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                            beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan
                            2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><tussenkop>3.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</tussenkop><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school.</al><al>Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting- en
                    hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een
                    andere ruimtesoort wordt gecreëerd.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra inrichting leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is
                    dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende
                    scholen.</al><tussenkop>3.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a.</al><tussenkop>3.9 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen
                    en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste tien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste tien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij 1.2
                    onder a, in aanmerking komt en</al><lijst><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste tien jaren het door het college e
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>1.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>1.7 Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>1.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al><tussenkop>1.9 Aanpassing</tussenkop><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><tussenkop>Ad 1</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><tussenkop>Ad 2</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><tussenkop>Ad 3</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><tussenkop>Ad 4</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad 5</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>1.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><tussenkop>1.11 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>1 km</cursief>
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal
                            onderwijs, <cursief>2 km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                                <cursief>3,5 km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of <cursief>7,5
                                km</cursief> hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                            groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste <cursief>tien jaren</cursief> de
                            groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal
                            klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>1
                            km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                            minste 10 groepen speciaal onderwijs, <cursief>2 km</cursief>
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, <cursief>3,5
                            km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                            minste 6 groepen speciaal onderwijs of <cursief>7,5 km</cursief>
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste <cursief>tien jaren</cursief> de
                            groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal
                            klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan
                                <cursief>140 m2</cursief><cursief> en daardoor het effectief gebruik
                                van de gymnastiekruimte belemmerd wordt en</cursief></al></li><li nr="b."><al>h<cursief>et afwezig zijn van mogelijkheden om binnen
                                </cursief><cursief>1 km</cursief> hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, <cursief>2
                                km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                            minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, <cursief>3,5
                                km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                            minste 6 groepen speciaal onderwijs of <cursief>7,5
                            km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                            minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste <cursief>tien jaren</cursief> de
                            groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal
                            klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1 het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in 2.2
                    onder a, in aanmerking komt en</al><lijst><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>1 km</cursief>
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal
                            onderwijs, <cursief>2 km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                                <cursief>3,5 km</cursief> hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door
                            ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of <cursief>7,5
                            km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                            minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste t<cursief>ien jaren</cursief> het door
                            het college vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>2.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste onderwijsleerpakket is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>2.7 Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd
                            en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            het specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>2.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><tussenkop>2.9 Aanpassing</tussenkop><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><tussenkop>Ad 1</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><tussenkop>Ad 2</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><tussenkop>Ad 3</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel
                    tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn.</al><tussenkop>Ad 4</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad 5</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste tien jaren voldoende leerlingen om de school in stand te
                    kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut
                    noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose
                    onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd,
                    als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>2.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste <cursief>vier jaar</cursief>
                    voor de school nodig is.</al><tussenkop>2.11 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>2000
                                meter</cursief>hemelsbreed gebruik te maken van een of
                            meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste <cursief>tien jaren</cursief> de
                            leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig
                            (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>3.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>2000
                                meter</cursief>hemelsbreed gebruik te maken van een of
                            meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste <cursief>tien jaren</cursief> de
                            leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig
                            zijn.</al></li></lijst><tussenkop>3.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste tien jaren de leerlingen waarvoor het
                            gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al></li></lijst><tussenkop>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt of</al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij 3.2
                    onder a, in aanmerking komt en</al><lijst><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en</al></li><li nr="d."><al>het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                            redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                            opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>3.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>3.7 Medegebruik</tussenkop><tussenkop>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                    klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik
                    zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><tussenkop>3.7.2 Huur van een sportterrein</tussenkop><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>a het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd
                            gezag niet beschikt over een eigen sportveld en</al></li><li nr="b."><al>b er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                            bevoegd gezag.</al></li></lijst><tussenkop>3.8 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>I-1</tussenkop><tussenkop>Overzicht 'Onderhoud PO'</tussenkop><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                            (renovatie-activiteit).</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                            (renovatie-activiteit).</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen
                            (renovatie-activiteit).</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiboorden.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van
                    leerlingprognoses</tussenkop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan drie jaar oud.</al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs,
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.</al><al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop
                    de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid Lochem</al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling</tussenkop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li><li nr="-"><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li><li nr="-"><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li><li nr="-"><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A De bepaling van de capaciteit</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs en speciale school voor
                    basisonderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
                    van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                    kinderopvang) en recreatieve doeleinden.</al><tussenkop>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de Toerusting en
                    Bereikbaarheid (T&amp;B)- dislocaties met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard</tussenkop><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'.</al><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het bruto
                    vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een permanente
                    bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk
                    vastgesteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een
                    eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling wordt
                    meegenomen. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de
                    voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 1.3.2, wordt op het
                    bruto vloeroppervlak 90 m2 in mindering gebracht.</tussenkop><tussenkop>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard</tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1.</al><tussenkop>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld,
                    doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>1.4 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>1.5 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2010 alle scholen voor
                    (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>1.6 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>1.6.1 Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                    klokuren.</al><tussenkop>1.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>1.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2010 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in
                    overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering
                    van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor
                    beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige,
                    culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) of recreatieve
                    doeleinden.</al><tussenkop>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs'. De capaciteit van een gebouw voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. De
                    capaciteit van het gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de
                    tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al>Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de voorwaarden zoals
                    vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 2.3.2 sub a. en sub b, wordt op de
                    bruto-vloeroppervlakte 90 m2 in mindering gebracht.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto/vloeroppervlakte als grondslag voor de
                    capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                    tijdelijke bouwaard.</tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1.</al><tussenkop>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of
                    meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is
                    de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, omdat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld.</al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijk bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al>Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                    staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen.
                    Dit is in de regel het grootste gebouw.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>2.4 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>2.5 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto-vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>2.6 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>2.6.1 Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    bedraagt 40 klokuren.</al><tussenkop>2.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>2.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2010 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over:</al><lijst><li nr="-"><al>de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal specifieke ruimten;</al></li><li nr="-"><al>het aantal werkplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal gymnastieklokalen.</al></li></lijst><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><tussenkop>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                    een tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet
                    onderwijs'.</al><al>Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal gymnastieklokalen'
                    moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen' indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven 'aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al><tussenkop>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit
                    is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld.</al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het bovenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>3.3 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>3.4 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2010 alle instellingen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De bruto
                    vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris.</al><tussenkop>3.5 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>3.5.1 Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40
                    uur.</al><tussenkop>3.5.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>3.5.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2010 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor
                    de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al>B = basisruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                    hele vierkante meters, en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al>T=toeslag in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante
                    meters en G=gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="-"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="-"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                            6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                            niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op
                            een geheel getal;</al></li><li nr="-"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het
                            aantal ingeschre-ven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80
                            % van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen
                    bepalend voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte
                    wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</tussenkop><tussenkop>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt
                    berekend met de formule:</tussenkop><tussenkop>R= 250+7,35*L, waarbij</tussenkop><tussenkop>R= ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond op
                    hele vierkante meters, en</tussenkop><tussenkop>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar
                    waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                    ingeschreven.</tussenkop><tussenkop>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    m2.</tussenkop><tussenkop>1.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                    gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen
                    bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger
                    dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school
                    niet de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van
                    6 jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur
                    gymnastiek.</tussenkop><tussenkop>Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen
                    door de 'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor
                    voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt
                    alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In
                    het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.</tussenkop><tussenkop>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe
                    gymaccommodatie voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal
                    gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage
                    II.</tussenkop><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs is de
                    onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type
                    vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de huisvestingsbehoefte.</al><al>De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    berekend met de formule:</al><al>R=V+f*L, waarbij</al><al>R = ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters, en</al><al>V = vaste voet in m2 bruto-vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen voor alle
                    onderwijssoorten 370 m2 behalve voor VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de vaste voet
                    250 m2 . Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing, en</al><al>f = factor (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens onderstaande tabel,
                    en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De tabel geeft een overzicht van f (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling), per
                    onderwijssoort.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="51*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>SO</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>VSO</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Slechthorende kinderen (SH)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens
                                        behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Visueel gehandicapten (VISG)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Langdurig zieke kinderen (LZ)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten
                                        (PI)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Dove kinderen (DO)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG)</al></entry><entry colname="col2"><al>13,8</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)*</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
                    de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG met N = 2 geldt 56,75, voor
                    VSO-MG met N = 2 geldt 57,5, voor SO-MG met N = 3 geldt 56,75 en voor VSO-MG met
                    N = 3 geldt 57,5.Voor een school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort,
                    is de vaste voet slechts eenmaal van toepassing.</al><al>Voor een school met meer onderwijssoorten is voor elk van de schoolsoorten de
                    vaste voet van toepassing.</al><al>De bepaling van de ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school waaraan
                    een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende
                    onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde
                    ruimtebehoeften worden gesommeerd.</al><al>Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele ruimtebehoefte
                    van 90 m2.</al><tussenkop>2.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Het aantal gymgroepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het
                    aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de modelbeleidsregel voor
                    bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                    onderwijs:</al><al>Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75
                    klokuur gymnastiek indien de school of nevenvestiging niet de beschikking heeft
                    over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt
                    uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in
                    bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO-school of een
                    SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                    verschillende schooltypen afzonderlijk plaats.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>een leerlinggebonden component;</al></li><li nr="2."><al>een vaste voet.</al></li></lijst><tussenkop>ad 1 Een leerlinggebonden component</tussenkop><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                    leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen
                    bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                    leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs,
                    leerweg of sector die de leerling volgt.</al><tussenkop>ad 2 Een vaste voet</tussenkop><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                    vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste
                    voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod
                    binnen de beroepsgerichte leerweg.</al><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                    bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en,
                    indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto
                    vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling.</al><al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet
                    in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum
                    (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op de scholen
                    die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van
                    de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij
                    reguliere scholen voor voortgezet onderwijs.</al><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                    bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                    Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                    basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</al><al>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO= leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                    ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550 m2 BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die
                    sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de
                    vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een
                    vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig
                    is.</al><tussenkop>3.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</al><al>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet
                    onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><tussenkop>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</tussenkop><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><tussenkop>1 School voor (speciaal) basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste tien jaar zal blijven bestaan. Er is sprake
                    van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven ruimtebehoefte
                    tenminste vier jaar en korter dan tien jaar zal blijven bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>uitbreiding, dan wel</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw</cursief>,
                            dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage.</al><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>55 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening basis-onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>40 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening basis-onderwijs;</al></li><li nr="-"><al><cursief>50 m2</cursief><cursief> bruto-vloeroppervlakte voor een voor
                                blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzie-ning voor een school
                                voor speciaal basisonderwijs.</cursief></al></li></lijst><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste tien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan tien jaar zal blijven bestaan.</al><tussenkop>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de
                    bruto-vloeroppervlakte van een speellokaal 90 m2 bvo.</tussenkop><tussenkop>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening <cursief>terrein, dan wel
                        uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        <cursief>eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket</cursief>, dan wel
                        <cursief>uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket</cursief>, en meubilair wordt bepaald door de omvang in
                    m2 bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende)
                    nieuwbouw of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening <cursief>onderhoud</cursief>
                    wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                    voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening <cursief>herstel van constructiefouten en herstel van
                        schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</cursief> wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><tussenkop>1.3 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>nieuwbouw</cursief>, dan wel
                        <cursief>vervangende nieuwbouw</cursief>, wordt bepaald door de
                    minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze
                    bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>uitbreiding van een
                        gymnastiekruimte</cursief> wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen
                    zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in
                    lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>aanpassing</cursief> wordt bepaald door
                    de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken
                    voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde <cursief>terrein</cursief>, dan wel
                        <cursief>uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de
                    uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of
                    krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>aanvulling op de eerste aanschaf van het
                        meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                        gymnastiekruimte</cursief>, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste
                    aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de
                    gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde <cursief>onderhoud</cursief> aan de
                    gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde <cursief>herstel van constructiefouten en het
                        herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden</cursief>, wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter bruto vloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan tien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>uitbreiding, dan wel</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 50 m2
                    bruto-vloeroppervlakte bedragen.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste tien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan tien jaar zal blijven bestaan.</al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van een speellokaal
                    90 m2 bvo.</al><tussenkop>2.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, <cursief>terrein</cursief>, dan
                    wel <cursief>uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen zoals gesteld ten
                    aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, <cursief>eerste aanschaf van
                        het onderwijsleerpakket en meubilair</cursief>, dan wel <cursief>uitbreiding
                        van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair</cursief>,
                    wordt bepaald door de omvang in m2 bruto- vloeroppervlakte van de goedgekeurde
                    voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening <cursief>aanpassing</cursief>
                    wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw
                    geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de
                    voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, <cursief>onderhoud</cursief>
                    wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                    voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening, <cursief>herstel van constructiefouten en herstel van
                        schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</cursief> wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><tussenkop>2.3 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>nieuwbouw</cursief>, dan wel
                        <cursief>vervangende nieuwbouw</cursief>, wordt bepaald door de
                    minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze
                    bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>uitbreiding</cursief> van een
                    gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven
                    bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke
                    oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>aanpassing</cursief> wordt bepaald door
                    de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken
                    voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde <cursief>terrein</cursief>, dan wel
                        <cursief>uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de
                    uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of
                    krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de <cursief>eerste aanschaf van het
                        meubilair</cursief>, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                    gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het
                    meubilair voor andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk
                    is bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde <cursief>onderhoud</cursief> aan de
                    gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het <cursief>goedgekeurde herstel van constructiefouten en het
                        herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden</cursief>, wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste tien jaar noodzakelijk is. De
                    hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste tien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die aanwezig
                    is.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    tien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al><tussenkop>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        <cursief>nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, </cursief>wordt bepaald
                    door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter
                    dan tien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van
                    het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        <cursief>uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand
                        gebouw</cursief>, wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar
                    doch korter dan tien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde
                    capaciteit van de beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2 bruto
                    vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        <cursief>ingebruikneming</cursief> wordt bepaald door de omvang van het
                    gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen,
                    waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar
                    noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare
                    huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                        huisvesting<cursief> medegebruik</cursief> wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de
                    laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke
                    lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden
                    bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                        <cursief>verplaatsing van noodlokalen</cursief> wordt bepaald door het
                    aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan tien
                    jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><tussenkop>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                    voorziening in de huisvesting.</al><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of
                    specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt
                    het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                    en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>3.4 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de
                    toelichting bij deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan tien jaar noodzakelijk is (te bepalen met
                    behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                    uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                    behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                    het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym)
                    : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule
                    gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322.</al><al>Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering
                    gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1).</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste
                    acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt
                    gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met
                    toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal
                    leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt
                    een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) /
                    322.</al><tussenkop>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van
                            84m2 voor een speellokaal.</al></li></lijst><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m2;</al></li><li nr="-"><al>minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto.</al></li></lijst><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>theorielokaal:</al></entry><entry colname="col2"><al>42 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>theorievaklokaal:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal lassen:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal meten:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>werkplaats:</al></entry><entry colname="col2"><al>115 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>restaurant:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>4 Gymnastiekruimten</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.</al></li><li nr="-"><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al></li></lijst><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid.</al><tussenkop>III-1</tussenkop><tussenkop>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'</tussenkop><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN 2580, met de
                    volgende aantekeningen:</al><lijst><li nr="-"><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf be-reikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="-"><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                            gymnastiek-lokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingscon-structie.</al></li><li nr="-"><al>Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als
                            onderwijsruimten of andere ruimte, wordt de brutovloeroppervlakte
                            bepaald door de netto brutovloeroppervlakte van het deel van de ruimte
                            met een vrije loop van tenministe 2,6 meter te vermenigvuldigen met een
                            factor 1,1;</al></li><li nr="-"><al>Voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als
                            berging, keuken, reproruimte of werkkast, telt deze niet mee voor de
                            berekening van de brutovloeroppervlakte.</al></li></lijst><tussenkop>III-2</tussenkop><tussenkop>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet
                    onderwijs'</tussenkop><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW.</al><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De
                    bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al><al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens:</al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 m2.</al></li></lijst><al>Uitzonderingen:</al><lijst><li nr="-"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                            dergelijke.</al></li><li nr="-"><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="-"><al>- Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al><al>Bijlage IV Financiële normering </al><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen:</al><lijst><li nr="·"><al>- deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al></li><li nr="·"><al>- deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al></li><li nr="·"><al>- deel C: bepaling medegebruikstarief.</al><al>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen</al><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en
                                    uitbreiding is tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding
                                    opgenomen. Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een
                                    bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5% (bij
                                    grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de
                                    uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het programma
                                    geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en
                                    uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de
                                    kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht.</al><al>Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</al><al>1.School voor basisonderwijs</al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><lijst><li nr="·"><al>- nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li><li nr="·"><al>- uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li><li nr="·"><al>- tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li><li nr="·"><al>- eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
                                            (paragraaf 1.4);</al></li><li nr="·"><al>- aanpassing (paragraaf 1.5) en</al></li><li nr="·"><al>- gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten
                                    behoeve van de vergoedingen voor 2009. De bedragen zijn
                                    gebaseerd op het prijspeil van 1 juli 2008 en voorzien van het
                                    MEV-indexcijfer voor 2009 (3% voor de huisvestingsvoorzieningen
                                    nieuwbouw en uitbreiding en 3.75% voor onderhoud, eerste
                                    inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><al>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</al><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een
                                    viertal kostencomponenten, te weten:</al><lijst><li nr="·"><al>- kosten voor terrein;</al></li><li nr="·"><al>- bouwkosten;</al></li><li nr="·"><al>- toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten
                                            bij vervangende bouw;</al></li><li nr="·"><al>- alleen voor speciale school voor basisonderwijs:
                                            toeslag voor een speellokaal.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van
                                    uitbreiding van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw,
                                    gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering
                                    voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><al>Kosten voor terreinen</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen,
                                    aangezien de gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar
                                    (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom
                                    overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                                    worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden
                                    gemaakt ten behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar
                                    stellen van gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de
                                    interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk
                                    zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de
                                    in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van
                                    terreinen. Voor de minimaal benodigde oppervlakte van het
                                    terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D.</al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het
                                    oude gebouw) behoren de kosten voor het slopen van het oude
                                    gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><al>Bouwkosten</al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede
                                    aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding
                                    bestaat uit een startbedrag, waarin inbegrepen een aantal m2 en
                                    een bedrag per m2 voor de overige m2.bvo. Met deze
                                    vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                                    volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste
                                                  350 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 786.808,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.346,45</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                                    bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="87*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding speciale basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste
                                                  670 m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                                  speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.274.865,77</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een
                                                  eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.409, 91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2
                                                  bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120,961,80</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                    vervangende bouw op dezelfde plaats</al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet
                                    het desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de
                                    leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                                    locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder
                                    opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per m2 bvo,
                                    afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te
                                    worden.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school
                                    voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding (speciale) basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 54,58</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37,46</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot
                                    1035 m2 brutovloeroppervlakte is onderstaand de financiële
                                    normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden
                                    uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente
                                    bouwaard) (paragraaf 1.1).</al><al>Kosten voor terrein</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen.
                                    Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de
                                    bepaling van de kosten voor het terrein dezelfde systematiek
                                    gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al>Bouwkosten</al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede
                                    extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein.
                                    De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2.
                                    Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III
                                    aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                                    volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Bedragen vergoeding basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo
                                                  of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 115.220,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115
                                                  m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 76.813,46</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.534,85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                                    bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="89*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="11*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding speicale basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo
                                                  of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 118,488,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105
                                                  m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 78.992,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin
                                                  niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.565,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk
                                                  speellokaal (90 m2 bvo) in combinatie met
                                                  uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 138.137,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk
                                                  speellokaal (90 m2 bvo), zonder gelijktijdige
                                                  uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 253,973,40</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                    vervangende bouw op dezelfde plaats</al><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente
                                    bouwaard).</al><al>1.3 Tijdelijke voorziening</al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de
                                    investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik
                                    bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen
                                    enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande
                                    tijdelijke voorziening.. Daarnaast wordt ingegaan op realisering
                                    van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor
                                    tijdelijk gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt
                                    ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op
                                    het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het
                                    geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                                    hoofdlocatie</al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2.
                                    In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor
                                    paalfundering, de toeslag voor herstel en inrichting van
                                    terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                                    nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school
                                    voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding (speciale) basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of
                                                  groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44,807,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2
                                                  bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.871,63</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.101,13</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2.
                                    In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor
                                    paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van
                                    terreinen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school
                                    voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding (speciale) basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of
                                                  groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.186,62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2
                                                  bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.791,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.153,79</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook
                                    worden gehuurd.</al><al>In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                                    noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur
                                    worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B:
                                    vergoeding op basis van feitelijke kosten)</al><al>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>Basisschool</al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                                    meubilair tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per
                                    m2. De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per
                                    school met een gegeven aantal m2. Bij uitbreiding wordt het uit
                                    te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                                    investeringsbedragen van de school met en zonder
                                    uitbreiding.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                                    volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 35.845,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 125.39</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                                    bepaald op basis van de volgende bedragen in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding speciale basisschool</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 76.050,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 129.73</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de
                                    inrichting van een speellokaal van een school voor speciaal
                                    basisonderwijs bedraagt € 6.939,99.</al><al>1.5 Aanpassing</al><al>Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten
                                    (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al>1.6 Gymnastiek</al><al>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</al><al>Nieuwbouw</al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een
                                    gymnastiekzaal voor zowel een basisschool als een speciale
                                    school voor basisonderwijs met een bruto-vloeroppervlakte van
                                    455 m2 bedraagt € 827.134,08 (op het schoolterrein)
                                    respectievelijk € 843,863,35 (op afzonderlijk terrein). Deze
                                    vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal,
                                    alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten zijn
                                    hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven
                                    afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding o.b.v.. paallengte</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.636,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 22.934,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.210,94</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding</al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie
                                    aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een
                                    gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2.</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een
                                    oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden
                                    uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de
                                    benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een
                                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als
                                    volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Uitbreiding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 192.174,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 233.614,08</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering
                                    noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de
                                    benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                                    bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="45*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="27*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding o.b.v. paallengte</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>112-120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>121-150 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.448,05</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9.313,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.900,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16.121,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.090,80</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 26.363,50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor
                                    een gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een
                                    speciale school voor basisonderwijs € 48.021,61.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><lijst><li nr="·"><al>- nieuwbouw (paragraaf 2.1);</al></li><li nr="·"><al>- uitbreiding (paragraaf 2.2);</al></li><li nr="·"><al>- tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3);</al></li><li nr="·"><al>- eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
                                            (paragraaf 2.4) en</al></li><li nr="·"><al>- gymnastiek (paragraaf 2.5).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten
                                    behoeve van de vergoedingen voor 2009. De bedragen zijn
                                    gebaseerd op het prijspeil van 1 juli 2008 en voorzien van het
                                    MEV-indexcijfer voor 2009 (3% voor de huisvestingsvoorzieningen
                                    nieuwbouw en uitbreiding en 3,75% voor onderhoud, eerste
                                    inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><al>2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</al><al>De financiële normering valt uiteen in een vijftal
                                    kostencomponenten, te weten:</al><lijst><li nr="·"><al>- kosten voor terrein;</al></li><li nr="·"><al>- bouwkosten;</al></li><li nr="·"><al>- toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk
                                            speellokaal;</al></li><li nr="·"><al>- toeslag voor het aanbrengen van een
                                            liftinstallatie;</al></li><li nr="·"><al>- toeslag voor het herstel van terreinen en
                                            verhuiskosten bij vervangende bouw.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van
                                    uitbreiding van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw
                                    en in het geval van nieuwbouw van een nevenvestiging, gelden de
                                    bedragen zoals opgenomen in de financiële normering voor
                                    uitbreiding (permanente bouwaard).</al><al>Kosten voor terreinen</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen,
                                    aangezien de gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel
                                    na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het
                                    schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden aangekocht
                                    zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van
                                    het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                                    terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen
                                    de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de
                                    terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten
                                    voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de
                                    bepaling van de minimale omvang van het terrein wordt verwezen
                                    naar bijlage III, deel D.</al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het
                                    oude gebouw) behoren de kosten voor het slopen van het oude
                                    gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><al>Bouwkosten</al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede
                                    aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding
                                    bestaat uit een startbedrag waarin inbegrepen een aantel m² en
                                    een bedrag per m² voor de overige m² bvo. Met deze
                                    vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen
                                    (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="87*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding bouwkosten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste
                                                  677 m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                                  speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.226.852,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m² bvo, waarin niet begrepen een
                                                  eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.401,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m²
                                                  bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120.961,80</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor liftinstallatie</al><al>Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt
                                    aangebracht geldt het volgende vergoedingsbedrag:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding nieuwbouw lift</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 118.892,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                    vervangende bouw op dezelfde plaats</al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet
                                    het desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de
                                    leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                                    locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder
                                    opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per m² bvo,
                                    afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te
                                    worden.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding vervangende nieuwbouw</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 62,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 31,32</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard
                                    tot 1000 m² bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële
                                    normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden
                                    uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente
                                    bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit geldt ook voor de nieuwbouw van
                                    een nevenvestiging.</al><al>Kosten voor terreinen</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen.
                                    Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de
                                    bepaling van de kosten voor het terrein dezelfde systematiek
                                    gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al>Bouwkosten</al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede
                                    aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De
                                    vergoeding bestaat uit een startbedrag, een bedrag per m2. Met
                                    deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III
                                    aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen
                                    (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="89*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="11*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding bouwkosten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m2 bvo of
                                                  groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 107.315,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m2
                                                  bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 71.543,51</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin
                                                  niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.568,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk
                                                  speellokaal (90 m2 bvo) in combinatie met
                                                  uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120.961,80</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk
                                                  speellokaal (90 m2 bvo), zonder gelijktijdige
                                                  uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 253.973,40</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag liftinstallatie</al><al>Indien bij uitbreiding van het gebouw tevens een liftinstallatie
                                    wordt aangebracht kan aanspraak worden gemaakt op de volgende
                                    vergoeding:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Toeslag liftinstallatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 142.907,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                    vervangende bouw op dezelfde plaats</al><al>Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als
                                    bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</al><al>2.3 Tijdelijke voorziening</al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de
                                    investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik
                                    bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen
                                    enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande
                                    tijdelijke voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering
                                    van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor
                                    tijdelijke gebruik bestemde voorziening. Wat betreft grondkosten
                                    wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe
                                    op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet
                                    het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein
                                    dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                                    hoofdlocatie</al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2.
                                    In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor
                                    herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige
                                    aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding nieuwbouw</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of
                                                  groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46,962,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2
                                                  bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 31.735,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.078,85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van
                                    terreinen alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen
                                    kan een aparte toeslag worden gegeven. Voor de bedragen wordt
                                    verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2.
                                    In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor
                                    herstel en inrichting van terreinen.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen
                                    (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding uitbreiding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of
                                                  groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.538,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2
                                                  bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 17.025,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.140,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van
                                    terreinen alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen
                                    kan een aparte toeslag worden gegeven. Voor de bedragen wordt
                                    verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook
                                    worden gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk:
                                    huur van een noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide
                                    soorten huur worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie
                                    deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten)</al><al>2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                                    meubilair tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per
                                    m². De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per
                                    school met een gegeven aantal m². Bij uitbreiding wordt het uit
                                    te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                                    investeringsbedragen van de school met en zonder
                                    uitbreiding</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="36*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="45*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Basisbedrag</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Voor elke </vet><vet>m2
                                                  </vet><vet>bvo</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 128.138,54</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 223,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 116.403,66</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 289,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 108.468,28</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 144,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 153.938,08</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 275,12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 98.164,51</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 135,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 115.567,26</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 264,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 96.639,88</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 114,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 94.329,81</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 132,20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 995.163,67</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 143,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 117.011,90</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 117,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de
                                    inrichting van een speellokaal bedraagt € 6.939,99.</al><al>2.5 Gymnastiek</al><al>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</al><al>Nieuwbouw</al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een
                                    gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2
                                    bedraagt € 827.134,08 (op het schoolterrein) en € 843.863,35 (op
                                    afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten
                                    van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</al><al>Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG- of MLK/ZMLK-component
                                    is er een toeslag van 50 m2 (grotere entree en kleed- en
                                    doucheruimte). Met deze toeslag is een bedrag gemoeid van €
                                    82,973,51. Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een
                                    toeslag gegeven. Indien extra ruimte voor LG en MG-scholen van
                                    50 m2 beschikbaar is gesteld, geldt een hogere toeslag (tussen
                                    haakjes vermeld). De vergoeding wordt bepaald op basis van de
                                    volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Vergoeding o.b.v.paallengte</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.636,89</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 20.976,74)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 22.934,81</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 229.051,15)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.210,94</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 41.809,49)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding</al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie
                                    aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een
                                    gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 .</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een
                                    oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden
                                    uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2 . Afhankelijk van de
                                    benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Uitbreiding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 192.174,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 233.614,08</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering
                                    noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de
                                    benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                                    bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="45*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>112-120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>121-150 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.448,05</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9.313,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.900,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16.121,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21,090,80</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 26.363,50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>OLP/meubilair</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>OLP/Meubilair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Schoolsoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bedrag in euro</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.294,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.069,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.089,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 50.486,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.211,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.211,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.137.16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44,895,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.076,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 54.804,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 56.224,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.246,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.246,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.498,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.492,90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 49.839,61</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 56.873,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 57.754,91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.018,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.018,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.946,87</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3.School voor voortgezet onderwijs</al><al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is
                                    onderverdeeld in:</al><lijst><li nr="·"><al>- nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</al></li><li nr="·"><al>- tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</al></li><li nr="·"><al>- eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                            (paragraaf 3.3); en</al></li><li nr="·"><al>- gymnastiek (paragraaf 3.4).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten
                                    behoeve van de vergoedingen voor 2009. De bedragen zijn
                                    gebaseerd op het prijspeil van 1 juli 2008 en voorzien van het
                                    MEV-indexcijfer voor 2009 (3% voor de huisvestingsvoorzieningen
                                    nieuwbouw en uitbreiding en 3,75% voor onderhoud, eerste
                                    inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><al>3.1 Nieuwbouw en uitbreiding</al><al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw
                                    en uitbreiding. Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van
                                    het bestaande gebouw plaats (zie voor de vaststelling van het
                                    bedrag voor de component 'aanpassing' deel B).</al><al>De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt
                                    uiteen in een tweetal kostencomponenten:</al><lijst><li nr="·"><al>- kosten van terreinen;</al></li><li nr="·"><al>- bouwkosten.</al></li></lijst><al>Kosten van terreinen</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen,
                                    aangezien de gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel
                                    na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het
                                    schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden aangekocht
                                    zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van
                                    het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                                    terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen
                                    de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de
                                    terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten
                                    voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen.</al><al>Bouwkosten</al><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief
                                    fundering op staal, alsmede de aanleg en inrichting van het
                                    schoolterrein. In het bedrag voor de vaste normkosten wordt een
                                    tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een vergoeding voor
                                    de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de
                                    sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten
                                    bestaan uit bedragen per m2 bruto-vloeroppervlak voor de
                                    afzonderlijke ruimtesoorten van een schoolgebouw. De indeling
                                    van deze bedragen geschiedt aan de hand van de hoofdindeling van
                                    de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in
                                    Bijlage III, deel B.</al><al>De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460
                                    m2 bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per
                                    huisvestingsvoorziening, alsmede een vast bedrag per sectie.
                                    Voor kleinere projecten worden geen sectie-afhankelijke kosten
                                    per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de
                                    bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2
                                    bruto-vloeroppervlakte.</al><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel op de volgende bladzijde
                                    met vaste bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en vaste
                                    bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding
                                    voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen
                                    m2 per type ruimte van de goedgekeurde huisvestingsvoorziening,
                                    berekend op basis van Bijlage III, Deel C, vermenigvuldigd met
                                    onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                                    vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door
                                    optelling van de algemene vaste voet en de vaste voet voor de
                                    algemene sectie of de werkplaatssectie, dan wel beide,
                                    afhankelijk van de secties waaruit de op basis van Bijlage III
                                    goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor
                                    de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de
                                    sectie-afhankelijke kosten vormen tezamen de totale vergoeding
                                    voor de vaste normkosten.</al><al>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m² (in
                                    euro)</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="14*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="14*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>&lt;460 m</vet><vet>2 </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>460&lt;2500 m</vet><vet>2 </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>&gt;=25002</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>2.106,53</al></entry><entry colname="col3"><al>1.250,16</al></entry><entry colname="col4"><al>1.220,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.057,47</al></entry><entry colname="col3"><al>1.664,33</al></entry><entry colname="col4"><al>1.664,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>2.498,40</al></entry><entry colname="col3"><al>2.105,26</al></entry><entry colname="col4"><al>2.105,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte:</al><lijst><li nr="·"><al>- (uiterlijke) verzorging/mode en commercie:
                                            huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging,
                                            mode en commercie;</al></li><li nr="·"><al>- handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk,
                                            kantoorpraktijk, etaleren.</al></li></lijst><al>Werkplaatsen:</al><lijst><li nr="·"><al>- techniek algemeen: bouwtechniek, machinale
                                            houtbewerking, meten, elektrotechniek,
                                            installatietechniek, lasserij, metaal,
                                            voertuigentechniek;</al></li><li nr="·"><al>- consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="·"><al>- grafische techniek: werkplaats grafische
                                            techniek;</al></li><li nr="·"><al>- landbouw: groen-praktijk;</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al><al>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in
                                    euro)</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Ruimteafhankelijke kosten per bruto m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>&lt; 460 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 460 &lt; 2500 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt;= 2500 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al>132.917,29</al></entry><entry colname="col3"><al>132.917,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemene sectie</al></entry><entry colname="col2"><al>260.906,59</al></entry><entry colname="col3"><al>364.285,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet werkplaatssectie</al></entry><entry colname="col2"><al>48.242,50</al></entry><entry colname="col3"><al>48.242,50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen:
                                    bouwtechniek, machinale houtbewerking, consumptieve techniek,
                                    meten, elektrotechniek, grafische techniek, installatietechniek,
                                    lasserij, mechanische techniek en motorvoertuigentechniek. De
                                    specifieke en algemene ruimten behoren tot de algemene sectie.
                                    De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en
                                    tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie
                                    algemeen.</al><al>Aanvullende normkosten</al><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is
                                    uitgegaan van een standaardlocatie. Echter, als gevolg van
                                    plaatselijke omstandigheden kunnen extra kosten optreden. Voor
                                    een beperkt aantal omstandigheden wordt een aanvullend bedrag
                                    beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal aspecten,
                                    te weten fundering en bemaling.</al><al>In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van
                                    fundering op staal. In veel gevallen zal echter paalfundering
                                    noodzakelijk zijn. Het criterium voor toekenning van een bedrag
                                    voor (paal)fundering is het op te stellen
                                    sonderingsrapport.</al><al>De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de
                                    omvang van de bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding
                                    kan worden berekend aan de hand van de volgende formules:</al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &gt; 1000 m2</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="61*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Nieuwbouw en uitbreiding &gt; 1000 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.874,72</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 20,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.125,13</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 34,39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.605,57</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 61,54</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="61*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.731,73</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7.12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.171,77</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 18,84</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 9.372,34</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 37.36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor
                                    bemaling is de grondwaterstand maatgevend. Indien deze
                                    grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is
                                    bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2 goedgekeurde
                                    terreinoppervlakte toegekend.</al><al>De vergoeding bedraagt € 13,20 per m2 terrein.</al><al>3.2 Tijdelijke voorziening</al><al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het
                                    voortgezet onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule,
                                    afhankelijk van het type voorziening.</al><al>De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden
                                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="·"><al>- nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al></li><li nr="·"><al>- huur van tijdelijke lokalen.</al></li></lijst><al>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen</al><al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en
                                    uitbreiding met tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand
                                    van de volgende formule:</al><al>€ 670,32 * A + € 46.085,63</al><al>A = het toegekende aantal m² bruto-vloeroppervlakte aan
                                    tijdelijke huisvesting.</al><al>Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel
                                    C. Alle directe en indirecte kosten gemoeid met de realisatie
                                    van de voorziening moeten worden bestreden uit het ter
                                    beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder meer
                                    het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op
                                    nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het
                                    terrein inclusief fundering voor de te plaatsen tijdelijke
                                    huisvestingsvoorziening.</al><al>Huur van tijdelijke lokalen</al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook
                                    worden gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk:
                                    huur van een noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide
                                    soorten huur worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie
                                    deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al>3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</al><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met
                                    inventaris (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan
                                    de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende
                                    nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde
                                    ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij
                                    de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is
                                    bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar
                                    medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing
                                    indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                                    ontbreekt dan wel niet geschikt is.</al><al>De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte
                                    dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de
                                    aanwezige bruto vloeroppervlakte per ruimtetype en het te
                                    realiseren bruto vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte
                                    van de vergoeding bepaald aan de hand van de in onderstaande
                                    tabel genoemde bedragen.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="77*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="8*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Normbedragen inventaris per ruimtetype (in
                                                  euro)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>147.93</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie
                                                  Handel/verkoop/administratie
                                                  Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>345.74 211,50 283,97</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen Consumptief Grafische
                                                  techniek Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>362,73 702,44 1.342,96 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte:</al><lijst><li nr="·"><al>- (uiterlijke)verzorging/mode en commercie:
                                            huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging,
                                            mode en commercie;</al></li><li nr="·"><al>- handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk,
                                            kantoorpraktijk, etaleren;</al></li><li nr="·"><al>- praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken</al></li></lijst><al>Werkplaatsen:</al><lijst><li nr="·"><al>- techniek algemeen: bouwtechniek, machinale
                                            houtbewerking, meten, elektrotechniek,
                                            installatietechniek, lasserij, metaal,
                                            voertuigentechniek;</al></li><li nr="·"><al>- consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="·"><al>- grafische techniek: werkplaats grafische
                                            techniek;</al></li><li nr="·"><al>- landbouw: groen-praktijk;</al></li><li nr="·"><al>- praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al><al>3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs</al><al>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een
                                    gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2
                                    bedraagt € 827.134,07 (op het schoolterrein) respectievelijk €
                                    843.863,35 (op afzonderlijk terrein).</al><al>De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat
                                    alle schaal- en ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor
                                    de inrichting van het terrein. De kosten voor de aankoop van
                                    grond zijn hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven
                                    afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt
                                    bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Vergoeding bouwkosten
                                                  nieuwbouw/uitbreiding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.636,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 22.934,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.210,94</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal</al><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens
                                    gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door
                                    middel van medegebruik van een gymnastiekaccommodatie van een
                                    andere school, de gemeente of een commerciële exploitant.
                                    Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school
                                    voor voortgezet onderwijs de volgende vergoeding
                                    verschuldigd:</al><lijst><li nr="·"><al>a. Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor
                                            voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele
                                            en het vaste deel van het klokuurbedrag vergoed voor het
                                            aantal lesuren medegebruik. Voor de hoogte van de
                                            vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                                            deel van de klokuurvergoeding in het primair
                                            onderwijs.</al></li><li nr="·"><al>Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair
                                            onderwijs wordt gebruikt, wordt in ieder geval het
                                            variabele deel van het klokuurbedrag vergoed voor het
                                            aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de
                                            gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de
                                            VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de
                                            VO-school voor het aantal uren dat boven de 26 klokuren
                                            ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te
                                            vergoeden.</al></li><li nr="·"><al>b. Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente
                                            wordt gebruikt, is de school voor voortgezet onderwijs
                                            de gemeente een bedrag aan exploitatiekosten
                                            verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de
                                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste
                                            en variabele deel van de klokuurvergoeding in het
                                            primair onderwijs.</al></li><li nr="·"><al>c. Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële
                                            exploitant wordt gebruikt, betaalt de school voor
                                            voortgezet onderwijs de huurprijs (stichtingskosten en
                                            materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan de
                                            school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van
                                            de huur. De hoogte van deze stichtingskostenvergoeding
                                            bedraagt het verschil tussen huurbedrag en het vaste en
                                            variabele deel van het klokuurbedrag voor het aantal
                                            uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt
                                            aangesloten bij het vaste en variabele deel van de
                                            klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al></li></lijst><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a,
                                    b en c wordt het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel
                                    voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs onderdeel 'Vergoeding per
                                    klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het op deze
                                    wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het
                                    totale vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor
                                    voortgezet onderwijs moet vergoeden.</al><al>Huur sportvelden</al><al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak
                                    maken op een vergoeding van de huur van een sportveld. De
                                    vergoeding voor deze kosten bedraagt € 19,59 per klokuur.</al><al>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair</al><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en
                                    ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van
                                    een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet
                                    eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat aanspraak op
                                    vergoeding voor eerste inrichting met leer- en
                                    hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende
                                    nieuwbouw en medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste
                                    inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding,
                                    afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie wordt
                                    bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>Eerste inrichting Leer- en hulpmiddelen en
                                                  meubilair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Meubilair</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>L.h.m</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Totaal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>1.014.21</al></entry><entry colname="col3"><al>60.479,18</al></entry><entry colname="col4"><al>61.494,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>1.014.21</al></entry><entry colname="col3"><al>47.178,35</al></entry><entry colname="col4"><al>48,192,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>1.014.21</al></entry><entry colname="col3"><al>20.510,94</al></entry><entry colname="col4"><al>21.525,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>13.356,72</al></entry><entry colname="col4"><al>13.356,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1.541,85</al></entry><entry colname="col4"><al>1.541,85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> 4 Indexering</al><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn afgeleid van het
                                    prijspeil van 1 juli 1996. Jaarlijks worden door het college de
                                    werkelijke prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de
                                    verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van
                                    de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het
                                    programma bekendgemaakt.</al><al>Werkelijke prijsontwikkeling</al><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke
                                    prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te
                                    voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten
                                    worden, wordt jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer
                                    bekendgemaakt.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als
                                    prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het
                                    CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100
                                    (inclusief btw)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek
                                    bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het
                                    lopende jaar en het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande
                                    jaar.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en
                                    hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek
                                    wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het
                                    CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle huishoudens'
                                    (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen'
                                    van het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand
                                    juli van het daaraan voorafgaande jaar.</al><al>Indien de CBS-indexcijfers 'Nieuwbouwwoningen; outputindex
                                    2000=100' over het tweede kwartaal van het lopend jaar niet
                                    (tijdig) beschikbaar zijn, worden de CBS-cijfers over het eerste
                                    kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van het daaraan
                                    voorafgaande jaar gehanteerd.</al><al>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar
                                    waarin het programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om
                                    een inschatting te maken van het werkelijk prijsniveau in het
                                    jaar van uitvoering van het programma. Dit is noodzakelijk om de
                                    hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma en
                                    het moment van vergoeding vast te stellen.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als
                                    prijsindexcijfer het MEV-cijfer (Macro-economische verkenning)
                                    'bruto investeringen door bedrijven in woningen', zoals
                                    bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en
                                    hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek
                                    geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer 'prijsmutatie van de
                                    netto-materiële overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt op de
                                    derde dinsdag in september.</al><al>DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</al><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke
                                    voorzieningen worden vergoed op basis van normbedragen en welke
                                    voorzieningen worden vergoed op basis van feitelijke kosten.
                                    Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge artikel
                                    4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke
                                    kosten, dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen
                                    aanbestedingsregels te worden voldaan.</al><al>Europese aanbesteding</al><al>Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald
                                    bedrag uitkomt, worden ingevolge het Besluit
                                    overheidsaanbestedingen de richtlijnen van de Europese Unie
                                    (2004/18/EG) toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf de
                                    volgende bedragen:</al><lijst><li nr="·"><al>- 211.000 euro (exclusief BTW) voor leveringen en
                                            diensten;</al></li><li nr="·"><al>- 5.278.000 euro (exclusief BTW) voor werken.</al></li></lijst><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke,
                                    vallen onder de definitie 'werken'. Aankoop van bijvoorbeeld
                                    meubilair of onderwijsleerpakket valt onder 'leveringen'. Bij
                                    aankoop van gebouwen en terreinen is de richtlijn uiteraard niet
                                    van toepassing.</al><al>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag</al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de
                                    richtlijnen, zoals vastgelegd in het Besluit
                                    overheidsaanbestedingen, van toepassing.</al><al>Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de verordening worden
                                    afspraken gemaakt over de wijze van aanbesteding. Als
                                    uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van het vastgestelde
                                    gemeentelijk beleid bepaald wordt op welke wijze een opdracht
                                    wordt aanbesteed, tenzij het college na overleg anders
                                    beslist.</al><al>DEEL C Bepaling medegebruikstarieven</al><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs
                                    alsmede een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
                                    beroepsonderwijs betaalt voor het onderwijsgebruik van een
                                    lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een vergoeding. Deze
                                    vergoeding is gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij meer
                                    dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de
                                    groepsafhankelijke programma's van eisen voor het
                                    basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het
                                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</al><al><vet>Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde
                                        voorzieningen</vet></al><al><vet><cursief>1 Volgorde van
                                    hoofdprioriteiten</cursief></vet></al><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die
                                    voldoen aan de criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid,
                                    onderdelen a, b en c worden ter samenstelling van het programma
                                    en het overzicht gerangschikt in volgorde van prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar
                                    hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op
                                            basis van bijlage III op te heffen;</al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                                            onderhoudsniveau te handhaven i.c. onderhoud van
                                            gebouwen voor primair onderwijs;</al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of
                                            krachtens de wet gestelde verplichtingen bestaande uit
                                            aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding
                                            inhouden;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe
                                            onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                                            aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de
                                            eigentijdse eisen van het onderwijs.</al></li><li nr="5."><al>Overige beleidsthema’s</al></li></lijst><al><cursief>Ad 1</cursief></al><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los
                                    van andere voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen,
                                    medegebruik en het inpandig of deels inpandig creëren van
                                    lesruimten, inclusief (voor zover van toepassing) het daarbij
                                    horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting van de
                                    capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening
                                    bijvoorbeeld door nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot
                                    deze hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van
                                    een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen
                                    slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort
                                    aan capaciteit op te heffen.</al><al><cursief>Ad 2</cursief></al><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging
                                    van een ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen,
                                    onderhoud in het primair onderwijs, herstel van
                                    constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een
                                    oliegestookte verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs
                                    vormen de tweede hoofdprioriteit.</al><al><cursief>Ad 3</cursief></al><al>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met
                                    uitzondering van het (deels) inpandig creëren van lesruimten en
                                    vervanging van een oliegestookte verwarming vallen onder
                                    hoofdprioriteit 3.</al><al><cursief>Ad 4</cursief></al><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van
                                    nieuwe onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast
                                    vallen hieronder de activiteiten van aanpassingen van meer
                                    algemene aard en herstel of vervanging van schade in bijzondere
                                    omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al><al>Ad 5</al><al>Overige relevante beleidsthema hebben een raakvlak met het
                                    Integraal Huisvestings Plan (IHP) 2010-2020. Deze thema’s zijn
                                    relevant en worden gestimuleerd vanuit de gemeente Lochem, maar
                                    hebben niet de eerste prioriteit in het kader van het IHP of
                                    vallen niet direct onder de verantwoordelijkheid van het
                                    onderwijs.</al><al><vet><cursief>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                                            subprioriteiten</cursief></vet></al><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de
                                    subprioriteit de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor
                                    enige hoofdprioriteiten, namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en
                                    4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie die een
                                    ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op
                                    het programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten
                                    steeds per voorziening opnieuw toegepast.</al><al>Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen,
                                    vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten.</al><al>Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en
                                    overige nevenruimten binnen het gebouw.</al><al>Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen,
                                    fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein.</al><al><vet><cursief>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om
                                            capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III
                                            op te heffen' komt voor plaatsing op het programma in
                                            aanmerking:</cursief></vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo
                                            groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een
                                            situatie met herschikking van schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo
                                            groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een
                                            situatie zonder herschikking van schoolgebouwen en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo
                                            groot mogelijk kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten
                                            opheft.</al></li></lijst><al>Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een
                                    adequaat onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op
                                    het programma in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij
                                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel
                                            7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt
                                            toegekend;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een
                                            theorielokaal/leslokaal waarbij volgens het bouwkundige
                                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een
                                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens
                                            het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid
                                            2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt
                                            toegekend;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte
                                            waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in
                                            artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit
                                            wordt toegekend;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte
                                            waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in
                                            artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit
                                            wordt toegekend.</al></li></lijst><al><vet><cursief>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen
                                            noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                                            gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor
                                            zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt
                                            voor plaatsing op het programma in
                                        aanmerking:</cursief></vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet
                                            voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de
                                            bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld
                                            in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een
                                            theorielokaal/leslokaal dat niet voldoet aan de wet- en
                                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens
                                            het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                                            de minste is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een
                                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte dat niet voldoet
                                            aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7,
                                            lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die
                                            niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de
                                            bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld
                                            in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al></li><li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die
                                            niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de
                                            bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld
                                            in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al></li></lijst><al>Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als
                                    gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste
                                    bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de
                                    eigentijdse eisen van het onderwijs' komt voor plaatsing op het
                                    programma in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van
                                            onderwijskundige vernieuwingen aan een gebouw dat
                                            aangepast wordt waarbij het aantal groepen leerlingen
                                            het hoogst is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen
                                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe
                                            onderwijskundige beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor
                                            vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten waarbij het
                                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe
                                            onderwijskundige beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als
                                            lesruimte in gebruik wordt genomen waarbij het
                                            percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig
                                            beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in
                                            bijzondere omstandigheden, waarbij de ernst van de
                                            schade het hoogst is; en</al></li><li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen
                                            van meer algemene aard, waarbij de ouderdom van het
                                            niet-aangepaste gebouw het hoogst is.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></bijlage></regeling></body></cvdr>