<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR71068_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening Bloemendaal 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-10-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Kennemerland-Zuid d.d. 30 september 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening Bloemendaal 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 38</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010017335</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening Bloemendaal 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Bloemendaal;gelezen het voorstel van burgemeester en
            wethouders van 18 mei 2010;b e s l u i t:vast te stellen de volgende
                <vet>Erfgoedverordening Bloemendaal 2010</vet></al><al/><al>Erfgoedverordening Bloemendaal 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven
                                    in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde
                                    registers;</al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van art.15, lid 1 Monumentenwet
                                    1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of
                                    uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de verordening en het monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden:
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van
                                    geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid
                                    van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="f."><al>Archeologische Monumentenkaart: landelijke topografische kaart
                                    waarop voor het gehele Nederlandse grondgebied archeologische
                                    monumenten en archeologische gebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="g."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, waarvan
                                    is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of
                                    sporen te verwachten zijn;</al></li><li nr="h."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="i."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="j."><al>(zeer) lage verwachtingswaarde: (zeer) kleine kans op
                                    archeologische vondsten of informatie;</al></li><li nr="k."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder het voorgenomen archeologisch onderzoek zal
                                    vormgeven. In het geval het plan van aanpak volgt op een
                                    programma van eisen, dienen in het plan van aanpak de vragen
                                    zoals omschreven in het programma van eisen beantwoord te
                                    worden;</al></li><li nr="l."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="m."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="n."><al>college: burgemeester en wethouders van Bloemendaal;</al></li><li nr="o."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="p."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert het
                                overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie
                                Noord-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 4 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 4 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 8 weken na de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de monumentencommissie niet binnen de termijn van 4 weken tot
                                een advies komt, wordt de monumentencommissie geacht positief te
                                adviseren over de aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing van een gemeentelijk monument
                                intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een verzoek tot intrekking van de aanwijzing kan het college
                                (uitvoerige) documentatie eisen van het gebouw en/of terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikelen 4, 5, 6 en 7 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan artikel
                                2 van de monumentenverordening van de provincie Noord-Holland.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>VERGUNNING TOT WIJZIGING, AFBRAAK OF VERWIJDERING VAN GEMEENTELIJKE
                            MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.
                                Voordat volgens deze nadere regels tot uitvoering wordt overgegaan
                                dient hiervan melding te worden gemaakt bij de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een
                                monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld
                                in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en
                                voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen
                                van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden moet worden ingediend bij het bevoegd gezag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 4 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                                de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de monumentencommissie niet binnen de termijn van 4 weken tot
                                een advies komt, wordt de monumentencommissie geacht positief te
                                adviseren over de aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMDE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 Monumentenwet
                                1988 moet worden ingediend bij het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld
                                in artikel 1, onder g, de bodem dieper dan 40 cm onder de
                                oppervlakte te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch monument of
                                        archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de
                                        provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke
                                        Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, en waarbij die
                                        verstoring plaatsvindt:</al><lijst><li nr="·"><al>in een gebied met lage archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 2.500m2, of;</al></li><li nr="·"><al>in een gebied met een middelhoge archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 1000 m2, of;</al></li><li nr="·"><al>in een gebied met hoge archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 100 m2;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                                        eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument of archeologisch
                                        verwachtingsgebied als aangegeven op landelijke
                                        Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve
                                        Kaart van Archeologische Waarden;</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde
                                        van het te verstoren terrein naar het oordeel van het
                                        bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                        blijkt dat:</al><lijst><li nr="·"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li><li nr="·"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                                onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="·"><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                                zijn.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Bloemendaal onderzoek
                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                                van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988:</al><lijst><li nr="a."><al>kan, onverminderd de overige bepalingen van deze wet, het
                                        college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld
                                        in artikel 1 onder m, waarbij nadere regels worden gesteld
                                        ten aanzien van het onderzoek;</al></li><li nr="b."><al>dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet de
                                        verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoeld in artikel 1 onder l van deze verordening
                                        ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de nadere regels kan het college bepalingen opnemen met
                                betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan
                                van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het
                                college in acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag
                                advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Monumentenwet
                                1988.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden om in strijd met de nadere regels als bedoeld in lid
                                1 onder a en/of in strijd met de aanwijzingen als bedoeld in lid 2
                                te handelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder e, en
                            artikel 17, eerste lid, onder b.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 16, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede
                                    volzin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met de nadere regels als bedoeld in lid 3
                            van artikel 10, artikel 16, met uitzondering van het bepaalde in lid 2,
                            onder e, en in lid 1 onder a en lid 2 van artikel 17 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen
                            personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFSTUK</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Erfgoedverordening Bloemendaal 2009, zoals vastgesteld op 17 december
                            2009, wordt ingetrokken op de datum dat deze verordening in werking
                            treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken Erfgoedverordening
                                Bloemendaal 2009 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke
                                monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn
                                overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 22 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening Bloemendaal
                            2010</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Bloemendaal,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 1 juli 2010.</ondertekening><ondertekening>R.Th.M. Nederveen , voorzitter</ondertekening><ondertekening>K.A. van der Pas , griffier</ondertekening><ondertekening>Gepubliceerd in het Weekblad Kennemerland-Zuid d.d. 30 september
                       2010.</ondertekening><ondertekening>In werking: 1 oktober 2010.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al><vet>Nota van Toelichting</vet></al><al/><al>A. ALGEMENE TOELICHTING </al><al>De Erfgoedregeling Bloemendaal 2009 was het resultaat van de harmonisatie van
                    beleid tussen de voormalige gemeenten Bloemendaal en Bennebroek. Met deze
                    verordening was tevens voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de
                    Monumentenwet 1988 (in werking getreden op 1 januari 2009; als vervolg op de Wet
                    op de archeologische monumentenzorg van september 2007 en tot stand gekomen op
                    grond het Verdrag van Malta) en is mede gehoor gegeven aan de feitelijke
                    samenhang tussen monumenten en archeologie. De huidige wijziging van de
                    Erfgoedverordening houdt verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit
                    omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Mor). </al><al/><al><vet>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</vet></al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn: </al><lijst><li nr=""><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr=""><al>de aanlegvergunning;</al></li><li nr=""><al>de sloopvergunning;</al></li><li nr=""><al>de monumentenvergunning;</al></li><li nr=""><al>de milieuvergunning;</al></li><li nr=""><al>de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel. </al><al/><al><vet>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</vet></al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment in 2010 één
                    omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft
                    aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking
                    heeft. Voor de erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in
                    één verzoek worden aangevraagd. </al><al/><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                    doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. </al><al/><al><vet>Bevoegd gezag</vet></al><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                    minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als
                    het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van
                    de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie zijn bevoegd gezag indien het gaat
                    om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I
                    van het Bor omschreven. </al><al/><al/><al/><al><vet>Toestemmingsstelsels </vet></al><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                    verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                    gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                    zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                    optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                    toetsingskaders wegen alle even zwaar. </al><al/><al><vet>De procedure</vet></al><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en
                    de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze
                    beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure van de Awb. </al><al/><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt
                    door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De
                    aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                    deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                    omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het
                    project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale
                    project. Ook wel genoemd de “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium van de
                        <cursief>onlosmakelijkheid </cursief>is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van
                    onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde
                    handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet
                    worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van
                    de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij
                    vormen één en dezelfde handeling die binnen twee of meer
                    activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                    activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de handeling
                    op te knippen in deelvergunningen. </al><al/><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                    deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld
                    behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp
                    gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden wat door
                    verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het
                    bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de
                    werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning
                    ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen
                    worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een
                    afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat. </al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                    omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                    gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of
                    één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                    oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een
                    gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                    volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                    mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                    volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de
                    noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door
                    aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                    de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                    indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking
                    is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige
                    activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria
                    van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden
                    ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een
                    aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                    treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op
                    grond van de Awb open. </al><al/><al><vet>De Wabo en de Erfgoedverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning integreert volledig in de omgevingsvergunning, omdat het
                    om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo
                    bepaald dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een
                    verordening aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in
                    enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op
                    een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een extra
                    overweging voor het volledig integreren van de monumentenvergunning in de
                    omgevingsvergunning is dat de verlening van de monumentenvergunning in de
                    praktijk vaak samenliep met de verlening van de bouwvergunning of de
                    aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de instandhoudingsvergunning van
                    archeologische terreinen op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken
                    bij de omgevingsvergunning (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke
                    bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’<extref doc="#_ftn1">[1]</extref> zijn,
                    kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische
                    waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek project. </al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. </al><al/><al>Net als in de vorige verordening zijn ook in deze verordening geen bepalingen
                    opgenomen met betrekking tot de gemeentelijke beschermde stads- en
                    dorpsgezichten. </al><al/><al>In het navolgende deel van de Nota van Toelichting wordt voor elk artikel van de
                    Erfgoedverordening een toelichting gegeven. </al><al/><al><vet>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet> HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN Artikel 1.
                    Begripsbepalingen </al><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is (met uitzondering
                    van de 50-jaar grens – zie hieronder) aansluiting gezocht bij de omschrijving
                    van een monument in de Monumentenwet 1988 (in werking getreden op 1 januari
                    2009). De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting bij
                    die wet de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime
                    omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en terreinen met een
                    geschiedkundige en of bouwhistorische waarde. </al><al/><al>Onder het begrip ‘zaak’ worden alleen onroerende zaken verstaan. Roerende
                    monumenten kunnen meestal eenvoudig worden verplaatst en daardoor ongemerkt over
                    de gemeentegrens en buiten de werking van de verordening worden gebracht. Het
                    effectueren van de bescherming van roerende monumenten vormt dus een probleem,
                    Zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de
                    beschermde status krijgen, op basis van de redengevende omschrijving. </al><al/><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt teneinde over een gemeentelijk
                    monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip. Zo kan
                    het ook de inrichting volgens een specifiek landschapsplan betreffen of een
                    bomengroep. In de redengevende omschrijving zal daarbij wel specifiek dienen te
                    worden ingegaan op de begrenzing of omvang van de ‘zaak’ en zullen daarbij
                    horende specifieke (onroerende) elementen waar mogelijk benoemd dienen te
                    worden. </al><al/><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, reeds op
                    de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. </al><al/><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg (d.w.z. het is geen besluit dat openstaat voor bezwaar). Het
                    betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op
                    de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt.
                    Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te
                    trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel
                        7<cursief>.</cursief></al><al/><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo De Wabo zelf verwijst weer naar de Monumentenwet
                    1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend monument die
                    is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op
                    de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van
                    toepassing. </al><al/><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Sinds de komst vande Wet dualisering in 2002 kan elk bevoegd orgaan in
                    de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies instellen. De
                    monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college. Normaal
                    gesproken zou het dan ook het college zelf zijn, die deze commissie instelt op
                    grond van artikel 84 Gemeentewet. In de monumentenverordening wordt echter door
                    de raad bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het
                    college. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet. In artikel 15 van deze wet is
                    bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie
                    moet regelen die adviseert aan het college over aanvragen van vergunningen als
                    bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet. De wetgever geeft hier dus aan dat
                    het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen
                    van een commissie. Het instellen van de monumentencommissie door het college
                    moet via een apart collegebesluit. </al><al/><al>De monumentencommissie (de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit voor de
                    gemeente Bloemendaal) van de Stichting Welstandszorg Noord-Holland (WZNH) is
                    door de gemeente Bloemendaal ingesteld als monumentencommissie. </al><al/><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    Erfgoedverordening, de Monumentenwet en de Wabo. Door de monumentencommissie in
                    deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de Wabo te
                    adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel
                    15 van de Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente niet over een monumentenbeleid
                    beschikken, dan moet dit niet in de bepaling opgenomen worden. Overigens kan de
                    monumentencommissie worden gecombineerd met een welstandscommissie. </al><al/><al><cursief>Sub m</cursief></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak
                    afspeelt het bevoegd gezag zijn. Voor een verdere toelichting wordt verwezen
                    naar de algemene toelichting behorend bij deze verordening. </al><al/><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</vet></al><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten. </al><al/><al><vet>Artikel 2. Het gebruik van een monument</vet></al><al>Het betreft hier met name de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker
                    zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie
                    en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf. In toelichting bij artikel 1 is al kort aangegeven dat het gemeentelijk
                    kerkelijke monument niet als ‘specialis’ in deze Erfgoedverordening is
                    opgenomen. Het specifieke gebruik in het geval van kerkgenootschappen, namelijk
                    de erediensten, kan daarmee op grond van deze bepaling worden gewaarborgd, zodat
                    ook in die zin geen afzonderlijke regeling voor gemeentelijke kerkelijke
                    monumenten noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling. </al><al/><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument. </al><al/><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid)
                    of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden
                    gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij
                    wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Om deze,
                    weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing
                    in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet
                    van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en
                    voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                    onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. De gemeente Bloemendaal beschikt hiervoor
                    over een Reglement van Orde op de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit
                    waarin de taak en werkwijze van de monumentencommissie is bepaald. </al><al/><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen. </al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking. </al><al/><al><vet>Artikel 4. Voorbescherming</vet></al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten,
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag
                    worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning
                    voor monumenten of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik
                    van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motiveringsplicht,
                    aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn
                    verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten te
                    worden opgeschort. </al><al/><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. De redactie van lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de
                    monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan
                    maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat
                    uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te
                    betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake
                    van een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de
                    mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel
                    besluit open zou staan. Het derde lid is toegevoegd analoog aan de
                    Bouwverordening (Regelement van Orde Welstandscommissie). </al><al/><al>Het artikel bevat geen bepalingen over de voorbereiding en de bekendmaking van
                    het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt (respectievelijk afdeling 3.4 en
                    afdeling 3.6). Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit </al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening. </al><al/><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien het artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde
                    en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen. Artikel 7. Registratie op
                    de gemeentelijke monumentenlijst </al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing). Artikel 8. Wijziging van de
                    aanwijzing </al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4). Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing </al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1 en 2). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van
                    de monumentencommissie nodig. </al><al/><al>De aanwijzing als gemeentelijk monument kan worden ingetrokken. Redenen hiervoor
                    kunnen zijn: </al><lijst><li nr=""><al>als het is gesloopt;</al></li><li nr=""><al>als het zodanig in verval is geraakt, dat er geen monumentale waarden
                            meer zijn te beschermen;</al></li><li nr=""><al>als er in bouwtechnische, economische of functionele zin geen positief
                            behoudsperspectief meer is.</al></li></lijst><al/><al>Naast de registratie regelt lid 4 dat monumenten niet dubbel aangewezen en
                    geregistreerd kunnen zijn in het geval dat het object ook als rijks- of
                    provinciaal monument is aangewezen en geregistreerd. In dat geval vervalt de
                    gemeentelijke aanwijzing en registratie als monument. </al><al/><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd. HOOFDSTUK
                    3. VERGUNNING TOT WIJZIGING, AFBRAAK OF VERWIJDERING VAN GEMEENTELIJKE
                    MONUMENTEN Artikel 10. Instandhoudingbepaling </al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen over
                    gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor
                    gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier. </al><al/><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor
                    de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningsvereisten af te wijken. </al><al/><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet
                    alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van
                    nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het
                    bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan
                    gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het
                    reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers
                    niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot
                    kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met
                    een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die
                    situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen. </al><al/><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst. Is
                    er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen de
                    eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de
                    wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat
                    betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling
                    dan ook niet geldt. Artikel 11. De schriftelijke aanvraag </al><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden. Artikel 12. Termijnen advies en
                    vergunningverlening </al><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                    opzichte van de oude Erfgoedverordening. Echter indien er meerdere activiteiten
                    voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten
                    de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolgd
                    moet worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één
                    procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedures geldt de
                    zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure). Indien een
                    vergunning wordt gevraagd voor (gedeeltelijke) afbraak in samenhang met een
                    activiteit waarvoor de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van
                    de Wabo gevolgd moet worden dan is die uitgebreide procedure ook van toepassing
                    op de (gedeeltelijke) afbraak van het monument. </al><al/><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om
                    deze hieronder nader toe te lichten. </al><al/><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de
                    Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. De reguliere
                    voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel 4.1 van de
                    Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging van het
                    indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat het de
                    aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat het bevoegd gezag
                    is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de beschikbare
                    rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd vermeldt het
                    bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven, indien niet
                    tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en bescheiden
                    onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de
                    aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan
                    te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de
                    ontvangstdatum kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op
                    een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo
                    binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het
                    bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in
                    te brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al/><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke)
                    monumentencommissie. </al><al/><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de
                    adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is
                    echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil
                    maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in de
                    weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het
                    bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn
                    van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes
                    weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier
                    mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van
                    6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                    uitbrengen van een advies. </al><al/><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de
                    beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het
                    advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de
                    evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist. </al><al/><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. </al><al/><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist. </al><al/><al>De vorige verordening maakte onderscheid tussen monumentenvergunningen voor
                    instandhouding van het monument en vergunningen die leiden tot afbraak en
                    gedeeltelijke afbraak. De laatste vergunning werden geacht te zijn verleend op
                    het moment dat op de aanvraag niet tijdig was beslist en bij afbraak gold dat de
                    vergunning werd geacht te zijn geweigerd om onomkeerbare stappen te voorkomen.
                    Dit onderscheid is op grond van de Wabo niet meer mogelijk. Gelet hierop is de
                    adviestermijn in de verordening vastgesteld op vier weken. Het moet mogelijk
                    zijn om dan binnen de vastgestelde termijn van acht weken te beslissen (met een
                    mogelijke verlenging van ten hoogste zes weken). Indien naast de (gedeeltelijke)
                    afbraak van het monument activiteiten plaatsvinden die wel met een uitgebreide
                    procedure vergund moeten worden is op de monumentenvergunning ook de uitgebreide
                    procedure van toepassing. Artikel 13. Weigeringsgronden </al><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg. Artikel 14. Intrekken van de vergunning </al><al>Dit artikel bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het college
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken. HOOFDSTUK 4. BESCHERMDE
                    MONUMENTEN Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument </al><al><cursief>Lid 1 en 2</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                    Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin
                    verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                    bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden.
                    Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                    voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten
                    plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide
                    omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de adviestermijn
                    voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de komst van de Wabo wordt
                    de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de termijn van terinzagelegging
                    kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen konden alleen belanghebbenden
                    zienswijzen indienen. </al><al/><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook het
                    college van Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor)
                    na verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet
                    binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het
                    definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden
                    ingesteld. </al><al/><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                    vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                    advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband
                    met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is
                    van reconstructie, sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de
                    adviesplicht van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het
                    advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                    monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is.
                    Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij
                    afwezigheid van een monumentencommissie in diens advisering trad, is
                    ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het
                    college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden.
                    GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan
                    niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is
                    gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet
                    adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden gehaald. </al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5 INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</vet> Artikel 16.
                    Instandhoudingbepaling </al><al>De Monumentenwet 1988 (in werking getreden op 1 januari 2009) verplicht de raad
                    om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als
                    bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke
                    ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten
                    monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van
                    Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het
                    bestemmingsplan wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de bodem
                    kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een overgangsperiode
                    tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is. </al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid van artikel 16 biedt bescherming door het opgenomen verbod om
                    dieper dan 40 cm de bodem te verstoren in een archeologisch verwachtingsgebied.
                    De minimale diepte van 40 cm is opgenomen omdat er over het algemeen van mag
                    worden uitgegaan dat de bovenste laag van de bodem door de jaren heen al
                    dusdanig verstoord is, dat de kans op aanwezigheid van archeologische waarden
                    zeer klein is. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 16 wordt een vijftal uitzonderingsmogelijkheden
                    gegeven op het eerste lid. Met betrekking tot onderdeel a geldt dat op de
                    archeologische waardekaart een driedeling wordt gehanteerd wat betreft de mate
                    waarin archeologische waarden in de bodem kunnen worden aangetroffen. Deze
                    archeologische verwachtingswaarden zijn vervolgens gekoppeld aan een aantal m2
                    te verstoren verwachtingsgebied. Hoe lager de verwachte archeologische waarden,
                    hoe groter het aantal m2 kan zijn waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden.
                    Bij een hoge verwachtingswaarde zal het aantal m2 waarbinnen een verstoring mag
                    plaatsvinden echter aanzienlijk kleiner zijn. Bij de bepaling van deze grenzen
                    is rekening gehouden met de vraag wat er binnen het verwachtingsgebied aan
                    archeologische sporen kan worden aangetroffen. De gehanteerde oppervlakte is
                    dusdanig dat voldoende informatie verkregen kan worden over de aard, het
                    karakter en de datering van de (mogelijk) in de bodem aan te treffen
                    archeologische sporen. </al><al/><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingplan voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te
                    verwachten archeologische waarden. Initiatieven voor verstoring zullen alleen
                    mogelijk zijn in het geval wordt voldaan aan de aan het bestemmingsplan
                    gekoppelde bepalingen gericht op de bescherming van archeologische waarden. </al><al/><al>In onderdeel c wordt een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de Wet
                    ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het gaat hier
                    om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de oude tijdelijke
                    ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen de artikelen 3.10, 3.22
                    en 3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te vervallen.
                    Dergelijke besluiten kunnen tot stand komen doordat bij de aanvraag
                    voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot archeologische waarden
                    in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde
                    worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin de archeologische
                    waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Een
                    dergelijke uitzondering wordt feitelijk ook in onderdeel e gegeven, maar ziet
                    dan ook op situaties buiten de aanvraag van een ontheffing. Dit rapport kan ook
                    in de nadere regels onder d. worden gevraagd en komt overeen met de mogelijkheid
                    in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988 (in werking getreden op 1
                    januari 2009) in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van
                    Malta. </al><al/><al>Op grond van onderdeel d dit artikel kan het college nadere regels stellen wat
                    betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een
                    archeologische monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een
                    ´Malta-proof’ bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten
                    op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf
                    is opgenomen) de verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een
                    aanlegvergunning, waarin vereisten omtrent de bescherming van archeologische
                    waarden zijn opgenomen, een en ander conform de handreiking van de VNG ‘Verder
                    met Valletta’. </al><al/><al>Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c. Het
                    gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van
                    het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om deze bepaling dan
                    ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 18 zijn de bepalingen
                    uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van
                    het rapport door het bevoegd gezag. </al><al/><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt overeen
                    met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988 in geval van
                    een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta. Artikel 17.
                    Opgravingen en begeleiding </al><al>Bij opgravingen is in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend
                    geregeld. Zo bestaat een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen, dient
                    een rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn
                    terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht en is ook de eigendomskwestie
                    van de archeologische vondsten uitputtend geregeld. </al><al/><al>Om de regierol goed te kunnen uitoefenen, wordt met dit artikel aan het college
                    de mogelijkheid gegeven een programma van eisen op te stellen waarmee de kaders
                    worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek
                    (lid 1, onder a). </al><al/><al>Van de opgraver wordt verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij
                    het voorgenomen archeologisch onderzoek zal uitvoeren en in het geval het plan
                    van aanpak volgt op een programma van eisen, zal de opgraver in het plan van
                    aanpak specifiek aan dienen te geven hoe hij de gestelde kaders zoals omschreven
                    in het programma van eisen denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op grond van
                    de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking
                    tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het
                    plan van aanpak. Artikel 18. Procedure </al><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 16, tweede lid, onder e en
                    artikel 17, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel en de
                    uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van toepassing
                    verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11, 12, 13 en 14, welke zien op de
                    verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, kunnen
                    derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Voor de toelichting
                    wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij deze artikelen. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6. OVERIGE BEPALINGEN</vet> Artikel 19. Tegemoetkoming in schade </al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                    rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                    toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle
                    genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat
                    ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is gekozen voor een
                    schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond
                    waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende
                    dient toe te kennen. </al><al/><al>Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige erfgoedverordening
                    geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de
                    tegemoetkoming. De procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro
                    kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een
                    inschatting te maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze
                    procedure Artikel 20. Strafbepaling </al><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid, artikel 16, met uitzondering van het tweede lid, onder e, en artikel 17,
                    eerste lid onder a en het tweede lid. De strafbaarstelling van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet
                    economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of
                    in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict. </al><al/><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid aan de raad om
                    op overtreding van verordeningen een straf te stellen, maar geen andere of
                    zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                    categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In
                    artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën
                    opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is
                    maximaal € 370,- (sinds januari 2008); in de tweede categorie maximaal € 3700,-
                    (sinds januari 2008). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete
                    op te nemen dan in genoemde categorieën. In de Monumentenwet 1988 is handelen in
                    strijd met artikel 11 (het verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen
                    of af te breken) gekoppeld aan een geldboete van de vijfde categorie € 74.000,-
                    (sinds januari 2008). </al><al/><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te
                    bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis
                    van drie maanden voor de hand liggend. Artikel 21. Toezichthouders </al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. </al><al/><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde
                    personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de
                    Erfgoedverordening kan plaatsvinden. </al><al/><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien. </al><al/><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN</vet> Artikel 22. intrekken oude regeling </al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude Erfgoedverordening, zodat niet twee
                    verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk
                    intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten met een
                    beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door
                    een latere regeling. Artikel 23. Overgangsrecht </al><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 10). </al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                    afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode
                    zullen er dus twee procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de
                    Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden zet de Wabo de
                    bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere
                    regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege onverbindend.
                    Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de bepalingen uit de
                    Wabo. Artikel 24. Citeertitel </al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al><al><extref doc="#_ftnref1">[1]</extref> In 1992 is door Nederland het 'verdrag van
                    Valetta' ondertekend, in de volksmond ook wel 'verdrag van Malta' genoemd. In
                    dit verdrag spraken de Europese Staten af om beter rekening te houden met
                    archeologisch erfgoed in de bodem. Een groot gedeelte van het zogenaamde
                    bodemarchief is na de Tweede Wereldoorlog al vernietigd, zonder te zijn
                    gedocumenteerd. Het verdrag van Malta is wettelijk vertaald met een ingrijpende
                    wijziging in de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten, zoals de
                    Ontgrondingenwet en de Woningwet. Hierin wordt de verantwoordelijkheid voor een
                    goede omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden bij de gemeenten
                    gelegd. De bescherming van die waarden dient te worden meegenomen in de
                    ruimtelijke ordening, dat wil zeggen de bestemmingsplannen. Elk bestemmingsplan
                    dient vanaf 1 september 2007 daarom een paragraaf archeologie te bevatten,
                    waarin wordt aangegeven welke archeologische waarden in het plan aanwezig, dan
                    wel te verwachten zijn. Daarnaast dient het bestemmingsplan voorschriften te
                    bevatten om eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen. Die
                    voorschriften kunnen in enkele op archeologische gronden geselecteerde gebieden
                    aan bouw- en aanlegvergunningen worden gehangen. Daarmee wordt de aanvrager van
                    een dergelijke vergunning verantwoordelijk voor behoud van archeologisch
                    erfgoed. De Monumentenwet 1988, de erfgoedverordening van de gemeente en dit
                    bestemmingsplan beschrijven vervolgens de procedure. Om een bestemmingsplan
                    'Malta-proof' te maken is het noodzakelijk dus dat een bouw- en
                    aanlegvergunningstelsel wordt opgenomen voor de gebieden waar archeologische
                    waarden verwacht worden. </al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>