<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR70436_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen normen Wet investeren in jongeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wassenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wassenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Wassenaarse Krant, 5 oktober 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordeningen toeslagen en verlagingen normen Wij gemeente Wassenaar</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, artikel 12, eerste lid, onderdeel e</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, artikel 34</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuw</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10064</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening toeslagen en verlagingen normen Wet investeren in jongeren
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Wassenaar;</al>
          <al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 17
                        augustus 2010</al>
          <al>Gelet op artikel 12, eerste lid, onderdeel e, en artikel 34 van de Wet
                        investeren in jongeren;</al>
          <al>Raadsvoorstel no. 10064;</al>
          <al>
            <onderstreept>Besluit:</onderstreept>
          </al>
          <al>Vast te stellen de volgende verordening:</al>
          <al>
            <vet>Verordening toeslagen en verlagingen normen Wet investeren in
                            jongeren</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li>
              <li nr="b."><al>de wet: de Wet investeren in jongeren;</al></li>
              <li nr="c."><al>gehuwdennorm: de norm als bepaald in artikel 28, eerste lid,
                                    onderdeel d en tweede lid onderdeel d, van de wet;</al></li>
              <li nr="d."><al>woning: een woning als bepaald in artikel 1, onderdeel j, Wet op
                                    de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bepaald
                                    in artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand;</al></li>
              <li nr="e."><al>woonkosten:</al><lijst>
                  <li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs, als bepaald in artikel 1, onderdeel
                                            d, Wet op de huurtoeslag;</al></li>
                  <li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                            per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
            </kop>
            <al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren in de
                            leeftijdscategorie van 21 tot 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden behoren
                            tot de leeftijdscategorie van 21 tot 27 jaar. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Toeslagen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De toeslag genoemd in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt
                                20% van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander
                                zijn hoofdverblijf heeft;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De toeslag genoemd in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt
                                10% van de gehuwdennorm voor de jongere die met een ander zijn
                                hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De toeslag genoemd in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 5%
                                van de gehuwdennorm voor de jongere die huurder of eigenaar is van
                                de woning en bij wie twee of meer anderen hun hoofdverblijf in
                                dezelfde woning hebben. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Criteria voor het verlagen van de norm of toeslag</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Verlaging gehuwden</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De verlaging genoemd in artikel 31 van de wet bedraagt 10% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met een ander hun hoofdverblijf in
                                dezelfde woning hebben;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De verlaging genoemd in artikel 31 van de wet bedraagt 15% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die huurder of eigenaar van de woning
                                zijn en bij wie twee of meer anderen hun hoofdverblijf in dezelfde
                                woning hebben.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Verlaging woonsituatie</titel>
            </kop>
            <al>De verlaging genoemd in artikel 32 van de wet bedraagt 20% van de
                            gehuwdennorm indien de jongere een woning bewoond waaraan geen
                            woonkosten verbonden zijn of indien geen woning wordt aangehouden.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Verlaging schoolverlaters</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De verlaging genoemd in artikel 33 van de wet bedraagt 20% van de
                                gehuwdennorm.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging vastgesteld op de
                                hoogte van de op grond van artikel 3 van deze verordening toegekende
                                toeslag, indien deze toeslag minder bedraagt dan de in het eerste
                                lid genoemde verlaging.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Afwijkende toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De verlaging genoemd in artikel 34 van de wet bedraagt:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>20% van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21 jaar
                                        betreft;</al></li>
                <li nr="b."><al>10% van de gehuwdennorm indien het een jongere van 22 jaar
                                        betreft;</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging vastgesteld op de
                                hoogte van de op grond van artikel 3 van deze verordening toegekende
                                toeslag, indien deze toeslag minder bedraagt dan de in het eerste
                                lid genoemde verlaging;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van
                                een jongere die valt onder de bepalingen van artikel 6 van deze
                                verordening. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt
                            terug tot en met 1 oktober 2009.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening toeslagen en
                            verlagingen normen Wij gemeente Wassenaar”.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 september
                        2010.</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting op de Verordening toeslagen en verlagingen normen Wet
                        investeren in jongeren</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie van jongeren tot 27
                    jaar te bevorderen. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een zogenaamd
                    werkleeraanbod vastgelegd. Dit werkleeraanbod berust op het uitgangspunt dat
                    jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    bestaanskosten kunnen voorzien. </al>
        <al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren. Daartoe moeten gemeenten jongeren een werkleeraanbod doen. Het recht
                    op een inkomensvoorziening komt de jongere alleen toe als er een (geaccepteerd)
                    werkleeraanbod gedaan is wat geen of onvoldoende inkomsten genereert, er nog
                    geen werkleeraanbod gedaan is of als een werkleeraanbod vanwege in de persoon
                    van de jongere gelegen of niet verwijtbare omstandigheden (tijdelijk) geen optie
                    is. </al>
        <al>De inkomensvoorziening volgt in grote lijnen de Wet werk en bijstand (WWB) voor
                    wat betreft de voorwaarden die aan het recht zijn verbonden en de normering die
                    geldt voor de hoogte van deze voorziening. Evenals in de WWB bestaat de
                    inkomensvoorziening uit een door het Rijk bepaald deel (de norm) die binnen
                    bepaalde grenzen verhoogd en verlaagd kan worden op grond van gemeentelijk
                    beleid. Dit gemeentelijk beleid moet door de gemeenteraad in een verordening
                    worden vastgelegd.</al>
        <al>Essentieel verschil tussen de WWB en de WIJ vormt de zogeheten
                    “paradigmawisseling”. Van recht op algemene bijstand, met als afgeleide de
                    plicht tot arbeidsparticipatie (een uitkering, mits) naar recht op een
                    werkleeraanbod, met als afgeleide en voor zover nodig een (aanvullende)
                    inkomensvoorziening (geen uitkering, tenzij).</al>
        <tussenkop>Normen, toeslagen en verlagingen</tussenkop>
        <al>De normensystematiek van de WIJ is identiek aan die van de WWB. Zo wordt
                    onderscheid gemaakt tussen de normen die gelden voor jongmeerderjarigen
                    (jongeren van 18 tot 21 jaar) en oudere jongeren (van 21 tot 27 jaar). De normen
                    van de jongmeerderjarigen zijn gebaseerd op de kinderbijslag en kunnen eventueel
                    worden aangevuld met bijzondere bijstand, voor zover de middelen van de ouders
                    niet toereikend zijn dan wel de onderhoudsplicht van de ouders niet te gelde
                    gemaakt kan worden. </al>
        <al>Voor de jongeren van 21 tot 27 jaar bestaan een drietal basisnormen, te
                    weten:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijke minimumloon (gehuwdennorm)</al></li>
          <li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm</al></li>
          <li nr="3."><al>alleenstaande: 50% van de gehuwdennorm</al></li>
        </lijst>
        <al>Voor jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar geldt dat de normen verhoogd
                    en/of verlaagd kunnen worden. Ook hier gelden dezelfde voorwaarden als in de
                    WWB. Zo geldt ook de verplichting om de norm van de alleenstaande en
                    alleenstaande ouder te verhogen met de maximale toeslag van 20% van de
                    gehuwdennorm als de kosten van het bestaan niet met een ander gedeeld kunnen
                    worden.</al>
        <al>Evenzeer kan de norm of de toeslag lager vastgesteld worden als er sprake is van
                    medebewoning, het ontbreken van woonlasten, recente schoolverlating of bij 21 en
                    22 jarige alleenstaanden om de uitkering in de pas te laten lopen met het
                    wettelijk minimumjeugdloon. De twee laatstgenoemde verlagingen mogen niet in
                    combinatie met elkaar toegepast worden. </al>
        <tussenkop>Gehuwden met niet-rechthebbende partner</tussenkop>
        <al>Personen van 27 jaar en ouder komen niet in aanmerking voor de
                    inkomensvoorziening in het kader van de WIJ. De norm is dan gelijk aan die van
                    een alleenstaande of een alleenstaande ouder, eventueel te verhogen met een
                    toeslag. Als de niet-rechthebbende partner een WWB-uitkering ontvangt, is er
                    geen aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dat geld zowel voor degene die de
                    WIJ inkomensvoorziening als voor degene die de bijstandsuitkering ontvangt.
                    Beiden kunnen immers nooit een uitkering ontvangen die samen meer bedraagt dan
                    100% van de norm voor gehuwden. </al>
        <al>Omdat beide partners dan aanspraak hebben op de norm die voor een alleenstaande
                    geldt, betekent dit tegelijkertijd dat een verlaging in verband met medebewoning
                    formeel gezien niet mogelijk is, omdat deze beperkt is tot de gehuwdennorm. In
                    voorkomende gevallen is het wel mogelijk de bijstandsnorm af te stemmen op de
                    situatie van de bijstandsgerechtigde (artikel 18, eerste lid, WWB).</al>
        <al>Die verlaging is dan weer wel mogelijk als de gehuwden ten laste komende
                    kinderen hebben. In die situatie spreekt de WIJ over de gehuwdennorm die bij de
                    leeftijd past. Bij de gehuwdennorm kan wel een verlaging wegens medebewoning
                    worden toegepast. De algemene bijstand die de bijstandsgerechtigde partner
                    ontvangt, moet vervolgens daarop in mindering worden gebracht (artikel 28,
                    vierde lid, WIJ).</al>
        <tussenkop>Zelfstandigen</tussenkop>
        <al>Jongeren met een zelfstandig beroep of bedrijf komen niet in aanmerking voor een
                    werkleeraanbod, en dus ook niet voor de inkomensvoorziening. Zij kunnen een
                    beroep doen op de WWB. Dat geldt voor de voorbereidingskosten, de periodieke
                    bijstand voor levensonderhoud en voor bedrijfskapitaal.</al>
        <tussenkop>Toelichting per artikel</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1</tussenkop>
        <al>Het begrip ‘gehuwdennorm’ is omschreven (in artikel 28, eerste lid sub d en
                    tweede lid sub d WIJ) omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ, inclusief toeslagen
                    en verlagingen, voor 21- tot 27-jarigen daaraan is gerelateerd. De daar genoemde
                    gehuwdennorm is identiek aan de gehuwdennorm in de WWB.</al>
        <al>Het begrip ‘woning’ wordt in de WIJ niet nader omschreven (evenmin als in de
                    WWB). Er mag aangenomen worden dat de omschrijving van de omschrijving van het
                    begrip ‘woning” in de Wet op de huurtoeslag volstaat, te weten: “een gebouwde
                    onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan
                    wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende
                    aanhorigheden”.</al>
        <al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader omschreven, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 van de verordening (verlaging woonsituatie). Het gaat
                    in feite om een oude omschrijving die bestond ten tijde van het Besluit
                    landelijke normering (tot 1996). Bij een eigen woning wordt het aan het college
                    overgelaten om de (hoogte van) de onderhoudskosten vast te stellen.</al>
        <al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn
                    omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. </al>
        <tussenkop>Artikel 2</tussenkop>
        <al>In deze verordening wordt meerdere malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel
                    2 van de WIJ omschrijft dit begrip: “een hier te lande woonachtige Nederlander
                    (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) van 16 jaar of ouder doch jonger dan 27
                    jaar. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter
                    verstaan de jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder doch jonger dan 27
                    jaar. Jongeren tot 18 jaar hebben geen recht op de inkomensvoorziening. De
                    ouders kunnen een beroep doen op de kinderbijslag. Jongeren in de leeftijd van
                    18 tot 21 jaar hebben wel recht op een inkomensvoorziening, maar niet op een
                    toeslag. Als zij geconfronteerd worden met hogere algemene noodzakelijke kosten
                    van het bestaan dan waarin de norm voorziet kunnen zij een beroep doen op de
                    bijzondere bijstand, voor zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn
                    dan wel de onderhoudsplicht van de ouders niet te gelde gemaakt kan worden. </al>
        <tussenkop>Artikel 3</tussenkop>
        <al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, van de WIJ is de gemeenteraad
                    verplicht om te bepalen dat de toeslag 20% van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft. Dit is vastgelegd in het eerste lid. De mogelijkheid de
                    norm of toeslag te verlagen blijft wel op andere gronden aanwezig. Er wordt dan
                    eerst een toeslag toegekend, die vervolgens wordt verlaagd bijvoorbeeld op grond
                    van leeftijd of recente beëindiging van gevolg onderwijs.</al>
        <al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (zoals huur en
                    energiekosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding
                    (artikel 3, derde en vierde lid, van de WIJ) moet er van worden uitgegaan dat
                    niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats.</al>
        <al>Er is gekozen voor de zogeheten forfaitaire variant voor het vaststellen van de
                    hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke bestaankosten
                    en de mate waarin deze in concreto gedeeld kunnen worden bepalend zijn voor de
                    hoogte van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het delen van kosten
                    mogelijk is. In de jurisprudentie van de WWB is de forfaitaire variant algemeen
                    aanvaard (zie bijvoorbeeld uitspraak Centraal Raad van Beroep d.d. 10 juli 2008,
                    LJN: BD3700). </al>
        <al>In de toeslagenverordening is gekozen voor een toeslag van 10% van de
                    gehuwdennorm in het geval een ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.
                    Wellicht ten overvloede dient nog opgemerkt te worden dat dit artikel ook van
                    toepassing is voor bloedverwanten in de eerste graad.</al>
        <al>In het derde lid zijn twee zaken van belang. Ten eerste moet degene die in
                    aanmerking komt voor de toeslag huurder of eigenaar zijn van de woning en ten
                    tweede moeten er minimaal nog twee andere personen op dat adres hun
                    hoofdverblijf hebben. Het gaat hier om personen die in principe zelfstandig een
                    beroep zouden kunnen doen op bijstand en dus niet om bijvoorbeeld gehuwden of
                    een moeder met een kind jonger dan 18 jaar. Genoemde voorbeelden worden geteld
                    als één persoon en de toeslag bedraagt, mits er geen andere personen naast de
                    huurder of eigenaar op het adres woonachtig zijn, 10% van de gehuwdennorm.</al>
        <al>In het derde lid is bepaald dat de toeslag 5% bedraagt voor de huurder of
                    eigenaar in wiens woning twee of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. Hieraan
                    ligt de gedachte ten grondslag dat de bestaanskosten (bij de aanwezigheid van
                    meer dan één medebewoner) verder gedeeld kunnen worden en dit vertaald zich in
                    een lagere toeslag. Dit geldt overigens alleen voor de degene die huurder of
                    eigenaar is van de woning en dus niet voor de onderhuurder. Die heeft in
                    overeenstemming met het tweede lid recht op een toeslag van 10% van de
                    gehuwdennorm.</al>
        <al>Volledigheidshalve moet nog worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke situatie
                    dat de medebewoner over geen enkele vorm van inkomen beschikt (bijvoorbeeld een
                    uitgeprocedeerde asielzoeker) verlaging van de toeslag vanwege medebewoning niet
                    kan worden toegepast. De medebewoner kan dan immers geen daadwerkelijke bijdrage
                    in de kosten leveren, waardoor er dus ook geen voordeel is voor de betrokkene
                    (zie in dit verband uitspraken Centrale Raad van Beroep d.d. 4 maart 2003,
                    00/3534 NABW en 02/3129 NABW). </al>
        <tussenkop>Artikel 4</tussenkop>
        <al>Dit artikel vormt het spiegelbeeld van artikel 3, daar waar de gehuwden in
                    dezelfde situatie verkeren als de alleenstaande en alleenstaande ouder. De
                    gehuwdennorm bedraagt 100% van het wettelijk minimumloon en in geval van het
                    kunnen delen van de bestaanskosten bedraagt de verlaging respectievelijk 10% of
                    15%, in overeenstemming met artikel 3, lid 2 en 3, van deze verordening. De
                    toelichting van artikel 3 is voorts onverminderd van toepassing op dit artikel. </al>
        <tussenkop>Artikel 5</tussenkop>
        <al>Als aan een woning geen woonkosten verbonden zijn, is sprake van lagere
                    bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 WIJ opent om die reden de
                    mogelijkheid de norm of de toeslag te verlagen. In dit artikel is bepaald dat
                    die verlaging 20% van de gehuwdennorm bedraagt. Dat kan zich voordoen bij
                    krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijvoorbeeld de
                    ouders of de ex-partner. </al>
        <tussenkop>Artikel 6</tussenkop>
        <al>De schoolverlaterverlaging van artikel 33 WIJ is bedoeld om de schoolverlater
                    gedurende het eerste half jaar niet in een veel betere financiële positie te
                    brengen dan toen hij nog aangewezen was op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming krachtens de WTOS. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen een
                    (voormalig) uit- of thuiswonende student.</al>
        <al>In het tweede lid is geregeld dat de verlaging niet hoger kan zijn dan de
                    toeslag.</al>
        <al>Gehuwden die beiden schoolverlater zijn, komen niet voor een dubbele verlaging
                    in aanmerking. Die blijft maximaal 20% van de gehuwdennorm. Wel is denkbaar dat
                    de verlaging opnieuw wordt toegepast als de partners na elkaar schoolverlater
                    worden. </al>
        <tussenkop>Artikel 7 </tussenkop>
        <al>Artikel 34 WIJ biedt het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passen
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon
                    voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22 jarige ligt het voor de hand om
                    voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een
                    22-jarige.</al>
        <al>In het tweede lid is vastgelegd dat de verlaging voor een 21- of 22-jarige
                    alleen kan plaatsvinden op de toeslag en niet op de norm. </al>
        <al>In het derde lid is de wettelijke verplichting vastgelegd dat in de verordening
                    moet worden opgenomen dat de schoolverlaterregeling en de verlaging voor 21- en
                    22-jarigen niet gelijktijdig kan worden toegepast. </al>
        <al>Voor het met voorrang toepassen van de schoolverlaterregeling is gekozen, omdat
                    een 21- of 22-jarige schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel
                    dan een 23 jarige schoolverlater op grond van artikel 6 van deze verordening. </al>
        <al>Na afloop van de periode van zes maanden als bedoeld in artikel 6, is wel
                    verlaging van de toeslag mogelijk zijn als de jongere 21- of 22 jaar is.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>