<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR70355_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening van de gemeente Kollumerland c.a. 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Kollumerland en Nieuwkruisland</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-12-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kollumerland en Nieuwkruisland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsblad van N.O.-Friesland, d.d. 06-06-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, artikel 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-05-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-06-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>niewe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>VROM</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Bij de inwerking treding van deze verordening vervallen:</al><al>De bouwverordening, vastgesteld 22 december 1993 en alle daarin aangebrachte wijzigigingen;</al><al>De brandbeveiligingsverordening, vastgesteld 2 december 1993 voorzover deze brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig gebruik van bouwwerken stelt.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening van de gemeente Kollumerland c.a. 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland</al><al>gezien de ledenbrieven van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten,
                        kenmerken FEI/200601310, d.d. 11 september 2006 (Lbr. 06/140) en
                        FCGR/200700406, d.d. 29 maart 2007 (Lbr. 07/31) betreffende de elfde en de
                        twaalfde serie wijzigingen van de modelbouwverordening 1992;</al><al>gelet op artikel 8 van de Woningwet;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 mei 2007,</al><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen conform het voorliggende concept, de <vet>"bouwverordening
                            van de gemeente Kollumerland c.a. 2007' (bouwverordening);</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
                                                1, letter a, van het Asbest-verwijderingsbesluit
                                                2005;</al></li><li nr="-"><al>besluit indieningsvereisten: het Besluit
                                                indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning als
                                                bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en
                                                derde lid van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningvrije
                                                en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als
                                                bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c en artikel
                                                44, tweede lid van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als
                                                bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100a,
                                                eerste lid, van de Woningwet belast zijn met het
                                                bouw- en woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van
                                                hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de
                                                plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect
                                                met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                                plaatse te functioneren;</al></li><li nr="-"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8:
                                                hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel , 6,
                                                eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit
                                                2005;</al></li><li nr="-"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als
                                                bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die
                                                door of namens burgemeester en wethouders is
                                                vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands
                                                Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands
                                                Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter
                                                  plaatse van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  niet direct aan de weg grenst de hoogte van het
                                                  terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij
                                                  voltooiing van de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                                openstaande wegen of paden daaronder begrepen de
                                                daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen
                                                of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de
                                                aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide
                                                parkeerterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="-"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling
                                        van de gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op
                                        de bij deze verordening behorende kaart als zodanig is
                                        aangegeven.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>2</nr><titel>De aanvraag bouwvergunning</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                        artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek
                                                verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999,
                                                waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het
                                                onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de
                                                resultaten van een onderzoek volgens het
                                                gecombineerde protocol Bodemonderzoek
                                                milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober
                                                1993);</al></li><li nr="b."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht
                                                volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU,
                                                uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1
                                                (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de resultaten
                                                van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is
                                                van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van
                                                de ernst van deze verontreiniging een nader
                                                onderzoek, als bedoeld in het Protocol Nader
                                                Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn
                                                Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995),
                                                onontkoombaar is.</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                                bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder
                                                mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in
                                                de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede
                                                plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave
                                                2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in paragraaf 1,2,5 onder e, van de Bijlage bij het
                                        Besluit indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen
                                        betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang
                                        gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                        bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor de
                                        hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                        ontheffing van de plicht tot het indienen van een
                                        onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1,2,5 onder e,
                                        van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien
                                        voor de toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds
                                        bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn of
                                        indien uit het ingediende gemeentelijk “historisch
                                        vooronderzoeksformulier” is gebleken dat er sprake is van
                                        een onverdachte locatie.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing
                                        verlenen van de plicht tot het indienen van een
                                        onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1,2,5 onder e,
                                        van de Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een
                                        bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld
                                        in artikel 45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het
                                        in NVN 5725, uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het
                                        historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat
                                        de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                        volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet
                                        rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                        bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                        vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                        begonnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                                    aanvraag om bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                    bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                                    bouwvergunning</titel></kop><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                                bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt
                                aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het
                                        bouwwerk;</al></li><li nr="c."><al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd
                                        wordt;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de
                                        Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                grond</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde
                                    bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvoor een reguliere bouwvergunning is
                                        vereist; en</al></li><li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of</al><lijst><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik
                                                niet wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter
                                e van paragraaf 1.2.5. van de bij dit besluit behorende bijlage,
                                kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de
                                bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit
                                indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                                bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig
                                het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van
                                die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                                beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt
                                kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing
                                    van de stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking
                                moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                                bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.
                            </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                        mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                        openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en
                                        het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                        verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's
                                        en het overige te verwachten verkeer.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid
                                        moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in
                                        een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                        voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over een
                                                breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een
                                                vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                                ten minste 4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600
                                                kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken;
                                                en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                        bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het
                                        Besluit bouwwerken, voor zover dit bijgebouw niet tot
                                        bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                        dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                        bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                        aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                        auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                        bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                        doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></li><li nr="6."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de
                                        aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich
                                        daarvoor lenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een automatische doormelding van brand naar de
                                        alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien
                                        het gebouw over meerdere toegangen beschikt, in overleg met
                                        de brandweer ten minste één van de toegangen als
                                        brandweeringang aangewezen.</al></li><li nr="2."><al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een
                                        brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem
                                        dat in overleg met de brandweer is bepaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    gehandicapten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel
                                                4.3 van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3
                                                van het Bouwbesluit;</al><al> en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                                gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                                aanwezig zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                        zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85
                                                m; en</al><al> c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen
                                                van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van
                                                een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de
                                                artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing:</al><al> de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke,
                                        zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels
                                        van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig
                                        beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg
                                        geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al> bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 15 meter uit de as van de weg;</al><al> bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 10 meter uit de as van de weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                        die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                        werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                        bouwwerken, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en</al><al> rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen - met inachtneming van het
                                        bepaalde in het tweede lid - ontheffing verlenen van het
                                        verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                        voorgevelrooilijn voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                                                kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
                                                bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                                                straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld
                                                in artikel 3, eerste lid, onder i, en derde lid, van
                                                het Besluit bouwwerken, die naar hun aard en
                                                bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen
                                                erf toelaatbaar zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens
                                                van de weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons
                                                en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer
                                                dan 1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                                hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                                luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                                draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in
                                                artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen
                                                twee bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in
                                                de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                                gemeentelijke monumentenverordening - voor zover
                                                zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                                historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden
                                        verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip
                                                van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden
                                                van die rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                                weg;</al><al> en dan nog voor zover de veiligheid van de
                                                gebruikers van de weg niet in gevaar komt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het
                                bouwen op de weg van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                        eerste lid, onder h, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard
                                        en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van
                                    de voorgevelrooilijn. </titel></kop><al> Afschuining van straathoeken</al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing
                                        in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die
                                                waarin de ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8
                                                en 2.5.9 is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                                waarin de ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is
                                                verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                                achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een
                                        knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar
                                        liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich
                                        vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder
                                        dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over
                                        een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2
                                        meter boven straatpeil - worden afgerond of afgeschuind, met
                                        dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                        oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van
                                                gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b,
                                                van het Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                                pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbij
                                                behorende woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de
                                                ontheffing is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
                                        voorgevelrooilijn en bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig
                                                bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                gelijk aan de helft van de straal van de
                                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                                doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                                                kan worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op
                                                zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
                                                op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van
                                                de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                                genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                                                gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                                nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al> c. in een slechts aan drie zijden bebouwd of te
                                                bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie
                                                zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                                voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                                elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
                                                het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen
                                                zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok,
                                                langs deze twee zijden op een afstand van de
                                                voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                                tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                                tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                                zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                                afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen
                                                op een afstand die wordt bepaald met inachtneming
                                                van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en
                                                met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van
                                                de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                        achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                        achterzijden van die bebouwing - in het belang van de
                                        toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5
                                        meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2
                                        meter terugliggen ten opzichte van beide
                                        achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de
                                        indeling en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing
                                        dit toelaten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van
                                de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        een aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van
                                        het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in het artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                        die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                        werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                        bouwwerken, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
                                        e en f, van het Besluit bouwwerken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.14 Ontheffingen voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is
                                        verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2,
                                        onder b, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen,
                                        bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit
                                        bouwwerken;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat
                                        ten minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                                achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel
                                                dat is begrepen tussen het verlengde van de
                                                zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                                                meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks
                                        op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts
                                        gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen
                                        van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en
                                        veranda's buiten beschouwing blijven.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                                betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag
                                                niet tot bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                                voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan
                                                  de bepalingen voor te bouwen woningen en
                                                  woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                                                  bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan
                                        als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw
                                        behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter
                                        achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en
                                        over de volle breedte daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                                geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van
                                                het verbod tot overschrijding van de
                                                achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte
                                        van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen
                                        dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf
                                        aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                                minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                        aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing
                                        gelaten.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                        mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de
                                        vrij te laten ruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel
                                        2, onder e, van het Besluit bouwwerken, zijn niet
                                        toegelaten.’</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                        scheiden erf of terrein.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen
                                    en ondergrondse hoofdtransportleidingen </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                        stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                        hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van
                                        andere bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel
                                        uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze
                                        afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van
                                        de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn
                                        wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                                        elektrische spanning van 1000 volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                        ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                        bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning
                                                van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                                oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op
                                                de veilige en ongestoorde ligging van de leiding
                                                geen bezwaar bestaat.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                        maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in
                                        het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
                                        met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                                weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen
                                                de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                                weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan
                                        de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede
                                        weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de
                                        hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn
                                        van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15
                                        meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de
                                        breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                        voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                        ontbreekt, geldt ter bepaling van de grootste toegelaten
                                        hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                        tegenoverliggende rooilijn.</al><al> Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is
                                        onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking de verst
                                        verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking
                                        voorkomende rooilijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                        maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in
                                        het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
                                        met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al><al> Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet
                                        evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de
                                        achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde
                                        afstand tussen de achtergevelrooilijnen.</al><al> Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt,
                                        wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de
                                        achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
                                        maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
                                        achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
                                        hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                        straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                        worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil
                                        tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige
                                        terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van
                                        de bouw.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                        bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan
                                        de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                        achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -
                                        onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale
                                        hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan
                                        laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de
                                        afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij
                                        de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde
                                        wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21,
                                        tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee
                                        achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger
                                        is dan de voorgevel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                        bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                        achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die
                                        de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                        achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen
                                        2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het
                                        horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
                                        zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk
                                        bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het
                                        verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de -
                                        krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met
                                        het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van
                                    bouwwerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet
                                        meer bedragen dan 15 meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze
                                        wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten
                                        opzichte van de laagst gelegen weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
                                    grenzende terreinen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel
                                        2.5.3 of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht
                                        op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer
                                        bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande
                                        van een goothoogte van genoemde maat - daarboven een
                                        zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten
                                        is.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging
                                        van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                        vormen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
                                    bouwwerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                        buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte
                                        van straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                                        hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen
                                        door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in
                                        artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en
                                        k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden
                                        - buiten beschouwing worden gelaten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                        onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                                derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
                                        k, van het Besluit bouwwerken, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                verlenen van de ontheffing is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                        derde lid, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de
                                    rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14
                                        en 2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing
                                        verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod
                                        tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                        bouwhoogte.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door
                                        burgemeester en wethouders worden verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel
                                                20 Bro;</al></li><li nr="b."><al>de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het
                                                beleid van de provincie inzake artikel 19, lid 2
                                                WRO;</al></li><li nr="c."><al>het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is
                                                met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk
                                                beleid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op de voorbereiding van het besluit omtrent de ontheffing,
                                        als bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van
                                        toepassing, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder
                                                schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kan
                                                inbrengen;</al></li><li nr="b."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester
                                                en wethouders de beslissing over de aanvraag om
                                                reguliere bouwvergunning met ten hoogste zes weken
                                                kunnen verdagen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en
                                    losmogelijkheden bij of in gebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                        aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of
                                        stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht
                                        in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het
                                        onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte
                                        mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de
                                        bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden
                                        gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar
                                        vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                        auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                        personenauto's.</al><al> Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                                minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij
                                                6,00 m bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde
                                                parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die
                                                ruimte niet in de lengterichting aan een trottoirs
                                                grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een
                                        te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen
                                        van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn
                                        voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder
                                        het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door
                                                bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren
                                                stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                                stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                                voorzien.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de
                                        ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel
                                        mogelijk kan worden ontdekt en gemeld.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van
                                        bijlage 10 van deze verordening voorschriften zijn
                                        aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het
                                        eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                                        voorschriften.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard
                                        en de geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe
                                        aanleiding geeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksfunctie:</al><lijst><li nr="a."><al>waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is
                                                gelegen op een in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van
                                                deze verordening aangegeven waarde boven het
                                                meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt
                                                dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze
                                                verordening aangegeven grenswaarde;</al></li><li nr="c."><al>waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor
                                                bezoekers meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van
                                                bijlage 10 van deze verordening aangegeven
                                                grenswaarde;</al></li><li nr="d."><al>die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer
                                                bouwlagen dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn
                                                aangegeven, is voorzien van een brandmeldinstallatie
                                                als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN
                                                2535/A1, uitgave 2002.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een
                                        woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte
                                        slechts in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte
                                        waardoor dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van
                                        waaruit de betreffende vluchtroute bij brand zou kunnen
                                        worden geblokkeerd, voorzien te zijn van een
                                        brandmeldinstallatie met ruimtebewaking, indien er sprake is
                                        van één of meer van de volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>De loopafstand tussen de toegang van een
                                                verblijfsruimte en een punt vanwaar in meerdere
                                                richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer dan 10
                                                meter;</al></li><li nr="b."><al>Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte
                                                waardoor slechts in één richting kan worden gevlucht
                                                alsmede de op dit gedeelte aangewezen
                                                verblijfsruimten is groter dan 200 m2;</al></li><li nr="c."><al>Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de
                                                betreffende ruimte bedraagt meer dan 2.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                                    brandmeldinstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als
                                        bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave
                                        2002, is uitgevoerd als:</al><lijst><li nr="a."><al>niet-automatische bewaking; of</al></li><li nr="b."><al>gedeeltelijke bewaking; of</al></li><li nr="c."><al>volledige bewaking;</al><al> zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van
                                                deze verordening, of</al></li><li nr="d."><al>ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende
                                                vluchtroutes en risicoruimten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, a, b en c, in een
                                        bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks
                                        door naar de alarmcentrale van de brandweer, voor zover dit
                                        voor een gebruiksfunctie staat aangegeven in tabel 2.6.1 van
                                        bijlage 10 van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                        brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535,
                                        uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al></li><li nr="2."><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                        brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd
                                        overeenkomstig een door of namens burgemeester en wethouders
                                        aanvaard programma van eisen als bedoeld in de NEN 2535,
                                        uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al></li><li nr="3."><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                        brandmeldinstallatie, welke op grond van artikel 2.6.3, lid
                                        2 rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van de
                                        brandweer, is voorzien van een geldig certificaat als
                                        bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het
                                        Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in
                                        Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door
                                        burgemeester en wethouders erkende, ter zake kundige,
                                        onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke
                                        verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste
                                        gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de
                                        vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake
                                    ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                        alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd
                                        uit het bouwwerk kunnen vluchten.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van
                                        bijlage 11 van deze verordening voorschriften zijn
                                        aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het
                                        eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                                        voorschriften.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard
                                        en de geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe
                                        aanleiding geeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van
                                    ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is
                                        voorzien van een brandmeldinstallatie, is voorzien van een
                                        ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                        2004.</al></li><li nr="2."><al>In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel
                                        2.6.2, tweede lid, van toepassing is, dienen de betreffende
                                        verblijfsruimten te zijn voorzien van een automatische
                                        ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                        2004.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van
                                    ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                        ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN
                                        2575, uitgave 2004.</al></li><li nr="2."><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                        ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd
                                        overeenkomstig een door of namens burgemeester en wethouders
                                        aanvaard programma van eisen, als bedoeld in NEN 2575,
                                        uitgave 2004.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige aanduiding van
                                        vluchtroutes dat gebruikers op veilige wijze uit het
                                        bouwwerk kunnen vluchten.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van
                                        bijlage 12 van deze verordening voorschriften zijn
                                        aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het
                                        eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                                        voorschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze
                                verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in
                                NEN 6088, uitgave 2002.</al><al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</al><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                                        vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088,
                                        uitgave 2002.</al></li><li nr="2."><al>Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende
                                        herkenbaar aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient
                                        voor wat betreft de zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan
                                        artikel 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave
                                        1999.</al></li><li nr="4."><al>Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een
                                        gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in
                                        geval van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet
                                        van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                        Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                        brandmeldinstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.4 van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                        Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                        ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is artikel
                                        2.6.7 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                        Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing
                                        vluchtrouteaanduiding aanwezig is, is artikel 2.6.10 van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</titel></kop><al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het
                                goed kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een
                                calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het
                                publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een installatie die
                                mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners binnen en buiten dat
                                bouwwerk mogelijk maakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                        bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn
                                        aangesloten aan het openbare distributienet voor
                                        aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van
                                                de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet
                                                is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen
                                                van de leiding van het aardgasdistributienet dan
                                                onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor
                                                het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                                een afstand van 40 m.</al><al> Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op
                                                woningen voor bejaarden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer
                                                dan 500 m2;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                                verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                                gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                                verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                                Bouwbesluit (warmtedistributienet);</al></li><li nr="d."><al>voor woningen die worden voorzien van een
                                                warmtepompinstallatie.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde in
                                        bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                        afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                        Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                        voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn
                                        aangesloten aan een openbaar riool.</al><al> Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                riolering aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt
                                                geloosd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                                binnenmiddellijn de voor het maken van de
                                                aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de
                                                gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of
                                                terrein moet of moeten kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die
                                                aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter
                                                voorkoming van het terugvloeien van afvalwater,
                                                faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag
                                                gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar
                                                riool te lozen.</al></li><li nr="c."><al>of het hemelwater anders dan op het riool moet
                                                worden geloosd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                        milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet
                                        voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden
                                        tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de
                                        goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                        van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                        ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren
                                        stoffen daartoe aanleiding geeft.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere
                                        wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht
                                        mogelijk is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m
                                                van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                        bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                        afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                        Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                        voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een
                                        openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende
                                        bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                                met waterspoeling, en leidingen voor de afvoer van
                                                afvalwater zonder faecaliën moeten lozen op een IBA
                                                minimaal klasse 2 of gelijkwaardig welke is voorzien
                                                van een certificaat;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                                zonder waterspoeling, moeten lozen op een beerput
                                                zonder overstort, een gierput of een rottingput met
                                                overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater overstorten
                                                van rottingputten alsmede IBA’s moeten zodanig lozen
                                                dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht
                                                kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                                afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet
                                                lozen op een rottingput.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer
                                        op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                        lucht mogelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                        scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                        haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                        aangewerkt.</al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen
                                        aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat
                                        de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                        zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                        aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                        rottingputten voorkomen.</al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                        geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten
                                        een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                        waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse
                                        middellijn.</al><al> Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn
                                        voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215,
                                        uitgave 1997.</al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een
                                        leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en
                                        hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist,
                                        een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125
                                        mm.</al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en
                                        hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op erven en
                                        terreinen moeten doeltreffend zijn.</al><al> Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt
                                        voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen
                                        in bijlage 7.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de
                                    leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1 De wijze van melden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2 Welstandscriteria</titel></kop><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start
                                    of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in
                                artikel 59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk
                                intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                        bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is
                                        gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                                        werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26
                                        weken stilliggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het
                                bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                                inzage worden gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="b."><al>andere vergunningen en ontheffing;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d"><al>een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een
                                        besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van
                                        een last onder dwangsom.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend
                                mag - onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning
                                bepaalde - niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester
                                en wethouders voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein
                                        zijn uitgezet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
                                    (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken
                                        waarvoor bouwvergunning is verleend en onverminderd het
                                        bepaalde in de voorwaarden van de bouwvergunning - ten
                                        minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                        noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                        gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden,
                                                ontgravingswerkzaamheden daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen,
                                                het slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de
                                                grondverbeteringswerkzaamheden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in
                                        kennis te worden gesteld van het storten van beton.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen
                                        moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk
                                        geschieden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                    onderzoekingen</titel></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle
                                opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden
                                verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de
                                naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig
                                acht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                                ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een
                                zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een
                                verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt,
                                waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast
                                op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in
                                        verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer
                                        zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen
                                        ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de
                                        weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open
                                        erven en terreinen en hun gebruikers.</al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt
                                        uitgevoerd moeten, wanneer er niet wordt gewerkt -
                                        rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet
                                        inbegrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve
                                                van de uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun
                                                geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het
                                                weer in gebruik stellen van de installaties door
                                                anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder
                                                meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een
                                                zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen
                                                daarvan, niet zonder meer door anderen dan de
                                                daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden
                                                gesteld;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                        elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer
                                        elektrisch aangedreven bemalingspompen, indien de
                                        omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt
                                        onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg
                                        te nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen
                                        zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                        dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                        doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende
                                        open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of
                                        hinder te duchten is.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                        geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk
                                        hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en
                                        andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door
                                        wordt belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                        en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of
                                        terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt
                                        gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet
                                        nodig acht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                                    hinder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                        transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat
                                        kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van
                                        goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud
                                        verkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk
                                        een werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor
                                        gevaar voor de omgeving optreedt.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een
                                        werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving
                                        veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor
                                        een op een werk te gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                                en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal
                                                niet mag worden gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                        toepassing indien en voor zover het betreft nadelige
                                        gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige
                                        in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.11 Bouwafval</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden
                                        gescheiden in de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de
                                                Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                                augustus 2001, nr. 158, blz. 9)</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                                bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                                bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d,
                                        en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en
                                        c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></li><li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                        bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container
                                        van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                                        verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor
                                        tijdelijke opslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                                    bouwwerkzaamheden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Van het gereedkomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen
                                                van de riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en
                                                mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                                                straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden,
                                                alsmede van de thermische isolatie in andere
                                                besloten constructies;</al><al> moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing
                                                van de onder a en b bedoelde werkzaamheden in kennis
                                                worden gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid
                                        betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het
                                        bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee
                                        dagen na het tijdstip van kennisgeving.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige
                                        toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in
                                        de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht
                                        tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden,
                                        waarop de bouwvergunning, betrekking heeft, wordt het einde
                                        van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-,
                                        metsel- of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het
                                        bouwtoezicht ten minste twee dagen vóór het begin van het
                                        desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de te
                                        treffen maatregelen ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en
                                                verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de
                                                voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog
                                                onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden
                                                2 graden Celsius is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien
                                        het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk
                                        plaatsvinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming </titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidinstallaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijke en
                            hinderlijke gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                                    terreinen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met
                                        hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren
                                        voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of
                                        hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk
                                                gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                </titel></kop><al><vet> Brandblusvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is
                                        verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg
                                        tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn
                                        die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                        ziekenauto's, brandweerauto’s en het overige te verwachten
                                        verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het
                                        gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid
                                        moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in
                                        een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                        voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                                breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een
                                                vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                                ten minste 4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600
                                                kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken;
                                                en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.’</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                        bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het
                                        Besluit bouwwerken, voorzover dit niet voor bewoning is
                                        bestemd, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op
                                        hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                        brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende
                                        verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan
                                        worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                        het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                        bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                        doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    gehandicapten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel
                                                4.3 van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3
                                                van het Bouwbesluit;</al></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                        gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                        zijn.</al></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                        zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85
                                                m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                                0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                                hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de
                                                artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake
                                    brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12
                                van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties
                                    in gebouwen niet zijnde woningen, woongebouwen,
                                    logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen)
                                </titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties
                                    in woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties
                                    in logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties
                                    in kantoorgebouwen</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare-distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen voor bejaarden;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m2;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het
                                        stadsverwarmingsnet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                        afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan
                                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                        hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel
                                        5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een
                                        openbaar riool.</al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                riolering aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m
                                                van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt
                                                geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                                bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                                voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij besluit van het college van B&amp;W kan worden bepaald
                                        dat de hemelwaterafvoer moet worden afgekoppeld van de
                                        rioolaansluiting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                                        worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                        overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                        rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd
                                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                        optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
                                    van het openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.1 Preventie</titel></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                        gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een
                                        bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen
                                                zijn, anders dan in een één- of meergezinshuis;</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het
                                                kader van verzorging nachtverblijf zal worden
                                                verschaft;</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar,
                                                of aan meer dan tien lichamelijk en/of verstandelijk
                                                gehandicapten dagverblijf zal worden verschaft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning
                                        slechts voorwaarden verbinden in het belang van het
                                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken
                                        van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen
                                        bij brand.</al></li><li nr="3."><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit
                                        vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of
                                        verandering van de omstandigheden gelegen buiten het
                                        bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning,
                                        kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning nieuwe
                                        voorwaarden verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of
                                        intrekken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden
                                        overgelegd als genoemd in bijlage 2 van deze
                                        verordening.</al></li><li nr="2."><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik
                                        maken van de door of namens burgemeester en wethouders
                                        vastgestelde formulieren. De bij deze aanvraag behorende
                                        gegevens en bescheiden moeten voldoen aan de eisen van de in
                                        het eerste lid genoemde bijlage.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                        2-voud worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                        Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                        betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op
                                        met elkaar samenhangende terreinen.</al></li><li nr="6."><al>De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende
                                        bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde
                                        worden ondertekend dan wel worden gewaarmerkt.</al></li><li nr="7"><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een
                                        bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbij
                                        behorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand
                                        duidelijk blijken.</al></li><li nr="8."><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en
                                        wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                        uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</titel></kop><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6.1.2 gestelde
                                eisen, alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en
                                4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en
                                wethouders de aanvrager in de gelegenheid om binnen de door hen aan
                                te geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor
                                        een gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van
                                        de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten
                                        hoogste zes weken verdagen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid
                                        houden burgemeester en wethouders de beslissing aan
                                        indien:</al><al> a voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en
                                        zij over die vergunning nog niet hebben beslist;</al><lijst><li nr="b."><al>voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot toepassing
                                                van bestuurdwang of opleggen van een last onder
                                                dwangsom dan wel een besluit ingevolge artikel 13
                                                van de Woningwet is genomen wegens strijd met de
                                                voorschriften van het Bouwbesluit, als bedoeld in
                                                artikel 1b van de Woningwet, en deze binnen de in
                                                het eerste lid vermelde termijn is verzonden, doch
                                                aan dit besluit nog niet is voldaan.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken
                                        nadat is beslist op een aanvraag om bouwvergunning als
                                        bedoeld onder letter a van het derde lid, dan wel nadat is
                                        voldaan aan het besluit als bedoeld onder letter b van het
                                        derde lid en burgemeester en wethouders hiervan in kennis
                                        zijn gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</titel></kop><al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de
                                volgende omstandigheden zich voordoet:</al><lijst><li nr="a."><al>de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het
                                        bouwwerk kan in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet
                                        geacht worden een brandveilig gebruik te zijn en door het
                                        stellen van voorwaarden kan geen voldoende brandveilig
                                        gebruik worden bereikt;</al></li><li nr="b."><al>de bouwvergunning is geweigerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning
                                        intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van
                                                onjuiste of onvolledige gegevens hebben
                                                verleend;</al><al> b blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft
                                                voldaan aan een voorwaarde van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen
                                                26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                                vergunning;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken
                                                of langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit
                                                vereist op grond van een verandering van de
                                                inzichten en/of verandering van de omstandigheden
                                                gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het
                                                verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk
                                                blijkt door het stellen of wijzigen van voorwaarden
                                                dat belang voldoende te beschermen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                        nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden </titel></kop><al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning aanwezig
                                zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor
                                de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de
                                        gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 bij
                                        deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden
                                        een bouwwerk, met uitzondering van de
                                        niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties, te
                                        gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp
                                        vermeld in bijlage 4 bij deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen </titel></kop><al>2.</al><lijst><li nr="1."><al>In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen
                                        brandgevaarlijke stof aanwezig.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van
                                                de betreffende stoffen niet wordt overschreden, met
                                                dien verstande dat de totale toegestane hoeveelheid
                                                van de eerste zes rijen honderd kilogram of liter
                                                is,</al></li><li nr="b."><al>de betreffende stof zodanig is verpakt</al><lijst><li nr="-"><al>dat de verpakking tegen normale behandeling
                                                  bestand is, en</al></li><li nr="-"><al>van de inhoud niets onvoorzien uit de
                                                  verpakking kan ontsnappen, en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming
                                                van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduiding
                                                (R- en S-zinnen).</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing
                                        op:</al><lijst><li nr="a."><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                                verbrandingsmotor;</al></li><li nr="b."><al>de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings-
                                                of een ander warmteontwikkelend toestel;</al></li><li nr="c."><al>voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken,
                                                en</al></li><li nr="d."><al>het aanwezig hebben van een grotere dan de in
                                                bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de
                                                betreffende stof voor zover dat bij of krachtens de
                                                Wet Milieubeheer is toegestaan.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede
                                        lid onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van
                                        vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof die in
                                        bijlage 5 als brandgevaarlijk is aangemerkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                                ongevallen bij brand</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de
                                zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="a."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                        bestrijding van brand;</al></li><li nr="b."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                        personen en dieren bij brand.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de
                                    brandveiligheid</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en
                                met 6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open
                                erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te
                                hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te
                                gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook,
                                        roet, walm of stof wordt</al><al> verspreid;</al></li><li nr="b."><al>brandgevaar wordt veroorzaakt;</al></li><li nr="c"><al>het vluchten wordt belemmerd.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft hinder, ter zake waarvan de Wet milieubeheer of enige in
                                deze wet genoemde wet van toepassing is. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en
                                    woonketen</titel></kop><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een
                                woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is
                                in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                        bouwwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid
                                    en gebrek aan hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik
                                van het bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een
                                    woonwagen</titel></kop><al>Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is
                                bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een
                                standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële
                                voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten
                                gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het
                                gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                voorzieningen niet functioneren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                                terreinen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.3.1 (vervallen)</titel></kop><al>Zie toelichting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.3.2 Hinder</titel></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="b."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                                gedierte</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.4.1 Preventie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                        geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                        bevindt.</al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te
                                        worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte
                                        hierdoor niet wordt aangetrokken.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en
                                wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt
                                geacht, te gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 6 Installaties</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of
                                de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een
                                goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan
                                worden gemaakt.’</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                        daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                        vergunning van burgemeester en wethouders
                                        (sloopvergunning).</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist
                                        indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval
                                        niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede
                                        betreft het verwijderen van asbest.</al><al>Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge
                                        een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan
                                        wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                                        oplegging van een last onder dwangsom. Burgemeester en
                                        wethouders kunnen aan hun besluit voorwaarden verbinden als
                                        bedoeld in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning
                                        slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden
                                                houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een
                                                scheiding in een fractie asbest, een fractie
                                                gevaarlijk afval en een fractie overig afval.</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden
                                                overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel
                                                8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze
                                                gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het
                                        derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het
                                        selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de
                                        tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties
                                        gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein.
                                        Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning
                                        met betrekking tot asbest voorschriften over het
                                        afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het
                                        sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                        plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                        indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een
                                        seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het
                                        slopen van het tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde
                                        lid van artikel 45 van de Woningwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik
                                        maken van een door of vanwege burgemeester en wethouders
                                        vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag moet inhouden:</al><lijst><li nr="a."><al>correspondentieadres van de aanvrager in
                                                Nederland;</al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                                adres;</al></li><li nr="c."><al>naam en adres van degene, die met het slopen zal
                                                worden belast;</al></li><li nr="d."><al>de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop
                                                zich het te slopen bouwwerk bevindt en het
                                                huisnummer van het bouwwerk. Indien de
                                                sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering
                                                van meer dan één bouwwerk in het kader van hetzelfde
                                                project, wordt een lijst met bedoelde kadastrale
                                                aanduidingen en huisnummers van de desbetreffende
                                                bouwwerken bijgevoegd, welke lijst ingevolge het
                                                negende lid is gewaarmerkt;</al></li><li nr="e."><al>een exacte aanduiding van het gedeelte van een
                                                bouwwerk waarop de sloopwerkzaamheden betrekking
                                                hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt
                                                gesloopt;</al></li><li nr="f."><al>het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen
                                                gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is
                                                gebezigd;</al></li><li nr="g."><al>mededeling of een bouwvergunning is of zal worden
                                                aangevraagd voor een op het perceel van het te
                                                slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het
                                                bouwwerk op te richten of te veranderen of uit te
                                                breiden bouwwerk;</al></li><li nr="h."><al>een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal
                                                plaatsvinden;</al><al> en voorts, indien van toepassing:</al></li><li nr="i."><al>het sloopveiligheidsplan.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                        bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te
                                        zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens
                                        wordt overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>een afschrift van het asbestinventarisatierapport ,
                                                uitgevoerd door een deskundig
                                                asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich
                                                geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt;</al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 3
                                                september 1998 dat voldoet aan de eisen in BRL 5052,
                                                uitgave 1998, waaruit blijkt dat er zich geen asbest
                                                in het te slopen bouwwerk bevindt; indien het
                                                bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld vóór 1
                                                juli 1993, dient tevens een schriftelijke verklaring
                                                van de aanvrager te worden overgelegd dat er geen
                                                veranderingen van het te slopen bouwwerk hebben
                                                plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen
                                                zijn toegepast;</al></li><li nr="c."><al>een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen
                                                bouwwerk is gebouwd na 1 januari 1994;</al><al> d. bij woningen of naar bouwconstructie of
                                                materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot bewoning
                                                bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een
                                                schriftelijke verklaring van de bouwer van het te
                                                slopen bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft
                                                toegepast, alsmede een schriftelijke verklaring van
                                                de aanvrager dat er sinds het tijdstip van de bouw
                                                geen veranderingen hebben plaatsgevonden, waarbij
                                                asbesthoudende materialen zijn toegepast;</al></li><li nr="e."><al>bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke
                                                verklaring van de fabrikant of de leverancier dat
                                                het te slopen materiaal geen asbest bevat, alsmede
                                                een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat
                                                het materiaal van deze fabrikant of leverancier
                                                afkomstig is;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het
                                        bouwwerk asbest bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs
                                        kan weten dat zich in het bouwwerk asbest bevindt wordt met
                                        een asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf
                                        aangetoond of dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich
                                        bevindt. Indien geen asbestinventarisatierapport van een
                                        deskundig bedrijf wordt overgelegd, moeten bij de aanvraag
                                        andere gegevens worden overgelegd waaruit blijkt of asbest
                                        aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Aan
                                        deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien</al><al>de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft op
                                        het verwijderen van asbest op in de aanvraag aangeduide
                                        plaatsen, of</al><al>een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder b
                                        bij de aanvraag is gevoegd.</al></li><li nr="5."><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten
                                        valt dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte
                                        van een bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk
                                        aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de
                                        Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 159,
                                        blz. 9), dient een onderzoek te worden ingesteld naar de
                                        vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de
                                        uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning
                                        worden gevoegd</al></li><li nr="6."><al>De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                        2-voud worden ingediend.</al></li><li nr="7."><al>De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                        Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="8."><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                        betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op
                                        met elkaar samenhangende terreinen, dan wel indien zij
                                        betrekking heeft op asbestverwijdering van meer dan één
                                        bouwwerk in het kader van hetzelfde project.</al></li><li nr="9."><al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden
                                        moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend
                                        dan wel gewaarmerkt worden.</al></li><li nr="10."><al>Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk
                                        betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbij behorende
                                        bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk
                                        blijken.</al></li><li nr="11."><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en
                                        wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                        uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></li><li nr="12."><al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van
                                        het voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking
                                        heeft op asbest.</al></li><li nr="13."><al>Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor
                                        geen sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen
                                        betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als
                                        bedoeld in artikel 8.2.1.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de
                                        bij of krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de
                                        eisen die gelden ingevolge de artikel 4:1 en 4:2 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en
                                        wethouders de aanvrager in de gelegenheid de door hen aan te
                                        geven ontbrekende gegevens over te leggen binnen een door
                                        hen te stellen termijn.</al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens
                                        als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om
                                        sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                        aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste
                                        dertien weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot
                                        verdaging zenden zij zo spoedig mogelijk aan de
                                        aanvrager.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen
                                        burgemeester en wethouders over een aanvraag om
                                        sloopvergunning binnen vier weken na de dag waarop de
                                        aanvraag om een sloopvergunning is ingediend, indien het
                                        slopen uitsluitend is bedoeld om asbest of asbesthoudende
                                        producten uit een bouwwerk te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid
                                        houden burgemeester en wethouders de beslissing aan indien
                                        een vergunning krachtens artikel 11 of artikel 37 van de
                                        Monumentenwet 1988, een provinciale of een gemeentelijke
                                        monumentenverordening, een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of een
                                        aanlegvergunning voor het slopen is vereist en omtrent die
                                        vergunning(en) nog niet is beslist. De aanhouding eindigt
                                        zes weken na bedoelde beslissing. Bij samenloop van
                                        vergunningen wordt uitgegaan van de datum van de laatst
                                        genomen beslissing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in
                                        het kader van het vernieuwen, het veranderen of het
                                        vergroten van een bouwwerk waarvoor tevens een
                                        bouwvergunning is aangevraagd, kan bij de aanvraag om
                                        sloopvergunning - voor zover voor beide aanvragen dezelfde
                                        bescheiden en gegevens worden verlangd - worden verwezen
                                        naar die bescheiden en gegevens die zijn ingediend bij de
                                        aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde bescheiden
                                        niet nogmaals te worden ingediend.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de
                                        beslissing op de aanvraag om sloopvergunning de procedure
                                        van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het
                                        geval dat beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</titel></kop><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd
                                        en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                        voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met
                                        het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                        worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                        provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is
                                        vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en
                                        deze niet is verleend;</al></li><li nr="e."><al>een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op
                                        grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet
                                        is verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning
                                        intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                                onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                                sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                                gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de
                                                sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een
                                                aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                        nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                                sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                        sloopvergunning vereist voor het anders dan in de
                                        uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen
                                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin de
                                                asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde
                                                dakleien, uit een woning of uit een op het erf van
                                                die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of
                                                het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening
                                                van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld
                                                zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van
                                                de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                                bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                                asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit
                                                een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                                                voorzover de woning of het bijgebouw niet in het
                                                kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf
                                                worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat
                                                kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                                asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels
                                                maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal
                                                perceel bedraagt;</al></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester
                                        en wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht
                                        dagen na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                        sloopvergunning is vereist.</al><al>Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen
                                        of logiesverblijf.</al></li><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                        worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                        burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                        2-voud worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                        Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                        aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                        burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst
                                        toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                                        vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid
                                        bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn
                                        hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                        bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met
                                        betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van
                                        asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of
                                        het zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in
                                        het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of
                                        krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                        nemen. Voorts is de houder verplicht ter zake van de afvoer
                                        van asbest bevattende vloerbedekking alsmede van andere
                                        afvalstoffen waarop de mededeling betrekking heeft de in de
                                        gemeente geldende voorschriften in acht te nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                        sloop vrijkomt, is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het
                                        eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde
                                        eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de
                                        melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de
                                        door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te
                                        leggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning </titel></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader
                                van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk
                                verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</titel></kop><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of de aanschrijving tot
                                het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                                inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de
                                    sloopvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover
                                        dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig
                                        bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                        vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat
                                        het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al></li><li nr="3."><al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week
                                        voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en
                                        wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en
                                        tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking
                                        heeft op asbest, zal plaatsvinden.</al></li><li nr="4."><al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na
                                        de uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en
                                        wethouders een afschrift van de resultaten van de
                                        eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is
                                        verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen
                                        asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan
                                        terstond melding te doen aan het bouw- en
                                        woningtoezicht.</al></li><li nr="2."><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van
                                        tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden
                                        gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de
                                        sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien
                                        het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen
                                        schriftelijk geschieden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                    asbest</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                        bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                        bouwwerk wordt gesloopt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                        technieken worden toegepast om verontreiniging van het
                                        milieu met asbest te voorkomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                                    tuinbouwkassen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                        vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding
                                        krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te
                                        worden gescheiden in de navolgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij de
                                                Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                                augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van
                                                gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g,
                                        en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en
                                        met f, moeten op het sloopterrein gescheiden worden
                                        gehouden.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen
                                    aan Hûs en Hiem, welstandsadvisering en monumentenzorg, hierna
                                    te noemen: de welstandscommissie.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                    aanvragen voor regulier vergunningplichtige en
                                    licht-vergunningplichte bouwwerken als bedoeld in artikel 44,
                                    eerste lid onder d van de Woningwet. De welstandscommissie
                                    baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde
                                    welstandscriteria.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders beoordelen zonder advies van de
                                    welstandscommissie of licht-vergunningplichtige bouwwerken niet
                                    in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Burgemeester en
                                    wethouders baseren hun standpunt op de in de welstandsnota
                                    genoemde welstandscriteria. Zo dat nodig wordt geacht kunnen
                                    burgemeester en wethouders advies vragen aan de
                                    welstandscommissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden,
                                    waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste
                                    drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                                    ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                    minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                    beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                    gemeentebestuur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                    welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel
                                    van de burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                    gemeenteraad.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                    termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                    herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></li><li nr="3."><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage
                                    9 (reglement op de commissie) bij deze verordening is
                                    vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden,
                                    nadere benoemingsprocedures.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.’</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.5 Termijn van advisering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een
                                    lichte bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens
                                    burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                    reguliere bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door of
                                    namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                    reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat
                                    door of namens burgmeester en wethouders daarom is
                                    verzocht.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                    welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                    bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen
                                    van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door
                                    burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van
                                    afdoening van de aanvraag om:</al><lijst><li nr="a."><al>een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel
                                            46, eerste lid, sub a van de Woningwet bedoelde termijn
                                            van zes weken;</al></li><li nr="b."><al>een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel
                                            46, eerste lid, sub b van de Woningwet bedoelde termijn
                                            van twaalf weken.</al></li><li nr="c."><al>een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in
                                            artikel 46, eerste lid, sub c van de Woningwet bedoelde
                                            termijn van zes weken.’</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondeling
                                toelichting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                    openbaar. De agenda voor de vergadering van de
                                    welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van
                                    overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                    huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                                    burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de
                                    aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan
                                    dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op
                                    grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                                    grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                    beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het
                                    indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt
                                    deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot
                                    het geven van een toelichting op het bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                    wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting
                                    is gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een
                                    uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie,
                                    waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het
                                    reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                    bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele
                                    opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de
                                    toelichtende fase en de beraadslagingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om
                                    advies voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld
                                    in artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet mandateren
                                    aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen
                                    leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen
                                    waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als
                                    bekend mag worden verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                    bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                    welstandscommissie.</al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                    burgemeester en wethouders –al dan niet op verzoek van de
                                    aanvrager- een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan
                                    dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op
                                    grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                                    grondslag te leggen.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een bouwplan
                                    voor een licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met
                                    redelijke eisen van welstand mandateren aan een door hen aan te
                                    wijzen ambtenaar, indien in de welstandsnota voor de
                                    verschillende categorieën licht-vergunningplichtig bouwwerken
                                    toetsingscriteria zijn opgenomen.</al></li><li nr="5."><al>In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet
                                    voldoet aan de betreffende welstandscriteria, leggen
                                    burgemeester en wethouders het bouwplan alsnog voor aan de
                                    welstandscommissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                            schriftelijk.</al><al> Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                            burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                            bouwvergunning.’</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                                standplaatsen</titel></kop><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen
                            heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of
                            standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                            daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                            voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                            verordening.’</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de
                            Woningwet moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en
                            het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een
                                ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</titel></kop><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                            bouwvergunning eerste fase, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60
                            van de Woningwet, de gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 dan
                            wel de sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van zijn
                            rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op
                            wiens naam de vergunning is gesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen
                                en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                                andere voorschriften</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                            herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                            praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening
                            - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen,
                            indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm,
                            praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die
                            herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot
                                ingebruikneming</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12.1 Strafbare feiten (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij
                            burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van
                                open erven en terreinen</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                                gebruiksvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1 van de
                                    brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit
                                    d.d.......2 december 1993.... geldt als gebruiksvergunning als
                                    bedoeld in artikel 6.1.1.</al></li><li nr="2."><al>Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking - hoe ook
                                    genaamd - verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening,
                                    vastgesteld bij raadsbesluit d.d......2 december 1993.....,
                                    blijft van kracht totdat de termijn waarvoor zij is verleend, is
                                    verstreken of totdat zij is ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.6 Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de 1ste dag na die waarop
                                    zij is afgekondigd.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 22
                                            september 2005 en alle daarin aangebrachte
                                            wijzigingen;</al></li><li nr="b."><al>de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij
                                            raadsbesluit d.d. 2 december 1993 en alle daarin
                                            aangebrachte wijzigingen, voor zover deze
                                            brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig
                                            gebruik van bouwwerken stelt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als
                                    'bouwverordening'.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>