<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR70030_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening commissie ruimtelijke kwaliteit voor het district Zuid Limburg, rayon Beek, Meerssen, Schinnen, Stein en Susteren (BMSSS)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Meerssen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Meerssen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Geulbode, 26 juni 2002</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie ruimtelijke kwaliteit voor het district Zuid Limburg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=8%2C%20lid%206">Woningwet, art. 8, lid 6 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15%2C%20lid%201">Monumentenwet 1988, art. 15, lid 1 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=82">Gemeentewet, art. 82 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=91">Gemeentewet, art. 91 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A5">Algemene wet bestuursrecht, art. 3:5 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2002-05-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2002-06-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2008-10-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2000/6615</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening commissie ruimtelijke kwaliteit voor het district Zuid Limburg, rayon Beek, Meerssen, Schinnen, Stein en Susteren (BMSSS)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de commissie: de rayoncommissie van onafhankelijke deskundigen
                                    (commissie ruimtelijke kwaliteit, voorheen welstandscommissie)
                                    als bedoeld in artikel 8, lid 6 van de Woningwet en de commissie
                                    op het gebied van de monumentenzorg, als bedoeld in artikel 15,
                                    lid 1 van de Monumentenwet, waarvan de inschakeling is geregeld
                                    in de Monumentenverordening Meerssen 2001 vastgesteld bij
                                    besluit van 21 juni 2001. Deze commissie is tevens de commissie
                                    als bedoeld in het samenwerkingsconvenant dat als bijlage I bij
                                    deze verordening is gevoegd;</al></li><li nr="b."><al>het district: het op grond van het samenwerkingsconvenant als
                                    bedoeld onder a gevormde district;</al></li><li nr="c."><al>het districtsbestuur: het door de betrokken gemeenten benoemde
                                    bestuur van het onder b genoemde district;</al></li><li nr="d."><al>de stichting: de Stichting Ruimtelijke Kwaliteit Limburg;</al></li><li nr="e."><al>de Monumentenwet: de Monumentenwet 1988;</al></li><li nr="f."><al>pool: verzameling van deskundigen en adviseurs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Inleidende bepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is een commissie die beziet of een aanvraag om bouwvergunning
                                    voor een bouwwerk of een standplaats niet in strijd is met
                                    redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12 van de
                                    Woningwet.</al></li><li nr="2."><al>De commissie kan tevens bezien of een gemeld bouwwerk of licht
                                    vergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met redelijke
                                    eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid van de
                                    Woningwet.</al></li><li nr="3."><al>De commissie adviseert burgemeester en wethouders over aanvragen
                                    om vergunning als bedoeld in artikel 11 van de
                                    Monumentenwet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk II De bevoegdheden, de samenstelling en de benoeming van de
                            commissie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Bevoegdheden</titel></kop><al>De commissie is bevoegd burgemeester en wethouders te adviseren
                            over:</al><lijst><li nr="1."><al>de toepassing van voorschriften de welstand betreffende, naar
                                    aanleiding van een door of namens burgemeester en wethouders
                                    gedaan verzoek;</al></li><li nr="2."><al>de toepassing van voorschriften de monumentenzorg betreffende,
                                    naar aanleiding van een door of namens burgemeester en
                                    wethouders gedaan verzoek;</al></li><li nr="3."><al>aspecten van beleidsvoornemens waarbij de ruimtelijke
                                    kwaliteitszorg, het welstandstoezicht dan wel de monumentenzorg
                                    in het geding zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Uitsluiting van bevoegdheden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders vragen geen advies aan de commissie
                                    over een aanschrijving wegens ernstige strijd als bedoeld in
                                    artikel 19 van de Woningwet met betrekking tot het uiterlijk
                                    aanzien van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een
                                    bouwvergunning is verleend en het betreffende bouwwerk dan wel
                                    de standplaats in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen
                                    van welstand.</al></li><li nr="2."><al>In die gevallen dat tegen het besluit tot aanschrijving als
                                    bedoeld in het eerste lid door een belanghebbende bezwaar is
                                    gemaakt op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht kunnen burgemeester en wethouders de commissie dan
                                    wel de stichting ter advisering inschakelen.</al></li><li nr="3."><al>Indien toepassing is gegeven aan het gestelde in het vorige lid,
                                    en door burgemeester en wethouders ter zake de aanschrijving als
                                    bedoeld in het eerste lid een beleidsregel als bedoeld in
                                    artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht is vastgesteld,
                                    kunnen zij de commissie dan wel de stichting verzoeken hen
                                    hieromtrent te adviseren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Samenstelling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit tenminste drie leden, waarvan een
                                    voorzitter.</al></li><li nr="2."><al>De commissie is tenminste deskundig op het gebied van de
                                    architectuur en stedenbouw.</al></li><li nr="3."><al>Op afroep zijn uit een pool beschikbaar plaatsvervangende leden
                                    en deskundige adviseurs met aanvullende disciplines zoals
                                    monumenten, kunst- of cultuurhistorie, archeologie,
                                    landschapskunde, beeldende kunst e.d.</al></li><li nr="4."><al>Het districtsbestuur houdt met de voordracht van leden rekening
                                    met de specifiek lokale aard van de bouwaanvragen
                                    (werkportefeuille) en kan nadere eisen stellen omtrent de
                                    deskundigheid van de leden van de commissie.</al></li><li nr="5."><al>De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Benoeming, schorsing en ontslag</titel></kop><al>De leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door de
                            gemeenteraad, gedelegeerd aan burgemeester en wethouders, voorgedragen
                            door het bestuur van het district Zuid-Limburg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Secretaris</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De secretaris van de commissie is een door het districtsbestuur
                                    te benoemen ambtenaar dan wel een vertegenwoordiger van de
                                    stichting.</al></li><li nr="2."><al>Het districtsbestuur wijst een of meer plaatsvervangers van de
                                    secretaris aan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Zittingsduur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De leden van de commissie kunnen ten hoogste voor een termijn
                                    van drie jaar worden benoemd.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het gestelde in het vorige lid kunnen de leden
                                    eenmaal worden herbenoemd voor een periode van drie jaar.</al></li><li nr="3."><al>De leden van de commissie blijven bij het verstrijken van de in
                                    de voorgaande leden genoemde benoemingstermijn hun functie
                                    vervullen totdat in de opvolging is voorzien. In het belang van
                                    continuïteit worden leden alternerend benoemd en treden
                                    overeenkomstig af.</al></li><li nr="4."><al>Bij het ontstaan van een vacature in de commissie kan de
                                    stichting een voorstel doen tot aanbeveling aan het
                                    districtsbestuur.</al></li><li nr="5."><al>Het districtsbestuur kan een tijdelijke voorziening treffen in
                                    het belang van de continuïteit van de samenstelling van de
                                    commissie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III Werkwijze</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Voorschriften omtrent de werkwijze</titel></kop><al>Het districtsbestuur kan voorschriften geven omtrent de werkwijze van de
                            commissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Advies en bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie is bevoegd tot het inwinnen van een ambtelijk
                                    advies en kan zich met dit doel in haar vergadering doen
                                    bijstaan door een of meer ambtenaren dan wel medewerkers,
                                    werkzaam in ondergeschiktheid dan wel onder verantwoordelijkheid
                                    van burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>De commissie kan zich voor het adviseren omtrent complexe
                                    bouwplannen op grond van de Woningwet en aanvragen om vergunning
                                    op grond van artikel 11 van de Monumentenwet, doen bijstaan door
                                    de stichting dan wel door deskundige adviseurs uit de pool of
                                    andere onafhankelijke deskundigen met specifieke kennis op het
                                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit en de monumentenzorg.</al></li><li nr="3."><al>Bij de instemming tot het inwinnen van een advies als bedoeld in
                                    het tweede lid, verlenen burgemeester en wethouders tevens
                                    machtiging tot het bedrag van de aan dit advies verbonden
                                    kosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 (Voor)overleg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager en de ontwerper van het bouwplan worden in de
                                    gelegenheid gesteld om in de vergadering dit plan toe te
                                    lichten.</al></li><li nr="2."><al>De commissie kan een of meer leden opdragen met de aanvragers
                                    dan wel de ontwerpers van deze bouwplannen of met beiden overleg
                                    te voeren.</al></li><li nr="3."><al>Het overleg als bedoeld in het tweede lid, geschiedt door het
                                    lid dan wel door deze leden voor elk bouwplan ten hoogste
                                    driemaal.</al></li><li nr="4."><al>Na het overleg als bedoeld in het tweede lid, beoordeelt de
                                    commissie de bouwplannen ten behoeve van het uitbrengen van het
                                    advies aan burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="5."><al>Het gestelde in de vorige leden is van overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van de behandeling van plannen op grond
                                    van de Monumentenwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Onderzoek ter plaatse door de commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie kan een onderzoek ter plaatse instellen, indien zij
                                    bij de beoordeling van het plan als bedoeld in artikel 11, leden
                                    4 en 5 van oordeel is dat dit onderzoek redelijkerwijs voor de
                                    vervulling van haar taak als bedoeld in artikel 2 van deze
                                    verordening nodig is. Gelijke bevoegdheid als bedoeld in de
                                    vorige volzin heeft de stichting, ingeval burgemeester en
                                    wethouders toepassing geven aan het bepaalde in artikel 22 van
                                    deze verordening tot het inwinnen van een contra-advies.</al></li><li nr="2."><al>Van plaats en tijdstip van het onderzoek wordt aan de aanvrager,
                                    de ontwerper alsmede belanghebbenden in de zin van artikel 1:2
                                    van de Algemene wet bestuursrecht die een bezwaarschrift op
                                    grond van artikel 7:1 van die wet hebben ingediend, mededeling
                                    gedaan. Bij de mededeling als bedoeld de vorige volzin wordt
                                    gewezen op de mogelijkheid bij het onderzoek aanwezig te kunnen
                                    zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Onvolkomenheden van geringe betekenis in het ontwerp
                                bouwplan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie vermijdt dat omtrent een bouwplan, waaraan
                                    onvolkomenheden kleven van geringe betekenis en waaromtrent het
                                    overleg als bedoeld in artikel 11, leden 2 en 3 tot een negatief
                                    oordeel heeft geleid omtrent dit plan, advies wordt uitgebracht
                                    aan burgemeester en wethouders, mits de termijnen dit
                                    toelaten.</al></li><li nr="2."><al>Zodra een omstandigheid als bedoeld in het vorige lid zich
                                    voordoet en de commissie van oordeel is dat de in dit lid
                                    bedoelde onvolkomenheden op eenvoudige wijze binnen de geldende
                                    termijnen ongedaan kunnen worden gemaakt, treedt de commissie,
                                    alvorens advies uit brengen aan burgemeester en wethouders, in
                                    overleg met de aanvrager en de ontwerper van het bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op een plan
                                    als bedoeld in de Monumentenwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Het adviseren omtrent de ontwikkeling van bouwplannen
                                in aangewezen gebieden van de gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen voor door hen aan te wijzen
                                    gebieden van de gemeente, een lid van de commissie dan wel de
                                    stichting of een andere onafhankelijke deskundige aanwijzen die
                                    de architectuursupervisie heeft over de binnen deze gebieden te
                                    ontwikkelen bouwplannen.</al></li><li nr="2."><al>De door het lid van de commissie dan wel de stichting of de
                                    onafhankelijke deskundige begeleide bouwplannen binnen een
                                    gebied als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, brengt
                                    schriftelijk advies uit aan de commissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 De inschakeling van de commissie omtrent ruimtelijke
                                kwaliteitsplannen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen alle plannen met betrekking tot de
                            ruimtelijke kwaliteit zoals stedenbouwkundige plannen, plannen voor de
                            (her)inrichting van de openbare ruimte en ontwerpbestemmingsplannen,
                            alsmede ontwerpen van beleidsregels als bedoeld in artikel 4:81 van de
                            Algemene wet bestuursrecht, voor advies aan de commissie
                            voorleggen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Openbaarheid van de vergaderingen van de
                                commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergaderingen van de commissie worden in het openbaar
                                    gehouden.</al></li><li nr="2."><al>De deuren worden gesloten indien de voorzitter van de commissie,
                                    de leden van de commissie dan wel de aanvrager en/ of de
                                    ontwerper van een (bouw)plan van oordeel zijn dat klemmende
                                    redenen geheimhouding rechtvaardigen.</al></li><li nr="3."><al>De commissie beslist vervolgens of de in het vorige lid genoemde
                                    klemmende redenen aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van
                                    de vergadering verzetten.</al></li><li nr="4."><al>Het districtsbestuur kan in het belang van een goede behandeling
                                    van de (bouw)plannen, nadere regels stellen omtrent de
                                    openbaarheid van vergaderingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Onpartijdige behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                            behandeling van een bouwplan dan wel een aanvraag om vergunning op grond
                            van artikel 11 van de Monumentenwet, indien daarbij de schijn van
                            partijdigheid in het geding kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Wijze van planbeoordeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie beoordeelt het bouwplan op grond van de door de
                                    gemeenteraad vastgestelde welstandscriteria.</al></li><li nr="2."><al>Bij de beoordeling als bedoeld in het eerste lid van dit
                                    artikel, handelt de commissie tevens in overeenstemming met het
                                    bepaalde in de vastgestelde beleidsregels op het gebied van de
                                    ruimtelijke kwaliteit, als bedoeld in de zin van artikel 4:81
                                    van de Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="3."><al>Het gestelde in de leden 1 en 2 is van overeenkomstige
                                    toepassing voor zover het betreft de vastgestelde criteria en
                                    beleidsregels op het gebied van de monumentenzorg.</al></li><li nr="4."><al>Indien de commissie van oordeel is dat bijzondere omstandigheden
                                    nopen tot afwijking van het gestelde in het tweede lid van dit
                                    artikel dan geeft zij bij het uitbrengen van het advies aan
                                    burgemeester en wethouders, schriftelijk gemotiveerd aan op
                                    grond waarvan een afwijking van de beleidsregel gerechtvaardigd
                                    is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Uitbrengen advies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie kan geen advies uitbrengen indien niet tenminste
                                    twee leden aanwezig zijn. Indien stemming wordt gevraagd dienen
                                    tenminste 3 leden aanwezig te zijn. In dit geval wordt het
                                    advies uitgebracht bij meerderheid van stemmen.</al></li><li nr="2."><al>Indien een advies wordt uitgebracht op grond van artikel 48,
                                    eerste lid van de Woningwet, dienen minimaal twee leden aanwezig
                                    te zijn die over deskundigheid beschikken op het gebied van de
                                    welstand.</al></li><li nr="3."><al>Indien een advies wordt uitgebracht op grond van artikel 11 van
                                    de Monumentenwet, dient, benevens de voorzitter ten minste
                                    tevens het lid aanwezig te zijn, dat over deskundigheid beschikt
                                    op het gebied van monumentenzorg.</al></li><li nr="4."><al>Het advies van de commissie wordt schriftelijk en gemotiveerd
                                    uitgebracht aan burgemeester en wethouders. Het advies omvat een
                                    voorstel voor de op het bouwplan op grond van de Woningwet dan
                                    wel het plan op grond van de Monumentenwet door burgemeester en
                                    wethouders te nemen beslissing.</al></li><li nr="5."><al>Van een minderheidsstandpunt in de commissie wordt in het advies
                                    melding gemaakt, indien die minderheid van de leden van de
                                    commissie dit verlangt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV Bijzondere bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20 Afwijking van het advies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien burgemeester en wethouders op grond van de toetsing van
                                    het advies van de commissie van oordeel zijn dat feiten en
                                    omstandigheden nopen tot het afwijken van het advies, maken zij
                                    alvorens hieromtrent een beslissing te nemen, hun standpunt
                                    gemotiveerd kenbaar aan de commissie.</al></li><li nr="2."><al>Indien een omstandigheid zich voordoet als bedoeld in het vorige
                                    lid van dit artikel, bieden burgemeester en wethouders de
                                    commissie de gelegenheid binnen een door hen te stellen termijn
                                    haar gevoelen hieromtrent kenbaar te maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Tweede advies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien burgemeester en wethouders zich niet kunnen verenigen met
                                    het advies van de commissie, kunnen zij ter motivering van de op
                                    de aanvraag om vergunning te nemen beslissing, een contra-advies
                                    inwinnen bij de door de stichting te benoemen tweede advies
                                    commissie.</al></li><li nr="2."><al>Een gelijke bevoegdheid tot het inwinnen van een contra-advies
                                    bij de door de stichting te benoemen tweede advies commissie,
                                    hebben burgemeester en wethouders bij het nemen van een
                                    beslissing op een bezwaarschrift in de zin van artikel 7:1 van
                                    de Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="3."><al>Alvorens tot het inwinnen van dit contra-advies over te gaan
                                    geven burgemeester en wethouders hiervan kennis aan de
                                    commissie. Burgemeester en wethouders stellen de aanvrager van
                                    de vergunning eveneens op de hoogte van het voornemen als
                                    bedoeld in het eerste lid. Het tweede lid van dit artikel is van
                                    overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in
                                    artikel 11 van de Monumentenwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Verslag van verrichte werkzaamheden door de
                                commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie brengt eenmaal per jaar door tussenkomst van het
                                    district aan de gemeenteraad schriftelijk verslag uit van haar
                                    werkzaamheden.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde verslag bevat een
                                    uiteenzetting van de wijze waarop de commissie toepassing heeft
                                    gegeven aan de criteria van redelijke eisen van welstand als
                                    bedoeld in artikel 8, lid 6, juncto artikel 12 van de Woningwet,
                                    de beleidsregels in de zin van artikel 4:81 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, alsmede de toepassing van de criteria en
                                    beleidsregels als bedoeld in artikel 4:81 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht op grond waarvan zij de aanvragen om vergunning op
                                    grond van artikel 11 van de Monumentenwet hebben
                                    beoordeeld.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk V Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na haar bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Aanpassingen als gevolg van wetswijziging
                                Woningwet</titel></kop><al>De aanduidingen in deze verordening die specifiek van toepassing zijn op
                            de Woningwet 1992, laatstelijk gewijzigd 2001, dienen bij wetswijziging
                            overeenkomstig te worden aangepast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening commissie
                            ruimtelijke kwaliteit district Zuid-Limburg rayon Beek, Meerssen,
                            Schinnen, Susteren en Stein.”</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>Toelichting op de Verordening commissie ruimtelijke kwaliteit voor het
                        district Zuid-Limburg rayon Beek, Meerssen, Schinnen, Susteren en
                        Stein</vet></al><al><vet>Algemeen deel</vet></al><al>Deze modelverordening is opgesteld door de Stichting Ruimtelijke Kwaliteit
                    Limburg, in samenspraak met alle betrokken gemeenten om tot een uniforme
                    structuur van de gemeentelijke welstandszorg te komen. Dit model wordt
                    aangereikt; alle gemeenten zijn echter autonoom in het vaststellen van de
                    verordening. Ten behoeve van afstemming en overzicht dienen wijzigingen op deze
                    modelverordening te worden gemeld bij het districtsbestuur. In het verlengde
                    hiervan is tevens een modelwerkwijze voor de commissies ontwikkeld.</al><al>Deze modelverordening biedt de formeel-juridische grondslag op grond van de
                    Gemeentewet voor het functioneren van de commissie ruimtelijke kwaliteit
                    (voorheen de welstandscommissie) in het district Zuid-Limburg. Conform artikel
                    82 Gemeentewet heeft de gemeenteraad in beginsel het primaat tot het instellen
                    van commissies en regelt hij voor zover hier van belang de taken, de
                    bevoegdheden en de samenstelling van deze commissies. Een gelijke bevoegdheid
                    heeft de gemeenteraad op grond van artikel 91 Gemeentewet tot het instellen van
                    vaste commissies van advies aan burgemeester en wethouders. Een voorwaarde is
                    wél dat de gemeenteraad tot het instellen van deze vaste commissies van advies
                    alleen kan overgaan op voorstel van burgemeester en wethouders.</al><al>De welstandscommissie is een op grond van de bijzondere wet in casu artikel 8,
                    lid 6 van de Woningwet verplichte (vaste advies)commissie van onafhankelijke
                    deskundigen voor het adviseren van burgemeester en wethouders omtrent redelijke
                    eisen van welstand ter zake bouwaanvragen.</al><al>De op grond van de Monumentenwet 1988 aan burgemeester en wethouders in beginsel
                    toegekende bevoegdheid om te beschikken op aanvragen om vergunningen, wordt
                    ingevolge het bepaalde van artikel 59 van die wet eerst toepasselijk indien de
                    gemeenteraad een monumentenverordening heeft vastgesteld. Als een dergelijke
                    verordening niet is vastgesteld en in werking is getreden dan heeft de minister
                    van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ter zake de vergunningsaanvragen,
                    beslissingsbevoegdheid. In dit geval is de reikwijdte van deze verordening
                    beperkt tot de besluitvorming ter zake het instellen van de welstandscommissie,
                    alsmede het regelen van de samenstelling, de inrichting en de werkwijze van deze
                    commissie. Zie in dit verband de artikelsgewijze toelichting.</al><al>Is door de gemeenteraad een monumentenverordening vastgesteld dan leidt dit
                    conform artikel 15, lid 1 van de Monumentenwet tot een verplichte inschakeling
                    van een commissie op het gebied van monumentenzorg.</al><al>In de Monumentenwet is in tegenstelling tot de Woningwet niet de eis opgenomen
                    dat deze commissie uit onafhankelijke deskundigen moet zijn samengesteld. Wél
                    blijkt uit de jurisprudentie van de bestuursrechter dat er evenwicht in de
                    deskundigheid van de commissie wordt geëist. Hieruit kan een
                    onafhankelijkheidseis worden afgeleid, zij het niet in de strikte betekenis
                    zoals de Woningwet daaraan geeft voor de welstandscommissie.</al><al>Zowel de welstandscommissie als de monumentencommissie zijn wettelijke adviseurs
                    in de zin van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hetgeen
                    betekent dat afdeling 3.3 (advisering) van deze wet van toepassing is.</al><al>Door het vaststellen van een verordening regelende de instelling, de
                    samenstelling, de inrichting en de werkwijze van de commissie ruimtelijke
                    kwaliteit wordt voldaan aan de genoemde bepalingen van de bijzondere
                    wetgeving.</al><al>Voor zover het betreft de in districtsverband aangesloten gemeenten bij de
                    voormalige ‘Stichting Het Limburgs Welstandstoezicht’, beoogt deze verordening
                    te voorzien in een formeel-juridische grondslag voor het welstandstoezicht en de
                    monumentenzorg in deze gemeenten. Het vaststellen van deze verordening is niet
                    per definitie noodzakelijk voor de gemeenten die zelfstandig waren aangesloten
                    bij de ‘Stichting Het Limburgs Welstandstoezicht’ omdat zij beschikken over een
                    zelfstandig juridisch kader (verordening) voor het welstandstoezicht en/of de
                    monumentenzorg. Echter in verband met afstemming en structurering verdient het
                    de voorkeur gelijke verordeningen binnen een district vast te stellen.</al><al>De verordening bevat bepalingen betreffende een procesmatige versterking van de
                    advisering door de commissie ruimtelijke kwaliteit. De in de verordening
                    opgenomen regels stellen bijvoorbeeld eisen aan de rechtszekerheid van het
                    (voor)overleg bij (bouw)plannen, de kwaliteit van de advisering, het vragen van
                    een tweede advies en het scheppen van efficiënte en transparante procedures.
                    Aspecten zoals openbaarheid van de vergaderingen van de commissie ruimtelijke
                    kwaliteit en een verplichte verslaglegging ten behoeve van de bestuurlijk-
                    politieke verantwoording van het welstandstoezicht en de monumentenzorg, vinden
                    regeling in deze verordening.</al><al>Deze verordening is aangepast aan de in de afgelopen jaren gewijzigde
                    regelgeving in de Woningwet en de Gemeentewet, alsmede aan de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><al>Tevens wordt in de geheel herziene verordeningsbepalingen geanticipeerd op de
                    wijziging van de Woningwet (TK 1998-1999, 26734), die per 1 juli 2002 in werking
                    zal treden.</al><al>Met deze voorgenomen wijziging van de Woningwet zal een aantal aspecten van
                    bepalingen omtrent de samenstelling, de inrichting en de werkwijze van de
                    welstandscommissie komen te vervallen, omdat deze aspecten onderwerpen betreffen
                    die dan als voorschriften in de bouwverordening moeten worden opgenomen. Toch is
                    het ook voor de zogenaamde zelfstandige gemeenten zinvol om vooruitlopend op de
                    voorgenomen wijziging van de Woningwet in te spelen op de beoogde vernieuwing
                    van het gemeentelijk welstandstoezicht en het welstandsbeleid. Hierdoor worden
                    de bestuurlijke lasten bij de invoering van de nieuwe wetgeving gespreid en
                    wordt tegemoet gekomen aan de maatschappelijke wensen tot het verbeteren van de
                    transparantie van het welstandstoezicht. Een bijkomend voordeel is dat nu reeds
                    de nodige ervaring kan worden opgedaan met het nieuwe bestuurlijk- juridische
                    instrumentarium. Aan dit aspect is vooral aandacht besteed bij de behandeling
                    van onder andere het overgangsrecht in het kader van de voorgenomen wijziging
                    van de Woningwet.</al><al>Voor wat betreft de in deze verordening opgenomen voorschriften omtrent de
                    samenstelling, de inrichting en de werkwijze van de monumentencommissie heeft de
                    wijziging van de Woningwet geen gevolgen.</al><al>Aan het vaststellen van deze verordening door de gemeenteraad ligt mede ten
                    grondslag een hieraan voorafgaand genomen besluit door de gemeenteraad tot het
                    aangaan van een samenwerkingsconvenant met gemeenten om ‘in districtsverband’
                    voor zijn gemeente afzonderlijk, één uniforme verordening voor de ruimtelijke
                    kwaliteit vast te stellen, alsmede een overeenkomst tot het facultatief gebruik
                    maken van de diensten van de Stichting Ruimtelijke Kwaliteit Limburg. Concreet
                    betekent dit dat de implementatie van het nieuwe noodzakelijke bestuurlijk-
                    juridisch instrumentarium voor de gemeenten in districtsverband er toe leidt dat
                    de districtsgemeenten, beschikken over een identiek samengestelde commissie
                    ruimtelijke kwaliteit.</al><al>Voor wat betreft het aanbod van diensten van de Stichting Ruimtelijke Kwaliteit
                    Limburg, voorziet de nieuwe verordening in een aantal bepalingen in een
                    facultatieve inschakeling van deze stichting (de artikelen 4, 7, 8, 10, 12, 14
                    en 22).</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Elke gemeenten in het district is autonoom in de wijze waarop de advisering van
                    monumenten geschiedt en het instellen of behouden van een aparte
                    monumentencommissie. Voor zover op grond van het gestelde in het algemeen deel
                    van deze toelichting niet wordt overgegaan tot het instellen van een
                    geïntegreerde monumentencommissie behoeven dit artikel, alsmede de overige
                    bepalingen van deze verordening aanpassing, voor zover het betreft de bepalingen
                    waarin de Monumentenwet dan wel de monumentenzorg met zoveel woorden wordt
                    genoemd.</al><al><vet>Artikel 2 Inleidende bepalingen</vet></al><al>Met deze bepaling wordt voldaan aan de wettelijke verplichting tot het instellen
                    van een welstandscommissie en een monumentencommissie. Uiteraard geldt deze
                    verplichting tot het instellen van een monumentencommissie eerst dan, indien bij
                    een verordening als bedoeld in artikel 15, lid 1 van de Monumentenwet de
                    inschakeling van deze commissie is geregeld. Kortheidshalve wordt in dit verband
                    volstaan met te verwijzen naar het algemeen deel van deze toelichting.</al><al><vet>Artikel 3 Bevoegdheden</vet></al><al>Deze bepaling brengt tot uitdrukking dat de bevoegdheid tot het uitbrengen van
                    een advies aan burgemeester en wethouders eerst dan ontstaat zodra burgemeester
                    en wethouders aan de commissie ruimtelijke kwaliteit ter zake een verzoek hebben
                    gedaan.</al><al>Dit artikel is van een ruimere strekking dan de wettelijke adviesverplichtingen
                    conform artikel 8, lid 6 van de Woningwet (welstandscommissie) en artikel 15,
                    lid 1 van de Monumentenwet (monumentencommissie). In dit verband wordt gewezen
                    op het bepaalde in artikel 15 van deze verordening tot het inschakelen van de
                    commissie omtrent ruimtelijke kwaliteitsplannen.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de advisering omtrent lichtvergunningplichtige
                    bouwwerken aan de hand van door de gemeenteraad vastgestelde criteria mandateren
                    aan een inhoudelijk bevoegde ambtelijk medewerker of een lid van de
                    commissie.</al><al><vet>Artikel 4 Uitsluiting van bevoegdheden</vet></al><al>Dit artikel brengt tot uitdrukking dat de welstandscommissie in beginsel geen
                    repressieve toets (repressief welstandstoezicht) verricht voor wat betreft het
                    uiterlijk van een bouwwerk of een standplaats. Artikel 19 van de Woningwet bevat
                    een excessenregeling. In het voorgenomen wetsvoorstel tot wijziging van de
                    Woningwet wordt gesteld dat de inschakeling van de welstandscommissie bij
                    excessen niet tot een wettelijke verplichting moet leiden. Conform de inhoud van
                    het bovengenoemde wetsvoorstel gaat het bij excessen (ernstige strijd met
                    redelijke eisen van welstand) om evidente en ook voor niet-deskundigen duidelijk
                    kenbare buitensporigheden van het uiterlijk.</al><al>Het verplicht inschakelen van de welstandscommissie wordt in dit geval niet
                    zinvol geacht. Dit artikel sluit het vragen van advies door burgemeester en
                    wethouders aan de welstandscommissie in beginsel uit, behoudens de gemaakte
                    uitzonderingen in het tweede en het derde lid.</al><al><vet>Artikel 5 Samenstelling</vet></al><al>In het belang van een evenwichtige advisering is in lid 1 van dit artikel,
                    gekozen voor een oneven aantal leden.</al><al>Het tweede lid van dit artikel laat de mogelijkheid open voor het benoemen van
                    een lekenlid in de commissie.</al><al>Met het derde lid van dit artikel wordt beoogd het districtsbestuur de
                    bevoegdheid toe te kennen om nadere eisen te stellen omtrent het profiel van de
                    voorzitter en de leden van de welstandscommissie.</al><al>Met het oog op invulling van de plaatsvervangende leden en op afroep beschikbaar
                    te stellen aanvullende disciplines wordt een pool van deskundigen samengesteld
                    en beheerd door de stichting. Door middel van deze pool kan de dienstverlening,
                    de integraliteit en kwaliteit van advisering worden vergroot. De pool bedient
                    het gehele district Zuid-Limburg. Deze adviseurs kunnen incidenteel worden
                    opgeroepen. Indien vaker van de diensten van een specifieke adviseur in een
                    bepaalde commissie wordt gebruik gemaakt moet vaste benoeming, met de daaraan
                    gekoppelde maximale zittingstermijn, plaatsvinden.</al><al><vet>Artikel 6 Benoeming, schorsing en ontslag</vet></al><al>Gekozen is voor het benoemen, schorsen en ontslag van de voorzitter en de leden
                    van de commissie door de gemeenteraad, teneinde te voldoen aan de wenselijkheid
                    tot aanscherping van de controlefunctie van de gemeenteraad ten aanzien van het
                    welstandstoezicht en de wettelijke eisen. In dit verband wordt gewezen op de
                    uitgangspunten ter zake de bestuurlijk- politieke verantwoordelijkheid voor het
                    welstandstoezicht, zoals deze vooralsnog zijn opgenomen in het wetsvoorstel tot
                    wijziging van de Woningwet (TK 1998-1999, 26734).</al><al>In verband met de dualisering en een pragmatische werkwijze is in de verordening
                    voorzien in een delegatie van taken aan het college van burgemeester en
                    wethouders voor de hand liggen. Het districtsbestuur zowel als de stichting
                    kunnen voordrachten doen.</al><al><vet>Artikel 7 Secretaris</vet></al><al>De secretaris van de commissie ruimtelijke kwaliteit vervult een
                    dienstverlenende en coördinerende functie. Primair draagt de secretaris zorg
                    voor een doelmatige ondersteuning van de voorzitter en de leden van de
                    commissie. Dit betekent dat de secretaris verantwoordelijk is voor de
                    administratieve voorbereiding van de vergaderingen van de commissie.</al><al>De secretaris is in beginsel verantwoordelijk voor een behoorlijke
                    verslaglegging van de vergaderingen van de commissie en het bijhouden van de
                    presentielijst.</al><al>Op verzoek van de voorzitter en de leden van de commissie wordt door de
                    secretaris, informatie verstrekt over de onder de commissie berustende
                    documenten die het belang dienen van een adequate advisering van burgemeester en
                    wethouders. De secretaris kan de commissie aanwijzingen geven over de vorm en de
                    inrichting van de adviezen aan burgemeester en wethouders en is belast met het
                    ontwerpen van deze adviezen.</al><al>Op grond de ondersteunende functie is de secretaris een belangrijke intermediair
                    tussen de commissie, burgemeester en wethouders, de beleidsafdelingen van de
                    gemeentelijke organisatie en de in het kader van de adviestaak van de commissie,
                    hierbij betrokken belanghebbenden. Gelet op de functie van de secretaris
                    verdient het aanwijzen van een ambtenaar afkomstig uit een gemeentelijke
                    organisatie aanbeveling. Teneinde een dergelijke aanwijzing van een secretaris
                    afkomstig van een niet-gemeentelijke organisatie niet uit te sluiten, is in het
                    eerste lid van dit artikel de mogelijkheid opgenomen om op termijn zo nodig een
                    secretaris aan te wijzen die afkomstig is van de Stichting Ruimtelijke Kwaliteit
                    Limburg. Het tweede lid van deze bepaling is op genomen in het belang van de
                    continuïteit van het secretariaat indien de secretaris verhinderd is in de
                    uitoefening van de functie.</al><al>Enerzijds staat de secretaris in een functionele relatie tot de commissie, maar
                    aan de andere kant maakt de secretaris onderdeel uit van de hiërarchische
                    organisatie, en is er sprake van ondergeschiktheid aan de leiding van de
                    afdeling van de organisatie, waarin deze werkzaam is.</al><al>Voor een adequaat functioneren van de commissie ruimtelijke kwaliteit is een zo
                    zelfstandig mogelijke positie van de secretaris een voorwaarde.
                    Onafhankelijkheid voor wat betreft de inhoudelijke kant van de adviesprocessen
                    van de commissie, alsmede de taak en de bevoegdheid van de secretaris, kunnen zo
                    mogelijk worden vastgelegd in door het districtsbestuur vast te stellen nadere
                    regels. Het derde lid van dit artikel biedt hiertoe de mogelijkheid.</al><al><vet>Artikel 8 Zittingsduur</vet></al><al>Met dit artikel is beoogd om aansluiting te zoeken met de wetswijziging van de
                    Woningwet (Wijziging naar aanleiding van de evaluatie van de Woningwet en het
                    project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit, TK 1998-1999,
                    26734).</al><al>Met dit wetsvoorstel wordt een beperkte zittingsduur van de voorzitter en de
                    leden van de welstandscommissie nagestreefd ter wille van een regelmatige
                    vervanging van de samenstelling van de welstandscommissie. De maximale
                    benoemingstermijn van de voorzitter en de leden is in het betreffende
                    wetsvoorstel gesteld op zes jaar. In deze verordeningsbepaling wordt de normale
                    zittingsduur van de voorzitter en de commissieleden op drie jaar gesteld, zulks
                    met de eenmalige mogelijkheid tot herbenoeming voor alsnog een termijn van drie
                    jaar. Hierdoor wordt conform de voorgenomen bedoelingen op rijksniveau voldaan
                    aan een maximale benoemingsperiode van zes jaar.</al><al>De benoeming voor een termijn van drie jaar heeft tot voordeel dat mede in het
                    licht van het streven in het bovengenoemde wetsvoorstel tot het aanscherpen van
                    de bestuurlijk-politieke verantwoordelijkheid voor het welstandstoezicht, ná
                    afloop van de eerste benoemingsperiode, de gemeenteraad de mogelijkheid heeft
                    zich te bezinnen over de herbenoeming van de voorzitter dan wel het lid van de
                    commissie.</al><al>Opgemerkt wordt in dit verband dat het wél mogelijk is dat een voorzitter of een
                    lid van de commissie wordt benoemd in een ander (welstands)district dan wel in
                    een andere gemeente die tot een district behoort.</al><al>Het vierde lid biedt de mogelijkheid voor het districtsbestuur om ingeval van
                    het ontstaan van een vacature in de commissie, eventueel de Stichting
                    Ruimtelijke Kwaliteit Limburg te nodigen, hen ter zake een voorstel te doen tot
                    een aanbeveling van personen.</al><al><vet>Artikel 9 Voorschriften omtrent de werkwijze</vet></al><al>Hoofdstuk III van deze verordening bevat uiteenlopende en uitvoerige bepalingen
                    omtrent de werkwijze van de commissie ruimtelijke kwaliteit. Uit een oogpunt van
                    doelmatigheid en flexibiliteit en ter voorkoming van onnodige regelverdichting,
                    is het niet gewenst het aantal bepalingen ter zake de door de commissie
                    ruimtelijke kwaliteit te volgen werkwijze van advisering verdere uitbreiding te
                    geven. In die gevallen dat het noodzakelijk mocht blijken, alsnog een
                    voorziening te treffen in het belang van een verbetering van de werkwijze van de
                    commissie, is in dit artikel aan het districtsbestuur de bevoegdheid toegekend
                    hieromtrent (alsnog) voorschriften te geven.</al><al><vet>Artikel 10 Advies en bijstand</vet></al><al>Het eerste lid van dit artikel dient het belang van een adequate advisering van
                    de commissie aan burgemeester en wethouders. De mogelijkheid tot het inwinnen
                    van ambtelijke adviezen door de commissie en het gebruik maken van ambtelijke
                    bijstand ten behoeve van de commissie, verhoogt de kwaliteit van de advisering
                    door de commissie.</al><al>De benodigde informatie omtrent plannen wordt gestroomlijnd en er kan een
                    rechtens juiste toepassing worden gegeven door de commissie, als externe
                    adviseur in het kader van artikel 3:5 juncto 3:9 Awb, voor wat betreft de in dit
                    laatste artikel bedoelde kennisvergaring over feiten en belangen.</al><al>Daarnaast biedt de inschakeling van het ambtelijk apparaat mogelijkheden tot de
                    gewenste coördinatie en geïntegreerde aanpak bij het beoordelen van de plannen
                    in relatie tot de ruimtelijke kwaliteitszorg. In dit verband wordt overigens
                    verwezen naar het gestelde in de toelichting van artikel 15 van deze
                    verordening.</al><al>Het tweede lid heeft betrekking op omstandigheden, waarin sprake is van de
                    beoordeling van complexe en bijzondere plannen die van grote betekenis zijn voor
                    de ruimtelijke kwaliteit en waarbij voor bepaalde onderdelen en aspecten van
                    dergelijke plannen, de commissie niet beschikt over voldoende expertise. In
                    dergelijke gevallen is het mogelijk dat de commissie zich de benodigde
                    bijzondere expertise verschaft door het inschakelen van derde deskundigen.</al><al>Teneinde voor de in dit artikel bedoelde gevallen de kosten die gemoeid zijn met
                    het inschakelen van deze expertise te beheersen, is in het derde lid een
                    bepaling opgenomen die de commissie verplicht tot het vragen van een
                    voorafgaande machtiging.</al><al><vet>Artikel 11 (Voor)overleg</vet></al><al>Het in dit artikel bedoelde (voor)overleg is bedoeld als (voor)behandeling van
                    het ingediende bouwplan dan wel een plan in het kader van de Monumentenwet. De
                    wijze van de planbeoordeling vindt grondslag in artikel 18 van de verordening.
                    Het uitbrengen van het advies door de commissie aan burgemeester en wethouders
                    is geregeld in artikel 20.</al><al>Het vooroverleg is van verkennende en richtinggevende strekking en is mede
                    gericht op overleg met de aanvrager dan wel de ontwerper van het plan.</al><al>Meer in het bijzonder wordt met dit artikel beoogd invulling te geven aan het
                    niet in de Woningwet geregelde (informele) bouwplanoverleg.</al><al>Met de regeling in dit artikel van het informeel vooroverleg wordt meer in
                    concreto vorm geven aan het feit dat het besluitvormingsproces in werkelijkheid
                    veelal anders verloopt dan in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt
                    verondersteld. Op grond van de Awb vangt dit besluitvormingsproces doorgaans aan
                    met het indienen van bijvoorbeeld een aanvraag om bouwvergunning dan wel een
                    vergunning ingevolge de Monumentenwet. De bestuurspraktijk is echter anders.
                    Veelal vindt vóór het formeel indienen van de aanvraag om vergunning, uitvoerig
                    overleg plaats tussen de aanvrager en de commissie.</al><al>Deze bestuurspraktijk van het (informele) vooroverleg levert een belangrijke
                    bijdrage aan de doelmatigheid en de kwaliteit van de besluitvorming. Met dit
                    vooroverleg is het niet de bedoeling om eventuele derdebelanghebbenden buiten
                    spel te zetten. Uiteindelijk behoren burgemeester en wethouders op grond van de
                    uitgangspunten van de Awb rekening te houden met de bij het bouwplan betrokken
                    belangen en de eventuele (derden)belanghebbenden.</al><al>Met het vooroverleg, wordt onverminderd de in de bepalingen van de Awb gestelde
                    normen aan bestuursorganen voor het nemen van besluiten, een bijdrage geleverd
                    aan de efficiency en de kwaliteit van de besluitvorming, door in de
                    voorbereidingsfase voor wat betreft het adviesaspect, duidelijkheid te
                    verschaffen over de (on)wenselijkheid van door potentiële vergunningaanvragers,
                    voorgenomen plannen.</al><al><vet>Artikel 12 Onderzoek ter plaatse door de commissie</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat de welstandscommissie dan wel de
                    monumentencommissie ten behoeve van het uit te brengen advies een onderzoek ter
                    plaatse kunnen instellen. Zowel de welstandscommissie als de monumentencommissie
                    zijn adviseurs in de zin van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
                    Beide commissies zijn bij wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake
                    door het bestuursorgaan te nemen besluiten en zijn niet werkzaam onder
                    verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. De welstandscommissie is op grond
                    van artikel 8, lid 6 van de Woningwet, een commissie van onafhankelijke
                    deskundigen. Burgemeester en wethouders kunnen een melding als bedoeld in
                    artikel 42, lid 2 van de Woningwet voor advies voorleggen aan de
                    welstandscommissie die beziet of het gemelde bouwwerk niet in strijd is met
                    redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid. Daarnaast
                    bevat artikel 48, eerste lid van de Woningwet een verplichte inschakeling door
                    burgemeester en wethouders om hen te adviseren, omtrent een aanvraag om
                    bouwvergunning en hierbij eveneens te bezien of het bouwwerk dan wel de
                    standplaats niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.</al><al>Op grond van artikel 3:9 is het onderzoek van de commissie ruimtelijke kwaliteit
                    in het kader van de adviestaak op grond van de Woningwet en de Monumentenwet,
                    gebaseerd op een onderzoek naar feiten en gedragingen. Zowel de
                    welstandscommissie als de monumentencommissie, adviseren op grond van specifieke
                    deskundigheid op het gebied van ruimtelijke kwaliteit (welstand) en
                    monumentenzorg burgemeester en wethouders.</al><al>Voor wat betreft de uitkomsten van de adviezen van deze commissies legt artikel
                    3:9 Awb, burgemeester en wethouders als competent bestuursorgaan, de
                    verplichting op zich ervan te vergewissen dat het onderzoek van deze adviseurs
                    in de zin van artikel 3:5 Abw op zorgvuldige wijze is geschied. Dit laatste is
                    mede van belang in relatie tot artikel 3:2 Awb.</al><al>Artikel 3:9 Awb is een verbijzondering van artikel 3:2. In dit belangrijke
                    artikel is het formele zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van
                    behoorlijk bestuur gecodificeerd. Artikel 3:2 van de Awb bepaalt dat het
                    bestuursorgaan in dit geval burgemeester en wethouders, bij de voorbereiding van
                    een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te
                    wegen belangen.</al><al>De mogelijkheid tot een bezichtiging van de situatie ter plaatse kan een
                    belangrijke bijdrage leveren aan de zorgvuldigheid het nemen van besluiten op
                    grond van de Woningwet en de Monumentenwet (artikel 3:2 Awb) ten dienste van de
                    kwaliteit van de besluitvorming. Ook kan een dergelijk onderzoek de kwaliteit
                    van de adviezen verhogen (artikel 3:9 Awb).</al><al>Uitgangspunt bij het uitbrengen van de adviezen door de commissie ruimtelijke
                    kwaliteit, is echter niet dat onderzoek ter plaatse in de regel moet geschieden.
                    Doorgaans is een bezichtiging ter plaatse van de omgeving van het voorgenomen
                    (bouw)plan dan wel de voorgenomen activiteit in het kader van de Monumentenwet,
                    niet nodig. De commissies moeten in het merendeel der gevallen in staat worden
                    geacht zich een oordeel te kunnen vormen op grond van de overlegde gegevens bij
                    ingediende bouwaanvraag, het meldingsformulier of de aanvraag met bescheiden in
                    het kader van de Monumentenwet. Dit kan echter anders zijn in een situatie dat
                    er gesproken kan worden van een controversieel karakter van plannen vanuit een
                    esthetisch gezichtpunt, dan wel de ruimtelijke kwaliteit.</al><al>Een bezichtiging ter plaatse kan ook geboden zijn in de gevallen van een bezwaar
                    dan wel beroep ingevolge de Awb. Genoemd kunnen ook worden situaties, waarin
                    door burgemeester en wethouders een nieuwe beslissing moet worden genomen omdat
                    een eerdere beslissing is vernietigd door de bestuursrechter wegens gebreken in
                    het welstandsadvies.</al><al>Het tweede lid van dit artikel is eveneens gericht op het bieden van waarborgen
                    ter voldoening aan het zorgvuldigheidsbeginsel, als bedoeld in de artikelen 3:2
                    en 3:9 Awb. Daarbij is mede van belang het bieden van gelijke kansen aan
                    degenen, wier belangen betrokken zijn bij de voorgenomen realisering van
                    plannen.</al><al><vet>Artikel 13 Onvolkomenheden van geringe betekenis in het ontwerp
                        bouwplan</vet></al><al>Dit artikel beoogt tegemoet te komen aan de eisen die voortvloeien uit het
                    zorgvuldigheidsbeginsel zoals dit als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur
                    is gecodificeerd in artikel 3:2 Awb. Het is rechtens niet aanvaardbaar dat
                    bijvoorbeeld een vergunning worden geweigerd, wanneer de commissie van oordeel
                    is dat het plan ná aanpassing hierdoor alsnog aanvaardbaar is. Het ligt dan voor
                    de hand dat alvorens de commissies advies uitbrengen aan burgemeester en
                    wethouders, deze de gelegenheid bieden het betreffende plan alsnog aan te
                    passen, mits termijnen dit toelaten.</al><al>Een zorgvuldige voorbereiding van het te nemen besluit op de aanvraag vereist,
                    dat de belanghebbende aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld, binnen een door
                    de commissie te stellen termijn, alsnog aan te passen.</al><al><vet>Artikel 14 Het adviseren omtrent de ontwikkeling van bouwplannen in
                        aangewezen gebieden van de gemeente</vet></al><al>Met dit artikel wordt beoogd de commissie, dan wel de Stichting Ruimtelijke
                    Kwaliteit Limburg of een andere onafhankelijke deskundige te betrekken in het
                    vooraf ontwikkelen van bouwplannen in gebieden met een grote mate van
                    ruimtelijke kwaliteitsrelevantie. Met een tijdige inschakeling van de commissie
                    in dergelijke gebieden van de gemeente wordt enerzijds de samenhang met het
                    gemeentelijk beleidsproces met de adviesfunctie van de commissie versterkt,
                    terwijl hierdoor bovendien de informatiestroom en het kennisniveau van de
                    commissie over de beoogde ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd. In dit verband
                    wordt overigens nog verwezen naar de toelichting behorende bij artikel 15.</al><al><vet>Artikel 15 De inschakeling van de commissie omtrent ruimtelijke
                        kwaliteitsplannen</vet></al><al>De afgelopen jaren is het belang toegenomen van een goede ruimtelijke kwaliteit,
                    waarbij een samenhangend beleid wordt nagestreefd voor ruimtelijke
                    kwaliteitszorg. De bestuurlijke taak voor ruimtelijke kwaliteit, zoals die zich
                    manifesteert in het welstandstoezicht, is niet alleen gericht op de
                    aanvaardbaarheid van het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken. Het is veelal
                    regel dat bij ruimtelijke kwaliteitsplannen meerdere disciplines worden
                    betrokken, waarbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan aspecten van
                    (landschaps-)architectuur, stedenbouw en monumentenzorg. Een dergelijke nieuwe
                    benadering van de ruimtelijke kwaliteitszorg op lokaal niveau, vereist een
                    bredere integratie van het welstandstoezicht in de stedenbouwkundige
                    planvorming. Een integrale afstemming tussen ruimtelijke relevante factoren die
                    ruimtelijke kwaliteitszorg raken is hierbij van belang. Ten behoeve van een
                    adequate integratie van ondermeer het welstandsaspect in het totale bestuurlijke
                    ruimtelijke kwaliteitsbeleid is het ten behoeve van de hiervoor genoemde
                    beleidsmatige aanpak noodzakelijk, de commissie ruimtelijke kwaliteit in een zo
                    vroeg mogelijk stadium te betrekken bij het ontwikkelen van (kwaliteits-)plannen
                    en het te realiseren beleid voor ruimtelijke kwaliteit.</al><al><vet>Artikel 16 Openbaarheid van de vergaderingen van de commissie</vet></al><al>Met het openbaarheidartikel voor de vergaderingen van de commissie ruimtelijke
                    kwaliteit wordt geanticipeerd op de voorgenomen wetswijziging van de Woningwet
                    (TK 1998-1999, 26734). Als het beoogde wetsvoorstel rechtskracht heeft zijn de
                    vergaderingen van de welstandscommissie in beginsel openbaar (artikel 12b).</al><al>Er is nu geen formeel- wettelijke regeling die verplicht tot het houden van
                    openbare vergaderingen van zowel de welstandscommissie als de
                    monumentencommissie. Met deze bepaling is een weloverwogen keuze gemaakt voor
                    het uitgangspunt dat vergaderingen van de commissie in beginsel openbaar dienen
                    te zijn. Het beginsel van openbaarheid van vergaderingen is mede ingegeven door
                    de discussies over de vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij
                    speelt mede een rol van betekenis de algemene wens voor het meer transparant
                    maken van de advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Deze wens
                    is eveneens van belang voor het beleid op het terrein van de
                    monumentenzorg.</al><al>Het vierde lid van dit artikel geeft het districtsbestuur de bevoegdheid om
                    sturing te geven aan de wijze waarop de behandeling van plannen in de
                    vergadering van de commissie plaatsvindt.</al><al>Mede gelet op de bestuurlijk-politieke discussies over het gebrek aan voldoende
                    transparante behandeling van plannen door de welstandscommissie, is het van
                    belang de toegankelijkheid van de wijze van openbare planbehandeling in de
                    commissievergadering te verbeteren. Overigens zal de Stichting Ruimtelijke
                    Kwaliteit Limburg vanuit haar algemene taken procedurele voorstellen doen voor
                    het openbaar vergaderen.</al><al>Het scheppen van bestuurlijke randvoorwaarden ten dienste van een transparante
                    openbare behandeling van plannen, levert een bijdrage aan het in dit artikel
                    opgenomen openbaarheidbeginsel van de commissievergadering.</al><al>Te denken valt hier aan het stellen van nadere regels door het districtsbestuur
                    omtrent een transparant en toegankelijk behandelingsproces van de plannen. Aan
                    toehoorders moet de gelegenheid kunnen worden geboden om plannen en tekeningen
                    in te zien. De commissie dient in voor leken begrijpelijke taal, inzicht te
                    verschaffen en nadere uitleg te geven over de plannen. Nadere regels
                    hieromtrent, ondermeer ten aanzien van het vermijden van abstract taalgebruik en
                    vakjargon kunnen worden vastgelegd in een huishoudelijk reglement voor het
                    district. Ook verdient het aanbeveling dat de commissie voldoende tijd
                    reserveert voor de behandeling van plannen. Voorts is het wenselijk om
                    voorzieningen te treffen in het belang van een goede presentatietechniek en het
                    projecteren van de plantekeningen.</al><al><vet>Artikel 17 Onpartijdige behandeling</vet></al><al>In de Algemene wet bestuursrecht wordt voor zover hiervan belang, grote waarde
                    gehecht aan een taakvervulling door het bestuursorgaan zonder vooringenomenheid.
                    Artikel 2:4, lid 1 Awb bepaalt dit met zoveel woorden. Daarnaast heeft het
                    bestuursorgaan op grond van het tweede lid van dit artikel de plicht er voor te
                    waken dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een
                    persoonlijk belang hebben bij een besluit, de besluitvorming beïnvloeden.
                    Artikel 2:4 is niet van toepassing op externe adviseurs in de zin van artikel
                    3:5 Awb, zoals de welstandscommissie en de monumentencommissie. In dit geval
                    wordt eventuele door belanghebbenden beweerde vooringenomenheid in de
                    adviesprocedure, conform de bestaand jurisprudentie getoetst aan het formeel
                    zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 Awb.</al><al>Met deze verordeningsbepaling worden de belangen gediend met het naleven van het
                    zorgvuldigheidsbeginsel door burgemeester en wethouders, met oog op een
                    onbevooroordeelde advisering door de commissie omdat zij immers formeel
                    verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de uitgebracht te adviezen (de
                    artikelen 3:2 en 3:9 Awb). Het artikel heeft bijvoorbeeld tot strekking dat
                    leden van de commissie zich moeten onthouden van het beoordelen van
                    (bouw)plannen, waaraan zij direct dan wel indirect bij de totstandkoming zijn
                    betrokken.</al><al><vet>Artikel 18 Wijze van planbeoordeling</vet></al><al>Aan het gestelde in de leden 1 en 2 van dit artikel ligt de bedoeling ten
                    grondslag dat de welstandscommissie gebonden is aan de in de bouwverordening
                    opgenomen criteria voor redelijke eisen van welstand dan wel het door de
                    gemeenteraad vastgestelde beleid voor de visuele kwaliteit van de gebouwde
                    omgeving. De welstandscommissie is aan dit beleid gebonden voor zover het
                    openbaar bekend is gemaakt in planologische maatregelen, beleidsnota’s,
                    deelnotities e.d. Als voorbeelden van een dergelijk vastgesteld beleid kunnen in
                    dit verband worden genoemd beeldkwaliteitplannen, architectuurnota’s, aanvullend
                    geformuleerd welstandsbeleid voor bepaalde gebieden in de gemeente, alsmede
                    handhavingsbeleid e.d.</al><al>De genoemde criteria moeten worden opgenomen in een door de gemeenteraad vast te
                    stellen welstandsnota. Deze welstandsnota bevat beleidsregels waarin in ieder
                    geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders moeten toepassen
                    bij onder meer bouwplannen (voorgesteld ontwerpartikel 12a).</al><al>Bij realisering van de voorgestelde wetswijziging van de Woningwet zal dit
                    bovendien betekenen dat indien er geen welstandsnota is vastgesteld, de
                    welstandscommissie geen adviesbevoegdheid ter zake heeft. Dit laatste is tot
                    uitdrukking gebracht in het voorgestelde nieuwe artikel 12b, waarin met zoveel
                    woorden is gesteld dat de welstandscommissie haar advies slechts baseert op de
                    criteria, bedoeld in het beoogde nieuwe (ontwerp) artikel 12a.</al><al>Deze beleidsregels zijn besluiten in de zin van de Awb en moeten openbaar bekend
                    worden gemaakt willen zij in werking kunnen treden.</al><al>In de beleidsregels zoals hiervoor bedoeld, kunnen afwijkingen zijn
                    verdisconteerd door in deze regels, bijzondere gevallen aan te wijzen die een
                    gemotiveerde afwijking van het beleid kunnen rechtvaardigen.</al><al>Een bijzondere omstandigheid vormt bovendien het gestelde in artikel 4:84 Awb,
                    waarin is bepaald dat voor wat betreft de toepassing van beleidsregels hieraan
                    een inherente afwijkingsbevoegdheid is verbonden. Voorwaarde voor een afwijking
                    van het vastgestelde beleid is wél dat voor de belanghebbende(n) bijzondere
                    omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te
                    dienen doelen. Dit laat onverlet het uitgangspunt dat zowel de commissie
                    ruimtelijke kwaliteit als burgemeester en wethouders in beginsel moeten
                    adviseren c.q. besluiten conform het vastgestelde beleid.</al><al>Teneinde aan deze uitgangspunten van de Awb uitdrukking te geven is een vierde
                    lid opgenomen.</al><al><vet>Artikel 19 Uitbrengen advies</vet></al><al>De leden 1, 2 en 3 van dit artikel beogen tegemoet te komen aan de wettelijke
                    eis dat het advies is uitgebracht door de commissie als zodanig en niet door een
                    enkel lid van de commissie.</al><al>De bepaling in het vierde lid is opgenomen teneinde burgemeester en wethouders
                    inzicht te kunnen verschaffen omtrent de kwaliteit, de deugdelijkheid en de
                    consistentie van het welstandsadvies dan wel het advies van de
                    monumentencommissie. Voor burgemeester en wethouders moet kenbaar zijn of het
                    advies naar inhoud en wijze van totstandkoming alsmede de reikwijdte, al dan
                    niet gebreken vertoont en zij het advies redelijkerwijs kunnen overnemen. Zij
                    moeten zich immers op grond van artikel 3:9 Awb vergewissen dat aan het advies
                    een onderzoek ten grondslag ligt dat op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
                    Deze verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders voor de inhoud van het
                    advies in het kader van de besluitvorming, hoeft op grond van de
                    jurisprudentiemaatstaven niet zover te gaan dat zij als het ware ‘in de huid van
                    de adviseur moeten kruipen’.</al><al>Het vijfde lid behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>Artikel 20 Afwijking van het advies</vet></al><al>Burgemeester en wethouders zijn, gelet op het bepaalde in artikel 3:9 Awb als
                    verantwoordelijk bestuursorgaan niet verplicht om een door de welstandscommissie
                    dan wel de monumentencommissie aan hen uitgebracht advies zonder meer te volgen.
                    Zij hebben op grond van artikel 3:9 de verplichting zich er van te vergewissen
                    dat het advies van deze formeel- wettelijke adviescommissies zorgvuldig is tot
                    stand gekomen.</al><al>Dit kan er soms toe leiden dat bij twijfel aan de waarde van een eerste advies
                    een contra-expertise wordt gevraagd in de zin van artikel 22 van deze
                    verordening. De noodzaak van een second-opinion-advies als bedoeld in dit
                    artikel is echter niet steeds aanwezig. Voor die gevallen waarin geen toepassing
                    wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 22, verdient het aanbeveling dat de
                    wettelijke adviesprocedure in beginsel niet wordt doorkruist door middel van het
                    vragen van een contra-expertise. Eventuele onduidelijkheden over de inhoud van
                    het advies, de wijze waarop de commissie tot haar oordeel is gekomen, de juiste
                    feitelijke grondslag van de overwegingen van de commissie, de wijze van
                    formulering die de conclusie van het advies aannemelijk maakt. Voor dergelijke
                    niet limitatieve situaties verdient het veeleer aanbeveling dat burgemeester en
                    wethouder in overleg treden met de commissie.</al><al>Een dergelijk overleg is niet zonder betekenis vanwege het feit dat burgemeester
                    en wethouders weliswaar mogen afwijken van een advies van een wettelijk adviseur
                    in de zin van artikel 3:5 Awb, maar dat in het te nemen en genomen besluit
                    conform artikel 3:50 Awb, wél de reden voor de afwijking in de aan het besluit
                    ten grondslag liggende motivering moet worden vermeld.</al><al><vet>Artikel 21 Tweede advies</vet></al><al>In artikel 3:50 Awb is, zoals hiervoor is bepaald, dat indien het bestuursorgaan
                    een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk
                    voorschrift uitgebracht advies, de redenen voor de afwijking in de motivering
                    van het besluit wordt vermeld. Deze bepaling heeft betrekking op de bijzondere
                    status van de commissie ruimtelijke kwaliteit die adviseurs zijn in de zin van
                    artikel 3:5 Awb omdat deze commissies bij wettelijk voorschrift (de Woningwet
                    respectievelijk de Monumentenwet) belast zijn met het adviseren inzake door
                    burgemeester en wethouders te nemen besluiten omtrent aanvragen om vergunning
                    ingevolge de Woningwet en de Monumentenwet.</al><al>Ten behoeve van zowel de motivering als de zorgvuldigheid op grond van artikel
                    3:9 Awb van de op de aanvraag te nemen beslissing, is in dit artikel voorzien in
                    de mogelijkheid voor burgemeester en wethouders tot het inwinnen van een nieuw
                    extern advies. Teneinde onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen is in
                    deze bepaling opgenomen om een nieuw advies in te winnen bij een door de
                    Stichting Ruimtelijke Kwaliteit Limburg te benoemen tweede advies
                    commissie.</al><al>Op grond van het tweede lid hebben burgemeester en wethouders een gelijke
                    bevoegdheid tot het inwinnen van een contra-advies in die gevallen dat een
                    bezwaarschrift is ingediend tegen een genomen besluit omtrent een aanvraag op
                    grond van de Woningwet dan wel de Monumentenwet.</al><al>Het derde lid verplicht burgemeester en wethouders om voorafgaand aan het
                    inwinnen van een contra-advies, de welstandscommissie dan wel de
                    monumentencommissie van hun voornemen in kennis te stellen. Een dergelijke
                    procedure ligt voor de hand teneinde recht te doen aan de wettelijke
                    adviesrelaties van burgemeester en wethouders tussen de welstandscommissie en de
                    monumentencommissie. Als burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat aan hen
                    een nieuw advies moet worden uitgebracht, is het uit een oogpunt van zuiverheid
                    in deze adviesrelatie tussen burgemeester en wethouders en de commissie dat
                    voorkómen moet worden dat de reguliere wettelijk verplichte adviseur, vóóraf
                    geen kennis draagt van de inschakeling van derden-deskundigen. Een dergelijke
                    bepaling dient mede het belang van de vertrouwensrelatie tussen de commissie en
                    burgemeester en wethouders.</al><al><vet>Artikel 22 Verslag van verrichte werkzaamheden door de commissie</vet></al><al>In de afgelopen jaren is er sprake van een toegenomen kritiek op het
                    welstandstoezicht. Deze kritiek is niet weggenomen door de herziene Woningwet
                    1991, waarin op grond van artikel 8, lid 6 de verplichting is opgenomen dat de
                    bouwverordening criteria moet bevatten omtrent redelijke eisen van welstand en
                    de wijze waarop de welstandscommissie (bouw)plannen aan deze criteria
                    beoordeelt.</al><al>De kritiek ten aanzien van het welstandstoezicht richt zich onder meer op de het
                    functioneren van de welstandscommissies. De adviesprocessen van deze commissies
                    zijn doorgaans aan de openbare waarneming onttrokken. Ondanks de door de
                    welstandscommissies gedane inspanningen tot verbetering van deze negatieve
                    maatschappelijke beeldvorming, kan er nog steeds gesproken worden van een
                    onvoldoende maatschappelijk draagvlak voor de werkwijze van de
                    welstandscommissies.</al><al>Zoals in de aanhef van deze toelichting op dit artikel is gesteld, heeft de
                    verplichting in de Woningwet tot het ontwikkelen van welstandscriteria hierin
                    vooralsnog weinig verandering gebracht. Een zelfde beeldvorming bestaat ten
                    aanzien van het adviseren in het kader van de monumentenzorg.</al><al>Het besef is gegroeid voor het aanscherpen van de politieke verantwoordelijkheid
                    van burgemeester en wethouders voor het functioneren van het welstandstoezicht.
                    Ook bestaat het algemeen gevoelen om de functie van de gemeenteraad als algemeen
                    controleorgaan van burgemeester en wethouders, voor zover het betreft hun
                    verantwoordelijkheid voor het welstandstoezicht te versterken. Enerzijds zijn er
                    de algemene uitgangspunten, zoals deze zijn opgenomen in het rapport ‘De
                    gemeente vernieuwt’ (bekend onder de naam van het rapport Elzinga, genoemd naar
                    de voorzitter van de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie) om de
                    controlefunctie van de gemeenteraad te versterken en te verduidelijken.
                    Daarnaast is in dit verband van belang het voorgenomen voorstel van wet (TK
                    1998-1999, 26734) tot wijziging van de Woningwet, naar aanleiding van enerzijds
                    de evaluatie van die wet en anderzijds het project Marktwerking, Deregulering en
                    Wetgevingskwaliteit (bouwvergunningprocedure en welstandstoezicht). In dit
                    wetsvoorstel is onder meer voorzien in het verbeteren van de kwaliteit alsmede
                    het transparanter maken van de welstandsadvisering. Dit wetsvoorstel voorziet in
                    een jaarlijkse verslaggeving door de welstandscommissie aan de gemeenteraad over
                    de door haar verrichte werkzaamheden en eveneens een jaarlijkse verslaggeving
                    aan de gemeenteraad door burgemeester en wethouders.</al><al>Met deze verordeningsbepaling wordt een bijdrage geleverd aan een betere
                    toegankelijkheid van de wijze van advisering door de commissie ruimtelijke
                    kwaliteit.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>