<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR69891_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzaalwerk Amstelveen 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Amstelveens Weekblad d.d. 07-06-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen Amstelveen 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Gemeentewet, art. 249</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-05-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>06-07</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzaalwerk Amstelveen 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschriivinqen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>peuterspeelzaalwerk: het bieden van speelgelegenheid aan
                                    kinderen van twee tot vier jaar, gedurende één of meer dagdelen
                                    per week met een verblijfsduur van ten hoogste vier uur per dag,
                                    met als doel de ontwikkeling van deze kinderen te bevorderen en
                                    hen samen te laten spelen;</al></li><li nr="b."><al>peuterspeelzaal: een voorziening waar peuterspeelzaalwerk
                                    plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>houder: degene die een peuterspeelzaal exploiteert;</al></li><li nr="d."><al>beroepskracht: degene die in een peuterspeelzaal werkzaamheden
                                    verricht die zijn opgenomen in de voor het peuterspeelzaalwerk
                                    geldende CAO en die beschikt over een voor deze werkzaamheden
                                    passende beroepskwalificatie;</al></li><li nr="e."><al>begeleider: degene die anders dan als beroepskracht belast is
                                    met de verzorging en opvoeding van kinderen bij een
                                    peuterspeelzaal;</al></li><li nr="f."><al>wet: Wet kinderopvang.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>MELDINGSPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen
                                binnen de gemeente doet daarvan melding aan het college door middel
                                van een door het college beschikbaar gesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de melding
                                zijn verstrekt, onmiddellijk mededeling aan het college.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>KWALITEITSEISEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Algemene kwaliteitseisen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van een peuterspeelzaal biedt peuterspeelzaalwerk aan dat
                                bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een
                                veilige en gezonde omgeving. Artikel 49, eerste lid van de wet is
                                van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanig wijze,
                                voorziet de peuterspeelzaal zowel kwalitatief als kwantitatief
                                zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige
                                verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig pedagogisch
                                beleid dat het leidt tot verantwoord peuterspeelzaalwerk. Artikel
                                50, eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder moet ten behoeve van in de peuterspeelzaal aanwezige
                                functionarissen, begeleiders en kinderen, een passende
                                aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering afsluiten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Oppervlakte speelruimte</titel></kop><al>Voor elk kind dient minimaal 3,5 vierkante meter bruto-oppervlakte aan
                            binnenspeelruimte en minimaal 4 vierkante meter bruto-oppervlakte aan
                            buitenspeelruimte beschikbaar te zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Groepen en groepsgrootte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De opvang van kinderen vindt plaats in vaste groepen in passend
                                ingerichte vaste afzonderlijke ruimtes.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een peuterspeelzaalgroep bestaat uit maximaal twintig peuters in de
                                leeftijd van twee tot vier jaar. Artikel 6 van deze verordening
                                geeft aan hoeveel begeleiding per groep is vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep</titel></kop><al>Een groep van maximaal twintig kinderen wordt begeleid door minimaal
                            twee beroepskrachten. Een groep van maximaal vijftien kinderen wordt
                            begeleid door minimaal één beroepskracht en één begeleider.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Overeenkomst tussen houder en ouder</titel></kop><al>Opvang in een peuterspeelzaal geschiedt op basis van een schriftelijke
                            overeenkomst tussen de houder en ouder(s).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>HET GEMEENTELIJK TOEZICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Aanwijzing van een toezichthouder</titel></kop><al>Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht
                            op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gestelde
                            voorschiften.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toezichthouder onderzoekt één keer per twee jaar of de
                                exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming
                                met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast het onderzoek bedoeld in het eerste lid kan de toezichthouder
                                incidenteel en onaangekondigd onderzoek verrichten naar de naleving
                                door een houder van de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het inspectierapport</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een
                                onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de
                                voorschriften van deze verordening niet zijn of zullen worden
                                nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alvorens het rapport naar het college te zenden, stelt de
                                toezichthouder de houder van de peuterspeelzaal in de gelegenheid
                                van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze
                                kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de
                                houder in een bijlage bij het rapport.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de
                                houder.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na
                                verzending aan het college openbaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Aanwijzing en bevel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven indien
                                op basis van het inspectierapport blijkt dat deze de voorschriften
                                in deze verordening niet of in onvoldoende mate naleeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanwijzing geeft het college met redenen omkleed aan op welke
                                punten de voorschriften niet of in onvoldoende mate worden
                                nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de opvang bij
                                een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet dat het nemen van
                                maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan leiden, kan de
                                toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een
                                geldigheidsduur van zeven dagen, die door het college kan worden
                                verlengd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing
                                onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Voor peuterspeelzalen die reeds voor de inwerkingtreding van deze
                            verordening niet voldoen aan de gestelde eisen in artikel 4 van deze
                            verordening, gelden de volgende normen: voor elk kind dient minimaal
                            drie vierkante meter netto binnenspeelruimte en vijf vierkante meter
                            buitenspeelruimte beschikbaar te zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juni 2006.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als “Verordening kwaliteitsregels
                            peuterspeelzalen Amstelveen 2006”.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 31 mei 2006.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE VERORDENING KWALITEITSREGELS
                        PEUTERSPEELZAALWERK AMSTELVEEN 2006</titel></kop><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De beroepskracht in opleiding (stagiaire) is niet apart gedefinieerd.
                        Hiermee vallen beroepskrachten in opleiding automatisch onder de
                        begripsomschrijving van een begeleider (onderdeel e).</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>MELDINGSPLICHT</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><al>Dit artikel regelt de meldingsplicht voor degenen die een peuterspeelzaal
                        willen gaan exploiteren. De melding biedt aan de gemeente de mogelijkheid om
                        voorafgaande aan de start van de exploitatie te toetsen of een nieuw
                        initiatief aan de kwaliteitseisen voldoet.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>KWALITEITSEISEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Algemene kwaliteitseisen</titel></kop><al>Het eerste lid is ontleend aan artikel 49, eerste lid van de Wet
                        kinderopvang (WK). Het gaat om een globale norm waaraan de houders zelf, met
                        inachtneming van de verordening, invulling moeten geven. In deze bepaling
                        wordt vastgelegd dat het welbevinden van de kinderen richtsnoer moet zijn
                        voor het uitvoeren van het peuterspeelzaalwerk.</al><al>Het tweede lid is ontleend aan artikel 50, eerste lid van de WK. Deze
                        bepaling geeft aan dat verantwoord peuterspeelzaalwerk mede het product is
                        van de wijze waarop de houder het peuterspeelzaalwerk organiseert en
                        vormgeeft. De wijze waarop de houder het peuterspeelzaalwerk organiseert en
                        aan welke aspecten daarbij aandacht moet worden besteed, wordt naast de
                        eigen verantwoordelijkheid mede bepaald door de voorschriften in deze
                        verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Oppervlakte speelruimte</titel></kop><al>In dit artikel zijn minimumnormen opgenomen voor de bruto-oppervlakte van
                        speelruimte binnen en buiten een peuterspeelzaal. Deze normen zijn gebaseerd
                        op de ministeriële beleidsregels kwaliteit kinderopvang. In artikel 12 van
                        deze verordening worden andere normen gesteld voor reeds bestaande
                        peuterspeelzalen die niet voldoen aan artikel 4 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Groepen en groepsgrootte</titel></kop><al>Een peuterspeelzaalgroep bestaat uit maximaal twintig peuters in de leeftijd
                        van twee tot vier jaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep</titel></kop><al>Een groep van maximaal twintig kinderen wordt begeleid door minimaal twee
                        beroepskrachten. Een groep van maximaal vijftien kinderen wordt begeleid
                        door minimaal één beroepskracht en één begeleider.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Overeenkomst tussen houder en ouder</titel></kop><al>Voor houders van peuterspeelzalen en ouders is het van belang om in een
                        overeenkomst te expliciteren wat wederzijds de rechten en verplichtingen
                        zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>HET GEMEENTELIJK TOEZICHT</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Aanwijzing van toezichthouders</titel></kop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om toezichthouders aan te
                        wijzen. Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een
                        algemene regeling van de bevoegdheden van toezichthouders, zoals het recht
                        op het betreden van plaatsen, op het vorderen van inlichtingen en het inzien
                        van schriftelijke stukken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel></kop><al>In dit artikel worden twee soorten van onderzoek door de toezichthouders
                        onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>het eerste lid: het reguliere onderzoek bij bestaande
                                peuterspeelzalen in de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>het tweede lid: het incidentele onderzoek bij een peuterspeelzaal,
                                bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het inspectierapport</titel></kop><al>De resultaten van een onderzoek worden door de toezichthouder vastgelegd in
                        een inspectierapport. Het inspectierapport vormt de basis voor het
                        handhavend optreden door het college (zie artikel 11, eerste lid van deze
                        verordening). Deze werkwijze is identiek aan de manier waarop handhaving op
                        grond van de WK plaatsvindt.</al><al>Het derde lid bepaalt dat de toezichthouder het mandaat heeft om de houder,
                        namens het college, in de gelegenheid te stellen van het ontwerprapport
                        kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. Het bieden van
                        gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken is op te vatten als het
                        uitoefenen van een publiekrechtelijke bevoegdheid. Op grond van de Awb
                        (artikel 10:14) is delegatie van bevoegdheden aan ambtenaren niet
                        toegestaan. Het is wel mogelijk dat deze bevoegdheid in mandaat wordt
                        overgedragen. In dat geval handelt de toezichthouder namens het college. De
                        overige taken die in dit artikel worden genoemd zijn van feitelijke aard.
                        Deze kunnen wel aan een toezichthoudend ambtenaar worden overgedragen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Aanwijzing en bevel</titel></kop><al>Indien de houder de aanwijzing of het bevel niet opvolgt kan het college
                        overgaan tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een
                        dwangsom. Het gaat om algemene bevoegdheden van het college die zijn
                        neergelegd in de Gemeentewet en de Awb. Deze worden dan ook niet nader in de
                        verordening geregeld.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Voor reeds bestaande peuterspeelzalen die voldeden aan de norm voor
                        speelruimte in de Verordening kinderopvang uit 1997 en bijbehorend
                        uitvoeringsbesluit peuterspeelzalen en die niet voldoen aan de in artikel 4
                        van deze verordening gestelde eisen, is een overgangsbepaling van
                        toepassing: voor die peuterspeelzalen blijven de normen voor speelruimte
                        gelden zoals die golden in de verordening uit 1997, namelijk voor elk kind
                        drie vierkante meter netto binnenspeelruimte en vijf vierkante meter
                        buitenspeelruimte.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>