<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR69846_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Gulpen-Wittem 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gulpen-Wittem</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-03-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gulpen-Wittem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Heuvelland Actueel, 09-03-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening gemeente Gulpen-Wittem</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 14</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-03-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>PD/034</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Monumentenverordening gemeente Gulpen-Wittem 2008</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening gemeente Gulpen-Wittem 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al><vet>ERFGOEDVERORDENING GEMEENTE GULPEN-WITTEM 2010</vet></al><al>De raad van de gemeente GULPEN-WITTEM;</al><al>gezien het voorstel van het college van 24 augustus
                                2010<vet><cursief>;</cursief></vet></al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14, 15 en 38 van
                        de</al><al>Monumentenwet 1988;</al><al>besluit vast te stellen de <vet>Erfgoedverordening gemeente GULPEN-WITTEM
                            2010.</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd</al><al>gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of</al><al>cultuurhistorische waarde;</al></li><li nr="b."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld</al><al>onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze</al><al>verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of
                                    terreinen bedoeld in onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven
                                    in de ingevolge de</al><al>Monumentenwet 1988 vastgestelde registers;</al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van artikel 15 lid 1
                                    Monumentenwet 1988 ingestelde</al><al>commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen
                                    beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet
                                    1988, de verordening en het monumentenbeleid;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>gemeentelijke archeologische waardenkaart; topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied,
                                    waarop archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="f."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    gemeentelijke archeologische beleidskaart, waar in bepaalde mate
                                    archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn;</al></li><li nr="g."><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden;
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van
                                    geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid
                                    van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="h."><al>(inter) nationale waarde: van belang voor Nederland en
                                    daarbuiten;</al></li><li nr="i."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="j."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="k."><al>bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                                    onderzoek naar de kwaliteiten en betekenis van een monument als
                                    bedoeld onder a.</al></li><li nr="l."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoelt in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="m."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="n."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Gulpen –Wittem;</al></li><li nr="o."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="p."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="q."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een zaak of terrein aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    het college advies aan</al><al>de monumentencommissie.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming
                                    dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de
                                    uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument
                                    aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.</al></li><li nr="4."><al>De aanwijzing kan geen zaak of terrein betreffen dat is
                                    aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of
                                    dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de
                                    provincie Limburg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een zaak of terrein als
                            bedoeld in het vorige artikel de kennisgeving van het voornemen tot
                            aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument ontvangt tot het moment
                            dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 6 plaatsvindt,
                            dan wel vaststaat dat de betreffende zaak of terrein niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 9 tot en met 11 van deze verordening
                            van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                    ontvangst van het</al><al>verzoek van het college. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het college beslist binnen 20 weken na ontvangst van het advies
                                    van de monumentencommissie.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan de in het tweede lid genoemde termijn van 20
                                    weken met ten hoogste 8 weken verlengen, mits zij de aanvrager
                                    daarvan kennis geeft binnen de in het tweede lid genoemde
                                    termijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze
                            verordening, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden
                            in het kadastraal register bekend staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende
                                    de aanwijzing wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 2, tweede en derde lid, alsmede artikel 3, 4 en 5 van
                                    deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op het
                                    wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft</al><al>overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2,
                                    achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst</al><al>aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 2, tweede
                                    lid, en de artikelen 4 en 5</al><al>van deze verordening van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan</al><al>artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></li><li nr="3."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    geregistreerd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoelt in
                                    artikel 1, onder a, sub 1 te beschadigen of te vernielen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in
                                    strijd met bij zodanige</al><al>vergunning gestelde voorschriften:</al><al>a. een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te
                                    verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al><al>b. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te
                                    laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                    of in gevaar gebracht;</al><al>c. aan een terrein, aangewezen als gemeentelijk monument,
                                    graafwerk te verrichten, behoudens de normale
                                    onderhoudswerkzaamheden en ten behoeve van noodzakelijk
                                    archeologisch onderzoek.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede
                                    lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met
                                    betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden
                                    uitgevoerd.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met
                                    een religieuze bestemming geen vergunning als bedoeld in het
                                    tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en
                                    voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke
                                    belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het
                                    gedrang zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een schriftelijke aanvraag als bedoelt in artikel 4.2 Besluit
                            omgevingsrecht voor een vergunning als bedoelt in artikel 10 en de
                            daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in vijfvoud
                            ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag vraagt advies aan de monumentencommissie
                                    voordat zij beslist op de aanvraag om vergunning als bedoeld in
                                    artikel 9 van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Binnen 6 weken na datum aanvraag indiening vergunning brengt de
                                    monumentencommissie schriftelijk een gemotiveerd advies uit aan
                                    het college. Indien de monumentencommissie niet binnen zes weken
                                    heeft geadviseerd, neemt het college een besluit.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag beslist binnen 8 weken na ontvangst van de
                                    aanvraag.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de in het derde lid genoemde termijn van 8
                                    weken met ten hoogste zes weken verlengen, mits zij de aanvrager
                                    daarvan kennis geeft binnen de in het derde lid genoemde
                                    termijn.</al></li><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag kan aan de vergunning voorschriften verbinden
                                    betreffende de uitvoering</al><al>en de materiaaltoepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Weigeringsgrond monumentenzorg</titel></kop><al>Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit bedoeld in
                            artikel 9 lid 1 en 2 van deze verordening, kan de omgevingsvergunning
                            slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich
                            daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de vergunning intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                        onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in
                                        artikel 9 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                        zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                        zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                        vergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>tussen het begin en het einde van de werkzaamheden deze
                                        werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26
                                        weken stilliggen.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>RIJKSMONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vergunning voor wijziging van een beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om
                                vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de
                                monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen 6 weken na indiending aanvraag monumentenvergunning. Indien
                                de monumentencommissie niet binnen 8 weken gemotiveerd heeft
                                geadviseerd, wordt het advies van het college gevolgd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan voorschrijven dat de aanvrager van een vergunning
                                als bedoeld in het tweede lid nader onderzoek moet verrichten, zoals
                                een bouwhistorisch onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is verplicht de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
                                om advies te vragen wanneer de monumentale waarden van een
                                rijksmonument in het geding zijn. Het gaat om de volgende
                                ingrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>(gedeeltelijke) afbraak;</al></li><li nr="b."><al>ingrijpende wijzigingen vergelijkbaar met gedeeltelijke
                                        afbraak;</al></li><li nr="c."><al>reconstructie;</al></li><li nr="d."><al>herbestemming: het wijzigen van de functie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de gevallen, bedoeld in het vierde lid, adviseert de Rijksdienst
                                voor het Cultureel Erfgoed schriftelijk over de aanvraag binnen twee
                                maanden na de datum van verzending van het afschrift. Indien
                                gedeputeerde staten advies uitbrengen, gebeurt dat schriftelijk
                                binnen twee maanden na de datum van verzending van het
                                afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE VERWACHTINGSGEBIEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch verwachtingsgebied zoals
                                aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, bedoeld
                                in artikel 1, lid e en f van deze verordening, de bodem te
                                verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft op de tot ΄Waarde -
                                        Archeologische΄ aangewezen gronden die nader aangeduid zijn
                                        als archeologische verwachtingswaarden ΄hoog΄,΄ middelhoog΄
                                        en ΄AMK - terreinen΄ en ter plaatse van archeologische
                                        vindplaatsen dient een archeologisch vooronderzoek
                                        uitgevoerd te worden als een bodemingreep dieper dan 30 cm
                                        beneden maaiveld plaats vindt en:</al><lijst><li nr="i "><al>de grens van het plangebied binnen 50 meter van een
                                                archeologische vindplaats is gelegen, of;</al></li><li nr="ii"><al>het plangebied groter is dan 100 m² en is gelegen
                                                binnen een historische kern;</al></li><li nr="iii"><al>in AMK- terreinen het plangebied groter is dan 0 m²,
                                                of;</al></li><li nr="iv"><al>voor overige gebieden het plangebied groter is dan
                                                2500 m ² tenzij een vindtplaats binnen 50 meter van
                                                de grens van het plangebied is gelegen. </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="c."><al>in een ontheffing of projectbesluit in de zin van de Wet
                                        ruimtelijke ordening regels zijn opgenomen omtrent
                                        archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op
                                        gemeentelijke archeologische beleidskaart;</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van
                                        het te verstoren terrein naar het oordeel van het college in
                                        voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:</al><lijst><li nr="-"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                voldoende mate kan worden geborgd, of;</al></li><li nr="-"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                                onevenredig worden geschaad, of;</al></li><li nr="-"><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                                zijn.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van
                                opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient,
                                onverminderd de overige bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                        bedoeld in artikel 1 onder j, waarbij nadere regels worden
                                        gesteld ten aanzien van het onderzoek;</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoeld in artikel 1 onder i van deze verordening
                                        ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag
                                advies aan een deskundige, zoals omschreven in de wet op de
                                Archeologische monumentenzorg.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 9 en artikel
                            15 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder evan deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de inspecteurs bouw- en
                                woningtoezicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening Gemeente Gulpen-Wittem 2008 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 22 van deze verordening ingetrokken
                                Monumentenverordening Gemeente Gulpen - Wittem 2008 aangewezen en
                                geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en
                                geregistreerd te zijn in overeenstemming met de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 22 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Erfgoedverordening treedt in werking op de eerste dag na
                                    bekendmaking in Heuvelland Aktueel. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening 2010 Gemeente
                            Gulpen-Wittem.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus besloten door de raad der gemeente Gulpen-Wittem van 14 oktober
                        2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, </ondertekening><ondertekening>mevr. F.G.J.M. van der Walle </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>drs. A.R.B. van den Tilllaar</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>ERFGOEDVERORDENING GULPEN-WITTEM 2010</tussenkop><tussenkop>A. Algemene toelichting</tussenkop><al>Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de verplichtingen
                    die voortvloeien uit de Wet op de archeologische monumentenzorg van september
                    2007, alsmede de feitelijke samenhang tussen monumenten en archeologie, is de
                    model Erfgoedverordening in 2008 aangevuld met een archeologisch deel en heeft
                    een vereenvoudiging van de model Erfgoedverordening in het kader van
                    deregulering plaatsgevonden. De huidige wijziging van de model
                    Erfgoedverordening houdt verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit
                    omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Mor).</al><tussenkop>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</tussenkop><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de aanlegvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de sloopvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de monumentenvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de milieuvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><tussenkop>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</tussenkop><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment in 2010 één
                    omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft
                    aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking
                    heeft. Voor de erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in
                    één verzoek worden aangevraagd. </al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                    doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. </al><tussenkop>Bevoegd gezag</tussenkop><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                    minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als
                    het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van
                    de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat
                    om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I
                    van het Bor omschreven. </al><tussenkop>Toestemmingsstelsels </tussenkop><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                    verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                    gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                    zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                    optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                    toetsingskaders wegen allen even zwaar. </al><tussenkop>De procedure</tussenkop><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en
                    de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze
                    beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure van de Awb. </al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt
                    door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De
                    aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                    deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                    omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het
                    project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale
                    project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium van
                    de <cursief>onlosmakelijkheid </cursief>is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van
                    onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde
                    handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet
                    worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van
                    de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij
                    vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer
                    activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                    activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de handeling
                    op te knippen in deelvergunningen.</al><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                    deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld
                    behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp
                    gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden wat door
                    verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het
                    bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de
                    werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning
                    ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen
                    worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een
                    afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat. </al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                    omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                    gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of
                    één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                    oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een
                    gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                    volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                    mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                    volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de
                    noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door
                    aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                    de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                    indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking
                    is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige
                    activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria
                    van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden
                    ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een
                    aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                    treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op
                    grond van de Awb open. </al><tussenkop>Informatie over de omgevingsvergunning</tussenkop><al>Er is een kennisplein omgevingsvergunning: http://omgevingsvergunning.vrom.nl.
                    hierop vindt u tal van brochures over de omgevingsvergunning. Als u nog geen
                    beeld hebt van wat er allemaal verandert, geven wij u in overweging de volgende
                    informatie te lezen:</al><lijst><li nr="-"><al>Infoblad De omgevingsvergunning (september 2008);</al></li><li nr="-"><al>Handreiking Afstemming omgevingsvergunning: -afstemmen op; afstemmen met
                            – (augustus 2008; een online product). </al></li></lijst><tussenkop>De Wabo en de Erfgoedverordening</tussenkop><al>De monumentenvergunning uit de model-erfgoedverordening integreert volledig in
                    de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is
                    in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de
                    instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van artikel 2.2,
                    tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve
                    integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’
                    zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische
                    waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek project. </al><al>De model-erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen.
                    De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het
                    college blijft hiervoor het bevoegd gezag. </al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. </al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze modelverordening rekening
                    gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in dit nieuwe
                    model zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen
                    systematiek als uitgangspunt genomen. In de verordening zijn geen bepalingen
                    opgenomen met betrekking tot de gemeentelijke beschermde stads- en
                    dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de gemeentelijke praktijk wel gebruik
                    wordt gemaakt. In een voorgaand dereguleringstraject zijn deze artikelen
                    gesneuveld, aangezien het instrument hoge administratieve lasten bij burgers
                    genereert. In het verlengde van het dereguleringsproject in 2007 is er thans
                    voor gekozen om deze bepalingen daarom niet opnieuw in de modelverordening op te
                    nemen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om het VNG-model op dit en op andere
                    onderdelen zelf aan te vullen.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50- jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime
                    omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een
                    geschiedkundige, archeologische en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt teneinde over een gemeentelijk
                    monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst kunnen worden geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’,
                    reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 2, lid 1, en
                    artikel 6<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Sub c</tussenkop><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om
                    vergunningen voor de wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de
                    vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en
                    met 21 van de Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><tussenkop>Sub d</tussenkop><al>Sinds de komst van de Wet dualisering in 2002 kan elk bevoegd orgaan in de
                    gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies instellen. De
                    monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college. Normaal
                    gesproken zou het dan ook het college zelf zijn, die deze commissie instelt op
                    grond van artikel 84 Gemeentewet. In de monumentenverordening wordt echter door
                    de raad bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het
                    college. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet. In artikel 15 van deze wet is
                    bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie
                    moet regelen die adviseert aan het college over</al><al>aanvragen van vergunningen als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet. De
                    wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid
                    heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het instellen van de
                    monumentencommissie door het college moet middels een apart collegebesluit. De
                    taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de erfgoedverordening en
                    de Monumentenwet 1988. Door de monumentencommissie in deze begripsomschrijving
                    bevoegd te verklaren over de toepassing van de Monumentenwet 1988 te adviseren
                    aan het college, is voldaan aan het vereiste genoemd in artikel 15 lid 1 van de
                    Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente niet over een monumentenbeleid
                    beschikken, dan moet dit niet in de bepaling opgenomen worden. Overigens kan de
                    monumentencommissie worden gecombineerd met een welstandscommissie of een
                    commissie ruimtelijke kwaliteit.</al><tussenkop>Sub e</tussenkop><al>De gemeentelijke archeologische beleidskaart biedt een praktische oplossing in
                    het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval
                    kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien
                    blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk
                    archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 De aanwijzing tot gemeentelijk monument</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling. Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire
                    bevoegdheid van het college. De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding.
                    De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                    onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat, voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt, de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie reeds op
                    een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><tussenkop>Artikel 3 Voorbescherming</tussenkop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 9 tot en met
                    11 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument
                    niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een
                    gemeentelijke monumentenvergunning of anders dan de bij nadere regels opgestelde
                    wijze. Het inroepen van de voorbescherming van een object is een
                    publiekrechtelijke beperking en</al><al>een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel
                    1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen
                    onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze wet van
                    toepassing voor wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade.</al><tussenkop>Artikel 4 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed
                    nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van
                    de termijnen. Over het algemeen geldt: hoe korter de termijnen zijn, des te
                    minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al><tussenkop>Artikel 5 Mededeling aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>De ontvangst van de mededeling van het college is voor alle aan het monumentale
                    object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van
                    de aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2 van deze
                    verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</tussenkop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 2, eerste lid (aanwijzing).</al><tussenkop>Artikel 7 Wijziging van de aanwijzing</tussenkop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><tussenkop>Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing</tussenkop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentencommissie nodig, tenzij sprake is van spoedeisende gevallen (lid 2).
                    Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is
                    ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan),
                    worden door het college van de monumentenlijst gehaald. Naast de registratie
                    regelt lid 3 dat monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn
                    in het geval dat het object ook als rijks- of provinciaalmonument is aangewezen
                    en geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en
                    registratie als monument. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                    monumentenverordening dit zelf regelt. </al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) bouwhistorische documentatie te eisen.
                    Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds
                    wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis
                    gedocumenteerd.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 9 vertoont gelijkenis met
                    artikel 11 lid 1 van de Monumentenwet 1988. De artikelen 11 tot en met 21 van de
                    Wet juncto artikel 13 van deze</al><al>verordening regelen de vergunningverlening voor de wijziging van rijksmonumenten
                    door het college. In dit artikel gaat het derhalve alleen over gemeentelijke
                    monumenten.</al><al>Ten aanzien van de vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van
                    belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de
                    Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een aanvraagformulier voor de
                    vergunning kan de gemeente aangeven welke gegevens zijn vereist. In dat kader
                    kan ook het overleggen van een rapportage met betrekking tot een bouwhistorisch
                    of archeologisch onderzoek als vereiste bij de vergunningaanvraag worden
                    opgenomen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de omvang
                    van de wijziging van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en
                    de daaraan verbonden kosten.</al><tussenkop>Artikel 10 De schriftelijke aanvraag</tussenkop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden. </al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><tussenkop>Artikel 11 Termijnen advies en vergunningverlening</tussenkop><al>Welke gegevens moeten worden ingediend bij de aanvraag zijn aangegeven op het
                    modelaanvraagformulier. Zoals reeds eerder gesteld is de Awb (in dit geval de
                    artikelen 4:2, 4:5 en 4:15) van toepassing. Eén van de in te dienen zaken kan
                    betrekking hebben op de uitkomsten van uitgevoerd bouwhistorisch onderzoek naar
                    de geschiedenis en de kwaliteiten van het beschermd monument. Als het college de
                    aanvraag in behandeling neemt moet zij advies vragen aan de Monumentencommissie.
                    De redactie van het derde lid heeft tot gevolg dat wanneer het advies van de
                    commissie niet op tijd is, het college de keuze heeft tussen een beslissing
                    nemen zonder advies of het te laat uitgebrachte advies toch meenemen in de
                    beslissing.</al><al>Als het college geen tijdige beslissing neemt wordt de vergunning geacht te zijn
                    verleend.</al><al>Deze bepaling sluit niet aan bij de Awb, maar wel bij de Monumenten- en
                    Woningwet en de Wet</al><al>algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><tussenkop>Artikel 12 Weigeringsgrond monumentenzorg</tussenkop><al>In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt het begrip beschermd
                    monumentgebruikt, maar dat betekent daar alleen rijksmonument. (zie art. 1.1 lid
                    1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ) In artikel 2.2 worden echter ook de
                    gemeentelijke en provinciale monumenten onder de omgevingsvergunning gebracht,
                    waarmee ze overigens nog geen ‘beschermd monument’ in de zin van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht zijn. Om de gemeentelijke monumenten in deze
                    verordening te beschermden is dit artikel opgenomen en kan de
                    omgevingsvergunning slechts worden</al><al>verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet
                    verzet.</al><tussenkop>Artikel 13 Intrekken van de vergunning</tussenkop><al>Dit artikel bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou plaatsvinden, de belangen van
                    het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het college mogelijkheden
                    hebben om de vergunning in te trekken.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4. RIJKSMONUMENTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 14 Vergunning voor beschermd rijksmonument</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor
                    rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de Monumentenwet 1988 en
                    afdeling 3.4 van de Awb.</al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) en, buiten de bebouwde
                    kom, ook</al><al>Gedeputeerde Staten (hierna: GS) moeten binnen twee maanden na verzending van
                    de</al><al>adviesaanvraag adviseren (Monumentenwet 1988, artikel 16.2). Het definitieve
                    besluit moet</al><al>binnen vier maanden na ontvangst van het laatste van de adviezen van RCE en GS
                    plaatsvinden (Monumentenwet 1988, artikel 16.3). Op het definitieve besluit kan
                    nog slechts door een beperkt groep van belanghebbende beroep worden ingesteld
                    (zie de toelichting bij artikel 11).</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven.</al><al>De beperking adviesplicht van de Rijksdienst is ingaande 2009 op bovenstaande
                    van invloed.</al><al>Daarom is de verplichte advisering in de ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in
                    verband</al><al>met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om
                    een</al><al>monumentenvergunning’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is van
                    reconstructie, sloop en</al><al>herbestemming van een rijksmonument is de adviesplicht van toepassing. Ter
                    compensatie</al><al>van het wegvallen van het advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten
                    ingaande 2009</al><al>een monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig
                    is.</al><al>Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet, waarin de rijksdienst bij
                    afwezigheid van een</al><al>monumentencommissie in diens advisering trad, wordt ingetrokken. Indien het
                    monument</al><al>buiten de bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W verplicht om een
                    afschrift van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid
                    vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot advisering overgaan,
                    waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS reeds op voorhand
                    kenbaar maakt in welke gevallen zij niet adviseren, zodat de beoogde tijdswinst
                    ook daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5. INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE
                    VERWACHTINGSGEBIEDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 15 Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De <cursief>Wet op de Archeologische Monumentenzorg </cursief>van 1 september
                    2007 verplicht de raad</al><al>om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de
                    Wet</al><al>ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel
                    te</al><al>verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het
                    Verdrag</al><al>van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in
                    het</al><al>bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke archeologische waardekaart,
                    wordt</al><al>vastgelegd waar zich archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. Dit
                    artikel</al><al>voorziet in de behoefte aan een overgangsperiode tot het moment dat een</al><al>bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt</al><al>deze verordening bij wijze van artikel 14 de nodige bescherming aan
                    archeologische</al><al>waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 14 biedt bescherming door het
                    opgenomen</al><al>verbod om de bodem te verstoren.</al><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>Onderdeel a ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld</al><al>in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingplan, aan de</al><al>hand van een bijbehorende archeologische beleidskaart, voldoende bescherming aan
                    de in</al><al>de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden.</al><al>In onderdeel b worden een aantal ontheffingsmogelijkheden genoemd uit de Wet
                    ruimtelijke ordening. Dergelijke besluiten kunnen tot stand komen doordat bij de
                    aanvraag tot ontheffing regels kunnen</al><al>worden opgenomen met betrekking tot archeologische waarden in het gebied
                    waarvoor de</al><al>vrijstelling wordt aangevraagd. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden
                    verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin de archeologische waarden van
                    het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Een dergelijke
                    uitzondering wordt.</al><al>Feitelijk ook in onderdeel d gegeven, maar ziet dan ook op situaties buiten de
                    aanvraag van een vrijstelling. Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d.
                    worden gevraagd en komt overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de
                    Monumentenwet in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van
                    Malta.</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van dit
                    artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de
                    uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologische monument
                    of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’ bestemmingsplan kunnen
                    deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een
                    bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende
                    werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin
                    vereisten omtrent de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen, een
                    en ander conform de</al><al>handreiking van de VNG ‘Verder met Valletta’.</al><tussenkop>Artikel 16 Opgravingen en begeleiding</tussenkop><al>Het college stelt een programma van eisen op waarmee de kaders worden gesteld
                    voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a).
                    Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                    weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders zoals omschreven in het programma
                    van eisen denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op grond van de leden 2 en 3
                    kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke
                    uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van
                    aanpak.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 6. OVERIGE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 17 Strafbepaling</tussenkop><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid aan de raad om
                    op overtreding van verordeningen straf stellen, maar geen andere of zwaardere
                    dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te
                    leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,-
                    (januari 2008); in de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is
                    de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                    categorieën. In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het
                    verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld
                    aan een geldboete van de vijfde categorie € 74.000,- (januari 2008).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat</al><al>voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te bereiken, de
                    keuze voor</al><al>de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor de
                    hand</al><al>liggend.</al><tussenkop>Artikel 18 Toezichthouders</tussenkop><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5, waarin
                    algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van
                    algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften.
                    Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen die
                    bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht
                    op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift,
                    zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de erfgoedverordening kan
                    plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (nietwoningen).</al><al>Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het college op grond van artikel 19 niet zelf
                    opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan
                    en hoeft het college ook niet te doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek
                    van Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook
                    opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in
                    de regel een opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare
                    feiten.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 19 Intrekken oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude monumentenverordening, zodat niet
                    twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                    uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten
                    met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld
                    door een latere regeling.</al><tussenkop>Artikel 20 Overgangsrecht</tussenkop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 2)
                    en de vergunningverlening (artikel 9).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om vergunning voor gemeentelijke monumenten die zijn
                    ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op
                    grond van de oude verordening.</al><tussenkop>Artikel 21 Inwerkingtreding</tussenkop><al>De Erfgoedverordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking in
                    Heuvelland Aktueel. </al><tussenkop>Artikel 22 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. Gelet op het samenvoegen van de
                    oude</al><al>monumentenverordening en het nieuwe archeologische deel in de verordening, is
                    gekozen</al><al>voor de nieuwe en overkoepelende term ‘erfgoed’.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>