<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR69705_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Afstemming en handhaving WWB, IOAW, IOAZ gemeente Heumen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Verbinding, 28-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Afstemming en handhaving WWB, IOAW, IOAZ gemeente Heumen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAW, art. 20 en art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAZ, artikel 20 en 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-02-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Afstemming en handhaving WWB, IOAW, IOAZ gemeente Heumen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Heumen,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Heumen van 23
                        november 2010</al><al>gezien het advies van de Commissie Welzijn van 8 december 2010</al><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet, artikel 8 en 18 van de Wet werk en
                        Bijstand, artikel 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 20 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen.</al><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al>vast te stellen de ‘Verordening Afstemming en handhaving WWB, IOAW, IOAZ
                        gemeente Heumen’.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand, IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="b."><al>WWB: Wet werk en bijstand</al></li><li nr="c."><al>IOAW: Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze Werknemers; </al></li><li nr="d."><al>IOAZ: Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al>uitkering: de uitkering voor levensonderhoud op grond
                                            van de WWB, IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>het college: het college van de gemeente Heumen;</al></li><li nr="g."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Heumen;</al></li><li nr="h."><al>zeer ernstig misdragen: het door de belanghebbende op
                                            een dusdanige wijze benaderen van het college, dan wel
                                            onder hem ressorterende personen die belast zijn met de
                                            uitvoering van de wet, dat dezen zich op een fysieke of
                                            psychische wijze dan wel een combinatie van beiden,
                                            bedreigd voelen, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                            verband houden met de uitvoering van de wet;</al></li><li nr="i."><al>onverwijld uit eigen beweging mededelingen verstrekken:
                                            het moment waarop een belanghebbende geacht wordt </al><lijst><li nr="-"><al>direct nadat het feit zich heeft
                                                  voorgedaan;</al></li><li nr="-"><al>dan wel zodra de belanghebbende kennis heeft van
                                                  toekomstige feiten;</al></li><li nr="-"><al>doch uiterlijk bij het eerstvolgende
                                                  rechtmatigheidsonderzoeksformulier;</al></li><li nr="-"><al>of, indien geen
                                                  rechtmatigheidsonderzoeksformulier niet van
                                                  toepassing is, voor de eerste van de dag van de
                                                  maand volgend op de maand waarin het feit of de
                                                  omstandigheid als bedoeld in artikel 17 WWB,
                                                  artikel 13 IOAW en artikel 13 IOAZ zich heeft
                                                  voorgedaan;</al></li></lijst></li><li nr="j."><al>benadelingsbedrag: het bedrag aan kosten van bijstand en
                                            uitkeringen uit aanverwante regelingen, dat ten onrechte
                                            of tot een te hoog bedrag is verleend.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het handhandhavingsbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt 3-jaarlijks een fraudebeleidsplan ter vaststelling
                                aan de raad aan met daarin het te voeren beleid op het gebied van
                                handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                                Wet en de te verwachten resultaten en rapporteert hierover jaarlijks
                                aan de gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad wordt jaarlijks in deze cyclus in ieder geval op de hoogte
                                gehouden van</al><lijst><li nr="a."><al>de vormgeving van controle en opsporing van misbruik en
                                        oneigenlijk gebruik </al></li><li nr="b."><al>de prioriteiten in het handhavingsbeleid</al></li><li nr="c."><al>het preventie- en repressiebeleid ten aanzien van
                                        fraude</al></li><li nr="d."><al>de kengetallen op het gebied van misbruik en oneigenlijk
                                        gebruik</al></li><li nr="e."><al>het beleid inzake terugvordering van ten onrechte verstrekte
                                        uitkering</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de uit artikel
                                30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                (Suwi), voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt,
                                waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging
                                toegepast. </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij/zij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>De verlaging kan niet meer bedragen dan de uitkering waarop
                                belanghebbende recht zou hebben gehad gedurende de periode waarop de
                                verlaging betrekking heeft, indien er geen grond voor verlaging zou
                                zijn geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de uitkeringsnorm, inclusief
                                eventuele toeslag of verlaging ingevolge de gemeentelijke
                                toeslagenverordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                indien de belanghebbende geen algemene uitkering voor
                                levensonderhoud ontvangt en: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand of de
                                        langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging wordt bij toepassing van artikel 4 lid 2 onder b van
                                deze verordening vastgesteld op 10% van het benadelingbedrag, met
                                dien verstande dat zij op ten minste € 45,00 wordt vastgesteld. De
                                verlaging wordt naar boven afgerond op een veelvoud van € 5,00.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt toegepast, wordt de belanghebbende
                                    in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
                                            sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het college of van een derde aan wie het college
                                            werkzaamheden in het kader van de uitkering heeft
                                            uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen
                                            te verstrekken als bedoeld in artikel 17 WWB, artikel 13
                                            IOAW en artikel 13 IOAZ; of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het toepassen van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het toepassen van een verlaging
                                    indien</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging langer dan één jaar vóór constatering van
                                            die gedraging door het college heeft plaatsgevonden,
                                            tenzij de gedraging een schending van de
                                            inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                            gedraging ten onrechte uitkering is verleend. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht wordt
                                    niet toegepast na verloop van vijf jaren nadat de betreffende
                                    gedraging heeft plaatsgevonden. </al></li><li nr="3."><al>Het college kan afzien van het toepassen van een verlaging
                                    indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al></li><li nr="4."><al>Indien het college afziet van het toepassen van een verlaging op
                                    grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van de verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt toegepast met ingang van de eerst volgende
                                    kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    toepassen van de verlaging aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende uitkeringsnorm.</al></li><li nr="2."><al>Indien verlaging van de uitkering overeenkomstig het eerste lid
                                    niet mogelijk is, wordt de uitkering verlaagd gedurende de
                                    eerstvolgende maand(en) nadat aan belanghebbende binnen een jaar
                                    na de beëindigingsdatum van de uitkering opnieuw een uitkering
                                    is toegekend.</al></li><li nr="3."><al>Een verlaging wordt voor een bepaalde tijd toegepast. Een
                                    verlaging die voor een periode van meer dan drie maanden wordt
                                    toegepast, wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat deze ten
                                    uitvoer is gelegd, heroverwogen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                    verschillende gedragingen die het niet nakomen van een
                                    verplichting als genoemd in artikel 3, eerste lid, inhouden,
                                    wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                                    uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste verlaging is
                                    gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan één gedraging
                                    die het niet nakomen van verschillende verplichtingen als
                                    genoemd in artikel 3, eerste lid, inhoudt, wordt voor het
                                    bepalen van de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de
                                    verplichting waarop bij het niet nakomen daarvan de zwaarste
                                    verlaging is gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Het besluit tot toepassen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot toepassen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het
                            percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, het bedrag waarmee de
                            uitkering wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardverlaging.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>De arbeidsverplichting en de reïntegratieverplichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de WWB, artikel 20 IOAW, of artikel 20 IOAZ niet of
                            onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet
                                            tijdig laten verlengen van de registratie; </al></li><li nr="b."><al>het niet ondertekenen of het niet aan het college
                                            verstrekken van een trajectplan, die geldt als bijlage
                                            bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de
                                            uitkering.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden in de periode
                                            voorafgaande aan de aanvraag tot uitkeringsverlening dan
                                            wel na de datum van aanvraag; </al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om
                                            op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen in
                                            verband met de inschakeling in de arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor
                                            scholing, opleiding of sociale activering;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 eerste lid
                                            sub b en artikel 10 eerste lid van de WWB, waaronder
                                            begrepen sociale activering, of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e van de IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="b."><al>gedragingen die overigens de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging bij een eerste verwijtbare
                                gedraging</titel></kop><al>Onverminderd artikel 3 tweede en derde lid van deze verordening wordt de
                            verlaging vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Recidive en meervoudige recidive</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De duur van de verlaging als bedoeld in artikel 11 van deze
                                    verordening wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich
                                    binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                    een verlaging is toegepast, opnieuw schuldig maakt aan een
                                    verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een
                                    besluit waarmee een verlaging is toegepast wordt gelijkgesteld
                                    het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen
                                    als bedoeld in artikel 7 derde lid van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Indien een belanghebbende zich, na een besluit als bedoeld in
                                    het eerste lid, wederom schuldig maakt aan verwijtbare
                                    gedragingen van dezelfde of een hogere categorie zoals genoemd
                                    in artikel 10 van deze verordening, en die plaatsvinden binnen
                                    een periode van 12 maanden na het laatste verlagings
                                    -recidivebesluit, kan het college al individualiserend de hoogte
                                    en de duur van de toe te passen verlaging vaststellen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>De inlichtingenverplichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende de inlichtingenverplichting op grond
                                    van artikel 17 WWB, artikel 13 IOAW en artikel 13 IOAZ niet is
                                    nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening
                                    van uitkering of de voortzetting daarvan niet binnen de door het
                                    college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt een
                                    verlaging opgelegd van tien procent van de uitkeringsnorm
                                    gedurende een maand, onverminderd artikel 3, tweede en derde lid
                                    van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de
                                    belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                    een besluit waarbij een verlaging wordt toegepast opnieuw
                                    schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken
                                    gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                    wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond
                                    van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, derde lid van deze
                                    verordening.</al></li><li nr="3."><al>Indien het niet tijdig nakomen van de inlichtingenverplichting
                                    niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                    verlenen van uitkering of een langdurigheidstoeslag, kan het
                                    college afzien van het toepassen van een verlaging en volstaan
                                    met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van
                                    het niet tijdig nakomen van de verplichting. </al></li><li nr="4."><al>Lid 3 wordt niet toegepast indien het niet tijdig nakomen van de
                                    inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden binnen een periode
                                    van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
                                    belanghebbende een waarschuwing op grond van het derde lid van
                                    dit artikel is gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de
                                uitkering of langdurigheidstoeslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 WWB, artikel 13
                                    IOAW en artikel 13 IOAZ, heeft geleid tot het ten onrechte of
                                    tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of een
                                    langdurigheidstoeslag, wordt de verlaging afgestemd op de hoogte
                                    van het benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 3 tweede en derde lid van deze verordening,
                                    wordt de verlaging op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000: 10% van de
                                            uitkering gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000 tot € 2000: 20% van
                                            de uitkering gedurende een maand;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000 tot € 4000: 40% van
                                            de uitkering gedurende een maand;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000 of meer: 100% van
                                            de uitkering gedurende een maand;</al></li><li nr="d."><al>indien het Openbaar Ministerie niet tot strafrechtelijke
                                            vervolging overgaat: 100% van de uitkering gedurende een
                                            maand.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de
                                uitkering of langdurigheidstoeslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 17 WWB, artikel 13
                                    IOAW en artikel 13 IOAZ, niet heeft geleid tot het ten onrechte
                                    of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering of een
                                    langdurigheidstoeslag, bedraagt de verlaging, onverminderd
                                    artikel 3 tweede en derde lid van deze verordening, vijf procent
                                    van de uitkeringsnorm gedurende een maand.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan het college, afzien van het
                                    toepassen van een verlaging en volstaan met het geven van een
                                    schriftelijke waarschuwing.</al></li><li nr="3."><al>Lid 2 wordt niet toegepast indien het niet of niet behoorlijk
                                    nakomen van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden
                                    binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
                                    waarop eerder aan de belanghebbende een waarschuwing op grond
                                    van het tweede lid van dit artikel is gegeven.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>De overige gedragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Onverminderd artikel 3, tweede en derde lid van deze verordening wordt,
                            indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, heeft betoond
                            als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWB, artikel 20 IOAW en
                            artikel 20 IOAZ maar anders dan door gedragingen als bedoeld in artikel
                            10 van deze verordening, de uitkering verlaagd:</al><lijst><li nr="a."><al>met 100% van de uitkering gedurende één maand, indien
                                    belanghebbende door de gedraging verwijtbaar geen of geen
                                    volledig recht heeft op een uitkering krachtens een sociale
                                    verzekering of een daarmee naar aard en doel overeenkomende
                                    buitenlandse regeling of private verzekering; </al></li><li nr="b."><al>met 100% van de uitkering gedurende de periode die
                                    belanghebbende niet op uitkering zou zijn aangewezen indien hij
                                    op verantwoordelijke wijze de middelen waarover hij beschikte of
                                    redelijkerwijs kon beschikken zou hebben aangewend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een nadere verplichting ingevolge artikel
                                55 en 57 van de WWB niet of niet naar behoren naleeft, wordt
                                onverminderd artikel 3, tweede en derde lid, een verlaging toegepast
                                van 10% van de uitkering gedurende een maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, als
                                    bedoeld in artikel 1 onder e, wordt onverminderd artikel 3,
                                    tweede en derde lid, een verlaging toegepast van minimaal 50%
                                    van de uitkering gedurende een maand;</al></li><li nr="2."><al>De verlaging wordt bij toepassing van artikel 4, tweede lid,
                                    onder a, vastgesteld op 50% van de bijzondere bijstand;</al></li><li nr="3."><al>De verlaging wordt bij toepassing van artikel 4, tweede lid,
                                    onder b, vastgesteld op 50% van de bijzondere bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als de ‘Verordening Afstemming en
                            handhaving WWB, IOAW, IOAZ gemeente Heumen’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2011. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van de gemeente Heumen op 16
                        december 2010 </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>KS</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, 16 december 2010</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>drs. J. van Zomeren.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE VERORDENING AFSTEMMING EN HANDHAVING WWB, IOAW, IOAZ
                        GEMEENTE HEUMEN</titel></kop><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>Op 1 januari 2010 is de Wet tot Bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening
                    (Wet BUIG) in werking getreden.</al><al>Met de invoering van deze wet worden de gemeentelijke middelen voor de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW),
                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz
                    2004) voor zover dat betrekking heeft op het verlenen van algemene bijstand aan
                    startende ondernemers, en de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) gebundeld
                    met het WWB-inkomensdeel.</al><al>Met de invoering van deze gebundelde uitkering krijgen de gemeenten één budget
                    voor de bekostiging van uitkeringen op grond van de WWB, de IOAW, de IOAZ, het
                    Bbz 2004 en de WWIK. Heumen is geen aangewezen WWIK-gemeente. De WWIK zal verder
                    niet meer worden genoemd in deze toelichting.</al><al>Deze verordening is aangepast aan de wetswijziging en zal gelden voor de WWB,
                    IOAW, IOAZ.</al><al>De afstemmingsverordening is gebaseerd op artikel 8, 1<sup>e</sup> lid en
                    artikel 18 WWB, artikel 35, 1<sup>e</sup> lid en artikel 20 IOAW, artikel 35,
                    1<sup>e</sup> lid en artikel 20 IOAZ.</al><al>In de WWB wordt gesproken over het afstemmen van de bijstand en de daaraan
                    verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de
                    uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij recht wordt gedaan aan de
                    individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    uitkeringsgerechtigden.</al><al>In de IOAW en de IOAZ wordt gesproken over het weigeren van de uitkering (
                    geheel of gedeeltelijk) waarbij de mate van de weigering wordt afgestemd op de
                    mate van verwijtbaarheid en het inkomen dat belanghebbende is misgelopen door
                    eigen toedoen.</al><al>Bij de drie genoemde wetten is er sprake van afstemming van de uitkering bij
                    verwijtbaar handelen en is er sprake van maatwerk door de individuele situatie
                    en persoonlijke omstandigheden te onderzoeken.</al><al>Er wordt dan ook gesproken over de ‘Verordening Afstemming en handhaving WWB,
                    IOAW, IOAZ’.</al><al><vet>Wijziging financieringssystematiek</vet></al><al>Als gevolg van de invoering van de Wet BUIG worden de eerder genoemde
                    uitkeringen niet alleen gebundeld, maar wordt ook de financieringssystematiek
                    van de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 gewijzigd. De IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004
                    kennen op dit moment een financieringssystematiek van 75% declaratie en 25%
                    budget. Het gecombineerde declaratie- en budgetsysteem voor deze
                    uitkeringskosten wordt vervangen door een systeem van volledige
                    budgetfinanciering, zoals dat nu van toepassing is voor het
                    WWB-inkomensdeel.</al><al><vet>Van verplichting naar bevoegdheid</vet></al><al>Bij een systeem van volledige budgetfinanciering past dat administratieve eisen
                    worden afgeschaft en verplichtingen voor gemeenten worden omgezet in
                    bevoegdheden, bijvoorbeeld ten aanzien van de frequentie van heronderzoeken en
                    de terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen. Ook de verplichting
                    voor het college om in het kader van de IOAW en de IOAZ bij bepaalde
                    overtredingen een maatregel op te leggen wordt omgezet in een bevoegdheid. De
                    bestuurlijke boete in de IOAW en de IOAZ komt hierdoor te vervallen. Wel wordt
                    in de IOAW en de IOAZ de verplichting opgenomen voor de gemeenteraad om bij
                    verordening regels te stellen met betrekking tot de maatregelen (de
                    afstemmingsverordening) en voor de bestrijding van fraude.</al><al>Deze verordening komt in de plaats van de ‘Verordening Afstemming bijstand annex
                    anti-misbruik Wet werk en bijstand vanaf 1 januari 2005’. Vanwege diverse
                    wijzigingen in de wet –en regelgeving, waaronder de Wet tot Bundeling van
                    uitkeringen inkomensvoorziening, is het noodzakelijk om de aan te passen. </al><al>Ook de Wet werk en bijstand is op enkele onderdelen gewijzigd. Zo is artikel 56
                    niet in werking getreden. Daarin was de verplichting opgenomen om
                    kinderalimentatie te vorderen. Omdat het wetsvoorstel voor de Wet
                    kinderalimentatie is ingetrokken, is deze verplichting geschrapt. Ook de
                    langdurigheidstoeslag is gewijzigd. Ook personen met een ander inkomen dan een
                    uitkering, dus ook werkenden, kunnen voor de langdurigheidstoeslag in aanmerking
                    komen.</al><al>Verder zijn enkele nieuwe wetten in werking getreden, die een directe relatie
                    hebben met de uitvoering van de WWB.</al><al>De Wet investeren in jongeren (WIJ) leid tot een splitsing tussen potentiële
                    uitkeringsgerechtigden vanaf 27 jaar.</al><al>Personen tot 27 jaar vallen sinds 1 oktober 2009 onder de WIJ, personen vanaf 27
                    jaar onder de WWB.</al><al>Voor de WIJ zijn afzonderlijke verordeningen vastgesteld.</al><al><vet>Het verlagen van de uitkering</vet></al><al>Op grond van artikel 18 tweede lid WWB, artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ kan
                    zowel de uitkering (dat wil zeggen: algemene bijstand en bijzondere bijstand)
                    als de langdurigheidstoeslag worden verlaagd. In deze verordening is er voor
                    gekozen dat verlagingen in beginsel worden toegepast over de uitkeringsnorm: de
                    op belanghebbende van toepassing zijnde norm plus eventuele toeslagen. De
                    uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot 21
                    jaar. Deze groep ontvangt een lage algemene bijstandsuitkering gebaseerd op het
                    minimumjeugdloon, die kan worden aangevuld door middel van aanvullende
                    bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de verlaging alleen
                    op de lage jongerennorm wordt toegepast, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid
                    ten opzichte van de groep 21-jarigen en ouder.</al><al>Verlagingen worden toegepast op de uitkering, waar de gedraging betrekking op
                    heeft. Bij bijvoorbeeld een maatregelwaardige gedraging ten aanzien van een
                    aanvraag voor bijzondere bijstand kan een verlaging worden toegepast op die
                    aangevraagde bijzondere bijstand, en niet op de algemene bijstand.</al><al><vet>Beoordelingscriteria toepassing verlaging</vet></al><al>Het college dient, bij het beoordelen of een verlaging moet worden toegepast, en
                    zo ja welke, telkens de volgende drie stappen te doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde</al><al>Stap 1.</al><al>De ernst van de gedraging wordt bepaald door de mate van verwijtbaarheid en de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. De ernst komt tot uitdrukking in het
                    standaardpercentage waarmee de uitkering wordt verlaagd. Wat betreft de
                    beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting
                    bij artikel 7. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat bij een aantal bepalingen waarin
                    al individualiserend de hoogte en de duur van de verlaging wordt afgestemd het
                    college bij de beoordeling van de ernst van het feit en de mate van
                    verwijtbaarheid rekening dient te houden met het benadelingsbedrag dat ten
                    onrechte als uitkering (of als langdurigheidstoeslag) is verleend als gevolg van
                    de verwijtbare niet-nakoming van verplichtingen door belanghebbende.</al><al>Deze nadere invulling acht het college wenselijk om daarmee aan te geven dat de
                    afstemming ook mede gerelateerd is aan de hoogte van het bedrag aan uitkering
                    waarop belanghebbende, achteraf gezien, ten onrechte beroep gedaan heeft.</al><al>Stap 2.</al><al>Het college is bevoegd om over te gaan tot matiging van de gestandaardiseerde
                    hoogte van de toe te passen verlaging wegens een verminderde mate van
                    verwijtbaarheid.</al><al>Een duidelijk voorbeeld hiervan is de situatie die kan ontstaan bij een
                    opeenstapeling van verlagingspercentages door samenloop van gedragingen: de
                    zwaarte van het geheel van verlagingen is dan mogelijk niet evenredig aan de
                    ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid (zie verder de toelichting
                    bij artikel 10 van deze verordening).</al><al>Stap 3.</al><al>Tevens is het college bevoegd over te gaan tot matiging van de
                    gestandaardiseerde hoogte van de toe te passen verlaging wegens persoonlijke
                    omstandigheden. Bij dit laatste aspect kan bijvoorbeeld aan de volgende gevallen
                    gedacht worden:</al><lijst><li nr="-"><al>Bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is;</al></li><li nr="-"><al>Sociale omstandigheden zoals gezinnen met meerdere kinderen waarvoor de
                            ouders voor de opvoeding en verzorging van een of meer kinderen,
                            meerkosten hebben waarvoor niet direct een passende en toereikende
                            voorliggende voorziening voor is. </al></li></lijst><al><vet>Individuele afstemming</vet></al><al>Uit de bovenstaande benadering van de verlagingstoepassing blijkt dat bij elke
                    op te leggen verlaging maatwerk dient te worden geleverd.</al><al>Het onderscheid tussen enerzijds sanctionering middels oplegging van
                    gestandaardiseerde verlagingen en anderzijds sanctionering middels afstemming in
                    de vorm van geïndividualiseerde verlagingen is van belang. In elke
                    verlagingsbeschikking dient nadrukkelijk te worden gemotiveerd, indien gekozen
                    wordt voor een geïndividualiseerde verlaging, waarom wordt afgeweken van de
                    aangegeven standaardpercentages. Voorts is het zinvol om dit onderscheid te
                    handhaven omdat in deze verordening nadrukkelijk ten aanzien van bepaalde
                    verwijtbare gedragingen of een samenstel daarvan, op voorhand gekozen is voor
                    een geïndividualiseerde verlaging. De reden hiervan is geweest dat het college
                    van mening is dat in die situaties alleen maatwerk kan leiden tot een effectieve
                    vorm van verlagingsoplegging. Effectief in die zin dat bij de beoordeling van de
                    ernst van het feit en de mate van verwijtbaarheid nadrukkelijk rekening wordt
                    gehouden met het benadelingsbedrag.</al><al>In de volgende situaties heeft het college een dergelijke geïndividualiseerde
                    benadering gevolgd, namelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>Samenloop van verschillende soorten verwijtbare gedragingen uit
                            verschillende hoofdstukken van de verordening (zie artikel 8 van deze
                            verordening);</al></li><li nr="-"><al>Meervoudige recidive van verwijtbare gedragingen (zie artikel 12 van
                            deze verordening);</al></li><li nr="-"><al>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, uitgezonderd de situatie
                            wegens onverantwoord snel interen van vermogen (zie artikel 16 van deze
                            verordening)</al></li></lijst><al><vet>Het besluit tot het toepassen van een verlaging</vet></al><al>Het verlagen van de uitkering vindt plaats door middel van een besluit. Wanneer
                    de verlaging op een lopende uitkering wordt toegepast, wordt een besluit tot
                    vaststelling van de algemene bijstand op artikel 18 WWB, artikel 20 IOAW en
                    artikel 20 IOAZ genomen. </al><al><vet>Relatie met andere verordeningen</vet></al><al>De WWB geeft de gemeenteraad ook opdracht om verordeningen vast te stellen op
                    een tweetal terreinen die een relatie hebben met de afstemmingsverordening:
                    reïntegratie en handhaving.</al><al>De afstemmingsverordening en de reïntegratieverordening zijn nauw met elkaar
                    verbonden. Immers, aan de plicht tot meewerken aan een traject kunnen sancties
                    worden verbonden die gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Hoofdstuk
                    2 van deze verordening regelt de afstemming van de uitkering bij het niet
                    nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en de
                    reïntegratieverordening.</al><al>Aan de verplichting om de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik vast
                    te leggen in een verordening (fraudeverordening) wordt voldaan door artikel 2
                    van deze verordening. Hierin wordt verwezen naar een 3-jaarlijks aan de raad te
                    presenteren fraudebeleidsplan. Middels dat plan zal het college aangeven op welk
                    wijze en met inzet van welke middelen de bestrijding van misbruik en oneigenlijk
                    gebruik ter hand wordt genomen. </al><al>In Hoofdstuk 3 wordt een kader neergelegd bij de bestraffing van fraude middels
                    de afstemming van de uitkering dan wel aangifte bij het Openbaar
                    Ministerie.</al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>HOOFDSTUK 1</vet><vet> Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving van de WWB.</al><al><vet>Artikel 2 Het handhavingsbeleid</vet></al><al>Op grond van artikel 8a van de wet dient de gemeente bij verordening regels op
                    te stellen voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik. Aangezien
                    het hier beleid betreft dat bij voorkeur aanpasbaar is aan de situatie wat
                    betreft bestandssamenstelling en ontwikkelingen op het gebied van de
                    fraudebestrijding is ervoor gekozen om de genoemde regels vast te leggen in een
                    3-jaarlijks op te stellen beleidsplan en –verslag waarin het college het beleid
                    en de resultaten daarvan presenteert aan de raad. De status van deze documenten
                    is verankerd in de onderhavige verordening, waardoor aan de in artikel 8a
                    gestelde verplichting is voldaan.</al><al><vet>Artikel 3 Het toepassen van een verlaging</vet></al><al>In het eerste lid worden de gedragingen genoemd die leiden tot het toepassen van
                    een verlaging. Het betreft het zich niet houden aan de verplichtingen van de
                    WWB, of de Wet Suwi, alsmede het zich zeer ernstig misdragen jegens het
                    college.</al><al>De WWB verbindt aan het recht op een uitkering de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18 tweede lid WWB)</al></li><li nr="-"><al>De plicht tot arbeidsinschakeling. Deze plicht bestaat uit twee soorten
                            verplichtingen:</al></li><li nr="o"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="o"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                            voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="-"><al>De informatieplicht. Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting
                            aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling
                            te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                            duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                            arbeidsinschakeling of het recht op uitkering.</al></li><li nr="-"><al>De medewerkingsplicht. Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om
                            desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs
                            nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit
                            allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals:</al></li><li nr="o"><al>het toestaan van huisbezoek</al></li><li nr="o"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li><li nr="-"><al>Nadere verplichtingen, die afhankelijk van de individuele situatie aan
                            een en belanghebbende kunnen worden opgelegd.</al></li></lijst><al>Artikel 18 tweede lid WWB, artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, eerste lid
                    IOAZ noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de
                    medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                    misdragen’.</al><al>De Wet Suwi legt ook verplichtingen op aan belanghebbenden. Het betreft</al><lijst><li nr="-"><al>De verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het UWV
                            Werkplein te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het
                            college (artikel 30c, tweede lid, Wet Suwi).</al></li><li nr="-"><al>De verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle
                            feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWV, waarvan hem
                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
                            het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of
                            de hoogte of de duur van de uitkering.</al></li></lijst><al>De verplichtingen zijn van kracht vanaf het moment dat de belanghebbende een
                    uitkeringsaanvraag heeft ingediend. Er hoeft dus nog geen besluit te zijn
                    genomen op de aanvraag. Op dit punt acht het college het van groot belang dat
                    reeds bij het doen van zijn aanvraag om uitkering bij het UWV nadrukkelijk en
                    ondubbelzinnig gewezen is op de verplichtingen die verbonden zijn aan een recht
                    op uitkering. Naast de algemene informatie van het Ministerie kan hierbij
                    verwezen worden naar de toelichting op het aanvraagformulier voor een uitkering,
                    alsmede op mondeling overgedragen informatie die medewerkers van het UWV
                    aanreiken met betrekking tot de rechten en plichten die verbonden zijn aan een
                    recht op uitkering.</al><al>Het verwijtbaar handelen of nalaten van een belanghebbende kan ook reeds
                    aangevangen zijn vóór dat de aanvraag is ingediend. Dit laatste vormt volgens
                    constante jurisprudentie geen belemmering voor toepassing van een verlaging
                    indien er een duidelijk oorzakelijk verband aanwijsbaar is tussen het
                    verwijtbaar handelen of nalaten van belanghebbende en het, vroegtijdig, ontstaan
                    van uitkeringsafhankelijkheid.</al><al>Hierbij moet in de eerste plaats worden gedacht aan het verwijtbaar
                    uitkeringsbehoeftig worden, door bijvoorbeeld vermogen onverantwoord uit te
                    geven of door zelf ontslag te nemen.</al><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste procentuele verlaging van de uitkeringsnorm. In het tweede lid is de
                    hoofdregel neergelegd: het college dient een toe te passen verlaging af te
                    stemmen op de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende. Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    college bij elke toe te passen verlaging zal moeten nagaan of gelet op deze
                    elementen, afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven
                    standaardverlaging geboden is. Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een
                    verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Omdat de verlaging het gevolg is van het schenken van aan het recht op uitkering
                    verbonden verplichtingen en gezien moet worden als de ‘keerzijde van de
                    medaille’ en niet als een boete, wordt in het derde lid geregeld dat de
                    maatregel ten hoogste het bedrag aan uitkering kan bedragen waarop
                    belanghebbende recht zou hebben gehad. Is door het verrekenen van inkomsten of
                    herziening van het recht op uitkering het recht minder dan de verlaging die
                    overeenkomstig deze verordening zou moeten worden toegepast, dient het college
                    een geringe verlaging toe te passen van ten hoogste het resterende recht op
                    uitkering.</al><al><vet>Artikel 4 Berekeningsgrondslag</vet></al><al>Het percentage van de afstemming wordt berekend over de uitkering. Onder
                    uitkering wordt verstaan de uitkering voor levensonderhoud die wordt verstrekt
                    op grond van de WWB, IOAW of IOAZ. Deze bestaat uit een norm inclusief de
                    eventuele toeslag of verlaging en het vakantiegeld. </al><al>Het tweede lid bevat de uitzonderingen op het eerste lid.</al><al>Onderdeel a: de 18- tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                    noodzakelijk wordt aangevulde door middel van aanvullenden bijzondere bijstand
                    in de kosten van levensonderhoud.</al><al>Indien de verlaging alleen op de lage jongerennorm wordt toegepast, zou dit
                    leiden tot rechtsongelijkheid ten opzicht van de 21-jarigen.</al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele
                    gevallen een verlaging toepast over de bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging
                    van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag.</al><al><vet>Artikel 5 Het horen van belanghebbende</vet></al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een verlaging wordt
                    toegepast in beginsel voorgeschreven. De reden hiervan is dat het college, vóór
                    dat het een officieel besluit neemt, zoveel mogelijk eenduidigheid moet
                    verkrijgen over de feitelijke juistheid van de vermeende verwijtbare gedraging
                    in verband met de beoordeling van de ernst van het feit, de mate van
                    verwijtbaarheid, eventuele verschoonbare omstandigheden en eventuele
                    persoonlijke omstandigheden. Het vooraf horen van een belanghebbende over
                    zijn/haar zienswijze over de vermeende niet-nakoming van zijn/haar
                    verplichtingen kan hieraan bijdragen. De hoorplicht kan in die zin tevens
                    bijdragen aan het voorkomen van bezwaar- en beroepsprocedures.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al><vet>Artikel 6 Afzien van het toepassen van een verlaging</vet></al><al>Het uitgangspunt is dat de toepassing van verlagingen als een algemene
                    verplichting geldt voor het college. De beleidsvrijheid die de wet aan het
                    college laat, betreft de duur en de hoogte van de verlaging en nadrukkelijk niet
                    de overweging óf een verlaging toegepast dient te worden bij een verwijtbare
                    gedraging van een belanghebbende.</al><al>In sub b van het eerste lid van dit artikel is een andere reden aangegeven om af
                    te zien van het toepassen van een verlaging, namelijk wanneer de gedraging te
                    lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    (‘lik op stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgevonden wordt toegepast. Om deze reden wordt onder b geregeld dat het
                    college geen verlagingen toepast voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de inlichtingenplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte uitkering is verleend of een te hoog bedrag aan
                    uitkering is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. Dit wordt in het tweede lid beschreven. Met deze termijn wordt aangesloten
                    bij de termijn zoals deze gold krachtens artikel 14<sup>e</sup> van de Algemene
                    bijstandswet in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van
                    de inlichtingenplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand wegens de
                    ernst van de gedraging (fraude), de soort gedraging, die niet altijd direct
                    geconstateerd kan worden en gelet op het feit dat de gemeente vaak enige tijd
                    nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te
                    stellen.</al><al>In het derde lid wordt geregeld dat het college kan afzien van het toepassen van
                    een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd. Uitgangspunt hierbij is een analoge uitleg van het
                    begrip ‘dringende redenen’ aan die in de WWB- jurisprudentie van de Centrale
                    Raad van Beroep.</al><al>De rode draad in deze jurisprudentie is:</al><lijst><li nr="-"><al>dat dringende redenen zien op de gevolgen die een bepaald besluit heeft
                            voor een belanghebbende, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden.
                            Dringende redenen zien dus nadrukkelijk <onderstreept>niet
                            </onderstreept>op omstandigheden die betrekking hebben op de oorzaak en
                            de verwijtbaarheid van niet-nakoming van een verplichting;</al></li><li nr="-"><al>dat met redelijke mate van objectiviteit vastgesteld dient te kunnen
                            worden dat de dringende redenen zien op de onaanvaardbaarheid van de
                            sociale en/of financiële consequenties van een besluit voor
                            belanghebbende. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende
                            financieel zwaar getroffen wordt door een besluit is niet als dringende
                            reden aan te merken. Evenmin is het bestaan van (problematische)
                            schulden aan te merken als dringende reden;</al></li><li nr="-"><al>dat verklaringen van hulpverlenende instanties van een belanghebbende
                            hierbij een rol kunnen spelen. Tegelijkertijd behoudt het college de
                            bevoegdheid om hiernaar een nader zelfstandig onderzoek in te
                            stellen.</al></li></lijst><al>Het onderzoek naar dringende redenen tot het afzien van het toepassen van een
                    verlaging vindt door het college plaats indien door een belanghebbende
                    aantoonbaar een begin van bewijs van de aanwezigheid van dringende redenen is
                    overlegd dan wel wanneer daarvan anderszins uit concrete feiten en
                    omstandigheden als gevolg van het voorgenomen besluit, is gebleken.</al><al>Het in het vierde lid beschreven doen van een schriftelijke mededeling dat het
                    college afziet van het toepassen van een verlaging wegens dringende redenen is
                    van belang in verband met eventuele recidive. Deze bepaling maakt tevens
                    duidelijk dat indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in het eerste
                    lid, te weten het ontbreken van elke verwijtbaarheid dan wel het verlopen van
                    een verjaringstermijn, dat in dat geval het afzien van toepassing van een
                    verlaging door het college niet schriftelijk behoeft te worden kenbaar gemaakt
                    aan belanghebbende. Dit is ook logisch omdat een dergelijk besluit, in
                    tegenstelling tot het afzien van toepassing van een verlaging wegens dringende
                    redenen, rechtens niet betrokken dient te worden bij de beoordeling van recidive
                    in de toekomst.</al><al><vet>Artikel 7 Ingangsdatum en tijdvak van de verlaging</vet></al><al>In de voorgaande verordening werd nog toepassing gegeven aan
                    herzieningsbesluiten. Intussen is duidelijk geworden, ook uit gerechtelijke
                    uitspraken, dat herzieningen niet nodig zijn. Daarom wordt in artikel 7 alleen
                    nog aangegeven, dat een verlaging kan worden toegepast op toekomstige nog niet
                    betaalde uitkeringen. Hierop heeft het eerste lid betrekking.</al><al>In het tweede lid wordt de handelswijze aangegeven ingeval een uitkering reeds
                    is beëindigd. Er kan dan immers geen verlaging meer plaatsvinden.</al><al>Dit speelt met name bij fraudegevallen, waar uit onderzoek blijkt dat de
                    belanghebbende geen recht op uitkering blijkt te hebben. Te denken valt aan een
                    (verzwegen) samenwoning, het niet in de gemeente verblijven, enzovoort. Wanneer
                    deze belanghebbende binnen een jaar wederom een uitkering aanvraagt, kan de
                    verlaging alsnog worden toegepast.</al><al>Het derde lid regelt dat een verlaging voor bepaalde tijd wordt toegepast. Door
                    een verlaging voor een bepaalde periode toe te passen, weet de
                    uitkeringsgerechtigde die met een verlaging wordt geconfronteerd waar hij aan
                    toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de verlaging is
                    toegepast opnieuw een verlaging toepassen. Hiervoor is dan wel weer een apart
                    besluit nodig. Overigens laat dit onverlet dat het de voorkeur dat het college
                    vóór afloop van de verlagingsperiode onderzoek doet naar de omstandigheid of de
                    toegepaste verlaging bij belanghebbende heeft geleid tot gedragsbeïnvloeding.
                    Indien dat niet of slechts in beperkte mate het geval is geweest, ligt het voor
                    de hand dat een belanghebbende er dan reeds op gewezen wordt dat de toegepaste
                    verlaging zal worden voortgezet dan wel zal worden verhoogt.</al><al>Het is ook denkbaar dat een belanghebbende vóór dat de verlagingsperiode
                    afloopt, nadrukkelijk een laatste kans geboden wordt om zijn gedrag in
                    overeenstemming te brengen met de aan hem opgelegde verplichtingen en dat
                    middels een schriftelijke vooraankondiging aan hem wordt medegedeeld welke
                    verlaging na afloop van de verlagingsperiode zal worden toegepast indien hij de
                    laatste kans niet waarneemt. Inherent aan deze werkmethodiek is wel dat er na
                    afloop van de verlagingsperiode nog steeds een zelfstandig onderzoek vereist is
                    voor de nieuw toe te passen verlaging.</al><al> De WWB introduceert voor het eerst nadrukkelijk de mogelijkheid om een
                    verlaging voor een langere duur toe te passen dan drie maanden, de maximum
                    verlagingsperiode die binnen de jurisprudentie onder de Abw rechtsgeldig werd
                    geacht. De wetgever heeft deze termijn dus nadrukkelijk verruimd, zij het met
                    die beperking dat indien het college een verlaging voor een langere duur dan
                    drie maanden toepast, het college de verlaging aan een herbeoordeling zal moeten
                    onderwerpen. Dit is geregeld in artikel 18 derde lid WWB. Gemeenten mogen zelf
                    bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar gebeurt binnen drie
                    maanden nadat het besluit is genomen. Een rechtsvraag die nadrukkelijk de
                    aandacht verdient is of bij zo’n beoordeling niet opnieuw een besluit genomen
                    dient te worden, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                    het licht worden gehouden.</al><al>Inhoudelijk kan worden opgemerkt dat een marginale beoordeling volstaat: het
                    college moet beoordelen of het redelijk is dat de toegepaste verlaging wordt
                    gecontinueerd.</al><al>Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin belanghebbende
                    verkeert, maar bijvoorbeeld ook of belanghebbende nu wel aan zijn verplichtingen
                    voldoet.</al><al>Procedureel gezien heeft belanghebbende aldus een belangrijke stel- en
                    bewijsplicht doordat hij aantoonbaar aannemelijk moet zien te maken dat er zich
                    nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan ten opzicht van de periode
                    waarvoor op diens uitkering een verlaging is toegepast. In verband hiermee is
                    het van groot belang dat bij de eerste beschikking waarin een langdurige
                    verlaging (drie maanden of langer) wordt toegepast nadrukkelijk vooraf wordt
                    beschreven welke bewijzen door het college aanvaard zullen worden als basis voor
                    heroverweging van de toegepaste verlaging. Dit volgt uit de eisen van de
                    rechtszekerheid.</al><al>Terugkomend op de zojuist beschreven rechtsvraag kan er niet aan worden voorbij
                    gegaan dat de wijze van toepassing van langdurige verlaging voor een
                    belanghebbende zeer ingrijpend is. In dat geval is het college van mening dat
                    het dan ook gepast is dat een belanghebbende tegen deze besluiten passende
                    rechtsmiddelen in het kader van rechtsbescherming moet kunnen aanwenden.</al><al>Om die reden is het college van mening dat een besluit tot voortzetting van de
                    toegepaste verlaging te allen tijde middels een afzonderlijke beschikking aan
                    belanghebbende dient te worden medegedeeld waartegen belanghebbende een
                    bezwaarschrift kan indienen.</al><al>Al met al zal er een zeer terughoudende toepassing van de bevoegdheid tot
                    toepassing van langdurige verlaging gevoerde dienen te worden. Ook al omdat het
                    toepassen van langdurige verlagingen minder goed past in de
                    klantmanagementmethodiek, namelijk een actieve begeleiding van klanten bij de
                    nakoming van hun plicht tot arbeidsinschakeling naast een hoogwaardig
                    handhavingsbeleid.</al><al><vet>Artikel 8 Samenloop van gedragingen</vet></al><al>Het eerste lid heeft betrekking op verschillende gedragingen van een
                    uitkeringsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden.</al><al>Hiervan dient te worden onderscheiden de situatie dat één bepaalde gedraging
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. Hierop heeft
                    het tweede lid betrekking.</al><al><vet>Artikel 9 Het besluit tot toepassen van een verlaging</vet></al><al>Het verlagen van de uitkering vindt plaats door middel van een besluit. Tegen
                    dit besluit kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend. In
                    dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                    vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb). Het motiveringsvereiste houdt onder ander in dat een besluit kenbaar is
                    evn van een deugdelijke motivering wordt voorzien.</al><al><vet>HOOFDSTUK 2</vet><vet>De arbeidsverplichting en de reïntegratieverplichting</vet></al><al><vet>Artikel 10 Indeling in categorieën</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedragingen
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid.</al><al>De gedraging die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven
                    dan in het oude Maatregelenbesluit. De reden hiervoor is dat de WWB volstaat met
                    een algemene omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete
                    invulling van de verplichtingen dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op de
                    situatie van de individuele uitkeringsgerechtigde en de gevolgen die de
                    gedragingen heeft voor het reïntegratietraject.</al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichtingen van de belanghebbende,
                    namelijk om zich als werkzoekende in te schrijven bij het UWV en ingeschreven te
                    doen blijven en de verplichting om het trajectplan te ondertekenen en te
                    retourneren. Het trajectplan omvat de afspraken met de belanghebbende over diens
                    reïntegratie.</al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling ten
                    aanzien van arbeidsinschakeling en daarop gericht onderzoek. Namelijk, het in
                    voldoende mate solliciteren (naar vermogen trachten arbeid te verkrijgen), het
                    (tijdig) voldoen aan een oproep voor arbeidsbemiddeling of een onderzoek naar de
                    mogelijkheden voor arbeidsinschakeling en het meewerken aan een sociaal-medisch
                    onderzoek naar de mogelijkheden van de belanghebbende.</al><al>In de derde en vierde categorie gaat het om gedragingen die direct een
                    aanleiding kunnen vormen tot een beroep op uitkering of het zonder noodzaak
                    langer laten voortduren daarvan. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen
                    gedragingen die dit gevolg wel direct aanwijsbaar hebben en gedragingen waarbij
                    dit niet het geval is. Als het direct aanwijsbare gevolg van de gedraging is dat
                    een voor belanghebbende vastgesteld traject geen doorgang vindt/ of niet wordt
                    ingezet wordt de gedraging ingedeeld in de vierde categorie en dus zwaarder
                    bestraft dan wanneer de gedraging geen directe gevolgen heeft voor het
                    reïntegratietraject van de belanghebbende.</al><al>De medewerkingsplicht aan de door het college aangeboden voorzieningen treedt in
                    de plaats van de verplichting tot het naar vermogen verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid en is als sluitend alternatief bedoeld voor
                    arbeidstoeleiding. De verplichting is gericht op de bevordering van de
                    zelfstandige bestaansvoorziening. Voor deelname aan een voorziening geldt dat de
                    kortste weg naar duurzame arbeid voorop staat en dat vertraging van het traject
                    door eigen toedoen van een belanghebbende als een ernstige gedraging wordt
                    beschouwd. Vertraging op zichzelf is dus verwijtbaar; niet noodzakelijk is dat
                    de vertraging geleid heeft tot het geen doorgang vinden van of het beëindigen
                    van het traject.</al><al>In het kader van de sluitende aanpak acht het college deze laatstgenoemde
                    gedraging zeer ernstig verwijtbaar omdat het in de situatie dat het college een
                    belanghebbende een voorziening aanbiedt al duidelijk is dat directe bemiddeling
                    een zeer geringe kans van slagen heeft en dan gaat het niet aan dat de laatste
                    kans tot arbeidsinschakeling door eigen toedoen van de klant wordt gefrustreerd.
                    Onder die omstandigheden acht het college het daarom verdedigbaar dat ook voor
                    deze gedraging een standaardverlaging passend is van 100% gedurende een
                    maand.</al><al><vet>Artikel 11 Hoogte en duur van de verlaging bij een eerste verwijtbare
                        gedraging </vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de vier categorieën van
                    gedragingen die verband houden met heet geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al><vet>Artikel 12 Recidive en meervoudige recidive</vet></al><al>Het eerste lid stelt dat indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare
                    gedraging sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, de grotere
                    ernst van de gedraging tot uitdrukking wordt gebracht in een verdubbeling van de
                    duur van de verlaging. Onder ‘eerste verwijtbare gedraging’ wordt de eerste
                    gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien de
                    verlaging wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van
                    de aanvang van de termijn van 12 maanden geldt het tijdstip waarop het besluit
                    waarin de verlaging is toegepast bekend is gemaakt.</al><al>Op basis van deze bepaling kan een zwaardere verlaging na recidive slechts één
                    keer worden toegepast. Het tweede lid stelt daarom dat indien belanghebbende na
                    een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont,
                    de hoogte en de duur van de verlaging individueel moet worden vastgesteld.
                    Hierbij zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van betrokkene. Het ligt in de
                    rede dat de hoogte en/of duur van een verlaging toenemen bij het volharden van
                    de belanghebbende in een verwijtbare gedraging.</al><al><vet>HOOFDSTUK 3 De inlichtingenverplichting</vet></al><al><vet>Artikel 13 Te laat verstrekken van gegevens</vet></al><al>Indien een cliënt de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde
                    gegevens niet op tijd verstrekt dan wel in verzuim blijft door zonder tijdig
                    bericht van verhindering (24 uur vóór het moment van de afspraak) niet in
                    persoon te verschijnen voor een afspraak, kan het college het recht op uitkering
                    opschorten vanaf de dag dat belanghebbende in verzuim is (artikel 54 eerste lid
                    WWB, artikel 17, eerste lid IOAW en artikel 17, eerste lid IOAZ).</al><al>Het college stelt middels een beschikking de cliënt in kennis van het
                    opschortingsbesluit onder gelijktijdige verstrekking van een officiële
                    hersteltermijn waarbinnen de cliënt het verzuim kan herstellen.</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente
                    verstrekt dan wel verschijnt belanghebbende niet op een tweede uitnodiging voor
                    een gesprek, dan kan het college de uitkering beëindigen vanaf de datum van
                    opschorting.</al><al>In het eerste lid wordt geregeld dat indien de gevraagde gegevens wel binnen de
                    hersteltermijn worden verstrekt of indien belanghebbende wel op de tweede
                    uitnodiging voor een gesprek verschijnt, de uitkering wordt voortgezet, maar een
                    verlaging wordt toegepast van 10% voor de duur van een maand.</al><al>In het tweede lid wordt vastgesteld hoe om te gaan met recidive bij het te laat
                    verstrekken van inlichtingen of het niet komen opdagen op afspraken. Analoog aan
                    de verlagingen wegens het niet voldoen aan de arbeids- of
                    reïntegratieverplichting wordt de maatregel bij recidive verdubbeld in
                    duur.</al><al>In het derde lid wordt geregeld dat in gevallen waarbij de gemeente niet
                    financieel is benadeeld kan worden volstaan met een schriftelijke waarschuwing.
                    Een schriftelijke waarschuwing is, ook juridisch gezien, geen verlaging. Dit wil
                    zeggen dat bij herhaling van de gedraging in principe een verlaging wordt
                    toegepast zonder toepassing van de recidiveregeling in het tweede lid. Uit
                    jurisprudentie (CRvB 02-12-2003, nrs. 03/5367 NABW-VV en 035352) blijk dat het
                    college niet in redelijkheid kan weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid
                    tot oplegging van een waarschuwing indien het niet aanstonds voldoen aan de
                    inlichtingenplicht niet tot enige benadeling heeft geleid en van het bewust, met
                    het oog op geldelijk gewin niet tijdig verstrekken van gegevens geen sprake
                    is.</al><al>In het vierde lid wordt vastgesteld dat slechts één maal per twee jaar
                    gewaarschuwd wordt. Schendt de belanghebbende ondanks de waarschuwing opnieuw de
                    inlichtingenverplichting dan wordt in principe een verlaging toegepast.</al><al><vet>Artikel 14 Onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de
                        uitkering of langdurigheidstoeslag</vet></al><al>In artikel 17 eerste lid WWB, artikel 13 IOAW en artikel 13 IOAZ is bepaald dat
                    belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen </al><al>beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                    arbeidsinschakeling of het recht op uitkering. De ernst van de gedraging komt
                    tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingbedrag. Dat is het door de
                    gemeente bruto to veel betaalde bedrag aan uitkering. </al><al>Onder "onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van" wordt verstaan dat een
                    belanghebbende op het eerstvolgende maandelijkse
                    rechtmatigheidsonderzoeksformulier (ROF-je) melding cliënt te maken van de,
                    vanuit oogpunt van de Wet, relevante gebeurtenis. </al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het
                    benadelingbedrag. De maatregel wordt toegepast op de toekomstige uitkering van
                    de belanghebbende. Het bedrag van de verlaging wordt geregeld in het tweede lid. </al><al><vet>De relatie met de strafrechtelijke sanctie </vet></al><al>De gemeenten heeft de verplichting om proces-verbaal op te maken en aangifte te
                    doen bij het Openbaar Ministerie indien er sprake is van fraude en het
                    benadelingbedrag hoger is dan </al><al>€ 10.000 (de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude). </al><al>Indien de gemeente aangifte doet bij het Openbaar Ministerie kan het niet meer
                    overgaan tot het toepassen van een maatregel. Het ‘una via’ beginsel (geen
                    samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing
                    van een enkel overheidsorgaan) verzet zich daartegen. Indien het Openbaar
                    Ministerie om wat voor reden dan ook besluit om niet over te gaan tot vervolging
                    kan de gemeente alsnog een verlaging toepassen. </al><al>Het blijft voor het college op grond van artikel 3, tweede en derde lid van deze
                    verordening mogelijk om al individualiserend de verlaging anders vast te stellen
                    dan de richtlijn die wordt vermeldt in dit artikel.</al><al><vet>Artikel 15 Onjuist of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de
                        uitkering of langdurigheidstoeslag</vet></al><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de uitkering of langdurigheidstoeslag. Voorbeelden van
                    nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de
                    vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligerswerk. </al><al>De in het tweede lid genoemde bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij
                    het niet</al><al>of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de
                    bevoegdheid tot het geven</al><al>van een waarschuwing bij het to laat verstrekken van informatie. Uit
                    jurisprudentie </al><al>(CRvB 02-12-2003, nrs. 03/5367 NABW-W en 03/5352) blijkt dat het College
                    niet</al><al>in redelijkheid kan weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot oplegging
                    van een</al><al>waarschuwing indien het niet aanstonds voldoen aan de inlichtingenplicht niet
                    tot enige </al><al>benadeling heeft geleid en van het bewust, met het oog op geldelijk gewin niet
                    tijdig verstrekken van gegevens geen sprake is. </al><al>In het derde lid wordt vastgesteld dat slechts een maal per twee jaar
                    gewaarschuwd wordt.</al><al>Schendt de belanghebbende ondanks de waarschuwing opnieuw de
                    inlichtingenverplichting dan wordt in </al><al>principe een verlaging toegepast. </al><al><vet>HOOFDSTUK 4 De overige gedragingen</vet></al><al>Conform reguliere jurisprudentie van de bestuursrechter dient de hoogte en de
                    duur van de </al><al>maatregel bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid afgestemd te zijn
                    op de</al><al>gebruikelijke criteria voor maatregeloplegging, in het bijzonder rekening
                    houdende met de</al><al>hoogte van het benadelingsbedrag.</al><al>Bij het onverantwoord interen op vermogen komt de individualisering tot uiting
                    in de duur van</al><al>de verlaging. Deze wordt aangepast aan de periode die uit belanghebbende</al><al>uitkeringsonafhankelijk had kunnen blijven indien hij voldoende besef van
                    verantwoordelijkheid</al><al>had betoond door op verantwoorde wijze om te gaan met zijn vermogen. Wel dient
                    bij het</al><al>toepassen van een verlaging op grond van dit artikel uitdrukkelijk gezien te
                    worden op de</al><al>individuele omstandigheden van de cliënt. De verlaging dient recht te doen aan
                    zowel de</al><al>gedraging als de huidige situatie van de cliënt in kwestie.</al><al><vet>Artikel 16 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een uitkering wordt aangevraagd.
                    Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    uitkeringaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een uitkering aanvraagt, de
                    gemeente bij de toekenning van de uitkering hiermee rekening kan houden door het
                    toepassen van een verlaging. </al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals: - geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                    voorziening; </al><lijst><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering;
                        </al></li><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen. </al></li></lijst><al>Onder a wordt geregeld dat een belanghebbende die door tekortschietend besef een
                    voorliggende voorziening niet benut een verlaging van 100% gedurende één maand
                    krijgt opgelegd. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het door verwijtbaar gedrag of
                    nalaten niet toegekend krijgen van een WW-uitkering.</al><al>Onder b wordt geregeld dat een belanghebbende die over vermogen beschikte of
                    redelijkerwijs kon beschikken en op dit vermogen onverantwoord snel heeft
                    ingeteerd een maatregel krijgt opgelegd die direct is gerelateerd aan de hoogte
                    van het onverantwoord ingeteerde vermogen. De verlaging bedraagt 100% van de
                    uitkeringsnorm ( i.e. belanghebbende ontvangt geen uitkering) voor de periode
                    die belanghebbende uitkeringsonafhankelijk zou zijn geweest indien de intering
                    op verantwoorde wijze zou hebben plaatsgevonden. Om dit artikel body te geven
                    dient in de toelichting te worden gesteld wat dan een verantwoorde
                    vermogensintering is. Uit jurisprudentie, zoals deze is ontstaan naar aanleiding
                    van de Algemene bijstandswet kan worden afgeleid dat, ook onder de Wet werk en
                    bijstand, de volgende regel kan worden gehanteerd:</al><al><onderstreept>Het vermogen is verantwoord ingeteerd als de uitgaven ca. 1,5 maal
                        de uitkeringsnorm hebben bedragen. Rekening dient te worden gehouden met de
                        verantwoorde aanschaf van duurzame gebruiksgoederen.</onderstreept></al><al>Bij een bijstandsaanvraag na intering op vermogen bestaan drie mogelijke
                    situaties:</al><lijst><li nr="1."><al>Het vermogen is aantoonbaar op verantwoorde wijze ingeteerd. Er is geen
                            belemmering voor uitkeringsverlening.</al></li><li nr="2."><al>Het vermogen is ingeteerd zonder dat de cliënt dit redelijkerwijs kan
                            verantwoorden. Het college gaat er vanuit dat de cliënt nog de
                            beschikking heeft over de gelden, hetgeen leidt tot een beëindiging van
                            de uitkering dan wel het afwijzen van de aanvraag op grond van het
                            gestelde in artikel 11 eerste lid WWB. Belanghebbende beschikt immers
                            over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
                            voorzien.</al></li><li nr="3."><al>Het vermogen is op een onverantwoorde wijze aantoonbaar ingeteerd.</al></li></lijst><al>Het onverantwoord interen geeft blijk van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in de noodzakelijke bestaanskosten. Als
                    sanctie voor deze gedraging kan een verlaging van 100% worden toegepast. De duur
                    van de verlaging is afhankelijk van de mate van het betoonde besef voor de
                    voorziening in de bestaanskosten, in dit geval van de periode die belanghebbende
                    uitkeringsonafhankelijk had kunnen blijven indien hij op een verantwoorde wijze
                    had ingeteerd op het vermogen. De bepaling hiervan in praktijk is niet altijd
                    makkelijk omdat de situatie beoordeeld dient te worden op basis van de
                    vergelijking wat de uitkeringstechnische gevolgen zouden zijn geweest indien
                    belanghebbende wel zijn verplichtingen zou zijn nagekomen met de situatie nu
                    hij/zij dit niet gedaan heeft. Maatwerk is hierbij een leidraad. Dit maatwerk
                    komt tot uiting in individualisering van de duur van de verlaging. Deze wordt
                    aangepast aan de periode die de belanghebbende onafhankelijk van uitkering had
                    kunnen blijven indien hij voldoende besef van verantwoordelijkheid had getoond
                    door een verantwoorde intering.</al><al><vet>Artikel 17 Nadere verplichtingen</vet></al><al>Artikel 55 van de WWB geeft het college de bevoegdheid om, naast de
                    verplichtingen die op grond van hoofdstuk 2 (Rechten en plichten) van de WWB aan
                    het recht op uitkering verbonden zijn of kunnen worden, vanaf de dag van melding
                    aan de belanghebbende bepaalde andere verplichtingen op te leggen die strekken
                    tot arbeidsinschakeling, dan wel verband houden met aard en doel van een
                    bepaalde vorm van uitkering of strekken tot vermindering of te beëindiging van
                    de uitkering. </al><al>Het opleggen van deze nadere verplichtingen kan bijvoorbeeld aan de orde zijn
                    wanneer in de </al><al>persoon gelegen problemen aan arbeidsinschakeling in de weg staan, zoals bij
                    psychische </al><al>moeilijkheden of verslavingsproblemen. Een actieve, zo nodig bemiddelende
                    opstelling van het college om dergelijke factoren, door inschakeling van
                    professionele hulp, weg te nemen kan dan zeer gewenst zijn. Het college kan,
                    indien zij dit noodzakelijk achten voor het herstel van de zelfstandige
                    bestaansvoorziening van belanghebbende, aan de uitkering de verplichting
                    verbinden dat belanghebbende een medische behandeling ondergaat dan wel
                    enigerlei andere vorm van professionele hulpverlening die naar zijn aard met een
                    medische behandeling kan worden vergeleken. De zorgvuldigheid vergt dat het
                    college, alvorens een dergelijke verplichting op te leggen, het deskundig advies
                    inwinnen van een arts. </al><al>Maar ook kan worden gedacht aan een verplichting om zich aan te melden voor
                    budgetbegeleiding of om bepaalde aanspraken op middelen te gelde te maken. </al><al>Het betreffen hoe dan ook verplichtingen die naar aanleiding van een specifieke
                    individuele situatie worden opgelegd. </al><al>De verlaging bedraagt 10%, maar hiervan kan worden afgeweken, gelet op artikel 4
                    van de verordening. </al><al><vet>Artikel 18 Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden</al><al>verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat
                    in het</al><al>normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                    beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een verlaging toepassen indien er een verband bestaat
                    tussen de</al><al>ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het
                    vaststellen van</al><al>het recht op een uitkering. </al><al>Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                    moeten hebben</al><al>plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                    uitvoering</al><al>van de wet. </al><al>In artikel 18 tweede lid WWB, artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste
                    lid IOAZ</al><al>wordt gesproken over ‘het zich jegens het college zeer ernstig misdragen'. </al><al>Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college
                    en hun </al><al>ambtenaren aanleiding zijn voor het toepassen van een verlaging. Er kan dus geen
                    verlaging</al><al>worden toegepast als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een
                    medewerker</al><al>van een andere organisatie die belast is met de uitvoering van de wet
                    (bijvoorbeeld een</al><al>reïntegratiebedrijf). Het kan in dat geval mogelijk zijn om een verlaging toe te
                    passen</al><al>wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op</al><al>arbeidsinschakeling (artikel 10, derde lid van deze verordening). </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van</al><al>agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden); </al></li><li nr="b."><al>discriminatie; </al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk); </al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); </al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld; </al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar</al><al>de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband is
                    het</al><al>relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van</al><al>instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust
                    gebruikt om een</al><al>bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering).
                    Agressie die</al><al>ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden
                    aangeduid</al><al>met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid
                    bij instrumenteel</al><al>geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al>Naast het opleggen van een maatregel kan, in aanvulling op het gestelde in dit
                    artikel door,</al><al>of namens het college, aangifte worden gedaan bij de politie dan wel de toegang
                    tot het</al><al>gemeentehuis worden ontzegd. Het opleggen van een maatregel staat geheel los van
                    het</al><al>doen van aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de
                    functionaris</al><al>tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. In het
                    gemeentelijk</al><al>agressieprotocol staan de richtlijnen voor het omgaan met agressie op de
                    werkvloer door</al><al>medewerkers van de gemeente. </al><al><vet>HOOFDSTUK 5 Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 19 Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 20 Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 21 Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>