<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR69697_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (WMO) 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Verbinding, 21-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (WMO) gemeente Heumen 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Maatschappelijke Ondersteuning, art. 4, 5, 15, lid en 19, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10 08</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (WMO) 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                        2011 (p. 2-20)</al><al>&amp;</al><al>Artikelsgewijze toelichting (p. 21-51) De raad van de gemeente
                        Heumen,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 november
                        2010;</al><al>gelet op de artikelen 4, 5, 15 lid 1 en 19 lid 1 van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen
                        in verband met de plicht tot het compenseren van de beperkingen die een
                        persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5° en
                        6° van de Wet maatschappelijke ondersteuning, ondervindt in zijn</al><al>zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie;</al><al><vet>Besluit</vet></al><al>vast te stellen de </al><al><vet>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke
                        ondersteuning 2011</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze Verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>compensatiebeginsel: de opdracht aan het gemeentebestuur om
                                    personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                    gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige
                                    uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in
                                    staat tot maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="c."><al>het Besluit maatschappelijke ondersteuning: het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning zoals gepubliceerd in Staatsblad
                                    2006, 450, inclusief later hierin aangebrachte wijzigingen;</al></li><li nr="d."><al>persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte
                                    of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren
                                    van activiteiten op het gebied van het voeren van het
                                    huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij het
                                    verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen
                                    per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op
                                    basis daarvan aangaan van sociale verbanden;</al></li><li nr="e."><al>mantelzorger: een persoon die mantelzorg verleent als bedoeld in
                                    artikel 1, lid 1, onder b. van de wet;</al></li><li nr="f."><al>zelfredzaamheid: het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke
                                    of financiële vermogen van de persoon om zelf, dan wel met hulp
                                    van de sociale omgeving of mantelzorg, voorzieningen te treffen
                                    die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk
                                    maken;</al></li><li nr="g."><al>maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                    maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                    huishouden, het normale gebruik van de woning, het zich in en om
                                    de woning verplaatsen, het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen, het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al></li><li nr="h."><al>een voorziening: een zorgvoorziening, een woonvoorziening, een
                                    vervoersvoorziening of een rolstoel;</al></li><li nr="i."><al>algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op
                                    basis van beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling
                                    (geen medische indicatie) kent, en die een snelle, regelarme en
                                    adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                    ondervindt;</al></li><li nr="j."><al>individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt
                                    aangeboden aan de persoon met beperkingen indien een algemene
                                    voorziening geen adequate oplossing biedt;</al></li><li nr="k."><al>vormen van voorzieningen:</al><lijst><li nr="1."><al>natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen,
                                            in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening
                                            wordt verstrekt;</al></li><li nr="2."><al>persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de
                                            aanvrager een of meer aan hem te verlenen individuele
                                            voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze
                                            verordening en het Besluit nadere regels
                                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen te
                                            stellen regels van toepassing zijn;</al></li><li nr="3."><al>financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de
                                            kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op
                                            het inkomen van de aanvrager;</al></li><li nr="4."><al>gemaximeerde vergoeding: een vergoeding in de kosten van
                                            een voorziening die tot een vastgesteld maximum wordt
                                            verstrekt, al dan niet met in achtneming van een
                                            inkomensgrens;</al></li></lijst></li><li nr="l."><al>inkomen:</al><lijst><li nr="1."><al>voor zover van belang voor het vaststellen van de eigen
                                            bijdrage of het eigen aandeel in de kosten: het inkomen
                                            zoals omschreven in artikel 4.2 van het Besluit
                                            maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="2."><al>voor zover van belang voor de toepassing van artikel
                                            5.2: het inkomen zoals omschreven in het Besluit nadere
                                            regels maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                            Heumen.</al></li></lijst></li><li nr="m."><al>eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een bijdrage als
                                    bedoeld in artikel 15 of een aandeel als bedoeld in artikel 19
                                    van de wet, welke bij de verstrekking van een voorziening in
                                    natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget dan wel een
                                    financiële tegemoetkoming door de persoon is verschuldigd en
                                    waarop het Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning
                                    gemeente Heumen van toepassing is;</al></li><li nr="n."><al>normbedrag: een forfaitaire of gemaximeerde vergoeding;</al></li><li nr="o."><al>algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot
                                    het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon
                                    als de aanvrager behorend;</al></li><li nr="p."><al>huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                                    gemeenschappelijk een woning bewoont;</al></li><li nr="q."><al>budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze Verordening een
                                    persoonsgebonden budget is toegekend.</al></li><li nr="r."><al>leefeenheid: een eenheid bestaande uit gehuwden die al dan niet
                                    tezamen met één of meer minderjarige ongehuwden duurzaam een
                                    huishouden voeren, dan wel een ongehuwde meerderjarige die met
                                    één of meer minderjarige ongehuwden duurzaam een huishouden
                                    voert, waarbij onder gehuwden ook worden verstaan ongehuwd
                                    samenwonenden en andere volwassenen die met elkaar en/of met
                                    kinderen samenwonen.</al></li><li nr="s."><al>woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op
                                    een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden
                                    verplaatst;</al></li><li nr="t."><al>standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een
                                    woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het
                                    leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of
                                    van gemeenten kunnen worden aangesloten;</al></li><li nr="u."><al>woonschip: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt
                                    gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting
                                    uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot dag- of nachtverblijf
                                    van een of meer personen;</al></li><li nr="v."><al>hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                    permanente bewoning, waar de persoon zijn vaste woon- en
                                    verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de
                                    gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of zal
                                    staan, dan wel het feitelijk woonadres indien de persoon met een
                                    briefadres in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven
                                    staat of zal staan;</al></li><li nr="w."><al>gemeenschappelijke ruimten: gedeelte(n) van een woongebouw, niet
                                    behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk
                                    om de woning van de persoon met beperkingen vanaf de toegang van
                                    het woongebouw te bereiken en ruimten die onder het gehuurde
                                    vallen en/of waarvan de persoon met beperkingen gebruik moet
                                    kunnen maken;</al></li><li nr="x."><al>woningaanpassing: ingreep van bouwkundige of woontechnische aard
                                    die:</al><lijst><li nr="1."><al>gericht is op het opheffen of verminderen van
                                            belemmeringen die een persoon met beperkingen ondervindt
                                            bij het normale gebruik van de woonruimte; of</al></li><li nr="2."><al>betrekking heeft op een uitraasruimte;</al></li></lijst></li><li nr="y."><al>instelling: een inrichting die ingevolge artikel 8 van de
                                    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is erkend en een
                                    bejaardenoord als bedoeld in artikel 1 sub b van de Overgangswet
                                    bejaardenoorden;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Inperking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele voorziening kan slechts worden toegekend voor
                                zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is;</al></li><li nr="b."><al>deze noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het
                                        voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de
                                        woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij
                                        het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale
                                        verbanden aangaan op te heffen of te verminderen;</al></li><li nr="c."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="d."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoon met beperkingen heeft geen recht op een individuele
                                voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien een algemene voorziening beschikbaar is die een
                                        toereikende en adequate oplossing biedt voor de vastgestelde
                                        beperkingen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de belanghebbende in staat is om zelf, zonodig
                                        met behulp van beschikbare adequate en toereikende hulp van
                                        de sociale omgeving of de vrijwillige mantelzorg, de
                                        beperkingen weg te nemen;</al></li><li nr="d."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                        Heumen.</al></li><li nr="e."><al>voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik
                                        van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                        gebruikte materialen;</al></li><li nr="f."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li><li nr="g."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="h."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt, tenzij het college uitdrukkelijk schriftelijk
                                        toestemming heeft gegeven voor het maken van de kosten;</al></li><li nr="i."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan
                                        deze Verordening voorafgaande Verordening voorzieningen
                                        gehandicapten is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                        verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Keuzevrijheid.</titel></kop><al>Een individuele voorziening krachtens deze verordening wordt verleend in
                            natura, in de vorm van een financiële tegemoetkoming of in de vorm van
                            een persoonsgebonden budget.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            tussen de leverancier en de aanvrager van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Financiële tegemoetkoming.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een financiële tegemoetkoming wordt verleend, wordt in de
                                beschikking vermeld voor welke voorzieningen de tegemoetkoming wordt
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een periodieke financiële tegemoetkoming wordt verleend,
                                wordt in de beschikking tevens vermeld: de geldigheidsduur, de
                                uitkeringsmaatstaf, alsmede de voorschriften waaraan de
                                belanghebbende dient te voldoen alvorens tot uitbetaling van de
                                tegemoetkoming kan worden overgegaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de geldigheidsduur niet in de beschikking is vermeld, wordt
                                uitgegaan van een verstrekking voor onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij overlijden van de rechthebbende eindigt de periodieke financiële
                                tegemoetkoming op de eerste dag van de maand volgend op de maand
                                waarin de rechthebbende is overleden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Persoonsgebonden budget.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een persoonsgebonden budget wordt verleend, wordt in de
                                    beschikking vermeld voor welke voorziening of voorzieningen het
                                    budget wordt verleend.</al></li><li nr="2."><al>Een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de aanvrager die recht heeft op een individuele
                                            voorziening;</al></li><li nr="b."><al>in verband met eenindividuele
                                            voorziening;</al></li><li nr="c."><al>indien hiertegen geen overwegende bezwaren bestaan.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De omvang van het persoonsgebonden budget is gelijk aan de
                                    werkelijke kosten van de voorziening, doch niet hoger dan de
                                    tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst
                                    adequate te verstrekken voorziening in natura, indien nodig
                                    aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingskosten, zoals
                                    vastgelegd in het Besluit nadere regels maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Heumen.</al></li><li nr="4."><al>De wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld en
                                    betaalbaar wordt gesteld wordt door het college vastgelegd in
                                    het Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning
                                    gemeente Heumen.</al></li><li nr="5."><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt
                                    waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het
                                    persoonsgebonden budget te verwerven voorziening dient te
                                    voldoen.</al></li><li nr="6."><al>Na aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden
                                    budget verstrekt is, dan wel na afloop van het kalenderjaar,
                                    wordt aan het college door de budgethouder, voor zover van
                                    toepassing, verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een betalingsbewijs van de aangeschafte
                                            voorziening;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht van de salarisadministratie;</al></li></lijst></li></lijst><al>volgens de voorschriften zoals door het college in het Besluit nadere
                            regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen opgenomen.</al><lijst><li nr="7."><al>Een persoonsgebonden budget wordt niet verstrekt aan de persoon
                                    die naar het oordeel van het college niet in staat is het budget
                                    op een verantwoorde wijze te beheren. Een persoonsgebonden
                                    budget wordt in ieder geval niet verstrekt aan de persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>die verkeert in staat van faillissement als bedoeld in
                                            de Faillissementswet;</al></li><li nr="b."><al>die twee of meer schulden heeft waarvoor geen
                                            betalingsregeling is getroffen;</al></li><li nr="c."><al>die wegens schuldenproblematiek wordt begeleid door
                                            Maatschappelijk Werk, de Kredietbank of een hiermee
                                            vergelijkbare dienstverlenende instantie;</al></li><li nr="d."><al>ten aanzien waarvan door de rechter een schuldsanering
                                            is vastgesteld op grond van de Wet Schuldsanering
                                            Natuurlijke Personen;</al></li><li nr="e."><al>die onder curatele is gesteld, tenzij de curator zich
                                            bereid verklaart het persoonsgebonden budget te
                                            beheren;</al></li><li nr="f."><al>wiens goederen onder bewind zijn gesteld, tenzij de
                                            bewindvoerder zich bereid verklaart het persoonsgebonden
                                            budget te beheren;</al></li><li nr="g."><al>ten aanzien van wie misbruik of oneigenlijk gebruik van
                                            het persoonsgebonden budget is vastgesteld;</al></li><li nr="h."><al>die naar het oordeel van het college, gelet op in de
                                            persoon gelegen factoren, naar verwachting niet in staat
                                            zal zijn het budget op een verantwoorde wijze te
                                            beheren.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De persoon aan wie een individuele voorziening in natura of in de
                                vorm van een persoonsgebonden budget is verleend is een eigen
                                bijdrage verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoon aan wie een individuele voorziening in de vorm van een
                                financiële tegemoetkoming is verleend is een eigen aandeel
                                verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de eigen bijdrage en het eigen aandeel wordt
                                vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.1 lid 1 van het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in lid 1 en lid 2 blijft buiten toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorziening bestaat uit een rolstoel of een
                                        sportrolstoel;</al></li><li nr="b."><al>de voorziening bestaat uit een financiële tegemoetkoming dan
                                        wel een persoonsgebonden budget voor de verzorgingskosten
                                        van een hulphond als bedoeld in artikel 4.1 lid 1 sub
                                        h;</al></li><li nr="c."><al>de voorziening een aanpassing aan een gemeenschappelijke
                                        ruimte betreft als bedoeld in</al><al> artikel 4.9;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening een verhuiskostenvergoeding betreft als
                                        bedoeld in artikel 4.15;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening een vergoeding voor huurderving betreft als
                                        bedoeld in artikel 4.18.</al><al> . de voorziening een financiële tegemoetkomingbetreft als
                                        bedoeld in artikel 5.1 sub , </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De persoon bedoeld in het eerste en tweede lid is geen eigen
                                bijdrage verschuldigd voor een persoonsgebonden budget of een
                                financiële tegemoetkoming, waarvan het toekenningsbesluit voor 1
                                januari 2010 is genomen, verstrekt in verband met een:</al><lijst><li nr="a."><al>woonvoorziening als bedoeld in artikel 4.1 lid 1 onder b, c,
                                        d en g;</al></li><li nr="b."><al>vervoersvoorziening 5.1 lid a, lid b sub 1 en 3 en lid
                                        c</al><al> en de in de beschikking opgenomen gebruiksduur van de
                                        voorziening niet is verstreken.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Zorgvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                                ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                                voorziening bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                        huishouden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de toepassing van het vorige lid is artikel 1.2 lid 1 sub a niet
                                van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorziening bedoeld in lid 1 sub a en b wordt uitsluitend
                                toegekend indien en voor zover een algemene voorziening de
                                beperkingen van de persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>niet volledig compenseert of</al></li><li nr="b."><al>niet beschikbaar is</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Gebruikelijke zorg en gebruikelijke hulpmiddelen.</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 3.2 komt een persoon met
                            beperkingen niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden indien en
                            voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of
                                    meer huisgenoten behoren die naarhet oordeel van het
                                    college in staat zijn de huishoudelijke taken te
                                    verrichten;</al></li><li nr="b."><al>de ondervonden beperkingen kunnen worden weggenomen door middel
                                    van algemeen gebruikelijke huishoudelijke hulpmiddelen en
                                    apparatuur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden.</titel></kop><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren
                            benodigde zorg per week. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke
                                verzorging</titel></kop><al>Het maximale bedrag per uur op basis waarvan het persoonsgebonden budget
                            voor huishoudelijke verzorging wordt vastgesteld, wordt jaarlijks door
                            het college vastgesteld en vastgelegd in het Besluit nadere regels
                            maatschappelijke ondersteuning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Dringende noodzaak tot huishoudelijke verzorging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1.2 en artikel 3.1 tot en met 3.4 besluit
                                het college tot het tijdelijk verlenen van huishoudelijke verzorging
                                in natura indien de persoon met beperkingen zelf niet in staat is
                                huishoudelijke taken te verrichten en dit, gelet op de
                                omstandigheden van de persoon of het gezin, dringend noodzakelijk is
                                en een algemene voorziening hiervoor geen tijdige oplossing biedt of
                                niet beschikbaar is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in lid 1 bedoelde voorziening wordt voor een periode van een
                                maand verleend en kan ten hoogste tweemaal een maand worden
                                verlengd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene omschrijving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Type woonvoorzieningen.</titel></kop><al>De door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening
                                kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van:</al><lijst><li nr="a."><al>verhuizing en (her)inrichting;</al></li><li nr="b."><al>woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of
                                                niet-woontechnische aard, te betalen aan de hoofdbewoner van de woonruimte of de leverancier
                                                van de voorziening;</al></li><li nr="c."><al>woningaanpassing te betalen aan de eigenaar van de
                                                woonruimte</al></li><li nr="d."><al>onderhoud, keuring en reparatie, te betalen aan de
                                                hoofdbewoner van de woonruimte of de leverancier van
                                                de voorziening; </al></li><li nr="e."><al>tijdelijke huisvesting, te betalen aan de
                                                hoofdbewoner van de woonruimte of de leverancier van
                                                de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>huurderving, te betalen aan de eigenaar van de
                                                woonruimte;</al></li><li nr="g."><al>een uitraasruimte;</al></li><li nr="h."><al>verzorging van een hulphond;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>een voorziening in natura.</al></li><li nr="3."><al>een persoonsgebonden budget voor de voorzieningen bedoeld in
                                        lid 1 sub a, b, c, d en h.</al></li><li nr="4."><al>een voorziening als bedoeld in lid 1 tot en met lid 3 wordt
                                        uitsluitend toegekend indien en voor zover een algemene
                                        voorziening</al><lijst><li nr="a."><al>de beperkingen van de persoon niet volledig
                                                compenseert of</al></li><li nr="b."><al>niet beschikbaar is</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling financiële
                                    tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Terstond na voltooiing van de werkzaamheden in het kader van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4.1 aanhef en onder 1 sub c,
                                    maar uiterlijk binnen 15 maanden na het verlenen van de
                                    financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget,
                                    verklaart de woningeigenaar aan burgemeester en wethouders dat
                                    de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gereedmelding als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld
                                    van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is
                                    voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële
                                    tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget is verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gereedmelding als bedoeld in het eerste lid is tevens een
                                    verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële
                                    tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Degene aan wie de financiële tegemoetkoming of het
                                    persoonsgebonden budget in de kosten genoemd in artikel 4.1
                                    aanhef en onder 1 sub c wordt uitbetaald, dient een periode van
                                    vijf jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking
                                    tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Woon- en verblijfsruimten waarvoor geen woonvoorziening wordt
                                    verstrekt</titel></kop><al>De bepalingen van hoofdstuk 4 zijn niet van toepassing op het
                                treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                verzorgingstehuizen, vakantiewoningen, tweede woningen, kamerverhuur
                                en specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte
                                woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke
                                ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder
                                noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het recht op een woonvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Primaat van verhuizing en afbakening rechten op
                                    woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon kan voor een financiële tegemoetkoming in de kosten
                                    van verhuizing en inrichting als bedoeld in artikel 4.1 aanhef
                                    en onder 1 sub a in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    aantoonbare beperkingen in de persoon als gevolg van ziekte of
                                    gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon kan voor een woningaanpassing als bedoeld in artikel
                                    4.1 aanhef en onder 1 sub b en c in aanmerking worden gebracht
                                    indien de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk
                                    is of niet de goedkoopst adequate oplossing is en de voorziening
                                    gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten af te zien van het
                                    in het eerste lid neergelegde primaat van verhuizing in de
                                    gevallen aangegeven in het Besluit nadere regels
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een persoon kan voor een uitraasruimte als bedoeld in artikel
                                    4.1 aanhef en onder 1 sub g in aanmerking komen wanneer sprake
                                    is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van
                                    ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd
                                    gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan
                                    leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan
                                    komen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een persoon kan voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel
                                    4.1 aanhef en onder 1 sub h in aanmerking worden gebracht indien
                                    de hulphond is verstrekt door de Stichting Hulphond en de
                                    hulphond bijdraagt in het oplossen van beperkingen in het
                                    normale gebruik van de woning. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Voorwaarden bij verlening van woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Hoofdverblijf en bezoekbaar maken
                                    woning.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders verlenen woonvoorzieningen
                                            als bedoeld in artikel 4.1 slechts ten behoeve van het
                                            hoofdverblijf van een persoon met beperkingen.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een woonvoorziening
                                            als bedoeld in artikel 4.1 aanhef en onder 1 sub b, c en
                                            d dan wel een woonvoorziening als bedoeld in artikel 4.1
                                            aanhef en onder 2 dan wel een combinatie van deze
                                            voorzieningen worden verstrekt voor het bezoekbaar maken
                                            van één woning indien de persoon met beperkingen zijn
                                            hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting.</al></li><li nr="3."><al>Onder bezoekbaar maken van een woning als bedoeld in het
                                            tweede lid wordt uitsluitend verstaan dat de persoon met
                                            beperkingen de woonkamer en een toilet kan bereiken en
                                            gebruiken.</al></li><li nr="4."><al>De aanvraag voor woonvoorzieningen als bedoeld in het
                                            tweede lid wordt ingediend in de gemeente waar de aan te
                                            passen woning staat.</al></li><li nr="5."><al>Het totaal van de op grond van het tweede lid te
                                            verstrekken financiële tegemoetkomingen kan niet meer
                                            bedragen dan het bedrag genoemd in het Besluit nadere
                                            regels maatschappelijke ondersteuning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Weigeringsgronden woonvoorzieningen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders wijzen een aanvraag voor een
                                    woonvoorziening als bedoeld in artikel 4.1 af indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon met beperkingen is verhuisd vanuit een woning
                                            waarin hij bij normaal gebruik geen belemmeringen ten
                                            gevolge van ziekte of gebrek ondervond, tenzij er een
                                            belangrijke reden voor de verhuizing bestond; of</al></li><li nr="b."><al>de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor
                                            zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest
                                            geschikte woning, tenzij tevoren schriftelijk
                                            toestemming is verleend door burgemeester en wethouders;
                                            of</al></li><li nr="c."><al>er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen
                                            de ondervonden (naar objectief medische maatstaf
                                            aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of
                                            woontechnische kenmerken van de door de persoon bewoonde
                                            woning; of</al></li><li nr="d."><al>de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
                                            toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen)
                                            worden ondervonden;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Duidelijkheid over financiering van
                                            niet-gesubsidieerde deel van de kosten </titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een
                                            financiële tegemoetkoming dan wel een persoonsgebonden
                                            budget in de kosten als bedoeld in artikel 4.1 aanhef en
                                            onder 1 sub b en c indien in de financiering van het
                                            niet door subsidie gedekte deel van de voorziening is
                                            voorzien. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Beperking in de verlening van
                                                woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Het verwerven van grond</titel></kop><al>Voor zover het treffen van voorzieningen, als bedoeld in artikel
                                    4.1 aanhef en onder 1 sub b betreft het uitbreiden van een
                                    bestaande woning, dan wel het groter bouwen en van een nieuw te
                                    bouwen woning dan zonder de voorzieningen nodig zou zijn, kunnen
                                    burgemeester en wethouders een financiële tegemoetkoming
                                    verlenen voor de extra te verwerven grond tot het aantal
                                    vierkante meters per vertrek en een gedeelte van de
                                    buitenruimtebij de woning, zoals vermeld in het Besluit nadere
                                    regels maatschappelijke ondersteuning. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Woningaanpassingen van gemeenschappelijke
                                        ruimten.</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming
                                    verlenen voor het treffen van voorzieningen aan een
                                    gemeenschappelijke ruimte. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Beperking zeer dure woonvoorzieningen</titel></kop><al>Woonvoorzieningen waarvan de totale kosten gelijk zijn aan of
                                    meer bedragen dan een door het college in het Besluit nadere
                                    regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen
                                    vastgesteld bedrag worden niet verleend. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Aanpassingen van woonwagens, woonschepen en
                                        binnenschepen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Woonwagen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming dan wel een persoonsgebonden budget in de
                                    aanpassingskosten van een woonwagen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal
                                            vijf jaar is;</al></li><li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                            aanmerking komt;</al></li><li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag
                                            voor een woonvoorziening bij de gemeente op de
                                            standplaats stond.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Woonschip</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming dan wel een persoonsgebonden budget in de
                                    aanpassingskosten van een woonschip indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van het woonschip ten tijde van
                                            de indiening van de aanvraag nog minimaal vijf jaar
                                            is;</al></li><li nr="b."><al>het woonschip nog minimaal vijf jaar op de door
                                            burgemeester en wethouders aangewezen ligplaats mag
                                            blijven liggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Technische levensduur woonwagen en
                                        woonschip</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de technische levensduur van de woonwagen of het
                                            woonschip minder dan vijf jaar is of de standplaats van
                                            de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in
                                            aanmerking komt of het woonschip niet tenminste nog vijf
                                            jaar op de door burgemeester en wethouders aangewezen
                                            ligplaats mag liggen, kunnen uitsluitend
                                            woonvoorzieningen worden verstrekt als bedoeld in
                                            artikel 4.1 aanhef en onder 1 sub b en d.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het Besluit nadere
                                            regels maatschappelijke ondersteuning de maximale hoogte
                                            bepalen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in
                                            het eerste lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Binnenschip</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming dan wel een persoonsgebonden budget in de
                                    aanpassingskosten van een binnenschip indien de aanpassing
                                    betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun
                                    gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in
                                    artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit
                                    (Stb. 1987, 466), van een binnenschip, dat:</al><lijst><li nr="a."><al>in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van
                                            het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op
                                            de wijze omschreven in de maatregel te boek gestelde
                                            schepen 1992; en</al></li><li nr="b."><al>bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor vervoer van
                                            goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het
                                            metingsbesluit binnenvaartuigen 1987 een laadvermogen
                                            van tenminste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van
                                            meer dan 12 personen buiten de in de aanhef
                                            bedoelde.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Verhuis- en (her)inrichtingskosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.15</nr><titel>Financiële tegemoetkoming in verhuis- en
                                        inrichtingskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële
                                            tegemoetkoming dan wel een persoonsgebonden budget in de
                                            verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in artikel
                                            4.1. lid 1, onder a verstrekken aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon met beperkingen;</al></li><li nr="b."><al>een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten behoeve
                                            van een persoon met beperkingen de woonruimte heeft
                                            ontruimd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een
                                            financiële tegemoetkoming dan wel een persoonsgebonden
                                            budget als bedoeld in het eerste lid aanhef en onder a
                                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de verhuizing niet heeft plaats gevonden voordat
                                            burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen
                                            naar aanleiding van de aanvraag, tenzij zij daartoe
                                            toestemming hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>de persoon niet voor het eerst zelfstandig gaat
                                            wonen;</al></li><li nr="c."><al>de persoon verhuist vanuit en naar een woonruimte die
                                            geschikt is om het hele jaar door bewoond te
                                            worden;</al></li><li nr="d."><al>de persoon niet verhuist naar een AWBZ-inrichting of een
                                            verzorgingstehuis;</al></li><li nr="e."><al>aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek
                                            het normale gebruik van de te verlaten woning
                                            belemmeren, tenzij het een verhuizing naar een
                                            ADL-woning betreft.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Overige kosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.16</nr><titel>Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                                        reparatie</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie
                                    als bedoeld in artikel 4.1 aanhef en onder 1 sub d indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonvoorziening is verleend in het kader van de
                                            Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten, de
                                            Wet voorzieningen gehandicapten dan wel de wet, en </al></li><li nr="b."><al>de woonvoorziening voorkomt in het Besluit nadere regels
                                            maatschappelijke ondersteuning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.17</nr><titel>Kosten in verband met tijdelijke
                                            huisvesting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële
                                                  tegemoetkoming verlenen in de kosten van
                                                  tijdelijke huisvesting die door de persoon met
                                                  beperkingen moeten worden gemaakt in verband met
                                                  het aanpassen van:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn huidige woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>de nog te betrekken woonruimte.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De financiële tegemoetkoming als bedoeld in het
                                                  eerste lid wordt uitsluitend verleend voor de
                                                  periode dat de aan te passen woonruimte ten
                                                  gevolge van het realiseren van de woningaanpassing
                                                  niet bewoond kan worden en de persoon als gevolg
                                                  daarvan voor dubbele woonlasten komt te
                                                  staan.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een
                                                  financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                                  tijdelijke huisvesting als de persoon
                                                  redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen dat hij
                                                  dubbele woonlasten heeft.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het Besluit
                                                  nadere regels maatschappelijke ondersteuning de
                                                  periode bepalen gedurende welke een financiële
                                                  tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid kan
                                                  worden verstrekt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8</nr><titel>Facultatieve woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.18</nr><titel>Huurderving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste
                                            woonruimte kunnen burgemeester en wethouders een
                                            financiële tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van
                                            de woning in verband met derving van huurinkomsten.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het Besluit nadere
                                            regels maatschappelijke ondersteuning bepalen dat het
                                            eerste lid niet wordt toegepast indien het bedrag
                                            waarvoor de woning is aangepast minder bedraagt dan een
                                            door hen in bedoeld besluit vastgesteld bedrag.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het Besluit nadere
                                            regels maatschappelijke ondersteuning de duur van de
                                            periode bepalen gedurende welke een financiële
                                            tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                            verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.19</nr><titel>Kosten in verband met het verwijderen van
                                        voorzieningen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen geen financiële
                                    tegemoetkoming in de kosten van het verwijderen van
                                    voorzieningen als bedoeld in artikel 4.1 lid 1 onder g tenzij de
                                    gemeente eigenaar is van de geplaatste voorziening of indien de
                                    aanpassingen zo specifiek zijn dat het door de aanwezigheid van
                                    de voorzieningen niet mogelijk is om de woning aan personen
                                    zonder een beperking te verhuren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>9</nr><titel>Afschrijving woningaanpassingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.20</nr><titel>Afschrijving van woningaanpassingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar van een woning, die krachtens deze
                                            Verordening een financiële tegemoetkoming dan wel een
                                            persoonsgebonden budget in de kosten van het treffen van
                                            een woonvoorziening als bedoeld in artikel 4.1 aanhef en
                                            onder 1 sub c heeft ontvangen die hoger is dan het
                                            bedrag genoemd in het Besluit nadere regels
                                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen en die
                                            binnen een periode van 5 jaar na de datum van
                                            gereedmelding van de werkzaamheden de woning verkoopt,
                                            is gehouden de meerwaarde die door het treffen van de
                                            voorziening is ontstaan gedeeltelijk aan de gemeente
                                            terug te betalen.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van het terug te betalen bedrag als bedoeld in
                                            het eerste lid bedraagt:</al></li></lijst><al>voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde, </al><al>voor het tweede jaar 80% van de meerwaarde, </al><al>voor het derde jaar 60% van de meerwaarde, </al><al>voor het vierde jaar 40% van de meerwaarde en </al><al>voor het vijfde jaar 20% van de meerwaarde, </al><al>in alle gevallen minus het percentage dat voor rekening van de
                                    eigenaar van de woonruimte is gekomen.</al><lijst><li nr="3."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien de woning
                                            wordt verkocht aan de persoon met beperkingen voor wie
                                            de aanpassingen zijn aangebracht of aan een andere
                                            persoon met beperkingen aan wie op grond van deze
                                            Verordening een vergelijkbare woning zou zijn
                                            toegekend.</al></li><li nr="4."><al>Ter uitvoering van het eerste lid is de eigenaar van de
                                            woning verplicht om binnen een maand na het passeren van
                                            de notariële akte burgemeester en wethouders hiervan
                                            schriftelijk op de hoogte te stellen.</al></li><li nr="5."><al>De toepassing van dit artikel vindt plaats onverminderd
                                            het bepaalde in artikel 8.1.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>10</nr><titel>Vermogensdrempel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.21</nr><titel>Vermogensdrempel voor woonvoorziening van
                                        bouwkundige of woontechnische aard</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager heeft geen recht op een woonvoorziening als
                                            bedoeld in artikel 4.1 lid 1 sub c. indien hij eigenaar
                                            is van de aan te passen woning, en het in de woning
                                            gebonden vermogen hoger is dan het door het college in
                                            het Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning
                                            gemeente Heumen vastgesteld bedrag.</al></li><li nr="2."><al>Het in de woning gebonden vermogen bedoeld in lid 1 is
                                            gelijk aan de waarde van de woning in het economische
                                            verkeer bij vrije verkoop, minus de openstaande hoofdsom
                                            van de geldlening in verband met het op de aan te passen
                                            woning gevestigd recht van hypotheek.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in lid 1 blijft buiten toepassing
                                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de totale kosten van de noodzakelijk geachte
                                            woningaanpassing bedoeld in lid 1 niet hoger zijn dan
                                            het door het college in het Besluit nadere regels
                                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen
                                            vastgesteld bedrag, of;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager blijkens de schriftelijke afwijzing van een
                                            tweetal erkende kredietverstrekkers niet in staat is
                                            middels het geven van een recht van hypotheek het
                                            vermogen als bedoeld in lid 2 te gelde te maken tot
                                            tenminste het bedrag dat nodig is om de woonvoorziening
                                            te realiseren.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Vervoersvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door burgemeester en wethouders, ter compensatie van
                                    beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken
                                    vervoersvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening, waaronder een collectieve
                                            vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura dan wel een
                                            persoongebonden budget te besteden aan een
                                            vervoersvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming te besteden aan een
                                            vervoersvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Het recht op een algemene
                                        vervoersvoorziening</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 5:1 aanhef en
                                    onder a vermelde voorziening in aanmerking komen indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                    onmogelijk maken om: </al><lijst><li nr="a."><al>gebruik te maken van het openbaar vervoer;</al></li><li nr="b."><al>het openbaar vervoer te kunnen bereiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Het primaat van het collectief
                                    vervoer</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de </al><al>in artikel 5.1, onder b en c vermelde voorziening in aanmerking
                                    komen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                            het gebruik van een collectief</al><al> systeem als bedoeld in artikel 5.1, onder a, onmogelijk
                                            maken;</al></li><li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 5.1, onder
                                            a, niet aanwezig is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Algemeen gebruikelijke
                                        vervoersvoorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het inkomen zoals bedoeld onder artikel 1.1,
                                            aanhef en onder l, sub 2, hoger is dan 1,5 x het
                                            norminkomen, wordt een vervoersvoorziening als bedoeld
                                            onder artikel 5.1 algemeen gebruikelijk geacht.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid van dit artikel verstrekte
                                            vervoersvoorziening wordt beëindigd in het geval dat na
                                            de verstrekking van de vervoersvoorziening het inkomen
                                            als bedoeld in het eerste lid van dit artikel de grens
                                            van 1,5 maal het norminkomen overschrijdt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><al>1.Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien
                                    van de vervoersbehoefte ten</al><al> behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening
                                    gehouden met de </al><al> verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader
                                    van het leven van alledag.</al><al>2.In afwijking op het gestelde in het eerste lid wordt rekening
                                    gehouden met de</al><al> vervoersbehoefte buiten de directe woon- of leefomgeving in een
                                    situatie waarin een </al><al> bovenregionaal contact alleen door de aanvrager zelf bezocht
                                    kan worden, terwijl dit </al><al> bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende
                                    vereenzaming te voorkomen.</al><al>3.De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                    participatie door middel van</al><al> lokale verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van
                                    1500 kilometer met een </al><al> bandbreedte tot 2000 kilometer mogelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Training gesloten buitenwagen en
                                        scootermobiel</titel></kop><al>Wanneer blijkt dat de persoon met beperkingen onvoldoende in
                                    staat is aan het verkeer deel te nemen met een op grond van deze
                                    Verordening toegekende gesloten buitenwagen of scootermobiel
                                    verlenen burgemeester en wethouders een financiële
                                    tegemoetkoming in de kosten van een training.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Rolstoelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Algemene omschrijving</titel></kop><al>De door burgemeester en wethouders te verstrekken
                                    rolstoelvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoel voor verplaatsing binnen, dan wel voor
                                            verplaatsing binnen en buiten de woonruimte, dan wel een
                                            aanpassing daaraan;</al></li><li nr="b."><al>een sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud, gebruik en reparatie;</al></li><li nr="d."><al>accessoires ;</al></li><li nr="e."><al>een financiële tegemoetkoming dan wel een
                                            persoonsgebonden budget voor de kosten van de onder c.
                                            en d. bedoelde voorzieningen;</al></li><li nr="f."><al>een combinatie van de onder a. tot en met e. bedoelde
                                            voorzieningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Het recht op een rolstoel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon kan voor een rolstoelvoorziening in
                                            aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare
                                            beperkingen in de persoon op grond van ziekte of gebrek
                                            het dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning
                                            noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden
                                            op grond van andere wettelijke regelingen een
                                            onvoldoende oplossing bieden.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een persoon met
                                            beperkingen in aanmerking voor een sportrolstoel worden
                                            gebracht indien hij zonder sportrolstoel niet in staat
                                            is tot sportbeoefening.</al></li><li nr="3."><al>Een aanvraag voor een rolstoel wordt afgewezen, indien
                                            de noodzaak van een rolstoel het gevolg is van een
                                            verhuizing naar een woning waarvoor op grond van artikel
                                            4.6 aanhef en onder b geen recht op
                                            verhuiskostenvergoeding bestaat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Vorm van de verstrekking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een rolstoel wordt in bruikleen verstrekt en wordt na
                                            afloop van de bruikleenperiode ingenomen.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de verstrekking van
                                            een sportrolstoel plaatsvinden in de vorm van een
                                            forfaitaire vergoeding, waarmee voor een periode van
                                            drie jaar een sportrolstoel aangeschaft, onderhouden en
                                            gerepareerd kan worden.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de vergoeding als bedoeld in het tweede
                                            lid wordt vastgesteld met inachtneming van het Besluit
                                            nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                            Heumen.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het eerste lid kan de persoon met
                                            beperkingen op verzoek kiezen voor een financiële
                                            tegemoetkoming dan wel een persoonsgebonden budget. Het
                                            college van burgemeester en wethouders stelt hieromtrent
                                            nadere regels vast in het Besluit nadere regels
                                            maatschappelijke ondersteuning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Training elektrische rolstoel</titel></kop><al>Wanneer blijkt dat de persoon met beperkingen onvoldoende in
                                    staat is aan het verkeer deel te nemen met een op grond van deze
                                    Verordening toegekende elektrische rolstoel verlenen
                                    burgemeester en wethouders een financiële tegemoetkoming in de
                                    kosten van een training dan wel een persoonsgebonden budget voor
                                    een training.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>het verkrijgen van voorzieningen en het
                                        motiveren van besluiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Degene die kenbaar maakt een aanvraag te willen indienen
                                            en die naar het oordeel van het college voldoende
                                            zelfredzaam is, wordt in de gelegenheid gesteld om met
                                            advies en ondersteuning van de kant van de gemeente zelf
                                            een oplossing te vinden ter compensatie van de
                                            beperkingen, zonodig middels de inzet van de sociale
                                            omgeving dan wel de vrijwillige mantelzorg.</al></li><li nr="2."><al>Een aanvraag voor een voorziening dient te worden
                                            ingediend door middel van een door burgemeester en
                                            wethouders beschikbaar gesteld formulier.</al></li><li nr="3."><al>De persoon die een voorziening in het kader van deze
                                            Verordening aanvraagt, dient desge-</al></li></lijst><al>vraagd een geldig identiteitsbewijs over te leggen als bedoeld
                                    in artikel 1 eerste lid onder 1 tot en met 3 van de Wet op de
                                    identificatieplicht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Gebruik aanvraagformulier.</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door
                                    het college ter beschikking gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om,voor zover dit van belang kan
                                            zijn voor de beoordeling van het recht op een
                                            voorziening, degene door of namens wie een aanvraag is
                                            ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                            college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                            verzoeken die inlichtingen te verstrekken die naar het
                                            oordeel van het college nodig zijn om een besluit te
                                            kunnen nemen;</al></li><li nr="b."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                            college te bepalen plaats en tijdstip in verband met het
                                            verstrekken van inlichtingen of het zich onderwerpen aan
                                            nader onderzoek door een of meer daartoe aangewezen
                                            deskundigen.</al></li><li nr="c."><al>De aanvrager is verplicht aan burgemeester en wethouders
                                            of de door hen aangewezen advies-instantie die gegevens
                                            te (doen) verschaffen die noodzakelijk zijn voor de
                                            beoordeling van de aanvraag.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college vraagt een door hen daartoe aangewezen
                                            adviesinstantie om advies indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevraagde voorziening om medische of andere
                                            inhoudelijke redenen wordt afgewezen;</al></li><li nr="b."><al>dit naar het oordeel van het college, mede gelet op de
                                            aard of de samenloop van de problematiek, noodzakelijk
                                            is voor een zorgvuldige besluitvorming.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door
                                            hen aangewezen adviesinstantie die gegevens te
                                            verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn
                                            voor de beoordeling van de het recht op een
                                            voorziening.</al></li><li nr="4."><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt
                                            door de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek
                                            zoals neergelegd in de International Classification of
                                            Functions, Disabilities and Impairments.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Wijzigingen in de situatie.</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze Verordening een voorziening is
                                    verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van
                                    feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet
                                    zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                    voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Heronderzoek en intrekking van een
                                        voorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd regelmatig een
                                            heronderzoek te verrichten naar de voor de voortzetting
                                            van het recht op een voorziening van belang zijnde
                                            gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Het college trekken een beschikking, genomen op grond
                                            van deze Verordening, geheel of gedeeltelijk in
                                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of
                                            krachtens de wet of deze Verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                            gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste
                                            gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                            genomen en belanghebbende wist of redelijkerwijs had
                                            kunnen weten dat bedoelde gegevens onjuist waren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een besluit tot verlening van een financiële
                                            tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget wordt
                                            ingetrokken indien en voorzover:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitbetaling van de tegemoetkoming of vergoeding
                                            geschiedt op declaratiebasis en de belanghebbende niet
                                            binnen zes maanden na de datum van bekendmaking van het
                                            besluit een declaratie heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>de tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget binnen
                                            zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de
                                            bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening
                                            heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="c."><al>de voorziening die door middel van de financiële
                                            tegemoetkoming of het persoonsgebonden in eigendom is
                                            aangekocht niet meer adequaat is of door de aanvrager
                                            niet meer kan worden gebruikt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ingeval een voorziening is ingetrokken wordt een op
                                            basis daarvan ten onrechte uitbetaalde financiële
                                            tegemoetkoming of persoonsgebonden budget,
                                            teruggevorderd voor zover na de datum van het besluit
                                            tot toekenning van de voorziening nog geen vijf jaren
                                            zijn verstreken.</al></li><li nr="2."><al>Terugvordering als bedoeld in het vorige lid vindt niet
                                            plaats indien er naar het oordeel van het college
                                            dringende redenen zijn om van terugvordering af te
                                            zien.</al></li><li nr="3."><al>Ingeval eenbesluit tot verlening betrekking
                                            heeft op:</al><lijst><li nr="a."><al>een in eigendom verstrekte voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een persoongebonden budget waarmee een voorziening in
                                            eigendom is aangekocht;</al></li></lijst></li></lijst><al>en dit besluit is ingetrokken, dan wordt de voorziening
                                    teruggevorderd.</al><lijst><li nr="4."><al>Indien het persoonsgebonden budget niet is besteed aan
                                            de voorziening of voorzieningen waarvoor het
                                            persoonsgebonden budget is verleend, wordt het niet
                                            bestede deel teruggevorderd.</al></li><li nr="5."><al>Alle ingevolge deze Verordening terug te vorderen
                                            bedragen worden verhoogd met de wettelijke rente.</al></li><li nr="6."><al>In geval een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                            ingetrokken kan deze voorziening worden
                                            teruggevorderd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                            aanvrager afwijken van de bepalingen van deze
                                            Verordening, indien toepassing van de verordening tot
                                            onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></li><li nr="2."><al>Voorafgaande aan de toepassing van het eerste lid kunnen
                                            burgemeester en wethouders advies vragen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.</nr><titel>Beslissing burgemeester en wethouders in
                                        gevallen waarin de Verordening niet voorziet</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                    aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening,
                                    indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van
                                    overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Indexering.</titel></kop><al>Het college past jaarlijks per 1 januari de in het kader van
                                    deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit
                                    nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen
                                    geldende bedragen aan conform de ontwikkelingen van de
                                    prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Inwerkingtreding en
                                    overgangsbepaling.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze Verordening treedt in werking op 1 januari 2011.
                                            Tezelfdertijd wordt de Verordening individuele
                                            voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010,
                                            vastgesteld in de openbare vergadering van de
                                            gemeenteraad van Heumen van 17 december 2009,
                                            ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Voor personen aan wie eerder op grond van de Verordening
                                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen 2010 een
                                            individuele vervoersvoorziening is verstrekt, en die op
                                            grond van deze Verordening zijn aangewezen op een
                                            vervoersvoorziening op grond van artikel 5:1, aanhef en
                                            onder a van deze Verordening, geldt dat zij tot 1 juli
                                            2011 het recht op deze individuele vervoersvoorziening
                                            behouden. Deze overgangsregeling geldt niet voor
                                            personen die hun aanvraag hebben ingediend ná 1 oktober
                                            2010.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Citeertitel.</titel></kop><al>Deze Verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen
                                    2011.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de gemeenteraadsvergadering, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, </ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD; </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raadsgriffier, De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland. drs. J. van Zomeren.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Nota-toelichting</al><al/><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al><vet>AFDELING I ALGEMEEN </vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verklaard.</al><al>a.wet</al><al>Overal waar in de verordening over wet gesproken wordt, wordt de
                                    Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bedoeld.</al><al>b.compensatiebeginsel</al><al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd
                                    door het begrip 'compensatiebeginsel'. Dit begrip is bij
                                    amendement 65 in de Wmo opgenomen.</al><al>Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de
                                    Volksgezondheid en de Zorg. In hun briefadvies over de Wmo staat
                                    het volgende:</al><al><cursief>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de
                                        wettelijke aanspraak op maatschappelijke ondersteuning te
                                        relateren aan aard en ernst van de beperking(en) van
                                        burgers, door
                                        gemee</cursief><cursief>n</cursief><cursief>ten te
                                        verplichten zorg te dragen voor compensatie van deze
                                        beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                                        beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt
                                        gebracht ten opzichte van de burger zonder beperking(en). De
                                        gemeente heeft hierin een resultaatsverplichting. Dit brengt
                                        met zich mee dat de gemeente zelf mag bepalen welke
                                        voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde
                                        doel/resultaat te bereiken. Teneinde tevens recht te doen
                                        aan het uitgangspunt dat daar waar mogelijk beroep gedaan
                                        wordt op de eigen verantwoordelijkheid van burgers moet het
                                        mogelijk zijn om aan de aanspraak op ondersteuning een
                                        inkomenstoets te koppelen. Omdat het om maatschappelijke
                                        participatie gaat, is dit te rechtvaardigen. Daartoe dienen
                                        op centraal niveau regels gesteld te worden."</cursief></al><al>Dit begrip is 'vertaald' bij amendement en in de wet opgenomen.
                                    Het is met name de toelichting op het amendement dat informatie
                                    geeft over de bedoeling van de wetgever met het begrip
                                    compensatieplicht. De toelichting stelt:</al><al><cursief>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar
                                        om te voorzien in met name genoemde producten en diensten
                                        strekt het nieuw geformuleerde artikel ertoe de algemene
                                        verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de
                                        zelfredzaamheid op het gebied van het
                                        vo</cursief><cursief>e</cursief><cursief>ren van een
                                        huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om
                                        zich lokaal per
                                        ve</cursief><cursief>r</cursief><cursief>voermiddel te
                                        verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in
                                        dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke,
                                        geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te
                                        treffen die deelname aan het normale maatschappelijke
                                        verkeer mogelijk maken. Onder
                                        norm</cursief><cursief>a</cursief><cursief>le deelname aan
                                        het maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval verstaan
                                        het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik
                                        van een woning; het zich in en om de woning kunnen
                                        verplaatsen; het zich zodanig kunnen verplaatsen dat
                                        aansluiting kan worden gevonden bij
                                        r</cursief><cursief>e</cursief><cursief>gionale,
                                        bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen
                                        ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden
                                        van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen
                                        aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de
                                        gemeentelijke
                                        uitvoering</cursief><cursief>s</cursief><cursief>praktijk
                                        biedt de International Classification of Functions,
                                        Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform
                                        begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte
                                        aan voorzieningen in individuele gevallen vast te
                                        stellen.</cursief></al><al><cursief>De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen
                                        wordt met dit artikel bij wet gegeven. De normering ervan
                                        wordt overeenkomstig de bestuurlijke structuur van de wet op
                                        het lokale niveau bepaald met inachtneming van alle
                                        bepalingen over de totstandkoming van het lokale beleid en
                                        de betrokkenheid van burgers en cliënten
                                    daarbij.”</cursief></al><al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4,
                                    lid 1 van de wet aan, voor de onderdelen: </al><lijst><li nr="a."><al>een huishouden te voeren,</al></li><li nr="b."><al>zich te verplaatsen in en om de woning,</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="d."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                                            verbanden aan te gaan.</al></li></lijst><al>Uitgaande van een overgang van de drie deelterreinen van de Wet
                                    voorzieningen gehandicapten (Wvg), woonvoorzieningen,
                                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen, plus de functie
                                    huishoudelijke verzorging uit de AWBZ naar de Wmo worden de
                                    onderdelen uit artikel 4 van de wet in de verordening als volgt
                                    uitgewerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan:
                                            zowel onder andere het wonen, met name de
                                            woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                                            verzorging, in de verordening Hulp bij het Huishouden
                                            genoemd;</al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning: bijvoorbeeld de
                                            rolstoel inclusief (uitsluitend) de sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: bijvoorbeeld
                                            de vervoersvoorzieningen uit de Wvg;</al></li><li nr="d."><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende
                                            aangaan van sociale verbanden wordt beschouwd als
                                            doelstelling voor de eerste drie
                                            verstrekkingenterreinen.</al></li></lijst><al>De ruimte die het begrip 'compensatieplicht' creëert, maakt het
                                    voor de gemeente mogelijk om een op de beperkingen van de
                                    persoon of groepen van personen gericht voorzieningenbeleid te
                                    voeren. Deze beperkingen kunnen samenhangen met bijvoorbeeld de
                                    woonafstand van de persoon ten opzichte van in de gemeente
                                    beschikbare algemene voorzieningen. Dit sluit niet uit dat ten
                                    aanzien van beperkingen onderscheid wordt gemaakt tussen
                                    inwoners van de ene en de andere gemeentelijke woonkern, mits
                                    geen sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
                                    Bij de keuzes binnen het voorzieningenbeleid dient het
                                    compenseren van beperkingen voorop te staan. </al><al>d.persoon met beperkingen</al><al>Het begrip 'beperkingen' is ontleend aan de ICF, de
                                    International Classification of Functioning, Disability, and
                                    Health, opgesteld door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World
                                    Health Organisation, onderdeel van de Verenigde Naties). De
                                    omschrijving van het begrip 'persoon met beperkingen' is verder
                                    afgeleid van de omschrijving van 'beperkingen' en van de
                                    verschillende terreinen waarvoor op grond van de wet
                                    voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is vanuit de
                                    voormalige Wvg het onderdeel 'aantoonbare beperkingen ten
                                    gevolge van ziekte of gebrek' toegevoegd. Mede in verband met de
                                    begrenzing van de doelgroep zal immers een objectief criterium
                                    nodig zijn. Hierdoor blijft jurisprudentie op grond van de Wvg
                                    ten aanzien van dit onderdeel op dit begrip van toepassing. </al><al>“Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de
                                    International Classification of Functions, Disabilities and
                                    Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in
                                    individuele gevallen vast te stellen.” Dit is afkomstig uit
                                    amendement 65 van artikel 4 van de wet.</al><al>e.mantelzorger</al><al>De omschrijving van het begrip 'mantelzorger' is ontleend aan de
                                    begripsomschrijving van 'mantelzorg' in de wet (artikel 1, lid 1
                                    onder b, van de wet). </al><al>Mantelzorg moet worden onderscheiden van 'gebruikelijke zorg'.
                                    Gebruikelijke zorg is de zorg die gegeven wordt door personen
                                    die deel uit maken van het huishouden van de hulpbehoevende
                                    persoon. Wanneer door één of meerdere huisgenoten zorgtaken
                                    kunnen worden overgenomen dan heeft de hulpbehoevende persoon
                                    geen of minder recht op Hulp bij het Huishouden van de kant van
                                    de gemeente. De huisgenoten worden geacht de zorgtaken op zich
                                    te nemen. Of zij dit daadwerkelijk wel of niet doen is niet
                                    relevant. </al><al>Mantelzorg wordt verleend door een of meerdere personen die niet
                                    in de woning van de hulpbehoevende persoon woonachtig zijn,
                                    bijvoorbeeld door familie, buren, kennissen of vrijwilligers.
                                    Mantelzorg is altijd vrijwillig. De beschikbaarheid van
                                    mantelzorg kan een reden zijn om geen of minder Hulp bij het
                                    Huishouden toe te kennen. Mocht een mantelzorger echter de zorg
                                    niet meer kunnen of willen leveren dan wordt direct het aantal
                                    geïndiceerde uren Hulp bij het Huishouden toegekend.</al><al>Hoewel de mantelzorger als zodanig in de wet wordt genoemd bij
                                    de personen die recht hebben op ondersteuning, heeft de gemeente
                                    Heumen ervoor gekozen om mantelzorgers uitsluitend door middel
                                    van algemene voorzieningen te ondersteunen. Om die reden
                                    ontbreekt de mantelzorger als rechthebbende in de verordening,
                                    aangezien de verordening uitsluitend de aanspraak op individuele
                                    voorzieningen regelt.</al><al>f.zelfredzaamheid, g. maatschappelijke participatie</al><al>Zelfredzaamheid vormt één van de kernbegrippen van de wet. In
                                    artikel 4 van de wet is neergelegd dat de compensatieplicht van
                                    de gemeente bestaat uit het compenseren van beperkingen die een
                                    persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid. Met andere woorden:
                                    de voorzieningen die de gemeente biedt op het gebied van het
                                    wonen, vervoer en rolstoelen dienen ter ondersteuning dan wel
                                    behoud van het zelfstandig functioneren van de persoon.</al><al>Het zelfstandig functioneren is in betekenis beperkt tot 'het
                                    deelnemen aan het normale maatschappelijke verkeer'
                                    (maatschappelijke participatie). </al><al>De maatstaf is dan ook steeds of de gevraagde voorziening in de
                                    situatie van de persoon daadwerkelijk bijdraagt aan de
                                    mogelijkheid om op een normale wijze (vergelijkbaar met een
                                    persoon zonder beperkingen) deel te blijven nemen aan het
                                    maatschappelijke leven. Is dit niet het geval, dan valt de
                                    gevraagde voorziening feitelijk buiten de compensatieplicht van
                                    de gemeente.</al><al>Zelfredzaamheid (of een tekort hierin) wordt niet alleen
                                    uitgedrukt in een somatische, psychogeriatrische, psychiatrische
                                    of anderszins chronische psychische aandoening of beperking, of
                                    een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap.
                                    Zelfredzaamheid wordt ook uitgedrukt in het financiële vermogen
                                    om voorzieningen te treffen. Om die reden maakt het College
                                    bijvoorbeeld gebruik van het opleggen van de maximale eigen
                                    bijdrage voor een groot aantal voorzieningen.</al><al>h.voorziening, i. algemene voorziening, j. individuele
                                    voorziening</al><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van de verordening
                                    voorrang op individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst
                                    een algemene voorziening worden aangeboden. Waar nodig zal een
                                    individuele voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze zal
                                    worden gemaakt tussen een algemene of een individuele
                                    voorziening hangt af van de individuele situatie van de
                                    aanvrager. </al><al>Afwegingscriteria voor de keuze tussen algemene en individuele
                                    voorzieningen kunnen zo nodig door het College worden vastgelegd
                                    in beleidsregels. Verder zal een op de individuele situatie
                                    afgestemd medisch advies vaak van groot belang zijn. </al><al>Algemene voorzieningen zullen bij voorkeur moeten worden
                                    aangeboden met een minimum aan procedures: met geen of slechts
                                    een lichte toegangstoets en zonder eigen bijdragen. Algemene
                                    voorzieningen kunnen worden aangeboden door private partijen, of
                                    door maatschappelijke instellingen, al dan niet met financiële
                                    steun van de gemeente.</al><al>l.inkomen</al><al>Om uitvoeringstechnische redenen worden de verschillende
                                    inkomensbegrippen nader omschreven in het Besluit nadere regels
                                    individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                    gemeente Heumen. </al><al>Met ingang van 1 januari 2007 is sprake van een tweeledig
                                    inkomensbegrip.</al><al><cursief>Inkomen voor het vaststellen van de eigen
                                        bijdrage:</cursief></al><al>Voor de vaststelling van de verschuldigde eigen bijdrage is het
                                    inkomen zoals gedefinieerd in het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning bepalend. Voor het bepalen van de hoogte van de
                                    eigen bijdrage is het inkomen over het tweede jaar voorafgaande
                                    aan het jaar van aanvraag (t-2) van belang. Volgens de
                                    voorgeschreven berekeningssystematiek bestaat de eigen bijdrage
                                    uit een vast deel, afhankelijk van de woonsituatie, en een
                                    variabel deel dat afhankelijk is van het inkomen. Tezamen vormen
                                    deze twee componenten de totale eigen bijdrage. De bedragen
                                    worden jaarlijks geïndexeerd door de wetgever op basis van
                                    artikel 4.5 van het (landelijke) Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning. Deze indexering wordt vastgelegd in de Regeling
                                    vaststelling bedragen.</al><al><cursief>Inkomen voor het vaststellen voor de
                                        vervoersvoorziening:</cursief></al><al>Voor de toets of de persoon, gelet op zijn inkomen, voor een
                                    vervoersvoorziening in aanmerking kan komen, geldt nog steeds de
                                    “1,5-norm” zoals die ook in de Wvg-verordening werd gehanteerd.
                                    Omdat het centrale Besluit financiële regels en eigen bijdrage
                                    Wvg is vervallen, is de definitie van het norminkomen in de
                                    verordening zelf opgenomen.</al><al>m.eigen bijdrage of eigen aandeel</al><al>Wanneer sprake is van een voorziening in natura of in de vorm
                                    van een persoonsgebonden budget, dan wordt gesproken over een
                                    eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage wordt geïnd door het
                                    Centraal Administratiekantoor (CAK) in Den Haag, dat hiertoe
                                    door de wetgever als centraal orgaan is aangewezen.</al><al>Wanneer een voorziening niet in natura maar middels een
                                    financiële tegemoetkoming wordt verstrekt dan wordt ook wel
                                    gesproken over het eigen aandeel in de kosten. Zowel de eigen
                                    bijdrage als het eigen aandeel worden op dezelfde wijze
                                    berekend.</al><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen
                                    aandeel in de kosten van een voorziening vloeit voort uit de
                                    artikel 15 lid 1 en 19 lid 1 van de wet. Op basis van artikel 15
                                    lid 3 van de wet kunnen bij algemene maatregel van bestuur
                                    nadere regels worden gesteld. Van deze bevoegdheid is door de
                                    wetgever gebruik gemaakt door middel van het vaststellen van het
                                    Besluit maatschappelijke ondersteuning (van 2 oktober 2006,
                                    Staatsblad 2006, 450). In dit Besluit wordt bepaald wat de
                                    ruimte is die gemeentebesturen hebben voor het vaststellen van
                                    eigen bijdragen, als ze daartoe willen overgaan.</al><al>n.normbedrag</al><al>Hiermee wordt bedoeld een forfaitaire of gemaximeerde
                                    vergoedingen</al><al>Er zijn twee varianten op basis waarvan kosten kunnen worden
                                    vergoed middels een financiële tegemoetkoming:</al><lijst><li nr="1"><al>een forfaitaire vergoeding: wordt verstrekt los van de
                                            werkelijke kosten, waarmee de persoon wordt geacht de
                                            kosten te kunnen dekken. Dit is een vast bedrag dat door
                                            het college wordt vastgesteld en dat op grond van
                                            algemeen maatschappelijke opvattingen als toereikend
                                            moet worden aangemerkt;</al></li><li nr="2"><al>een gemaximeerde vergoeding: een vergoeding op
                                            declaratiebasis tot een door het College vastgesteld
                                            maximaal bedrag. Deze vergoeding is afhankelijk van de
                                            werkelijk gemaakte kosten;</al></li><li nr="o."><al>algemeen gebruikelijk</al></li></lijst><al>Evenals onder de Wvg het geval was, is het ook onder de Wmo niet
                                    de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen
                                    verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele
                                    situatie, ook zonder zijn handicap of beperking zou kunnen
                                    beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk
                                    beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen
                                    gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende
                                    maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. </al><al>Het begrip 'algemeen gebruikelijk' is geconcretiseerd in de
                                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft
                                    vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke
                                    voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden
                                    aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter
                                    toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de wet
                                    verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit
                                    de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij
                                    om voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>Het aan te schaffen object kan voor een
                                            niet-ondersteuningsbehoevende in een financieel
                                            vergelijkbare positie tot het normale
                                            aanschaffingspatroon worden gerekend; </al></li><li nr="-"><al>Het is niet speciaal voor de ondersteuningsbehoevende;
                                        </al></li><li nr="-"><al>Het is gewoon te koop;</al></li><li nr="-"><al>Het is niet duurder is dan soortgelijke producten.</al></li></lijst><al>Het College kan ter uitvoering van de verordening in
                                    beleidsregels nadere invulling geven aan het begrip algemeen
                                    gebruikelijk. </al><al>Het begrip 'algemeen gebruikelijk' moet overigens niet worden
                                    verward met 'gebruikelijke zorg', zoals dat onder de Algemene
                                    Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) is geformuleerd. Onder
                                    gebruikelijke zorg wordt verstaan de zorg die een partner of een
                                    andere tot de leefeenheid behorende persoon kan geven aan de
                                    hulpbehoevende. Dit speelt met name bij het indiceren van de
                                    omvang van Hulp bij het Huishouden een rol.</al><al>r.norminkomen</al><al>Het norminkomen is van belang voor zover voor de toegang tot een
                                    voorziening een inkomenstoets van toepassing is. Deze toets is
                                    vooralsnog beperkt tot vervoersvoorzieningen. De hoogte van het
                                    norminkomen is sinds 1 januari 2007 geregeld in het Besluit
                                    nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Heumen.</al><al>s.woonwagen, t. standplaats en u. woonschip</al><al>De begripsomschrijvingen van woonwagen, standplaats en woonschip
                                    komen uit de Huisvestingswet (artikel 1, eerste lid aanhef en
                                    onder c, e en f Huisvestingswet). </al><al>v.hoofdverblijf</al><al>De wet bevat geen specifieke bepaling over domicilie. Als
                                    uitgangspunt wordt aangenomen dat de compensatieplicht zich niet
                                    uitstrekt tot personen die geen ingezetene van de gemeente zijn.
                                    Ten aanzien van woonvoorzieningen is in artikel 1.2 lis 2 sub d
                                    van de Verordening bepaald dat deze slechts worden verleend ter
                                    compensatie van beperkingen in de woning waar de aanvrager zijn
                                    hoofdverblijf heeft.</al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie
                                    (GBA) uitsluitsel over het hoofdverblijf. </al><al>Voor bepaalde gezondheidszorginstellingen (zie artikel 67 Wet
                                    GBA) geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen
                                    aanhouden. De compensatieplicht rust op de gemeente waar de
                                    persoon met beperkingen daadwerkelijk verblijft. In die gevallen
                                    waarin personen een briefadres elders hebben, kunnen gemeenten
                                    de betreffende instellingen op grond van artikel 75 van de Wet
                                    GBA aanwijzen op bepaalde, door de gemeente vast te stellen
                                    tijdstippen een overzicht te verstrekken. In dit overzicht staan
                                    de personen die naar redelijke verwachting voor onbepaalde tijd
                                    verblijven in de instelling, dan wel gedurende drie maanden ten
                                    minste tweederde van de tijd in de instellingen zullen
                                    verblijven. Voor bewoners van AWBZ-instellingen heeft de
                                    zorgplicht alleen betrekking op de vervoersvoorzieningen.</al><al>In die gevallen dat de persoon naar een andere gemeente wil
                                    verhuizen, moet duidelijk zijn waar </al><al>de aanvraag ingediend moet worden. De wet zelf geeft hierover
                                    geen uitsluitsel. </al><al>De verordening geeft met de zinsnede 'waar de persoon zijn vaste
                                    woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij
                                    in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of zal
                                    staan' een mogelijkheid aanvragen in te dienen bij gemeenten
                                    waar men nog niet woonachtig is. De aanvraag voor een aan te
                                    passen en te betrekken woning moet worden ingediend in de
                                    gemeente waar de aan te passen woning staat. Laatstgenoemde
                                    gemeente kan beter overwegen of het aanpassen van de woning de
                                    goedkoopste, adequate oplossing is of dat een reeds geschikte
                                    woning beschikbaar is. De gemeente waaruit de persoon vertrekt,
                                    heeft hier geen inzicht in. Van belang is wel dat er zekerheid
                                    bestaat dat de persoon ook daadwerkelijk naar de andere gemeente
                                    zal verhuizen en ook recht heeft op een woningaanpassing in de
                                    nieuwe gemeente. Er dient dus een medische indicatie plaats te
                                    vinden in de nieuwe gemeente. Een verhuiskostenvergoeding moet
                                    worden aangevraagd bij de te verlaten gemeente. Hiervoor is
                                    namelijk de situatie in de woning van vertrek bepalend en niet
                                    de nieuw te betrekken woning. </al><al>De zinsnede ‘bestemd en geschikt voor permanente bewoning’ is
                                    bedoeld woningaanpassingen aan permanent bewoonde
                                    recreatiewoningen uit te sluiten. </al><al>w.gemeenschappelijke ruimten</al><al>Het begrip gemeenschappelijke ruimte is beperkt tot ruimten die
                                    niet tot de onderscheiden woning be-</al><al>horen maar toegang verschaffen zoals een gang, een portaal of
                                    trappenhuis. </al><al>x.woningaanpassing</al><al>In de verordening wordt onder woningaanpassing verstaan
                                    aanpassingen van bouwkundige of woontechnische aard (onroerende
                                    woonvoorzieningen). Deze voorzieningen werden vóór de
                                    inwerkingtreding van de Wvg op grond van de Regeling Geldelijke
                                    Steun Huisvesting Gehandicapten (RGSHG) verstrekt. </al><al><vet>Artikel 1.2 Inperking</vet></al><al>Artikel 1.2 lid 1 geeft beperkingen aan, die betrekking hebben
                                    op het toekennen van een voorziening. </al><al>Een voorziening kan slechts worden verstrekt indien aan alle van
                                    de vier in artikel 1.2 lid 1 genoemde </al><al>voorwaarden is voldaan. </al><al><onderstreept>1.2. lid 1 aanhef en onder a.: langdurig
                                        noodzakelijk</onderstreept></al><al>Ingevolge lid 1 aanhef en onder a. dienen de voorzieningen
                                    langdurig noodzakelijk te zijn om beperkingen op het gebied van
                                    het wonen of het buiten of binnen verplaatsen op te heffen.
                                    Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat betrokkene voor langere
                                    tijd aangewezen moet zijn op een desbetreffende aanpassing of
                                    een desbetreffende rolstoel. Voor langere tijd betekent in ieder
                                    geval dat wie tijdelijk gehandicapt is, bijvoorbeeld door een
                                    ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande
                                    aard is, niet voor een voorziening in het kader van de
                                    verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen
                                    op de hulpmiddelendepots van de thuiszorgorganisaties die
                                    opgezet zijn in het kader van de AWBZ. </al><al>Uit deze depots kan men drie maanden een hulpmiddel lenen, welke
                                    periode éénmaal met nog eens drie maanden kan worden verlengd.
                                    Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal
                                    van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de
                                    prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat betrokkene
                                    na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen
                                    zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak
                                    uitgaan.</al><al>Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand
                                    periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van
                                    een langdurige noodzaak. De adviseur speelt bij de bepaling of
                                    er al dan niet sprake is van het al dan niet langdurig
                                    noodzakelijk zijn van betreffende voorziening een belangrijke
                                    rol. Als algemene stelregel kan gelden dat voorzieningen die
                                    langer dan zes maanden nodig zijn als langdurig noodzakelijk
                                    moeten worden aangemerkt en dus voor verstrekking op grond van
                                    de verordening in aanmerking komen.</al><al>Ten aanzien van de behoefte aan Hulp bij het Huishouden is een
                                    uitzondering gecreëerd als het gaat om het begrip 'langdurig
                                    noodzakelijk'. Ook in situaties waarin de aanvrager gedurende
                                    een kortere tijd (bijvoorbeeld tijdens een herstelperiode na een
                                    ziekenhuisopname) ondersteuning nodig heeft op het gebied van
                                    het voeren van het huishouden, dan is een voorziening mogelijk.
                                    Hiertoe is in artikel 3.1 lid 2 van de verordening een bepaling
                                    opgenomen die het begrip 'langdurig noodzakelijk' voor de
                                    verlening van Hulp bij het Huishouden buiten toepassing
                                    verklaart. </al><al><onderstreept>1.2. lid 1 aanhef 1 en onder c.: goedkoopst
                                        adequaat</onderstreept></al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden
                                    verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel
                                    adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk
                                    wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt:
                                    volgens objectieve maatstaven nog toereikend. </al><al>Hoewel datgene wat de persoon als adequaat beschouwt mee zal
                                    moeten wegen in de beoordeling van het adequaat zijn van de
                                    voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn, de
                                    kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke
                                    beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een
                                    voorziening. Indien meer voorzieningen als adequaat kunnen
                                    worden aangemerkt, mag gekozen worden voor de goedkoopste. Bij
                                    relatief kleine verschillen in prijs (maximaal 10%) wordt de
                                    wens van de persoon gerespecteerd. Eigenschappen die
                                    kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer
                                    adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in
                                    aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de
                                    bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en
                                    functionele aspecten bepaald wordt. </al><al>Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een
                                    vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk
                                    goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan
                                    kan worden mag het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar
                                    ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Dit
                                    niveau zou bij woonvoorzieningen omschreven kunnen worden als de
                                    norm die in het Bouwbesluit gangbaar is. Alleen in die gevallen
                                    dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden
                                    gesteld, kan de gemeente hier een uitzondering op maken. </al><al>In gevallen waarin de aanvrager een duurdere voorziening wenst
                                    te realiseren, ligt de toekenning van een pgb voor de hand. De
                                    aanvrager heeft dan (binnen de grenzen van het programma van
                                    eisen) de vrijheid om duurdere voorzieningen te realiseren,
                                    waarbij de meerkosten voor rekening van de aanvrager komen.</al><al>Met de inwerkingtreding van de wet is voor de persoon de
                                    vrijheid voor de keuze van een persoonsgebonden budget
                                    ingevoerd. Dit persoonsgebonden budget is mogelijk voor elke
                                    voorziening die in de verordening is geregeld. De vormen waarin
                                    voorzieningen kunnen worden verstrekt (waaronder het pgb) zijn
                                    in hoofdstuk 2 verder uitgewerkt.</al><al><vet>Artikel 1.2. lid 1 aanhef en onder d.: individueel
                                        gericht</vet></al><al>De verordening heeft uitsluitend betrekking op individuele
                                    voorzieningen. Dat wil zeggen, voorzieningen die aan de individu
                                    worden toegekend en die geen collectief karakter hebben.
                                    Tegenover individuele voorzieningen staan algemene
                                    voorzieningen: voorzieningen die voor meerdere burgers
                                    beschikbaar zijn en die een regelarme, adequate compensatie
                                    bieden voor de ondervonden beperkingen. Een voorbeeld van een
                                    algemene voorzieningen in Heumen is de maaltijdvoorziening. Het
                                    recht op deze maaltijdvoorziening is echter niet in de
                                    verordening uitgewerkt, maar in een afzonderlijk
                                    indicatieprotocol en een subsidieregeling. De
                                    maaltijdvoorziening wordt geïndiceerd door de afdeling
                                    Vraagwijzer. </al><al>Lid 2 van artikel 1.2 geeft een aantal situaties weer waarin
                                    geen voorziening wordt toegekend.</al><al><onderstreept>1.2. lid 2, aanhef en onder a.: algemeen
                                        gebruikelijk </onderstreept></al><al>Onder a wordt aangegeven dat in geval een voorziening voor een
                                    persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is, geen
                                    voorziening wordt toegekend. </al><al>In het algemeen kan gesteld worden dat iets algemeen
                                    gebruikelijk is indien het niet speciaal voor gehandicapten is,
                                    gewoon te koop is en niet duurder dan soortgelijke producten.
                                    Een uitzondering geldt indien het gaat om noodzakelijke
                                    vervangingen op het moment dat er nog geen sprake is van een
                                    volledige afschrijving. </al><al>Rolstoelen zijn nooit algemeen gebruikelijk voor een persoon als
                                    de aanvrager. Een normale fiets daarentegen is wel algemeen
                                    gebruikelijk omdat in Nederland een ieder geacht kan worden te
                                    beschikken over zo’n fiets. Om die reden komt de persoon met
                                    beperkingen niet voor verstrekking van een algemeen
                                    gebruikelijke fiets in aanmerking. Om dezelfde reden kan aan een
                                    persoon met beperkingen uitsluitend een tegemoetkoming voor
                                    meerkosten worden verleend. Onder meerkosten wordt verstaan de
                                    kosten welke uitgaan boven de kosten van een algemeen
                                    gebruikelijk hulpmiddel (zoals bijvoorbeeld een algemeen
                                    gebruikelijke fiets). Op die wijze komen alleen de kosten welke
                                    voortvloeien uit aanpassingen aan een hulpmiddel welke verband
                                    houden met de beperkingen van de persoon voor vergoeding in
                                    aanmerking. </al><al>Onder de Wvg werd in dit verband ook wel de besparingsbijdrage
                                    gehanteerd. Dit hield in dat de waarde van een algemeen
                                    gebruikelijke hulpmiddel (bijv. een standaardbedrag voor een
                                    fiets) op een hulpmiddel in mindering werd gebracht. De rechter
                                    heeft echter geoordeeld dat voor een dergelijke
                                    besparingsbijdrage in de Wmo geen wettelijke basis aanwezig is,
                                    en om die reden niet meer mag worden toegepast.</al><al><onderstreept>1.2. lid 2, aanhef en onder b.: algemene
                                        voorziening beschikbaar</onderstreept></al><al>Wanneer het College ter compensatie van de beperking in het
                                    individuele geval een algemene voorziening in stand houdt die in
                                    de gegeven situatie voor de persoon een toereikende en adequate
                                    oplossing biedt, dan bestaat geen recht op een individuele
                                    voorziening. In Heumen houdt het College een maaltijdvoorziening
                                    in stand welke wordt uitgevoerd door Malderburch. Indien deze
                                    maaltijdvoorziening voor de persoon een toereikende oplossing
                                    biedt dan heeft de persoon geen recht op Hulp bij het Huishouden
                                    voor zover deze betrekking heeft op de functie
                                    maaltijdbereiding.</al><al><onderstreept>1.2. lid 2, aanhef en onder c.: aanvrager kan
                                        zelf, eventueel met hulp, de beperking
                                        wegnemen</onderstreept></al><al>De Wmo is, in tegenstelling tot de Wvg, geen voorzieningenwet
                                    maar een compensatiewet. Hoewel het begrip compensatie zich de
                                    komende jaren onder invloed van jurisprudentie nog verder zal
                                    ontwikkelen, kan wel worden gesteld dat de rol van de sociale
                                    omgeving (“civil society”) steeds belangrijker wordt. Alleen
                                    wanneer de belanghebbende niet in staat is om zelf, eventueel
                                    met behulp van vrijwilliger mantelzorg of de sociale omgeving,
                                    de beperkingen weg te nemen, is compensatie van gemeentewege
                                    aangewezen. Dit impliceert wel dat de gemeente de belanghebbende
                                    in voldoende mate ondersteunt om de omgeving te mobiliseren en
                                    het sociaal netwerk te activeren. In die zin zal de rol van de
                                    gemeente steeds meer veranderen van <cursief>aanbieder</cursief>
                                    in <cursief>regisseur</cursief>.</al><al><onderstreept>1.2. lid 2, aanhef en onder d.: aanvrager niet
                                        woonachtig in de gemeente Heumen</onderstreept></al><al>Dit artikel vormt een uitsluitingsgrond voor personen die niet
                                    in de gemeente Heumen woonachtig zijn. In feite vormt deze
                                    bepaling de invulling van het 'domiciliebeginsel' dat inhoudt
                                    dat de compensatieplicht van het College niet verder reikt dan
                                    de gemeentegrenzen.</al><al><onderstreept>1.2. lid 2, aanhef en onder e.: aard van de
                                        materialen</onderstreept></al><al>Het opheffen van allergene factoren of andere problemen die hun
                                    oorzaak vinden in de aard van de in of aan de woonruimte
                                    gebruikte materialen valt niet onder de werking van de
                                    verordening. Ook hoeft geen woonvoorziening te worden verstrekt
                                    indien de beperkingen die de persoon ervaart niet voortvloeien
                                    uit de aard van de gebruikte materialen in of aan de woning maar
                                    uit de door de ziekte of gebrek veroorzaakte overgevoeligheid
                                    voor deze materialen. Een uitzondering op het voorgaande is
                                    indien er sprake is van niet voorziene, onverwacht optredende
                                    meerkosten waarvoor de persoon niet heeft kunnen reserveren. </al><al>Een voorbeeld hiervan is dat uit een medische onderzoek
                                    plotseling blijkt dat de persoon lijdt aan een ziekte of gebrek
                                    (bijvoorbeeld CARA) waardoor de persoon zijn woning dient te
                                    saneren. Dergelijke woonvoorzieningen worden in de verordening
                                    als woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of
                                    niet-woontechnische aard aangemerkt (artikel 4.1 aanhef en onder
                                    1 sub b). Verder dient te worden vermeld dat indien de
                                    ondervonden belemmeringen het gevolg zijn van achterstallig
                                    onderhoud, vocht en tocht veroorzaakt door in de woning gelegen
                                    factoren de kosten van het opheffen van deze belemmeringen ook
                                    niet onder de werking van de verordening vallen. Alleen in die
                                    situaties waarin de persoon met een inkomen op het sociaal
                                    minimum het onderhoud, desnoods tegen een huurverhoging, niet
                                    binnen een uit medisch oogpunt aanvaardbare termijn van de
                                    verhuurder kan afdwingen, kan er sprake zijn van een zorgplicht. </al><al><onderstreept>1.2. lid 2, aanhef en onder f.: hoger niveau dan
                                        uitrustingsniveau voor sociale
                                    woningbouw</onderstreept></al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in
                                    het Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat
                                    uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van
                                    voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven
                                    niet te worden verstrekt. Garages bijvoorbeeld vallen daarom
                                    niet onder dit niveau. Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld
                                    vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het
                                    College hierop een uitzondering maken. Over de hiermee gepaard
                                    gaande kosten moeten in een concrete situatie afspraken gemaakt
                                    worden. </al><al>Ook bij Hulp bij het Huishouden speelt deze bepaling een rol.
                                    Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege
                                    het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont,
                                    geeft deze bepaling een duidelijke grens aan.</al><al><onderstreept>1.2. lid 2, aanhef en onder g.: geen aantoonbare
                                        meerkosten</onderstreept></al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en
                                    vragen zij na het optreden van een beperking voorzieningen aan,
                                    die in hun situatie kunnen leiden tot de conclusie dat het
                                    optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                                    meebrengt.</al><al><onderstreept>1.2. lid 2, aanhef en onder h.: kosten gemaakt
                                        voorafgaande aan toestemming van College</onderstreept></al><al>Hier wordt de situatie bedoeld waarin een de persoon een
                                    voorziening realiseert dan wel zich een voorziening verschaft
                                    voordat deze door de College is toegekend. </al><al>In beginsel mag dus niet eerder dan nadat het College een
                                    beslissing over de aanvraag voor een voorziening heeft genomen
                                    een aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden dan wel tot
                                    aanschaf worden overgegaan. Pas op dat moment heeft het College
                                    alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en
                                    op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen
                                    voorziening. Afwijzing op deze grond volgt indien niet meer
                                    achterhaald kan worden of de aangebrachte voorziening
                                    noodzakelijk, adequaat en passend is. </al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar
                                    vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met
                                    hetgeen het College als goedkoopst adequate voorziening
                                    beschouwt. Het College kan bijvoorbeeld ten aanzien van een
                                    woningaanpassing immers ook factoren mee laten wegen die buiten
                                    de woonruimte van de persoon gelegen zijn, zoals een beschikbare
                                    aangepaste woning elders, waardoor een woningaanpassing wellicht
                                    niet noodzakelijk is.</al><al><onderstreept>1.2. lid 2, aanhef en onder i.: eerder verstrekte
                                        voorziening nog niet afgeschreven</onderstreept></al><al>Veel voorzieningen en hulpmiddelen kennen een gemiddelde
                                    gebruiksduur. Deze kan per voorziening verschillen. Aan het
                                    einde van de gemiddelde gebruiksduur kan een voorziening als
                                    afgeschreven worden beschouwd. Dit is met name van belang bij
                                    het verlenen van een persoonsgebonden budget voor een
                                    hulpmiddel. Dit budget is gebaseerd op de tegenwaarde van de
                                    goedkoopst adequate voorziening die normaal gesproken in
                                    bruikleen zou worden verstrekt. Om het bedrag van het pgb te
                                    kunnen bepalen moet worden uitgegaan van een gemiddeld verwachte
                                    gebruiksduur. Het gehele bedrag van het pgb wordt vooraf
                                    betaalbaar gesteld. De aanvrager wordt hiermee in staat gesteld
                                    over te gaan tot aanschaf. Tegelijkertijd betekent dit dat
                                    gedurende de gemiddelde gebruiksduur geen sprake kan zijn van
                                    hernieuwde toekenning, tenzij de aangeschafte voorziening buiten
                                    toedoen van de aanvrager verloren is gegaan. </al><al>Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient
                                    bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de
                                    kosten te kunnen verhalen. </al><al>Indien in een woning een traplift, een verstelbare keuken of een
                                    andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor
                                    de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de
                                    opstalverzekering gedekt te worden. Indien bij voorbeeld bij
                                    brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                                    dat moment geen beroep op de verordening worden gedaan. </al><al><vet>Hoofdstuk 2 Vorm van te verstrekken individuele
                                        voorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 2.1 Keuzevrijheid</vet></al><al>De vorm waarin de voorziening wordt verleend is volledig
                                    overgelaten aan de keuzevrijheid van de aanvrager. In principe
                                    bepaalt de aanvrager in welke vorm de voorziening wordt
                                    verleend. Hierbij zijn de vormen natura en financiële
                                    tegemoetkoming altijd mogelijk, voor het persoonsgebonden budget
                                    gelden enkele uitzonderingen. Het persoonsgebonden budget is
                                    voor alle voorzieningen mogelijk, met uitzondering van die
                                    voorziening die zich gelet op hun karakter niet lenen voor
                                    maximale keuzevrijheid. Dit zijn:</al><lijst><li nr="1"><al>tijdelijke huisvesting, te betalen aan de hoofdbewoner
                                            van de woonruimte of de leverancier van de
                                            voorziening;</al></li><li nr="2"><al>huurderving, te betalen aan de eigenaar van de
                                            woonruimte;</al></li><li nr="3"><al>verwijderen van voorzieningen;</al></li><li nr="4"><al>het bezoekbaar maken van een woning ten behoeve van een
                                            persoon met beperkingen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.2 Voorziening in natura</vet></al><al>Een voorziening in natura wordt over het algemeen verstrekt in
                                    de vorm van persoonlijke dienstverlening (Hulp bij het
                                    Huishouden) of middels bruikleen (hulpmiddelen). De
                                    contractafspraken die de gemeente heeft gemaakt met de aanbieder
                                    regelen de minimum kwaliteitseisen die aan de voorziening worden
                                    gesteld. Daarnaast zal de aanbieder bij de levering van de
                                    voorziening individuele afspraken maken met de aanvrager. Deze
                                    individuele afspraken zijn in eerste instantie bepalend bij het
                                    ontstaan van een eventueel geschil. De contractafspraken die de
                                    gemeente met de aanbieder heeft gemaakt, werken als het ware
                                    aanvullend op de afspraken die tussen de aanbieder en de
                                    aanvrager worden gemaakt.</al><al><vet>Artikel 2.3 Financiële tegemoetkoming</vet></al><al>Dit artikel bepaalt in lid 1 dat in de beschikking moet worden
                                    vermeld op welke kosten de tegemoetkoming betrekking heeft,
                                    indien een financiële tegemoetkoming, dan wel een gemaximeerde
                                    vergoeding wordt verleend. Door deze vermelding kan worden
                                    voorkomen dat later onduidelijkheid blijkt te bestaan over het
                                    precieze doel van de tegemoetkoming. Ook maakt deze omschrijving
                                    de intrekking van een voorziening en de terugvordering daarvan
                                    eenvoudiger.</al><al>Lid 2 van dit artikel bepaalt dat in de beschikking
                                    geldigheidsduur, uitkeringsmaatstaf alsmede toepasselijke
                                    voorschriften voor uitbetaling vermeld dienen te worden indien
                                    het een periodieke tegemoetkoming betreft. Deze voorschriften
                                    hebben primair tot doel een goede motivering te geven voor de
                                    beslissing. Een tweede doel is voldoende duidelijkheid te
                                    scheppen bij de aanvrager wat van hem verwacht wordt. Hiermee
                                    kan voorkomen worden dat de situatie ontstaat dat de aanvrager
                                    en het College beiden een initiatief van de ander afwachten,
                                    terwijl de aanvrager actie dient te ondernemen.</al><al>Om bij overlijden van de rechthebbende diens nabestaanden niet
                                    met terugvordering te confronteren eindigt de verstrekking van
                                    een periodieke financiële tegemoetkoming in dat geval op de
                                    eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de
                                    rechthebbende is overleden (lid 4). </al><al><vet>Artikel 2.4 Persoonsgebonden budget</vet></al><al>De aanvrager heeft geen onbeperkte vrijheid in de besteding van
                                    het persoonsgebonden budget (pgb). De indicatie die ten
                                    grondslag ligt aan de te verstrekken voorziening is leidend. In
                                    de beschikking wordt specifiek omschreven voor welke voorziening
                                    het budget wordt verstrekt.</al><al>De verstrekking van het pgb brengt voor de gemeente financiële
                                    risico’s met zich mee. Om deze zoveel mogelijk te beheersen
                                    heeft het College criteria vastgesteld op grond waarvan een pgb
                                    kan worden geweigerd. Deze criteria hebben voornamelijk
                                    betrekking op het al dan niet op orde hebben van de financiële
                                    huishouding. Als op grond van objectief vast te stellen criteria
                                    duidelijk is dat de aanvrager niet in staat is zijn financiële
                                    middelen op een verantwoorde wijze te beheren, dan wordt geen
                                    pgb verleend. In dat geval resteert uitsluitend de vorm van
                                    natura of financiële tegemoetkoming.</al><al><vet>Artikel 2.5 Eigen bijdragen en eigen aandeel</vet></al><al>Sinds 1 januari 2007 werd voor de voorziening Hulp bij het
                                    huishouden reeds een eigen bijdrage opgelegd. Met ingang van 1
                                    januari 2010 heeft de gemeente Heumen besloten voor (vrijwel)
                                    alle voorzieningen een eigen bijdrage op te leggen, behoudens de
                                    wettelijk uitgezonderde rolstoel.</al><al>Verder zijn er binnen het gemeentelijk beleid nog enkele
                                    uitzonderingen gecreëerd. Hieraan liggen grotendeels
                                    uitvoeringstechnische motieven ten grondslag. Er wordt geen
                                    eigen bijdrage opgelegd voor forfaitaire vergoedingen, vanuit de
                                    gedachte dat deze meestal niet kostendekkend zijn, waardoor de
                                    aanvrager per definitie al uit eigen middelen kosten moet
                                    voldoen:</al><lijst><li nr="·"><al>tegemoetkoming/pgb voor verzorgingskosten hulphond;</al></li><li nr="·"><al>tegemoetkoming/pgb voor verhuiskosten en / of
                                            inrichtingskosten;</al></li><li nr="·"><al>tegemoetkoming voor rolstoeltaxi;</al></li><li nr="·"><al>tegemoetkoming/pgb voor vervoerskosten auto, taxi of
                                            vervoer door derden voor zover de tegemoetkoming/pgb
                                            bestaat uit of gelijk is aan het door het college
                                            vastgestelde forfaitaire bedrag (simpeler: alleen de op
                                            de vergoeding voor gedeclareerde reiskosten boven het
                                            forfaitaire bedrag wordt een eigen aandeel
                                            toegepast)</al></li></lijst><al>Voorzieningen die zich niet lenen voor een eigen bijdrage
                                    (technisch niet uitvoerbaar):</al><lijst><li nr="·"><al>voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten;</al></li><li nr="·"><al>vergoeding voor huurderving.</al></li></lijst><al>Verder wordt om uitvoeringstechnische redenen geen eigen
                                    bijdrage opgelegd indien:</al><lijst><li nr="·"><al>een hulpmiddel inmiddels volledig is afgeschreven;</al></li><li nr="·"><al>indien een hulpmiddel vóór 1 januari 2010 is verstrekt
                                            uit het gemeentelijk depot, en hiervoor een
                                            bruikleenovereenkomst “om niet” met de klant is
                                            afgesloten.</al></li></lijst><al>De wijze van het vaststellen van de eigen bijdrage en het eigen
                                    aandeel is vastgelegd in het Besluit nadere regels individuele
                                    voorzieningen. Voor de hoogte van de eigen bijdrage sluit Heumen
                                    volledig aan bij de wettelijke systematiek zoals vastgelegd in
                                    het (landelijke) Besluit maatschappelijke ondersteuning.</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Zorgvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 3.1 Vormen van Hulp bij het Huishouden</vet></al><al>Een zorgvoorziening, zoals Hulp bij het Huishouden of
                                    ondersteunende begeleiding, kan worden verleend in de vorm van
                                    een algemene voorziening, hulp in natura of een persoonsgebonden
                                    budget.</al><al>In het tweede lid is het criterium 'langdurig noodzakelijk'
                                    buiten toepassing verklaard om Hulp bij het Huishouden ook
                                    gedurende een kortere periode (bijvoorbeeld na ziekenhuisopname)
                                    mogelijk te maken.</al><al>De gemeente heeft bij het tot stand brengen van een bepaald
                                    voorzieningenniveau de mogelijkheid om te kiezen voor algemene
                                    voorzieningen, individuele voorzieningen, of een combinatie
                                    hiervan. In dit artikel is vastgelegd dat de algemene
                                    voorziening, voor zover deze aanwezig is binnen de gemeente,
                                    altijd het primaat heeft. Slechts wanneer de algemene
                                    voorziening voor de persoon geen adequate voorziening vormt, of
                                    in de gemeente niet aanwezig is, kan individuele hulp worden
                                    verleend.</al><al>In de gemeente Heumen is tot op heden alleen een algemene
                                    maaltijdvoorziening aanwezig die voor een deel voorziet in Hulp
                                    bij het Huishouden, voor zover deze betrekking heeft op
                                    maaltijdbereiding. Dit houdt dat indien de persoon met
                                    beperkingen, rekening houdend met alle individuele
                                    (dieet)wensen, gebruik kan maken van de maaltijdvoorziening, er
                                    voor dat deel geen individuele Hulp bij het Huishouden kan
                                    worden geïndiceerd.</al><al><vet>Artikel 3.2 Gebruikelijke zorg en gebruikelijke
                                        hulpmiddelen</vet></al><al>Onder gebruikelijke zorg wordt verstaan de zorg die andere
                                    personen die woonachtig zijn binnen het gezin of de huishouding
                                    op zich kunnen nemen. </al><al>Als bij de indicatie van Hulp bij het Huishouden wordt
                                    vastgesteld dat de behoefte aan hulp het gevolg is van het
                                    ontbreken van algemeen gebruikelijke hulpmiddelen of apparatuur
                                    zoals een wasmachine of wasdroger, dan ligt aanschaf van een
                                    dergelijk algemeen gebruikelijk hulpmiddel voor de hand. Er is
                                    dan namelijk geen sprake van beperkingen als gevolg van een
                                    psychische of lichamelijke handicap. Aanschaf van een dergelijk
                                    algemeen hulpmiddel komt voor rekening en risico van de
                                    aanvrager.</al><al><vet>Artikel 3.3 Omvang van de Hulp bij het
                                    Huishouden</vet></al><al>Tot 1 januari 2007 werd (onder de Awbz) de indicatie Hulp bij
                                    het Huishouden uitgedrukt in klassen. Binnen deze klassen
                                    beoordeelde de aanbieder binnen een bepaalde bandbreedte het
                                    aantal uren dat daadwerkelijk Hulp bij het Huishouden werd
                                    verleend. Sedert 1 januari 2007 wordt de indicatie Hulp bij het
                                    Huishouden uitgedrukt in het aantal uren benodigde zorg per
                                    week. Dit wordt in de praktijk nauwkeurig aangegeven.</al><al><vet>Artikel 3.4 Omvang van het persoonsgebonden budget voor
                                        huishoudelijke verzorging</vet></al><al>De wijze van berekening van het pgb is in het Besluit nadere
                                    regels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                    vastgesteld. </al><al><vet>Artikel 3.5 Dringende noodzaak tot huishoudelijke
                                        verzorging</vet></al><al>In gevallen waarin als gevolg van een crisissituatie, dit ter
                                    beoordeling aan het College, hulp nodig is, kan zonder meer
                                    direct Hulp bij het Huishouden worden verleend. Hierbij kunnen
                                    alle criteria in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 buiten
                                    toepassing worden gelaten. Deze vorm van crisishulp
                                    (bijvoorbeeld in geval van ernstige vervuiling) is mogelijk
                                    gedurende maximaal een maand, met een verlenging van ten hoogste
                                    twee maal een maand, dus in totaal drie maanden. Na deze drie
                                    maanden wordt de situatie als zijnde een nieuwe aanvraag
                                    beoordeeld, met toepassing van alle criteria rondom mogelijke
                                    algemene voorzieningen, gebruikelijke zorg, algemeen
                                    gebruikelijke hulpmiddelen.</al><al><vet>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen </vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Algemene omschrijving</vet></al><al>Artikel 4.1 Type woonvoorzieningen</al><al><onderstreept>4.1 aanhef en onder 1 sub a.: verhuis- en
                                        inrichtingskosten</onderstreept></al><al>Het College kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken
                                    in de verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar
                                    een aangepaste woning of naar een goedkopere woning dan de reeds
                                    bewoonde aan te passen woning. De gemeente maakt de afweging of
                                    zij een tegemoetkoming in de verhuiskosten wil geven of dat de
                                    woning van de persoon aangepast moet worden. Indien aangepaste
                                    of aanpasbare woningen beschikbaar zijn kan uit
                                    doelmatigheidsoverwegingen de voorkeur gegeven worden aan
                                    verhuizen boven aanpassen van de huidige woonruimte. Bij de
                                    uiteindelijke keuze van de te verstrekken voorziening wordt een
                                    afweging gemaakt tussen de kosten van het verhuizen versus het
                                    aanpassen van de huidige woonruimte. Ook wordt bij de afweging
                                    verhuizen of aanpassen rekening gehouden met de sociale
                                    omstandigheden waarin aanvrager zich bevindt, zoals de
                                    aanwezigheid van mantelzorg. </al><al>Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk
                                    gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de
                                    gemeente en de regio. Om zo doelmatig mogelijk met de aangepaste
                                    voorraad woningen om te kunnen gaan, kan het wenselijk zijn dat
                                    indien de band tussen de oorspronkelijke aanvrager en de woning
                                    is verbroken (bijvoorbeeld door overlijden van deze persoon)
                                    deze woning opnieuw aan een andere persoon met beperkingen wordt
                                    toegewezen. In dat geval zullen de achterblijvende huisgenoten
                                    worden verzocht naar een andere woonruimte te verhuizen.</al><al>Als het College de achterblijvende huisgenoten verzoekt om de
                                    woning vrij te maken, kunnen zij in aanmerking komen voor een
                                    tegemoetkoming of vergoeding in een deel van de
                                    verhuiskosten.</al><al>Er kunnen verschillende redenen zijn op grond waarvan de
                                    gemeente besluit om het vrijkomen van een woning te stimuleren
                                    door het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding:</al><lijst><li nr="-"><al>de hoogte van eerder gemaakte investeringskosten van de
                                            vrij te maken woning, bijvoorbeeld indien de woning voor
                                            een door het College te bepalen bedrag in het verleden
                                            is aangepast.</al></li><li nr="-"><al>een andere reden voor het verstrekken van een
                                            verhuiskostenvergoeding kan zijn dat daarmee voorkomen
                                            wordt dat een woning voor meer dan een soortgelijk
                                            bedrag dient te worden aangepast.</al></li></lijst><al>De verhuiskostenvergoeding kan als stimulans worden aangewend om
                                    de medewerking van huurders te krijgen bij het vrijmaken van de
                                    woning voor een persoon met beperkingen. In uitzonderlijke
                                    gevallen kan het College de hoogte van de tegemoetkoming
                                    aanpassen. </al><al>Wanneer een woning wordt vrijgemaakt kan er twee maal een
                                    vergoeding voor verhuizing en inrichting worden verstrekt.
                                    Allereerst aan degene die de woning vrijmaakt en vervolgens aan
                                    de persoon met beperkingen die naar de vrijgemaakte woning
                                    verhuist. De beslissing of er éénmaal of tweemaal een vergoeding
                                    in de verhuiskosten zal worden verstrekt dan wel dat de woning
                                    moet worden aangepast, is afhankelijk van de totaalkosten. </al><al>Een financiële tegemoetkoming voor de kosten van verhuizing en
                                    inrichting wordt uitbetaald aan de hoofdbewoner van de
                                    woonruimte. </al><al><onderstreept>4.1 aanhef en onder 1 sub b.: woonvoorzieningen
                                        van niet-bouwkundige of niet-woontechnische
                                        aard</onderstreept></al><al>Onder een woonvoorziening van niet-bouwkundige of
                                    niet-woontechnische aard kan bijvoorbeeld zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>een financiële tegemoetkoming voor woningsanering in
                                            verband met CARA en/of een aangetoonde allergie;</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van rolstoeltapijten;</al></li><li nr="-"><al>hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen welke niet
                                            nagelvast aan de woning zijn bevestigd</al></li><li nr="-"><al>tilliften. </al></li></lijst><al>Deze laatste twee categorieën woonvoorzieningen van
                                    niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard kunnen ook in de
                                    vorm van een voorziening in natura worden verstrekt. Dit maakt
                                    in het geval van verstrekking in bruikleen hergebruik
                                    mogelijk.</al><al>De gemeente geeft bij het verstrekken van een financiële
                                    tegemoetkoming voor woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of
                                    niet-woontechnische aard aan welke voorzieningen hiervoor
                                    aangeschaft moeten worden. </al><al><onderstreept>4.1 aanhef en onder 1 sub c.:
                                        woningaanpassingen</onderstreept></al><al>Bij een tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing gaat
                                    het om bouwkundige (onroerende) </al><al>woningaanpassingen die de ergonomische beperkingen van de
                                    persoon wegnemen of gedeeltelijk </al><al>wegnemen. In het Besluit nadere regels individuele voorzieningen
                                    maatschappelijke ondersteuning worden door het College de
                                    kosten(soorten) vastgesteld die in aanmerking komen voor
                                    vergoeding.</al><al>Wanneer de aanvrager een woningeigenaar is, dan wordt deze
                                    voorziening over het algemeen verleend in de vorm van een
                                    financiële tegemoetkoming. De woningeigenaar heeft immers
                                    formeel de rol van opdrachtgever naar de aannemer die de
                                    woningaanpassing realiseert. In deze constructie pas geen
                                    verstrekking in natura. Een verstrekking in de vorm van een pgb
                                    is wel mogelijk. Met name in situaties waarin de aanvrager
                                    duurdere voorzieningen wil realiseren en de meerkosten hiervan
                                    zelf wil dragen.</al><al>Voor huurders geldt dat de woning (meestal) eigendom is van de
                                    woningbouwvereniging. In die situatie fungeert de
                                    woningbouwvereniging als opdrachtgever. </al><al><onderstreept>4.1 aanhef en onder h. </onderstreept></al><al>Hoewel een hulphond geen woonvoorziening is kunnen de
                                    gebruikskosten van de hulphond als zijnde een woonvoorziening
                                    worden vergoed indien de hulphond bijdraagt in het oplossen van
                                    beperkingen die de persoon in het normale gebruik van de woning
                                    ondervindt. Voorwaarde is dat het een hulphond betreft van de
                                    Stichting Hulphond. Dit geldt overigens niet voor een
                                    blindengeleidehond. De kosten van een blindengeleidehond worden
                                    vergoed op grond van de regeling subsidies AWBZ en
                                    Zorgverzekeringswet.</al><al><onderstreept>4.1 aanhef en onder 2 en 3</onderstreept></al><al>Woonvoorzieningen kunnen in natura worden verstrekt. Daarbij
                                    moet vooral worden gedacht aan </al><al>woningaanpassingen van niet-bouwkundige of niet-woontechnische
                                    aard. Het College bepaalt de vorm van een woonvoorziening in
                                    natura: bruikleen of eigendom. De aanvrager kan ook kiezen voor
                                    een persoonsgebonden budget. De hoogte van het pgb is in het
                                    Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                                    ondersteuning vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 4.2 Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling
                                        financiële tegemoetkoming </vet></al><al>De woningaanpassing wordt direct na voltooiing van de
                                    werkzaamheden gereed gemeld. Hierdoor wordt voorkomen dat
                                    onnodig lang een verplichting tot uitbetaling van de financiële
                                    tegemoetkoming blijft openstaan. </al><al>Overigens kan het niet zo zijn dat in alle gevallen met betaling
                                    wordt gewacht totdat de gereedmelding </al><al>is ontvangen. Zeker bij complexe (dure) woningaanpassingen kan
                                    het nodig zijn dat tussentijds al </al><al>betalingen worden verricht. Het doen van tussentijdse betalingen
                                    is ter beoordeling van het College. </al><al>De gereedmelding vindt plaats door degene aan wie de financiële
                                    tegemoetkoming wordt uitbetaald en </al><al>niet aan de aanvrager. Hiervoor is gekozen omdat degene die de
                                    financiële tegemoetkoming </al><al>ontvangt niet altijd de aanvrager zelf is, maar bijvoorbeeld de
                                    woningeigenaar. Indien dat het geval is, heeft de aanvrager geen
                                    belang bij de gereedmelding en zou de ontvanger van de
                                    financiële tegemoetkoming de dupe kunnen worden. </al><al>De gereedmelding dient binnen een termijn van 15 maanden na het
                                    verlenen van de financiële tegemoetkoming plaats te vinden. Dit
                                    is bedoeld om te voorkomen dat het treffen van de voorziening te
                                    lang op zich laat wachten.</al><al>De gemeente controleert of aan de voorwaarden bij het verlenen
                                    van de financiële tegemoetkoming is voldaan. Om te voorkomen dat
                                    iedere voorwaarde daadwerkelijk moet worden gecontroleerd, wordt
                                    een verklaring gevraagd aan de ontvanger van de financiële
                                    tegemoetkoming. Indien later zou blijken dat niet aan alle
                                    voorwaarden is voldaan kan de financiële tegemoetkoming alsnog
                                    worden ingetrokken en eventueel worden teruggevorderd. De
                                    termijn van vijf jaar bedoeld in het vierde lid sluit aan op de
                                    normaal geldende verjaringstermijn voor o.a. belastingen en
                                    subsidies.</al><al><vet>Artikel 4.3 Woon- en verblijfruimten waarvoor geen
                                        woonvoorziening wordt verstrekt</vet></al><al>Woonvoorzieningen worden alleen verstrekt als die betrekking
                                    hebben op woonruimten die op grond </al><al>van de Wet op de huurtoeslag als zelfstandige woonruimten
                                    aangemerkt worden. Een uitzondering op deze </al><al>regel geldt ten aanzien van woonwagens als bedoeld in de
                                    Huisvestingswet. Hiervoor staan in de verordening aparte regels. </al><al>Aangenomen wordt dat de gemeenschappelijke ruimten van
                                    woongebouwen die specifiek op personen met beperkingen en
                                    ouderen zijn gericht, passen bij de specifieke behoeften van de
                                    doelgroep waarvoor zij bestemd zijn.</al><al>Dat betekent dat voorzieningen in die gemeenschappelijke ruimten
                                    niet voor vergoeding in het kader van de Wmo in aanmerking
                                    komen.</al><al>Voorzieningen in het eigen woongedeelte van de aanvrager kunnen
                                    wel voor vergoeding in aanmerking komen. Uitzonderingen zijn
                                    voorzieningen die zonder noemenswaardige meerkosten bij
                                    nieuwbouw aangebracht kunnen worden in een gebouw dat gebouwd is
                                    vanaf omstreeks 1990.</al><al>Vanaf omstreeks 1990 zijn het aanpasbaar bouwen en het
                                    seniorenbeleid gemeengoed geworden. Het rekening houden met de
                                    behoeften van ouderen of personen met beperkingen kan in
                                    gebouwen vanaf omstreeks 1990 als normaal beschouwd worden.</al><al>Uiteraard geldt dit vooral voor voorzieningen die bij de bouw
                                    zonder (noemenswaardige) meerkosten meegenomen kunnen worden.
                                    Voorzieningen die leiden tot aanzienlijke kosten en op het
                                    individu gericht zijn, zullen meestal niet standaard aangebracht
                                    worden. </al><al><vet>Paragraaf 2. Het recht op een woonvoorziening</vet></al><al>Woonvoorzieningen zoals omgeschreven in de voormalige Wvg waren
                                    alleen gericht op het opheffen van (ergonomische) beperkingen
                                    die het normale gebruik van de woning in de weg staan. In de Wmo
                                    is een dergelijke omschrijving niet meer opgenomen. </al><al>Vooralsnog wordt in de Wmo-praktijk aangesloten bij de onder de
                                    Wvg ontwikkelde praktijk. De zorgplicht van de gemeente beperkt
                                    zich tot de elementaire woonfuncties.</al><al>Het gaat hierbij om de elementaire woonfuncties zoals eten,
                                    slapen, bad- en toiletgebruik en veilig kunnen spelen door
                                    kinderen. Ook koken en de was doen worden tot de elementaire
                                    woonfuncties gerekend, als deze werkzaamheden normaliter - o.a.
                                    vanwege het gekozen rolpatroon - door de persoon met beperkingen
                                    worden gedaan. Het gebruik van een hobby-, werk- of
                                    recreatieruimte valt niet onder de elementaire
                                    woonfuncties.</al><al>Het afstemmen van de voorziening op de behoeften en persoonlijke
                                    omstandigheden van de aanvrager en zijn sociale omgeving kan er
                                    toe leiden dat aan de woning ook maatregelen getroffen worden
                                    met het oog op verzorging van de aanvrager. </al><al>Bij zowel beroepsmatige zorg als mantelzorg worden op de
                                    arbeidsomstandigheden van de verzorgende gerichte voorzieningen
                                    gerealiseerd, bijvoorbeeld een tillift.</al><al>Het moment van verstrekken van een financiële tegemoetkoming in
                                    de kosten van woningaanpassing is het moment waarop burgemeester
                                    en wethouders de hoogte van de financiële tegemoetkoming hebben
                                    vastgesteld en dit meedelen aan degene aan wie de financiële
                                    tegemoetkoming wordt uitbetaald</al><al><vet>Artikel 4.4 Het primaat van de verhuizing</vet></al><al>Met het primaat van de verhuizing wordt bedoeld dat, als een
                                    aangepaste woning nodig is, als eerste wordt bepaald of
                                    verhuizing mogelijk en zinvol is en of er een geschikte woning
                                    beschikbaar is. Een geschikte woning is een woning die met
                                    betrekkelijk lage investeringen volledig aangepast kan
                                    worden.</al><al>Bij de afweging kunnen ook persoonlijke omstandigheden van de
                                    aanvrager een rol </al><al>spelen, zoals de mogelijkheid van de aanvrager te verhuizen, de
                                    gevolgen van verhuizing voor de opgebouwde mantelzorg en de
                                    verhouding tussen de financiële draagkracht en de woonlasten. </al><al>Indien de gemeente, nadat alle factoren in de overweging zijn
                                    meegenomen, tot de conclusie komt dat </al><al>verhuizing de goedkoopste adequate oplossing is, dan heeft bij
                                    het verstrekken van de woonvoorziening de vergoeding voor
                                    verhuis- en (her)-inrichtingskosten de voorkeur. Is dit niet het
                                    geval dan kan het College besluiten één van de andere
                                    voorzieningen te verstrekken.</al><al>Uit lid 2 blijkt dat het ook mogelijk is om een combinatie van
                                    woonvoorzieningen te verstrekken. Het </al><al>kan dan bijvoorbeeld gaan om het verstrekken van financiële
                                    tegemoetkomingen voor zowel verhuizing en inrichting als voor
                                    een beperkte woningaanpassing aan de nieuwe woning. Uiteraard
                                    geldt als voorwaarde voor een combinatie van voorzieningen dat
                                    dit de goedkoopste adequate oplossing is. Een </al><al>financiële tegemoetkoming in de kosten van de woningaanpassing
                                    als onderdeel van een combinatie van </al><al>woonvoorzieningen wordt slechts verstrekt indien de
                                    woningaanpassing is gericht op het opheffen of </al><al>verminderen van ergonomische beperkingen.</al><al>Lid 5 bepaalt dat een vergoeding in de gebruikskosten van een
                                    hulphond slechts dan worden vergoed indien de hulphond is
                                    verstrekt door de Stichting Hulphond en de hulphond bijdraagt in
                                    het oplossen van beperkingen in het normale gebruik van de
                                    woning. Dit geldt overigens niet voor een blindengeleidehond. De
                                    kosten van een blindengeleidehond worden vergoed op grond van de
                                    Zorgverzekeringswet. </al><al><vet>Paragraaf 3. Voorwaarden bij verlening van
                                        woonvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 4.5 Hoofdverblijf en bezoekbaar maken
                                    woning</vet></al><al>De verlening van woonvoorzieningen is alleen mogelijk indien de
                                    aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in de woning die aangepast
                                    moet worden. Een uitzondering kan gemaakt worden als de persoon
                                    zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting en regelmatig
                                    één bepaalde woning bezoekt. Het is dan mogelijk voorzieningen
                                    te verstrekken ten behoeve van het aanpassen van één woonruimte
                                    waar de persoon vaak verblijft, uiteraard met toestemming van de
                                    eigenaar van die woonruimte. Uit doelmatigheidsoverwegingen is
                                    het daarom redelijk dat er geen volledige maar een gedeeltelijke
                                    aanpassing van de woning plaatsvindt. </al><al>Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt verstaan dat de
                                    persoon met beperkingen de woonruimte, de woonkamer en een
                                    toilet kan bereiken/gebruiken. Volgens vaste jurisprudentie van
                                    de CRvB kan een gemeente ten aanzien van bezoekbaar maken nooit
                                    gedwongen worden meer dan het limitatief opgesomde te
                                    verstrekken of de hardheidsclausule te gebruiken. </al><al>Het vierde lid bepaalt dat de aanvraag moet worden ingediend in
                                    de gemeente waar de bezoekbaar te </al><al>maken woning staat. Deze bepaling is opgenomen omdat de
                                    aanvrager anders de aanvraag zou indienen in de gemeente waar
                                    hij zijn hoofdverblijf heeft.</al><al>Op grond van het vijfde lid is het totaal van de te verstrekken
                                    financiële tegemoetkomingen voor het </al><al>bezoekbaar maken gebonden aan een maximum bedrag. Dit wordt door
                                    het College vastgesteld in het Besluit nadere regels individuele
                                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning. Het vaststellen
                                    van een maximum bedrag voorkomt dat bij bezoekbaar maken dure
                                    aanpassingen aangebracht moeten worden, terwijl in andere
                                    omstandigheden het primaat van de verhuizing gebruikt zou
                                    zijn.</al><al>Omdat het bezoekbaar maken als voorziening buiten de directe
                                    werkingssfeer van de wet valt, kan de verhuurder niet gedwongen
                                    worden (via aanschrijving) om de woning aan te passen (zie
                                    artikel 16 Woningwet en Vzr. Rechtbank Haarlem 27-11-2007, nr.
                                    AWB 07/6702).</al><al>Voor het bezoekbaar maken van de woning wordt uitsluitend een
                                    financiële tegemoetkoming verstrekt. </al><al><vet>Artikel 4.6 Weigeringsgronden woonvoorzieningen</vet></al><al>Onder belangrijke reden voor verhuizen kan worden verstaan: </al><al>verhuizen op basis van het aanvaarden van een werkkring elders,
                                    op basis van een echtscheiding, of </al><al>vanwege het bestaan van een nieuwe duurzame vorm van
                                    samenleven.</al><al>Er bestaat ook geen recht op woonvoorzieningen als de persoon
                                    niet is verhuisd naar de op </al><al>het moment van de verhuizing meest geschikte woning, behoudens
                                    het geval waarin burgemeester en </al><al>wethouders daartoe tevoren toestemming hebben verleend. De
                                    toestemming tevoren is belangrijk, zodat beoordeeld kan worden
                                    of inderdaad gesproken kan worden van de meest geschikte woning.
                                    Ook kan beoordeeld worden of de kosten binnen de Wmo passen en
                                    of mogelijk andere oplossingen de voorkeur verdienen.</al><al>In belangrijke gerechtelijke uitspraken met betrekking tot de
                                    Wvg is een nadere invulling van het begrip "beperkingen"
                                    gegeven. Vooralsnog behouden deze uitspraken, waar het gaat om
                                    de invulling van artikel 4.1 onder c. en d., ook onder de Wmo
                                    hun geldigheid. </al><al>Het gaat om de volgende uitspraken namelijk CRvB 04-02-2004, nr.
                                    02/2691 WVG, CRvB 04-02-2004, nr. 01/3163 WVG, CRvB 04-02-2004,
                                    nr. 02/3085 WVG en CRvB 31-03-2004, nrs. 02/4801, 03/1013 en
                                    03/3346 WVG,</al><al><vet>Artikel 4.7 Duidelijkheid over financiering van het
                                        niet-gesubsidieerde deel van de kosten</vet></al><al>Soms wenst de aanvrager duurdere voorzieningen dan goedkoopst
                                    adequaat. In dat geval zal hij zelf de meerprijs moeten voldoen
                                    en de financiering voor de extra kosten moeten regelen. De
                                    tegemoetkoming wordt dan alleen verstrekt als er duidelijkheid
                                    (en zekerheid) is over de financiering van de extra kosten. </al><al><vet>Paragraaf 4. Beperking in de verlening van
                                        woonvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 4.8 Het verwerven van grond</vet></al><al>Als de woningaanpassing een uitbreiding van een bestaande woning
                                    of het groter bouwen van een </al><al>nieuwe woning tot gevolg heeft kan de gemeente een financiële
                                    tegemoetkoming verlenen in de kosten </al><al>van het verwerven van extra grond die noodzakelijk is om de
                                    woningaanpassing te realiseren. Alleen de grond die noodzakelijk
                                    is voor de woningaanpassing zelf kan in aanmerking komen voor
                                    een financiële tegemoetkoming. Hierbij wordt een maximum aantal
                                    vierkante meters gehanteerd voor de verschillende vertrekken.
                                    Dit is vastgelegd in het Besluit nadere regels individuele
                                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.</al><al><vet>Artikel 4.9 Woningaanpassingen van gemeenschappelijke
                                        ruimten</vet></al><al>De gemeenschappelijke ruimten zullen voornamelijk entrees en
                                    portieken van woongebouwen betreffen. Daarbij zal het vooral
                                    gaan om het verbreden van toegangsdeuren, het aanbrengen van
                                    elektrische </al><al>deuropeners, de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg
                                    naar de toegang van de woning, </al><al>drempelhulpen en vlonders, het aanbrengen van een extra
                                    trapleuning, een opstelplaats voor een rolstoel of een
                                    vervoersvoorziening bij de toegangsdeur van het woongebouw.</al><al>Het primaat van de verhuizing, zoals dat is neergelegd in
                                    artikel 4.4 van de verordening, geldt onverkort bij de
                                    toepassing van dit artikel. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden
                                    dat, indien het nodig is om een traplift aan te brengen in een
                                    gemeenschappelijke ruimte, een verhuizing naar een andere woning
                                    de goedkoopst adequate oplossing kan zijn. Gelet op de
                                    toelichting bij artikel 4.4 spelen ten aanzien van het al dan
                                    niet toepassen van het primaat van de verhuizing niet alleen
                                    financiële aspecten een rol. </al><al><vet>Artikel 4.10 Beperking zeer dure
                                    woningaanpassingen</vet></al><al>Boven € 45.378 zijn aanpassingen alleen in uitzonderlijke
                                    situaties mogelijk. Er dient dan gebruik ge-</al><al>maakt te worden van de in artikel 8.1 van de verordening
                                    opgenomen hardheidsclausule. </al><al><vet>Paragraaf 5. Aanpassingen van woonwagens, woonschepen en
                                        binnenschepen </vet></al><al><vet>Artikel 4.11 woonwagen </vet></al><al>De uitgangspunten bij en de gevallen waarin een voorziening aan
                                    woonwagens kan worden aangebracht zijn in principe gelijk aan
                                    die bij woningen. Gezien de kenmerken van deze woonruimten is
                                    het echter nodig enkele nadere voorwaarden te stellen. </al><al><vet>Artikel 4.12 woonschip</vet></al><al>De uitgangspunten bij en de gevallen waarin een voorziening aan
                                    woonschepen kan worden aangebracht zijn in principe gelijk aan
                                    die bij woningen. Gezien de kenmerken van deze woonruimten is
                                    het echter nodig enkele nadere voorwaarden te stellen. </al><al><vet>Artikel 4.13 Technische levensduur woonwagen en
                                        woonschip</vet></al><al>Indien niet aan de eisen zoals vermeld in artikel 4.11 en 4.12
                                    kan worden voldaan, kan er geen uitge-</al><al>breide aanpassing meer worden gesubsidieerd. Om de beschikbare
                                    middelen zo doelmatig mogelijk aan te wenden, wordt er door het
                                    College in het Besluit nadere regels individuele voorzieningen
                                    maatschappelijke ondersteuning een bovengrens vastgesteld voor
                                    de hoogte van de in deze gevallen te verlenen financiële
                                    tegemoetkoming.</al><al><vet>Artikel 4.14 Binnenschip </vet></al><al>De uitgangspunten bij en de gevallen waarin een voorziening aan
                                    binnenschepen kan worden aangebracht zijn in principe gelijk aan
                                    die bij woningen. Gezien de kenmerken van deze woonruimten is
                                    het echter nodig enkele nadere voorwaarden te stellen. </al><al><vet>Paragraaf 6. Verhuis- en (her)inrichtingskosten</vet></al><al><vet>Artikel 4.15 Financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                        inrichtingskosten.</vet></al><al>Het College kan een financiële tegemoetkoming, dan wel een
                                    persoongebonden budget in de verhuis- en inrichtingskosten
                                    verstrekken aan een persoon met beperkingen die naar een
                                    geschikte (aangepaste) of een goedkoper dan de huidige
                                    woonruimte aan te passen woonruimte verhuist. Het College kan
                                    ook aan een persoon zonder beperkingen een dergelijke
                                    woonvoorziening verstrekken indien op deze wijze een aangepaste
                                    of geschikte woonruimte vrij komt voor een persoon met
                                    beperkingen. De financiële tegemoetkoming of de vergoeding dient
                                    ter stimulering van het vrijmaken van de woning.</al><al>In het tweede lid wordt een aantal voorwaarden opgesomd voor het
                                    verstrekken van een financiële tegemoetkoming in verhuis- en
                                    inrichtingskosten. Aan al deze voorwaarden moet voldaan zijn om
                                    in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming in
                                    verhuis- en inrichtingskosten.</al><al>Als het College toestemming heeft gegeven voor verhuizing, maar
                                    nog geen beschikking heeft afgegeven, en de aanvrager verhuist
                                    in de tussenliggende periode, dan zal het College de aanvraag
                                    niet afwijzen op grond van het feit dat de aanvraag verhuisd is
                                    voordat de beschikking afgegeven is.</al><al>Aanvragers staan soms jaren op een wachtlijst voordat zij een
                                    woning in een ADL-cluster toegewezen krijgen (ADL staat voor:
                                    Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen). De aanvrager woont
                                    vaak al in een een geschikte, adequate woning. Om de drempel
                                    naar een ADL-woning te verhuizen niet te groot te maken, is in
                                    deze situatie de voorwaarde, dat aantoonbare beperkingen als
                                    gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de te
                                    verlaten woning belemmeren, niet van toepassing.</al><al><vet>Paragraaf 7. Overige kosten</vet></al><al><vet>Artikel 4.16 Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                                        reparatie</vet></al><al>De maximale hoogte van de kosten van onderhoud, keuring en
                                    reparatie staat vermeld in het Besluit nadere regels individuele
                                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.</al><al><vet>Artikel 4.17 Kosten in verband met tijdelijke
                                        huisvesting</vet></al><al> Deze tegemoetkoming heeft betrekking op kosten die gemaakt
                                    worden in verband met het tijdelijk betrekken van een
                                    zelfstandige woonruimte, het tijdelijk betrekken van een
                                    niet-zelfstandige woonruimte of het langer moeten aanhouden van
                                    de te verlaten woonruimte.</al><al><vet>Paragraaf 8 Facultatieve woonvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 4.18 Huurderving</vet></al><al>Door de eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming in
                                    de gederfde huurinkomsten te verlenen, kan bevorderd worden dat
                                    de aangepaste woonruimte beschikbaar blijft voor personen met
                                    beperkingen. Het College heeft deze bevoegdheid, omdat bij de
                                    exploitatie van een woning rekening wordt gehouden met een
                                    bepaald percentage huurderving. Het is daarom te verantwoorden
                                    dat het normale risico van leegstand voor rekening en risico van
                                    de verhuurder blijven. </al><al>Om te voorkomen dat de gemeente gehouden is ook bij kleine
                                    woningaanpassingen een financiële tegemoetkoming voor
                                    huurderving te verstrekken, is in het tweede lid bepaald dat het
                                    College in het Besluit nadere regels individuele voorzieningen
                                    maatschappelijke ondersteuning een ondergrens kan vastleggen. </al><al>Voor woningen waarvoor de aanpassingskosten minder hebben
                                    bedragen dan het in het Besluit nadere regels individuele
                                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning genoemde bedrag kan
                                    dan geen tegemoetkoming voor huurderving worden verleend.</al><al><vet>Artikel 4.19 Kosten in verband met het verwijderen van
                                        voorzieningen</vet></al><al>Kosten voor het verwijderen van voorzieningen worden in beginsel
                                    niet vergoed. Dit artikel geeft de mogelijkheid om in de
                                    genoemde situatie de kosten voor het verwijderen van de
                                    voorzieningen te vergoeden. </al><al><vet>Paragraaf 9 Afschrijving woningaanpassingen</vet></al><al><vet>Artikel 4.20 Afschrijving woningaanpassingen </vet></al><al>Dit artikel heeft een tweeledige functie. In de eerste plaats is
                                    het bedoeld om te voorkomen dat bij verkoop van de woning de
                                    waardestijging die het gevolg is van een dure woningaanpassing
                                    volledig ten goede komt aan de woningeigenaar. In de tweede
                                    plaats voorkomt het kapitaalvernietiging. Indien de persoon
                                    zonder gegronde reden binnen vijf jaar verhuist, kan dit leiden
                                    tot kapitaalvernietiging. </al><al>Het is niet meer dan redelijk om de persoon hier gedeeltelijk
                                    voor aan te spreken.</al><al>Een en ander is uitgewerkt door de woningeigenaar bij verkoop te
                                    verplichten tot terugbetaling van de </al><al>aanpassingskosten verminderd met de afschrijving. Daarbij geldt
                                    een lineaire afschrijving over een termijn van vijf jaar, zodat
                                    het terug te betalen bedrag jaarlijks met 20 procent daalt. Uit
                                    oogpunt van rechtsgelijkheid is het bedrag genoemd in het
                                    Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                                    ondersteuning vrijgelaten. De regeling geldt immers niet voor
                                    woningaanpassingen beneden dit bedrag. </al><al>Ter illustratie van de toepassing van de afschrijvingsregeling
                                    het volgende voorbeeld, waarbij is uitge-</al><al>gaan van het bedrag van € 13.613,-- ,zoals genoemd in het
                                    Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                                    ondersteuning voor welk bedrag geen terugbetalingsverplichting
                                    geldt. </al><al> Indien een woning is aangepast voor € 43.613,-- en de eigenaar
                                    verkoopt deze woning binnen drie jaar, </al><al>dan dient hij 60 procent van de aanpassingskosten minus €
                                    13.613,-- terug te betalen. Dit percentage is </al><al>berekend door de totale aanpassingskosten na aftrek van €
                                    13.613,-- te stellen op 100 procent en dit te </al><al>verminderen met een afschrijving van 40 procent. De berekening
                                    van het terug te betalen bedrag luidt </al><al>als volgt: € 43.613,-- minus € 13.613,-- = € 30.000,-- x 60% = €
                                    18.000,--. </al><al>Het derde lid bepaalt dat de terugbetalingsverplichting niet
                                    geldt, indien de woning wordt ver-</al><al>kocht aan de persoon voor wie de aanpassingen zijn aangebracht
                                    of aan een andere persoon met beperkingen aan wie op grond van
                                    de verordening een vergelijkbare woning zou zijn toegekend. Het
                                    belang van de gemeente is dat de aanpassingen niet verloren gaan
                                    en ten goede blijven komen aan personen voor wie de aanpassingen
                                    nodig zijn.</al><al>Het College kan van de toepassing van dit artikel afwijken door
                                    middel van de hardheidsclausule uit artikel 8.1 van de
                                    verordening. Denk aan situaties waarin de waardestijging van de
                                    woning aantoonbaar minder </al><al>bedraagt dan de aanpassingskosten of waarin er aanleiding is tot
                                    versnelde afschrijving. </al><al><onderstreept>4.21 Vermogensdrempel voor bouwkundige
                                        woningaanpassingen</onderstreept></al><al>Sedert 1 januari 2010 is voor de verlening van bouwkundige
                                    woningaanpassingen een vermogensdrempel van toepassing. Deze
                                    drempel is qua karakter vergelijkbaar met de inkomensdrempel
                                    voor de vervoersvergoeding. Gemeente Heumen heeft voor deze
                                    drempel gekozen vanuit de gedachte dat de compensatieplicht van
                                    de gemeente niet onbegrensd kan zijn als het gaat om
                                    aanpassingen aan woningen waarin een aanzienlijke overwaarde
                                    aanwezig is. Naar algemeen aanvaarde maatschappelijke
                                    opvattingen is het algemeen geaccepteerd dat de woningeigenaar
                                    een verbouwing, die over het algemeen leidt tot
                                    waardevermeerdering van het onroerend goed, financiert door
                                    hiervoor de in de woning aanwezige overwaarde aan te spreken. In
                                    lijn met de eerdergenoemde inkomensdrempel voor
                                    vervoersvergoedingen wordt de overwaarde waarboven een
                                    woningaanpassing wordt afgewezen gesteld op 1,5x het bedrag dat
                                    als in de woning gebonden vermogen op grond van de Wet werk en
                                    bijstand wordt vrijgelaten.</al><al>Overigens wordt de vermogensdrempel niet toegepast als de totale
                                    kosten van de woningaanpassing lager is dan een nader vast te
                                    stellen bedrag. De vermogensdrempel is eveneens niet van
                                    toepassing als vast komt te staan dat de belanghebbende
                                    feitelijk niet kan beschikken over het vermogen omdat geen
                                    financier kan worden gevonden die bereid is om een hypothecaire
                                    lening te verstrekken.</al><al>Omdat in het kader van de Wmo een eigen bijdrage uitsluitend kan
                                    worden opgelegd in relatie tot het inkomen, is hier
                                    uitdrukkelijk gekozen voor een toegangsdrempel. Er is geen
                                    sprake van een eigen bijdrage die is gerelateerd aan de waarde
                                    van de woning.</al><al><vet>Hoofdstuk 5. Vervoersvoorzieningen </vet></al><al><vet>Artikel 5.1 Vormen van vervoersvoorzieningen</vet></al><al>Dit artikel geeft een overzicht van alle mogelijke
                                    vervoersvoorzieningen die op grond van deze verordening
                                    verstrekt kunnen worden.</al><al>Ad.a.</al><al>In de gemeente Heumen zijn drie vormen van openbaar vervoer
                                    aanwezig voor alle inwoners:</al><al>lijnbussen, de buurtbus en de Stadsregiotaxi. Het vervoer via de
                                    lijnbussen betreft regulier openbaar vervoer. De buurtbus is een
                                    aanvulling op dit reguliere vervoer. De stadsregiotaxi, die met
                                    ingang van 1 september 2010 wordt verzorgd door Personen en
                                    Zorgvervoer Nederland (PZN) is eveneens een aanvulling op het
                                    reguliere openbaar vervoer. Deze vorm van collectief
                                    vraagafhankelijk vervoer is voor iedereen toegankelijk, ook voor
                                    gebruikers van een rollator, scootmobiel, looprek of rolstoel.
                                    De Stadsregiotaxi rijdt 7 dagen per week, van 08.00 tot 24.00
                                    uur. Op vrijdag- en zaterdagavond rijdt de taxi tot 02.00
                                    uur.</al><al>Vervoer op Maat biedt vanaf het najaar 2010 binnen de grenzen
                                    van de gemeente Heumen collectief vraagafhankelijk vervoer. De
                                    primaire doelgroep bestaat uit ouderen en mensen met een
                                    beperking. Vervoer op Maat biedt hen, met een
                                    rolstoeltoegankelijke bus, op werkdagen tussen 8.00 – 20.00 uur,
                                    op afroep “vervoer van kamer tot kamer”. Dit is vervoer van deur
                                    tot deur, dat toegankelijk is voor alle inwoners van de gemeente
                                    Heumen, waaronder inwoners die niet in staat zijn zelfstandig te
                                    reizen. Zoals inwoners met een verstandelijk beperking of
                                    ouderen met dementie. Deze “niet zelfstandige reizigers” worden
                                    vanaf 1 september 2010 niet meer vervoerd door de
                                    Stadsregiotaxi. De chauffeurs van Vervoer op Maat zorgen voor de
                                    benodigde begeleiding én overdracht van de desbetreffende
                                    reizigers. Per werkdag wordt het aanbod van Vervoer op Maat
                                    enkele uren besteed aan vaste ritten in verband met het
                                    benodigde vervoer voor de dag- en groepsverzorging van
                                    Malderburch. Tijdens deze uren is Vervoer op Maat dus niet
                                    beschikbaar voor individueel aangevraagde ritten.</al><al>Ad. b.</al><al>In het Besluit nadere regels individuele voorzieningen Wmo
                                    gemeente Heumen wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden men
                                    voor een bepaald soort voorziening in aanmerking komt. Tevens
                                    wordt de keuze geboden tussen een voorziening in natura en een
                                    persoonsgebonden budget.</al><al>Ad. c.</al><al>De vaststelling van de hoogte van de financiële tegemoetkoming
                                    door burgemeester en wethouders wordt in het Besluit nadere
                                    regels individuele voorzieningen Wmo gemeente Heumen uitgewerkt. </al><al><vet>Artikel 5.2 Het recht op een algemene
                                        vervoersvoorziening</vet></al><al>Met artikel 5.2 wordt bepaald dat louter de aantoonbare
                                    beperkingen van de aanvrager in relatie tot de beperkingen van
                                    de bestaande vervoersystemen bepalend zijn voor de vraag of, en
                                    zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor een
                                    voorziening. </al><al>Psychische problemen (men durft niet in een drukke bus, men is
                                    bang voor de trein) zijn daardoor in eerste instantie geen
                                    indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een adequate
                                    voorziening getroffen worden, die misschien beter gevonden kan
                                    worden in een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan
                                    worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan is
                                    de problematiek tijdelijk en valt dus niet onder de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Anders wordt het als blijkt dat het probleem niet therapeutisch
                                    opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak aanwezig
                                    en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.</al><al><vet>Artikel 5.3 Het primaat van het collectief
                                    vervoer</vet></al><al>Artikel 5.3 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan
                                    boven de individuele voorzieningen zoals genoemd onder artikel
                                    5.1 onder b en c. Men kan voor individuele voorzieningen in
                                    aanmerking komen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien men door de aard van de beperking geen gebruik
                                            kan maken van een collectieve vervoersvoorziening
                                            of;</al></li><li nr="b."><al>indien er geen algemene voorziening, waaronder
                                            collectief vervoer, aanwezig is.</al></li></lijst><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het
                                    gebruik van een collectief systeem verstrekt worden. Dit is het
                                    geval wanneer het collectief systeem de vervoersbehoefte van de
                                    aanvrager die een aanspraak heeft niet volledig dekt. </al><al><vet>Artikel 5.4 Algemeen gebruikelijke
                                        vervoersvoorzieningen</vet></al><al>Uitgangspunt van artikel 5.4 is dat mensen van wie het inkomen
                                    hoger is dan 1,5 x het norminkomen de kosten van een
                                    vervoersvoorziening zelf kunnen betalen. Met andere woorden:
                                    boven de genoemde grens is een vervoersvoorziening als genoemd
                                    in artikel 5:1 algemeen gebruikelijk. </al><al>Hoewel in artikel 7.5 is bepaald dat het College een besluit dat
                                    genomen is op grond van deze verordening geheel of gedeeltelijk
                                    intrekt indien niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden
                                    gesteld bij of krachtens deze verordening, is in het tweede lid
                                    van dit artikel nog eens uitdrukkelijk bepaald dat een in het
                                    vijfde lid genoemde vervoersvoorziening wordt ingetrokken
                                    wanneer, lopende de verstrekking van zo een vervoersvoorziening,
                                    de inkomensgrens wordt overschreden. </al><al><vet>Artikel 5.5 Omvang in gebied en in kilometers</vet></al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is de zorgplicht voor
                                    vervoer beperkt tot verplaatsingen in het kader van het leven
                                    van alledag in de directe woon- en leefomgeving: de wet spreekt
                                    nu in artikel 4 , eerste lid, en onder c, over “het zich lokaal
                                    verplaatsen per vervoersmiddel”. Dit lijkt beperkter te zijn dan
                                    de zorgplicht onder de Wet voorzieningen gehandicapten, maar
                                    aangezien met de Wmo niet is beoogd de reikwijdte van de Wet
                                    voorzieningen gehandicapten te beperken of uit te breiden, is er
                                    geen reden om aan te nemen dat alleen de letterlijke lokale
                                    verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in
                                    artikel 5.5, conform de onder de Wet voorzieningen gehandicapten
                                    gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon- of
                                    leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale zorgplicht,
                                    zoals die ook in de Wvg-juriprudentie is omschreven.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale
                                    Raad van beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapte in dat
                                    een vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen de
                                    mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis minimaal 1.500-2.000
                                    kilometer af te leggen. Deze jurisprudentie wordt hier
                                    vastgelegd, aangezien met de wet niet wordt beoogd de
                                    werkingsfeer van de Wet voorzieningen gehandicapten uit te
                                    breiden.</al><al><vet>Artikel 5.6 Training gesloten buitenwagen en
                                        scootermobiel</vet></al><al>Het College kan indien daartoe aanleiding bestaat een financiële
                                    tegemoetkoming verstrekken in de kosten van een training in het
                                    gebruik van een gesloten buitenwagen of scootermobiel. </al><al>Dit is ook mogelijk gedurende een zogenaamde proefplaatsing. In
                                    alle gevallen geldt als voorwaarde dat de betreffende
                                    voorziening moet zijn toegekend op basis van deze
                                    verordening.</al><al><vet>Hoofdstuk 6. Rolstoelen</vet></al><al><vet>Artikel 6.1 Algemene omschrijving</vet></al><al>Van het begrip rolstoel is geen omschrijving gegeven, niet in de
                                    wet en niet in deze verordening. Onder rolstoel dient hier
                                    begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die kent. Onder
                                    het begrip rolstoel valt</al><al>alleen een handbewogen of elektrische rolstoel en geen andere
                                    voorzieningen voor het verplaatsen </al><al>binnenshuis, zoals een trippelstoel. Onder handbewogen
                                    rolstoelen kunnen ook verstaan worden een </al><al>duwwandelwagen of een zelfbeweger. De sportrolstoel valt in het
                                    kader van deze verordening ook onder het begrip rolstoel. </al><al>Indien een rolstoel uitsluitend voor buitengebruik geschikt is,
                                    is de rolstoel per definitie een vervoersvoorziening. Een
                                    scootermobiel is altijd een vervoersvoorziening en een
                                    trippelstoel wordt (zoals hierboven al aangegeven) niet als
                                    rolstoel beschouwd. De trippelstoel valt onder de door de AWBZ
                                    te verstrekken voorzieningen indien er sprake is van een
                                    loopprobleem. </al><al>Ook individuele aanpassingen aan rolstoelen vallen onder de
                                    rolstoelverstrekking. Een voorbeeld hiervan is een
                                    anti-decubitus kussen. Vaak zullen aanpassingen tegelijkertijd
                                    met de rolstoel worden gerealiseerd. Het kan echter ook
                                    voorkomen dat de aanpassingen aan rolstoelen afzonderlijk van de
                                    rolstoel worden aangevraagd en verleend.</al><al>Het College kan een tegemoetkoming in de kosten van onderhoud,
                                    gebruik, of reparatie en accessoires verlenen. Onderhoudskosten
                                    die het gevolg zijn van oneigenlijk gebruik van en door de
                                    gebruiker aangebrachte ongeoorloofde modificaties aan de
                                    rolstoel komen niet voor vergoeding in aanmerking. </al><al><vet>Artikel 6.2 Het recht op een rolstoel</vet></al><al>De noodzaak tot zittend verplaatsen hoeft niet de gehele dag,
                                    maar wel in belangrijke mate, aanwezig te zijn. Gelet op het
                                    criterium “langdurig noodzakelijk” dient de persoon gedurende
                                    ten minste een periode van 6 maanden te zijn aangewezen op een
                                    rolstoel. Zie in verband hiermee ook de toelichting op artikel
                                    1.2 lid 1 sub a van de verordening. Voorbeelden van ‘andere
                                    wettelijke regelingen’ als bedoeld in het eerste lid zijn de
                                    AWBZ en de Zorgverzekeringswet.</al><al>Voor sportrolstoelen kunnen ook mensen met een beperking in
                                    aanmerking komen die in het dagelijkse leven van loophulpen
                                    gebruik kunnen maken, maar zonder sportrolstoel niet in staat
                                    zijn tot sportbeoefening. Ten aanzien van sportrolstoelen blijft
                                    de gemeentelijke zorgplicht op grond van de Wmo beperkt tot
                                    recreatieve sportbeoefening. De meerkosten voor sportrolstoelen
                                    in verband met professionele sportbeoefening komen niet voor
                                    vergoeding op grond van de verordening in aanmerking.</al><al>Het doel van lid 3 is te voorkomen dat een persoon met
                                    beperkingen verhuist naar een inadequate woning en daardoor geen
                                    verhuiskostenvergoeding ontvangt, maar vervolgens wel met succes
                                    een (tweede) rolstoel kan aanvragen om zich in de woning te
                                    kunnen verplaatsen.</al><al><vet>Artikel 6.3 Vorm van de verstrekking</vet></al><al>Een rolstoel wordt in principe in bruikleen verstrekt. Als de
                                    persoon met beperkingen een duurdere rolstoel wenst dan de
                                    goedkoopst adequate rolstoel kan een financiële tegemoetkoming
                                    worden verstrekt. Deze tegemoetkoming zal dan gelijk zijn aan de
                                    prijs van de goedkoopst adequate rolstoel. Voor een
                                    sportrolstoel wordt een afkoopsom in de vorm van een
                                    gemaximeerde vergoeding verstrekt. </al><al><vet>Artikel 6.4 Training elektrische rolstoel</vet></al><al>Het College kan indien daartoe aanleiding bestaat een financiële
                                    tegemoetkoming verstrekken in de kosten van een training in het
                                    gebruik van een elektrische rolstoel. Dit is ook mogelijk
                                    gedurende een zogenaamde proefplaatsing. In alle gevallen geldt
                                    als voorwaarde dat de elektrische rolstoel moet zijn toegekend
                                    op basis van deze verordening. </al><al><vet>Hoofdstuk 7 Het verkrijgen van een voorziening</vet></al><al>De aanvraagprocedure wordt in de Awb geregeld, met name in
                                    hoofdstuk 3, Algemene bepalingen over besluiten, en hoofdstuk 4,
                                    Bijzondere bepalingen over besluiten. </al><al>Alles zaken die in de Awb zijn geregeld, hoeven niet meer in de
                                    verordening te worden geregeld. Vandaar dat het procedurele deel
                                    van de verordening zeer beperkt is. </al><al><vet>Artikel 7.1 Aanvraagprocedure</vet></al><al>In hoofdstuk 1 Algemene bepalingen staat een uitleg van het
                                    begrip zelfredzaam.</al><al>De aanvraag kan uiteraard ingediend worden door de
                                    belanghebbende zelf. Maar het is ook mogelijk dat de persoon een
                                    ander machtigt om namens hem of haar een aanvraag in te dienen.
                                    In principe dient </al><al>men een aanvraag in te dienen bij die gemeente waar men in het
                                    bevolkingsregister is ingeschreven. </al><al>Alleen in de situatie dat men verhuist naar een andere gemeente,
                                    kan het voorkomen dat men een aanvraag indient bij een gemeente
                                    waar men (nog) niet in het bevolkingsregister staat
                                    ingeschreven. Zie </al><al>hieromtrent ook de toelichting op artikel 1.1. aanhef en onder
                                    v. </al><al><vet>Artikel 7.2 Gebruik aanvraagformulier</vet></al><al>De aanvraag dient in alle gevallen schriftelijk te worden
                                    ingediend. In de praktijk kan weliswaar op grond van een
                                    telefonische melding een en ander in gang worden gezet. De
                                    aanvrager moet, al dan niet in een later stadium, de aanvraag te
                                    bevestigen door het inleveren van een ondertekend
                                    aanvraagformulier.</al><al><vet>Artikel 7.3 Inlichtingen, onderzoek, advies</vet></al><al>Lid 2 geeft aan wanneer het College advies dient te vragen. Dit
                                    kan per aanvraag verschillen. In tegenstelling tot de Wvg bevat
                                    de Wmo geen bepaling over het inwinnen van medisch advies. In de
                                    verordening is omschreven in welke gevallen het College in ieder
                                    geval medisch advies inwint. In alle overige gevallen wordt per
                                    individuele situatie beoordeeld of de klantmanager van
                                    Vraagwijzer zelf de situatie beoordeelt, of dat medisch advies
                                    wordt ingewonnen.</al><al>De eisen, te stellen aan een deskundigenadvies zijn opgenomen in
                                    lid 5. Daarbij kan het volgende worden aangetekend: </al><al>Onder medische kennis dient verstaan te worden het
                                    beoordelen/interpreteren van de medische situatie en de
                                    vertaling van ziekte/stoornis naar beperking.</al><al>Onder sociale kennis wordt begrepen het inzicht in de gevolgen
                                    van de afwezigheid van functies (aanwezigheid van beperkingen).
                                    De ervaring van de beperking in de leef-, woon- en werksituatie
                                    wordt met handicap aangeduid.</al><al>De adviseur moet het vermogen hebben om de beperkingen in de
                                    individuele situatie te vertalen naar </al><al>handicaps. Door kennis te hebben van het individu, zijn omgeving
                                    en de rol van het individu hierin, is </al><al>het mogelijk inzicht te krijgen in de aard en de mate van het
                                    probleem. Tevens is het dan reeds mogelijk om een globale
                                    vertaalslag te maken naar mogelijke oplossingen.</al><al>Onder ergonomische kennis wordt het volgende verstaan. De
                                    adviseur dient inzicht te hebben in de </al><al>aanpassingsmogelijkheden van hulpmiddelen aan de mens. Dit
                                    vereist kennis over menselijke eigenschappen (anatomie,
                                    fysiologie, psychologie) en technische eigenschappen van
                                    hulpmiddelen.</al><al>De technische kennis betekent dat een adviseur "weet" moet
                                    hebben van onder andere bouwkundige </al><al>(on)mogelijkheden. De opgesomde lijst van noodzakelijke
                                    kennisgebieden hoeft overigens niet geconcentreerd te zijn in
                                    één adviesfunctie.</al><al><vet>Artikel 7.4 Wijzigingen in de situatie </vet></al><al>Het gaat hier om alle gegevens en feitelijkheden waarvan
                                    redelijkerwijs verondersteld kan worden dat zij van belang zijn,
                                    zoals veranderingen in de hoogte van het inkomen als het gaat om
                                    inkomensafhankelijke bijdragen, de staat van een in bruikleen
                                    verstrekt voorwerp, gewijzigde burgerlijke staat, verhuizing,
                                    etc.</al><al><vet>Artikel 7.5 Heronderzoek en intrekking van een besluit tot
                                        verlening van een voorziening</vet></al><al>Het ligt voor de hand dat van geheel of gedeeltelijk
                                    terugvorderen in ieder geval gebruik wordt gemaakt, indien er
                                    sprake is van verwijtbaarheid. Hiervan is zonder meer sprake
                                    wanneer betrokkene bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt,
                                    bijvoorbeeld over zijn inkomen. </al><al>Het derde lid van artikel 7.5 is niet van toepassing op
                                    woningaanpassingen. Voor deze woningaanpassingen is in artikel
                                    4.2 eerste lid geregeld dat binnen een periode van 15 maanden na
                                    het verlenen van de financiële tegemoetkoming de
                                    woningaanpassing gereed moet zijn en dat dit aan het College
                                    gemeld wordt.</al><al>Op grond van de Awb dient een besluit tot intrekking van een
                                    voorziening betrokkene schriftelijk te </al><al>worden medegedeeld. Hierover hoeft in de verordening dus geen
                                    afzonderlijke bepaling te worden opgenomen.</al><al><vet>Artikel 7.6 Terugvordering</vet></al><al>Uit een oogpunt van rechtszekerheid geldt een verjaringstermijn
                                    van vijf jaar. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de
                                    verjaringstermijn voor terugvordering van onverschuldigd
                                    betaalde subsidiebedragen (vergelijk artikel 4:57 van de Awb).
                                    De samenhang met het intrekkingsbesluit houdt in dat het
                                    intrekkingsbesluit en het terugvorderingsbesluit binnen
                                    hetzelfde tijdvak van vijf jaar moeten plaatsvinden. De
                                    verjaringstermijn vangt aan op de datum van het besluit tot
                                    toekenning van de voorziening.</al><al>Het artikel belet niet om in plaats van het terugvorderen van
                                    een financiële tegemoetkoming deze te verrekenen met financiële
                                    tegemoetkomingen voor een volgend tijdvak.</al><al>Alle terug te vorderen bedragen worden verhoogd met de
                                    wettelijke rente (artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek). </al><al><vet>Hoofdstuk 8. Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 8.1 Afwijken van
                                    bepalingen/hardheidsclausule</vet></al><al> Het afwijken kan alleen maar ten gunste van de persoon met
                                    beperkingen of de eigenaar van de </al><al>woonruimte en nooit ten nadele. Ook de eigenaar van de
                                    aangepaste woonruimte kan in aanmerking </al><al>komen voor de hardheidsclausule. Gedacht kan worden aan een
                                    situatie waar het van belang is dat een </al><al>woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat
                                    bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie
                                    de aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt staat om
                                    uit een revalidatiecentrum te worden ontslagen en voor wie de
                                    aangepaste woonruimte uitermate geschikt zou zijn. </al><al>In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere periode
                                    een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. </al><al>Verder is met nadruk gemeld ‘in bijzondere gevallen’. Het
                                    gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als
                                    een uitzondering en niet als een regel. De gemeente moet in
                                    verband met precedentwerking duidelijk aangeven waarom in een
                                    bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.</al><al><vet>Artikel 8.2 Beslissing burgemeester en wethouders in
                                        gevallen waarin de verordening niet voorziet.</vet></al><al>Deze beslissingen zijn onderworpen aan de voorgeschreven
                                    bezwaar- en beroepsprocedures, zodat ook in deze gevallen de
                                    beslissing gemotiveerd genomen moet worden. </al><al><vet>Artikel 8.3 Indexering</vet></al><al>Het College past de bedragen in de verordening en het Besluit
                                    nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                                    ondersteuning jaarlijks aan conform de prijsindex van het
                                    Centraal Bureau voor de Statistiek.</al><al>Dit zijn in principe alle bedragen, met uitzondering van de
                                    bedragen waarbij op grond van beleidsinhoudelijke gronden tot
                                    een keuze voor een maximum is gekomen. </al><al><vet>Artikel 8.4 Inwerkingtreding en
                                    overgangsbepaling</vet></al><al>In het tweede lid van dit artikel is een overgangsbepaling
                                    opgenomen voor personen aan wie eerder op grond van de
                                    Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen 2010
                                    een individuele vervoersvoorziening is verstrekt, en die op
                                    grond van deze Verordening zijn aangewezen op een
                                    vervoersvoorziening op grond van artikel 5:1, aanhef en onder a
                                    van deze Verordening. De achterliggende gedachte bij deze
                                    overgangsbepaling is dat de personen die het betreft een periode
                                    krijgen waarin zij kunnen wennen aan de nieuwe vervoerssituatie.
                                    Het zorgvuldigheidsbeginsel is in de uitvoeringspraktijk van de
                                    Wmo van groot belang. Naast deze overgangsbepaling wordt ook in
                                    de individuele beschikkingen van deze groep personen gemotiveerd
                                    beslist dat hun vervoersvoorziening met inachtneming van deze
                                    overgangsperiode wordt beëindigd. Dat deze overgangsbepaling
                                    niet geldt voor personen die hun aanvraag na 1 oktober 2010
                                    heeft te maken met het feit dat voor die personen geen sprake is
                                    van een gewenningsperiode. Zij zijn op het moment van aanvraag
                                    voldoende geïnformeerd dat zij vanaf 1 januari 2011zijn
                                    aangewezen op een algemene vervoersvoorziening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>