<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR69570_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Ergoedverordening 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Castricum</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-05-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Castricum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsblad van Castricum,
                14-03-1912</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1 en 2.2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 12, 14, 15 en 38</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-05-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Gewijzigde regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Monumenten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Ergoedverordening 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Castricum,</al><al>Gezien het voorstel van het college van 6 december 2011;</al><al>Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 14, 15 en 38 van
                        de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht;</al><al>Gehoord de beraadslagingen in de raadscarrousel gehouden op 22 december
                        2011</al><al>Besluit:</al><al>Vast te stellen de:</al><al>Erfgoedverordening 2012 gemeente Castricum</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                            beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><al>1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis
                            voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;</al><al>2. terreinen of wateren die van algemeen belang zijn wegens een daar
                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al><al>b. gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de
                            overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen
                            zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a;</al><al>c. beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1,
                            eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>d. monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988
                            ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen
                            beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de
                            Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en het
                            monumentenbeleid;</al><al>e. monumentenraad: de door het college ingestelde commissie met als taak
                            het college op verzoek dan wel eigener beweging te adviseren over de
                            toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid met uitzondering
                            van de taken van de monumentencommissie</al><al>f. gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart van
                            het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop
                            archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn
                            aangegeven;</al><al>g. landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden: landelijke
                            kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van geomorfologische
                            gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid van archeologische
                            vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt gemaakt in hoge, middelhoge,
                            lage en zeer lage trefkans;</al><al>h. provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart van
                            (delen van) het provinciale grondgebied, waarop archeologische
                            monumenten en archeologische gebieden zijn aangegeven;</al><al>i. archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                            archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate
                            archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn;</al><al>j. hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten of
                            informatie;</al><al>k. middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                            vondsten of informatie;</al><al>l. lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten of
                            informatie;</al><al>m. plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder
                            de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan
                            beantwoorden;</al><al>n. programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld
                            en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van
                            archeologisch onderzoek;</al><al>o. gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                            archeologische paragraaf van het bestemmingsplan;</al><al>p. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>q. het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                            gemeente Castricum;</al><al>r. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                            eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>s. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de Monumentenraad en aan de
                                monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van artikel 2 van de Monumentenverordening van de provincie
                                Noord-Holland 2010.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                                van de monumentencommissie maar in ieder geval binnen twintig weken
                                na de adviesaanvraag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college vraagt tevens advies aan de Monumentenraad gemeente
                                Castricum;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De monumentencommissie en de Monumentenraad worden zo spoedig
                                mogelijk, maar in elk geval binnen drie weken over het genomen
                                besluit schriftelijk geïnformeerd</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijk monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijk monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan artikel
                                2 van de monumentenverordening van de provincie Noord-Holland.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Instandhoudingsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college:</al><al>a. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, af
                                te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te
                                wijzigen;</al><al>b. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, te
                                herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige
                                wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een
                                religieuze bestemming geen vergunning als bedoeld in het tweede lid,
                                dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een
                                vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in tweevoud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Termijnen van advies en vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op de voorbereiding van een besluit om de aanvraag om vergunning als
                                bedoeld in artikel 10 is afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de
                                monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            college rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien:</al><al>a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige
                            opgave is verleend;</al><al>b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in artikel 10
                            niet naleeft;</al><al>c. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig
                            hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te
                            wegen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Beschermde monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de
                                monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instandhoudingsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2, of in een archeologisch verwachtingsgebied de
                                bodem te verstoren van beschreven terreinen waarvoor gespecificeerde
                                archeologiecriteria gelden, zoals omschreven in de Beleidsnota
                                Archeologie gemeente Castricum (vastgesteld in de openbare
                                vergadering van de gemeenteraad van de gemeente Castricum gehouden
                                op 6 oktober 2011).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:</al><al>a. Het een verstoring betreft van een archeologisch relevant gebied
                                als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart en
                                waarbij die verstoring plaatsvindt in een archeologische
                                verwachtingszone behorende tot:</al><al>• Categorie 2 (gewaardeerde vindplaatsen/AMK-terreinen):
                                onderzoekseis in plangebieden kleiner dan 100 m2 en bodemingreep met
                                een diepte tot 40 cm –mv</al><al>• Categorie 3 (verwachtingszone 1 en 8): onderzoekeis in
                                plangebieden kleiner dan 100 m2 en bodemingreep met een diepte tot
                                4,00 meter + NAP</al><al>• Categorie 4 (verwachtingszone 2 t/m 7 en 9 t/m 11): onderzoekseis
                                in plangebieden kleiner dan 500 m2 en bodemingreep met een diepte
                                tot 40 cm –mv</al><al>• Categorie 5 (verwachtingszone 12)</al><al>• Categorie 7 (verstoord/opgegraven)</al><al>b. In het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent
                                archeologische monumentenzorg;</al><al>c. Er sprake is van een activiteit zoals bedoeld in artikel 2.12 lid
                                1 en 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin
                                voorschriften zijn opgenomen omtrent monumentenzorg;</al><al>d. Het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering
                                van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een
                                archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als
                                aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart</al><al>e. Een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarden van
                                het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en
                                wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijk
                                dat:</al><al>• Het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan
                                worden geborgd; of </al><al>• De archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig
                                worden geschaad; of</al><al>• In het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Opgraving en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Castricum onderzoek
                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                                van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de
                                overige bepalingen van deze wet: </al><al>a. het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld
                                in artikel 1 onder o van deze verordening, waarbij nadere regels
                                worden gesteld ten aanzien van het onderzoek en</al><al>b. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                aanpak als bedoeld in artikel 1 onder n van deze verordening ter
                                goedkeuring aan het college over te leggen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college advies
                                aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische
                                Monumentenzorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Procedures</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12 en 13 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid onder e en
                            artikel 17, eerste lid onder b.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>1. Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of
                            zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste
                            behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><al>a. de weigering van het college een vergunning als bedoeld in artikel 10
                            te verlenen;</al><al>b. de voorschriften door het college verbonden aan een vergunning als
                            bedoeld in artikel 10;</al><al>c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel
                            10, derde lid;</al><al>d. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel
                            16, tweede lid, onder d;</al><al>e. een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede
                            volzin</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en
                            artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e,
                            van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast: de bij besluit van het college aan te wijzen
                            personen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening gemeente Castricum 2003 wordt ingetrokken, met
                            ingang van de eerstvolgende dag na inwerkingtreding van de
                            Erfgoedverordening gemeente Castricum 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken
                                Monumentenverordening gemeente Castricum 2003 aangewezen en
                                geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en
                                geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 22 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking één dag na de publicatie hiervan</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening gemeente
                            Castricum 2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad gehouden op
                        8 maart 2012.</al><al>Castricum, 8 maart 2012</al></slotformulering><ondertekening>,voorzitter</ondertekening><ondertekening>,griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Toelichting op de Erfgoedverordening 2012</titel></kop><al>A. ALGEMENE TOELICHTING </al><al>Gelet op het project Deregulering VNG-verordeningen en de verplichtingen die
                    voortvloeien uit de Wet op de archeologische monumentenzorg van september 2007,
                    evenals de feitelijke samenhang tussen monumenten en archeologie, is de model
                    Erfgoedverordening in 2008 aangevuld met een archeologisch deel en heeft een
                    vereenvoudiging van de model Erfgoedverordening in het kader van deregulering
                    plaatsgevonden. De huidige wijziging van de model Erfgoedverordening houdt
                    verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen: Mor).</al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht </al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn: </al><al>- de bouwvergunning;</al><al>- de aanlegvergunning;</al><al>- de sloopvergunning;</al><al>- de monumentenvergunning; </al><al>- de milieuvergunning; </al><al>- de kapvergunning.</al><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><al>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket </al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf 1 oktober 2010 één omgevingsvergunning hoeft
                    aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft aan op welke activiteiten
                    (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking heeft. Voor de
                    erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in één verzoek worden
                    aangevraagd. De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag
                    beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één
                    procedure van rechtsbescherming </al><al>Bevoegd gezag </al><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. In het Bor worden een
                    aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een minister dan wel het
                    college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als het bevoegde gezag
                    aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van de Wabo.
                    Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat om de meer
                    complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I van het
                    Bor omschreven.</al><al>Toestemmingsstelsels </al><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen.</al><al>Het gaat om een procedurele integratie van de verschillende toestemmingstelsels.
                    De inhoudelijke beoordeling vindt gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de
                    verschillende toetsingskaders niet zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de
                    Wabo bestaat derhalve uit een optelling van de afzonderlijke toetsingskaders.
                    Deze verschillende toetsingskaders wegen allen even zwaar.</al><al>De procedure </al><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en
                    de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze
                    beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure van de Awb. Wanneer voor een project meerdere
                    toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt door de aanvrager één aanvraag voor
                    een omgevingsvergunning ingediend. De aanvrager kan er echter ook voor kiezen
                    zijn project op te delen in deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een
                    afzonderlijke omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel
                    van het project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het
                    totale project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het
                    criterium van de onlosmakelijkheid is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van
                    onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde
                    handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet
                    worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van
                    de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij
                    vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer
                    activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                    activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de handeling
                    op te knippen in deelvergunningen. Een omgevingsvergunning voor een deelproject
                    geeft de bevoegdheid het deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan
                    bestaat bijvoorbeeld behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van
                    woningen grond bouwrijp gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt
                    moeten worden wat door verschillende partijen wordt uitgevoerd. De
                    omgevingsvergunning voor het bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan
                    aangevraagd worden en de werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte
                    van de omgevingsvergunning ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning
                    voor de bouw van de woningen worden aangevraagd. Het gaat om verschillende
                    besluiten waartegen een afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat.
                    Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                    omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                    gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of
                    één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                    oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een
                    gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                    volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                    mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                    volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de
                    noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door
                    aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                    de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                    indieningvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking
                    is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige
                    activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria
                    van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden
                    ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een
                    aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                    treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op
                    grond van de Awb open.</al><al>Informatie over de omgevingsvergunning </al><al>Er is een kennisplein omgevingsvergunning: http://omgevingsvergunning.vrom.nl.
                    hierop vindt u tal van brochures over de omgevingsvergunning. Als u nog geen
                    beeld hebt van wat er allemaal verandert, geven wij u in overweging de volgende
                    informatie te lezen: </al><al>- Infoblad De omgevingsvergunning (september 2008);</al><al>- Handreiking Afstemming omgevingsvergunning - afstemmen op; afstemmen met –
                    (augustus 2008; een online product).</al><al>De Wabo en de Erfgoedverordening </al><al>De monumentenvergunning uit de erfgoedverordening integreert volledig in de
                    omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in
                    artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning. De erfgoedverordening bevat de
                    mogelijkheid om nadere regels te stellen. De Wabo ziet op vergunningen en
                    ontheffingen en niet op nadere regels. Het college blijft hiervoor het bevoegd
                    gezag. Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. Voor het overige is bij
                    het opstellen van deze verordening rekening gehouden met de 'Aanwijzingen voor
                    de decentrale regelgeving'. Ook in dit nieuwe model zijn de bepalingen van de
                    Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek als uitgangspunt genomen. In
                    de verordening zijn geen bepalingen opgenomen met betrekking tot de
                    gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de
                    gemeentelijke praktijk wel gebruik wordt gemaakt. In een voorgaand
                    dereguleringstraject zijn deze artikelen gesneuveld, aangezien het instrument
                    hoge administratieve lasten bij burgers genereert. In het verlengde van het
                    dereguleringsproject in 2007 is er thans voor gekozen om deze bepalingen daarom
                    niet opnieuw in de verordening op te nemen.</al><al>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al>HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN</al><al>Artikel 1. Begripsbepalingen </al><al>Sub a </al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. Aan deze omschrijving is het begrip natuurwaarde
                    toegevoegd. Dit met als oogmerk om ook terreinen en landschappelijke structuren
                    met cultuurhistorische waarde aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument.
                    De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een
                    bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan
                    en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of
                    dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving dat het ook
                    betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige en of
                    bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument
                    te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip. Onder terreinen
                    dient in elk geval ook te worden verstaan water. Het gaat dus om 'cultuurlijke'
                    terreinen die (historisch-geografisch) van belang zijn. Daarbij kan het ook om
                    'natuur' gaan maar dat hoeft helemaal niet.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard roerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het
                    echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                    wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende
                    regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en
                    handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al>Sub b </al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                    artikel 7.</al><al>Sub c </al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de
                    Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend
                    monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld
                    register. </al><al>Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo
                    van toepassing.</al><al>Sub d </al><al>Sinds de komst van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instellen. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het bevoegd
                    gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de raad bepaald dat een
                    monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het bevoegd gezag. Dit vloeit
                    voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de
                    gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die
                    adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                    een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De
                    wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid
                    heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het instellen van de
                    monumentencommissie door het college moet door middel van een apart
                    collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een
                    (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren het college bij het
                    besluit tot instellen van een monumentencommissie gebruik te maken van de
                    VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze verordening is te downloaden via
                    de databank van de Sdu Uitgevers, www.modelverordeningen.nl .</al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de Erfgoedverordening
                    de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de monumentencommissie in deze
                    begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de Wabo te
                    adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel
                    15 van de Monumentenwet 1988.</al><al>Mocht een gemeente niet over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet
                    in de bepaling opgenomen worden. Overigens kan de monumentencommissie worden
                    gecombineerd met een welstandscommissie.</al><al>Sub o</al><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden in het
                    geval dat nog geen “Malta-proof” bestemmingsplan is vastgesteld. </al><al>In dat geval kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden
                    opgenomen, indien blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek
                    mogelijk archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.</al><al>Sub q.</al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak
                    afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting behorend bij deze verordening. De overige
                    begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat deze geen
                    nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting behoeft is het
                    bouwhistorisch onderzoek. Dit begrip was al bij de vorige gedereguleerde
                    verordening geschrapt:</al><al>• Het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer deel
                    uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat het college
                    ten behoeve van de aanwijzing tot monument een bouwhistorisch onderzoek kon
                    laten verrichten). Bij de aanwijzing tot monument kan de eigenaar/gebruiker
                    echter niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te verrichten, voornamelijk
                    vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van
                    de mogelijkheid om binnen te kunnen treden puur in het geval dat een dergelijk
                    onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen is dat wel mogelijk, maar bij woningen
                    is binnentreden gebonden aan het Huisvrederecht. De strenge eisen die hieraan
                    verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat voor slechts een bouwhistorisch
                    onderzoek bij de aanwijzing tot monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk
                    anders dan wanneer wordt binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving
                    van de verordening. Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch
                    onderzoek bij de aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een
                    woning is aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente betreffende de
                    afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de monumentenvergunning)
                    op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden voldoende houvast. Argument
                    hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de
                    beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De
                    gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de
                    noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te komen.
                    Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de
                    wijziging van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en de
                    daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet
                    noodzakelijk dat het laten verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de
                    verordening opgenomen hoeft te worden. Ook de nieuwe systematiek van de
                    verordening, voortvloeiend uit het dereguleringstraject en gebaseerd op het
                    stellen van nadere regels, maakt het gebruik van het historisch bouwonderzoek
                    een te zwaar instrument. Immers, de nadere regels in het derde lid van artikel
                    10 vragen om een vereenvoudigde aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument
                    (het draait hier feitelijk om de gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere
                    onderhoudswerkzaamheden). Het zou noch proportioneel noch evenredig zijn om bij
                    een dergelijke vereenvoudigde aanpak een bouwhistorisch onderzoek verplicht te
                    stellen. Het niet langer verplicht stellen doet echter niets af aan het
                    intrinsieke belang van bouwhistorisch onderzoek.</al><al>HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</al><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen).</al><al>Hierdoor blijft het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag
                    betreffende de aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</al><al>Artikel 2. Het gebruik van een monument </al><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf
                    aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                    ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf.</al><al>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument </al><al>Lid 1 </al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling. </al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument. Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden
                    wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de
                    monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10,
                    tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid)
                    worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen
                    vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist.
                    Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de
                    aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel
                    en wat niet van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt
                    aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven.
                    Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare
                    bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor
                    wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                    omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>Lid 2 </al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                    onder artikel 1, sub f. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats. In de verordening
                    is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een aanwijzing een
                    besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord. Dit is
                    namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb).</al><al>Lid 3 </al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><al>Lid 4 </al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><al>Artikel 4. Voorbescherming </al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten,
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    14 van deze verordening van toepassing zijn.</al><al>Dat betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot
                    gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.)
                    zonder een omgevingsvergunning voor monumenten of anders dan de bij nadere
                    regels opgestelde wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is
                    gebonden aan een </al><al>motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële
                    consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen
                    bouwactiviteiten te worden opgeschort. Het inroepen van de voorbescherming van
                    een object is een publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de
                    zin de van artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet
                    kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook
                    onder andere artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de
                    aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet een </al><al>gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de
                    voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit </al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed
                    nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van
                    de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                    minder zijn de administratieve lasten voor de burger. Het bepaalde in lid 2
                    heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het
                    college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of
                    besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch
                    in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op
                    grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat
                    voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open
                    die ook tegen een reëel besluit open zou staan. Het artikel bevat geen
                    bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt
                    (afdeling 3.6). Hoewel formeel niet verplicht vraagt het college van
                    burgemeester en wethouders ook advies aan de Monumentenraad. De Monumentenwet
                    1988 erkent echter alleen het advies van de monumentencommissie. De
                    Monumentenwet 1988 kent ook alleen maar de monumentencommissie. </al><al>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit </al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening. Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6).</al><al>Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><al>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst </al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><al>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing </al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing </al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentencommissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst
                    waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins
                    volledig teloor gegaan), worden door het college van de monumentenlijst gehaald.
                    Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een </al><al>(uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging
                    van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop
                    voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al>HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</al><al>Artikel 10. Instandhoudingbepaling </al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen over
                    gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor
                    gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier.</al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor
                    de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten
                    bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het
                    overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet
                    alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van
                    nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het
                    bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan
                    gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. </al><al>Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden
                    opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld
                    met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden
                    geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan
                    expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft
                    aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote
                    (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in
                    algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve
                    lasten worden geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
                    Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst. Is
                    er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen de
                    eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de
                    wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat
                    betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling
                    dan ook niet geldt.</al><al>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</al><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden.</al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><al>Artikel 12. Termijnen van advies en vergunningverlening </al><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                    opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de
                    voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de
                    Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende de
                    gemeentelijke monumenten.</al><al>Echter indien er meerdere activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd
                    en voor één van de andere activiteiten de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet worden dan wordt voor
                    het hele project de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. </al><al>Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er
                    sprake is van een samenloop van procedure geldt de zwaarste procedure (de
                    uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).</al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om
                    deze hieronder nader toe te lichten. De reguliere voorbereidingsprocedure komt
                    tegemoet aan één van de doelen van de Wabo, namelijk het bevorderen van een
                    snelle besluitvorming. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel
                    4.1 van de Awb.</al><al>De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging van het indienen
                    van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag
                    heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke
                    procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de beschikbare
                    rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd vermeldt het
                    bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven, indien niet
                    tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en bescheiden
                    onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de
                    aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan
                    te vullen.</al><al>Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum
                    kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere
                    geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8
                    weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het bevoegd
                    orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in te
                    brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke)
                    Monumentenraad. Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van
                    belang is dat de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te
                    brengen. Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid
                    gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit
                    niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan
                    het bevoegd gezag de procedure vervolgen.</al><al>Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen. De
                    termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegde
                    gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de
                    kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk
                    bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het uitbrengen van een
                    advies.</al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet al bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de
                    beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het
                    advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de
                    evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist. Het
                    definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd waarbij
                    het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt in
                    werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat de
                    termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen.</al><al>Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding van de
                    beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist.</al><al>Artikel 13. Weigeringsgronden </al><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg.</al><al>Artikel 14. Intrekken van de vergunning </al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al>HOOFDSTUK 4. BESCHERMDE MONUMENTEN</al><al>Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument </al><al>Lid 1 </al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                    Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin
                    verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten.</al><al>Voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere
                    procedure gevolgd te worden. Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen
                    wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor
                    beschermde monumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures is de
                    beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg
                    dat de adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de
                    komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de
                    termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen
                    konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen
                    zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het definitieve
                    besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld. Overigens
                    blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen invulling te
                    geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst vanaf 2009 zal
                    op bovenstaande van invloed zijn.</al><al>Daarom wordt de verplichte advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de
                    Monumentenwet 1988 in verband met onder meer beperking van de ministeriële
                    adviesplicht bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor monumenten’ los
                    gelaten. Alleen wanneer er sprake is van reconstructie, sloop en herbestemming
                    van een beschermd monument zal de adviesplicht van toepassing blijven. Ter
                    compensatie van het wegvallen van het advies van de rijksdienst zullen alle
                    gemeenten vanaf 2009 een monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die
                    onafhankelijk en deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988,
                    waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een monumentencommissie in diens
                    advisering trad, is ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de
                    bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de
                    aanvraag aan GS te zenden.</al><al>GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan
                    niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is
                    gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet
                    adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden
                    gehaald.</al><al>Lid 2 </al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld. Dit
                    geldt niet voor de Monumentenraad gemeente Castricum. Daarom blijft de
                    Monumentenraad in dit artikel verder ongenoemd.</al><al>HOOFDSTUK 5. INSTANDHOUDING van ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</al><al>Artikel 16. Instandhoudingsbepaling</al><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1
                    van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige
                    dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend
                    uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom
                    primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden
                    in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                    overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingsplan “Malta-proof” is.</al><al>Lid 1</al><al>Tot het moment dat een “Malta-proof”- bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 15 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 15 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod tot het verstoren van een archeologisch
                    monument of in een archeologisch verwachtingsgebied waarvoor gespecificeerde
                    archeologiecriteria gelden.</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid van artikel 15 worden een zevental uitzonderingsmogelijkheden
                    gegeven op het eerste lid.</al><al>Onderdeel a is niet van toepassing indien de verstoring plaats vindt in een
                    archeologisch monument of verwachtingsgebied als aangegeven op de landelijk of
                    een provinciaal archeologische waardenkaart. Een gemeente kan van deze kaarten
                    gebruik maken, indien het zelf nog niet beschikt over een gemeentelijke
                    archeologische waardenkaart. Deze waardenkaarten hanteren over het algemeen een
                    driedeling wat betreft de mate waarin archeologische waarden in de bodem kunnen
                    worden aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden zijn vervolgens
                    gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied en aan de diepte van
                    de bodemverstoring. </al><al>Hoe lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn
                    waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde zal
                    het aantal m2 waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter aanzienlijk
                    kleiner zijn. Als vrijstellingsgrens voor de diepte is gekozen voor 40 cm
                    –mv.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingsplan aan de hand van een bijbehorende archeologische waardenkaart,
                    voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                    archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de Wet
                    ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2:12 Wabo.</al><al>Het gaat hier om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de
                    oude tijdelijke ontheffing en de oude binnenplanse ontheffing (voorheen de
                    artikelen 3:10, 3:22 en 3:23 Wro). Deze bepalingen zijn met de invoeringswet
                    Wabo komen te vervallen. Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand
                    kunnen komen doordat bij de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met
                    betrekking tot archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt.
                    Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt
                    overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in
                    voldoende mate is vastgesteld.</al><al>Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c. Het
                    gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van
                    het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om deze bepaling dan
                    ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 17 zijn de bepalingen
                    uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van
                    het rapport door het college. Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d
                    worden gevraagd en komt overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de
                    Monumentenwet 1988 in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag
                    van Malta.</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van dit
                    artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de
                    uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologisch monument
                    of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een “Malta-proof” bestemmingsplan kunnen
                    deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een
                    bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende
                    werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin
                    vereisten betreffende de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen,
                    een en ander conform de handreiking van de VNG “Verder met Valetta”.</al><al>Artikel 17. Opgravingen en begeleiding</al><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                    functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische onderzoekers
                    informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar verordening
                    opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij archeologische
                    opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Indien een dergelijke regierol
                    niet uitdrukkelijk wordt gewenst, dient deze bepaling niet overgenomen te
                    worden. In dat geval bestaat nog steeds voldoende bescherming bij opgravingen,
                    aangezien al in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitsluitend is geregeld.
                    Zo bestaat een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; dient een
                    rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingsbevoegde zijn terrein
                    betreedt en eventueel opgravingen verricht, en is ook de eigendomskwestie van de
                    archeologische vondsten uitputtend geregeld.</al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                    programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het
                    ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a).
                    Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                    weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het
                    programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is sprake
                    van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van een fysiek
                    project. Net als bij onderdeel e. van het tweede lid van artikel 15 is ervoor
                    gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te laten vallen. Op grond
                    van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met
                    betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de
                    beoordeling van het plan van aanpak.</al><al>Artikel 18. Procedure</al><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 15, tweede lid, onder e en
                    artikel 16, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel en de
                    uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van toepassing
                    verklaard. De bepalingen uit de artikelen 10 tot en met 13, welke zien op
                    verlening van de omgevingsverguning voor gemeentelijke monumenten, kunnen
                    derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Voor de toelichting
                    wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij deze artikelen.</al><al>HOOFDSTUK 6. OVERIGE BEPALINGEN</al><al>Artikel 19. Tegemoetkoming in schade </al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. Het
                    veroorzaker-betaalt-principe, zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet
                    op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de afweging tot
                    toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle genoemde onderdelen (a
                    t/m e). In deze verordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling,
                    waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag
                    mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen. De
                    Minister van OCenW kan een specifieke uitkering verlenen aan gemeenten en
                    provincies die hebben bijgedragen aan de “excessieve kosten” van een
                    archeologisch onderzoek. De kosten van een archeologisch onderzoek zijn
                    excessief als deze 5% of meer bedragen dan de totale kosten van de bouwsom</al><al>Artikel 20. Strafbepaling </al><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid en artikel 15, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                    strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict. Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat
                    artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om
                    op overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere
                    dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te
                    leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 380,-
                    (januari 2010); in de tweede categorie maximaal € 3800,- (januari 2010). Het is
                    de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                    categorieën. Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de
                    wens om enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de
                    tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor het </al><al>overtreden van de nadere regels voor de hand liggend.</al><al>Artikel 21. Toezichthouders </al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.</al><al>Het is de bedoeling dat bij het eerste lid, onder a en b, functies van de
                    ambtenaren die belast zijn met de opsporing worden ingevuld. Het aanwijzen van
                    toezichthouders ingevolge het tweede lid kan door het college geschieden. Deze
                    aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening en valt derhalve
                    buiten het bereik van de Wabo.</al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. </al><al>Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen, die
                    bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht
                    op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift,
                    zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de Erfgoedverordening kan
                    plaatsvinden. In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat
                    inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor
                    zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><al>HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN</al><al>Artikel 22. Intrekken oude regeling </al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de Monumentenverordening gemeente Castricum
                    2003, zodat niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp
                    regelen. Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege
                    worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter
                    zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al><al>Artikel 23. Overgangsrecht</al><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 10). In het eerste lid worden de op grond
                    van de oude verordening op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomende
                    monumenten geacht te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe
                    verordening.</al><al>In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                    gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze
                    verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een
                    bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures gelden. Indien de
                    verordening niet tijdig aan de Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in
                    werking is getreden zet de Wabo de bepalingen uit de verordening aan de kant. De
                    Wabo gaat namelijk voor op lagere regelgeving.</al><al>De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege onverbindend. Bij een
                    nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de bepalingen uit de Wabo.</al><al>Artikel 24. Inwerkingtreding </al><al>Deze verordening treedt in werking één dag na de publicatie hiervan.</al><al>Artikel 25. Citeertitel </al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>