<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR665804_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Leidraad Invordering 2016 Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2021-12-07</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2021-1054">bgr-2021-1054</dcterms:isFormatOf><dcterms:source resourceIdentifier="">https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR632977/1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2021-12-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta><body><intitule>Leidraad Invordering 2016 Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland </intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label/><nr/><titel/></kop><al/><al/><al>Artikel 1 Inleiding en toepassingsgebied      12 </al><al>1.1. Inleiding          12 </al><al>1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen      12 </al><al>1.1.2. Definities         13 </al><al>1.1.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften      13 </al><al>1.1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden     14 </al><al>1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur   14 </al><al>1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen    15 </al><al>1.1.7. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven    15 </al><al>1.1.8. Voor de invordering minder geschikte dagen    15 </al><al>1.1.9. Binnenkomst van bescheiden       16 </al><al>1.1.10. Positie belastingdeurwaarder      16 </al><al>1.1.11. Bewaren invorderingsbescheiden      17 </al><al>1.1.12. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen   17 </al><al>1.1.13. Informatieplicht        17 </al><al>1.1.14. Diplomatieke status        17 </al><al>1.2. Toepassingsgebied        18 </al><al/><al>Artikel 2 Begrippen          18 </al><al>2.1. Woonplaats         18 </al><al>2.2. Vertaalbepalingen Waterschapswet en Gemeentewet   18 </al><al/><al>Artikel 3 Bevoegdheden ontvanger      18 </al><al>3.1. Fiscale en civiele bevoegdheden       19 </al><al>3.2. Conservatoir beslag         19 </al><al>3.2.1.Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering   19 </al><al>3.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag    19 </al><al>3.3. Gerechtelijke procedures: toestemming      19 </al><al>3.3.1 Juridische bijstand         19</al><al>3.3.2 Toestemming         20 </al><al>3.4. Faillissementsaanvraag         20 </al><al/><al>Artikel 3a (geen beleidsregels vastgesteld)     20 </al><al/><al>Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder      20 </al><al>4.1. Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder    20 </al><al>4.2. Bescherming         20 </al><al>4.3. Aanwijzing         20 </al><al>4.4. Legitimatie         21 </al><al/><al>Artikel 5 (n.v.t.)         21</al><al/><al>Artikel 6 Reikwijdte van de wet       21 </al><al>6.1. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet   21 </al><al/><al>Artikel 7 Betaling en afboeking       21 </al><al>7.1. Tijdstip betaling         21 </al><al>7.2. De afboeking van de betaling       22 </al><al>7.3.Teveel betaling          22</al><al>7.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen      22 </al><al>7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen     22 </al><al>7.6. Afboeking betaling op bestuurlijke boeten waarvoor uitstel is verleend   22 </al><al>7.7. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden    23 </al><al>7.8. Betaling bij vergissing         23 </al><al>7.9. Mededeling afboeking betaling       23 </al><al>7.10. Betaling van kleine bedragen        23 </al><al>7.11. Ontvangen bedragen uit de wettelijke saneringsregeling en faillissement 23</al><al/><al>Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven      24 </al><al>7a.1. Aanwijzen rekeningnummer voor uitbetaling     24 </al><al>7a.2. Uitbetalingsfouten        24 </al><al/><al>Artikel 8 Bekendmaking aanslag       25 </al><al>8.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties 25 </al><al>8.2. Vervallen          25 </al><al>8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet  25 </al><al>8.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag   25 </al><al/><al>Artikel 9 Betalingstermijnen        25 </al><al>9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen  26 </al><al>9.2. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven  26 </al><al>9.3. Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn     26 </al><al>9.4. Dagtekening aanslagbiljet        26 </al><al>9.5. Begrippen bij betalingstermijnen       26 </al><al>9.6. Regeling betalingstermijnen        26 </al><al>9.7. Automatische incasso         26 </al><al/><al>Artikel 10 Versnelde invordering       27 </al><al>10.1. Reikwijdte versnelde invordering      27 </al><al>10.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering     28 </al><al>10.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering  28 </al><al>10.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering  28 </al><al>10.5. Beslag en versnelde invordering       28 </al><al>10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering     29 </al><al>10.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering    29 </al><al/><al>Artikel 11 Aanmaning        29 </al><al>11.1. De geadresseerde van de aanmaning       29 </al><al>11.2. Aanmaning ten onrechte verzonden       29 </al><al>11.3. Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning   30 </al><al>11.4. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning     30 </al><al>11.5. Betalingsherinnering         30 </al><al>11.6. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg    30 </al><al/><al>Artikel 12 Dwangbevel        30 </al><al>12.2. Aan wie betekent de ontvanger een dwangbevel     31 </al><al/><al>Artikel 13 Betekening van het dwangbevel      31 </al><al>13.1. Betekening dwangbevel per post      31 </al><al>13.1.1. Adressering van per post betekende dwangbevelen    32 </al><al>13.2. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder    32 </al><al>13.3. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel    33 </al><al/><al>Artikel 14 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel     33 </al><al>14.1. Tenuitvoerlegging algemeen       33 </al><al>14.1.1. Keuze van invorderingsmaatregelen     33 </al><al>14.1.2. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging  33 </al><al>14.1.3. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden 34 </al><al>14.1.4. Volgorde van uitwinning bij beslag      34 </al><al>14.1.5. Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken 34 </al><al>14.1.6. Beslaglegging voor vordering van derden      34 </al><al>14.1.7. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden 35 </al><al>14.1.8. Opheffing beslag tegen betaling door een derde    35 </al><al>14.1.9. Opschorten van de executie        35 </al><al>14.1.10. Onderhandse verkoop        35 </al><al>14.1.11. Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop   36 </al><al>14.1.12. Strafrechtelijk beslag       36 </al><al>14.1.13. Invordering en ontnemingswetgeving      36 </al><al>14.2. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn    37 </al><al>14.2.1. Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken    37 </al><al>14.2.2. Domiciliekeuze en beslag roerende zaken     37 </al><al>14.2.3. Aanbod van betaling en beslag roerende zaken     37 </al><al>14.2.4. Omvang van het beslag op roerende zaken     37 </al><al>14.2.5. Beslag op roerende zaken van derden      37 </al><al>14.2.6. Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken 37 </al><al>14.2.7. Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende zaken 37 </al><al>14.2.8. Beslag roerende zaken bij derden       38 </al><al>14.2.9. Wegvoeren van beslagen zaken       38 </al><al>14.2.10. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware               </al><al>             motorrijtuigen en beslag roerende zaken      39 </al><al>14.2.11. Afsluiting en beslag roerende zaken      39 </al><al>14.2.12. Bewaarder en beslag roerende zaken      39 </al><al>14.2.13. Executoriale verkoop computerapparatuur     40 </al><al>14.2.14. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken   40 </al><al>14.2.15. Beslag op illegale zaken        40 </al><al>14.2.16. Bieden voor rekening Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland en beslag </al><al>              roerende zaken         40 </al><al>14.2.17. Opheffing van het beslag op roerende zaken     41 </al><al>14.2.18. Afboeking executie-opbrengst verkoop roerende zaken   41 </al><al>14.2.19. Proces-verbaal van verkoop roerende zaken    41 </al><al>14.2.20. Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken    41 </al><al>14.2.21 Relaas van onttrekking        41 </al><al>14.3. Beslag op onroerende zaken       41 </al><al>14.3.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag </al><al>onroerende zaken         41 </al><al>14.3.2. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken    41 </al><al>14.3.3. Verhuurde of verpachte onroerende zaken      42 </al><al>14.3.4. Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken     42 </al><al>14.3.5. Opheffing van het beslag onroerende zaken     42 </al><al>14.4. Beslag onder derden        42 </al><al>14.4.1. Beslag op vordering van een derde       42 </al><al>14.4.2. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19      43 </al><al>14.4.3. Roerende zaken bij derden       43 </al><al>14.4.4. Plaats beslaglegging en derdenbeslag      43 </al><al>14.4.5. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt   43 </al><al>14.4.6. Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring    43 </al><al>14.4.7. Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring     43 </al><al>14.4.8. Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag     43 </al><al>14.4.9. Derdenbeslag op polis van levens-of spaarverzekering of lijfrente    44 </al><al>14.4.10. Retentierecht en derdenbeslag        44 </al><al>14.4.11. Opheffing van het derdenbeslag       44 </al><al>14.4.12. Onverschuldigde betaling en derdenbeslag       44 </al><al>14.4.13. Derdenbeslag onder de Staat of de ontvanger en het doen van verklaring   45 </al><al>14.4.14. Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf       45 </al><al>14.5. Beslag op schepen          45 </al><al>14.5.1. Beletten van het vertrek van het schip       45 </al><al>14.5.2. De executie van schepen         45 </al><al>14.5.3. Afgelasting van de verkoop van een schip      45 </al><al>14.5.4. Deskundige hulp en beslag op schepen      46 </al><al>14.5.5. Opheffing van het beslag op schepen       46 </al><al/><al>Artikel 15 (geen beleidsregels)        46 </al><al/><al>Artikel 16 Doorlopend beslag        46  </al><al>16.1 Derdenbeslag op een voorlopige teruggaaf/voorschot     46</al><al/><al>Artikel 17 Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel      46 </al><al>17.1. Schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel  47 </al><al>17.2. Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering   47 </al><al/><al>Artikel 18 (geen beleidsregels        47 </al><al/><al>Artikel 19 Doen van een vordering        47 </al><al>19.1. Vordering algemeen         47 </al><al>19.1.1. Bekendmaking vordering         47 </al><al>19.1.2. Voldoen aan de vordering        48 </al><al>19.1.3. Niet voldoen aan de vordering        48 </al><al>19.1.4. Intrekken van een vordering         48 </al><al>19.1.5. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot vordering  48 </al><al>19.1.6. Doorbreken beslagverboden en vordering       48 </al><al>19.1.7. Notoire wanbetaler en vordering       49 </al><al>19.2. De faillissementsvordering         49 </al><al>19.2.1. Aan te melden schulden in faillissement       49 </al><al>19.2.2. Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in  </al><al>            Faillissement          50 </al><al>19.2.3. Opkomen in faillissement        50 </al><al>19.3. Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen     50 </al><al>19.3.1. Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen     50 </al><al>19.3.2. Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen     50 </al><al>19.3.3. Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen     51 </al><al>19.3.4. Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet    51 </al><al>19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslag periodieke uitkering  52 </al><al>19.3.6. Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet      52 </al><al>19.3.7. Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm      52 </al><al>19.3.8. Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf      52 </al><al>19.4. Beslagvrije voet en overheidsvordering       52</al><al/><al>Artikel 20 Lijfsdwang (n.v.t.)        52 </al><al/><al>Artikel 21 Voorrecht rijksbelastingen (n.v.t.)      52 </al><al>(N.B. zeer hoge preferentie o.g.v. art. 138, lid 3 Waterschapswet)</al><al/><al>Artikel 22 Bodemrecht         53 </al><al>22.1. Werkingssfeer bodemrecht        53 </al><al>22.2. Bodemrecht en bestuurlijke boeten        53 </al><al>22.3. Overbetekening bodembeslag        53 </al><al>22.4. Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement     54 </al><al>22.5. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement     54 </al><al>22.6. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar      54 </al><al>22.7. Bodemrecht en voorrang        54 </al><al>22.8. Verzet en beroep          54 </al><al>22.8.1. Verzet artikel 435, derde lid Rv tegen bodembeslag      54 </al><al>22.8.2. Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435,</al><al>            derde lid, Rv inzake bodembeslag       54 </al><al>22.8.3. Opschorting verkoop na verzet in rechte tegen bodembeslag   54 </al><al>22.8.4. Beroepschrift ex artikel 22 van de wet      54 </al><al>22.8.5. Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet      54 </al><al>22.8.6. Taak van de ontvanger met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22,                       </al><al>            eerste lid, van de wet        55 </al><al>22.8.7. Beslissing dagelijks bestuur op het beroepschrift tegen een bodembeslag   55 </al><al>22.8.8. Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag      55 </al><al>22.8.9. Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag    55 </al><al>22.8.10. Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, </al><al>              van de wet          56 </al><al>22.8.11. Beëindiging operationele leaseovereenkomst      56 </al><al>22.8.12. Executie en bodemrecht        56 </al><al/><al>Artikel 22a, artikel 23 en artikel 23a (n.v.t.)      56 </al><al/><al>Artikel 24 Verrekening          56 </al><al>24.1. Wanneer verrekening         56 </al><al>24.2. Betwiste schuld en verrekening        56 </al><al>24.3. Reikwijdte van de verrekening         57 </al><al>24.4. Bekendmaking verrekening         57 </al><al>24.5. Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting    57 </al><al>24.6. Instemmingsregeling bij cessie en verpanding       57 </al><al>24.6.1. Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding    57 </al><al>24.6.2. Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen    57 </al><al>24.6.3. Instemming of weigering met een cessie of verpanding     58 </al><al>24.6.4. Verzoek om instemming met cessie of verpanding en Awb     58 </al><al>24.6.5. Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb   58 </al><al>24.6.6. Bekendmaking beschikking dagelijks bestuur bij cessie of verpanding  58 </al><al>24.6.7. Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming met cessie </al><al>            of verpanding           58 </al><al/><al>Artikel 25 Uitstel van betaling         59 </al><al>25.1. Algemene uitgangspunten uitstelbeleid       59 </al><al>25.1.1. Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek om uitstel   59 </al><al>25.1.2. Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling     59 </al><al>25.1.3. Redenen afwijzing verzoek om uitstel       59 </al><al>25.1.4. Redenen beëindigen uitstel         60 </al><al>25.1.5. Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn    60 </al><al>25.1.6. Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel     61 </al><al>25.1.7. Geen invordering tijdens verleend uitstel       61 </al><al>25.1.8. Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd       61 </al><al>25.1.9. Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag      61 </al><al>25.1.10. Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten      61 </al><al>25.1.11. Uitstel voor een bestuurlijke boete        61 </al><al>25.1.12. Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen      62 </al><al>25.1.13. Zekerheid bij uitstel          62 </al><al>25.1.14. Tijdstip indiening verzoek om uitstel       62 </al><al>25.1.15. Verzoekschriften aan andere instellingen       62 </al><al>25.2. Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag    63 </al><al>25.2.1. Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag      63 </al><al>25.2.2. Bezwaarschrift geldt niet als verzoek om uitstel; idem beroepschrift  63 </al><al>25.2.2.A Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift   63 </al><al>25.2.2.B Ontbrekende gegevens         63 </al><al>25.2.3. De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling     64 </al><al>25.2.4. Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure    64 </al><al>25.2.5. Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar      64 </al><al>25.2.6. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld  64 </al><al>25.2.7. Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar      65 </al><al>25.2.7A. Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel     65 </al><al>25.2.8. Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag       65 </al><al>25.2.9. Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag  65 </al><al>25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag    65 </al><al>25.3.1. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen</al><al>            bedragen          65 </al><al>25.3.2. Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel     66 </al><al>25.3.3. Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te betalen bedrag 66 </al><al>25.3.4. Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 66 </al><al>25.4. Uitstel in verband met betalingsproblemen       66 </al><al>25.4.1. Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen   66 </al><al>25.4.2. Uitstel en motorrijtuigenbelasting (n.v.t.)       67 </al><al>25.4.3. Verrekening tijdens een betalingsregeling       67 </al><al>25.4.4. Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance    67 </al><al>25.5. Betalingsregeling voor particulieren        67 </al><al>25.5.1. Duur betalingsregeling particulieren        67 </al><al>25.5.2. Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren     68 </al><al>25.5.3. Kort uitstel particulieren        68 </al><al>25.5.4. Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren     68 </al><al>25.5.5. Vermogen en betalingsregeling particulieren      68 </al><al>25.5.6. Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren     69 </al><al>25.5.7. Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven     69 </al><al>25.5.8. Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden  69 </al><al>25.5.9. Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten     69 </al><al>25.5.10. Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor    70 </al><al>25.5.11. Betalingsregeling langer dan twaalf maanden      70 </al><al>25.6. Betalingsregeling voor ondernemers        70 </al><al>25.6.1. Duur betalingsregeling ondernemers       70 </al><al>25.6.2. Voorwaarden betalingsregeling ondernemers      70 </al><al>25.6.2A. Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers   70 </al><al>25.6.2B. Verklaring derde deskundige        71 </al><al>25.6.2C. Geen uitstel voor ondernemers in verband met betalingsproblemen als al </al><al>              kort uitstel is verleend         71 </al><al>25.6.2D. Kort uitstel van betaling voor ondernemers      71 </al><al>25.6.3. Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers    71 </al><al>25.6.4. Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie    71 </al><al>25.7. Administratief beroep          72 </al><al>25.7.1. Toetsing uitstelbeschikking door het dagelijks bestuur    72 </al><al>25.7.2. Beroepsfase uitstel         72 </al><al>25.7.3. Beslissing dagelijks bestuur op beroepschrift bij uitstel    72 </al><al>25.7.4. Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel     72 </al><al>25.7.5. Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de ontvanger    72 </al><al/><al>Artikel 26 Kwijtschelding van belastingen       73 </al><al>26.1. Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid      73 </al><al>26.1.0. Bijzonderheden Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland    73 </al><al>26.1.0.1. Kwijtscheldingsnorm        73 </al><al>26.1.0.2. Normbedragen          73 </al><al>26.1.0.3. Vervallen          73 </al><al>26.1.0.4. Geautomatiseerde kwijtschelding        73 </al><al>26.1.0.5. Geautomatiseerde toetsing        73 </al><al>26.1.1. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden     74 </al><al>26.1.2. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding      74 </al><al>26.1.2.1. Kosten van vervolging        74 </al><al>26.1.3. Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding   74 </al><al>26.1.4. Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding   75</al><al>26.1.5. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden    75 </al><al>26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding    75 </al><al>26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij voortzetting invordering  75 </al><al>26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding     75 </al><al>26.1.9. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend      76 </al><al>26.1.10. Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding      77 </al><al>26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen      77 </al><al>26.2. Kwijtschelding van belastingen voor particulieren     78 </al><al>26.2.1. Vermogen en kwijtschelding particulieren      78 </al><al>26.2.2. De inboedel en kwijtschelding particulieren       78 </al><al>26.2.3. De auto en kwijtschelding particulieren      78 </al><al>26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren    78 </al><al>26.2.5. De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren     79 </al><al>26.2.6. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren    79 </al><al>26.2.7. Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren     79 </al><al>26.2.8. Levensloopregeling en kwijtschelding voor particulieren    79 </al><al>26.2.9. Beroepsvermogen wikker en kwijtschelding voor particulieren (vervallen)  79 </al><al>26.2.10. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren    79 </al><al>26.2.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren     80 </al><al>26.2.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren    80 </al><al>26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren  81 </al><al>26.2.14. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren  82 </al><al>26.2.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse </al><al>               belastingschulden          82</al><al>26.2.15.A. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens      82 </al><al>26.2.16. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding </al><al>              voor particulieren          82 </al><al>26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP        82 </al><al>26.2.18. Inkomen Wikker (vervallen)        83 </al><al>26.2.19. Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de bijstandsuitkering   83 </al><al>26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland      83 </al><al>26.3. Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers       83 </al><al>26.3.1.1.Kwijtschelding voor ondernemers voor privé-belastingen    83 </al><al>26.3.1.2.Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord   83 </al><al>26.3.2. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers    83 </al><al>26.3.3. Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord    84 </al><al>26.3.4. Toepassingsbereik saneringsakkoord        84 </al><al>26.3.5. Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord     84 </al><al>26.3.6. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord       85 </al><al>26.3.7. Rente en kosten en saneringsakkoord       85 </al><al>26.3.8. Speciale crediteuren en saneringsakkoord      85 </al><al>26.4. Administratief beroep         86 </al><al>26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding  86 </al><al>26.4.2. Herhaald verzoek om kwijtschelding       86 </al><al>26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding         86 </al><al>26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding    86 </al><al>26.4.5. Beslissing dagelijks bestuur op beroep bij kwijtschelding    86 </al><al>26.4.6. Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding  87 </al><al>26.4.7. Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding     87 </al><al>26.5. Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding  87 </al><al>26.5.1. Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding      87 </al><al>26.5.2 Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding  87 </al><al>Artikel 27 Verjaring          88 </al><al>27.1. Versnelde invordering en verjaring       88 </al><al>27.2. Aansprakelijkgestelden en verjaring       88 </al><al>27.3. Stuiting van de verjaring         88 </al><al>27.4. Schorsing van de verjaring        89 </al><al>27.5. Afstand van verjaring         89 </al><al>27.6. Rente en kosten en verjaring         89 </al><al/><al>Artikel 27a Betalingskorting (n.v.t.)        89 </al><al/><al>Artikel 28 Invorderingsrente         89 </al><al/><al>Artikel 28a Invorderingsrente bij terugbetaling      90</al><al/><al>Artikel 28b Invorderingsrente bij vermindering      90 </al><al/><al>Artikel 29 Invorderingsrente / wettelijke rente      90 </al><al/><al>Artikel 30 Beschikking betalingskorting en invorderingsrente    90 </al><al>30.1. Beschikking terugnemen betalingskorting       91 </al><al>30.2. Verzoek tot vermindering rente is bezwaar      91 </al><al>30.3. Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie   91 </al><al>30.4. Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling  91 </al><al>30.5. Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting    91 </al><al/><al>Artikelen 31 en 31a  renteregeling Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland  91 </al><al/><al>Artikel 32 Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen   91 </al><al>32.1. Keuze aansprakelijkheid         92 </al><al>32.2. Gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid       92 </al><al/><al>Artikel 33 Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste             </al><al>         vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen     92 </al><al>33.1. Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid   92 </al><al>33.2. Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid      92 </al><al>33.3. Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid     93 </al><al>33.4. Vereffenaar bij aansprakelijkheid        93 </al><al>33.5. Bestuurder bij aansprakelijkheid        93 </al><al>33.6. Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid       93 </al><al>33.7. Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers    93 </al><al/><al>Artikelen 34 tot en met 47 (n.v.t.)        94 </al><al/><al>Artikel 48 Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen     94 </al><al>48.1. Beneficiaire aanvaarding        94 </al><al>48.2. Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege    94 </al><al>48a (n.v.t.)               94</al><al/><al/><al>Artikel 49 Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling     94 </al><al>49.1. Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke        95 </al><al>49.2. Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente      95 </al><al>49.3. De aansprakelijkstelling -in gebreke zijn      95 </al><al>49.3.1. Wanneer in gebreke          95 </al><al>49.3.2. In gebreke zijn en versnelde invordering       95 </al><al>49.3.3. In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’  95 </al><al>49.4. Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling ketenen </al><al>         inlenersaansprakelijkheid         96 </al><al>49.5. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden      96 </al><al>49.6. Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige    96 </al><al>49.7. Volgorde van aansprakelijkstellen       96 </al><al>49.8. Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de </al><al>         beschikking aansprakelijkstelling       96 </al><al>49.8.1. Bezwaar en uitstel van betaling       96 </al><al>49.8.2. Beslissing op het bezwaarschrift       97 </al><al>49.9. Overgangsrecht           97 </al><al>49.9.1. Bij civiele procedure geen invordering of verrekening    97 </al><al>49.9.2. Wijziging eis          97 </al><al/><al>Artikel 50 Vervallen</al><al/><al>Artikel 51 Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid     97 </al><al>51.1. Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar    97 </al><al/><al>Artikel 52 Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling     97 </al><al>52.1. Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling    98 </al><al/><al>Artikel 53 Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding     98 </al><al>53.1. Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld    98 </al><al/><al>Artikel 54 Mededeling aan de aansprakelijkgestelde      98 </al><al>54.1. Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling     98 </al><al/><al>Artikelen 55 tot en met 57 (geen beleidsregels)      98 </al><al/><al>Artikel 58 Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de                       </al><al>aansprakelijkgestelde           99 </al><al>58.1. Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure    99 </al><al>58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden    99 </al><al>58.3. Invorderingsonderzoek tijdens faillissement      99 </al><al/><al>Artikel 59 Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde (n.v.t.)    99 </al><al/><al>Artikel 60 Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen    99 </al><al>60.1. Redelijke termijn voor verstrekken van informatie      99</al><al>60.2. Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen  100 </al><al/><al>Artikel 61 Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen    100 </al><al>61.1. Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke gegevens  100 </al><al/><al>Artikel 62 Informatieverplichtingen van de administratieplichtige    100 </al><al/><al>Artikel 62a (geen beleidsregels)        100 </al><al/><al>Artikelen 63 en 63a (geen beleidsregels)       100 </al><al/><al>Artikelen 63b en 63c  Bestuurlijke boeten       100</al><al>63b.1. Algemene uitgangspunten        101</al><al>63b.2. Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen      101</al><al>63b.3. Verplichting toe te laten maken kopieën e.d.      101</al><al/><al>63c Wijziging maximale hoogte verzuimboete (geen beleidsregels)    101</al><al/><al>Artikel 64 Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf </al><al>(geen beleidsregels)          101</al><al/><al>Artikel 65 Opzettelijk niet nakomen informatieverplichting    101 </al><al>65.1. Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf        102</al><al/><al>Artikelen 65a en 66 (geen beleidsregels)       102</al><al/><al>Artikel 67 Geheimhoudingsplicht        102                                                                                                                                                                                                 </al><al>67.1. Bekendmaking aan de belastingschuldige      102</al><al>67.2 Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering    102 </al><al>67.3. Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke </al><al>betalingen            103 </al><al/><al>Artikelen 68, 69, 70 tot en met 72 (n.v.t./geen beleidsregels)    103 </al><al/><al>Artikel 73 Insolventieprocedures        103 </al><al>73.1. Algemene uitgangspunten insolventieprocedures     103 </al><al>73.1.1. Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement    103 </al><al>73.1.2. Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement  103 </al><al>73.1.3. Boedelschulden         104 </al><al>73.1.4. Proceskostengarantie         104 </al><al>73.1.5. Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator    104 </al><al>73.1.6. Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP      104 </al><al>73.1.7. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar      104 </al><al>73.1.8. Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP      104 </al><al>73.1.9. Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP     105 </al><al>73.1.10. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in </al><al>              relatie tot faillissement en WSNP       105</al><al>73.1.11. Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement     105 </al><al>73.1.12. Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement    105 </al><al>73.2. Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering      105 </al><al>73.2.1. Kwijtschelding tijdens WSNP        105 </al><al>73.2.2. Na de toepassing van de WSNP       105 </al><al>73.2.3. De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokken   106 </al><al>73.2.4. De WSNP is tussentijds beëindigd        105 </al><al>73.3. Insolventieprocedure en surséance       105 </al><al>73.3.1. Uitstel en surséance         105 </al><al>73.3.2. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in </al><al>         relatie tot surséance          105 </al><al>73.4. Insolventieprocedure en faillissement       105 </al><al>73.4.1. Faillissementsaanvraag: algemeen       105 </al><al>73.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag   106 </al><al>73.4.3. Particulieren en faillissement        106 </al><al>73.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag      107 </al><al>73.4.5. Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling </al><al>            faillissementsaanvraag door rechter       107 </al><al>73.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag      107 </al><al>73.4.8. Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag    107 </al><al>73.4.9. Verzet tegen faillietverklaring        108 </al><al>73.4.10. Beroep op regresrecht in faillissement      108 </al><al>73.4.11. Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement     109 </al><al>73.4.12. Opkomen in faillissement         109 </al><al>73.4.13. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement     109 </al><al>73.4.14. Na de toepassing van het faillissement       109 </al><al>73.4.15. Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure     109 </al><al>73.4.16. Omzetting faillissement in WSNP       109 </al><al>73.5. Insolventieprocedure en minnelijke schuldsanering     110 </al><al>73.5.1. Algemeen          110 </al><al>73.5.2. Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP     111 </al><al>73.5.3. Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen     111 </al><al>73.5.4. Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP      111 </al><al>73.5.5. Intrekken uitstel gedurende MSNP        111 </al><al>73.5.6. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP     112 </al><al>73.6. Insolventieprocedures en akkoorden       112 </al><al>73.6.1. Buitengerechtelijk akkoord         112 </al><al>73.6.2. Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk akkoord    112 </al><al>73.6.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord       113 </al><al>73.6.4. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord    113 </al><al>73.6.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord      113 </al><al>73.6.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord    113 </al><al>73.6.7. (vervallen)          113</al><al>73.6.8. Gevolgen dwangakkoord         113 </al><al>73.6.9. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord     114 </al><al/><al>Artikel 74 Uitstel-en kwijtscheldingsfaciliteiten      114 </al><al/><al>Artikel 75 Kosten van vervolging        114 </al><al>75.1. Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten      114 </al><al>75.2. Aan derden toekomende bedragen       114 </al><al>75.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten        115 </al><al>75.4. Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar   115 </al><al>75.5. Niet in rekening brengen van vervolgingskosten     115 </al><al>75.6. Onverschuldigdheid van vervolgingskosten      116 </al><al>75.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten       117 </al><al>75.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten       117 </al><al>75.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten       117 </al><al>75.10. Geen kwijtschelding van vervolgingskosten       117 </al><al>75.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel      117 </al><al/><al>Artikelen 76 tot en met 79 (n.v.t.)        118 </al><al/><al>Artikel 80 Invordering, Awb en het moment van vaststelling van (naheffings) </al><al>         aanslagen          118 </al><al>80.1. Tenuitvoerlegging termijn dwangbevel        118</al><al>80.2. Moment van vaststelling (naheffings)aanslagen      118</al><al/><al/><al>Bijlage</al><al>A. Normen en normbedragen kwijtschelding        119</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Inleiding en toepassingsgebied </titel></kop><al/><al>Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering Sabewa Zeeland 2016 </al><al>en het beleid over het toepassingsgebied zoals opgenomen in artikel 1 van </al><al>de wet. </al><al/><al>1.1. Inleiding </al><al>Voor u ligt de Leidraad Invordering Sabewa Zeeland 2016.  </al><al>Bij de opmaak van deze Leidraad is aansluiting gezocht bij de Rijksleidraad. </al><al>Het betreft echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk heeft de ontvanger </al><al>bepalingen opgenomen die afwijken van de (Rijks)Leidraad. </al><al/><al>Opzet van de Leidraad </al><al>Qua indeling in afdelingen, artikelen en paragrafen volgt de Leidraad de </al><al>Rijksleidraad. Een aantal artikelen uit de Invorderingswet 1990 en </al><al>onderdelen van de Rijksleidraad treft u niet aan. Reden hiervoor is dat deze </al><al>niet van toepassing zijn voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>Bij diverse paragrafen treft u de opmerking aan: ‘deze paragraaf is niet van </al><al>toepassing voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland’. Reden </al><al>hiervoor is om de nummering van de originele Leidraad niet te veranderen, </al><al>de (half)jaarlijkse wijzigingen van het Ministerie van Financiën kunnen dan </al><al>sneller gevonden en veranderd worden. </al><al/><al>In de tekst is de benaming ‘ontvanger’ gebleven, vanwege de leesbaarheid. </al><al>In de Waterschapswet en de Gemeentewet is gekozen om de term </al><al>ontvanger te vertalen door: ambtenaar belast met de invordering. Hierbij </al><al>wordt dan ook verwezen naar dit vertaalartikel. In de andere gevallen is wel </al><al>gekozen voor de directe vertaling van (Rijks)belastingfunctionarissen naar </al><al>de lokale benamingen. </al><al/><al>Gelijk aan de Rijksleidraad bevat deze Leidraad Invordering alleen maar </al><al>beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen. </al><al/><al>Vaststelling Leidraad Invordering 2016</al><al>Vaststelling van deze Leidraad Invordering gebeurt door het dagelijks </al><al>bestuur van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen </al><al>Afkorting Omschrijving </al><al>Awir Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen </al><al>Awb Algemene wet bestuursrecht </al><al>AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen </al><al>BW Burgerlijk Wetboek </al><al>FW Faillissementswet </al><al>MSNP minnelijke schuldsanering natuurlijke personen </al><al>Pw Participatiewet</al><al>Rv Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering </al><al>Sr Wetboek van Strafrecht </al><al>Sv Wetboek van Strafvordering </al><al>UWV Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen </al><al>Wfsv Wet financiering sociale verzekering </al><al>WSF Wet Studiefinanciering 2000 </al><al>WSNP wettelijke schuldsanering natuurlijke personen </al><al/><al>1.1.2. Definities </al><al>-algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de GR Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland; </al><al>-belasting(en): belastingen die door de GR Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland worden geheven; </al><al/><al>-belastingdeurwaarder: de door het dagelijks bestuur aangewezen </al><al>ambtenaar als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub d, van de Gemeentewet </al><al>en artikel 124, vijfde lid, onder d, van de Waterschapswet; </al><al/><al>-belastingverordening: de verordening tot de heffing en invordering van belasting of rechten van de algemene besturen en gemeenteraden van de deelnemers aan het Openbaar Lichaam Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland;</al><al/><al>-beleidsregels: beleidsregels in de zin van artikel 4:3 van de Awb op het </al><al>gebied van de heffing en invordering van belastingen en de uitvoering </al><al>van de Wet waardering onroerende zaken; </al><al/><al>-besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990; </al><al/><al>-dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland; </al><al/><al>-echtgenoot: de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Pw; </al><al/><al>-inspecteur: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van </al><al>de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland, als bedoeld in artikel 232, </al><al>lid 4, sub a, van de Gemeentewet en artikel 124, vijfde lid, onderdeel a, </al><al>van de Waterschapswet, bevoegd tot het heffen van belastingen, en tot </al><al>de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; </al><al/><al>-ministerie: ministerie van Financiën, directoraat-generaal Belastingdienst, team particulieren en formeel recht of team ondernemingen; </al><al/><al>-negatieve definitieve aanslag: de aanslag als bedoeld in artikel 15 </al><al>AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een </al><al>per saldo negatief bedrag; </al><al/><al>-negatieve voorlopige aanslag: de aanslag als bedoeld in artikel 13, </al><al>eerst lid, AWR tot een negatief bedrag; </al><al/><al>-ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of </al><al>zelfstandig een beroep uitoefent; </al><al/><al>-ontvanger: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar </al><al>belast met de invordering, bedoeld in artikel 232, lid 4, sub b, van de </al><al>Gemeentewet en artikel 124, lid 5, onderdeel b, van de </al><al>Waterschapswet, bevoegd tot de invordering van belastingen; </al><al/><al>-particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt  aangemerkt; </al><al>-regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; </al><al>-wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen </al><al>(Invorderingswet 1990). </al><al/><al>Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde </al><al>verstaan als de wet daaronder verstaat. </al><al/><al>1.1.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften n.v.t. </al><al/><al/><al>1.1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden </al><al>De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden </al><al>vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de </al><al>invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de </al><al>leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere </al><al>derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid </al><al>van die voorschriften te beperken. </al><al/><al>1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur </al><al>In de invordering wordt zoveel mogelijk gehandeld in overeenstemming </al><al>met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks het feit dat artikel </al><al>3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 </al><al>en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet. </al><al/><al>Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de </al><al>mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling </al><al>of deze leidraad anders bepaalt. </al><al>• Voor beschikkingen op aanvraag geldt een termijn van acht weken </al><al>met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een redelijke termijn      </al><al>te noemen (zie artikel 4:13, 4:14 en 4:15 Awb). </al><al>• Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een termijn van zes weken </al><al>en een verdagingstermijn van maximaal zes weken, met de </al><al>mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). </al><al>• Voor beslissingen op beroepschriften bij administratief beroep wordt </al><al>uitdrukkelijk afgeweken van art. 7:24 Awb. De beslistermijn is vier </al><al>maanden, gerekend vanaf het moment waarop het beroepschrift is </al><al>ingediend. De termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop </al><al>de indiener is verzocht en verzuim als bedoeld in art. 6:6 Awb te </al><al>herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor </al><al>gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Het beroepsorgaan kan de </al><al>beslissing zes weken verdagen, met de mogelijkheid tot verder uitstel in </al><al>gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb). </al><al>Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor </al><al>de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.2 Awb). </al><al/><al>Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend </al><al>van toepassing is op de volgende gevallen: </al><al>• bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in </al><al>artikel 30, eerste lid, van de wet; </al><al>• bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld </al><al>in artikel 49, eerste lid, van de wet; </al><al>• bezwaar-en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de </al><al>Kostenwet invordering rijksbelastingen. </al><al/><al>Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij invordering is </al><al>artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van </al><al>de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is </al><al>gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer </al><al>belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere </al><al>omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de </al><al>leidraad dient. </al><al>Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken </al><al>van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het </al><al>gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere </al><al>omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad </al><al>onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat </al><al>aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb. </al><al>Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet </al><al>de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk </al><al>bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke </al><al>handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder</al><al>meer dat als de belastingschuldige in een verzoek aan de Belastingdienst </al><al>aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid </al><al>van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de ontvanger de belasting-</al><al>aanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag</al><al>wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of </al><al>beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling</al><al>mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale</al><al>toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan</al><al>worden geacht, neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen</al><al>invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen</al><al>dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar</al><al>ook de verrekening van een belastingaanslag met een belastingteruggaaf</al><al>daarin begrepen. Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich</al><al>beperkt tot feiten die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot </al><al>invordering overgaat. </al><al>De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in </al><al>materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggaaf wordt niet </al><al>ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen</al><al>één maand nadat de verrekening is bekendgemaakt. </al><al/><al>1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen </al><al>Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de </al><al>eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de Belastingsamenwerking</al><al>Sabewa Zeeland de voorkeur. </al><al/><al>1.1.7. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven </al><al>Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan </al><al>kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan vijftig werknemers, dan </al><al>vraagt hij daartoe toestemming van het dagelijks bestuur. Onder een bedrijf </al><al>wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende </al><al>bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep. De betreffende gemeente wordt in kennis gesteld van de te treffen invorderingsmaatregelen.</al><al/><al>Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de </al><al>ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel </al><al>onwetend blijven. </al><al/><al>De ontvanger vraagt altijd toestemming als: </al><al>-met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de </al><al>activa van het bedrijf wordt beoogd; </al><al>-door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of </al><al>nagenoeg geheel worden vastgelegd; </al><al>-derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het </al><al>geval is bij derdenbeslag; </al><al>-de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent </al><al>openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als </al><al>steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die schuldeiser. </al><al/><al>1.1.8. Voor de invordering minder geschikte dagen </al><al>Onverminderd het bij of krachtens artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel e </al><al>en artikel 18 van de wet, van de wet doet de deurwaarder geen exploten of </al><al>verricht geen executiehandelingen tussen 20.00 uur ’s avonds en 07.00 uur ’s </al><al>ochtends, op een zondag en op een algemeen erkende feestdag, behalve na </al><al>een daartoe strekkend verlof van de voorzieningenrechter. In aanvulling hierop </al><al>geldt dat de ontvanger geen invorderingsmaatregelen treft op Goede </al><al>Vrijdag. </al><al/><al>De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren </al><al>op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die </al><al>maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden </al><al>verschoven. </al><al/><al>Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is </al><al>van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot </al><al>de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als </al><al>de ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid, van </al><al>de wet terstond invordert. </al><al/><al>Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name: </al><al>-landelijk of regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met </al><al>inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag; </al><al>-de dagen tussen Kerstmis en Nieuwjaar. </al><al/><al>1.1.9. Binnenkomst van bescheiden </al><al>Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn </al><al>verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum </al><al>van binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij de </al><al>Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen </al><al>heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze </al><al>gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er </al><al>redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen </al><al>moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van </al><al>de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, </al><al>en het aansprakelijk stellen van derden. </al><al/><al>1.1.10. Positie belastingdeurwaarder </al><al>Belastingdeurwaarder is een door of namens het dagelijks bestuur </al><al>aangewezen ambtenaar van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland, </al><al>dan wel een als belastingdeurwaarder van de Belastingsamenwerking </al><al>Sabewa Zeeland aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie </al><al>is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel </al><al>handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de </al><al>ontvanger). </al><al/><al>Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt zijn </al><al>bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is </al><al>verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet </al><al>onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen </al><al>dient. </al><al/><al>Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in </al><al>welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op </al><al>grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden </al><al>om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt </al><al>meegedeeld -in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in </al><al>verband daarmee -verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering </al><al>van de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting. </al><al/><al>De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger. Dit </al><al>brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij </al><al>rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke </al><al>Rechtsvordering, slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de </al><al>ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden </al><al>houdt aan diens aanwijzingen. </al><al/><al>Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in te </al><al>dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem of </al><al>een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening </al><al>kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens opdracht en onder </al><al>wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is. </al><al/><al>1.1.11. Bewaren invorderingsbescheiden </al><al>De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de </al><al>invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht </al><al>tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt </al><al>nog niet is verjaard. </al><al/><al>De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende </al><al>ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel </al><al>langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun </al><al>belang definitief hebben verloren. </al><al/><al>Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde </al><al>belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar </al><al>bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden </al><al>aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. </al><al/><al>1.1.12. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen </al><al>Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de </al><al>ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of </al><al>andere vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger is </al><al>opgedragen. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het </al><al>verleden -voor wat betreft de invordering -geen moeilijkheden hebben </al><al>voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden </al><al>vermelden. </al><al/><al>De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige </al><al>of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de </al><al>belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft </al><al>overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is. </al><al/><al>1.1.13. Informatieplicht </al><al>De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet </al><al>enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald </al><al>binnen de betalingstermijn(en) die voor de belastingaanslag gelden. De </al><al>informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt. </al><al/><al>De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk </al><al>VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen. </al><al/><al>1.1.14. Diplomatieke status </al><al>De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke </al><al>status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. </al><al>De ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot: </al><al/><al>Ministerie van Buitenlandse Zaken </al><al>Directie Kabinet en Protocol </al><al>Postbus 20061 </al><al>2500 EB 's-Gravenhage </al><al/><al>1.2. Toepassingsgebied </al><al>Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de </al><al>wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van toepassing is </al><al>op de wet. </al><al/><al>De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en </al><al>het Besluit fiscaal bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad). </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Begrippen </titel></kop><al/><al>In aansluiting op artikel 2 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het </al><al>begrip 'woonplaats' en de vertaalbepaling van de Waterschapswet en </al><al>Gemeentewet. </al><al/><al>2.1. Woonplaats </al><al>De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de uitvoering </al><al>van de wet niet steeds dezelfde inhoud. </al><al/><al>Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen </al><al>overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, sluit de </al><al>ontvanger aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen 1:10 en </al><al>volgende van het BW. </al><al/><al>Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van de </al><al>wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen 'woonplaats' en </al><al>'plaats van vestiging' die gelden voor de heffingswet op grond waarvan de </al><al>belastingschuld -waarvoor de aansprakelijkheid bestaat -is ontstaan. </al><al/><al>2.2. Vertaalbepalingen Waterschapswet en Gemeentewet </al><al>In artikel 123, lid 2, van de Waterschapswet en artikel 231, lid 1, van de </al><al>Gemeentewet is de Invorderingswet 1990 van toepassing verklaard op de </al><al>invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen. </al><al>Tegelijkertijd zijn in artikel 138 Waterschapswet en artikel 249 van de </al><al>Gemeentewet enkele artikelen uit de Invorderingswet 1990 genoemd die buiten </al><al>toepassing blijven. </al><al>In artikel 123 Waterschapswet en artikel 231 van de Gemeentewet is tevens </al><al>bepaald aan welke colleges of functionarissen van de waterschappen en </al><al>gemeenten de in de Invorderingswet 1990 genoemde bevoegdheden </al><al>toekomen. Het gaat daarbij om een vertaling van de functionarissen die in </al><al>artikel 2 van de Invorderingswet 1990 worden genoemd naar colleges en </al><al>functionarissen van de waterschappen en gemeenten. </al><al>In de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland worden deze bevoegdheden overgedragen aan de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bevoegdheden ontvanger </titel></kop><al/><al>Artikel 3 van de wet geeft een afbakening van de bevoegdheden van de </al><al>ontvanger. </al><al/><al>De ontvanger treedt in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de </al><al>uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte op (artikel 3 tweede lid). </al><al>De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige </al><al>toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. Dat het </al><al>bestuursorgaan ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden </al><al>beschikt die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft is thans </al><al>geregeld in artikel 4:124 Awb. </al><al>In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger; </al><al>-het leggen van conservatoir beslag; </al><al>-het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures; </al><al>-faillissementsaanvraag </al><al/><al>3.1. Fiscale en civiele bevoegdheden </al><al>De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke </al><al>bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij </al><al>alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een </al><al>schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger </al><al>zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van </al><al>zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken. </al><al/><al>De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het </al><al>meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de </al><al>ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over </al><al>te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit </al><al>alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de </al><al>belastingschuldige en eventuele derden. </al><al/><al>3.2. Conservatoir beslag </al><al>Om de rechten van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland veilig te </al><al>stellen heeft de ontvanger naast de versnelde invordering de mogelijkheid </al><al>conservatoir beslag te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze </al><al>van de ontvanger. </al><al/><al>3.2.1. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering </al><al>Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent </al><al>tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor </al><al>verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de ontvanger </al><al>niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de </al><al>artikelen 10 en 15 van de wet. </al><al/><al>3.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag </al><al>Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de </al><al>ontvanger slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de </al><al>voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel verschuldigd </al><al>geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag wordt </al><al>beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in </al><al>artikel 700, derde lid Rv. </al><al/><al>3.3. Gerechtelijke procedures: toestemming </al><al/><al>3.3.1 Juridische bijstand </al><al>Op grond van artikel 3, lid 3, van de Invorderingswet 1990 treedt de </al><al>ontvanger zelfstandig in rechte op bij rechtsgedingen die voortvloeien uit de </al><al>uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van </al><al>procesvertegenwoordiging, met uitzondering van: </al><al>-Beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR; </al><al>-Hoger beroepsprocedures op grond van art. 27h AWR; </al><al>-(Hoger) Beroepsprocedures op grond van art. 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen; </al><al>-Kantonzaken; </al><al>-Kort geding procedures, indien de ontvanger gedaagde is. </al><al/><al>3.3.2 Toestemming </al><al>In gerechtelijke procedures waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet hij </al><al>toestemming hebben van het dagelijks bestuur. Behalve voor in hoger </al><al>beroep te voeren zaken geldt het voorgaande niet voor: </al><al>-verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; </al><al>-kantonzaken; </al><al>-verzoekschriftprocedures; </al><al>-aansprakelijkheidsprocedures. </al><al>-procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex. artikel 435 lid 3, dan wel artikel 708 lid 2 Rv. </al><al/><al>3.4. Faillissementsaanvraag </al><al>Als een belastingschuldige verkeert in de toestand dat hij ophoudt met </al><al>betalen (art. 1 FW) kan de ontvanger het faillissement aanvragen. </al><al>Bij een faillissementsaanvraag wordt vooraf toestemming gevraagd aan het </al><al>Dagelijks bestuur. Dit geldt ook bij een eventuele steunvordering voor het </al><al>aanvragen van een faillissement. </al><al/><al>Artikel 3a Er zijn in deze leidraad op artikel 3a van de wet geen beleidsregels gemaakt. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Bevoegdheid belastingdeurwaarder </titel></kop><al/><al>In artikel 4 van de wet is bepaald dat voor het verrichten van </al><al>deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een ontvanger voor de </al><al>invordering van rijksbelastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder </al><al>bevoegd is. In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het </al><al>beleid over de reikwijdte van die bevoegdheid. </al><al/><al>4.1. Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder </al><al>De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en </al><al>het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband </al><al>houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden </al><al>van de ontvanger. </al><al/><al>Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die </al><al>werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke </al><al>weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 4:124 van de Awb </al><al>gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, </al><al>wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt. </al><al/><al>4.2. Bescherming </al><al>Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 </al><al>Sr. Daardoor genieten zij van de strafrechtelijke bescherming, voor zover zij </al><al>hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. </al><al/><al>4.3. Aanwijzing </al><al>Belastingdeurwaarders worden aangesteld door het dagelijks bestuur van </al><al>de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>Indien de ontvanger gebruik wil maken van belastingdeurwaarders die niet </al><al>in loondienst zijn van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland, dient </al><al>aanstelling plaats te vinden door het dagelijks bestuur. Deze </al><al>laatstgenoemde bevoegdheid tot aanstelling kan het dagelijks bestuur </al><al>mandateren aan de ontvanger. </al><al/><al/><al>4.4. Legitimatie </al><al>Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de </al><al>belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de belastingschuldige </al><al>en/of zijn/haar gemachtigden. </al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Reikwijdte van de wet </titel></kop><al/><al>Artikel 6 van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is op: </al><al>-de rente; </al><al>-de kosten. </al><al>In aansluiting op artikel 6 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over </al><al>rente en kosten. </al><al/><al>6.1. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet. </al><al>Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan: de </al><al>invorderingsrente. </al><al/><al>Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet </al><al>invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden </al><al>gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de </al><al>werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering </al><al>langs civielrechtelijke weg. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Betaling en afboeking </titel></kop><al/><al>Artikel 7 van de wet schrijft voor hoe de toerekening van betalingen plaats </al><al>moet vinden: </al><al>-Lid 1 bepaalt dat toerekening van betalingen achtereenvolgens gebeurt </al><al>aan de kosten, de betalingskorting, de rente en de belastingaanslag; </al><al>-Lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de verschillende componenten van </al><al>de belastingaanslag plaatsvindt; </al><al/><al>In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-het tijdstip van de betaling; </al><al>-de afboeking van de betaling; </al><al>-teveelbetalingen; </al><al>-het rekenen van rente en kosten bij afboeking; </al><al>-het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen; </al><al>-de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete; </al><al>-de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden; </al><al>-betaling bij vergissing; </al><al>-het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een betaling. </al><al/><al>7.1. Tijdstip betaling </al><al>-Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening </al><al>van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland; </al><al>-Bij rechtstreekse betaling door middel van een pin-of </al><al>creditcardtransactie aan de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland </al><al>geldt de dag van de pin-of creditcardtransactie als tijdstip van betaling; </al><al>-Bij betaling aan de kas van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland </al><al>geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de Belastingsamenwerking                    Sabewa Zeeland is betaald; </al><al>-Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het </al><al>bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald; </al><al>-Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van ontvangst </al><al>van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger </al><al>constateert dat sprake is van misbruik. </al><al/><al>7.2. De afboeking van de betaling </al><al>Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen: </al><al>-Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt </al><al>overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven </al><al>bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze </al><al>van toerekening van betalingen; </al><al>-Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde </al><al>ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande </al><al>belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die </al><al>belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken; </al><al>-Wanneer de ontvanger tevens de invordering van </al><al>waterschapsbelastingen ten behoeve van een ander waterschap uitvoert </al><al>is het bovenstaande van overeenkomstige toepassing, met dien </al><al>verstande dat verdeling van de gelden naar rato van de grootte van de </al><al>belastingschuld plaatsvindt. </al><al/><al>7.3. Teveel betaling </al><al>Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag </al><al>betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen </al><al>openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en </al><al>dienovereenkomstig behandeld. </al><al/><al>7.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen </al><al>Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet </al><al>invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden </al><al>gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de </al><al>werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering </al><al>langs civielrechtelijke weg. </al><al/><al>Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan: de </al><al>invorderingsrente. </al><al/><al>7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen </al><al>Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag </al><al>worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de </al><al>kosten zijn gemaakt. </al><al/><al>7.6. Afboeking betaling op bestuurlijke boeten waarvoor uitstel van </al><al>betaling is verleend </al><al/><al>Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag </al><al>vastgestelde bestuurlijke boete, vindt toerekening uitsluitend plaats aan de </al><al>belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is </al><al>verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger </al><al>beroep). </al><al/><al>Als echter – ondanks dit uitstel – zoveel wordt betaald dat er na afboeking op de </al><al>belasting nog een bedrag overblijft, dan wordt dit bedrag afgeboekt op de </al><al>bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke boete is afgeboekt en de bestuurlijke </al><al>boete wordt alsnog aangevochten, dan blijven de afboekingen gehandhaafd. </al><al/><al>7.7. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden </al><al>Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden </al><al>eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf </al><al>in rekening zijn gebracht. </al><al>Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende </al><al>belastingaanslag -waarbij artikel 7 van de wet wel van toepassing is echter </al><al>met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die </al><al>aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor </al><al>zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. </al><al/><al>Als na afboeking van genoemd resterend bedrag nog een bedrag overblijft, </al><al>dan wordt dit op de belastingaanslag afgeboekt, met inachtneming van de </al><al>toerekeningsbepaling van artikel 7, tweede lid, van de wet. Zowel de </al><al>belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis </al><al>gesteld over de wijze van afboeking van de betaling die de ontvanger heeft </al><al>ontvangen van de aansprakelijkgestelde. </al><al/><al>7.8. Betaling bij vergissing </al><al>Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een </al><al>evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt </al><al>bijzondere voorzichtigheid betracht. </al><al/><al>Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft </al><al>plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet </al><al>zonder meer opnieuw kan plaatshebben. </al><al/><al>In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de </al><al>ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit </al><al>dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te </al><al>gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan. </al><al/><al>Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als het </al><al>voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan niet plaats. </al><al/><al>7.9. Mededeling afboeking betaling </al><al>De ontvanger stelt de belastingschuldige van de afboeking van een betaling </al><al>waarbij invorderingsrente of invorderingskosten in rekening is gebracht </al><al>schriftelijk op de hoogte, tenzij het een slotbetaling betreft op een </al><al>belastingaanslag waarbij geen kosten en rente worden afgeboekt. </al><al/><al>Een kennisgeving blijft achterwege als betaling plaatsvindt op grond van </al><al>een machtiging tot automatische afschrijving en daarbij geen </al><al>vervolgingskosten worden afgeboekt. </al><al/><al>7.10. Betaling van kleine bedragen </al><al>Betalingen van belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de </al><al>termijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door de ambtenaar belast met </al><al>invordering aangemerkt wordt als nodeloos overlast. In dat geval treedt hij </al><al>in contact met de belastingschuldige om de betalingswijze aan te passen. </al><al/><al>7.11. Ontvangen bedragen uit de wettelijke saneringsregeling en faillissement</al><al>Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement ontvangen</al><al>bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de gegevens van</al><al>de uitdelingslijst, met inachtneming van 7.2. van deze leidraad.</al><al/><al>7.12 Oninbaar lijden</al><al>Per kwartaal maakt de invorderingsambtenaar een lijst op van openstaande aanslagbedragen die, ondanks alle mogelijke invorderingsmaatregelen, niet te innen zijn. Redenen voor oninbaar zijn:</al><al>• Geen verhaalsmogelijkheden (GV)</al><al>• Vordering is verjaard (VJ);</al><al>• Debiteur vertrokken onbekend waarheen (VO);</al><al>• Faillissement (FA);</al><al>• Kosten-baten invordering wegen niet tegen elkaar op (AF);</al><al>• Beëindiging WNSP met schone lei-verklaring (WS);</al><al>• Debiteur overleden, erven onbekend (EO);</al><al>• Debiteur heeft volledige kwijtschelding ontvangen (KW);</al><al>• Bedrag naar verhouding te laag om dwanginvordering toe te passen (SA);</al><al>• Debetsaldo volledig verminderd (VM);</al><al>• Invorderingsmaatregelen niet verdedigbaar op grond van eisen van behoorlijkheid (OH);</al><al>• Vordering om andere reden niet oninbaar (ON);</al><al>• Debiteur bevindt zich in minnelijk schuldhulpverleningstraject (SH).</al><al/><al/><al>Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven</al><al/><al>Artikel 7a van de wet regelt de wijze waarop de ontvanger bedragen </al><al>uitbetaalt. </al><al>Op grond van artikel 4:89, eerste lid, Awb dient een schuldenaar te betalen </al><al>op een daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening. Het komt in de </al><al>praktijk echter regelmatig voor dat een belastingschuldige aan wie de </al><al>ontvanger een bedrag moet betalen, geen bankrekening(nummer) heeft </al><al>aangewezen waarop de betaling moet plaatsvinden. Wanneer zich een </al><al>dergelijke situatie voordoet, regelt artikel 7a van de wet dat de ontvanger </al><al>betaalt op een bankrekening die op naam van de belastingschuldige staat. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 4:89 Awb en artikel 7a van de wet beschrijft dit </al><al>artikel het beleid over: </al><al>-de aanwijzing van het rekeningnummer voor uitbetaling; </al><al>-uitbetalingsfouten. </al><al/><al>7a.1. Aanwijzen bankrekeningnummer voor uitbetaling </al><al>De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats bij de </al><al>aangifte of het verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te </al><al>betalen bedrag wordt vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert </al><al>op het schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de </al><al>Belastingsamenwerking bekende bankrekeningnummer door de </al><al>Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland, geldt dit ook als aanwijzing. </al><al/><al>Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot </al><al>hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag een ander </al><al>bankrekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld bankrekeningnummer </al><al>geacht ook te zijn aangewezen voor het doen van uitbetalingen voortvloeiend uit </al><al>eerdere aangiften of verzoeken. </al><al>Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden en </al><al>wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de uitbetaling </al><al>rekening kan worden gehouden. </al><al/><al>7a.2. Uitbetalingsfouten </al><al>Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere </al><al>rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is </al><al>aangewezen, dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen. De </al><al>ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag </al><al>eerst wordt gerestitueerd. </al><al/><al>Indien en voor zover blijkt dat het eerder betaalde bedrag niet ter </al><al>beschikking van de belastingschuldige is gekomen -bijvoorbeeld omdat de </al><al>rekening ten tijde van de bijschrijving een debetstand kent en ook de </al><al>(eventuele) kredietfaciliteit van de rekening de restitutie niet toelaat -vindt </al><al>hernieuwde uitbetaling direct plaats. </al><al/><al>Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden </al><al>wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel betaalde bedrag </al><al>vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking. </al><al/><al>Uitbetalingfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de </al><al>belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich </al><al>in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW).</al><al>Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld </al><al>omtrent de naam-, adres-en woonplaatsgegevens van de derde aan wie </al><al>onverschuldigd is betaald. </al><al/><al>7a.3 Uitbetaling correctieaanslag</al><al>Een correctieaanslag waarvan het totaalbedrag minder dan € 2 bedraagt, wordt niet uitbetaald tenzij hierom uitdrukkelijk wordt verzocht. Het totaalbedrag is het totaal van alle verminderingsregels van de betreffende belastingsoort die samen op één biljet komen te staan. </al><al/><al>7b Cessie en verpandingsverbod uitbetaling inkomstenbelasting</al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland.</al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bekendmaking aanslag </titel></kop><al/><al>Artikel 8 van de wet regelt dat de ontvanger de belastingaanslag bekend </al><al>maakt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. De </al><al>belastingschuldige is de belastingaanslag in zijn geheel verschuldigd. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties; </al><al>-de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet; </al><al>-het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen. </al><al/><al>8.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in </al><al>bijzondere situaties </al><al>De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de </al><al>belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien </al><al>verstande dat: </al><al>-aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de </al><al>curator worden gezonden; </al><al>-ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt </al><al>gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel een </al><al>boedelschuld vormt; </al><al>-als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de </al><al>wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat </al><al>verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft </al><al>opgeleverd; </al><al>-aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is </al><al>dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de </al><al>bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen. </al><al/><al>8.2. Vervallen </al><al/><al>8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet </al><al>De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de </al><al>omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van </al><al>hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de </al><al>belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de </al><al>belasting materieel is verschuldigd. </al><al/><al>8.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag </al><al>Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de </al><al>erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel </al><al>mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijk </al><al>termijn te voldoen. </al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Betalingstermijnen </titel></kop><al/><al>Artikel 9 van de wet regelt binnen welke betalingstermijnen </al><al>belastingaanslagen moeten worden betaald. </al><al>In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige aanslagen; </al><al>-de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige teruggaven; </al><al>-de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn; </al><al>-de dagtekening van het aanslagbiljet; </al><al>-het begrip maand bij betalingstermijnen. </al><al/><al>9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van </al><al>voorlopige aanslagen </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>9.2. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van </al><al>voorlopige teruggaven </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>9.3. Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>9.4. Dagtekening aanslagbiljet </al><al>De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat </al><al>de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening </al><al>ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de </al><al>wet versnelde invordering wordt toegepast. </al><al/><al>9.5. Begrippen bij betalingstermijnen </al><al>Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is </al><al>gesteld op twee maanden, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een </al><al>aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van een maand vervalt </al><al>op 30 november en de betalingstermijn van twee maanden vervalt op 31 </al><al>december. </al><al/><al>Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een </al><al>maand op 31 maart en de betalingstermijn van twee maanden op 30 april, </al><al>tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval de </al><al>termijn vervalt op 28 maart dan wel 28 april. </al><al/><al>Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de </al><al>laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later (bij </al><al>een betalingstermijn van een maand), of twee maanden later (bij een </al><al>betalingstermijn van twee maanden) op de dag die hetzelfde nummer heeft </al><al>als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, </al><al>vervalt de termijn dus op 15 april (resp. 15 mei).            </al><al/><al>Is de betalingstermijn zes weken en is de dagtekening bijvoorbeeld 15 </al><al>maart, dan vervalt de termijn op 26 april. </al><al/><al>9.6. Regeling betalingstermijnen                                        </al><al>Op grond van artikel 139, lid 1, van de Waterschapswet en artikel 250, lid 1, </al><al>van de Gemeentewet kan de belastingverordening van een waterschap of </al><al>gemeente van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 afwijkende </al><al>voorschriften inhouden. Is in de belastingverordening niets geregeld, dan </al><al>zijn dus automatisch de betalingstermijnen uit de Invorderingswet 1990 van </al><al>toepassing. </al><al/><al>9.7. Automatische afschrijving </al><al>De Belastingsamenwerking stelt belastingplichtigen in de gelegenheid de</al><al>aanslag of aanslagen te voldoen door middel van automatische afschrijving.</al><al>Hiervoor heeft het dagelijks bestuur regels vastgesteld.      </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Versnelde invordering </titel></kop><al/><al>Artikel 10, eerste lid, van de wet geeft een limitatieve opsomming van </al><al>bijzondere situaties waarin de ontvanger met doorbreking van de in artikel 9 </al><al>van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag </al><al>terstond en tot het volle bedrag kan invorderen. </al><al/><al>Artikel 10, tweede en derde lid, van de wet bevatten </al><al>uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing van deze </al><al>versnelde invordering. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 10 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-de reikwijdte van de versnelde invordering; </al><al>-de vrees voor verduistering; </al><al>-het metterwoon verlaten van Nederland; </al><al>-geen vaste woonplaats in Nederland; </al><al>-als er al beslag ligt; </al><al>-de verkoop namens derden; </al><al>-de vordering ex artikel 19. </al><al/><al>10.1. Reikwijdte versnelde invordering </al><al>Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk </al><al>tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van de wet) over te gaan, </al><al>dan vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de </al><al>belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts </al><al>vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid </al><al>van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering </al><al>overgaat. </al><al>Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt </al><al>of verzonden -maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is deelt </al><al>de ontvanger de belastingschuldige schriftelijk mee dat hij de </al><al>belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en </al><al>dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. </al><al>Hij doet dit eveneens onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van </al><al>artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering </al><al>overgaat. </al><al/><al>Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde </al><al>dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat </al><al>vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het </al><al>volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling </al><al>behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel </al><al>overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal </al><al>voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 van de </al><al>wet wordt overgegaan -als sprake is van direct contact met de </al><al>belastingschuldige -deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te </al><al>betalen. </al><al/><al>Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend maar </al><al>voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is </al><al>verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) vermeldt </al><al>de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke </al><al>kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10, eerste lid, van de wet, </al><al>gevolgd door het desbetreffende onderdeel. </al><al>Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na </al><al>het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn </al><al>die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen nieuw dwangbevel te </al><al>worden betekend. De belastingschuldige wordt -als sprake is van direct </al><al>contact met laatstgenoemde -eerst in de gelegenheid gesteld om </al><al>onmiddellijk te betalen. </al><al/><al>Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet </al><al>terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al zouden </al><al>de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich </al><al>niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de </al><al>ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt </al><al>met de betalingstermijn(en) die normaal zou(den) gelden. </al><al/><al>10.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering </al><al>Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de </al><al>belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de </al><al>wet is sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te </al><al>verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de </al><al>belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook </al><al>dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar </al><al>zal komen. </al><al>De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van </al><al>de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door </al><al>gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding geven </al><al>voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. </al><al/><al>Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde </al><al>beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan </al><al>aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en is het beslag niet </al><al>rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar </al><al>de ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen </al><al>beslag ligt. </al><al/><al>10.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering </al><al>Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige </al><al>van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van </al><al>vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de </al><al>ontvanger -alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, </al><al>onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te </al><al>verklaren -er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na </al><al>het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan </al><al>worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland </al><al>bevinden. </al><al/><al>10.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering </al><al>Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is </al><al>gevestigd, is op zich geen reden voor de ontvanger om de belastingaanslag </al><al>dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er moet een situatie bestaan </al><al>waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld </al><al>niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in </al><al>Nederland kan worden verhaald. </al><al/><al>10.5. Beslag en versnelde invordering </al><al>Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde </al><al>goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige waaronder </al><al>hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de </al><al>ontvanger is opgedragen -dadelijk en ineens invorderbaar. </al><al/><al>10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering </al><al>Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke </al><al>invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van de) executoriale </al><al>verkoop, zodat de ontvanger op deze grond niet eerder maatregelen kan </al><al>treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal </al><al>plaatshebben. </al><al/><al>10.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering </al><al>De ontvanger mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet doen, </al><al>enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het </al><al>volle bedrag invorderbaar wordt. </al><al>Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een </al><al>vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere </al><al>belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle </al><al>bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe </al><al>aanslagen nog niet zijn verstreken. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Aanmaning </titel></kop><al/><al>In artikel 11 van de wet is opgenomen dat als een belastingaanslag niet </al><al>binnen de daartoe gestelde termijnen wordt betaald, de ontvanger overgaat </al><al>tot vervolging van de belastingschuldige door de verzending van een </al><al>aanmaning. </al><al>In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-de geadresseerde van de aanmaning; </al><al>-als de aanmaning ten onrechte is verzonden; </al><al>-het achterwege laten van tussentijdse vervolging; </al><al>-de gedeeltelijke voldoening na aanmaning; </al><al>-de betalingsherinnering; </al><al>-de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg. </al><al/><al>11.1. De geadresseerde van de aanmaning </al><al>De ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is </al><al>verzonden of uitgereikt. </al><al/><al>Als naderhand blijkt dat de ontvanger de vervolging voort moet zetten voor </al><al>een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt </al><al>de ontvanger alsnog een aanmaning naar het adres van de wettelijke </al><al>vertegenwoordiger. </al><al/><al>Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de ontvanger de </al><al>aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de ontvanger weet dat de </al><al>nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere </al><al>erfgenaam afzonderlijk. </al><al/><al>11.2. Aanmaning ten onrechte verzonden </al><al>Als een belanghebbende zich tot de ontvanger wendt met de mededeling </al><al>dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de </al><al>vervolging niet voortgezet voordat dit is opgehelderd. </al><al/><al>Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd </al><al>voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is </al><al>gedaan om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen die </al><al>de rechten van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland veilig stellen. </al><al/><al>11.3. Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning </al><al>Vervolging -niet zijnde de eindvervolging -blijft in het algemeen achterwege </al><al>als het achterstallige bedrag: </al><al>1. kleiner is dan een tiende deel van de (verlaagde) belastingaanslag; en </al><al>2. minder bedraagt dan € 200,-.  </al><al>De ontvanger kan zich in bijzondere gevallen gerechtigd achten de </al><al>tussentijdse vervolging achterwege te laten, ook al valt het bedrag buiten de </al><al>gestelde grenzen. </al><al>Een tussentijdse vervolging die terecht is aangevangen, wordt ook na de </al><al>verzending van de aanmaning voortgezet. </al><al/><al>11.4. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning </al><al>Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het </al><al>achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een </al><al>dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning </al><al>voorafgegaan. </al><al/><al>11.5. Betalingsherinnering </al><al>Overeenkomstig de Invorderingswet en Kostenwet worden geen betalingsherinneringen verzonden. B</al><al/><al>11.6. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg </al><al>Als de ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de </al><al>ontvanger over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding </al><al>hoeft niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel </al><al>verzendt de ontvanger eerst een aanmaning. </al><al/><al>De ontvanger verzendt echter geen aanmaning als reeds conservatoir </al><al>beslag is gelegd. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Dwangbevel </titel></kop><al/><al>Artikel 12 van de wet bepaalt dat de invordering van de belastingaanslag </al><al>kan geschieden bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. </al><al>Op grond van dit dwangbevel kan de ontvanger overgaan tot invordering </al><al>van de belastingaanslag. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-het onderwerp van het dwangbevel; </al><al>-tegen wie een dwangbevel wordt verleend. </al><al/><al>12.1. Onderwerp van het dwangbevel </al><al>De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde </al><al>bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende belastingaanslagen </al><al>en beschikkingen. </al><al/><al>De ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met: </al><al>-de inmiddels gedane betalingen; </al><al>-verleende verminderingen; </al><al>-bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is verleend. </al><al/><al>Indien de belastingschuldige na de vervaldatum van de aanmaning de </al><al>verschuldigde belasting inclusief de invorderingsrente en/of aanmaningskosten </al><al>niet heeft voldaan, zal, zonder voorafgaande betalingsherinnering of </al><al>waarschuwing, een dwangbevel worden uitgevaardigd. Ook voor die </al><al>belastingschuldigen die wel het bedrag van de belasting betalen maar niet de </al><al>invorderingsrente en/of vervolgingskosten, wordt, zonder voorafgaande </al><al>betalingsherinnering of waarschuwing, tot uitvaardiging en betekening van het </al><al>dwangbevel overgegaan. Alleen indien het niet aan de belastingschuldige is te </al><al>verwijten dat niet tijdig is voldaan wordt de in rekening gebrachte </al><al>invorderingsrente en/of kosten voor het betekenen van het dwangbevel buiten </al><al>invordering gelaten. </al><al/><al>12.2. Tegen wie vaardigt de ontvanger een dwangbevel uit</al><al>De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit tegen de belastingschuldige of diens </al><al>rechtsopvolgers. Als de ontvanger het dwangbevel uitvaardigt aan een ander </al><al>dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke gronden dit </al><al>gebeurt. </al><al/><al>Als de ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van een </al><al>belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking. Als </al><al>de ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij niet vooraf een daarop </al><al>gericht onderzoek in te stellen. </al><al>Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op </al><al>diens onverdeelde nalatenschap, vaardigt hij één dwangbevel uit tegen de </al><al>gezamenlijke erfgenamen. </al><al/><al>Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een </al><al>overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, </al><al>dan vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam en adres alsmede </al><al>met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het </al><al>dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van ieders </al><al>aansprakelijkheid tot uitdrukking. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Betekening van het dwangbevel </titel></kop><al/><al>In artikel 13 van de wet is de wijze van betekening van het dwangbevel </al><al>beschreven. Het dwangbevel vermeldt expliciet dat de belastingschuldige </al><al>tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet kan komen. </al><al>Het dwangbevel wordt bekendgemaakt door middel van betekening. De </al><al>betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling kan plaatsvinden: </al><al>-door de belastingdeurwaarder; </al><al>-per post door de ontvanger. </al><al/><al>De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het </al><al>dwangbevel per post te betekenen. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-de betekening van het dwangbevel per post; </al><al>-de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder; </al><al>-bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel. </al><al/><al>13.1. Betekening dwangbevel per post </al><al>De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt </al><al>plaats door het ter post bezorgen door de ontvanger van een voor de </al><al>belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot </al><al>betaling. </al><al>Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter </al><al>verzending aanbieden van het afschrift aan PostNL. Als betekeningsdatum </al><al>geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. </al><al>De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het </al><al>dwangbevel per post te betekenen. </al><al/><al>13.1.1. Adressering van per post betekende dwangbevelen </al><al>Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het </al><al>dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie </al><al>van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland bekende adres van de </al><al>belastingschuldige. </al><al/><al>Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het </al><al>algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de Basisregistratie </al><al>Personen is vermeld. </al><al>Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde </al><al>poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens </al><al>de Basisregistratie Personen -bijvoorbeeld een postbusadres- kan verzending </al><al>ook plaatsvinden aan dat adres. </al><al/><al>Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een ten </al><al>tijde van de terpostbezorging -onjuist adres is verzonden en de </al><al>belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen </al><al>rechtsgevolg verbonden.</al><al/><al>De eisen waaraan een dwangbevel moet voldoen zijn genoemd in </al><al>artikel 4:122 Awb. Deze eisen gelden in aanvulling op de eisen die de </al><al>Awb en Rv in het algemeen stellen aan het dwangbevel en de </al><al>bekendmaking ervan. </al><al/><al>Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de </al><al>belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift </al><al>niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als betekend. Dit is </al><al>niet het geval als de belastingschuldige bijzondere omstandigheden </al><al>aannemelijk kan maken op grond waarvan moet worden aangenomen dat </al><al>het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt. </al><al/><al>13.1.2. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder </al><al>Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder </al><al>aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen </al><al>kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan </al><al>wie de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de </al><al>belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47, </al><al>eerste lid, Rv. </al><al/><al>Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat </al><al>achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet </al><al>toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk zal </al><al>bereiken. </al><al/><al>Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres </al><al>van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland waar de </al><al>belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit geldt ook voor de situaties </al><al>waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de ontvanger van een ander </al><al>waterschap of andere gemeente. </al><al/><al/><al>13.3. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel </al><al>Een dwangbevel dat -hetzij door terpostbezorging, hetzij door de </al><al>belastingdeurwaarder -is betekend aan een minderjarige of onder curatele </al><al>gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger </al><al>alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal </al><al>aan de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan </al><al>de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan. </al><al/><al>Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is </al><al>betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie. </al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tenuitvoerlegging van het dwangbevel </titel></kop><al/><al>Artikel 14 van de wet gaat over de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. </al><al>In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet beschrijft </al><al>dit artikel het beleid over: </al><al>-de algemene regels over tenuitvoerlegging; </al><al>-beslag op roerende zaken die geen registergoederen; </al><al>-beslag op onroerende zaken; </al><al>-beslag onder derden; </al><al>-beslag op schepen. </al><al/><al>14.1. Tenuitvoerlegging algemeen </al><al>Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening aan de </al><al>belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel met </al><al>toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke </al><al>rechtsvordering ten uitvoer leggen (zie artikel 4:116 Awb) </al><al/><al>Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder een </al><al>hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot tenuitvoerlegging van </al><al>het dwangbevel overgaat (artikel 14, eerste lid, van de wet). </al><al/><al>Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt conform </al><al>artikel 47 Rv -dat wil zeggen door achterlating van het bevel in een </al><al>gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel -gaat de </al><al>belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van het hernieuwde </al><al>betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging (artikel 14, eerste lid, van de wet). </al><al/><al>In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot </al><al>tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Betekening van een </al><al>hernieuwd bevel tot betaling hoeft overigens niet plaats te vinden als het </al><al>dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel </al><al>c, van de wet, terstond ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 14, tweede lid, </al><al>van de wet). </al><al/><al>14.1.1. Keuze van invorderingsmaatregelen </al><al>De tenuitvoerlegging gebeurt op de voet van het Wetboek van Burgerlijke </al><al>Rechtsvordering dat toelaat de verschillende mogelijkheden van </al><al>tenuitvoerlegging tegelijkertijd te benutten. </al><al/><al>14.1.2. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging </al><al>De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen dezelfde </al><al>belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk tegelijkertijd. Bij de </al><al>tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Ook wordt de </al><al>nodige soepelheid betracht. Dit brengt met zich mee dat de formeel </al><al>voorgeschreven handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of </al><al>tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de </al><al>belastingschuldige op te nemen. </al><al/><al>In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet </al><al>dadelijk tot beslaglegging overgaat of deze onderbreekt of beëindigt, als hij </al><al>vermoedt dat de ontvanger de beslagopdracht niet zou hebben gegeven als </al><al>alle omstandigheden bekend waren geweest. </al><al/><al>Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling inmiddels </al><al>heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van betaling of </al><al>kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25.1 of </al><al>26.1 van deze leidraad, en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist. </al><al>Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, </al><al>wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop beslag is gelegd, </al><al>overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een </al><al>voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag. Voorwaarde is dan </al><al>wel dat met de afdoening -gelet op de omstandigheden -naar het oordeel </al><al>van de ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als </al><al>uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen in het in deze </al><al>leidraad geformuleerde beleid. </al><al/><al>14.1.3. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden </al><al>Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat </al><al>de belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn van </al><al>drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW, is verstreken. </al><al>Als alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, kan de </al><al>rechtbank de termijn van drie maanden verlengen. </al><al/><al>Als de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende de </al><al>vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen. </al><al/><al>14.1.4. Volgorde van uitwinning bij beslag </al><al>Als de ontvanger naast zaken van de belastingschuldige, ook zaken in </al><al>beslag heeft genomen waar derden rechten op hebben, dan wint hij die </al><al>zaken uit in de volgorde: </al><al>1. zaken van belastingschuldige zelf; </al><al>2. zaken waar anderen dan de belastingschuldige een beperkt recht op </al><al>hebben; </al><al>3. zaken die eigendom zijn van derden. </al><al/><al>De ontvanger hoeft deze volgorde niet in acht te nemen als op voorhand </al><al>duidelijk is dat: </al><al>-de hoogte van de belastingschuld aantasting van de rechten van derden </al><al>onvermijdelijk maakt of; </al><al>-het belang van de invordering zich hiertegen verzet. </al><al/><al>14.1.5. Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde </al><al>zaken </al><al>Voordat verhaal wordt gezocht op met vruchtgebruik of recht van gebruik </al><al>bezwaarde zaken, of op goederen verkregen onder de ontbindende </al><al>voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten </al><al>gunste van een verwachter aansluit, licht de ontvanger andere </al><al>belanghebbenden dan de erfgenamen van de belastingschuldige zoveel </al><al>mogelijk in over zijn voornemen. </al><al/><al>14.1.6. Beslaglegging voor vordering van derden </al><al>Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag heeft gelegd, gaat hij ook </al><al>over tot beslaglegging voor vorderingen van derden met gelijke preferentie, </al><al>waarvan de invordering aan hem is opgedragen, ongeacht de </al><al>executiewaarde van de in beslag genomen zaken. </al><al/><al>14.1.7. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan </al><al>voorwaarden </al><al>De ontvanger kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor een </al><al>openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden </al><al>getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat </al><al>aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan. </al><al/><al>De ontvanger heft de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald of </al><al>aan die voorwaarden is voldaan. </al><al/><al>14.1.8. Opheffing beslag tegen betaling door een derde </al><al>Als de ontvanger van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter opheffing </al><al>van het beslag, dan kan de ontvanger hieraan zijn medewerking verlenen </al><al>als ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden: </al><al>1. Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het </al><al>vermogen van de belastingschuldige; </al><al>2. Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst die </al><al>naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie; </al><al>3. De belangen van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland worden </al><al>niet geschaad. </al><al>De ontvanger houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde </al><al>belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal </al><al>zoeken, en hij kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden verbinden. </al><al/><al>14.1.9. Opschorten van de executie </al><al>De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van </al><al>beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop </al><al>plaats, tenzij de ontvanger ervan overtuigd is dat betaling van de </al><al>belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat geval </al><al>kan de ontvanger besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal) </al><al>maximaal vier maanden na de datum waarop het beslag is gelegd. </al><al/><al>Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de </al><al>belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de </al><al>belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een </al><al>schriftelijke overeenkomst tussen de ontvanger en de belastingschuldige is </al><al>verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum houdt op zich geen </al><al>uitstel van betaling in, in de zin van artikel 25 van de wet. </al><al/><al>14.1.10. Onderhandse verkoop </al><al>Als een onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken naar </al><al>verwachting aanzienlijk meer oplevert dan de verwachte opbrengst bij </al><al>openbare verkoop, dan kan de ontvanger kiezen voor een onderhandse </al><al>verkoop. </al><al/><al>De ontvanger moet hierbij rekening houden met de gerechtvaardigde </al><al>belangen van eventuele derde rechthebbenden die zich bij hem bekend </al><al>hebben gemaakt. De ontvanger stelt deze derden in de gelegenheid om een </al><al>bedrag aan te bieden ter opheffing van het beslag. </al><al/><al>Onderhandse verkoop vindt niet plaats als hierdoor de belangen van de </al><al>Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland worden geschaad. </al><al/><al>14.1.11. Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop </al><al>De ontvanger kan de mogelijkheid hebben om te kiezen tussen: </al><al>a. een aangeboden bedrag ter opheffing van het beslag als bedoeld in </al><al>artikel 14.1.8 van deze leidraad; </al><al>b. een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 14.1.10 van deze </al><al>leidraad. </al><al/><al>De ontvanger geeft dan in het algemeen de voorkeur aan opheffing van het </al><al>beslag; voorwaarde is dat de hierdoor verkregen opbrengst niet lager is dan </al><al>die van een onderhandse verkoop. </al><al/><al>14.1.12. Strafrechtelijk beslag </al><al>Als op een in beslag genomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex artikel </al><al>94 Sv rust -dat wil zeggen niet zijnde een beslag in het kader van een </al><al>ontnemingsmaatregel -dan wordt het beslag dat de belastingdeurwaarder </al><al>heeft gelegd pas vervolgd nadat het strafrechtelijke beslag is opgeheven. </al><al/><al>Zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt, kan </al><al>het fiscale beslag blijven liggen. </al><al/><al>14.1.13. Invordering en ontnemingswetgeving </al><al>De Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland belemmert zo min mogelijk de </al><al>strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen </al><al>voordelen. </al><al/><al>In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en ontneming </al><al>van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van </al><al>invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de </al><al>ontvanger terughoudend op. Dit houdt in dat de ontvanger in beginsel niet </al><al>direct overgaat tot uitwinning van gelegd beslag tenzij hiermee de belangen </al><al>van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland worden geschaad. </al><al/><al>Als de verdachte/veroordeelde naast illegaal inkomen nog legaal inkomen heeft </al><al>waarvoor belastingaanslagen zijn opgelegd, dan kan de ontvanger wel tot </al><al>daadwerkelijke uitwinning van die vermogensbestanddelen overgaan, die – </al><al>anders dan door onderzoek van politie of openbaar ministerie – zijn opgespoord. </al><al/><al>Voor zover sprake is van een maatregel tot schadevergoeding, als bedoeld in </al><al>artikel 36f, eerste lid, Sr ten behoeve van slachtoffers of benadeelde derden, of </al><al>anderszins aan slachtoffers of benadeelde derden tegemoet wordt gekomen, </al><al>treedt de ontvanger niet terughoudend op. </al><al/><al>Indien de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland – op het moment dat de </al><al>invordering wel is gestart, maar nog niet tot beslaglegging is overgegaan – in </al><al>kennis is gesteld van een ontnemingszaak en van het geschatte wederrechtelijk</al><al>verkregen voordeel van de belastingschuldige, treft de ontvanger</al><al>invorderingsmaatregelen met een conservatoir karakter. Als de belangen van </al><al>de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland worden geschaad door opschorting</al><al>van uitwinning, gaat de ontvanger echter wel over tot uitwinning. </al><al>Hierbij kan onder meer – doch niet uitsluitend – worden gedacht aan: </al><al>– een situatie waarin door de daadwerkelijke uitwinning van hetgeen </al><al>in beslag is genomen niet ter hand te nemen, de verhaalswaarde daarvan in </al><al>onevenredige mate vermindert (denk hierbij onder meer aan voorraden, </al><al>personenauto’s en dergelijke); </al><al>– een situatie waarin het niet uitwinnen van de beslagen zaak leidt tot een </al><al>schadeactie, hetzij van de zijde van de belastingschuldige, hetzij van de </al><al>zijde van de medecrediteuren. </al><al>14.2. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn</al><al/><al>14.2.1. Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken </al><al>Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de belastingschuldige </al><al>niemand thuis treft en beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden </al><al>met gebruikmaking van artikel 444 Rv, dan blijft deze wijze van </al><al>tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege. </al><al/><al>De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving </al><al>achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer op het </al><al>woonadres zal vervoegen. </al><al/><al>Deze handeling blijft achterwege als een belastingschuldige het stelselmatig </al><al>hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik wordt </al><al>gemaakt of op andere wijze het belang van de invordering zich tegen deze </al><al>handelwijze verzet. </al><al/><al>14.2.2. Domiciliekeuze en beslag roerende zaken </al><al>Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van een ander </al><al>Waterschap dan het kantoor waar bij de betekening van het dwangbevel </al><al>domicilie is gekozen, dan wordt in het beslagexploot tevens domicilie </al><al>gekozen ten kantore van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland waar </al><al>de belastingdeurwaarder die het beslag legt zijn standplaats heeft. </al><al/><al>14.2.3. Aanbod van betaling en beslag roerende zaken </al><al>Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de </al><al>belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, aanvaardt de </al><al>deurwaarder deze betaling. </al><al/><al>Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan </al><al>de belastingschuldige wordt gelaten. </al><al/><al>14.2.4. Omvang van het beslag op roerende zaken </al><al>Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als -naar het oordeel van de </al><al>belastingdeurwaarder -ruimschoots voldoende is voor dekking van de </al><al>openstaande schuld inclusief rente en kosten. </al><al/><al>14.2.5. Beslag op roerende zaken van derden </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>14.2.6. Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming </al><al>roerende zaken </al><al>Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de </al><al>inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom </al><al>claimt, wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift </al><al>in te dienen bij het dagelijks bestuur op grond van artikel 22, eerste lid, van </al><al>de wet en eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 of artikel 435 Rv.</al><al>Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en vaststaat </al><al>dat de ontvanger zijn verhaalsrecht niet kan effectueren, blijft inbeslagname </al><al>achterwege. </al><al/><al>14.2.7. Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag </al><al>roerende zaken </al><al>De ontvanger kan het restant van de schuld van belastingschuldige aan een </al><al>derde op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van verrekening </al><al>met de belastingschuldige, als de belastingdeurwaarder de volgende zaken </al><al>aantreft: </al><al>-zaken die niet onder het bodemrecht vallen en; </al><al>-eigendom zijn van een derde en; </al><al>-strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld die de </al><al>belastingschuldige aan de derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop, </al><al>eigendomsvoorbehoud) en; </al><al>-waarop de ontvanger zich na voldoening van die schuld zou kunnen </al><al>verhalen. </al><al/><al>De ontvanger maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de </al><al>executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is dan het </al><al>restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om zaken van de </al><al>belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn genomen en waarop deze </al><al>derde een retentierecht heeft. </al><al/><al>14.2.8. Beslag roerende zaken bij derden </al><al>Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde bevinden, </al><al>verhaalt de belastingdeurwaarder de belastingschuld zoveel mogelijk door </al><al>het leggen van een beslag op roerende zaken. </al><al>De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder derden </al><al>leggen als: </al><al>-de derde geen medewerking verleent aan het leggen van een beslag </al><al>roerende zaken; </al><al>-het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is om de zaken </al><al>zelf te zien, dan wel te inventariseren; </al><al>-de derde een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv, voordat het </al><al>exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten. </al><al/><al>Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op </al><al>roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen </al><al>afzonderlijk derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als </al><al>derdenbeslag. De belastingdeurwaarder betekent in dat geval binnen drie </al><al>dagen na de beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als </al><al>bedoeld in artikel 475, tweede lid Rv. </al><al>Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde </al><al>voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel </al><al>461d Rv. </al><al/><al>14.2.9. Wegvoeren van beslagen zaken </al><al>Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de </al><al>belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten. </al><al/><al>Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen </al><al>zaken wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als </al><al>bedoeld in Rv. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de ontvanger niet </al><al>van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag genomen </al><al>zaken. </al><al/><al>Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken </al><al>redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is bijvoorbeeld aan de </al><al>orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde </al><al>geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig </al><al>bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden </al><al>afgevoerd. </al><al/><al>Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt </al><al>slechts gebruik gemaakt: </al><al>-als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet kan </al><al>worden ingevorderd en; </al><al>-de ontvanger na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat </al><al>de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht. </al><al/><al>Het wegvoeren van zaken gebeurt niet door de belastingdeurwaarder dan </al><al>na daartoe verkregen toestemming van de ontvanger van de </al><al>Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>Bij het in beslag nemen van een voertuig is het aan de </al><al>belastingdeurwaarder ter keuze om een wielklem, of een ander middel, aan </al><al>te brengen ter zekerheid tegen verduistering. </al><al/><al>De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de </al><al>desbetreffende ontvanger of van een andere door die ontvanger daartoe </al><al>aangewezen functionaris. </al><al/><al>14.2.10. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en </al><al>belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken </al><al>N.v.t voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>14.2.11. Afsluiting en beslag roerende zaken </al><al>De deurwaarder kan tot afsluiting van de ruimte </al><al>overgaan waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken </al><al>zich bevinden, als: </al><al>-de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9 van </al><al>deze leidraad en</al><al>-de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer </al><al>hoge kosten kunnen worden afgevoerd. </al><al/><al>Voor de afsluiting is voorafgaande toestemming vereist van de ontvanger. </al><al>De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de </al><al>ontvanger of van een andere door de ontvanger daartoe aangewezen </al><al>functionaris. </al><al>Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden </al><al>overgegaan. </al><al/><al>14.2.12. Bewaarder en beslag roerende zaken </al><al>Als zaken op grond van artikel 14.2.9 van deze leidraad worden </al><al>weggevoerd of op grond van artikel 14.2.11 van deze leidraad afsluiting </al><al>plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die in </al><al>staat moet worden geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het </al><al>bewaarderschap met betrekking tot die zaken uit te oefenen. De aanstelling </al><al>van de bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal als genoemd in </al><al>artikel 14.2.9 respectievelijk artikel 14.2.11 van deze leidraad. </al><al/><al>Als een ambtenaar van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland als </al><al>bewaarder wordt aangesteld, is dit zoveel mogelijk een </al><al>belastingdeurwaarder, niet zijnde de belastingdeurwaarder die het beslag </al><al>heeft gelegd. Aan de ambtenaar die tot bewaarder is aangesteld, wordt </al><al>hiervoor geen vergoeding gegeven. </al><al/><al>De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de </al><al>beslagen zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden </al><al>vervoerd of opgeslagen op een wijze die het risico van fysiek of economisch </al><al>bederf minimaliseert, meer dan voor de onderhavige zaken onder normale </al><al>omstandigheden gebruikelijk is. De in dit verband te nemen maatregelen en </al><al>de daaraan verbonden kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot </al><al>de aard en de waarde van de desbetreffende zaken. </al><al/><al>Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende gevallen aan </al><al>de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder </al><al>aangesteld: </al><al>-als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd </al><al>lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het bewaarderschap </al><al>verbonden taken uit te oefenen; </al><al>-als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het bewaarderschap </al><al>niet uitdrukkelijk te worden ontnomen; </al><al>-als een ambtenaar van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland tot </al><al>bewaarder is aangesteld en deze ambtenaar door oorzaken van </al><al>personele of organisatorische aard redelijkerwijs moet worden geacht </al><al>geen betrokkenheid meer te (kunnen) hebben bij het beslag. </al><al/><al>Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in voorkomend geval </al><al>kan dit bij deurwaardersexploot. </al><al/><al>14.2.13. Executoriale verkoop computerapparatuur </al><al>Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt </al><al>alleen de zogenoemde 'hardware' onder dit beslag. De </al><al>belastingdeurwaarder moet -voordat tot executoriale verkoop wordt </al><al>overgegaan -nagaan of deze apparatuur nog de zogenoemde 'software' </al><al>bevat (bestanden, programma's en dergelijke). Als dat het geval is, dan </al><al>moet de belastingschuldige de mogelijkheid worden geboden om die </al><al>software te verwijderen en een back-up te maken. </al><al/><al>14.2.14. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken </al><al>De ontvanger moet er voor zorg dragen dat geen zilveren, gouden of platina </al><al>werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens de </al><al>Waarborgwet 1986 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of </al><al>met dat doel worden tentoongesteld. </al><al/><al>Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of </al><al>platina werken voorkomen -al dan niet met het vereiste stempelteken moet </al><al>de ontvanger ten minste drie dagen van tevoren aangifte doen bij </al><al>Waarborg Holland. </al><al/><al>14.2.15. Beslag op illegale zaken </al><al>Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de </al><al>vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden van </al><al>strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze doorgang </al><al>vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie </al><al>ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om </al><al>strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij geldt het bepaalde in artikel </al><al/><al>14.1.12 van deze leidraad. </al><al>Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de voormelde zaken </al><al>worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer), dan moet de </al><al>ontvanger contact opnemen met het dagelijks bestuur voordat maatregelen </al><al>worden getroffen om tot executoriale verkoop van de in beslag genomen </al><al>zaken over te gaan. </al><al/><al>14.2.16. Bieden voor rekening Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland en beslag </al><al>roerende zaken. Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger een </al><al>andere belastingdeurwaarder dan de deurwaarder die met de verkoop </al><al>belast is, opdragen voor rekening van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland </al><al>te bieden. </al><al/><al>14.2.17. Opheffing van het beslag op roerende zaken </al><al>Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger </al><al>dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot </al><al>kenbaar gemaakt. </al><al/><al>Opheffing van het beslag op roerende zaken als bedoeld in artikel 445 Rv, </al><al>wordt altijd kenbaar gemaakt bij deurwaardersexploot. </al><al/><al>14.2.18. Afboeking executie-opbrengst verkoop roerende zaken </al><al>De ontvanger verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag </al><al>roerende zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin </al><al>begrepen omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld </al><al>wordt afgeboekt, worden eerst de kosten van de executie verrekend. De </al><al>ontvanger boekt de opbrengst vervolgens af met inachtneming van het </al><al>bepaalde bij artikel 7 van deze leidraad. </al><al/><al>Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er beperkt </al><al>gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, dan wordt </al><al>zoveel mogelijk getracht in der minne overeenstemming te bereiken over de </al><al>toedeling van de netto-executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan </al><al>zijn de artikelen 481 en volgende Rv van toepassing. </al><al/><al>14.2.19. Proces-verbaal van verkoop roerende zaken </al><al>Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het </al><al>proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk </al><al>toegezonden, met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de </al><al>kopers onleesbaar zijn gemaakt. </al><al/><al>14.2.20. Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken </al><al>Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de ontvanger </al><al>vraagt of een beslag nog ligt, dan verstrekt de ontvanger deze informatie </al><al>tenzij het belang van de invordering zich daartegen verzet. </al><al/><al>14.2.21 Relaas van onttrekking </al><al>Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken (art. 198 Sr) kan van dat </al><al>feit op grond van art. 162 Sv aangifte worden gedaan. De ontvanger beslist </al><al>over de inzending van een relaas van onttrekking aan de Officier van </al><al>Justitie. </al><al/><al>14.3. Beslag op onroerende zaken </al><al>14.3.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag </al><al>onroerende zaken </al><al>Indien het beslag op een onroerende zaak mede omvat de in of op die zaak </al><al>aanwezige bestanddelen of natuurlijke vruchten, geldt het volgende. De </al><al>belastingdeurwaarder kan die bestanddelen of die vruchten wegvoeren om </al><al>in bewaring te geven indien dit voor het behoud van die bestanddelen of </al><al>vruchten noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe </al><al>verkregen toestemming van de ontvanger. Het bepaalde in artikel 14.2.9 is </al><al>van overeenkomstige toepassing. </al><al/><al>14.3.2. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken </al><al>Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag op een onroerende zaak </al><al>heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen belastingschuld zoveel </al><al>mogelijk opnieuw tot beslaglegging overgaan. </al><al>In gevallen waarin de ontvanger zelf de eerste beslaglegger is, gaat hij altijd </al><al>tot beslaglegging over voor vorderingen van derden waarvan de invordering </al><al>aan hem is opgedragen. </al><al/><al>14.3.3. Verhuurde of verpachte onroerende zaken </al><al>De ontvanger die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en </al><al>tevens de huur of pacht wil incasseren, doet hiervoor zoveel mogelijk een </al><al>vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter. Er wordt in </al><al>zo’n geval dus niet gehandeld als bedoeld in artikel 507, derde lid Rv. </al><al/><al>14.3.4. Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken </al><al>De ontvanger vraagt de notaris een afschrift van de veilingvoorwaarden die </al><al>op de verkoop van toepassing zijn en hij treedt zo nodig in overleg over de </al><al>inhoud van deze voorwaarden. </al><al/><al>In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald dat </al><al>de kosten van executie, toewijzing en eventuele rangregeling door de </al><al>executant zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort -als de </al><al>koopprijs niet toereikend mocht zijn -door de executant zal worden </al><al>aangezuiverd. </al><al/><al>14.3.5. Opheffing van het beslag onroerende zaken </al><al>Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt schriftelijk </al><al>mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als het beslag aan de </al><al>huurder of pachter is betekend, ontvangt deze ook een schriftelijke </al><al>mededeling. </al><al/><al>Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan </al><al>aan de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders </al><al>en -indien van toepassing -aan de bewaarder. </al><al/><al>14.4. Beslag onder derden </al><al/><al>14.4.1. Beslag op vordering van een derde </al><al>In de artikelen 475 Rv en volgende is de mogelijkheid gegeven ten laste van </al><al>de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt dat -na </al><al>het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring -de derde geen gelden of </al><al>zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen. De </al><al>ontvanger stelt de derde hiervan op de hoogte. </al><al/><al>Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van </al><al>derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de </al><al>belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander bijvoorbeeld </al><al>door een bank -wordt geadministreerd. Denk hierbij </al><al>bijvoorbeeld aan de echtgenoot met wie de belastingschuldige in </al><al>gemeenschap van goederen is gehuwd. In dat geval wordt het derdenbeslag </al><al>gelegd ten laste van de echtgenoot van de belastingschuldige, als de </al><al>echtgenoot alleen gerechtigd is de vermogensbestanddelen te vorderen die </al><al>onder het beslag vallen. </al><al/><al>In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de </al><al>derde-beslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan de </al><al>echtgenoot binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden </al><al>betekend, moet de ontvanger zoveel mogelijk aangeven op welke gronden </al><al>hij de vordering die op naam van de echtgenoot is geadministreerd, meent </al><al>te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de belastingschuldige. </al><al/><al>14.4.2. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 </al><al>Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van </al><al>de wet mogelijk is, kiest de ontvanger voor het doen van een vordering. </al><al/><al>14.4.3. Roerende zaken bij derden </al><al>Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige </al><al>bevinden, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel </al><al>14.2.8 van deze leidraad. </al><al/><al>14.4.4. Plaats beslaglegging en derdenbeslag </al><al>Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de naam en </al><al>de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht </al><al>geschonken. De situatie kan zich voordoen dat de derde een hoofdkantoor </al><al>heeft en een of meerdere bijkantoren. In dat geval legt de </al><al>belastingdeurwaarder het beslag zoveel mogelijk bij het hoofdkantoor dan </al><al>wel het filiaal of bijkantoor dat bemoeienis heeft met de gelden of zaken </al><al>waarop verhaal wordt gezocht. </al><al/><al>In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder een ander </al><al>filiaal of bijkantoor. De executant kiest in alle gevallen domicilie bij de </al><al>belastingdeurwaarder. </al><al/><al>Als er aanleiding toe bestaat, kan de ontvanger de omvang van het beslag </al><al>bij de beslaglegging beperken. Voor zover niet door een andere schuldeiser </al><al>beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip nog worden </al><al>beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in een afzonderlijk </al><al>geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding gemaakt. </al><al/><al>14.4.5. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor </al><al>geldt </al><al>Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e dan wel </al><al>artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn </al><al>levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan </al><al>past de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de </al><al>beslagvrije voet toe als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv. </al><al/><al>14.4.6. Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring </al><al>De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de </al><al>ontvanger in gebreke gesteld als zeven kalenderdagen na de termijn van </al><al>vier weken nog geen verklaring van hem is ontvangen. </al><al>Hij wordt daarbij gesommeerd om onverwijld tot verklaring over te gaan. </al><al/><al>14.4.7. Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring </al><al>De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de </al><al>ontvanger in gebreke gesteld als niet is overgegaan tot afdracht van de </al><al>opeisbare geldsommen of tot het aan de belastingdeurwaarder ter </al><al>beschikking stellen van de goederen en/of zaken binnen de termijn </al><al>genoemd in de schriftelijke uitnodiging als bedoeld in het achtste lid. </al><al>Hij wordt daarbij gesommeerd om binnen zeven kalenderdagen aan zijn </al><al>verplichting te voldoen. </al><al/><al>14.4.8. Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag </al><al>Een derde-beslagene kan binnen de termijn van vier weken verklaring doen </al><al>van hetgeen hij onder zich heeft en de belastingdeurwaarder laten weten </al><al>direct tot afdracht te willen overgaan. </al><al/><al>In dat geval deelt de ontvanger hem namens de belastingdeurwaarder mee als </al><al>er geen aanleiding bestaat de verklaring te betwisten -dat het beslag </al><al>van rechtswege vervalt op het moment dat de door de derde-beslagene af </al><al>te dragen geldsommen of ter beschikking te stellen goederen en/of zaken </al><al>door de belastingdeurwaarder zijn ontvangen. </al><al/><al>14.4.9. Derdenbeslag op polis van levens-of spaarverzekering of </al><al>lijfrente </al><al>Bij een derdenbeslag op een polis van een levens-of spaarverzekering of </al><al>lijfrente geldt -naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv het </al><al>volgende: </al><al>-De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen van </al><al>derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige </al><al>oudedagsvoorziening; </al><al>-De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de </al><al>openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van </al><al>de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de ontvanger rekening </al><al>met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in </al><al>bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling die tot </al><al>negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg </al><al>waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd; </al><al>-als de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500,-bedraagt, de </al><al>polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de </al><al>expiratiedatum, wint de ontvanger het derdenbeslag niet uit en gaat hij </al><al>niet over tot afkoop of belening. In dat geval laat de ontvanger -in </al><al>overleg met belastingschuldige -het beslag liggen tot de expiratiedatum; </al><al>-de omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot </al><al>uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag niet in de weg; </al><al>-de belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd </al><al>moeten onherroepelijk vaststaan en in redelijkheid materieel </al><al>verschuldigd worden geacht. </al><al/><al>14.4.10. Retentierecht en derdenbeslag </al><al>Als de derde-beslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het </al><al>derdenbeslag van de ontvanger zijn getroffen, dan kan de ontvanger op </al><al>grond van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor </al><al>het retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de </al><al>belastingschuldige. Het bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de </al><al>executiewaarde van de desbetreffende zaak. </al><al/><al>14.4.11. Opheffing van het derdenbeslag </al><al>Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger </al><al>dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot </al><al>kenbaar gemaakt aan zowel de belastingschuldige als de derde. </al><al/><al>In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennis gegeven aan </al><al>de derde-beslagene. De ontvanger zendt aan de belastingschuldige een </al><al>afschrift van deze kennisgeving. </al><al/><al>14.4.12. Onverschuldigde betaling en derdenbeslag.</al><al>Als een derde tegen de ontvanger een vordering uit onverschuldigde </al><al>betaling instelt en de ontvanger aan deze vordering voldoet, wordt de </al><al>belastingaanslag waarvoor het derdenbeslag is gelegd, geacht in zoverre </al><al>niet te zijn voldaan. </al><al/><al>De ontvanger kan de invordering van die aanslag dan ook hervatten alsof er </al><al>geen derdenbeslag is gelegd. </al><al/><al>14.4.13. Derdenbeslag onder de Staat of de ontvanger en het </al><al>doen van verklaring </al><al>Als derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat of de ontvanger, dan is </al><al>specificatie verplicht; er wordt in dit verband verwezen naar artikel 479 Rv. </al><al/><al>De verplichting tot specificatie heeft niet tot doel het verhaal te belemmeren, </al><al>maar de taak van de Staat of de ontvanger te verlichten. Dit betekent dat de </al><al>verklaring in het kader van het derdenbeslag zich niet moet beperken tot de </al><al>ex artikel 479 Rv genoemde vermogensbestanddelen, maar zich ook moet </al><al>uitstrekken tot alles wat de geëxecuteerde te vorderen heeft van de Staat of </al><al>de ontvanger en wat bij de Staat of de ontvanger bekend was op het </al><al>moment van beslaglegging. </al><al/><al>14.4.14. Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf </al><al>Niet van toepassing voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland.</al><al/><al/><al>14.5. Beslag op schepen </al><al/><al>14.5.1. Beletten van het vertrek van het schip </al><al>De belastingdeurwaarder kan een bewaarder aanstellen en de nodige </al><al>maatregelen nemen om het vertrek van het schip te beletten. Denk hierbij </al><al>bijvoorbeeld aan het 'aan de ketting leggen' van het schip. Zo nodig voorziet </al><al>de belastingdeurwaarder zich -na daartoe overleg te hebben gepleegd met </al><al>de ontvanger -van deskundige bijstand. De kosten van deze bijstand komen </al><al>voor rekening van de belastingschuldige. </al><al/><al>In daartoe aanleiding gevende gevallen kan het feitelijk gebruik van het </al><al>schip weer aan de belastingschuldige worden gelaten, bijvoorbeeld wanneer </al><al>ter voorkoming van een executoriale verkoop door de belastingschuldige </al><al>een voorstel tot minnelijke afdoening is gedaan en dit voorstel voor de </al><al>ontvanger -gelet op de omstandigheden -aanvaardbaar is. </al><al>In ieder geval zal een minnelijke afdoening moeten passen in het bij artikel </al><al>25 van deze leidraad geformuleerde uitstelbeleid. </al><al/><al>14.5.2. De executie van schepen </al><al>Tenzij een andere wijze van verkoop is toegestaan of voorgeschreven </al><al>gebeurt de executoriale verkoop van een schip ten overstaan van een </al><al>bevoegde notaris. </al><al>De verkoop van een buitenlands zeeschip kan ook plaatsvinden ten </al><al>overstaan van de rechtbank. Van deze mogelijkheid zal met name gebruik </al><al>moeten worden gemaakt als het land van herkomst de verkoop door een </al><al>notaris niet erkent. </al><al>De executie van niet-teboekgestelde schepen gebeurt op dezelfde wijze als </al><al>de executie van andere roerende zaken die geen registergoederen zijn. Om </al><al>een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger een </al><al>andere belastingdeurwaarder dan de belastingdeurwaarder die met de </al><al>verkoop is belast, opdragen voor rekening van de Belastingsamenwerking </al><al>Sabewa Zeeland te bieden. De ontvanger geeft deze belastingdeurwaarder </al><al>zo nodig nadere aanwijzingen. </al><al/><al>14.5.3. Afgelasting van de verkoop van een schip </al><al>Als een aangekondigde verkoop van een schip om enigerlei reden geen </al><al>doorgang kan vinden, dan draagt de ontvanger er zorg voor dat de </al><al>aanplakbiljetten onmiddellijk worden verwijderd. Hij treft ook voor op andere </al><al>wijze gedane aankondigingen dienovereenkomstige maatregelen. </al><al>Als de belastingschuldige niet van de afgelasting op de hoogte is, dan wordt </al><al>hem hiervan onverwijld schriftelijk en gemotiveerd mededeling gedaan. Als </al><al>verwacht mag worden dat deze mededeling de belastingschuldige niet meer </al><al>voor het aangekondigde tijdstip van verkoop bereikt, dan stelt de ontvanger </al><al>hem zo mogelijk op een andere wijze in kennis. </al><al/><al>14.5.4. Deskundige hulp en beslag op schepen </al><al>Als bij een executie deskundige hulp is gewenst, kan de ontvanger een </al><al>makelaar of een andere ter zake kundige inschakelen. </al><al/><al>14.5.5. Opheffing van het beslag op schepen </al><al>Van de opheffing van het beslag wordt schriftelijk mededeling gedaan aan </al><al>de belastingschuldige. Ook wordt -ingeval van teboekgestelde schepen van </al><al>de opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de </al><al>ingeschreven schuldeisers. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel/></kop><al>Geen nadere regels vastgesteld door Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Doorlopend beslag </titel></kop><al/><al>In aansluiting op artikel 16 van de wet beschrijft dit artikel het beleid </al><al>over derdenbeslagen op een voorlopige teruggaaf en/of voorschot.</al><al/><al>16.1 Derdenbeslag op een voorlopige teruggaaf of een voorschot</al><al>Als door de ontvanger onder de Belastingdienst derdenbeslag op een voorlopige </al><al>teruggaaf in de inkomstenbelasting is gelegd, geldt het volgende. </al><al>Dit beslag wordt geacht mede te omvatten een in termijnen uit te betalen bedrag </al><al>op grond van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting als bedoeld </al><al>in artikel 9, zesde lid, van de wet over een volgend jaar, voor zover de uit </al><al>te betalen termijnen van de voorlopige aanslagen op elkaar aansluiten </al><al>en de schuld waarvoor het beslag is gelegd niet geheel is voldaan. </al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel </titel></kop><al/><al>Artikel 17 van de wet geeft een zelfstandige regeling voor het instellen van </al><al>verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Naast de </al><al>belastingschuldige kan een ieder tegen wie de dwanginvordering is gericht </al><al>in verzet komen. </al><al>Verzet is mogelijk zodra de betekening van het dwangbevel heeft </al><al>plaatsgevonden. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het </al><al>dwangbevel, voor zover dit door het verzet wordt bestreden. Ook kan verzet </al><al>worden gedaan tegen een vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet. </al><al/><al>Er kan geen verzet worden ingesteld tegen de in rekening gebrachte kosten </al><al>van de aanmaning en de betekeningskosten van het dwangbevel. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 17 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-de schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging </al><al> dwangbevel; </al><al>-verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering. </al><al/><al>17.1. Schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel </al><al>Als naar de mening van de ontvanger het doen van verzet zo duidelijk </al><al>kansloos is dat er sprake is van misbruik van een bevoegdheid als bedoeld </al><al>in artikel 3:13 BW, kan hij -na verkregen toestemming van het dagelijks </al><al>bestuur besluiten de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort te zetten. </al><al/><al>Als sprake is van een beslag onder een derde, en de derde heeft een </al><al>buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de ontvanger onjuist of </al><al>onvolledig acht, dan deelt de ontvanger de schorsing van de executie </al><al>schriftelijk aan de derde mee onder vermelding van de grond waarop deze </al><al>schorsing berust. </al><al/><al>De ontvanger vermeldt daarbij tevens onder verwijzing naar artikel 476 Rv, </al><al>dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde werkt. Ook </al><al>wordt in de mededeling vermeld dat de verklaring wordt betwist en dat tot </al><al>dagvaarding zal worden overgegaan, nadat de schorsende werking van het </al><al>verzet is opgeheven. </al><al/><al>17.2. Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij </al><al>onjuiste adressering </al><al>Als het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post </al><al>betekende dwangbevel aan een onjuist adres is verzonden en daarom de </al><al>belastingschuldige niet heeft bereikt, is verzet mogelijk. </al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel/></kop><al/><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 18 van de wet geen beleidsregels </al><al>gemaakt. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Doen van een vordering </titel></kop><al/><al>De in artikel 19 van de wet omschreven vordering geeft de ontvanger de </al><al>mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige wijze belastingschuld </al><al>te verhalen op hetgeen een derde aan de belastingschuldige is verschuldigd </al><al>of ten behoeve van hem onder zich heeft of zal krijgen. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 19 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-de algemene regels over het doen van een vordering; </al><al>-de faillissementsvordering; </al><al>-vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen;</al><al>-de overheidsvordering, als bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet.</al><al/><al>19.1. Vordering algemeen </al><al>Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter </al><al>besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur </al><al>gegeven boven derdenbeslag. </al><al/><al>Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden </al><al>gericht wel houder van penningen is, moet al naar gelang de </al><al>omstandigheden worden beoordeeld of het leggen van derdenbeslag de </al><al>voorkeur verdient. </al><al/><al>19.1.1. Bekendmaking vordering </al><al>De ontvanger maakt de vordering bekend door toezending van een brief aan </al><al>degene aan wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige. </al><al>Als de ontvanger dat wenselijk acht, kan hij de vordering ook aan genoemde </al><al>personen laten betekenen door de belastingdeurwaarder. Bij de betekening </al><al>van een vordering handelt de belastingdeurwaarder overeenkomstig de voor </al><al>betekening van exploten geldende regels van het Wetboek van Burgerlijke </al><al>Rechtsvordering. </al><al/><al>Voor de betekening brengt de belastingdeurwaarder geen kosten in </al><al>rekening. </al><al/><al>19.1.2. Voldoen aan de vordering </al><al>Als de derde betaalt op een vordering die betrekking heeft op twee of meer </al><al>belastingaanslagen heeft hij niet het recht om aan te geven ter voldoening </al><al>van welke belastingaanslag de betaling strekt. </al><al/><al>19.1.3. Niet voldoen aan de vordering </al><al>Derdenbeslag wordt alleen gelegd als aan de vordering ten onrechte niet is </al><al>voldaan, dan wel de derde hierop ten onrechte niet heeft gereageerd. </al><al>Hiervan is zeker sprake als blijkt dat het uitblijven van het voldoen aan de </al><al>vordering te wijten is aan de derde. </al><al/><al>Als de ontvanger in verband met de kosten of om andere redenen </al><al>derdenbeslag niet opportuun acht, wordt daarvan afgezien en wordt de </al><al>vordering ingetrokken. </al><al/><al>Als wordt overgegaan tot het leggen van derdenbeslag wordt in het </al><al>beslagexploot melding gemaakt van de vordering die aan het beslag is </al><al>voorafgegaan en van de datum waarop die vordering is gedaan. </al><al/><al>19.1.4. Intrekken van een vordering </al><al>Zodra een vordering om enigerlei reden niet langer hoeft te worden </al><al>gehandhaafd, trekt de ontvanger deze bij beschikking in. </al><al/><al>De ontvanger maakt deze beschikking bekend aan degene aan wie de </al><al>vordering is gedaan. </al><al/><al>19.1.5. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie </al><al>tot vordering </al><al>Als een derde op vordering van de ontvanger betaalt en naderhand </al><al>vermindert of vernietigt de inspecteur de belastingaanslag, dan wordt de </al><al>hieruit voortvloeiende teruggaaf verrekend of uitbetaald aan de </al><al>belastingschuldige. </al><al/><al>19.1.6. Doorbreken beslagverboden en vordering </al><al>Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het vereenvoudigd </al><al>beslag op vorderingen tot bepaalde periodieke uitkeringen) bestaat onder </al><al>voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod gedeeltelijk te </al><al>negeren. Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen gebruik als de </al><al>belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een notoire wanbetaler in </al><al>de zin van artikel 19, tweede lid, van de wet. </al><al/><al>De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde </al><al>beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf schriftelijk </al><al>aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding van het </al><al>bijzondere karakter daarvan. </al><al>De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke benaming </al><al>dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de verruimde </al><al>beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een tiende deel van </al><al>het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor beslag. </al><al>19.1.7. Notoire wanbetaler en vordering </al><al>In afwijking in zoverre van artikel 19, tweede lid, van de wet vindt de </al><al>vordering waarbij de doorbreking van een wettelijk beslagverbod wordt </al><al>ingeroepen slechts plaats indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: </al><al>a. op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt heeft de </al><al>belastingschuldige meer dan één aanslag onbetaald gelaten; </al><al>b. de enige of laatste betalingstermijn van deze aanslagen is op het tijdstip </al><al>waarop de vordering plaats vindt met ten minste twee maanden </al><al>overschreden; </al><al>c. de belastingschuldige komt niet voor uitstel van betaling of </al><al>kwijtschelding in aanmerking omdat hij, naar de ontvanger bekend is, </al><al>beschikt over voldoende vermogen of voldoende betalingscapaciteit om </al><al>de belastingaanslagen te voldoen; </al><al>d. N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>Voor deze aanslagen geldt – naast de voorwaarden genoemd onder a </al><al>en b -als extra voorwaarde dat op het tijdstip waarop de vordering </al><al>plaatsvindt sprake moet zijn van een belastingschuld die door middel </al><al>van reguliere invorderingsmiddelen (voor particulieren: de vordering; </al><al>voor ondernemers: de tenuitvoerlegging van het dwangbevel) naar </al><al>verwachting niet zal worden voldaan binnen een termijn van drie </al><al>maanden te rekenen vanaf genoemd tijdstip.</al><al/><al>19.1.8. Vordering ten laste van de echtgenoot</al><al>Als de echtgenoot van de belastingschuldige recht heeft op gelden, penningen</al><al>of periodieke betalingen die in de huwelijksgemeenschap vallen, dan kan de</al><al>ontvanger een vordering ten laste van de echtgenoot doen. De bekendmaking </al><al>van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht dagen</al><al>na het doen van de vordering, te geschieden aan de belastingschuldige en de </al><al>echtgenoot afzonderlijk. Voor zover het periodieke uitkeringen betreft die </al><al>onder de opsomming van artikel 19, eerste lid, van de wet vallen, past de</al><al>ontvanger de beslagvrije voet toe alsof de echtgenoot de belastingschuldige is.</al><al/><al>19.2. De faillissementsvordering </al><al/><al>19.2.1. Aan te melden schulden in faillissement </al><al>In een faillissement vallen de belastingschulden -en ook de </al><al>invorderingsrente en heffingsrente -voor zover zij materieel zijn ontstaan </al><al>vóór de dag van de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de </al><al>materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij het tegendeel </al><al>blijkt: </al><al>-Belastingschulden ontstaan tot aan de datum van het faillissement </al><al>worden als faillissementsschulden aangemerkt; </al><al>-Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het faillissement zijn </al><al>niet verifieerbaar en moeten eventueel als boedelschuld worden </al><al>aangemeld. </al><al/><al>De ontvanger splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid of tijdstip </al><al>en doet twee aparte vorderingen: </al><al>-één voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld; </al><al>-één voor het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt. </al><al>Voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet kan </al><al>de ontvanger niet eerder aanmelden dan nadat de termijnen die aan die </al><al>aanslagen verbonden zijn, zijn vervallen. De ontvanger splitst de voorlopige </al><al>aanslagen naar tijdsevenredigheid of tijdstip. </al><al/><al>Bij het bepalen of een bestuurlijke boete in een faillissement valt, is </al><al>uitsluitend van belang de dagtekening van de desbetreffende beschikking. </al><al>Als die beschikking is gedagtekend voor het faillissement, kan de ontvanger </al><al>de boete in het faillissement aanmelden. Als de dagtekening ligt na </al><al>uitspraak van het faillissement, dan kan de ontvanger de boete niet meer in </al><al>het faillissement aanmelden, ook al heeft de boete betrekking op een </al><al>situatie vóór het faillissement. </al><al/><al>19.2.2. Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn </al><al>boedelschulden in faillissement </al><al>Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van </al><al>een surseance van betaling die aan het faillissement voorafgaat, kunnen op </al><al>grond van artikel 249 FW worden beschouwd als boedelschulden in het </al><al>faillissement. </al><al/><al>Het bepaalde in artikel 19 lid 1, van de wet is op deze schulden en de </al><al>belastingaanslagen die hierop betrekking hebben op soortgelijke wijze van </al><al>toepassing. </al><al/><al>19.2.3. Opkomen in faillissement </al><al>Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening aan de </al><al>vordering te verlangen maakt de ontvanger geen gebruik, tenzij bijzondere </al><al>omstandigheden met het oog op het belang van de invordering daartoe </al><al>noodzaken. </al><al>In alle gevallen waarin de ontvanger in het faillissement opkomt, vermeldt hij </al><al>in de vordering dat hij aanspraak maakt op eventuele voorrang. Als de </al><al>curator tijdens het faillissement materieel ontstane belastingschulden die als </al><al>boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet voldoet, dan </al><al>wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator om langs minnelijke </al><al>weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. </al><al/><al>Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de ontvanger zich </al><al>met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de </al><al>ontvanger zich rechtstreeks verhalen op de boedel. </al><al/><al>19.3. Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen </al><al/><al>19.3.1. Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen </al><al>Bij de beoordeling van de vraag of een vordering wordt gedaan met </al><al>betrekking tot een periodieke uitkering, is doorslaggevend het feit dat de </al><al>vordering een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een </al><al>doelmatige en doeltreffende invordering van belastingschulden is beoogd. </al><al/><al>Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven andere </al><al>invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd </al><al>door middel van beslag. Als het invordering van zeer geringe bedragen </al><al>betreft, bestaat er aanleiding eerst andere invorderingsmaatregelen te </al><al>proberen alvorens de derde via de vordering te betrekken. </al><al/><al>19.3.2. Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen </al><al>Als de ontvanger het dwangbevel per post heeft betekend en de invordering </al><al>vervolgt door middel van een vordering onder de werkgever (artikel 19, </al><al>eerste lid, onderdeel a, van de wet) of door een andere vordering op een </al><al>periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is hij </al><al>verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn </al><al>voornemen een vordering te doen. </al><al>De ontvanger doet de vooraankondiging niet eerder dan nadat vier dagen </al><al>zijn verstreken na de datum waarop hij het afschrift van het dwangbevel met </al><al>bevel tot betaling ter post heeft bezorgd. </al><al/><al>De ontvanger doet de betreffende vordering niet eerder dan zeven dagen na </al><al>de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft </al><al>achterwege als de ontvanger de vordering doet bij een werkgever of </al><al>uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de ontvanger een </al><al>belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. </al><al/><al>19.3.3. Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen </al><al>Als een vordering wordt gedaan voor periodieke uitkeringen die niet vallen </al><al>onder de opsomming van artikel 19, eerste lid, van de wet (en waarvoor </al><al>geen beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan dat hij voor </al><al>zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze uitkeringen, dan past </al><al>de ontvanger de artikelen 475b en 475d Rv toe. </al><al/><al>In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de </al><al>periodieke uitkering de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij </al><al>vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland </al><al>woont of vast verblijft. </al><al/><al>Voor een alleenstaande, jonger dan 21 jaar, en een alleenstaande, ouder </al><al>jonger dan 21 jaar -indien zij een ander inkomen genieten dan een </al><al>bijstandsuitkering -geldt een beslagvrije voet van 90% van het feitelijk </al><al>inkomen (+ vakantie-aanspraak) met een minimum van 90% van de </al><al>bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a onderscheidenlijk </al><al>onderdeel b van de Wet werk en bijstand en een maximum van 90% van de </al><al>bijstandsnorm nadat deze verhoogd is met het bedrag genoemd in artikel 25 </al><al>van die wet. </al><al/><al>Artikel 19.3.3a Beslagvrije voet en vakantiegeld </al><al>De ontvanger stelt de beslagvrije voet vast op basis van het periodieke </al><al>inkomen of de bijstandsnorm met inbegrip van de aanspraak op </al><al>vakantiegeld over de desbetreffende maand. In de maand dat het </al><al>vakantiegeld wordt uitbetaald, wordt de beslagvrije voet daarom niet </al><al>verhoogd. Dat laatste geldt ook als het beslag niet gedurende de gehele </al><al>periode waarover het vakantiegeld is opgebouwd, heeft gelegen. Uitbetaling </al><al>vakantiegeld is niet van invloed op de berekende beslagvrije voet. (volgens Rijksleidraad)</al><al/><al>19.3.4. Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet </al><al>De beslagvrije voet wordt bepaald aan de hand van de gegevens die bij de </al><al>ontvanger bekend zijn. Als de ontvanger de beslagvrije voet niet tot een juist </al><al>bedrag kan vaststellen zonder nadere informatie van de belastingschuldige, </al><al>stelt hij -op basis van artikel 58 van de wet -de belastingschuldige in de </al><al>gelegenheid die nadere informatie te verstrekken. Denk bijvoorbeeld aan de </al><al>situatie dat de belastingschuldige een partner heeft en het inkomen van de </al><al>partner bij de ontvanger niet bekend is. </al><al>Als de belastingschuldige vervolgens de gevraagde informatie alsnog verstrekt,</al><al>wijzigt de ontvanger de beslagvrije voet en past deze toe vanaf de eerstvolgende </al><al>inhouding, dus zonder terugwerkende kracht.</al><al>Als de belastingschuldige de gevraagde informatie niet verstrekt, wordt de </al><al>beslagvrije voet vastgesteld op 45% van de bijstandsnorm. </al><al>In situaties waarin de ontvanger de beslagvrije voet heeft vastgesteld zonder</al><al>vooraf informatie over inkomsten en uitgaven op te vragen bij de belasting-</al><al>schuldige, herstelt de ontvanger de beslagvrije als door de belastingschuldige</al><al>wordt aangetoond dat deze te laag is vastgesteld.</al><al>Als de belastingschuldige kan aantonen dat de beslagvrije voet al op een eerder </al><al>moment op een te laag bedrag was vastgesteld, gebeurt dit met terugwerkende</al><al>kracht.</al><al/><al>19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslag periodieke </al><al>uitkering </al><al>Als de belastingschuldige in het buitenland woont, kan hij uit Nederland een </al><al>periodieke uitkering genieten die in het woonland belast is op grond van een </al><al>overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting. In dat geval wordt </al><al>op verzoek van de belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering </al><al>beperkt met de belasting die in het woonland over die uitkering verschuldigd </al><al>is. De belastingschuldige moet bij zijn verzoek gegevens overleggen waaruit </al><al>deze belasting blijkt. </al><al/><al>19.3.6. Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet </al><al>Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige geniet </al><al>vanwege de Staat, gebeurt door aan de betreffende autoriteit verrekening te </al><al>vragen volgens artikel 117 van de Ambtenarenwet en subsidiair door een </al><al>vordering te doen. </al><al/><al>19.3.7. Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm </al><al>Periodieke uitkeringen kunnen lager zijn dan de bijstandsnorm omdat de </al><al>betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de </al><al>bijstandsnorm geacht wordt te betalen. </al><al/><al>In een dergelijk geval vermindert de ontvanger de beslagvrije voet met het </al><al>bedrag dat aan deze genietingen in natura kan worden toegerekend. </al><al/><al>19.3.8. Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al/><al>19.4. Beslagvrije voet en overheidsvordering</al><al>Als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij vanwege de toepassing</al><al>van de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet, een lager </al><al>bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dan overeenkomt met de voor hem geldende </al><al>beslagvrije voet, maakt de ontvanger de overheidsvordering op verzoek van de </al><al>belastingschuldige in zoverre ongedaan met inachtneming van hetgeen hierna volgt.</al><al>Bij het verzoek verstrekt de belastingschuldige naast de gegevens die van belang zijn</al><al>voor de vaststelling van de beslagvrije voet een overzicht van de banktegoeden, </al><al>waaronder begrepen spaartegoeden, waarover de belastingschuldige onmiddellijk na </al><al>de overheidsvordering kon beschikken. Ongedaanmaking blijft beperkt tot de laatste</al><al>overheidsvordering voorafgaand aan het verzoek van de belastingschuldige. Als sprake</al><al>is van een belastingschuldige als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet, berekent </al><al>de ontvanger de beslagvrije voet met inachtneming van het bepaalde in artikel 19, eerste</al><al>lid, laatste volzin van de wet.</al><al>Het bepaalde in artikel 19.1.7. van deze leidraad is hierbij van toepassing. Voordat de</al><al>ontvanger tot teruggaaf overgaat, gaat hij na of de belastingschuldige op het moment dat </al><al>de overheidsvordering is gedaan, beschikte over banktegoeden, waaronder begrepen</al><al>spaartegoeden. Als het totaal van de banktegoeden waarover de belastingschuldige</al><al>onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken groter is dan de voor hem geldende</al><al>beslagvrije voet, vermindert de ontvanger de teruggaaf met het meerdere.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Lijfsdwang </titel></kop><al/><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Voorrecht rijksbelastingen </titel></kop><al/><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Het bodemrecht</titel></kop><al/><al>In aansluiting op artikel 22 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-de werkingssfeer van het bodemrecht; </al><al>-bodemrecht en bestuurlijke boeten; </al><al>-overbetekening bodembeslag; </al><al>-de volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement; </al><al>-de volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement; </al><al>-bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar; </al><al>-bodemrecht en voorrang; </al><al>-verzet en beroep. </al><al/><al>22.1. Werkingssfeer bodemrecht </al><al>Derden die de eigendom pretenderen van in beslag genomen roerende of </al><al>onroerende zaken, kunnen hun rechten op die zaken -op de voet van de </al><al>artikelen 456 respectievelijk 538 en volgende Rv -geldend maken. Op </al><al>grond van artikel 435 Rv kunnen derden zich ook tegen het beslag </al><al>verzetten. </al><al/><al>Onafhankelijk hiervan kunnen derden die geheel of gedeeltelijk recht menen </al><al>te hebben op roerende zaken waarop voor een belastingschuld beslag is </al><al>gelegd, hun bezwaren tegen de beslaglegging van die zaken in de </al><al>administratieve sfeer door middel van een beroepschrift voorleggen aan het </al><al>dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>Met derden worden hier niet alleen bedoeld degenen die zich op een </al><al>eigendomsrecht beroepen, maar ook degenen die een beperkt recht op de </al><al>zaak menen te hebben. Een tijdig ingediend beroepschrift op de voet van </al><al>artikel 22, eerste lid, van de wet schort de executie van rechtswege op. </al><al/><al>Artikel 22, derde lid, van de wet ontneemt derden de mogelijkheid van </al><al>verzet in rechte tegen de inbeslagneming van de in dat artikel bedoelde </al><al>zaken en genoemde belastingaanslagen. Dit noemt men het bodemrecht </al><al>van de fiscus. Dit voorrecht is niet toepasbaar door de ontvanger van de </al><al>Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>22.2. Bodemrecht en bestuurlijke boeten </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>22.3. Overbetekening bodembeslag </al><al>Als de ontvanger bekend is met de omstandigheid dat zaken in eigendom </al><al>toebehoren aan een derde, dan is hij op grond van artikel 435, derde lid Rv </al><al>verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit beslag binnen acht dagen na de </al><al>beslaglegging aan die derde te doen betekenen door de </al><al>belastingdeurwaarder. </al><al/><al>Bij deze overbetekening moet de derde schriftelijk worden gemeld dat hij de </al><al>mogelijkheid heeft een beroepschrift tegen de inbeslagneming te richten </al><al>aan het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al>De ontvanger gaat onmiddellijk tot betekening aan de derde over als hij op </al><al>enig later tijdstip -maar vóór de geplande verkoopdatum -kennis krijgt van </al><al>het feit dat de in beslag genomen zaken eigendom zijn van die derde. Als </al><al>tussen het moment van de betekening aan de derde en de vastgestelde </al><al>verkoopdatum minder dan acht dagen liggen, gaat de ontvanger over tot het </al><al>vaststellen van een nieuwe verkoopdatum. </al><al/><al>22.4. Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>22.5. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>22.6. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>22.7. Bodemrecht en voorrang </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>22.8. Verzet en beroep </al><al/><al>22.8.1. Verzet artikel 435, derde lid Rv tegen bodembeslag </al><al>Als uit een verzetschrift ex artikel 435, derde lid Rv blijkt dat de derde geen </al><al>eigenaar is van de zaken genoemd in dat verzetschrift, of voor de ontvanger </al><al>anderszins duidelijk is dat de derde geen eigenaar is van de betreffende </al><al>zaken, dan vindt executie van die zaken in beginsel doorgang. </al><al/><al>22.8.2. Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel </al><al>435, derde lid, Rv inzake bodembeslag </al><al>Als de derde een schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid Rv heeft </al><al>gedaan, heft de ontvanger het beslag op als zonder meer duidelijk is dat het </al><al>zaken betreft waarop de ontvanger geen verhaal kan nemen. </al><al/><al>In de overige gevallen zendt de ontvanger de schriftelijke mededeling door </al><al>naar het dagelijks bestuur. Als ook het dagelijks bestuur geen aanleiding </al><al>ziet aan het verzet tegemoet te komen, dan stuurt de ontvanger de stukken </al><al>door naar de huisadvocaat met het verzoek een procedure aan te spannen </al><al>om een executoriale titel tegen de derde te verkrijgen. </al><al>22.8.3. Opschorting verkoop na verzet in rechte tegen bodembeslag </al><al>Een verzet op de voet van artikel 456 Rv tegen de verkoop van roerende </al><al>zaken schort de voortgang van de executie niet van rechtswege op. </al><al/><al>Niettemin schort de ontvanger de invordering in het algemeen op en neemt </al><al>hij geen onherroepelijke maatregelen, tenzij naar het oordeel van de </al><al>ontvanger het opschorten van de invordering de belangen van de Staat </al><al>schaadt, of, naar het oordeel van de ontvanger, de verzetsprocedure alleen </al><al>wordt gebruikt om de invordering te traineren. </al><al/><al>22.8.4. Beroepschrift ex artikel 22 van de wet </al><al>Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet moet worden ingediend bij de </al><al>ontvanger, waaronder de belastingschuldige ressorteert. Een beroepschrift </al><al>kan niet meer worden ingediend als het beslag is opgeheven of vervallen. </al><al/><al>Als toch een beroepschrift wordt ingediend, dan zal het dagelijks bestuur dit </al><al>beroepschrift niet in behandeling nemen omdat het beslag niet meer ligt. </al><al/><al>22.8.5. Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet </al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 22 van de wet geldt voor de </al><al>beroepsfase dat als uit een beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het </al><al>beroep is gebaseerd, de ontvanger de indiener verzoekt om het </al><al>beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De </al><al>ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij </al><al>het niet voldoen aan de motiveringsplicht. </al><al/><al/><al>22.8.6. Taak van de ontvanger met betrekking tot beroepschrift ex </al><al>artikel 22, eerste lid, van de wet </al><al>Een beroepschrift dat te laat is ingediend -maar dat betrekking heeft op een </al><al>beslag dat nog steeds ligt -zal het dagelijks bestuur niet ontvankelijk </al><al>verklaren, tenzij hij van oordeel is dat de indiener niet in verzuim is geweest. </al><al/><al>Een beroepschrift dat in verband met te late indiening niet-ontvankelijk is </al><al>verklaard, zal het dagelijks bestuur ambtshalve in behandeling nemen. De </al><al>ontvanger schort in het algemeen eveneens de verkoop op -ongeacht de </al><al>eventuele wettelijke noodzaak daartoe -als een tijdig ingediend </al><al>beroepschrift niet op alle in beslag genomen zaken betrekking heeft. </al><al/><al>Als de belanghebbende zich met zijn bezwaren tot de ontvanger wendt </al><al>voordat hij een beroepschrift indient of een procedure aanspant, dan wijst </al><al>de ontvanger de belanghebbende op de mogelijkheid een beroepschrift tot </al><al>het dagelijks bestuur te richten. Als de ontvanger in dit stadium met de </al><al>belanghebbende tot een oplossing kan komen, verdient dit uiteraard </al><al>aanbeveling. In geval van leasing geldt echter dat de ontvanger een beslag </al><al>niet opheft dan na overleg met het dagelijks bestuur. </al><al/><al>22.8.7. Beslissing dagelijks bestuur op het beroepschrift tegen een </al><al>bodembeslag </al><al>Het dagelijks bestuur motiveert de beslissing ook als sprake is van een te </al><al>laat ingediend beroepschrift. Het dagelijks bestuur zendt zijn beslissing op </al><al>een ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de ontvanger. De ontvanger </al><al>draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, </al><al>aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en -zo nodig -aan de </al><al>bewaarder. Voor de betekening van de beslissing van het dagelijks bestuur </al><al>worden geen kosten in rekening gebracht. </al><al/><al>Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt hetzij </al><al>door het dagelijks bestuur rechtstreeks aan de adressant of zijn </al><al>gemachtigde en zo nodig aan de bewaarder gezonden, hetzij op verzoek </al><al>van het dagelijks bestuur verzonden en betekend op de wijze die geldt voor </al><al>een ontvankelijk verklaard beroepschrift. </al><al>Als het gewenst is dat de zaken -in afwachting van de beslissing op het </al><al>beroepschrift -spoedig worden verkocht, dan kan de ontvanger na overleg </al><al>met het dagelijks bestuur erin toestemmen dat de verkoop door de derde </al><al>gebeurt mits de opbrengst -die in de plaats van de zaken treedt -in </al><al>afwachting van de beslissing bij de ontvanger wordt gedeponeerd. </al><al/><al>22.8.8. Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag </al><al>De situatie kan zich voordoen dat de ontvanger uit het ingediende </al><al>bezwaarschrift niet kan opmaken of is beoogd administratief beroep in te </al><al>stellen op grond van artikel 22 eerste lid, van de wet dan wel verzet aan te </al><al>tekenen op grond van artikel 435, derde lid Rv. </al><al>Als dat het geval is, nodigt de ontvanger de derde uit zich daarover binnen </al><al>tien dagen uit te laten. Als de derde niet reageert, wordt het geschrift </al><al>aangemerkt als een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet. </al><al/><al>22.8.9. Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag </al><al>Als de derde zowel een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet </al><al>indient als een schriftelijke mededeling doet als bedoeld in artikel 435, </al><al>derde lid Rv, dan zendt de ontvanger eerst het beroepschrift ter behandeling aan                     het dagelijks bestuur voordat hij het verzet ex artikel 435, derde lid Rv, behandelt. </al><al/><al/><al>22.8.10. Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex </al><al>artikel 22, eerste lid, van de wet </al><al>Bij de beslissing van het dagelijks bestuur op een beroepschrift dat is </al><al>ingediend tegen de inbeslagneming van bodemzaken voor </al><al>belastingaanslagen als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet, wordt </al><al>het eigendomsrecht van een derde ontzien in die gevallen waarin sprake is </al><al>van eigendom van de derde. </al><al/><al>22.8.11. Beëindiging operationele leaseovereenkomst </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>22.8.12. Executie en bodemrecht </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel>22a, artikel 23 en artikel 23a </titel></kop><al/><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 22a, artikel 23 en artikel 23a van de wet </al><al>geen beleidsregels gemaakt. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Verrekening</titel></kop><al/><al>Artikel 24 van de wet regelt de verrekening door de ontvanger van in te </al><al>vorderen en uit te betalen bedragen. Bij de verrekening mag de ontvanger </al><al>geen gebruik maken van de algemene verrekeningsbepalingen van het  Burgerlijk Wetboek. Tijdens faillissement, surseance en wettelijke </al><al>schuldsanering geldt artikel 24 van de wet niet; dan zijn de artikelen 53 tot </al><al>en met 56, 234, 235 en 307 van de FW van toepassing. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 24 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-wanneer verrekening; </al><al>-betwiste schuld en verrekening; </al><al>-reikwijdte van de verrekening; </al><al>-bekendmaking verrekening; </al><al>-instemmingsregeling bij cessie en verpanding. </al><al/><al>24.1. Wanneer verrekening </al><al>De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger bepaalt of al </al><al>dan niet tot verrekening wordt overgegaan. </al><al>Als de belastingschuldige de ontvanger verzoekt een bepaalde </al><al>belastingteruggaaf of een ander uit te betalen bedrag met een bepaalde </al><al>openstaande aanslag of andere vordering te verrekenen, dan willigt de </al><al>ontvanger dit verzoek altijd in. </al><al/><al>Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf is </al><al>geformaliseerd of het uit te betalen bedrag is vastgesteld. In dat geval </al><al>schort de ontvanger de invordering echter niet zonder meer op. Zo nodig </al><al>kan de belastingschuldige om uitstel van betaling in verband met de te </al><al>verwachten teruggaaf respectievelijk het te verwachten uit te betalen bedrag </al><al>verzoeken (zie artikel 25.3 van deze leidraad). </al><al/><al>24.2. Betwiste schuld en verrekening </al><al>In het algemeen gaat de ontvanger niet tot verrekening over met een te </al><al>betalen bedrag dat de belastingschuldige betwist en waarvoor de ontvanger </al><al>uitstel van betaling heeft verleend op grond van artikel 25.2 van deze </al><al>leidraad. </al><al>De ontvanger kan wel verrekenen als de financiële situatie van de </al><al>belastingschuldige zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat. </al><al/><al>24.3. Reikwijdte van de verrekening </al><al>Ondanks het feit dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te </al><al>betalen bedragen niet automatisch verrekend met aanslagen die (nog) niet </al><al>invorderbaar zijn. Dit laat onverlet dat de ontvanger bevoegd is om in </al><al>daartoe aanleiding gevende gevallen binnen de betalingstermijn te </al><al>verrekenen. </al><al/><al>Bij belastingaanslag waarvan een termijnbetaling is verstreken, kan de </al><al>ontvanger alleen verrekenen voor zover de termijnen zijn verstreken. </al><al>Hierop maakt de ontvanger een uitzondering als er sprake is van een </al><al>situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de wet. </al><al>Dan is verrekening mogelijk met alle termijnen van de voorlopige aanslag </al><al>vanaf het moment dat zich één van de genoemde situaties voordoet. </al><al/><al>Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de </al><al>ontvanger is opgedragen, kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de </al><al>invordering aan de ontvanger is opgedragen. </al><al/><al>24.4. Bekendmaking verrekening </al><al>Verrekening van een uit te betalen bedrag door de ontvanger gebeurt bij </al><al>beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige </al><al>bekendgemaakt door toezending of uitreiking van een kennisgeving. </al><al>Het achterwege laten van de bekendmaking heeft niet tot gevolg dat de </al><al>verrekening nietig is. </al><al/><al>24.5. Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>24.6. Instemmingsregeling bij cessie en verpanding </al><al/><al>24.6.1. Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding </al><al>In artikel 24, vierde lid, van de wet is een instemmingsregeling opgenomen </al><al>die verrekening uitsluit als de ontvanger instemt met cessie (artikel 3:94 </al><al>BW) of stille verpanding (artikel 3:239 BW) van een uit te betalen bedrag. </al><al/><al>Als de ontvanger niet heeft ingestemd, kan hij tot verrekening met </al><al>openstaande schulden overgaan ook al is de cessie of verpanding aan hem </al><al>meegedeeld. De ontvanger verrekent het uit te betalen bedrag met de </al><al>belastingschulden die openstaan op het moment van formalisering van het </al><al>uit te betalen bedrag. </al><al/><al>Bij openbare verpanding van een uit te betalen bedrag geldt geen </al><al>instemmingsregeling. </al><al/><al>24.6.2. Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen </al><al>Cessie of stille verpanding van een uit te betalen bedrag is mogelijk mits dit </al><al>bedrag voldoende bepaald is omschreven. </al><al/><al>Stille verpanding is mogelijk vanaf het moment dat de aanspraak op </al><al>teruggaaf van het saldo van positieve en negatieve elementen van de </al><al>belastingaanslag of de teruggaafbeschikking materieel vaststaat. Dit is op </al><al>zijn vroegst het geval na het einde van het jaar of tijdvak waarop de </al><al>teruggaaf betrekking heeft. </al><al/><al/><al>24.6.3. Instemming of weigering met een cessie of verpanding </al><al>De weigering van een instemming met de cessie of verpanding heeft </al><al>betrekking op de gehele cessie of verpanding. De instemming wordt niet </al><al>gedeeltelijk verleend. Wel bestaat de mogelijkheid om een uit te betalen </al><al>bedrag in gedeelten te cederen of te verpanden. De ontvanger moet dan bij </al><al>iedere cessie of verpanding afzonderlijk beoordelen of hij daarmee instemt. </al><al/><al>Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd als de </al><al>ontvanger gegronde redenen heeft om aan te nemen dat instemmen met de </al><al>cessie of verpanding zal kunnen leiden tot oninbaarheid dan wel </al><al>onverhaalbaarheid van een ten tijde van de mededeling invorderbare </al><al>belastingaanslag (of anderszins voor verrekening vatbare schuld) waarmee </al><al>het uit te betalen bedrag zonder cessie of verpanding had kunnen worden </al><al>verrekend. De weigering voorkomt aldus dat de invordering van deze </al><al>aanslag wordt gefrustreerd. Deze situatie zal zich onder meer voordoen bij </al><al>een belastingschuldige die bekend staat als een notoir slechte betaler. </al><al/><al>Met nadruk wordt vermeld dat bij de beoordeling of met een cessie of </al><al>verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt gehouden met </al><al>materieel ontstane belastingschulden die nog niet zijn geformaliseerd in een </al><al>belastingaanslag. De ontvanger is verplicht met een cessie of verpanding in </al><al>te stemmen als op het tijdstip van de mededeling van de cessie of </al><al>verpanding ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening </al><al>vatbare (en dus geformaliseerde) schuld invorderbaar is. </al><al>In verband met het cessie- en verpandingsverbod van artikel 7b van de wet</al><al>geldt dit niet voor uitbetalingen inkomstenbelasting.</al><al/><al>De ontvanger maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de </al><al>derde -in dit geval de pandhouder of cessionaris -bekend door middel van </al><al>een gedagtekende kennisgeving, waarbij de belastingschuldige op de </al><al>mogelijkheid wordt gewezen bij het dagelijks bestuur beroep in te stellen. </al><al/><al>24.6.4. Verzoek om instemming met cessie of verpanding en Awb </al><al>De beslissing op een verzoek om instemming met een cessie of verpanding </al><al>wordt aangemerkt als een financiële beschikking in de zin van de Awb. </al><al/><al>24.6.5. Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb</al><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet geldt met betrekking tot </al><al>een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het beroep is </al><al>gebaseerd, dat de ontvanger de indiener verzoekt het beroepschrift binnen </al><al>een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op </al><al>een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze </al><al>motiveringsplicht. </al><al/><al>24.6.6. Bekendmaking beschikking dagelijks bestuur bij cessie of </al><al>verpanding </al><al>De beschikking van het dagelijks bestuur op het beroepschrift wordt bekend </al><al>gemaakt door toezending of uitreiking van de beschikking aan zowel de </al><al>belastingschuldige als de derde, in dit geval de pandhouder of cessionaris. </al><al/><al>24.6.7. Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming </al><al>met cessie of verpanding </al><al>De belastingschuldige kan zich tot de voorzieningenrechter wenden met het </al><al>verzoek de ontvanger te verbieden de instemming te weigeren. Totdat de </al><al>voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, gaat de ontvanger niet tot </al><al>verrekening over. </al><al/><al>Als de rechter het verzoek afwijst, dan verrekent de ontvanger niet eerder </al><al>dan nadat veertien dagen zijn verstreken na de dag van de uitspraak, tenzij </al><al>tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld. </al><al/><al>Als de rechter het verzoek ook in hoger beroep afwijst, verrekent de </al><al>ontvanger niet eerder dan nadat de uitspraak in hoger beroep onherroepelijk </al><al>vaststaat. </al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Uitstel van betaling </titel></kop><al/><al>Op grond van artikel 25 van de wet kan de ontvanger -onder door hem te </al><al>stellen voorwaarden -uitstel van betaling verlenen aan de </al><al>belastingschuldige voor (een gedeelte van) een opgelegde </al><al>belastingaanslag. </al><al/><al>Het verlenen van uitstel van betaling gebeurt in beginsel op schriftelijk </al><al>verzoek van de belastingschuldige. In daartoe aanleiding gevende gevallen </al><al>kan de ontvanger ook ambtshalve uitstel van betaling verlenen. </al><al/><al>De ontvanger kan een verleend uitstel van betaling bij beschikking </al><al>tussentijds beëindigen. </al><al/><al>Voor voornoemde belasting, wordt geen uitstel van betaling verleend, </al><al>tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 73.5 van de </al><al>Leidraad (uitstel van betaling gedurende de periode van minnelijke </al><al>schuldsanering). </al><al/><al>In aansluiting op artikel 25 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-de algemene uitgangspunten van het uitstelbeleid; </al><al>-uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag. </al><al>-uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag; </al><al>-uitstel in verband met betalingsproblemen; </al><al>-betalingsregeling voor particulieren; </al><al>-betalingsregeling voor ondernemers; </al><al>-administratief beroep. </al><al/><al>25.1. Algemene uitgangspunten uitstelbeleid </al><al/><al>25.1.1. Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek om </al><al>uitstel </al><al>Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt </al><al>de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek </al><al>is toegewezen. </al><al/><al>Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Belastingsamenwerking </al><al>Sabewa Zeeland kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het </al><al>verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen. </al><al/><al>25.1.2. Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling </al><al>Bij toewijzing van het verzoek vermeldt de ontvanger de voorwaarden </al><al>waaronder hij uitstel van betaling verleent in de beschikking. </al><al/><al>25.1.3. Redenen afwijzing verzoek om uitstel </al><al>Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als: </al><al>a. de medewerking van de verzoeker aan de Belastingsamenwerking </al><al>Sabewa Zeeland naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende is; </al><al>b. onjuiste gegevens worden verstrekt; </al><al>c. de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de ontvanger </al><al>daartoe gestelde termijn zijn verstrekt; </al><al>d. de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld (zie artikel 25.1.13, 25.2.5, </al><al>25.5.2 en 25.6.2 van deze leidraad); </al><al>e. de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden </al><al>gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde belasting te betalen; </al><al>f. de berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct </al><al>voldaan kan worden; </al><al>g. de betalingsregeling zich over een voor de ontvanger onaanvaardbare </al><al>termijn uitstrekt; </al><al>h. de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling volgens </al><al>de ontvanger geen uitkomst zal bieden; </al><al>i. sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een </al><al>belastingaanslag in verband met betalingsmoeilijkheden en </al><al>voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een </al><al>bezwaar-of beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl gedurende die </al><al>procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan, waarmee </al><al>de belastingschuld kon worden betaald. </al><al>j. indien de belastingschuldige reeds eerder een regeling heeft </al><al>genoten, maar deze niet is nagekomen; </al><al>k. indien ter zake van de aanslag reeds een beslagopdracht naar de </al><al>belastingdeurwaarder is uitgegaan dan wel door de </al><al>belastingdeurwaarder reeds beslag is gelegd; </al><al>l. in geval van een vordering op grond van artikel 19 van de wet; </al><al>m. het in bezwaar betwiste bedrag minder dan € 50,-bedraagt. </al><al>De ontvanger is niet verplicht de belastingschuldige in de gelegenheid te </al><al>stellen zijn zienswijze naar voren te laten brengen voordat hij het verzoek </al><al>om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst. Als het verzoek om uitstel wordt </al><al>afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing van het verzoek </al><al>is besloten. Daarbij moeten alle afwijzingsgronden worden genoemd; er kan </al><al>niet worden volstaan met het noemen van de voornaamste afwijzingsgrond. </al><al/><al>25.1.4. Redenen beëindigen uitstel </al><al>Het uitstel wordt in ieder geval beëindigd als: </al><al>a. niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het uitstel is </al><al>verleend; </al><al>b. tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat onjuiste gegevens zijn </al><al>verstrekt; </al><al>c. de aanleiding tot uitstel van betaling is weggevallen; </al><al>d. de financiële omstandigheden van de belastingschuldige zodanig </al><al>veranderen of zijn veranderd dat het naar het oordeel van de ontvanger </al><al>onjuist is het uitstel te continueren; </al><al>e. de medewerking van de verzoeker aan de Belastingsamenwerking </al><al>Sabewa Zeeland naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende is; </al><al>f. zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel 10 van de wet en </al><al>de ontvanger van mening is dat de verhaalbaarheid van de </al><al>belastingschuld waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar komt; </al><al>g. belastingschuldige in staat van faillissement wordt verklaard, hem </al><al>surseance van betaling wordt verleend of hij wordt toegelaten tot de </al><al>wettelijke schuldsanering natuurlijke personen. </al><al/><al>25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn </al><al>Als de belastingschuldige een betalingsregeling van meer dan één termijn </al><al>niet nakomt, kan de ontvanger alvorens hij de regeling beëindigt, de </al><al>belastingschuldige in de gelegenheid stellen om alsnog binnen tien dagen </al><al>de achterstand te voldoen. </al><al>25.1.6. Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel </al><al>Als de ontvanger uitstel heeft verleend tot een bepaald tijdstip en dit tijdstip </al><al>is verstreken, dan is daardoor het uitstel van rechtswege vervallen. </al><al/><al>Als het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk is ingediend, stelt de </al><al>ontvanger de belastingschuldige van het vervallen van het verleende uitstel </al><al>schriftelijk op de hoogte onder opgaaf van reden. </al><al/><al>25.1.7. Geen invordering tijdens verleend uitstel </al><al>Tenzij in de leidraad anders is aangegeven, kan de ontvanger voor een </al><al>belastingaanslag waarvoor hij uitstel van betaling heeft verleend, geen </al><al>invorderingsmaatregelen nemen. </al><al/><al>25.1.8. Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd </al><al>Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend </al><al>uitstel beëindigt, of als het dagelijks bestuur afwijzend heeft beslist op een </al><al>ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, dan wordt de </al><al>vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn </al><al>van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde geldt als het </al><al>uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en daarvan een mededeling </al><al>is gedaan. </al><al/><al>Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege als op telefonisch </al><al>verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van tien dagen niet. </al><al/><al>Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder meer plaats als </al><al>naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet </al><al>onmiddellijk aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de </al><al>Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland worden geschaad. Verder geldt </al><al>deze termijn niet als een executieverkoop wordt opgeschort en in verband </al><al>daarmee uitstel van betaling is verleend in samenhang met een </al><al>prolongatieovereenkomst. </al><al/><al>25.1.9. Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag </al><al>Als de belastingschuldige uitstel van betaling vraagt voor een ambtshalve </al><al>opgelegde belastingaanslag, dan verleent de ontvanger ten hoogste één maand </al><al>uitstel om de belastingschuldige in de gelegenheid te stellen alsnog een </al><al>aangiftebiljet in te dienen. </al><al>Als de belastingschuldige het aangiftebiljet niet binnen deze termijn indient, </al><al>dan deelt de ontvanger hem mee dat het uitstel is vervallen. De ontvanger </al><al>verleent niet nogmaals uitstel van betaling om het aangiftebiljet alsnog in te </al><al>dienen. </al><al/><al>25.1.10. Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten </al><al>Voor een aanslag die uitsluitend wordt opgelegd met het doel de </al><al>bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag te behouden – een en </al><al>ander als bedoeld in artikel 11, derde lid, artikel 16, derde lid, en artikel 20, </al><al>derde lid, van de AWR – verleent de ontvanger ambtshalve uitstel van </al><al>betaling. Het uitstel wordt verleend voor het gehele bedrag van de aanslag </al><al>en duurt tot het moment waarop de inspecteur de belastingplichtige de </al><al>precieze elementen van de aanslag heeft meegedeeld. </al><al/><al>25.1.11. Uitstel voor een bestuurlijke boete </al><al>De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete in </al><al>verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke boete. </al><al>De ontvanger verleent ook uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete </al><al>als sprake is van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en de </al><al>bedragen van die belastingaanslag en die van de boetebeschikking op één </al><al>aanslagbiljet zijn vermeld. De ontvanger verleent dit uitstel niet als uit het </al><al>bezwaarschrift blijkt dat het bezwaar zich niet richt tegen de bestuurlijke </al><al>boete. </al><al/><al>Aan het uitstel kan de ontvanger voorwaarden verbinden die ertoe strekken </al><al>de belangen van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland veilig te </al><al>stellen. De ontvanger verleent het uitstel tot het moment waarop op het </al><al>bezwaarschrift is beslist. </al><al/><al>25.1.12. Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen </al><al>Bij uitstel wegens betalingsmoeilijkheden stelt de ontvanger de voorwaarde </al><al>dat voor nieuwe belastingaanslagen geen betalingsachterstand zal </al><al>ontstaan. </al><al/><al>25.1.13. Zekerheid bij uitstel </al><al>De ontvanger kan bij het verlenen van uitstel van betaling de voorwaarde </al><al>stellen dat de belastingschuldige of een derde zekerheid stelt. Bij het stellen </al><al>van zekerheid gaat de voorkeur uit naar zekerheden die op eenvoudige </al><al>wijze kunnen worden gesteld, bewaakt en uitgewonnen. </al><al/><al>Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding van </al><al>voorraden is in beginsel niet aanvaardbaar vanwege de aard van deze </al><al>zekerheid. De ontvanger aanvaardt een bezitloze verpanding van voorraden </al><al>slechts als aannemelijk is dat de belastingschuld niet kan worden betaald en </al><al>andere zekerheidsvormen niet voorhanden zijn. </al><al/><al>25.1.14. Tijdstip indiening verzoek om uitstel </al><al>De ontvanger neemt een verzoek om uitstel van betaling altijd in </al><al>behandeling, ongeacht het tijdstip van indiening en het stadium van de </al><al>invordering. </al><al/><al>De ontvanger wijst een verzoek om uitstel van betaling in verband met </al><al>betalingsproblemen in het algemeen af als het verzoek is ingediend nadat </al><al>aankondiging van een ten laste van de belastingschuldige te houden </al><al>executoriale verkoop in een dagblad heeft plaatsgevonden, of als publicatie </al><al>daarvan niet meer is te voorkomen. </al><al>Om de belangen van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland niet te </al><al>schaden, kan de ontvanger de beslissing op een vlak voor de executoriale </al><al>verkoop ingediend verzoek om uitstel mondeling bekend maken. De </al><al>ontvanger bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In </al><al>dat geval geldt uiteraard niet de termijn van tien dagen waarbinnen de </al><al>ontvanger de invordering niet mag aanvangen of voortzetten. </al><al/><al>De ontvanger willigt geen enkel verzoek om uitstel meer in als de </al><al>belastingdeurwaarder is begonnen met de executoriale verkoop. </al><al/><al>25.1.15. Verzoekschriften aan andere instellingen </al><al>De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij </al><al>de Nationale Ombudsman/de Zeeuwse Ombudsman.</al><al/><al>Onherroepelijke invorderingsmaatregelen mogen alleen worden genomen na </al><al>voorafgaande toestemming van het dagelijks bestuur. </al><al/><al>25.2. Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag </al><al/><al>25.2.1. Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag </al><al>De belastingschuldige kan bezwaren tegen de hoogte van een </al><al>belastingaanslag door middel van een bezwaar-of beroepschrift kenbaar </al><al>maken. Onder een bezwaarschrift wordt ook begrepen een door de </al><al>belastingschuldige ingediend (hoger) beroepschrift. Een in verband </al><al>daarmee gevraagd uitstel van betaling kan de ontvanger verlenen tot het </al><al>moment waarop de inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift doet. </al><al/><al>Het in artikel 25.2 van deze leidraad beschreven uitstelbeleid heeft </al><al>uitsluitend betrekking op het door de belastingschuldige bestreden deel van </al><al>de belastingaanslag waarvoor uitstel is verzocht of verleend. </al><al/><al>Naast bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag kunnen ook </al><al>bezwaren worden ingebracht tegen een door de inspecteur of de ontvanger </al><al>genomen beschikking of kennisgeving op grond van enige bepaling van de </al><al>(belasting)wet. Het beleid is daarop zoveel mogelijk van overeenkomstige </al><al>toepassing. </al><al/><al>25.2.2. Bezwaarschrift geldt niet als verzoek om uitstel; idem </al><al>beroepschrift </al><al>Als de belastingschuldige een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag </al><al>indient, merkt de ontvanger het bezwaarschrift niet aan als een verzoek om </al><al>uitstel van betaling, tenzij de belastingschuldige in het bezwaarschrift </al><al>uitdrukkelijk aangeeft uitstel van betaling te wensen. Het uitstel wordt </al><al>verleend voor het door de belastingschuldige bestreden bedrag van de </al><al>belastingaanslag en slechts indien de berekening van dat bedrag door de </al><al>belastingschuldige in het bezwaarschrift is vermeld. </al><al/><al>Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het </al><al>bezwaarschrift en een door de belastingschuldige ingesteld beroep tegen </al><al>een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een dergelijke uitspraak, </al><al>gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die gevallen moet de </al><al>belastingschuldige dus een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling </al><al>indienen bij de ontvanger. </al><al/><al>Als de belastingschuldige bij de ontvanger een verzoek om uitstel indient in </al><al>verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift, dan licht de </al><al>ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt dit verzoek ook aangemerkt als </al><al>een pro-forma bezwaarschrift. </al><al/><al>25.2.2.A Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift </al><al>Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel indient bij de ontvanger in </al><al>verband met een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag dan moet hij in het </al><al>verzoek het bestreden bedrag van de aanslag en de berekening van dat bedrag </al><al>vermelden. </al><al/><al>25.2.2.B Ontbrekende gegevens </al><al>Als in het verzoek aan de ontvanger om uitstel van betaling in verband met een </al><al>ingediend bezwaarschrift het bestreden bedrag of de berekening daarvan niet </al><al>zijn vermeld, dan stelt de ontvanger de belastingschuldige in de gelegenheid de </al><al>ontbrekende gegevens alsnog schriftelijk mee te delen. De ontvanger kan voorts </al><al>aan de belastingschuldige nadere gegevens vragen ter bepaling van de hoogte </al><al>van het bestreden bedrag. De ontvanger geeft de belastingschuldige een termijn </al><al>van ten hoogste een maand vanaf de dagtekening van zijn verzoek om nadere </al><al>gegevens. De invordering wordt voor die termijn geschorst. </al><al>Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is mogelijk als </al><al>de ontvanger van oordeel is dat dit redelijk is. Als de belastingschuldige de </al><al>verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan, wijst de ontvanger het verzoek </al><al>om uitstel af. Hetgeen in dit artikel is vermeld is van overeenkomstige toepassing </al><al>op een uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling opgenomen in het </al><al>bezwaarschrift zelf. </al><al>Ook is hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige toepassing op een </al><al>door de belastingschuldige bij de ontvanger ingediend verzoek om uitstel in </al><al>verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift. In dit laatste geval </al><al>licht de ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt het verzoek tevens </al><al>aangemerkt als een pro-forma bezwaarschrift. </al><al>Als sprake is van een verzoek om uitstel in verband met een ingediend beroepschrift, dient tevens een kopie van het beroepschrift te worden overgelegd. </al><al/><al>25.2.3. De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling </al><al>De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het bestreden bedrag. </al><al>In het verzoek om uitstel moet de belastingschuldige daarom het bestreden </al><al>bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag vermelden. De </al><al>ontvanger kan aan de belastingschuldige nadere gegevens vragen ter bepaling </al><al>van de hoogte van het bestreden bedrag. De ontvanger kan aan het uitstel </al><al>voorwaarden verbinden. </al><al/><al>Als het bestreden bedrag of de berekening daarvan niet in het verzoek om uitstel </al><al>zijn vermeld, dan stelt de ontvanger de belastingschuldige in de gelegenheid de </al><al>ontbrekende gegevens alsnog schriftelijk mee te delen. Daartoe geeft de </al><al>ontvanger de belastingschuldige een termijn van ten hoogste één maand vanaf </al><al>de dagtekening van zijn verzoek om nadere gegevens. </al><al/><al>Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is </al><al>mogelijk als de ontvanger van oordeel is dat dit redelijk is. Als de </al><al>belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan, wijst </al><al>de ontvanger het verzoek om uitstel af </al><al/><al>25.2.4. Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>25.2.5. Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar </al><al>Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger </al><al>zekerheid verlangen voor de bestreden belastingschuld. In beginsel vraagt </al><al>de ontvanger alleen zekerheid, als de aard en omvang van de </al><al>belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger </al><al>bekend zijn daartoe aanleiding geven. Bij zijn beslissing houdt de ontvanger </al><al>ook rekening met het aangifte-en betalingsgedrag in het verleden. </al><al/><al>25.2.6. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden </al><al>belastingschuld </al><al>Zolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend niet </al><al>onherroepelijk vaststaat, treft de ontvanger voor de betwiste belastingschuld </al><al>in beginsel geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen. </al><al/><al>Als echter aanwijzingen bestaan dat de belangen van de </al><al>Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland of de belangen van de </al><al>belastingschuldige door het achterwege laten van onherroepelijke </al><al>invorderingsmaatregelen worden geschaad, dan kan de ontvanger die </al><al>maatregelen wel treffen. </al><al>Het leggen van beslag dat feitelijk dienst doet als een bewaringsmaatregel </al><al>geldt niet als een onherroepelijke invorderingsmaatregel. </al><al/><al>25.2.7. Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar </al><al>Als de ontvanger uitstel heeft verleend, blijft verrekening van het bestreden </al><al>bedrag met een teruggaaf op een andere belastingaanslag of andere uit te </al><al>betalen bedragen achterwege, in afwachting van de uitspraak op het </al><al>bezwaarschrift. </al><al/><al>Hiervan kan worden afgeweken als de financiële situatie van de </al><al>belastingschuldige zodanig is -bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit van </al><al>diens onderneming in relatie tot de hoogte van de (bestreden) </al><al>belastingschuld -dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en verder niet </al><al>voldoende zekerheid is gesteld. </al><al/><al>Als de ontvanger overgaat tot verrekening, licht hij de belastingschuldige in </al><al>bij de bekendmaking van de beschikking omtrent zijn beweegredenen. </al><al/><al>25.2.7A. Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel </al><al>Als de ontvanger bij het verlenen van het uitstel geen nadere voorwaarden </al><al>heeft gesteld, kan hij uiterlijk binnen vier maanden vanaf de datum dat het </al><al>uitstel is verleend voor het ingediende bezwaarschrift schriftelijk aan de </al><al>belastingschuldige nadere voorwaarden stellen. Bij een herbeoordeling van </al><al>het verzoek kijkt de ontvanger of de looptijd voor het afdoen van het</al><al>bezwaarschrift in relatie tot de hoogte van het bestreden bedrag van de</al><al>aanslag daartoe aanleiding geeft. Indien de belastingschuldige tijdig </al><al>voldoet aan deze voorwaarden, continueert de ontvanger het uitstel. De </al><al>ontvanger trekt het uitstel in als de belastingschuldige niet aan deze </al><al>voorwaarden voldoet. </al><al/><al>25.2.8. Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag </al><al>Als sprake is van een bestreden en niet-bestreden bedrag van een </al><al>belastingaanslag, dan verleent de ontvanger uitstel onder de opschortende </al><al>voorwaarde dat het niet-bestreden bedrag per omgaande dan wel tijdig </al><al>wordt betaald. </al><al/><al>Als niet per omgaande dan wel niet tijdig wordt betaald, wordt de </al><al>invordering zonder nadere aankondiging voor de gehele belastingaanslag </al><al>aangevangen dan wel voortgezet. </al><al/><al>Een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in </al><al>verband met bezwaar neemt de ontvanger pas in behandeling als het niet bestreden </al><al>gedeelte van de belastingaanslag is voldaan. </al><al/><al>25.2.9. Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de </al><al>belastingaanslag </al><al>De ontvanger trekt het uitstel van betaling in, als dit is verleend in verband </al><al>met bezwaar voor het volledige bedrag van de belastingaanslag en later </al><al>blijkt dat het bezwaar slechts betrekking heeft op een gedeelte van dat </al><al>bedrag. </al><al>De ontvanger deelt daarbij mee dat hij een nieuw verzoek om uitstel voor de </al><al>betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar pas in behandeling </al><al>neemt, als het niet-bestreden gedeelte van de belastingaanslag tijdig is </al><al>voldaan. </al><al/><al/><al>25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag </al><al/><al>25.3.1. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te </al><al>betalen bedragen </al><al>Als binnen afzienbare tijd een door de ontvanger uit te betalen bedrag wordt </al><al>verwacht, kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen tot het moment </al><al>waarop hij dit uit te betalen bedrag kan verrekenen met de belastingaanslag </al><al>waarvoor uitstel wordt gevraagd. </al><al/><al>Er is sprake van een binnen afzienbare tijd te verwachten belastingteruggaaf als: </al><al>-het belastingjaar of belastingtijdvak waarover de teruggaaf wordt </al><al>verwacht is afgelopen en </al><al>-de belastingschuldige een verzoek om teruggaaf heeft ingediend en </al><al>-over die teruggaaf tussen de inspecteur en de belastingplichtige geen </al><al>verschil van mening bestaat. </al><al/><al>25.3.2. Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel </al><al>Bij het verzoek om uitstel moet een berekening van het uit te betalen bedrag </al><al>zijn gevoegd. Als dit ontbreekt of onvoldoende is gemotiveerd, verleent de </al><al>ontvanger uitstel om de verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog zijn </al><al>verzoek (nader) te motiveren. </al><al/><al>De ontvanger verleent dit uitstel voor ten hoogste één maand na de </al><al>dagtekening van de uitstelbeschikking. De ontvanger kan voor een langere </al><al>periode uitstel verlenen als hij dit redelijk acht. </al><al/><al>Als na het verstrijken van de gestelde termijn het verzoek niet (nader) is </al><al>gemotiveerd, is het uitstel vervallen. </al><al/><al>25.3.3. Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te </al><al>betalen bedrag </al><al>De ontvanger beslist -onder door hem te stellen voorwaarden -in het </al><al>algemeen positief op een volledig gemotiveerd verzoek om uitstel van </al><al>betaling. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het te </al><al>verrekenen bedrag. </al><al/><al>Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het te </al><al>verrekenen bedrag moet de belastingschuldige tijdig betalen. De ontvanger </al><al>kan echter een betalingsregeling toestaan als daartoe aanleiding bestaat. </al><al/><al>25.3.4. Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te </al><al>betalen bedrag </al><al>Uit te betalen bedragen waarop het uitstel geen betrekking heeft, verrekent </al><al>de ontvanger met de openstaande belastingschuld waarvoor uitstel van </al><al>betaling is verleend in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag. </al><al/><al>Als volgens de ontvanger de continuïteit van de bedrijfsvoering direct </al><al>gevaar loopt als gevolg van een eventuele verrekening van teruggaven en </al><al>niet hoeft te worden gevreesd voor onverhaalbaarheid van de schuld, dan </al><al>kan hij deze teruggaven (gedeeltelijk) uitbetalen. </al><al/><al>25.4. Uitstel in verband met betalingsproblemen </al><al/><al>25.4.1. Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met </al><al>betalingsproblemen </al><al>Als de belastingschuldige de belasting -geheel of gedeeltelijk -niet binnen </al><al>de wettelijke betalingstermijnen kan voldoen, kan de ontvanger aan de </al><al>belastingschuldige op diens verzoek een betalingsregeling toestaan. De </al><al>ontvanger kan daarbij voorwaarden stellen. </al><al>Bij de beoordeling van het verzoek om uitstel spelen niet alleen de </al><al>omstandigheden van dat moment een rol. Als de belastingschuldige in het </al><al>verleden bijvoorbeeld niet heeft gereserveerd voor redelijkerwijs </al><al>voorzienbare schulden of nalatig is geweest bij het doen van aangiften of </al><al>betalingen, kan dit een rol spelen bij het toestaan en verlengen van een </al><al>betalingsregeling of bij het stellen van voorwaarden bij een </al><al>betalingsregeling. </al><al>De ontvanger zal een betalingsregeling in ieder geval niet toestaan als de </al><al>betalingsproblemen zijn terug te voeren op structurele problemen of </al><al>activiteiten die geen perspectief bieden. </al><al/><al>25.4.2. Uitstel en motorrijtuigenbelasting </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>25.4.3. Verrekening tijdens een betalingsregeling </al><al>Tijdens een betalingsregeling verrekent de ontvanger belastingteruggaven </al><al>en andere teruggaven met een openstaande belastingschuld. Als daar </al><al>aanleiding toe is, kan de ontvanger afzien van het verrekenen van bepaalde </al><al>teruggaven. </al><al/><al>25.4.4. Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance </al><al>Faillissementsschulden en belastingaanslagen waarop de wettelijke </al><al>schuldsaneringsregeling van toepassing is, moet de ontvanger op de </al><al>gebruikelijke wijze bij de curator dan wel de bewindvoerder aanmelden. </al><al>Voor deze schulden treft de ontvanger geen betalingsregeling. </al><al/><al>De ontvanger kan tijdens een surseance van betaling op verzoek van de </al><al>bewindvoerder uitstel van betaling verlenen voor de belastingschuld die </al><al>voor de aanvang van de surseance materieel verschuldigd is geworden. De </al><al>ontvanger stelt daarbij de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw </al><al>opkomende verplichtingen stipt nakomt. </al><al/><al>Een saneringsverzoek of verzoek om uitstel van betaling wordt alleen in behandeling genomen wanneer de schuldhulpverlener is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet. </al><al/><al>Zo lang onzeker is of alle boedelschulden uit de boedel kunnen worden </al><al>voldaan kan de ontvanger voor de betaling daarvan uitstel verlenen. </al><al/><al>De ontvanger kan ook tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling onder de </al><al>gebruikelijke voorwaarden uitstel van betaling verlenen voor belastingaanslagen </al><al>waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling niet van toepassing is. </al><al>Als voor belastingaanslagen zekerheid is gesteld, wint de ontvanger deze </al><al>uit. Daarna informeert hij de curator dan wel de bewindvoerder over de </al><al>wijziging in de hoogte van de belastingschuld.</al><al/><al>25.4.5. Uitstel van betaling erfbelasting bij verkrijging eigen woning door broers </al><al>of zussen van de erflater </al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland.</al><al/><al/><al>25.5. Betalingsregeling voor particulieren </al><al/><al>25.5.1. Duur betalingsregeling particulieren </al><al>De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor een </al><al>periode die maximaal loopt tot het einde van het kalenderjaar waarin de </al><al>belastingaanslag is opgelegd.</al><al>Slechts als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn, kan hij </al><al>de belastingschuldige een langere termijn gunnen. </al><al/><al>Indien uit het verzoek om uitstel blijkt dat de belastingschuldige over </al><al>onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn </al><al>schuld te betalen, kan de ontvanger dat verzoek ambtshalve in </al><al>behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan </al><al>neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Art. 26.1.2 is in deze </al><al>situatie niet van toepassing indien en voor zover de belastingschuldige </al><al>gebruik maakt van het daartoe ingestelde verzoekformulier voor uitstel van </al><al>betaling en hij dit formulier volledig invult. </al><al/><al>25.5.2. Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren </al><al>De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel verschillende voorwaarden </al><al>verbinden. In ieder geval stelt de ontvanger aan het verlenen van een </al><al>betalingsregeling de voorwaarde dat nieuw opkomende fiscale en andere </al><al>financiële verplichtingen -waarvan de invordering aan de ontvanger is </al><al>opgedragen -tijdig worden nagekomen. </al><al/><al>De ontvanger kan alvorens het uitstel te verlenen zekerheid eisen als de </al><al>aard en de omvang van de schuld in relatie tot de uitsteltermijn en de </al><al>bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Ook het </al><al>aangifte-en betalingsgedrag in het verleden kan aanleiding zijn voor het </al><al>eisen van zekerheid. </al><al/><al>25.5.3. Kort uitstel particulieren </al><al>Op schriftelijk of telefonisch verzoek kan zonder nader onderzoek een </al><al>betalingsregeling worden getroffen met een looptijd tot maximaal zes </al><al>maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag, als aan de </al><al>volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan: </al><al>a. De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt </al><al>minder dan € 20.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met belasting</al><al>schuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend</al><al>bezwaar-of beroepschrift is verleend.</al><al>b. Vervallen. </al><al>c. De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan waarvoor </al><al>een dwangbevel is betekend door de belastingdeurwaarder of een </al><al>postdwangbevel is verzonden. </al><al>d. De belastingschuldige heeft in de afgelopen drie jaren goed </al><al>betalingsgedrag vertoond. Goed betalingsgedrag is te omschrijven dat </al><al>geen executoriale maatregelen dienden te worden genomen door de </al><al>belastingdeurwaarder. </al><al/><al>25.5.4. Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren </al><al>In andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze leidraad, gaat de </al><al>ontvanger aan de hand van de daartoe door de verzoeker verstrekte </al><al>gegevens over tot de berekening van de betalingscapaciteit en de </al><al>beoordeling van de vermogenspositie. De ontvanger verleent in ieder geval </al><al>geen uitstel van betaling als voor de belastingschuld waarvoor uitstel wordt </al><al>gevraagd al uitstel op grond van artikel 25.5.3 van deze leidraad is </al><al>verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is beëindigd. </al><al/><al>Voor de berekening van de betalingscapaciteit vraagt de ontvanger zo nodig </al><al>nadere gegevens bij de verzoeker op. Bij de berekening van de </al><al>betalingscapaciteit gaat de ontvanger uit van de begrippen en normen die </al><al>gelden bij het kwijtscheldingsbeleid, behalve voor zover daarvan in de </al><al>artikelen 25.5.5 tot en met 25.5.11 van deze leidraad wordt afgeweken. Ook </al><al>met betrekking tot het vermogen gaat de ontvanger uit van het </al><al>vermogensbegrip zoals dat geldt in de kwijtscheldingsregeling. </al><al/><al>25.5.5. Vermogen en betalingsregeling particulieren </al><al>De aanwezigheid van vermogen op het moment van het indienen van het </al><al>verzoek staat een betalingsregeling in het algemeen in de weg. Dit geldt </al><al>met name indien het vermogen zonder bezwaar liquide is te maken. </al><al>Het vermogen dat onder het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren is </al><al>vrijgesteld, staat een betalingsregeling echter niet in de weg. Onder </al><al>vermogen wordt in dit verband verstaan de bezittingen van de </al><al>belastingschuldige en diens echtgenoot (zoals bedoeld in artikel 3 Pw), </al><al>verminderd met de schulden die een hogere preferentie hebben dan de </al><al>belastingschuld. </al><al/><al>Met toepassing van artikel 3 Pw wordt als echtgenoot ook aangemerkt de </al><al>ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij </al><al>het een bloedverwant in de eerste graad betreft. </al><al/><al>25.5.6. Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren </al><al>Naast het aanwezige vermogen speelt bij de beoordeling van de financiële </al><al>omstandigheden de zogenoemde betalingscapaciteit van de verzoeker een </al><al>belangrijke rol, zowel ten tijde van het indienen van het verzoek als </al><al>gedurende de looptijd van de betalingsregeling. De betalingscapaciteit van </al><al>de belastingschuldige die door de ontvanger wordt berekend, bepaalt in </al><al>belangrijke mate het bedrag dat de belastingschuldige (periodiek) op de </al><al>achterstallige schuld moet aflossen. De betalingscapaciteit geeft ook aan in </al><al>hoeverre een betalingsregeling zinvol is. </al><al/><al>Uitgangspunt voor de berekening van de betalingscapaciteit bij een verzoek </al><al>om een betalingsregeling is het inkomen van de belastingschuldige en diens </al><al>echtgenoot. Het inkomen </al><al>en de uitgaven ten behoeve van bij de belastingschuldige inwonende </al><al>kinderen zal bij de berekening van de betalingscapaciteit niet in aanmerking </al><al>worden genomen. Een uitzondering daarop vormt de ontvangen alimentatie </al><al>ten behoeve van minderjarige kinderen. </al><al/><al>Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de ontvanger met </al><al>betrekking tot de huur-en hypotheekverplichtingen voor de woning waarin </al><al>de belastingschuldige feitelijk verblijft uit van de werkelijke uitgaven. </al><al/><al>De betalingscapaciteit bestaat uit het netto besteedbaar inkomen na aftrek </al><al>van het normbedrag voor levensonderhoud. Voor de betalingsregeling eist </al><al>de ontvanger 80% van de betalingscapaciteit op (de zogeheten uitvoerings-</al><al>tolerantie). </al><al/><al>25.5.7. Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven </al><al>De ontvanger kan -afhankelijk van de concrete situatie van de </al><al>belastingschuldige en zijn gezin -bepaalde aanvaardbare uitgaven op de </al><al>berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om </al><al>uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de </al><al>belastingschuldige, en die naar het oordeel van de ontvanger niet in </al><al>redelijkheid kunnen worden betaald uit het normbedrag voor </al><al>levensonderhoud en de zogenoemde uitvoeringstolerantie.</al><al/><al>25.5.8. Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan </al><al>derden </al><al>In het algemeen blijven bij de berekening van de betalingscapaciteit de </al><al>aflossingsverplichtingen aan derden buiten beschouwing. De ontvanger kan </al><al>een uitzondering maken voor aflossingen op schulden waarvan het niet betalen </al><al>tot ongewenste effecten kan leiden. </al><al/><al>25.5.9. Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten </al><al>Bij de berekening van de betalingscapaciteit houdt de ontvanger slechts </al><al>rekening met extra inkomsten, zoals vakantiegeld, tantièmes en dergelijke, </al><al>voor zover uitbetaling daarvan plaatsvindt dan wel zou moeten plaatsvinden </al><al>in de periode waarvoor de betalingsregeling geldt. </al><al/><al>25.5.10. Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor </al><al>Als een belastingschuldige uitstel vraagt en tegelijkertijd een </al><al>betalingsregeling voorstelt waarbij de schuld binnen twaalf maanden wordt </al><al>afbetaald en deze regeling afwijkt van hetgeen de ontvanger heeft </al><al>berekend, dan hoeft een niet al te grote afwijking niet te leiden tot afwijzing </al><al>van het verzoek. </al><al/><al>Als de regeling die door de belastingschuldige is voorgesteld voor de </al><al>ontvanger niet aanvaardbaar is, maar een andere regeling wel ingewilligd </al><al>kan worden, dan deelt de ontvanger onder afwijzing van het verzoek de </al><al>belastingschuldige mee welke regeling hij desgevraagd wel kan verlenen. </al><al/><al>25.5.11. Betalingsregeling langer dan twaalf maanden </al><al>Het beleid zoals beschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit bij </al><al>regelingen tot en met twaalf maanden, is van overeenkomstige toepassing </al><al>op een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer dan twaalf </al><al>maanden duurt. Hierbij moet in acht worden genomen dat de </al><al>belastingschuldige zijn van de kwijtscheldingsnormen afwijkende uitgaven waaronder </al><al>ook de huur of de hypotheeklasten -in de eerste twaalf maanden </al><al>van de betalingsregeling zodanig moet verminderen, dat na de twaalfde </al><al>maand zoveel mogelijk de volledige betalingscapaciteit die aan het </al><al>kwijtscheldingsbeleid is ontleend, kan worden benut om de schuld te </al><al>voldoen. De ontvanger sluit met de betalingsregeling hier op aan. </al><al/><al>25.6. Betalingsregeling voor ondernemers </al><al/><al>25.6.1. Duur betalingsregeling ondernemers </al><al>De Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland verleent in beginsel geen uitstel </al><al>van betaling aan ondernemers. In uitzonderlijke situaties kan hiervan worden </al><al>afgeweken. </al><al/><al>Een betalingsregeling moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij het </al><al>vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger </al><al>rekening met de omstandigheden, bijvoorbeeld de aard en de omvang van </al><al>de schuld, de liquiditeits-en de vermogenspositie van de onderneming en </al><al>het aangifte-en betalingsgedrag in het verleden. </al><al/><al>De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van twaalf maanden niet te </al><al>boven gaan, gerekend vanaf de (laatste) vervaldag van de belastingaanslag. </al><al/><al>25.6.2. Voorwaarden betalingsregeling ondernemers </al><al>Aan het verlenen van een betalingsregeling stelt de ontvanger de </al><al>voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere </al><al>financiële verplichtingen -waarvan de invordering aan de ontvanger is </al><al>opgedragen -bijhoudt. </al><al>Bovendien stelt de ontvanger de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld </al><al>(zie artikel 25.1.13 van deze leidraad). De hoogte van de zekerheid moet </al><al>gelijk zijn aan de schuld waarvoor uitstel wordt verzocht. </al><al/><al>25.6.2A. Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers </al><al>In bijzondere omstandigheden kan de ontvanger desgevraagd uitstel voor </al><al>een langere periode verlenen of zonder dat voor het volledige bedrag </al><al>zekerheid is gesteld. Daartoe moet de ondernemer aan de hand van een </al><al>door een derde deskundige opgestelde verklaring (zie artikel 25.6.2B) het </al><al>voor de ontvanger aannemelijk maken dat: </al><al>a. het gaat om werkelijk bestaande betalingsproblemen; </al><al>b. die betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn; </al><al>c. die betalingsproblemen vóór een bepaald tijdstip zullen worden opgelost; </al><al>en </al><al>d. dat er sprake is van een levensvatbare onderneming. </al><al>De ontvanger kan bij het verlenen van dit uitstel nadere voorwaarden </al><al>stellen. Om bij onvoorziene tegenslagen de mogelijke verliezen voor de </al><al>gemeente te beperken, wordt zoveel als mogelijk is door de ontvanger </al><al>zekerheid verlangd. De zekerheid kan ook omvatten een beslag. </al><al/><al>25.6.2B. Verklaring derde deskundige </al><al>De verklaring van de derde deskundige bevat een beoordeling van de aard </al><al>van de betalingsproblemen, gaat in op de aannemelijkheid van de </al><al>bedrijfseconomische gezondheid van de onderneming, de haalbaarheid van </al><al>het in de toekomst inlopen van de betalingsachterstand en geeft blijk van de </al><al>waarneming van de aan dat oordeel ten grondslag liggende feiten en </al><al>omstandigheden door de deskundige. </al><al>Aan de derde deskundige worden geen formele eisen gesteld. Het kan </al><al>bijvoorbeeld gaan om een externe consultant, een externe financier, een </al><al>brancheorganisatie of de (huis)accountant. De ontvanger kan aan de </al><al>verklaring van de derde deskundige ook eisen stellen. </al><al/><al>25.6.2C. Geen uitstel voor ondernemers in verband met </al><al>betalingsproblemen als al kort uitstel is verleend </al><al>De ontvanger verleent in ieder geval geen uitstel van betaling als voor de </al><al>belastingschuld waarvoor uitstel is gevraagd al uitstel op grond van artikel </al><al>25.6.2D is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is beëindigd. </al><al/><al>25.6.2D. Kort uitstel van betaling voor ondernemers </al><al>Ondernemers kunnen zonder nader onderzoek op schriftelijk of telefonisch </al><al>verzoek kort uitstel van betaling krijgen. Dit uitstel bedraagt maximaal vier </al><al>maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag. </al><al>De voorwaarden die aan de ontvanger stelt aan dit uitstel zijn: </al><al>a. De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder </al><al>dan € 20.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met belastingschuld </al><al>waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar-of </al><al>beroepschrift is verleend. </al><al>b. Er staan ten name van de belastingschuldige geen belastingaanslagen </al><al>open waarvoor dwangbevelen zijn betekend. </al><al>c. Er staat geen vergrijpboete open. </al><al>d. Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor </al><al>andere aanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of </al><al>uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend. </al><al>e. N.V.T. </al><al>f. Er is geen sprake van een aangifteverzuim. </al><al/><al>25.6.3. Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers </al><al>Voor ex-ondernemers is het uitstelbeleid van toepassing zoals dat geldt </al><al>voor particulieren, ook als de belastingschuld betrekking heeft op de </al><al>ondernemingsperiode. </al><al/><al>25.6.4. Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie </al><al>Als het de ontvanger bekend is dat van overheidszijde een onderzoek wordt </al><al>ingesteld naar de mogelijkheid van subsidie-of steunverlening om de schuld </al><al>te voldoen of een sanering mogelijk te maken, dan verleent de ontvanger </al><al>uitstel van betaling als hij de verwachting heeft dat het verzoek door de </al><al>(potentiële) subsidiënt zal worden gehonoreerd. De belastingschuldige moet </al><al>dan wel aan de lopende verplichtingen voldoen. </al><al/><al>25.7. Administratief beroep </al><al/><al>25.7.1. Toetsing uitstelbeschikking door het dagelijks bestuur </al><al>Als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel afwijst of een </al><al>verleend uitstel beëindigt, kan de belastingschuldige daartegen </al><al>administratief beroep instellen bij het dagelijks bestuur van de </al><al>Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. De belastingschuldige moet het </al><al>beroepschrift indienen bij de ontvanger die de beschikking heeft genomen. </al><al/><al>Gedurende de behandeling van het beroepschrift handelt de ontvanger </al><al>overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek om uitstel is </al><al>toegewezen. </al><al/><al>Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Belastingsamenwerking </al><al>Sabewa Zeeland kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks de </al><al>behandeling van het beroep wel invorderingsmaatregelen treffen. </al><al/><al>25.7.2. Beroepsfase uitstel </al><al>De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt tien dagen na </al><al>dagtekening van de bestreden beschikking. Als uit het beroepschrift niet </al><al>duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de </al><al>belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te </al><al>motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring </al><al>bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht. </al><al/><al>25.7.3. Beslissing dagelijks bestuur op beroepschrift bij uitstel </al><al>In alle gevallen waarin het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking </al><al>Sabewa Zeeland het beroep gegrond oordeelt, kan hij de zaak inhoudelijk </al><al>afdoen, hetzij door het verzoek alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te </al><al>wijzen onder verbetering of vervanging van de gronden. </al><al/><al>25.7.4. Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel </al><al>De belastingschuldige kan beroep instellen bij het dagelijks bestuur tegen </al><al>het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om uitstel van </al><al>betaling. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een </al><al>termijn gebonden. </al><al/><al>Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger uitstel van betaling </al><al>had moeten verlenen, dan hoeft het dagelijks bestuur niet te volstaan met </al><al>de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het </al><al>beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen. </al><al/><al>25.7.5. Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de ontvanger </al><al>Als de belastingschuldige bij de ontvanger bezwaar maakt tegen de </al><al>beslissing op het verzoek om uitstel of voor dezelfde belastingschuld een </al><al>herhaald verzoek om uitstel indient, dan merkt de ontvanger dit aan als een </al><al>beroepschrift. </al><al/><al>Als de ontvanger op dat moment aanleiding ziet om een voor de </al><al>belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen, geeft hij echter een </al><al>nieuwe beschikking. Als de belastingschuldige het ook met de nieuwe </al><al>beschikking niet eens is, dan kan hij daartegen binnen tien dagen in beroep </al><al>gaan bij het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Kwijtschelding van belastingen </titel></kop><al/><al>In artikel 26, eerste lid, van de wet is bepaald dat bij ministeriële regeling </al><al>regels worden gegeven voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van </al><al>rijksbelastingen. De ontvanger verleent gehele of gedeeltelijke </al><al>kwijtschelding als de belastingschuldige niet in staat is anders dan met </al><al>buitengewoon bezwaar de belastingaanslag te betalen. In het algemeen zal </al><al>van buitengewoon bezwaar sprake zijn als de middelen om een </al><al>belastingaanslag te betalen, ontbreken en ook niet binnen afzienbare tijd </al><al>worden verwacht. </al><al/><al>De kwijtscheldingsregels op basis van artikel 26 van de wet zijn vastgelegd </al><al>in de regeling. In de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn de </al><al>doelstellingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen in de </al><al>belastingsfeer tot uitdrukking gebracht. </al><al/><al>Aan een aansprakelijk gestelde kan geen kwijtschelding worden verleend. </al><al>Wel kan hij op zijn verzoek worden ontslagen van de betalingsverplichting. </al><al>In artikel 53, derde lid, van de wet is bepaald dat bij ministeriële regeling </al><al>regels worden gegeven op grond waarvan de ontvanger de aansprakelijk</al><al>gestelde geheel of gedeeltelijk van zijn betalingsverplichting kan ontslaan </al><al>als deze niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar te betalen. </al><al/><al>De voorwaarden voor het al dan niet verlenen van kwijtschelding, gelden </al><al>ook voor het ontslag van de betalingsverplichting. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 26 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-algemene uitgangspunten van het kwijtscheldingsbeleid; </al><al>-kwijtschelding van belastingen voor particulieren; </al><al>-kwijtschelding van belastingen voor ondernemers; </al><al>-administratief beroep; </al><al>-voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding. </al><al/><al>26.1. Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid </al><al/><al>26.1.0. Bijzonderheden Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al>26.1.0.1. Kwijtscheldingsnorm </al><al>Op grond van de Waterschapswet en de Gemeentewet zijn afwijkende regels </al><al>gesteld met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan in aanmerking </al><al>worden genomen. De normbedragen voor bestaanskosten, zoals beschreven in </al><al>de regeling, bedragen 100% in plaats van 90%. </al><al/><al>26.1.0.2. Normbedragen </al><al>Op verzoek verstrekt de ontvanger een actueel overzicht van de voor de </al><al>Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland van toepassing zijnde kosten van </al><al>bestaan en overige normbedragen. </al><al/><al>26.1.0.3. Vervallen </al><al/><al>26.1.0.4. Geautomatiseerde kwijtschelding n.v.t. </al><al/><al>26.1.0.5. Geautomatiseerde toetsing </al><al>Ingeval de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland gebruik maakt van de </al><al>mogelijkheid van geautomatiseerde toetsing bij kwijtschelding, wordt er </al><al>getoetst in het laatste kwartaal van het jaar voorafgaande aan het          </al><al>belastingjaar waarvoor de kwijtschelding eventueel kan worden verleend. </al><al/><al>De toetsing vindt plaats door de Stichting Inlichtingenbureau aan de hand van </al><al>jaarlijks vastgestelde criteria. Deze criteria worden vastgesteld door het </al><al>Ministerie van Financiën. Als op grond van deze toetsing geen recht </al><al>bestaat op geautomatiseerde kwijtschelding kan in een later stadium </al><al>alsnog een individueel verzoek worden ingediend </al><al/><al>26.1.1. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden </al><al>De ontvanger verleent ook kwijtschelding van belastingaanslagen die al zijn </al><al>betaald, als aan de volgende voorwaarden is voldaan: </al><al>-De belastingschuldige dient het verzoek om kwijtschelding in binnen </al><al>drie maanden nadat de (laatste) betaling op de belastingaanslag heeft </al><al>plaatsgevonden; </al><al>-De belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die </al><al>aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding als hij daar eerder </al><al>om had verzocht. </al><al/><al>Als de ontvanger het verzoek toewijst, betaalt hij de belastingschuldige het </al><al>bedrag terug waarvoor kwijtschelding is verleend. </al><al/><al>26.1.2. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding </al><al>Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend bij de ontvanger op </al><al>een daartoe ingesteld verzoekformulier. </al><al/><al>Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar dit </al><al>niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het </al><al>verzoek niet als zodanig in behandeling. De ontvanger zendt een </al><al>verzoekformulier aan de belastingschuldige en stelt deze in de gelegenheid </al><al>het verzoek alsnog binnen twee weken in te dienen. </al><al/><al>In afwachting hiervan wordt de invordering niet opgeschort. Dit gebeurt pas </al><al>nadat het daarvoor bestemde kwijtscheldingformulier door de ontvanger is </al><al>ontvangen. </al><al/><al>26.1.2.1. Kosten van vervolging </al><al>Op het moment van in behandeling nemen van de aanvraag, wordt de invordering van het aanslagbedrag door de ontvanger opgeschort. </al><al>Indien gebruik gemaakt wordt van de regeling tot betaling van de aanslag via een machtiging tot automatische incasso kan de belastingschuldige een schriftelijk verzoek doen de machtiging voor de duur van de beoordeling stop te zetten.</al><al/><al>Ongeacht de uitspraak op het verzoek om kwijtschelding dienen de invorderingskosten volledig te worden betaald. Het betreft de volgende kosten:</al><al>- kosten van de aanmaning</al><al>- kosten van het dwangbevel</al><al>- kosten van het betekenen van een hernieuwd dwangbevel</al><al>- kosten van het proces-verbaal van beslag</al><al>- kosten van de akte van betekening</al><al>- alle overige aan derden toekomende bedragen in verband met beslaglegging</al><al/><al>Daarnaast vallen ook alle kosten die genoemd zijn in artikel 75.2 van </al><al>deze leidraad onder deze bepaling. </al><al/><al/><al>26.1.3. Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om </al><al>kwijtschelding </al><al>Als de ontvanger een uitgereikt of toegezonden verzoekformulier onvolledig </al><al>ingevuld terugontvangt, stelt hij de belastingschuldige in de gelegenheid de </al><al>ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te verstrekken. In </al><al>afwachting daarvan schort de ontvanger de invordering in beginsel op. </al><al/><al>De ontvanger vraagt de gegevens slechts één maal op. Als de </al><al>belastingschuldige niet alle gevraagde nadere gegevens bijvoegt,   </al><al>beschouwt de ontvanger het verzoek ook als onvolledig ingevuld en wijst hij </al><al>het verzoek af. </al><al/><al>26.1.4. Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om </al><al>kwijtschelding </al><al>Bij de beoordeling van het verzoek zijn de gegevens en normen van belang </al><al>die gelden op het moment van indiening van het verzoek, tenzij in de </al><al>leidraad anders is aangegeven. </al><al/><al>26.1.5. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden </al><al>Als de ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat aan </al><al>één of meer voorwaarden is voldaan, dan neemt hij die voorwaarden in de </al><al>beschikking op. </al><al/><al>Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening zal </al><al>plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan stelt hij tevens de termijn vast </al><al>waarin verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De termijn bedraagt </al><al>maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van de kennisgeving, </al><al>dan wel -als dit minder is -de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van </al><al>de belastingaanslag intreedt. </al><al/><al>Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort, </al><al>dan moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een </al><al>termijn van tien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de betaling </al><al>van dat deel. Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van deze leidraad) </al><al>van toepassing. Als tot de voorwaarden naast de voldoening van een deel </al><al>van de schuld ook de verrekening van teruggaven behoort, wordt het te </al><al>betalen bedrag niet beïnvloed door de hoogte van de verrekende </al><al>teruggaven. </al><al/><al>26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding </al><al>Als de ontvanger het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet hij motiveren </al><al>waarom hij tot afwijzing van het verzoek heeft besloten. Daarbij moet hij alle </al><al>afwijzingsgronden noemen. </al><al/><al>26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij voortzetting </al><al>invordering </al><al>Als de ontvanger geen kwijtschelding verleent, of als het dagelijks bestuur </al><al>afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing, </al><al>dan wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen </al><al>een termijn van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Deze termijn </al><al>wordt niet of niet geheel verleend als naar het oordeel van de ontvanger </al><al>aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van </al><al>de invordering de belangen van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland </al><al>worden geschaad. </al><al/><al>26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding </al><al>Om de belangen van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland niet te </al><al>schaden, kan de ontvanger de beslissing op een kort voor de executoriale </al><al>verkoop ingediend verzoek om kwijtschelding mondeling bekend maken. De </al><al>ontvanger bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In </al><al>dat geval geldt niet de termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de </al><al>invordering niet mag aanvangen of voortzetten. </al><al/><al>Evenzo geldt voor een kort voor de executoriale verkoop gedaan verzoek </al><al>dat niet is ingediend op een verzoekformulier of op een verzoekformulier dat </al><al>onvolledig is ingevuld, dat de ontvanger de belastingschuldige niet in de </al><al>gelegenheid stelt het verzoek in te dienen op het daartoe bestemde </al><al>formulier of de belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt de </al><al>ontbrekende gegevens aan te vullen (zoals bepaald in de artikelen 26.2.2 </al><al>en 26.2.3 van deze leidraad), maar het verzoek afwijst. </al><al/><al>26.1.9. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend </al><al>Er wordt geen kwijtschelding verleend als: </al><al>-de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet, niet </al><al>volledig, onjuist, of niet op het door de ontvanger uitgereikte formulier </al><al>(zie ook de artikelen 26.2.2 en 26.2.3 van deze leidraad) zijn verstrekt; </al><al>-uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een </al><al>onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven </al><al>enerzijds en het inkomen anderzijds en de belastingschuldige de in dat </al><al>verband door de ontvanger gevraagde opheldering niet -of naar het </al><al>oordeel van de ontvanger -in onvoldoende mate verschaft; </al><al>-de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te dienen. </al><al>In dat geval wordt de belastingschuldige meegedeeld dat een nieuw </al><al>verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend, dan nadat </al><al>de inspecteur op grond van de alsnog verstrekte gegevens de </al><al>belastingaanslag tot het juiste bedrag heeft kunnen vaststellen. Het </al><al>verzoek dat wordt ingediend nadat de belastingaanslag tot het juiste </al><al>bedrag is vastgesteld, behandelt de ontvanger als een eerste verzoek; </al><al>-een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in </al><al>behandeling is bij de inspecteur, dan wel een beroepschrift tegen de </al><al>hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de rechtbank of (in </al><al>hoger beroep) bij het gerechtshof. Een eventuele vermindering of </al><al>vernietiging van de belastingaanslag dient namelijk aan kwijtschelding </al><al>vooraf te gaan. De belastingschuldige wordt meegedeeld dat een nieuw </al><al>verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat </al><al>op het bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) is beslist; </al><al>-voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is gesteld; </al><al>-er sprake is van meer dan één belastingschuldige; </al><al>-een derde nog voor de belastingschuld aansprakelijk kan worden </al><al>gesteld; </al><al>-het aan de belastingschuldige kan worden toegerekend dat de </al><al>belastingaanslag niet kan worden voldaan. Daarvan is onder andere </al><al>sprake als: </al><al>  a. het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is te wijten </al><al>dat te weinig belasting is geheven; </al><al>  b. (vervallen) </al><al>  c. een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet is </al><al>aangewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding </al><al>wordt gevraagd, tenzij het een voorlopige teruggaaf betreft voor </al><al>zover die niet voor beslag vatbaar is; </al><al>  d. vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de </al><al>indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment </al><al>voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen </al><al>voldoen; </al><al>  e. de belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat een </al><al>belastingaanslag zou worden opgelegd en nalatig is gebleven in </al><al>verband daarmee middelen te reserveren; </al><al>  f. deze bepaling is niet van toepassing voor de </al><al>Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland.</al><al>  g. deze bepaling is niet van toepassing voor de Belastingsamenwerking</al><al>Sabewa Zeeland; </al><al>  h. de belastingschuldige geen gebruik heeft gemaakt van het recht op </al><al>aanvullende bijstand, waardoor de belastingaanslag (gedeeltelijk) </al><al>zou kunnen worden betaald; </al><al>  i. deze bepaling is niet van toepassing voor de Belastingsamenwerking</al><al>Sabewa Zeeland;</al><al>-de belastingschuldige in surseance van betaling of in staat van </al><al>faillissement verkeert, tenzij een akkoord is gesloten als bedoeld in de </al><al>artikelen 138 en 252 FW; </al><al>-ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling </al><al>natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake is van </al><al>een akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van een </al><al>belastingaanslag, niet zijnde een belastingaanslag als bedoeld in artikel </al><al>8, tweede lid, van de regeling, voor zover die materieel verschuldigd is </al><al>geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is gelegen na de </al><al>uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van toepassing is </al><al>verklaard, en niet kan worden aangemerkt als een boedelschuld; </al><al>- het verzoek is ingediend voor een voorlopige aanslag én die aanslag </al><al>nog niet is gevolgd door een (definitieve) aanslag.</al><al>Tegelijkertijd met de afwijzing van het verzoek verleent de </al><al>ontvanger (ambtshalve) uitstel van betaling totdat de definitieve </al><al>aanslag is opgelegd. In de uitstelbeschikking deelt de ontvanger de </al><al>belastingschuldige mee dat na oplegging van de definitieve aanslag </al><al>desgewenst een nieuw kwijtscheldingsverzoek kan worden ingediend </al><al>waarin eventueel ook de definitieve aanslag kan worden betrokken; </al><al>-door de ontvanger nadere voorwaarden zijn gesteld en aan die </al><al>voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de gestelde voorwaarden is </al><al>voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend. </al><al/><al>Ook wordt geen kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te betalen </al><al>belasting waarop het verzoek betrekking heeft als aannemelijk is dat dit </al><al>bedrag kan worden voldaan omdat: </al><al>-binnen twee jaren na het verzoek als gevolg van sterk wisselende </al><al>inkomens een hoger inkomen is te verwachten; </al><al>-binnen een jaar na indiening van het verzoek een verbetering is te </al><al>verwachten in de financiële omstandigheden; </al><al>-binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf, anders dan de </al><al>voorlopige teruggaaf, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de regeling </al><al>kan worden verwacht. De vraag of buitengewoon bezwaar bestaat de </al><al>verschuldigde belasting te betalen, kan immers slechts betrekking </al><al>hebben op een per saldo verschuldigd bedrag. Alleen voor dat saldo </al><al>moeten de aanwezige financiële middelen worden aangesproken. Dit </al><al>houdt in dat geen kwijtschelding kan worden verleend als de </al><al>belastingaanslag binnen een jaar door middel van verrekening kan </al><al>worden aangezuiverd. </al><al/><al>26.1.10. Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding </al><al>Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de ontvanger het </al><al>kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe. </al><al/><al>Er is geen sprake van een ex-ondernemer als (een deel van) het </al><al>bedrijfsvermogen nog aanwezig is. In dat geval zal het verzoek om </al><al>kwijtschelding moeten worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in </al><al>artikel 26.4 van deze leidraad. Het nog aanwezige bedrijfsvermogen zal </al><al>geheel moeten worden gebruikt ter aflossing van de openstaande (zakelijke/</al><al>bedrijfs) belastingaanslagen. </al><al/><al>26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen </al><al>De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij </al><al>de Nationale Ombudsman/de Zeeuwse Ombudsman. Als naar het oordeel van de </al><al>ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen </al><al>van de invordering de belangen van de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland </al><al>worden geschaad, kan de ontvanger toch invorderingsmaatregelen treffen. </al><al/><al>Onherroepelijke invorderingsmaatregelen mogen alleen worden genomen na </al><al>voorafgaande toestemming van het dagelijks bestuur. </al><al/><al>26.2. Kwijtschelding van belastingen voor particulieren </al><al/><al>26.2.1. Vermogen en kwijtschelding particulieren </al><al>Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van </al><al>de bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot als bedoeld in </al><al>artikel 3 Wwb, verminderd met de schulden van de belastingschuldige en de </al><al>echtgenoot die hoger bevoorrecht zijn dan de belastingen. </al><al>Ook als de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd, of </al><al>bij ongehuwd samen levenden als sprake is van een samenlevingscontract, </al><al>is het voorgaande van overeenkomstige toepassing ondanks het feit dat de </al><al>partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de </al><al>belastingaanslag. </al><al/><al>26.2.2. De inboedel en kwijtschelding particulieren </al><al>De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in </al><al>aanmerking genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan </al><al>€ 2.269,-bedraagt. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als </al><al>vermogen in aanmerking genomen. </al><al/><al>26.2.3. De auto en kwijtschelding particulieren </al><al>De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in </al><al>aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt </al><al>ingediend een waarde heeft van € 2.269,-of minder. Als de waarde meer </al><al>bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op </al><al>de auto voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van </al><al>de actuele (over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht. </al><al/><al>Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als </al><al>de belastingschuldige aan de ontvanger – zo nodig na een verzoek daartoe – </al><al>aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening </al><al>van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte </al><al>van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de </al><al>echtgenoot van belastingschuldige als bedoeld in artikel 3 Pw, of zijn kind(eren) </al><al>voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in </al><al>beginsel zou kunnen worden betaald. </al><al/><al>Het bezit van een ander motorvoertuig dan een auto staat in de regel kwijtschelding in </al><al>de weg. </al><al/><al>Het bezit van twee of meer motorvoertuigen staat in de regel kwijtschelding in de weg. </al><al/><al>26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren </al><al>Incidentele ontvangsten op een bank-of girorekening (zoals bijvoorbeeld </al><al>vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig </al><al>vermogensbestanddeel ook in aanmerking genomen, tenzij bij de </al><al>berekening van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. </al><al>Deze situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering. </al><al/><al>De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in de </al><al>kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt. </al><al/><al/><al>26.2.5. De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren </al><al>De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in zijn bezit </al><al>heeft, wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor de </al><al>waardebepaling van de onroerende zaak is uitgangspunt de waarde van de </al><al>onroerende zaak bij verkoop vrij te aanvaarden. </al><al>Als de aanwezigheid van vermogen vastgelegd in onroerende zaken leidt tot </al><al>de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de belastingaanslag </al><al>wordt vervolgens niet betaald, kan de voortzetting van de invordering bij </al><al>oudere belastingschuldigen die hun laatste levensjaren in hun eigen woning </al><al>willen slijten, leiden tot een onverdedigbare hardheid. Een gedwongen </al><al>verhuizing in verband met de verkoop van de woning zal voor deze groep </al><al>belastingschuldigen een onevenredig grotere belasting zijn dan voor andere </al><al>belastingschuldigen. In die gevallen kan de ontvanger in overleg met de </al><al>belastingschuldige afzien van prompte invordering en in plaats daarvan </al><al>uitstel van betaling verlenen, gedekt door een hypotheek op de eigen </al><al>woning of door het leggen van een beslag op de woning. De hypotheek </al><al>moet opeisbaar zijn na het overlijden van de langstlevende of bij een eerder </al><al>vrijkomen van de woning. </al><al/><al>Het verlenen van een zodanig uitstel blijft beperkt tot uitzonderlijke gevallen. </al><al/><al>26.2.6. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren </al><al>Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen </al><al>vermogen beschikken, wordt dat vermogen bij de beoordeling van het door </al><al>de ouder ingediende verzoek om kwijtschelding niet in aanmerking </al><al>genomen, tenzij die ouder (een deel van) zijn vermogen heeft toebedeeld </al><al>aan zijn kind(eren) om daaruit een fiscaal voordeel te behalen. </al><al/><al>26.2.7. Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren </al><al>Voor de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding van </al><al>belastingaanslagen ten name van overledenen zijn de financiële </al><al>omstandigheden van de erfgenamen in beginsel niet van belang. Alleen de </al><al>vraag of de belastingaanslagen uit het actief van de nalatenschap (hadden) </al><al>kunnen worden voldaan is van belang. </al><al/><al>Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de </al><al>overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de persoonlijke </al><al>financiële omstandigheden wel mee in aanmerking genomen, ook al zouden </al><al>bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de </al><al>belastingschuld kunnen worden aangesproken. </al><al/><al>Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding </al><al>in aanmerking zou komen, wordt de betrokkene bij beschikking voor zijn </al><al>aandeel in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting verleend. </al><al>Deze werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de erflater het </al><al>verzoek om kwijtschelding indient. </al><al/><al>26.2.8. Levensloopregeling en kwijtschelding voor particulieren </al><al>Een spaarsaldo dat is opgebouwd vanwege een levensloopregeling wordt </al><al>niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. </al><al/><al>26.2.9. Beroepsvermogen wikker en kwijtschelding voor particulieren </al><al>Vervallen </al><al/><al>26.2.10. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren </al><al>Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen </al><al>aanwezig zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen, moet </al><al>worden beoordeeld in hoeverre de aanwezige betalingscapaciteit voldoende </al><al>is om de belastingaanslag te voldoen. </al><al/><al>De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen het </al><al>gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van de </al><al>belastingschuldige en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van </al><al>bestaan in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het </al><al>verzoek om kwijtschelding is ingediend. </al><al/><al>Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt </al><al>vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto </al><al>besteedbaar inkomen van zijn echtgenoot (als bedoeld in artikel 3 Pw) in </al><al>de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om </al><al>kwijtschelding is ingediend. Ook wanneer de belastingschuldige onder </al><al>huwelijkse voorwaarden is gehuwd of bij ongehuwd samenwonenden </al><al>wanneer sprake is van een samenlevingscontract, is het voorgaande van </al><al>toepassing, ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk kan worden </al><al>gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag. De vaststelling van het </al><al>totale netto besteedbaar inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot </al><al>betaling van de aanslagen waarvan kwijtschelding wordt verzocht. </al><al/><al>De verantwoordelijkheid van de echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Pw, </al><al>voor schulden van de belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) </al><al>belastingschulden die stammen uit de huwelijkse periode dan wel uit de </al><al>periode waarin de gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg </al><al>hebben dat in voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden </al><al>gesplitst. Het vermogen en de betalingscapaciteit van de in artikel 3 Pw </al><al>bedoelde echtgenoot van belastingschuldige, worden dus buiten </al><al>beschouwing gelaten voor zover een door de belastingschuldige ingediend </al><al>verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden die zijn </al><al>ontstaan vóór de aanvang van de huwelijkse periode dan wel de </al><al>gezamenlijke huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval het </al><al>normbedrag voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder (zie </al><al>artikel 16 van de regeling). </al><al/><al>26.2.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren </al><al>Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld </al><al>wordt gesteld op 7% van de -aan loonheffing onderworpen -inkomsten </al><al>waarbij aanspraak bestaat op vakantiegeld. </al><al/><al>Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de ontvanger uit eigen </al><al>wetenschap bekend is dat het reëel genoten vakantiegeld meer of minder </al><al>bedraagt dan 7%, wordt het reëel genoten vakantiegeld in aanmerking </al><al>genomen. </al><al/><al>26.2.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren </al><al>Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening </al><al>gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de Wet studie </al><al>financiering 2000 en hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage </al><al>en schoolkosten (WTOS VO-18+ ). </al><al/><al>Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op </al><al>een normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de </al><al>kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van basisbeurs, </al><al>maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Daarbij wordt </al><al>rekening gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel </al><al>uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de </al><al>partnertoeslag of de één-oudertoeslag. </al><al/><al>De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair bedrag. </al><al/><al>A. </al><al>Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het </al><al>normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair </al><al>bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 61,-. </al><al/><al>B. </al><al>Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag </al><al>voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een </al><al>forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 53,- en met het  </al><al>bedrag aan onderwijsretributie.                </al><al>Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen </al><al>inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals </al><al>hiervoor berekend onder A en B. </al><al/><al>Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen </al><al>collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs) en de eigen </al><al>inkomsten uitstijgen boven de voor het desbetreffende huishoudtype </al><al>maximaal geldende kosten van bestaan wordt om de betalingscapaciteit te </al><al>kunnen berekenen de navolgende formules gebruikt: </al><al/><al>Formule 1: (P + Q) – R – S = X </al><al/><al>In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk </al><al>genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor </al><al>studenten in het hoger onderwijs). Het totaal van de eigen inkomsten wordt </al><al>aangegeven met Q. Met R wordt aangegeven het voor de kwijtschelding </al><al>geldende normbudget voor levensonderhoud. Het in mindering te brengen </al><al>bedrag van de daadwerkelijk ontvangen lening van de IB-groep wordt </al><al>aangeduid met S. De uitkomst van deze berekening wordt aangegeven met </al><al>X, met dien verstande dat X altijd tenminste nul bedraagt. </al><al/><al>Formule 2: X + Y = T </al><al/><al>In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan </al><al>inkomsten van de betreffende student zoals bedoeld onder A of B. Het </al><al>resultaat van de berekening volgens formule 1 (X) vermeerderd met Y is het </al><al>inkomen (T). Dit inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het netto besteedbaar </al><al>inkomen te kunnen berekenen en de betalingscapaciteit. </al><al/><al>In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot deel of </al><al>zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook uitgegaan van de </al><al>vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is hetgeen in dit artikel is vermeld </al><al>van overeenkomstige toepassing. </al><al/><al>26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en </al><al>kwijtschelding voor particulieren </al><al>Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en </al><al>die zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere </al><al>bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in aanmerking </al><al>genomen. </al><al/><al>De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar, </al><al>wordt daarentegen wél als inkomen in aanmerking genomen, evenals de </al><al>ouderlijke bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dat geval is de </al><al>bijzondere bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke kosten </al><al>waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De bijzondere bijstand </al><al>voor jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage bijstandsnorm, als de </al><al>ouderlijke bijdrage -die geacht wordt deze lage bijstandsnorm aan te vullen </al><al>tot het niveau van de bijstandsnorm voor personen van 21 tot 65 jaar geheel </al><al>of gedeeltelijk ontbreekt. </al><al/><al>26.2.13a Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor particulieren</al><al>Verstrekkingen die worden ontvangen uit een persoonsgebonden budget voor</al><al>specifieke kosten op het gebied van zorg, begeleiding of hulp en waarop geen </al><al>aanspraak bestaat vanuit de zorgverzekering of de reguliere bijstand, worden </al><al>niet als inkomen in aanmerking genomen</al><al/><al>26.2.14. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor </al><al>particulieren </al><al>Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen wordt geen rekening </al><al>gehouden met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf </al><al>maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend, nog zullen </al><al>worden opgelegd. </al><al>Tot betalingen op belastingschulden worden ook de betalingen gerekend die </al><al>worden verricht op gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de </al><al>rechten die zijn vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet) en andere </al><al>belastingen en heffingen van lokale overheden. </al><al/><al>26.2.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van </al><al>voorhuwelijkse belastingschulden </al><al>Als het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die </al><al>zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de </al><al>gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie artikel 26.3.10 </al><al>van deze leidraad), worden de woonlasten in aanmerking genomen tot ten </al><al>hoogste 50% van het bedrag dat de uitkomst is van de berekening op grond </al><al>van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling. </al><al/><al>26.2.15.A. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens </al><al>In het geval de belastingschuldige met tenminste twee personen van 18 jaar </al><al>of ouder een gezamenlijke huishouding voert alsmede in het geval de </al><al>belastingschuldige met één of meer bloedverwanten in de eerste graad van </al><al>18 jaar of ouder een gezamenlijke huishouding voert dan wel anderszins op </al><al>één adres verblijf houdt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit </al><al>geen rekening gehouden met de netto-woonlasten, tenzij de </al><al>belastingschuldige aannemelijk maakt dat de woonlasten niet gedeeld </al><al>kunnen worden. Het vorenstaande geldt niet als sprake is van commerciële </al><al>verhuur, te weten als sprake is van kostgangers of kamerhuurders. </al><al/><al>26.2.16. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en </al><al>kwijtschelding voor particulieren </al><al>Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij de berekening van het netto </al><al>besteedbaar inkomen de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage -de </al><al>bijdrage die een gemeente op grond van de Wwb van een ex-partner vordert </al><al>in de kosten van bijstand -in mindering gebracht. </al><al/><al>26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP </al><al>Als sprake is van een belastingschuldige ten aanzien van wie de </al><al>schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, </al><al>en die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van nadien </al><al>opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, </al><al>dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid. </al><al/><al>Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de </al><al>betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in </al><al>mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van </al><al>de bewindvoerder naar de boedel gaat. Verder wordt opgemerkt dat de </al><al>middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder </al><al>berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van </al><al>de regeling. </al><al/><al>26.2.18. Inkomen Wikker </al><al>Vervallen </al><al/><al>26.2.19. Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de </al><al>bijstandsuitkering </al><al>De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor </al><al>zover is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of </al><al>een alleenstaande ouder € 39,-per maand en voor echtgenoten € 84,-per   </al><al>maand. </al><al/><al>26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland </al><al>De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in het </al><al>buitenland verblijvende echtgenote en/of kinderen daadwerkelijk </al><al>onderhoudt, wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als </al><al>een alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor </al><al>echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb. Als huur wordt de hier te lande </al><al>betaalde huur in aanmerking genomen. Door toepassing van het </al><al>normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb, wordt in het </al><al>kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze rekening gehouden met de </al><al>bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn bloed-of aanverwanten </al><al>overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de werkelijke </al><al>bedragen die de buitenlandse belastingschuldige overmaakt, wordt geen </al><al>rekening gehouden. </al><al/><al>26.3. Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers </al><al>26.3.1.1.Kwijtschelding voor ondernemers voor privé-belastingen </al><al>Indien het kwijtscheldingsverzoek uitsluitend betrekking heeft op de privébelasting </al><al>van de ondernemer zijn de zelfde voorwaarden van toepassing als </al><al>bij kwijtschelding van belasting voor particulieren. Kwijtschelding voor </al><al>ondernemers voor privé-belasting is alleen van toepassing bij de </al><al>deelnemers van Sabewa Zeeland die hiertoe bij verordening of besluit hebben besloten. </al><al/><al>26.3.1.2.Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord </al><al>Kwijtschelding voor ondernemers vindt alleen plaats bij een </al><al>saneringsakkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot </al><al>gedeeltelijke betaling van de schuld tegen finale kwijting. </al><al/><al>Deze kwijtschelding komt pas aan de orde nadat alle gestelde zekerheden </al><al>zijn uitgewonnen. </al><al/><al>26.3.2. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers </al><al>Voordat de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord gaat hij na of de </al><al>mogelijkheid bestaat (een) derde(n) aansprakelijk te stellen voor onbetaald </al><al>gebleven belastingschuld. Als de (te verwachten) opbrengst uit de </al><al>aansprakelijkstelling zodanig is dat het aanbod tot een saneringsakkoord </al><al>voor de ontvanger geen betere perspectieven biedt, treedt de ontvanger niet </al><al>toe tot het akkoord. </al><al>Bij toetreding tot een saneringsakkoord kan de ontvanger er van afzien </al><al>derden alsnog aansprakelijk te stellen. In dat geval moet bij de vaststelling </al><al>van het bedrag dat aan de ontvanger moet worden voldaan rekening worden </al><al>gehouden met het bedrag dat uit de aansprakelijkstelling geïnd had kunnen </al><al>worden. </al><al/><al>Als de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord en daarnaast nog </al><al>derden aansprakelijk stelt, blijft bij de vaststelling van het bedrag dat in het </al><al>akkoord moet worden voldaan een (eventuele) opbrengst uit de </al><al>aansprakelijkstelling buiten beschouwing. In de situatie dat de </al><al>aansprakelijk gestelde zijn regresrecht op de gesaneerde onderneming </al><al>uitoefent en het bedrijf daardoor opnieuw in moeilijkheden komt, eist de </al><al>ontvanger niet dat de onderneming het ontstane tekort alsnog aanvult. Als </al><al>later blijkt dat de aansprakelijk gestelde niet kan betalen, eist de ontvanger </al><al>evenmin het ontstane tekort op. </al><al/><al>26.3.3. Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord </al><al>In aanvulling van artikel 22 van de regeling werkt de ontvanger uitsluitend </al><al>mee aan een saneringsakkoord als de communautaire middelen volledig </al><al>worden voldaan. </al><al>De ontvanger verleent geen medewerking aan een saneringsakkoord </al><al>waarbij één of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet </al><al>wordt voldaan niet kwijtschelden maar overdragen aan een derde of </al><al>omzetten in aandelenkapitaal. </al><al/><al>26.3.4. Toepassingsbereik saneringsakkoord </al><al>Bij de beoordeling van het aangeboden saneringsakkoord bekijkt de </al><al>ontvanger welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden </al><al>betrokken. Uitgangspunt hierbij is de formele belastingschuld ten tijde van </al><al>het verzoek. </al><al/><al>Bij de behandeling van het aangeboden akkoord is het de taak van de </al><al>belastingschuldige/ondernemer er voor te zorgen dat de formele schuld zo </al><al>nauwkeurig mogelijk overeenstemt met de materiële schuld. Als de </al><al>belastingschuldige niet de gegevens overlegt die (kunnen) leiden tot een </al><al>juiste vaststelling van de verschuldigde belasting, is er geen aanleiding voor </al><al>de ontvanger toe te treden tot het aangeboden akkoord. </al><al/><al>Ook de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland heeft de </al><al>inspanningsverplichting om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot </al><al>het juiste bedrag vast te stellen en de eventueel nog (materieel) </al><al>verschuldigde belastingen over tijdvakken tot aan het tijdstip waarop het </al><al>verzoek om sanering is ingediend, te formaliseren. </al><al/><al>26.3.5. Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord </al><al>Voor de berekening van het dubbele percentage dat aan de </al><al>Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland moet worden uitgekeerd, brengt de </al><al>ontvanger op de vorderingen van de concurrente crediteuren eerst in mindering </al><al>de bedragen die de concurrente crediteuren door zekerheid hebben gedekt. Het </al><al>begrip ‘ten minste’ verdient in elk geval extra aandacht als in het verleden </al><al>onevenredige betalingen aan concurrente schuldeisers zijn gedaan. </al><al/><al>Voordat een beoordeling van het aanbod plaatsvindt, moet worden nagegaan of </al><al>in de periode direct voorafgaand aan het tijdstip waarop het verzoek tot sanering </al><al>wordt ontvangen wellicht extra aflossingen aan bepaalde andere crediteuren </al><al>hebben plaatsgevonden. Als hiervan sprake is, moet aan de ontvanger – met </al><al>doorbreking van de eis dat het dubbele percentage moet worden aangeboden – </al><al>een hoger percentage dan het dubbele ten goede komen. </al><al/><al>26.3.6. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord </al><al>Bestuurlijke boeten moeten ook integraal in het akkoord worden betrokken. </al><al>Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden afgewerkt voordat tot </al><al>sanering kan worden overgegaan. Daarna past de ontvanger het </al><al>akkoordpercentage toe op de belastingschuld én op de bestuurlijke boete. </al><al/><al>26.3.7. Rente en kosten en saneringsakkoord </al><al>De ontvanger betrekt rente en kosten integraal in het akkoord. Het bedrag </al><al>dat op basis van het akkoord is betaald, wordt in afwijking van artikel 7 van </al><al>de wet op de hoofdsom afgeboekt. De ontvanger vermeldt dit in de beschikking. </al><al/><al>26.3.8. Speciale crediteuren en saneringsakkoord </al><al>Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij niet </al><al>noodzakelijkerwijs tot een akkoord hoeven toe te treden om (een deel van) </al><al>de vordering die zij hebben te kunnen innen. Tot die crediteuren behoren </al><al>onder meer: </al><al>-Pandhouders, omdat het recht van voorrang van de pandhouder op het </al><al>in pand gegeven goed boven het voorrecht van de fiscus gaat, staat het </al><al>niet deelnemen van de pandhouder aan het akkoord niet aan een </al><al>deelname daaraan door de ontvanger in de weg. Vanzelfsprekend zal in </al><al>aanmerking moeten worden genomen dat het recht van voorrang van de </al><al>pandhouder afhankelijk is van -en dus qua belang beperkt is tot -de </al><al>waarde van het in pand gegeven goed. Voor het niet door pand gedekte </al><al>gedeelte van zijn vordering kan de pandhouder slechts als concurrent </al><al>schuldeiser worden aangemerkt. De bezitloos pandhouder wiens </al><al>pandrecht betrekking heeft op een zaak als bedoeld in artikel 21, </al><al>tweede lid, tweede volzin van de wet is voor die zaak lager bevoorrecht </al><al>dan de fiscus. Voor hem geldt het voorgaande dus niet. </al><al>-Leveranciers die de eigendom van de geleverde zaak hebben </al><al>voorbehouden. Als een leverancier de eigendom van de geleverde zaak </al><al>heeft voorbehouden, moet bij het bepalen van de grootte van zijn </al><al>vordering rekening worden gehouden met dat eigendomsvoorbehoud. </al><al>Het voorgaande is niet van toepassing als de ontvanger met toepassing </al><al>van het bodemrecht beslag heeft gelegd op deze zaak. In dat geval </al><al>moet integrale voldoening van de waarde van de bodemzaak worden </al><al>geëist en voor het restant van de fiscale vordering (ten minste) het </al><al>dubbele percentage.</al><al>-Cessionarissen, als sprake is van rechtsgeldige gecedeerde uit te </al><al>betalen bedragen en de ontvanger heeft eveneens met de cessie </al><al>ingestemd, dan wordt bij een akkoord de vordering van de </al><al>crediteur/cessionaris in aanmerking genomen met inachtneming van de </al><al>te verwachten uit te betalen bedragen. De hoogte van de vordering van </al><al>de ontvanger wordt bepaald zonder rekening te houden met de te </al><al>verwachten -maar rechtsgeldig gecedeerde -uit te betalen bedragen. </al><al/><al>Onder 'dwangcrediteuren' worden verstaan leveranciers die niet bereid zijn </al><al>aan een akkoord mee te werken omdat de onderneming zonder hen niet </al><al>verder kan werken. </al><al/><al>Hiermee vergelijkbaar is de adviseur/boekhouder die de stukken moet </al><al>produceren die voor de beoordeling van het aanbod nodig zijn. Bij de </al><al>beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger rekening met de volledige </al><al>betaling van de vordering van de adviseur/boekhouder. </al><al/><al>26.4. Administratief beroep</al><al/><al>26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om </al><al>kwijtschelding </al><al>Als de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van </al><al>de ontvanger op het verzoek om kwijtschelding, kan hij een gemotiveerd </al><al>beroepschrift richten tot het dagelijks bestuur. Het beroepschrift wordt </al><al>ingediend bij de ontvanger. In verband met het aan het dagelijks bestuur uit </al><al>te brengen advies zendt de ontvanger zo nodig opnieuw een </al><al>verzoekformulier aan de belastingschuldige toe. </al><al/><al>Als de belastingschuldige het nader toegezonden verzoekformulier niet </al><al>terugzendt, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid dit alsnog te doen. Als </al><al>de belastingschuldige hieraan geen gevolg geeft, stelt de ontvanger het </al><al>dagelijks bestuur daarvan in kennis. De ontvanger adviseert het dagelijks </al><al>bestuur dan om niet aan het beroepschrift tegemoet te komen. </al><al/><al>26.4.2. Herhaald verzoek om kwijtschelding </al><al>De ontvanger merkt een herhaald verzoek om kwijtschelding aan als een </al><al>beroepschrift dat gericht is aan het dagelijks bestuur. Als de ontvanger zelf </al><al>aanleiding ziet om een gunstigere beslissing te nemen dan in zijn eerdere </al><al>beschikking, handelt hij het herhaalde verzoek zelf af. </al><al/><al>De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een </al><al>eerste verzoek als het verzoek is afgewezen als gevolg van een duidelijke, </al><al>ambtelijke fout. </al><al/><al>In deze gevallen kan de belastingschuldige na de beslissing van de </al><al>ontvanger een beroepschrift indienen bij het dagelijks bestuur. </al><al/><al>26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding </al><al>Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, </al><al>verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een </al><al>redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een </al><al>mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze </al><al>motiveringsplicht. </al><al/><al>26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding </al><al>Bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om </al><al>kwijtschelding zijn de gegevens en normen van belang die van toepassing </al><al>waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Wanneer echter blijkt dat </al><al>het inkomen van de belastingschuldige ten opzichte van het eerste verzoek </al><al>zodanig is gedaald dat de betalingscapaciteit destijds in belangrijke mate tot </al><al>een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening plaats. Ook </al><al>wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag en zorgtoeslag kunnen </al><al>leiden tot een herberekening. Een herberekening vindt niet plaats bij </al><al>wijzigingen in de kosten van bestaan. </al><al/><al>26.4.5. Beslissing dagelijks bestuur op beroep bij kwijtschelding </al><al>In alle gevallen waarin het dagelijks bestuur het beroep gegrond oordeelt, </al><al>kan hij de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het verzoek alsnog toe te </al><al>wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging van de </al><al>gronden. </al><al/><al>26.4.6. Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om </al><al>kwijtschelding </al><al>Als een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering </al><al>niet eerder voortgezet dan nadat tien dagen zijn verstreken. Artikel 9 van de </al><al>regeling is van overeenkomstige toepassing. Als binnen de termijn van tien </al><al>dagen een beroepschrift wordt ingediend, dan wordt gedurende de </al><al>behandeling van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig artikel 9 </al><al>van de regeling. </al><al/><al>Indiening van het beroepschrift na de termijn van tien dagen leidt tot niet-ontvankelijkheid. </al><al>Dit neemt echter niet weg dat -als het belang van de invordering zich</al><al>daartegen niet verzet -van het dagelijks bestuur mag worden verwacht</al><al>dat hij alsnog ambtshalve de grieven, die in het beroepschrift zijn</al><al>aangedragen op hun waarde beoordeelt. </al><al>Ook in dat geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling. </al><al/><al>Of het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling verzet, </al><al>hangt af van de omstandigheden. Hiervan is echter in ieder geval sprake als </al><al>inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn genomen. </al><al/><al>26.4.7. Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding </al><al>Als de ontvanger nalaat om tijdig een beslissing te nemen op een verzoek </al><al>om kwijtschelding, kan de belastingschuldige hiertegen beroep instellen bij </al><al>het dagelijks bestuur. Hieraan is geen termijn gebonden. </al><al/><al>Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger kwijtschelding had </al><al>moeten verlenen, dan hoeft het dagelijks bestuur niet te volstaan met de </al><al>uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het </al><al>beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen. </al><al/><al>26.5. Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek </al><al>om kwijtschelding </al><al/><al>26.5.1. Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding / beroepschrift</al><al>Als de ontvanger afwijzend heeft beslist op een verzoek om kwijtschelding </al><al>of een aangeboden akkoord, of het dagelijks bestuur heeft afwijzend beslist </al><al>op een ingediend beroepschrift tegen een afwijzende beschikking van de </al><al>ontvanger, dan moet de belastingschuldige het op de belastingaanslag(en) </al><al>verschuldigde bedrag binnen tien dagen na dagtekening van de afwijzende </al><al>beschikking of binnen de betaaltermijnen die op het aanslagbiljet zijn </al><al>aangegeven, voldoen. Na deze termijn kan de ontvanger de invordering </al><al>aanvangen dan wel voortzetten. De termijn van tien dagen geldt niet als </al><al>sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10 van de wet. </al><al/><al/><al>26.5.2 Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om </al><al>kwijtschelding </al><al>Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding maar </al><al>de ontvanger voortzetting van de invordering niet gewenst vindt, wijst de </al><al>ontvanger het verzoek om kwijtschelding af. De ontvanger neemt in die </al><al>beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal treffen. </al><al/><al>Als de ontvanger besluit tot het niet meer nemen van </al><al>invorderingsmaatregelen voor de nog openstaande schuld zonder dat hij </al><al>daaraan voorwaarden verbindt, heeft de beslissing voor de </al><al>belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen als kwijtschelding. </al><al/><al>De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te </al><al>nemen voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele </al><al>uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten de invordering </al><al>gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt </al><al>maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel </al><al>-als dit minder is -de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de </al><al>belastingaanslag intreedt. De ontvanger neemt deze </al><al>verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de beschikking op. </al><al/><al>Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te </al><al>nemen, zal hij in zijn beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling </al><al>opnemen. Anders dan kwijtschelding is een dergelijke beschikking </al><al>herroepelijk. Als de belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt, neemt </al><al>de ontvanger een nieuwe beschikking, waarbij hij zijn eerdere beschikking </al><al>intrekt. De ontvanger kan hiertoe pas overgaan nadat hij de </al><al>belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de eerdere </al><al>beschikking in te trekken en niet binnen veertien dagen alsnog aan de </al><al>voorwaarden of de tijdsbepaling is voldaan. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Verjaring </titel></kop><al/><al>In aanvulling op afdeling 4.4.3 (artikelen 4:104 tot en met 4:111) Algemene</al><al>wet bestuursrecht regelt  artikel 27 van de wet enkele specifieke (aanvullende)                     zaken met betrekking tot verjaring: </al><al>-dat stuiting van de verjaring door de ontvanger mogelijk is door het zenden </al><al>van een schriftelijke mededeling waarin het recht op betaling ondubbelzinnig </al><al>wordt voorbehouden; </al><al>-als de belastingschuldige heeft opgehouden te bestaan (oftewel: de </al><al>onderneming bestaat niet meer) en er is iemand aansprakelijk gesteld voor </al><al>de belastingschuld, dan treedt de aansprakelijk gestelde in de plaats van de </al><al>belastingschuldige (oftewel: in dat geval kan ook de aansprakelijkheidsschuld </al><al>zelfstandig worden gestuit of verlengd). </al><al/><al>In aansluiting op afdeling 4.4.3 van de Awb en artikel 27 van de wet </al><al>beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-versnelde invordering en verjaring; </al><al>-aansprakelijkgestelden en verjaring; </al><al>-stuiting van de verjaring; </al><al>-schorsing van de verjaring; </al><al>-afstand van verjaring; </al><al>-rente en kosten en verjaring. </al><al/><al>27.1. Versnelde invordering en verjaring </al><al>Als de invordering is aangevangen met toepassing van artikel 10 van de wet </al><al>begint de verjaringstermijn te lopen op het moment dat de </al><al>belastingaanslagen onmiddellijk en tot het volle bedrag invorderbaar </al><al>werden. De oorspronkelijke vervaldag heeft op dat moment voor de </al><al>verjaring geen belang meer. </al><al/><al>27.2. Aansprakelijk gestelden en verjaring </al><al>Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet </al><al>voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag </al><al>ter zake waarvan aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van </al><al>dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsvordering. </al><al/><al>27.3. Stuiting van de verjaring </al><al>Als de betekening van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de </al><al>verjaring te stuiten, dan licht de ontvanger de belastingschuldige in over het </al><al>doel van de betekening. Deze betekening is kosteloos. </al><al/><al>Om de verjaring te stuiten kan een dwangbevel meer dan één maal worden </al><al>betekend. </al><al>Als de ontvanger de verjaring van een rechtsvordering tot betaling stuit door </al><al>een schriftelijke mededeling, maakt hij die schriftelijke mededeling bekend </al><al>aan de belastingschuldige. </al><al/><al>27.4. Schorsing van de verjaring </al><al>Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de </al><al>verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag. </al><al/><al>27.5. Afstand van verjaring </al><al>Van eenmaal verkregen verjaring kan afstand worden gedaan. De ontvanger </al><al>beroept zich echter alleen op afstand van verjaring, als zonder meer </al><al>duidelijk is dat de belastingschuldige daadwerkelijk bedoelt afstand van de </al><al>verjaring te doen. </al><al/><al>27.6. Rente en kosten en verjaring </al><al>De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk met </al><al>de belastingaanslag verbonden. Als voor een belastingaanslag de verjaring </al><al>is ingetreden, laat de ontvanger dus ook voor de rente en kosten invordering </al><al>en verrekening achterwege. </al><al/><al>27.7. Na verjaring geen civiele invordering </al><al>Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de </al><al>mogelijkheid om in te vorderen door middel van een dagvaarding. </al><al/><al>Artikel 27a Betalingskorting </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Invorderingsrente </titel></kop><al/><al>28a Invorderingsrente bij terugbetaling </al><al/><al>1. Indien de ontvanger een aan een belastingplichtige uit te betalen bedrag niet </al><al>binnen 6 weken na de dagtekening van de daartoe strekkende belastingaanslag </al><al>uitbetaalt of verrekent, wordt aan de belastingplichtige invorderingsrente </al><al>vergoed. </al><al>2. De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat </al><al>aanvangt op de dag na de dagtekening van de tot uitbetaling strekkende </al><al>belastingaanslag of beschikking en eindigt op de dag voorafgaand aan die van </al><al>de betaling. In afwijking van de eerste volzin wordt invorderingsrente niet </al><al>berekend over dagen waarover ingevolge hoofdstuk VA van de Algemene wet </al><al>inzake rijksbelastingen reeds belastingrente is vergoed. </al><al>3. Invorderingsrente wordt niet vergoed voor zover het aan de belastingplichtige </al><al>is te wijten dat de uitbetaling niet tijdig is geschied. </al><al>4. Dit artikel is niet van toepassing op een voorlopige aanslag als bedoeld in </al><al>artikel 9, vijfde lid, die een uit te betalen bedrag behelst als bedoeld in het zesde </al><al>lid van dat artikel. </al><al>5. De in het eerste lid bedoelde periode van 6 weken wordt vervangen door een </al><al>periode van 3 maanden ingeval het betreft de terugbetaling van rechten bij invoer </al><al>als bedoeld in titel VII, hoofdstuk 5, van het Communautair douanewetboek. </al><al/><al>28b Invorderingsrente bij vermindering </al><al/><al>1. Indien een belastingaanslag wordt verminderd of herzien tot een lager </al><al>bedrag dan inmiddels op die aanslag is betaald en de belastingschuldige </al><al>eerder een verzoek om uitstel van betaling met betrekking tot het door hem </al><al>bestreden bedrag van die aanslag heeft gedaan dat door de ontvanger bij </al><al>beschikking is afgewezen, wordt aan de belastingschuldige </al><al>invorderingsrente vergoed. </al><al/><al>2. De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat </al><al>aanvangt de dag na de dag waarop de belastingaanslag waarvoor een </al><al>verzoek om uitstel van betaling bij beschikking is afgewezen, invorderbaar is </al><al>ingevolge artikel 9 en eindigt 6 weken na de dagtekening van de </al><al>vermindering of de herziening en heeft als grondslag het terug te geven </al><al>bedrag. </al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Invorderingsrente / wettelijke rente </titel></kop><al/><al>Het percentage van de invorderingsrente is gelijk aan dat van de ingevolge </al><al>artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bij algemene </al><al>maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke rente, bedoeld in artikel 119 </al><al>van Boek 6 van dat wetboek, met dien verstande dat het eerstgenoemde percentage</al><al>ten minste 4 bedraagt</al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Beschikking betalingskorting en invorderingsrente </titel></kop><al/><al>Artikel 30 van de wet bepaalt dat de ontvanger het bedrag van de </al><al>betalingskorting en de invorderingsrente vaststelt bij een voor bezwaar </al><al>vatbare beschikking. Op deze beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake</al><al>rijksbelastingen van toepassing. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 30 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-beschikking terug te nemen betalingskorting; </al><al>-verzoek tot vermindering rente is bezwaar; </al><al>-betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie; </al><al>-teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van </al><al>betaling; </al><al>-geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting. </al><al/><al/><al>30.1. Beschikking terugnemen betalingskorting </al><al>Niet van toepassing voor Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland.</al><al/><al>30.2. Verzoek tot vermindering rente is bezwaar </al><al>Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening </al><al>gebrachte rente merkt de ontvanger aan als een bezwaarschrift. </al><al/><al>30.3. Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep </al><al>en cassatie </al><al>Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het </al><al>bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het </al><al>Besluit beroep in belastingzaken 2005, met dien verstande dat de ontvanger </al><al>in een procedure niet dezelfde stukken hoeft over te leggen als de </al><al>inspecteur. De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de </al><al>procedure over de toepassing van de regeling betalingskorting dan wel </al><al>invorderingsrente relevant zijn. </al><al/><al>30.4. Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: </al><al>uitstel van betaling </al><al>Het beleid omtrent teruggenomen betalingskorting is niet van toepassing </al><al>voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>Indiening van een bezwaar-of beroepschrift (in hoger beroep) schort de </al><al>verplichting om de invorderingsrente te betalen niet op. Als om uitstel van </al><al>betaling wordt verzocht is het beleid van artikel 25 van deze leidraad en </al><al>artikel 34 van de regeling van overeenkomstige toepassing. </al><al/><al>30.5. Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>en artikel 31a Renteregeling Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland </titel></kop><al/><al>Artikel 31 Invorderingswet 1990 geeft aan het algemeen bestuur de bevoegdheid </al><al>om regels te stellen voor de bij de berekening van invorderingsrente toe te </al><al>passen afrondingen en voor het niet in rekening brengen van invorderingsrente </al><al>beneden een bepaald bedrag. </al><al/><al>Voorts is in artikel 31 Invorderingswet 1990 de bevoegdheid opgenomen nadere </al><al>regels te stellen met betrekking tot een doelmatige invordering van </al><al>invorderingsrente. </al><al/><al>Het algemeen bestuur heeft hiertoe een besluit genomen waarin is geregeld dat </al><al>Hoofdstuk III van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 van toepassing is </al><al>verklaard, met uitzondering van artikel 33 van die regeling. Artikel 33 regelt een </al><al>drempelbedrag wanneer geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht; </al><al>hiervoor is een afwijkende bepaling in het besluit opgenomen. </al><al/><al>Bij iedere deel-of eindbetaling brengt de ontvanger geen invorderingsrente </al><al>in rekening als het aan rente verschuldigde bedrag € 23,- of minder bedraagt. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen </titel></kop><al/><al>Artikel 32 van de wet bepaalt dat naast de aansprakelijkheidsbepalingen die </al><al>in hoofdstuk VI van de wet zijn opgenomen, de ontvanger ook een beroep </al><al>kan doen op aansprakelijkheidsbepalingen in andere wettelijke regelingen. </al><al>De ontvanger kan dus ook een beroep doen op </al><al>aansprakelijkheidsbepalingen uit bijvoorbeeld het Burgerlijk Wetboek of het </al><al>Wetboek van Koophandel. </al><al>In aansluiting op artikel 32 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-keuze aansprakelijkheid; </al><al>-gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid. </al><al/><al>32.1. Keuze aansprakelijkheid </al><al>In situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de </al><al>toepassing van zowel een aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als een </al><al>aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt in beginsel hetgeen is </al><al>vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad. </al><al/><al>In de belangenafweging die aan de aansprakelijkstelling voorafgaat, wordt </al><al>in beginsel doorslaggevend gewicht toegekend aan die </al><al>aansprakelijkheidsbepaling waarbij de aansprakelijke in de gelegenheid is </al><al>zich te disculperen. </al><al/><al>32.2. Gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid </al><al>De ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een </al><al>gemeenschapsschuld. De ontbinding van een goederengemeenschap </al><al>ontheft de echtgenoten niet van hun aansprakelijkheid voor </al><al>gemeenschapsschulden die zijn ontstaan vóór de ontbinding van de </al><al>gemeenschap. Ieder van de echtgenoten blijft aansprakelijk voor het geheel </al><al>van de gemeenschapsschulden waarvoor hij/zij voordien aansprakelijk was. </al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen</titel></kop><al/><al>Artikel 33 van de wet bevat hoofdelijke aansprakelijkheidsregels die gelden </al><al>voor de invordering van alle belastingen. </al><al>Deze regels dienen ertoe om in geval dat op een in dit artikel genoemd </al><al>lichaam geen verhaal meer kan worden uitgeoefend, die personen voor de </al><al>nog verschuldigde belasting aan te spreken, die in een nauwe betrekking </al><al>staan of stonden tot het desbetreffende lichaam en invloed (hadden) kunnen </al><al>uitoefenen op het betalen van de belastingschulden. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 33 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger; </al><al>-feitelijke vestiging; </al><al>-lichaam dat is ontbonden; </al><al>-vereffenaar; </al><al>-bestuurder; </al><al>-gewezen bestuurder. </al><al/><al>33.1. Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid </al><al>De begrippen “vaste inrichting” en “vaste vertegenwoordiger” zijn dezelfde </al><al>als bij de heffing van de diverse belastingen. </al><al/><al>33.2. Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid </al><al>Het begrip 'gevestigd' in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, heeft </al><al>een feitelijke betekenis. Waar een lichaam is gevestigd, moet worden </al><al>beoordeeld naar de omstandigheden van het geval. </al><al/><al>De ontvanger moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële </al><al>vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, van de AWR. </al><al/><al>33.3. Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid </al><al>De ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid, onderdeel c, </al><al>van de wet doelt, kan -behalve op grond van de verschillende formele </al><al>ontbindingsbepalingen -onder omstandigheden ook worden afgeleid uit </al><al>handelingen van vennoten of organen van rechtspersonen. </al><al/><al>Voor de berekening van de driejaarstermijn wordt de stilzwijgende </al><al>ontbinding -bedoeld in de vorige volzin -geacht zich te hebben voltrokken </al><al>ten tijde van het verrichten van de handelingen. </al><al/><al>Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van de </al><al>bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van de </al><al>vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde 'leeg' maken van </al><al>het lichaam. </al><al/><al>33.4. Vereffenaar bij aansprakelijkheid </al><al>Niet alleen degene die met de vereffening is belast, is aansprakelijk op </al><al>grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet, maar ook degene </al><al>die feitelijk als vereffenaar is opgetreden zonder dat van een uitdrukkelijke </al><al>lastgeving sprake is. </al><al/><al>De ontvanger moet aannemelijk maken dat het niet-betalen van de </al><al>belastingschuld is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van de </al><al>vereffenaar. De betekenis van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur in </al><al>dit lid is dezelfde als in artikel 36 van de wet. </al><al/><al>33.5. Bestuurder bij aansprakelijkheid </al><al>Voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt </al><al>als bestuurder niet alleen degene aangemerkt die als zodanig in het </al><al>Handelsregister staat ingeschreven. Ook wordt als bestuurder aangemerkt </al><al>degene die zich feitelijk als bestuurder heeft gedragen. </al><al/><al>33.6. Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid </al><al>De ontvanger kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de </al><al>belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode hoofdelijk </al><al>aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode materieel is </al><al>ontstaan. </al><al/><al>33.7. Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers </al><al>Bestuurders van lichamen zonder rechtspersoonlijkheid of van een </al><al>rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is </al><al>alsmede leiders van een vaste inrichting van een niet in Nederland </al><al>gevestigd lichaam dan wel de in Nederland wonende of gevestigde vaste </al><al>vertegenwoordiger van dat lichaam, zijn niet aansprakelijk voor zover zij </al><al>bewijzen dat de niet-betaling niet aan hen is te wijten. </al><al>Niet-verwijtbaarheid wordt naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld, </al><al>waarbij veel afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van </al><al>niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer, hoewel hij de nodige </al><al>voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn bedrijf het </al><al>hoofd te bieden, toch wordt geconfronteerd met niet te voorziene </al><al>calamiteiten. Daaronder is begrepen een sterk verslechterde economische </al><al>situatie van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen niet meer in </al><al>staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen. </al><al>Ook kan plotseling betalingsonmacht ontstaan door een bijzondere </al><al>gebeurtenis, bijvoorbeeld een niet voorzienbare, omvangrijke miscalculatie </al><al>of door het faillissement van een belangrijke debiteur. Bij dit laatste geldt </al><al>echter dat een ondernemer die zijn bedrijf uitoefent op een te zwakke </al><al>financiële basis zich niet gemakkelijk op niet-verwijtbaarheid zal kunnen </al><al>beroepen. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>tot en met 47 </titel></kop><al/><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen </titel></kop><al/><al>Artikel 48 van de wet regelt niet de aansprakelijkheid van de erfgenaam, </al><al>maar geeft aan dat de erfgenaam -als rechtsopvolger van de erflater -niet </al><al>voor alle belastingaanslagen voor het volle bedrag zal worden </al><al>aangesproken. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 48 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-beneficiaire aanvaarding; </al><al>-invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege. </al><al/><al/><al>48.1. Beneficiaire aanvaarding </al><al>Als een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is </al><al>aanvaard, wordt de vereffening van de boedel afgewacht, met dien </al><al>verstande dat de ontvanger maatregelen neemt ter beveiliging van zijn </al><al>rechten (zie echter ook artikel 14.1.3 van deze leidraad). </al><al/><al>Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard </al><al>achterwege. </al><al/><al>48.2. Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege </al><al>als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer </al><al>tegen de gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden, blijft </al><al>invordering ten laste van een erfgenaam van wie minder dan € 23,-moet </al><al>worden ingevorderd achterwege, tenzij het de hoofdsom van de aanslag </al><al>betreft. </al><al/><al>Er kan ook aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische gronden </al><al>buiten invordering te laten.</al><al/><al>Artikel 48a Aansprakelijkheid van derden voor uitbetaalde bedragen </al><al>inkomstenbelasting of omzetbelasting</al><al/><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor Belastingsamenwerking Sabewa</al><al>Zeeland.</al></artikel><artikel><kop><label/><nr/><titel> Artikel 49 Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling </titel></kop><al/><al>Artikel 49 van de wet regelt de formele bepalingen voor </al><al>aansprakelijkstellingen. Het geeft aan op welke wijze een materiële </al><al>aansprakelijkheid wordt omgezet in een formele aansprakelijkstelling. De </al><al>bepalingen gelden niet alleen voor de in de wet opgenomen </al><al>aansprakelijkheidsregels, maar gelden ook voor de aansprakelijkheid in </al><al>enige andere wettelijke regeling, bijvoorbeeld in het Burgerlijk Wetboek en </al><al>het Wetboek van Koophandel. </al><al/><al>De aansprakelijkstelling vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking, </al><al>en wel afzonderlijk voor ieder die aansprakelijk wordt gesteld. </al><al>In aansluiting op artikel 49 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete; </al><al>-aansprakelijkstelling voor invorderingsrente; </al><al>-aansprakelijkstelling -in gebreke zijn; </al><al>-informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten-en </al><al>  inlenersaansprakelijkheid; </al><al>-informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden; </al><al>-eerst uitwinning belastingschuldige; </al><al>-volgorde van aansprakelijk stellen; </al><al>-bezwaar en uitstel van betaling; </al><al>-overgangsrecht. </al><al/><al>49.1. Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete </al><al>De ontvanger kan de beschikking aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke </al><al>boete opnemen in dezelfde brief waarbij hij ook de beschikking voor de </al><al>aansprakelijkstelling voor de belastingschuld bekendmaakt. De ontvanger </al><al>moet dan in de beschikking de gronden vermelden waarop de </al><al>aansprakelijkstelling voor de boete berust. </al><al/><al>Als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om de gronden, </al><al>waarop het voornemen tot een aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete </al><al>berust, te betwisten of de ontvanger is van oordeel dat de betwisting van de </al><al>aansprakelijke ongegrond is, dan zal hij de derde daarvan op de hoogte </al><al>stellen en overgaan tot aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete op </al><al>de voet van artikel 49, eerste lid, van de wet. </al><al/><al>49.2. Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente </al><al>Als aan de aansprakelijkgestelde invorderingsrente in rekening moet worden </al><al>gebracht, dan wordt de rente berekend over het bedrag waarvoor hij </al><al>aansprakelijk is gesteld. </al><al/><al>Voor zover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking tevens </al><al>een bedrag aan invorderingsrente is opgenomen, wordt over dat bedrag </al><al>geen rente in rekening gebracht. </al><al/><al>49.3. De aansprakelijkstelling -in gebreke zijn </al><al/><al>49.3.1. Wanneer in gebreke </al><al>De belastingschuldige is in gebreke als de betaling van zijn belastingschuld </al><al>niet heeft plaatsgevonden binnen de betalingstermijn die voor de </al><al>belastingaanslag geldt. </al><al/><al>49.3.2. In gebreke zijn en versnelde invordering </al><al>De belastingschuldige wordt ook geacht in gebreke te zijn als de </al><al>belastingaanslag op grond van artikel 10 van de wet terstond invorderbaar </al><al>is. </al><al/><al>49.3.3. In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere </al><al>invorderingsmaatregelen’ </al><al>Als de ontvanger aan de belastingschuldige een beschikking heeft gestuurd </al><al>waarin hij toezegt geen verdere invorderingsmaatregelen tegen de </al><al>belastingschuldige meer te nemen, kan een derde voor de desbetreffende </al><al>belastingschuld niettemin aansprakelijk worden gesteld, mits die </al><al>mogelijkheid uitdrukkelijk in de beschikking is vermeld. </al><al/><al>49.4. Informatieverstrekking in beschikking </al><al>aansprakelijkstelling keten-en inlenersaansprakelijkheid </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>49.5. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden </al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid, van de wet moet de </al><al>ontvanger de aansprakelijk gestelde desgevraagd op de hoogte stellen van </al><al>de gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. </al><al/><al>Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden </al><al>verstrekt, behoren in elk geval de stukken die op de zaak betrekking hebben </al><al>als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb. Hieronder worden verstaan alle </al><al>stukken die bij het nemen van het besluit een rol hebben gespeeld. Naast </al><al>de gegevens die zijn vastgelegd in de genoemde stukken moeten </al><al>desgevraagd ook andere gegevens worden verstrekt, mits die gegevens </al><al>redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van </al><al>bezwaar of het instellen van beroep. </al><al/><al>De gegevens worden -na een daartoe strekkend verzoek van de </al><al>aansprakelijk gestelde -vooruitlopend op het indienen van een </al><al>bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt. </al><al/><al>Hoewel artikel 49, zesde lid, van de wet betrekking heeft op de gegevens </al><al>over de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich daartoe </al><al>niet beperkt, maar mede betrekking heeft op (alle) andere aspecten van de </al><al>aansprakelijkheidsbeslissing. Voorwaarde is wel dat deze gegevens hetzij </al><al>gerekend kunnen worden tot de stukken die op de zaak betrekking hebben </al><al>als hiervoor genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden </al><al>geacht voor het maken van bezwaar tegen de </al><al>aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop </al><al>volgende beslissingen. </al><al/><al>49.6. Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige </al><al>De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op vermogensbestanddelen </al><al>van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning van de </al><al>vermogensbestanddelen van de aansprakelijk gestelde, tenzij zich een situatie </al><al>voordoet als bedoeld in artikel 14.1.4 van de leidraad. </al><al/><al>49.7. Volgorde van aansprakelijk stellen </al><al>Als de ontvanger een derde aansprakelijk kan stellen op grond van meer </al><al>dan één fiscale of civielrechtelijke aansprakelijkheidsbepaling, dan hoeft hij </al><al>daarbij geen volgorde in acht te nemen. Hetzelfde geldt als de ontvanger </al><al>verscheidene derden op grond van dezelfde dan wel op grond van </al><al>verschillende aansprakelijkheidsbepalingen aansprakelijk kan stellen. </al><al/><al>Dit geldt niet in de gevallen waarvoor in de wet of deze leidraad anders is </al><al>bepaald. </al><al/><al>49.8. Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling </al><al/><al>49.8.1. Bezwaar en uitstel van betaling </al><al>Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling wordt tevens </al><al>aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling. </al><al>49.8.2. Beslissing op het bezwaarschrift </al><al>De afdoening van bezwaarschriften tegen aansprakelijkstellingen wordt in </al><al>beginsel binnen de termijnen van de Algemene wet bestuursrecht (artikel </al><al>7:10 Awb) afgehandeld. Artikel 49, derde lid, van de wet geeft de ontvanger </al><al>formeel een beslistermijn van één jaar met de mogelijkheid deze termijn met </al><al>schriftelijke toestemming van het dagelijks bestuur -met maximaal één </al><al>jaar te verlengen. </al><al>Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen in uitzonderingsgevallen </al><al>gebruik. Denk hierbij aan de situatie waarin de belanghebbende weigert </al><al>mee te werken aan een voortvarende afhandeling van het bezwaarschrift. </al><al/><al/><al>49.9. Overgangsrecht </al><al/><al>49.9.1. Bij civiele procedure geen invordering of verrekening </al><al>Tijdens de civiele procedure volgend op een betwisting op grond van het tot </al><al>1 december 2002 geldende recht vinden geen invorderingsmaatregelen </al><al>plaats. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kunnen wel conservatoire </al><al>maatregelen worden genomen. </al><al/><al>Eveneens vindt tijdens de civiele procedure geen verrekening plaats van uit </al><al>te betalen bedragen ten name van de aansprakelijk gestelde met een </al><al>aansprakelijkheidsschuld. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kan </al><al>conservatoir beslag worden gelegd op het uit te betalen bedrag. </al><al/><al>49.9.2. Wijziging eis </al><al>De ontvanger wijzigt zijn eis als in de fiscale procedure die de </al><al>belastingschuldige voert een onherroepelijke uitspraak is gedaan met </al><al>betrekking tot de hoogte van de belastingaanslag die leidt tot aanpassing </al><al>van het bedrag van de aansprakelijkheidsschuld, en artikel 50, zesde lid, </al><al>van de wet (oud) van toepassing is. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51</nr><titel>Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid </titel></kop><al/><al>De versnelde invordering op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet is </al><al>niet van toepassing op een aansprakelijk gestelde. Wel heeft de ontvanger </al><al>de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen op grond van artikel 51 van </al><al>de wet met toepassing van de regels van het Wetboek van Burgerlijke </al><al>Rechtsvordering. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 51 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over </al><al>conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar. </al><al/><al>51.1. Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar </al><al>Als er conservatoir beslag ligt en de aansprakelijk gestelde verzoekt om </al><al>uitstel van betaling in verband met een bezwaar tegen de beschikking, dan </al><al>verleent de ontvanger alleen uitstel van betaling als er zekerheid wordt </al><al>gesteld. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52</nr><titel>Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling </titel></kop><al/><al>Op grond van artikel 52, eerste lid, van de wet heeft de </al><al>aansprakelijk gestelde een betalingstermijn van twee maanden na </al><al>dagtekening van de beschikking van de aansprakelijkstelling. </al><al>Als na het verstrijken van deze termijn geen betaling heeft plaatsgevonden </al><al>en geen bezwaarschrift tegen de beschikking is ingediend, is het in de </al><al>beschikking vermelde bedrag invorderbaar. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 52 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over </al><al>vermindering van de belastingaanslag. </al><al/><al>52.1. Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling </al><al>Als de inspecteur de aanslag vermindert, past de ontvanger het bedrag van </al><al>de aansprakelijkstellingsbeschikking aan voor zover dat voortvloeit uit de </al><al>vermindering en deelt dat mee aan de aansprakelijk gestelde. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53</nr><titel>Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding </titel></kop><al/><al>De ontvanger heeft op grond van het bepaalde in artikel 53 recht om ook de </al><al>regels voor de verrekening (artikel 24 van de wet met uitzondering van het </al><al>derde lid) toe te passen voor een aansprakelijk gestelde. Dit leidt ertoe dat </al><al>een openstaande aansprakelijkheidsschuld kan worden verrekend met een </al><al>aan de aansprakelijk gestelde uit te betalen bedrag. </al><al/><al>Als de aansprakelijk gestelde niet in staat is -anders dan met buitengewoon </al><al>bezwaar -de belastingschuld waarvoor hij aansprakelijk is gesteld geheel of </al><al>gedeeltelijk te voldoen, dan kan aan hem op verzoek ontslag van </al><al>betalingsverplichting worden verleend. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 53 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over </al><al>geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld. </al><al/><al>53.1. Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld </al><al>Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet </al><al>voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag </al><al>waarvoor aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van </al><al>dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsvordering. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54</nr><titel>Mededeling aan de aansprakelijk gestelde </titel></kop><al/><al>Artikel 54 van de wet regelt de uitbetaling van een teruggaaf aan de </al><al>Aansprakelijk gestelde die het gevolg is van een vermindering van de </al><al>belastingaanslag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 54 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over </al><al>geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld. </al><al/><al>54.1. Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling </al><al>De ontvanger houdt de betaling van de teruggaaf -als bedoeld in artikel 54, </al><al>eerste lid, van de wet -aan gedurende vier weken na de dagtekening van </al><al>de schriftelijke mededeling aan de belastingschuldige. </al><al/><al>In deze periode kan de belastingschuldige -als de derde zich al voor de </al><al>aansprakelijkheidsschuld op hem heeft verhaald -derdenbeslag leggen </al><al>onder de ontvanger op het bedrag van de teruggaaf. In de </al><al>derdenbeslagprocedure zal worden uitgemaakt aan wie de ontvanger het </al><al>bedrag van de teruggaaf moet betalen. </al><al/><al>Artikel 55 tot en met 57 </al><al/><al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 55 tot en met 57 van de wet geen </al><al>beleidsregels gemaakt. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>58</nr><titel>Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijk gestelde </titel></kop><al/><al>Artikel 58 van de wet regelt de verplichting voor de belastingschuldige en de </al><al>Aansprakelijk gestelde tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen en </al><al>het ter beschikking stellen van gegevensdragers die voor de invordering van </al><al>de 'eigen' belastingschulden van belang zijn. </al><al/><al>Verder regelt artikel 58 van de wet de identificatieverplichting tegenover de </al><al>ontvanger. </al><al>Onder de gegevens die voor de invordering van de 'eigen' </al><al>belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de </al><al>gegevens die de ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk </al><al>derden aansprakelijk kan stellen. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 58 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure; </al><al>-gegevens voor invordering ‘eigen’ belastingschulden. </al><al/><al>58.1. Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure </al><al>Het is de ontvanger niet toegestaan een invorderingsonderzoek te doen </al><al>instellen, nadat de rechter de ontvanger in de gelegenheid heeft gesteld </al><al>bewijs te leveren voor in een procedure aangevoerde stellingen, indien en </al><al>voor zover dat onderzoek wordt ingesteld om gegevens te verwerven om dat </al><al>bewijs te kunnen leveren. </al><al/><al>58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden </al><al>Onder gegevens die voor de invordering van de ‘eigen’ belastingschulden </al><al>van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de </al><al>ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk </al><al>kan stellen. </al><al/><al>Artikel 58.3. Invorderingsonderzoek tijdens faillissement </al><al>N.v.t.  voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>59</nr><titel>Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde </titel></kop><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>60</nr><titel>Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen </titel></kop><al/><al>Artikel 60 van de wet regelt de formele bepalingen voor de </al><al>informatieverplichtingen. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 60 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-het stellen van een redelijke termijn voor verstrekken van informatie; </al><al>-de kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen. </al><al/><al>60.1. Redelijke termijn voor verstrekken van informatie </al><al>De ontvanger stelt een redelijke termijn voor het verstrekken van de </al><al>gegevens en inlichtingen of het ter beschikking stellen van de </al><al>gegevensdragers. </al><al/><al>Als de ontvanger belang heeft bij een spoedige verstrekking of </al><al>beschikbaarstelling kan deze termijn ook terstond zijn. </al><al/><al>60.2. Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of </al><al>beschikbaar stellen </al><al>Als de opgevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud </al><al>worden verstrekt, herhaalt de ontvanger zijn verzoek en vordert hij op basis </al><al>van artikel 60, eerste lid, van de wet correcte en concrete gegevens. </al><al/><al>Als de gegevens ook na herhaald verzoek niet voldoen aan de gestelde </al><al>eisen, beoordeelt de ontvanger of hij een civiele procedure begint of de </al><al>strafsancties van Hoofdstuk VIII van de wet toepast. </al><al>Gegevensverstrekking vindt in beginsel uitsluitend schriftelijk plaats. In </al><al>uitzonderingssituaties kan de ontvanger toestaan dat de gegevens </al><al>mondeling worden verstrekt. In verband met de bewijsvoering zorgt de </al><al>ontvanger voor een vastlegging van het gesprek. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr/><titel> Artikel 61 Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen </titel></kop><al/><al>Artikel 61 van de wet bepaalt voor de in de artikelen 58, 59 en 60 van de </al><al>wet opgenomen verplichtingen dat niemand zich op geheimhouding kan </al><al>beroepen, zelfs niet als die geheimhoudingsverplichting bij wettelijk </al><al>voorschrift zou zijn opgelegd. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 61 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over </al><al>niet van de administratie gescheiden (beroeps-)vertrouwelijke gegevens. </al><al/><al>61.1. Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke gegevens </al><al>De ontvanger heeft alleen belang bij die gegevens en inlichtingen en </al><al>gegevensdragers die hem inzicht verschaffen in de financiële positie van de </al><al>belastingschuldige. </al><al/><al>Doorgaans zijn de beroepsvertrouwelijke gegevens en de financiële </al><al>gegevens gescheiden. Als het onvermijdelijk is dat de ontvanger </al><al>privacygegevens onder ogen krijgt, vormt dit geen grond om de verstrekking </al><al>van gegevens of de beschikbaarstelling van gegevensdragers te weigeren. </al><al>De ontvanger is op grond van artikel 67, eerste lid, van de wet gehouden tot </al><al>geheimhouding van die gegevens. </al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62</nr><titel>Informatieverplichtingen van de administratieplichtige</titel></kop><al/><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>Artikel 62a </al><al/><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 62a van de wet geen beleidsregels gemaakt. </al><al/></artikel><artikel><kop><label/><nr/><titel>Artikelen 63 en 63a (geen beleidsregels)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label/><nr/><titel>Artikelen 63b en 63c Bestuurlijke boeten </titel></kop><al/><al>63b. In aansluiting op artikel 63b van de wet beschrijft dit artikel het beleid</al><al>over:</al><al>-algemene uitgangspunten:</al><al>-betalingsverzuim bij aanslagbelastingen:</al><al>-verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt.</al><al/><al>63b.1. Algemene uitgangspunten</al><al>Bij het opleggen van bestuurlijke verzuimboeten op grond van hoofdstuk VIIA</al><al>van de wet zijn, naast de bepalingen van de AWR die in artikel 63b van de wet</al><al>worden genoemd, de voorschriften van titel 5.1 en titel 5.4 van de Awb van</al><al>toepassing. Ook zijn de algemene bepalingen van de Beleidsregels bestuurlijke</al><al>boeten van toepassing, voor zover deze een invulling geven aan het geldende </al><al>wettelijke kader.</al><al/><al>63b.2. Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen</al><al>Voor het opleggen van de boete wordt een systematiek gehanteerd waarbij de</al><al>boete wordt gerelateerd aan de hoogte van de niet, gedeeltelijk niet of niet </al><al>binnen de termijn betaalde belasting.</al><al>Ter zake van een verzuim als bedoeld in artikel 63b, eerste lid van de wet kan</al><al>de ontvanger een boete opleggen van 5 procent van de niet, gedeeltelijk niet </al><al>of niet binnen de termijn betaalde belasting tot het wettelijk maximum van </al><al>die bepaling. De boete wordt minimaal gesteld op € 50,00. In afwijking hiervan</al><al>kan de ontvanger in uitzonderlijke gevallen een boete tot het in artikel 63b,</al><al>eerste lid van de wet genoemde maximum opleggen, zonder rekening te houden</al><al>met de genoemde 5 procent. De opgelegde verzuimboete wordt niet verlaagd</al><al>bij latere wijziging van het bedrag waarover die boete is berekend.</al><al/><al>Als een aanslag in meerdere termijnen betaald mag worden, kunnen er met</al><al>betrekking tot die aanslag ook meerdere verzuimen als bedoeld in artikel 63b, </al><al>eerste lid, van de wet voorkomen. Als er meerdere dergelijke verzuimen zijn, </al><al>zijn er even zoveel beboetbare feiten. Bij de bepaling van de hoogte van de boete</al><al>vanwege een verzuim, houdt de ontvanger alleen rekening met de belasting die </al><al>betrekking heeft op de desbetreffende betalingstermijn.</al><al/><al>De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet</al><al>gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden genomen.</al><al/><al>63b.3. Verplichting tot te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt</al><al>Ter zake van het verzuim als bedoeld in artikel 63b, tweede lid, van de wet kan</al><al>de ontvanger een verzuimboete opleggen van 50 procent van het in dat artikel </al><al>genoemde wettelijk maximum. In afwijking hiervan kan in uitzonderlijke gevallen</al><al>een boete tot het in artikel 63b, tweede lid, van de wet genoemde maximum</al><al>worden opgelegd.</al><al>De boete wordt opgelegd aan degene die niet aan zijn verplichting voldoet. Dit</al><al>kan een ander zijn  dan de belastingschuldige.</al><al/><al>De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet</al><al>gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden genomen.</al><al/><al>63c. Wijziging maximale hoogte verzuimboete</al><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 63c van de wet geen beleidsregels gemaakt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>64</nr><titel>Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 64 van de wet geen beleidsregels gemaakt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65</nr><titel>Opzettelijk niet nakomen informatieverplichting: zwaardere strafmaat </titel></kop><al>Bij het niet of niet correct nakomen van een verplichting tot het verstrekken </al><al>van gegevens of het ter beschikking stellen van gegevensdragers, kan sprake</al><al>zijn van opzet. </al><al/><al>In artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet wordt de strafmaat voor dit </al><al>strafbare feit gegeven. De beide straffen die in die leden zijn genoemd, kunnen</al><al>cumulatief worden toegepast. Artikel 65a van de wet merkt dit strafbare feit aan als </al><al>een misdrijf. </al><al/><al>Het derde lid van artikel 65 van de wet bevat de zogenaamde </al><al>'inkeerregeling': het recht op strafvervolging vervalt als een persoon tijdig tot </al><al>inkeer komt en alsnog zorgt voor een juiste en volledige verstrekking van </al><al>informatie. </al><al>In aansluiting op artikel 65 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de </al><al>reikwijdte opzetcriterium bij een misdrijf. </al><al/><al>65.1. Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf </al><al>De vereiste opzet voor de toepassing van artikel 65, eerste en tweede lid, </al><al>van de wet behoeft zich niet uit te strekken tot het feit dat te weinig </al><al>belasting wordt ingevorderd. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65a</nr><titel>en artikel 66 </titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 65a en artikel 66 van de wet geen </al><al>beleidsregels gemaakt. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>67</nr><titel>Geheimhoudingsplicht </titel></kop><al/><al>Artikel 67 van de wet regelt de geheimhoudingsplicht. In het tweede lid van </al><al>dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt als: </al><al>-bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk voorschrift; </al><al>-sprake is van structurele gegevensverstrekking aan bestuursorganen </al><al>die bij ministeriële regeling zijn aangewezen; </al><al>-de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige zelf voor zover </al><al>deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. </al><al>Daarnaast kan de minister van Financiën op grond van het derde lid </al><al>ontheffing van de geheimhoudingsplicht verlenen. </al><al/><al>In aansluiting op artikel 67 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: </al><al>-bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf; </al><al>-informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen. </al><al/><al>67.1. Bekendmaking aan de belastingschuldige </al><al>De geheimhoudingsplicht geldt niet voor de bekendmaking van gegevens </al><al>aan degene op wie zij betrekking hebben (de belastingschuldige) voor zover </al><al>deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Ook het verstrekken van </al><al>informatie over belastingschulden aan de belastingschuldige zelf valt niet </al><al>onder de geheimhoudingsplicht. Onder belastingschuldige moet hier mede </al><al>worden verstaan: diens vertegenwoordiger, curator, bewindvoerder of </al><al>erfgenaam. </al><al/><al>67.2 Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering </al><al>De geheimhoudingsplicht geldt niet voor zover de bekendmaking van </al><al>gegevens noodzakelijk is voor de uitvoering van de Invorderingswet 1990. </al><al>Dat laatste moet ruim worden opgevat. Als bekendmaking van belang is </al><al>voor de invordering van de verschuldigde belasting (aanslag) of een </al><al>aansprakelijkheidsvordering (beschikking), kan de bekendmaking (aan </al><al>derden) plaatsvinden zonder dat daarmee de geheimhoudingsplicht wordt </al><al>geschonden. </al><al/><al>67.3. Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over </al><al>periodieke betalingen </al><al>Desgevraagd is de ontvanger op grond van artikel 475g, derde lid Rv </al><al>verplicht aan de gerechtsdeurwaarder die gerechtigd is beslag te leggen </al><al>tegen een schuldenaar, schriftelijk informatie te verstrekken over periodieke </al><al>betalingen die hij aan die schuldenaar verricht of gaat verrichten op grond </al><al>van een verleende voorlopige teruggaafbeschikking. </al><al/><al>Deze informatieplicht behelst uitsluitend gegevens met betrekking tot: </al><al>-de vraag of een voorlopige teruggaaf is verleend; </al><al>-de termijn en de omvang van de betalingen van een voorlopige </al><al>teruggaaf, onder vermelding van het bedrag van een eventuele </al><al>verrekening die plaatsvindt; </al><al>-de vraag of op de voorlopige teruggaaf in kwestie beslag is gelegd en, </al><al>zo ja, door welke gerechtsdeurwaarder beslag is gelegd en in wiens </al><al>opdracht dat is gebeurd. </al><al/><al>Het verstrekken van andere informatie dan hiervoor genoemd, is in strijd </al><al>met de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de wet. Aan het enkele feit </al><al>dat de gerechtsdeurwaarder een verzoek doet op grond van artikel 475g, </al><al>derde lid Rv mag de ontvanger het vertrouwen ontlenen dat er een </al><al>gerechtigdheid bestaat tot het leggen van beslag tegen de schuldenaar in </al><al>kwestie. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel>68, 70 tot en met 72 </titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 68 tot en met 72 van de wet geen </al><al>beleidsregels gemaakt. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>69</nr><titel>is niet toepassing voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>73</nr><titel>Insolventieprocedures </titel></kop><al>In dit artikel is het volgende beleid over insolventieprocedures opgenomen: </al><al>-de algemene uitgangspunten insolventieprocedures; </al><al>-insolventieprocedure en wettelijke schuldsanering; </al><al>-insolventieprocedure en surséance; </al><al>-insolventieprocedure en faillissement; </al><al>-insolventieprocedure en minnelijke schuldsanering; </al><al>-insolventieprocedures en akkoorden. </al><al/><al>73.1. Algemene uitgangspunten insolventieprocedures </al><al>73.1.1. Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement </al><al>Uiterlijk veertien dagen vóór de verificatievergadering meldt de ontvanger </al><al>zijn vorderingen ter verificatie aan bij de bewindvoerder. Daarbij wordt er </al><al>van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak worden geheven, </al><al>geacht worden van dag tot dag te ontstaan. </al><al/><al>De ontvanger meldt ook conserverende belastingschulden ter verificatie aan </al><al>bij de bewindvoerder. </al><al/><al>Voor het indienen van vorderingen in het faillissement wordt verwezen naar </al><al>artikel 19.2 van deze leidraad. De ontvanger maakt ook voor rechten bij </al><al>invoer gebruik van deze vordering. </al><al/><al/><al>73.1.2. Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of </al><al>faillissement </al><al>Het uitbrengen van aansprakelijkstellingen voor belastingaanslagen tijdens </al><al>zowel het faillissement als tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling is </al><al>mogelijk. </al><al/><al>73.1.3. Boedelschulden </al><al>De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator </al><al>worden voldaan. Als belastingschulden die als boedelschulden kunnen </al><al>worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger </al><al>zich in beginsel eerst tot de curator teneinde informatie te verkrijgen over de </al><al>toestand van de boedel en zo mogelijk langs minnelijke weg alsnog </al><al>voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende </al><al>oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechtercommissaris. </al><al>In het uiterste geval kan de ontvanger rechtstreeks verhaal </al><al>zoeken op de boedel. </al><al/><al>Het voorgaande is ook van toepassing bij een wettelijke schuldsaneringsregeling. </al><al/><al>Bij de invordering van boedelschulden kan de ontvanger tijdens de </al><al>wettelijke schuldsaneringsregeling niet het faillissement van de schuldenaar </al><al>aanvragen. </al><al/><al>Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn boedelschulden </al><al>in het faillissement (zie artikel 19.2.2 van deze leidraad). </al><al/><al>73.1.4. Proceskostengarantie </al><al>Als de curator een gerechtelijke procedure (niet zijnde de </al><al>bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure) moet aanspannen om een bate </al><al>voor de boedel te kunnen realiseren, en de aanwezige baten van de boedel </al><al>niet toereikend zijn om de proceskosten te voldoen, kan de curator bij de </al><al>ontvanger een gemotiveerd verzoek indienen om garantstelling voor het </al><al>bedrag dat niet uit de boedel kan worden voldaan. </al><al/><al>Bij de beoordeling van het verzoek neemt de ontvanger als uitgangspunt </al><al>dat: </al><al>-de boedel bij de actie van de curator moet zijn gebaat; </al><al>-de ontvanger (een deel van) de in het faillissement ingediende vordering </al><al>zal kunnen innen. </al><al>Daarnaast stelt de ontvanger de eis dat de schuldeisers -die bij een </al><al>verdeling van de activa eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke </al><al>opbrengst van de procedure -bereid zijn om naar evenredigheid mee garant </al><al>te staan voor de proceskosten. Dit geldt ook voor boedelschuldeisers. Als </al><al>een bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling de ontvanger </al><al>een verzoek om garantstelling doet, treedt de ontvanger in overleg met het </al><al>dagelijks bestuur. </al><al/><al>73.1.5. Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>73.1.6. Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>73.1.7. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>73.1.8. Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP </al><al>Voor uitstel van betaling in relatie tot faillissement en WSNP wordt </al><al>verwezen naar artikel 25.1.4 en artikel 25.4.4 en naar artikel 74 </al><al>(uitstelfaciliteiten) van deze leidraad. </al><al>73.1.9. Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP </al><al>Zie voor kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP artikel 26.2.9 </al><al>van deze leidraad. </al><al/><al>73.1.10. Ketenaansprakelijkheid en </al><al>bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot faillissement en WSNP </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>73.1.11. Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement </al><al>Zie voor toeslagenschuld in relatie met WSNP en/of faillissement artikel </al><al>79.3 van deze leidraad. </al><al/><al>73.1.12. Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement </al><al>Zie voor verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement artikel </al><al>77.3 en 77.5 van deze leidraad. </al><al/><al>73.2. Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering </al><al/><al>73.2.1. Kwijtschelding tijdens WSNP </al><al>Voor de situatie dat een belastingschuldige, ten aanzien van wie de </al><al>schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, </al><al>verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen belastingschulden die </al><al>niet zijn aan te merken als boedelschuld, wordt verwezen naar artikel </al><al>26.3.17 van deze leidraad. </al><al/><al>73.2.2. Na de toepassing van de WSNP </al><al>Belastingvorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van </al><al>toepassing is en voor zover die na de beëindiging op grond van artikel 356, </al><al>tweede lid FW onvoldaan zijn gebleven, zijn aan te merken als natuurlijke </al><al>verbintenissen ongeacht of de vorderingen door de ontvanger bij de </al><al>bewindvoerder zijn aangemeld. Met betrekking tot te betalen </al><al>belastingaanslagen die betrekking hebben op de periode waarin de </al><al>wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was en die zijn </al><al>vastgesteld na beëindiging (met schone lei) van die regeling, zal de </al><al>ontvanger in beginsel afzien van invordering. Daarbij geldt dat aannemelijk </al><al>moet zijn dat: </al><al>-de bewindvoerder de aan de betreffende aanslag voorafgaande </al><al>voorlopige aanslagen / teruggaven dan wel het ontbreken daarvan </al><al>voldoende op juistheid heeft getoetst; en </al><al>-over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig contact </al><al>heeft opgenomen met de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al>Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de </al><al>wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd en die betrekking hebben op </al><al>een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke </al><al>schuldsaneringsregeling kan de ontvanger verrekenen met de vorderingen </al><al>die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd. Met betrekking tot </al><al>belastingteruggaven die betrekking hebben op de periode voor de </al><al>beëindiging (met schone lei) van de wettelijke schuldsaneringsregeling en </al><al>die wordt vastgesteld na beëindiging van die regeling, geldt het volgende. </al><al>Teruggaven (na mogelijke verrekening met openstaande schulden) van </al><al>minder dan € 500,-worden uitbetaald aan de belastingschuldige zelf. Indien </al><al>de belastingteruggave (na mogelijke verrekening met openstaande </al><al>schulden) € 500,-of meer bedraagt, zal de ontvanger contact opnemen met </al><al>de gewezen bewindvoerder om met hem te overleggen of de vereffening </al><al>moet worden heropend. </al><al/><al>Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de </al><al>ontvanger derden nog aansprakelijk stellen voor niet-betaalde </al><al>belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten worden </al><al>aangemerkt. </al><al>Reeds in gang gezette aansprakelijkheidsprocedures kan de ontvanger </al><al>voortzetten. </al><al/><al>73.2.3. De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is </al><al>ingetrokken </al><al>De WSNP kan ook eindigen zonder schone lei (artikel 358, tweede lid, Fw) </al><al>en de reeds verstrekte schone lei kan worden ingetrokken (artikel 358a, </al><al>eerste lid, Fw). In die situaties kan de ontvanger de invordering hervatten. </al><al/><al>73.2.4. De WSNP is tussentijds beëindigd </al><al>Als een schuldsaneringsregeling tussentijds wordt beëindigd in de zin van </al><al>artikel 350, vijfde lid, Fw, blijft omzetting in faillissement achterwege als er </al><al>geen baten beschikbaar zijn. In die situatie geldt het invorderingsbeleid voor </al><al>natuurlijke personen bij opheffing van een faillissement wegens gebrek aan </al><al>baten (artikel 73.4.14). </al><al/><al>73.3. Insolventieprocedure en surséance </al><al>Voor uitstel van betaling in relatie tot surséance wordt verwezen naar artikel </al><al>25.1.4 en 25.4.4 van deze leidraad. </al><al/><al>73.3.2. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in </al><al>relatie tot surséance </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>73.4. Insolventieprocedure en faillissement </al><al/><al>73.4.1. Faillissementsaanvraag: algemeen </al><al>De belastingaanslag(en) waarvoor de ontvanger het faillissement aanvraagt, </al><al>moet(en) onherroepelijk vaststaan of in redelijkheid materieel verschuldigd </al><al>worden geacht. Een faillissementsaanvraag blijft achterwege als de </al><al>belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht van korte duur is. </al><al/><al>Voor een voorlopige aanslag vraagt de ontvanger slechts een faillissement </al><al>aan als: </al><al>-die aanslag is gevolgd door een definitieve aanslag; of </al><al>-naast de voorlopige aanslag ook andere aanslagen onbetaald zijn </al><al>gebleven. </al><al/><al>73.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van </al><al>faillissementsaanvraag </al><al>Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent, en </al><al>bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, dan wordt de voorkeur </al><al>gegeven aan het treffen van maatregelen die moeten leiden tot ontbinding </al><al>van die rechtspersoon boven het aanvragen van het faillissement van die </al><al>rechtspersoon. </al><al/><al>73.4.3. Particulieren en faillissement </al><al>Het aanvragen van het faillissement van een particulier blijft achterwege als </al><al>wordt verwacht dat de ontvanger de eventuele vermogensbestanddelen ook </al><al>geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement kan uitwinnen, zelfs als </al><al>daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan. </al><al/><al>Particulieren zijn in dit verband natuurlijke personen die niet een </al><al>onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet </al><al>aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen. </al><al/><al>Voor zover de openstaande belastingschulden het gevolg zijn van </al><al>bedrijfsvoering of uitoefening van een zelfstandig beroep, worden natuurlijke </al><al>personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening hebben </al><al>gestaakt in dit verband niet beschouwd als particulieren. </al><al/><al>73.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag </al><al>Als de belastingschuldige -voordat de faillissementsaanvraag in </al><al>behandeling is genomen -een verzoek om kwijtschelding doet, dan wel een </al><al>buitengerechtelijk akkoord aanbiedt (een en ander in de zin van artikel 73.6 </al><al>van deze leidraad), dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag </al><al>aanhouden dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een </al><al>nader oordeel te onderwerpen. </al><al/><al>Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek dan </al><al>wel het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de </al><al>faillissementsaanvraag te traineren. Er wordt ook van afgeweken als het </al><al>aanbod onvoldoende past binnen het door de fiscus gehanteerde </al><al>kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid </al><al>opgenomen saneringsbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling </al><al>van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek dan wel het </al><al>aanbod bij beschikking gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in </al><al>te trekken of aan te houden. </al><al/><al>73.4.5. Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling </al><al>faillissementsaanvraag door rechter </al><al>Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling doet, voordat </al><al>de rechtbank de faillissementsaanvraag in behandeling heeft genomen, dan </al><al>zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken </al><al>om het verzoek aan een nader oordeel te onderwerpen. </al><al/><al>De ontvanger doet dit niet als duidelijk is dat het verzoek louter is gedaan </al><al>om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren, of als het </al><al>verzoek onvoldoende past binnen het door de Belastingsamenwerking </al><al>Sabewa Zeeland gehanteerde uitstelbeleid, en/of gebaseerd is op een </al><al>onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het </al><al>verzoek bij beschikking gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in </al><al>te trekken of aan te houden. </al><al/><al>73.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag </al><al>De ontvanger moet voor iedere faillissementsaanvraag schriftelijk </al><al>toestemming van het dagelijks bestuur hebben. </al><al/><al>73.4.7. is vervallen. </al><al/><al>73.4.8. Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag </al><al>Voor het verstrekken van de gegevens van de belastingschuldige geldt niet </al><al>hetgeen in artikel 73.4.1 tot en met 73.4.6 is vermeld met betrekking tot een </al><al>faillissementsaanvraag door de ontvanger. </al><al/><al>Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het dagelijks </al><al>bestuur vereist, als het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert </al><al>of zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig </al><al>werknemers zijn verbonden. De gegevens worden uitsluitend schriftelijk </al><al>verstrekt. </al><al/><al>Als de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de </al><al>belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van de </al><al>belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de belastingschuld </al><al>als steunvordering, dan geldt wel hetgeen is vermeld in artikel 73.4.1, </al><al>73.4.3 en 73.4.6 van deze leidraad. In dat geval is dus ook toestemming van </al><al>het dagelijks bestuur vereist. </al><al>73.4.9. Verzet tegen faillietverklaring </al><al>Als de ontvanger gebruik wil maken van de mogelijkheid tot verzet tegen de </al><al>faillietverklaring als bedoeld in artikel 10 FW heeft hij hiervoor toestemming </al><al>van het dagelijks bestuur nodig. </al><al/><al>73.4.10. Beroep op regresrecht in faillissement </al><al>In het faillissement van een belastingschuldige kan een schuldenaar van de </al><al>belastingschuldige – als deze schuldenaar door de ontvanger aansprakelijk </al><al>kan worden gesteld op grond van artikel 34, 35, 35a of 35b van de wet – </al><al>zich beroepen op een voorwaardelijke regresrecht. Door dit beroep kan de </al><al>vordering niet worden geïnd. </al><al/><al>Het beroep op het regresrecht vervalt als zeker is dat de ontvanger de </al><al>schuldenaar van de belastingschuldige niet aansprakelijk stelt. In een dergelijke </al><al>situatie kan (uitsluitend) de curator zich tot de ontvanger wenden met het verzoek </al><al>om een besluit te nemen over het wel of niet aansprakelijk stellen van de </al><al>schuldenaar van de belastingschuldige. De ontvanger moet het belang van de </al><al>curator en de door deze vertegenwoordigde schuldeisers betrekken in de </al><al>besluitvorming of hij tot aansprakelijkstelling zal overgaan. </al><al/><al>De curator legt aan de ontvanger alle relevante gegevens met betrekking tot de </al><al>voorwaardelijke regresvordering over. In ieder geval maakt de curator (ook </al><al>kwantitatief) inzichtelijk, hoe groot het belang van de ontvanger is bij afwikkeling </al><al>van de boedel mét en zónder inning van de vordering waarvoor een beroep op de </al><al>voorwaardelijke regresvordering wordt gedaan. </al><al/><al>De ontvanger verzendt de curator binnen tien dagen na ontvangst van de </al><al>gegevens een ontvangstbevestiging. Als de ontvanger naar aanleiding van de </al><al>verstrekte gegevens nadere informatie wenst, vermeldt hij dat in de </al><al>ontvangstbevestiging. Ook geeft hij aan de redelijke termijn waarop de </al><al>aanvullende gegevens moeten zijn verstrekt. </al><al>De ontvanger betrekt in ieder geval de volgende aspecten bij de mogelijke, door </al><al>hem te nemen beslissingen</al><al>–Het financiële belang van de ontvanger dat bestaat uit het zo veel </al><al>mogelijk innen van openstaande belastingschulden op de voor de </al><al>ontvanger minst belastende wijze. </al><al>-De beschikbare capaciteit – nu en in de nabije toekomst – voor het doen </al><al>van haalbaarheidsonderzoeken en het aansprakelijk stellen door de </al><al>ontvanger. </al><al>–Het belang dat de curator en de schuldeisers hebben bij een zo optimaal </al><al>mogelijke incasso van de uitstaande vordering en/of bij een zo spoedig </al><al>mogelijke afwikkeling van een faillissement. </al><al>-Hoe verhoudt zich de omvang van de vordering van de belastingschuldige </al><al>op zijn schuldenaar (lees de aansprakelijke) tot het mogelijke bedrag </al><al>waarvoor die schuldenaar in totaliteit aansprakelijk zou kunnen worden </al><al>gesteld. </al><al>De ontvanger deelt binnen een redelijke termijn gemotiveerd aan de curator één </al><al>van de volgende beslissingen mee: </al><al/><al>– De ontvanger zal binnen zes maanden overgaan tot een </al><al>aansprakelijkstelling van de debiteur van de belastingschuldige. </al><al>– De ontvanger zal binnen zes weken overgaan tot een </al><al>haalbaarheidsonderzoek van een aansprakelijkstelling. </al><al>– Bij een toekomstige aansprakelijkstelling zal een bedrag in mindering </al><al>worden gebracht op de aansprakelijkheidsschuld ter grootte van het </al><al>bedrag dat met de ontvanger is overeen gekomen en ook daadwerkelijk </al><al>door de aansprakelijke schuldenaar van de belastingschuldige is betaald. </al><al>– De ontvanger zal de schuldenaar in het geheel niet aansprakelijk stellen </al><al>voor de op dat moment bestaande belastingschulden. </al><al/><al>73.4.11. Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement </al><al>Voor toezending of uitreiking van het aanslagbiljet ingeval van faillissement </al><al>wordt verwezen naar artikel 8.1 van deze leidraad. </al><al/><al>73.4.12. Opkomen in faillissement </al><al>Van de bevoegdheid op grond van artikel 19 van de wet om van de curator </al><al>dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen wordt verwezen naar </al><al>artikel 19.2.3 van deze leidraad. </al><al/><al>73.4.13. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement </al><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/><al>73.4.14. Na de toepassing van het faillissement </al><al>De ontvanger maakt in beginsel geen gebruik van de bevoegdheid van </al><al>artikel 196 FW, om na de beëindiging van een faillissement het proces-verbaal </al><al>van de verificatievergadering voor het onbetaald gebleven bedrag </al><al>tegen de schuldenaar te executeren. Als er wel aanleiding tot invordering </al><al>bestaat, doet de ontvanger dit zoveel mogelijk bij dwangbevel. </al><al/><al>Bij natuurlijke personen hervat de ontvanger slechts in bijzondere </al><al>omstandigheden de invordering na beëindiging van het faillissement. Deze </al><al>omstandigheden doen zich onder andere voor als de betrokkene binnen vijf </al><al>jaar na het faillissement beschikt over een meer dan modaal inkomen of </al><al>over vermogensbestanddelen van substantiële waarde. </al><al/><al>Als na beëindiging van het faillissement daaruit ontvangen gelden moeten </al><al>worden terugbetaald, treedt de ontvanger in verband met artikel 194 FW in </al><al>overleg met de curator. </al><al>73.4.15. Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure </al><al>Als de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat van de EU niet </al><al>Denemarken -en aldaar in staat van insolventie verkeert terwijl in </al><al>Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland op grond </al><al>van de EG-insolventieverordening een zogenoemde territoriale of </al><al>secundaire procedure worden geopend. </al><al/><al>Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende </al><al>hoofdprocedure, beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij het openen </al><al>van een secundaire of territoriale procedure in Nederland. Een secundaire </al><al>procedure betreft alleen de liquidatieprocedure -dus niet de surseance van </al><al>betaling -en wordt afgewikkeld volgens het in Nederland geldende recht. De </al><al>staat van insolventie behoeft daarbij niet te worden aangetoond. </al><al/><al>73.4.16. Omzetting faillissement in WSNP </al><al>Als omzetting van een faillissement in een wettelijke </al><al>schuldsaneringsregeling mogelijk is, toetst de ontvanger -als de </al><al>schuldenaar hier uitdrukkelijk om verzoekt -een door de schuldenaar in het </al><al>faillissement aangeboden akkoord aan het beleid ingevolge artikel 19a en </al><al>22a van de regeling. </al><al/><al>73.5. Insolventieprocedure en minnelijke schuldsanering </al><al/><al>73.5.1. Algemeen </al><al>De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een periode van maximaal </al><al>36 maanden als: </al><al>a. een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode </al><al>Schuldregeling van de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal </al><al>bankieren tot stand is gekomen of een overeenkomst tot stand is </al><al>gekomen die dezelfde strekking heeft als die gedragscode en waarbij </al><al>voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de </al><al>door Recofa gepubliceerde normen; </al><al>b. de schuldhulpverlener aangesloten is bij de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) of de schuldregeling wordt uitgevoerd door </al><al>een gemeente in eigen beheer (zie ook artikel 73.5a); </al><al>c. de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet zijnde </al><al>ondernemers; </al><al>d. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige afgezien </al><al>van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten worden -in </al><al>aanmerking zou komen voor de wettelijke schuldsaneringsregeling </al><al>natuurlijke personen; </al><al>e. aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een </al><al>bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als kan worden </al><al>verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering. </al><al>Op basis van de voorwaarde onder c is de betreffende regeling ook van </al><al>toepassing op een ex-ondernemer, als aannemelijk is dat hij in de toekomst </al><al>geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep zal uitoefenen. </al><al/><al>De ontvanger verleent het uitstel pas als de schuldhulpverlener hem </al><al>schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling tot stand is </al><al>gekomen. Het uitstel vangt aan met ingang van de datum van de </al><al>schuldregelingsovereenkomst. Na totstandkoming van een </al><al>schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener of een </al><al>schuldregeling met de schuldeisers tot stand kan worden gebracht. De </al><al>schuldhulpverlener rondt dit onderzoek af binnen 120 dagen, gerekend </al><al>vanaf de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Wanneer de </al><al>schuldregeling met de schuldeisers tot stand is gebracht, wordt de </al><al>schuldregelingsovereenkomst voortgezet; de schuldhulpverlener stelt de </al><al>schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt de </al><al>schuldhulpverlener niet in het tot stand brengen van de schuldregeling, </al><al>wordt de schuldregelingsovereenkomst beëindigd. </al><al/><al>Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvan in </al><al>beginsel geen kwijtschelding wordt verleend (zoals belastingaanslagen </al><al>motorrijtuigenbelasting), omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling ook </al><al>van toepassing is op die belastingaanslagen. </al><al/><al>De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben op </al><al>de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag waarop het </al><al>verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke </al><al>opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen. </al><al/><al>De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben </al><al>op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag van de </al><al>dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst en is definitief in die </al><al>zin dat daarop van de zijde van de ontvanger in beginsel niet meer kan </al><al>worden teruggekomen. </al><al/><al>73.5.2. Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP </al><al>Een schuldhulpverleningstraject vangt in het algemeen aan met een </al><al>stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de </al><al>schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 73.5.1, onder b. Voor de </al><al>toepassing van dit artikel wordt met een stabilisatie-overeenkomst </al><al>gelijkgesteld een schriftelijke mededeling van de schuldhulpverlener </al><al>inhoudend dat hij activiteiten ontplooit die erop gericht zijn de financiële </al><al>situatie van de schuldenaar op korte termijn te stabiliseren. </al><al>Vanaf de ontvangst van een afschrift van de stabilisatie-overeenkomst </al><al>neemt de ontvanger gedurende 120 dagen geen dwanginvorderingsmaatregelen. </al><al>Lopende invorderingsmaatregelen schort de ontvanger op, zo nodig in overleg </al><al>met de schuldhulpverlener. </al><al/><al>Voorts vindt verrekening alleen plaats met teruggaven die betrekking hebben op </al><al>belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de </al><al>stabilisatie-overeenkomst is ontvangen. </al><al/><al>Als zich bijzondere omstandigheden voordoen kan de voormelde termijn door de </al><al>schuldhulpverlener in overleg met de ontvanger met maximaal 120 dagen worden </al><al>verlengd. </al><al/><al>73.5.3. Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen </al><al>Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra een schuldregeling tussen de </al><al>schuldenaar en diens schuldeisers tot stand is gekomen (en de </al><al>schuldregelingsovereenkomst dus wordt voortgezet). </al><al>Gedurende het uitstel is verrekening mogelijk van belastingaanslagen </al><al>waarvoor uitstel van betaling is verleend. Verrekening kan plaatsvinden met </al><al>teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan </al><al>tot en met de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een </al><al>gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is </al><al>ontvangen. </al><al/><al>73.5.4. Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP </al><al>Als sprake is van een verleend uitstel van betaling vanwege een </al><al>schuldregelingsovereenkomst, handelt de ontvanger gedurende de periode </al><al>van uitstel op dezelfde wijze als bij een wettelijke schuldsaneringsregeling. </al><al>Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van belastingschulden </al><al>die materieel zijn ontstaan na de dag van de dagtekening van de </al><al>schuldregelingsovereenkomst, dan wordt het verzoek behandeld </al><al>overeenkomstig het bestaande beleid. </al><al>Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op </al><al>het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat </al><al>deel van het inkomen dat door de schuldhulpverlener wordt beheerd. Verder </al><al>wordt opgemerkt dat de middelen die onder beheer van de </al><al>schuldhulpverlener berusten, niet worden beschouwd als vermogen in de </al><al>zin van artikel 12 van de regeling. </al><al/><al>73.5.5. Intrekken uitstel gedurende MSNP </al><al>De ontvanger trekt het uitstel in als: </al><al>-hij niet uiterlijk binnen 120 dagen na de dagtekening van de </al><al>schuldregelingsovereenkomst door de schuldhulpverlener </al><al>schriftelijk is geïnformeerd dat de schuldregelingsovereenkomst </al><al>wordt voortgezet; </al><al>-de schuldenaar nieuw opkomende belastingschulden die </al><al>(materieel) betrekking hebben op belasting verschuldigd na de </al><al>dag van de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, </al><al>onbetaald laat; </al><al>-de schuldenaar zijn lopende fiscale verplichtingen niet nakomt; </al><al>-de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te benadelen; </al><al>-de schuldregelingsovereenkomst wordt beëindigd, anders dan in </al><al>de zin van art. 73.5.6. </al><al>De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het eerste, tweede, derde en </al><al>vierde gedachtestreepje het uitstel niet eerder in, dan nadat hij de </al><al>schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het uitstel </al><al>in te trekken als belastingschuldige niet binnen veertien dagen zijn </al><al>verplichtingen correct nakomt. </al><al/><al>73.5.6. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP </al><al>Als de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van de </al><al>MSNP, wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener na </al><al>afloop van de overeenkomst tot schuldregeling aangemerkt als het </al><al>aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a van </al><al>de regeling. </al><al/><al>In de kennisgeving moet zijn gesteld dat de overeenkomst na eindcontrole </al><al>is beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan. </al><al/><al/><al>73.6. Insolventieprocedures en akkoorden </al><al/><al>73.6.1. Buitengerechtelijk akkoord </al><al>In het tweede lid van de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn </al><al>bepalingen opgenomen die de doelstellingen van de WSNP -namelijk het </al><al>sluiten van een buitengerechtelijk akkoord met de gezamenlijke </al><al>schuldeisers over de sanering van de schulden zonder tussenkomst van een </al><al>rechter -ook voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland laten gelden. </al><al>Deze bepalingen zijn ook van toepassing op betalingsverplichting van een </al><al>aansprakelijkgestelde van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat </al><al>de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is. </al><al/><al>73.6.2. Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk akkoord </al><al>De ontvanger moet zich er eerst van verzekeren of redelijkerwijs mag </al><al>worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van </al><al>toepassing zal worden verklaard. Van belang voor de beantwoording van </al><al>die vraag is artikel 288 FW dat de weigeringsgronden voor de rechter bevat </al><al>op een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. </al><al/><al>De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens </al><al>plaatsvinden. Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met </al><al>betaling in termijnen eist hij zekerheid. </al><al/><al>Als in het buitengerechtelijk akkoord belastingschulden zijn begrepen </al><al>waarvoor derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger </al><al>als voorwaarde op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het </al><al>moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen </al><al>worden verkregen. De ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het </al><al>aangeboden bedrag de baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking komen. </al><al/><al>De ontvanger stemt alleen in met een buitengerechtelijk akkoord als het </al><al>bodemvoorrecht of de waarde van de bodemzaken tot uitdrukking komt in </al><al>het aangeboden bedrag. </al><al/><al>73.6.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord </al><al>Als de ontvanger toetreedt tot een buitengerechtelijk akkoord verleent hij </al><al>kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft, </al><al>nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft </al><al>ontvangen. Zo nodig stelt hij een derde beslagene of houder van penningen </al><al>op de hoogte van het verval van het beslag en zorgt hij voor doorhaling van </al><al>een beslag op een registergoed. </al><al>De ontvanger heft een gijzeling op zodra hij toetreedt tot een </al><al>buitengerechtelijk akkoord. </al><al/><al>73.6.4. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord </al><al>De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens </al><al>plaatsvinden. Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met </al><al>betaling in termijnen eist hij zekerheid. </al><al/><al>Als in het akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor derden </al><al>aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger als voorwaarde </al><al>op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment dat op </al><al>grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden </al><al>verkregen. De ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het </al><al>aangeboden bedrag de baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking komen. </al><al/><al>De ontvanger stemt alleen in met een akkoord als het bodemvoorrecht of de </al><al>waarde van de bodemzaken tot uitdrukking komt in het aangeboden bedrag. </al><al>73.6.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord </al><al>Als de ontvanger vrijwillig toetreedt tot een gerechtelijk akkoord verleent hij </al><al>kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft, </al><al>nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft </al><al>ontvangen. </al><al/><al>73.6.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord </al><al>Bij de beoordeling van een akkoord stelt de ontvanger eerst vast op welke </al><al>belastingaanslagen het akkoord betrekking heeft. Uitgangspunt daarbij is de </al><al>materiële belastingschuld die is ontstaan tot aan de dag dat de wettelijke </al><al>schuldsaneringsregeling is uitgesproken of de dag waarop een </al><al>buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden. </al><al>Er rust een inspanningsverplichting op de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland</al><al>om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen, </al><al>in die zin dat de materieel verschuldigde belasting wordt geformaliseerd in een aanslag. </al><al/><al>De ontvanger betrekt bestuurlijke boeten, rente en kosten integraal in een akkoord.</al><al/><al>73.6.7. is vervallen. </al><al/><al>73.6.8. Gevolgen dwangakkoord </al><al>Als de rechter in het kader van een wettelijke schuldsanering een </al><al>dwangakkoord oplegt aan de gezamenlijke schuldeisers, lijdt de ontvanger </al><al>het deel van de belastingschuld dat onvoldaan blijft oninbaar. </al><al/><al>Aangezien de ontvanger niet heeft ingestemd met het akkoord, verleent hij </al><al>geen kwijtschelding. De belastingvorderingen die resteren na het </al><al>dwangakkoord blijven als natuurlijke verbintenissen over. </al><al/><al>Mocht in dit verband sprake zijn van een als natuurlijke verbintenis aan te </al><al>merken aanslag in de premie voor de volksverzekeringen, wordt zo’n </al><al>aanslag niet meer bij de Sociale Verzekeringsbank aangemeld in verband </al><al>met schuldig-nalatig verklaring als bedoeld in artikel 61 Wet financiering </al><al>sociale verzekeringen. </al><al/><al>73.6.9. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord </al><al>Indien een akkoord op grond van artikel 22a van de regeling niet mogelijk is, </al><al>vindt kwijtschelding voor ondernemers uitsluitend plaats bij een zogenoemd </al><al>saneringsakkoord in de zin van artikel 22 van de regeling. Zie ook artikel </al><al>26.3 van deze leidraad. </al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>74</nr><titel>Uitstel-en kwijtscheldingsfaciliteiten </titel></kop><al/><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>75</nr><titel>Kosten van vervolging </titel></kop><al/><al>Dit artikel beschrijft het beleid bij het in rekening brengen van kosten van </al><al>vervolging. Met 'vervolgingskosten of kosten' wordt bedoeld de kosten die </al><al>op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) in </al><al>rekening worden gebracht. </al><al/><al>Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden </al><al>die de belastingdeurwaarder verricht voor de invordering op civiele wijze. </al><al/><al>In dit artikel is het volgende beleid over kosten van vervolging opgenomen: </al><al>-gevorderde som bevat geen vervolgingskosten; </al><al>-aan derden toekomende bedragen; </al><al>-rechtsmiddelen en vervolgingskosten; </al><al>-verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar; </al><al>-niet in rekening brengen van vervolgingskosten; </al><al>-onverschuldigdheid van vervolgingskosten; </al><al>-niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten; </al><al>-versnelde invordering en vervolgingskosten; </al><al>-aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten; </al><al>-geen kwijtschelding van vervolgingskosten; </al><al>-limitering betekeningskosten dwangbevel. </al><al/><al>75.1. Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten </al><al>De gevorderde som bij een aanmaning of dwangbevel (waarvan </al><al>onderscheidenlijk sprake is in artikel 2 en artikel 3, eerste lid, van de </al><al>Kostenwet invordering rijksbelastingen) is te verstaan als het </al><al>belastingbedrag waarvoor de aanmaning of het dwangbevel is </al><al>uitgevaardigd, dus zonder de vervolgingskosten en eventuele -pro memorie </al><al>opgenomen -rente. </al><al/><al>75.2. Aan derden toekomende bedragen </al><al>Onder de bedragen die op grond van artikel 6 van de Kostenwet invordering </al><al>rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht, </al><al>vallen: </al><al>-de kosten van de advertenties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en </al><al>artikel 4, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen; </al><al>-de vergoeding van de bewaarder dan wel door hem ingeschakelde </al><al>derden; </al><al>-de kosten van het openen van deuren en huisraad als bedoeld in artikel </al><al>444 Rv; </al><al>-de kosten van het aanbrengen en verwijderen door derden van </al><al>wielklemmen of andere bestanddelen die verhindering van gebruik, </al><al>vervoer en belasting van de in beslaggenomen roerende zaken </al><al>bewerkstelligen; </al><al>-kosten van derden m.b.t. informatievergaring t.b.v. de invordering; </al><al>-kosten van derden m.b.t. verzenden van betalingsherinneringen; </al><al>-de kosten van het verrichten van werkzaamheden voor de verkoop ter </al><al>plaatse van de in beslag genomen zaken; </al><al>-de kosten van het verrichten van werkzaamheden door makelaars, </al><al>deskundigen en afslagers; </al><al>-de kosten van opslag, afvoer en bewaarneming van inbeslaggenomen </al><al>roerende zaken; </al><al>-de kosten van het doen overbrengen van de in beslag genomen </al><al>zaken als de verkoop elders plaatsvindt. </al><al/><al>Om redenen van beleid worden de laatstgenoemde kosten enkel in rekening </al><al>gebracht als de verkoop op uitdrukkelijk verzoek van de belastingschuldige </al><al>elders gebeurt dan wel als daarbij voornamelijk zijn belang is gediend. </al><al>Eventuele gemaakte reiskosten door de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland</al><al>voor de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel </al><al>kunnen niet op de belastingschuldige worden verhaald, evenals mogelijke </al><al>porti-en telefoonkosten. </al><al/><al>75.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten </al><al>Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het </al><al>bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het </al><al>Besluit beroep in belastingzaken 2005. </al><al>De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de </al><al>toepassing van de Kostenwet relevant zijn. </al><al/><al>Indiening van een bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) stuit op </al><al>grond van artikel 6:16 Awb niet de aanvang of de voortzetting van de </al><al>tenuitvoerlegging van de akte van vervolging. </al><al/><al>Als om uitstel van betaling wordt verzocht, is het beleid dat is verwoord in </al><al>artikel 25.1 en 25.2 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. </al><al/><al/><al>75.4. Verzoek om vermindering vervolgingskosten </al><al>aanmerken als bezwaar </al><al>Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van de in rekening </al><al>gebrachte kosten wordt aangemerkt als een bezwaarschrift. Het bepaalde in </al><al>’Rechtsmiddelen en vervolgingskosten’ is van overeenkomstige toepassing. </al><al/><al>75.5. Niet in rekening brengen van vervolgingskosten </al><al>In de volgende gevallen brengt de ontvanger voor het uitbrengen van </al><al>exploten geen vervolgingskosten in rekening: </al><al>-herhaalde betekening van een dwangbevel; </al><al>-(herhaalde) betekening van een dwangbevel uitsluitend ter stuiting van </al><al>de verjaring; </al><al>-betekening van een vordering; </al><al>-betekening aan een minderjarige of onder curatele gestelde als bedoeld </al><al>in artikel 13.3 van deze leidraad met dien verstande dat de eerste </al><al>betekening wel, maar de tweede betekening (aan de wettelijke </al><al>vertegenwoordiger) niet in rekening wordt gebracht; </al><al>-betekening van een beslissing van het dagelijks bestuur op een </al><al>beroepschrift tegen de inbeslagneming van roerende zaken aan de </al><al>derde die het beroepschrift heeft ingediend, de beslagene en zo nodig </al><al>de bewaarder, al dan niet gepaard gaande met gehele of gedeeltelijke </al><al>opheffing van het beslag; </al><al>-betekening van een proces-verbaal van overgang van de bewaring van </al><al>beslagen roerende zaken, anders dan op verzoek of door toedoen van </al><al>de belastingschuldige. </al><al/><al>75.6. Onverschuldigdheid van vervolgingskosten </al><al>Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten </al><al>zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd, zijn kosten niet </al><al>verschuldigd in de volgende gevallen: </al><al>-Als de betaling op de rekening van de Belastingsamenwerking Sabewa-</al><al>Zeeland is bijgeschreven op of voorafgaand aan de dag waarop de </al><al>kosten verschuldigd zijn geworden; </al><al>-Voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname van </al><al>de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot </al><al>stand is gekomen. Deze situatie zal zich voordoen bij vermindering van </al><al>belastingaanslagen, alsmede bij afboeking van definitieve negatieve </al><al>aanslagen op voorlopige positieve aanslagen van hetzelfde jaar; </al><al>-Als er achteraf bezien al voor het in rekening brengen van de kosten om </al><al>beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de invordering op te </al><al>schorten. Hierbij valt te denken aan: </al><al>-een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel; </al><al>-een ingediend aanvraagformulier voor kwijtschelding, mits volledig </al><al>ingevuld; </al><al>-een ingediend verzoekschrift bij de Nationale ombudsman/Zeeuwse</al><al>ombudsman of het dagelijks bestuur. </al><al>Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat zich omstandigheden kunnen </al><al>voordoen waarin het noodzakelijk is de invordering wel voort te zetten. </al><al>In dat geval komen de hieraan verbonden kosten vanzelfsprekend niet </al><al>voor een tegemoetkoming in aanmerking. </al><al>Kosten worden in afwijking van het voorgaande altijd in rekening </al><al>gebracht als sprake is van traineren van de invordering; </al><al>-Als na het in rekening brengen van de kosten aan de belastingaanslag </al><al>een nieuwe dagtekening is toegekend; </al><al>-Als een derdenbeslag nooit blijkt te hebben gelegen als bedoeld in </al><al>artikel 14.4.1 van deze leidraad; </al><al>-Als zaken -die in een onroerende zaak aanwezig zijn -zowel in een </al><al>beslag op roerende als in een beslag op onroerende zaken zijn </al><al>begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken roerend </al><al>dan wel onroerend zijn en duidelijkheid is verkregen door middel van </al><al>welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn de </al><al>kosten die verband houden met het niet voortgezette beslag niet </al><al>verschuldigd; </al><al>-Als zaken -die op of in een schip van de belastingschuldige aanwezig </al><al>zijn -zowel in een beslag op het schip als in een beslag op roerende </al><al>zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken </al><al>een bestanddeel vormen van het schip dan wel zelfstandige roerende </al><al>zaken zijn, en duidelijkheid is verkregen door middel van welk beslag </al><al>die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten die </al><al>verband houden met het niet voortgezette beslag niet verschuldigd; </al><al>-Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de </al><al>artikelen 10 en 15 van de wet, en de belastingschuldige binnen twee </al><al>werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet de openstaande </al><al>belastingschuld betaalt; </al><al>De beslissing om de kosten terug te brengen tot het juiste bedrag dan wel </al><al>de kosten terug te betalen, gebeurt ambtshalve dan wel na een daartoe </al><al>ingediend verzoekschrift. </al><al/><al>75.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten </al><al>In uitzonderlijke situaties kan er voor de ontvanger aanleiding bestaan de in </al><al>rekening gebrachte vervolgingskosten -hoezeer ook verschuldigd -te </al><al>verminderen als de belastingschuldige hier schriftelijk om verzoekt. </al><al/><al>Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont in </al><al>omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk </al><al>maakten zijn verplichtingen tijdig na te komen en bovendien de invordering </al><al>van vervolgingskosten -gezien de omstandigheden van het specifieke </al><al>geval-onredelijk en onbillijk is. </al><al/><al>75.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten </al><al>Als invorderingsmaatregelen zijn getroffen met inachtneming van de artikelen 10 </al><al>en 15 van de wet, worden de daaraan verbonden vervolgingskosten niet ten tijde </al><al>van het treffen van de genoemde maatregelen in rekening gebracht, indien en </al><al>voor zover de belastingschuldige op dat tijdstip nog niet in de gelegenheid is </al><al>geweest om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen. </al><al/><al>De belastingschuldige wordt in elk geval geacht kennis te hebben genomen van </al><al>zijn belastingschuld en ook in de gelegenheid te zijn geweest deze te voldoen, </al><al>als na de dag waarop het aanslagbiljet aan hem of – in het geval van </al><al>rechtspersonen – aan de bestuurder is uitgereikt, twee werkdagen zijn </al><al>verstreken. </al><al/><al>Na het verstrijken van die twee dagen stelt de belastingdeurwaarder de </al><al>vervolgingskosten vast bij voor beroep vatbare beschikking. De beschikking </al><al>wordt aan de belastingschuldige bekend gemaakt. In de beschikking wordt er </al><al>melding van gemaakt dat de kosten dadelijk en ineens invorderbaar zijn. </al><al/><al>Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op de beslagkosten. </al><al/><al>75.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten </al><al>Voor de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het gevolg </al><al>zijn van invorderingsmaatregelen die tegen de aansprakelijkgestelde zijn </al><al>genomen, is dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing. </al><al/><al>75.10. Geen kwijtschelding van vervolgingskosten </al><al>Kwijtschelding van vervolgingskosten is niet mogelijk wegens vermeende </al><al>betalingsonmacht. De ontvanger doet in dat geval ook geen toezegging dat </al><al>deze kosten niet zullen worden ingevorderd. </al><al/><al>Het voorgaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend dan wel </al><al>kosten buiten invordering worden gelaten, wanneer de hoofdsom wordt </al><al>kwijtgescholden dan wel buiten invordering gelaten. Hiervoor wordt </al><al>verwezen naar hetgeen is vermeld bij artikel 26 van deze leidraad. </al><al/><al>Het vorenstaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend c.q. kosten </al><al>(van aanmaning en/of dwangbevel) buiten invordering worden gelaten </al><al>wanneer de hoofdsom wordt kwijtgescholden c.q. buiten invordering </al><al>gelaten. </al><al/><al>75.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel </al><al>Als op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die </al><al>belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en de </al><al>betekeningskosten in totaal meer zouden bedragen dan het </al><al>maximumbedrag genoemd in artikel 3 lid 1, van de Kostenwet invordering </al><al>rijksbelastingen, zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan dit </al><al>maximumbedrag. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>76</nr><titel>tot en met 79 </titel></kop><al>N.v.t. voor de Belastingsamenwerking Sabewa Zeeland. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>80</nr><titel>Invordering, Awb en het moment van vaststelling van (naheffings) aanslagen. </titel></kop><al/><al>In dit artikel is beleid opgenomen met betrekking tot artikel 4:121 van de </al><al>Awb en het moment van vaststelling van naheffingsaanslagen. </al><al>80.1. Tenuitvoerlegging termijndwangbevel </al><al>Een eenmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen </al><al>termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid </al><al>voltooid als de eindvervolging. </al><al/><al>80.2. Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen </al><al>Het overgangsrecht met betrekking tot Afdeling 4.4.1 van de Awb </al><al>(Vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling) bepaalt kort </al><al>gezegd het volgende. Op een betalingsverplichting die is vastgesteld of </al><al>ontstaan voor 1 juli 2009 geldt het recht van voor die datum. Voor </al><al>betalingsverplichtingen van na 1 juli 2009 geldt de genoemde afdeling </al><al>4.4.1. Bij aanslagbelastingen geldt als moment van vaststelling de </al><al>datum van dagtekening van de aanslag. Bij aangiftebelastingen wordt </al><al>voor het moment van vaststelling aangesloten bij de dagtekening van de </al><al>naheffingsaanslag. </al><al/><al/><al>Bijlage A normen en normbedragen kwijtschelding</al><al/><al>Van toepassing zijn de door de VNG en Unie van Waterschappen voor betreffend </al><al>jaar in een gepubliceerd overzicht opgenomen bedragen en normen.</al><al/><al/><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al/></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>