<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR6560_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening van de gemeente Dongen 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentelijke informatiekrant, 29-04-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening van de gemeente Dongen 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, artikel 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit bouwvergunningvrije en licht-vergunningplichtige bouwwerken, Bouwbesluit</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-04-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-04-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-04-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>volkshuisvesting en woningbouw</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening van de gemeente Dongen 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1 Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al>Besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten
                                        aanvraag bouwvergunning als bedoeld in artikel 40a, eerste
                                        lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>Besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije en
                                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in
                                        artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van
                                        de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100a, eerste
                                        lid van de Woningwet belast zijn met het bouw- en
                                        woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="-"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen
                                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al>hechtgebonden asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                        artikel 1, letter e, van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit;</al></li><li nr="-"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al>straatpeil:</al></li><li nr="-"><al>a voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de
                                        weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang;</al></li><li nr="-"><al>b voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan
                                        de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                        openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                        gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 Termijnen </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><al>a het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al>b het gebied buiten de bebouwde kom.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2 De aanvraag bouwvergunning</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a de
                                    resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens
                                    NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat
                                    als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat
                                    uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde
                                    protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave
                                    oktober 1993); b de resultaten van het nader onderzoek, verricht
                                    volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994)
                                    of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in
                                    het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek
                                    uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de
                                    beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader
                                    onderzoek, als bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1
                                    (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU,
                                    uitgave 1995), onontkoombaar is. c Indien op basis van het
                                    vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest,
                                    daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de
                                    bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze
                                    als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in paragraaf 1.2.5, onder e, van de Bijlage bij het Besluit
                                    indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking
                                    heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                    bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing
                                    geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    bouwwerken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                    ontheffing van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5, onder e van de
                                    Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de
                                    toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare
                                    recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing
                                    verlenen van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5, onder e van de
                                    Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk
                                    met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel
                                    45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het in NVN 5725,
                                    uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik
                                    en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is
                                    dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek
                                    volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                                    aanvraag om bouwvergunning </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                    bouwvergunning woonwagens en standplaatsen </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                                </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                                    bouwvergunning</titel></kop><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                                bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt
                                aangegeven:</al><al>a de naam van de aanvrager;</al><al>b de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk;</al><al>c de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd
                                wordt;</al><al>d de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene
                                wet bestuursrecht.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                bodem</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde
                                    bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><al>a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al><al>b voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist;
                                en</al><al>c 1 dat de grond raakt, of</al><al>2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                                gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter
                                e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage,
                                kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de
                                bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit
                                indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                                bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig
                                het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van
                                die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                                beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt
                                kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing
                                    van de stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking
                                moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                                bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.
                            </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en
                                    het overige te verwachten verkeer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>a een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over een breedte
                                    van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de
                                    kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m;</al><al>b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen
                                    met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de
                                    nodige kunstwerken; en</al><al>c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd
                                    is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde
                                    terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                    ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor
                                    lenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien een automatische doormelding van brand naar de
                                    alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het
                                    gebouw over meerdere toegangen beschikt, in overleg met de
                                    brandweer ten minste één van de toegangen als brandweeringang
                                    aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een
                                    brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem dat in
                                    overleg met de brandweer is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                    het Bouwbesluit;</al><al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                    toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                    Bouwbesluit;</al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                    begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al><al>b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                    tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                    voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het
                                    Bouwbesluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al/><al>a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing:</al><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel
                                mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de
                                bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de
                                rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al><al/><al>b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                meter uit de as van de weg;</al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><al>a onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld
                                in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al><al>b andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel
                                3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten:</al><al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al><al>2 stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de
                                weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen – met inachtneming van het
                                    bepaalde in het tweede lid – ontheffing verlenen van het verbod
                                    tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
                                    voor:</al><al>a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                    kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is
                                    dan het straatpeil;</al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel
                                    3, eerste lid, onder i, en derde lid, van het Besluit
                                    bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op een voor de
                                    voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;</al><al>c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                    overschrijden;</al><al>d erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                    galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                    overschrijden;</al><al>e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                    hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                    dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                    reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld
                                    zijn in artikel 2.5.7;</al><al>f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                    bouwwerken.</al><al>g bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                    Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is met
                                    het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                                    aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden
                                    verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                    strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                    niet in gevaar komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het
                                bouwen op de weg van:</al><al>a gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                onder h, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht
                                bouwvergunningsplichtige bouwwerken;</al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het Besluit
                                bouwwerken;</al><al>c vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al><al>d reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al><al>e andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard en
                                bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><al>a de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                    ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                    verleend;</al><al>b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                    ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
                                    bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><al>c in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    – worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                    behoeft te zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid voor:</al><al>a gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al><al>b gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van het
                                    Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen;</al><al>e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                    pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                    woningen;</al><al>f gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al><al>g gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de
                                    ontheffing is gebaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn
                                    en bevindt zich:</al><al>a in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                    vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van
                                    de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de
                                    ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen
                                    grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien
                                    meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                                    kan worden beschreven, geldt de grootste;</al><al>b in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een
                                    andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de
                                    voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                    herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der
                                    onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                                    gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch
                                    op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                    meter;</al><al>c in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                    rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van
                                    de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                    bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch
                                    op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                    meter;</al><al>d in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                    bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                    zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4
                                    van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                    tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
                                    het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                    voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>e in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                    afstand die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen,
                                    welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op
                                    geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing – in het belang van de toetreding
                                    van daglicht – over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en
                                    het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van
                                de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al><al>b buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al><al>c onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit
                                bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningsplichtige
                                bouwwerken;</al><al>d onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld
                                in de artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningsplichtige
                                bouwwerken;</al><al>e andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel
                                3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en
                                licht bouwvergunningsplichtige bouwwerken, te weten:</al><al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al><al>2 terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al>f antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en
                                f, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht
                                bouwvergunningsplictige bouwwerken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: </al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al><al>b binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; </al><al>e gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al><al>f bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2, onder
                                b, van het Besluit bouwwerken;</al><al>g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al><al>h bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;</al><al>i ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al><al>j erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, bedoeld in
                                artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken;</al><al>k trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al><al>l bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al><al>a over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                    achtergevel, en</al><al>b voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                    begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft
                                    van ten minste 5 meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s
                                    buiten beschouwing blijven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in:</al><al>a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                    indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                    bestemd is;</al><al>b het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                    wordt voldaan:</al><al>1 een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al><al>2 het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee
                                    tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg
                                    en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                    weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die
                                    zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                    afmetingen tot stand wordt gebracht;</al><al>3 bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen
                                    voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit
                                    voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid:</al><al>a indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                    beletsel vormen;</al><al>b indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het
                                    verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte
                                    van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat
                                    tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige
                                    bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:</al><al>a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan
                                    1 meter breed zijn;</al><al>b niet toegankelijk zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                    aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                    ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onder e, van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden
                                    erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen
                                    en ondergrondse hoofdtransportleidingen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken
                                    van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet
                                    rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                    gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                    artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning
                                    van 1.000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al><al>a het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van
                                    6 meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn
                                    daarvoor geen bezwaar oplevert;</al><al>b het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van
                                    6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                    ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                    maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het
                                    vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al><al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn.</al><al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                    geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van
                                    de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                    rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                    maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het
                                    vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                    tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al><al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                    lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van
                                    het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen.</al><al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt,
                                    wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de
                                    achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan
                                    de voorgevel. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                    bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                    achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                    verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                    achtergevelrooilijn snijden op de – krachtens de artikelen
                                    2.5.20 en 2.5.21 – maximale bouwhoogte en die met het
                                    horizontale vlak een hoek vormen van:</al><al>a 45 graden in de bebouwde kom;</al><al>b 37 graden buiten de bebouwde kom.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van
                                    bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer
                                    bedragen dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen
                                    op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte
                                    van de laagst gelegen weg. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
                                    grenzende terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat – daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                                    omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
                                    bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten –
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden – buiten
                                    beschouwing worden gelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><al>a onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld
                                in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al><al>b het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders
                                dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                bouwwerken;</al><al>c topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn
                                of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al><al>d plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                                derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 ten behoeve van:</al><al>a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al><al>b gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien
                                de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;</al><al>c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                handels- en industrieterrein;</al><al>d agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al>e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van
                                het Besluit bouwwerken, en indien:</al><al>1 de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                overschrijden en de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                                gebaat;</al><al>2 bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
                                andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><al>f bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid,
                                van het Besluit bouwwerken;</al><al>g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al><al>h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al><al>i dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan
                                1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand
                                niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet
                                minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet
                                voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen
                                behoren;</al><al>j draagconstructies voor een reclame;</al><al>k vrijstaande schoorstenen;</al><al>l bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening –
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de
                                    rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                    2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van
                                    de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                    achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de maximale bouwhoogte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester
                                    en wethouders worden verleend indien:</al><al>a de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20
                                    Bro;</al><al>b de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid van de
                                    provincie inzake artikel 19, lid 2 WRO;</al><al>c het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in
                                    voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Op de voorbereiding van het besluit omtrent de ontheffing, als
                                    bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene
                                    wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien
                                    verstande dat:</al><al>a gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder
                                    schriftelijk zijn zienswijzen omtrent de aanvraag kan
                                    inbrengen;</al><al>d indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en
                                    wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere
                                    bouwvergunning met ten hoogste 6 weken kunnen verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en
                                    losmogelijkheden bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto’s.</al><al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al>a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                    1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                                    bedragen;</al><al>b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor
                                    een gehandicapte – voorzover die ruimte niet in de
                                    lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij
                                    5,00 m bedragen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><al>a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                    omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al><al>b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                    stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Vervallen</vet> (in verband met inwerkingtreding van “Besluit
                                brandveilig gebruik bouwwerken”).</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                    openbare distributienet voor aardgas:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst
                                    bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                    leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar
                                    de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                    hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor
                                    bejaarden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid:</al><al>a voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                    m2;</al><al>b voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                    verhuurd;</al><al>c voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of
                                    publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel
                                    2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke
                                    voorziening voor verwarming</titel></kop><lid><lidnr/><al>Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor
                                    verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                    Bouwbesluit (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar
                                    te bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke
                                    voorziening:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                    dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is
                                    gelegen; of</al><al>b inidien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                    leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de
                                    kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                    hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.1.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. </al><al>Niet van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin
                                    geen openbare riolering aanwezig is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><al>a op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn
                                    de voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of
                                    leidingen de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf
                                    of terrein moet of moeten kruisen;</al><al>b of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten
                                    worden tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van
                                    afvalwater en faecaliën, ingeval de leiding te laag gelegen is
                                    om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er
                                    al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                                    worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of
                                    de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                    van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                    ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                    daartoe aanleiding geeft. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze
                                    zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk
                                    is:</al><al>a voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                    openbaar riool zijn gelegen;</al><al>b voor agrarische bedrijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Alternatief 2 </cursief></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden
                                    aangesloten, gelden de volgende bepalingen: </al><al>a leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                    waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                    overstort;</al><al>b leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                    waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder overstort, een
                                    gierput of een rottingput met overstort;</al><al>c leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën,
                                    alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat
                                    geen verontreiniging van water, bodem en lucht kan
                                    optreden;</al><al>d leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen
                                    niet lozen op een rottingput. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    hemelwater moeten: </al><al>a zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en
                                    lucht kan optreden; en</al><al>b zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte opvang- en
                                    bezinkingsvoorziening van voldoende capaciteit, welke
                                    voorziening in verband met de grootte van de te ontwateren
                                    oppervlakken en de bodemgesteldheid ter plaatse moet zijn
                                    gelegen op voldoende afstand van de perceelgrenzen en de
                                    bebouwing op het perceel. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen:</al><al>a van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op andere
                                    wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk
                                    is;</al><al>b van het bepaalde in het tweede lid, indien de bodemgesteldheid
                                    en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan wel de omvang van het
                                    perceel de infiltratie van hemelwater niet toelaten en bovendien
                                    de afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt aangesloten aan
                                    een rottingput. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                    aangewerkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                    leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de
                                    dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                    zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingputten voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn.Aan
                                    beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                    wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                    moeten doeltreffend zijn.Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen
                                    die zijn opgenomen in bijlage 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
                                    van het openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3 De melding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1 De wijze van melden</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2 Welstandscriteria</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruikneming van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                                tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel
                            59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken,
                            indien:</al><al>a binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning
                            geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt;</al><al>b tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                            werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                            stilliggen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                                bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><al>a de bouwvergunning;</al><al>b andere vergunningen en ontheffingen;</al><al>c het bouwveiligheidsplan;</al><al>d een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit tot
                            toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                            dwangsom.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag
                            – onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde –
                            niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders
                            voor zover nodig:</al><al>a het straatpeil is aangegeven;</al><al>b de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                            uitgezet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
                                (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de
                                voorwaarden van de bouwvergunning – ten minste twee dagen voor de
                                aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces
                                in kennis te worden gesteld:</al><al>a de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder
                                begrepen;</al><al>b de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van
                                proefpalen daaronder begrepen;</al><al>c de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                onderzoekingen</titel></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband
                                staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de
                                nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en
                                de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt – rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al><al>a de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige
                                wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de
                                installaties door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder
                                meer mogelijk is;</al><al>b machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer
                                door anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen
                                worden gesteld;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                                hinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat
                                schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                veroorzaken, verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een
                                werk te gebruiken krachtwerktuig:</al><al>a uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al><al>b de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al><al>c het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag
                                worden gebruikt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.11 Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al><al>a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                                Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz.
                                9);</al><al>b steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>c glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>d overig afval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                                bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Van het gereedkomen a. van putten en van grond- en
                                huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede van
                                leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                                straatpeil; b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden,
                                alsmede van de thermische isolatie in andere besloten constructies
                                moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a
                                en b bedoelde werkzaamhedenin kennis worden gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking
                                heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het
                                oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van
                                voltooiing is bepaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die
                                werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al><al>a het niet verwerken van bevroren materialen;</al><al>b het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al><al>c de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                                vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur
                                nog beneden 2 graden Celsius is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><al>a drassigheid;</al><al>b stank;</al><al>c verontreiniging;</al><al>d aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al><al>e aanwezigheid van begroeiing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is
                                    verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen
                                    die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt
                                    is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s,
                                    brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer, tenzij de
                                    aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                    vereisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>a een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over een breedte
                                    van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de
                                    kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m;</al><al>b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen
                                    met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de
                                    nodige kunstwerken; en</al><al>c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningsplichtige
                                    bouwwerken, voorzover dit niet voor bewoning is bestemd, maar
                                    wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                    gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                    het Bouwbesluit; </al><al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                    toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                    Bouwbesluit;</al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                    begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al><al>b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                    tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                    voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het
                                    Bouwbesluit.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake
                                    brandveiligheids-installaties en vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties
                                    in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen,
                                    logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
                                    in woongebouwen van bijzondere aard </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
                                    in logiesverblijven en logiesgebouwen</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
                                    in kantoorgebouwen</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 40 m.</al><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><al>a woningen voor bejaarden;</al><al>b woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al><al>c woningen die niet worden verhuurd;</al><al>d woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn
                                    aangesloten aan een openbaar riool.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><al>a in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                    aanwezig is;</al><al>b op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                    openbaar riool zijn gelegen;</al><al>c voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al><al>d op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                    bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende
                                    ruime gier- of beerput aanwezig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen:</al><al>a voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt;</al><al>b voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort,
                                een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met
                                overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding
                                tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al><al>c leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al><al>d leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</titel></kop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
                                    van het openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid. </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.1 Preventie</titel></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6 Brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met inwerkingtreding van het “Besluit
                            brandveilig gebruik bouwwerken”. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7 Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Overbevolking </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en
                                    woonketen</titel></kop><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een
                                woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is
                                in verband met:</al><al>a bouwvalligheid van het bouwwerk;</al><al>b bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid
                                    en gebrek aan hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren – hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn – van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik
                                van het bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een
                                    woonwagen</titel></kop><al>Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is
                                bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een
                                standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële
                                voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten
                                gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het
                                gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                voorzieningen niet functioneren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                                terreinen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.3.1</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.3.2 Hinder</titel></kop><al>Het is verboden in, op, of aan een bouwwerk, of op een open erf of
                                terrein, voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten, of werktuigen te
                                gebruiken, waardoor:</al><al>a overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van
                                het bouwwerk, het open erf of terrein;</al><al>b op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof
                                of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                                veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;</al><al>c instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al><al>Niet van toepassing is het vorenstaande indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.4.1 Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en
                                wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt
                                geacht, te gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 6 Installaties</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of
                                de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een
                                goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan
                                worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8 Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                    daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                    vergunning van burgemeester en wethouders
                                    (sloopvergunning).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                    of oplegging van een last onder dwangsom. Burgemeester en
                                    wethouders kunnen aan hun besluit voorwaarden verbinden als
                                    bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning
                                    slechts voorschriften over:</al><al>a de veiligheid tijdens het slopen;</al><al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al><al>c het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van
                                    het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een
                                    fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie
                                    overig afval;</al><al>d het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van
                                    de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c,
                                    voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester
                                    en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking
                                    tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                                    daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn
                                    waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden
                                    bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het
                                    tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45
                                    van de Woningwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken
                                    van een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De aanvraag moet inhouden:</al><al>a correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;</al><al>b indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                    adres;</al><al>c naam en adres van degene, die met het slopen zal worden
                                    belast;</al><al>d de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich het te
                                    slopen bouwwerk bevindt en het huisnummer van het bouwwerk.
                                    Indien de sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering van
                                    meer dan één bouwwerk in het kader van hetzelfde project, wordt
                                    een lijst met bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers
                                    van de desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst
                                    ingevolge het negende lid is gewaarmerkt;</al><al>e een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop
                                    de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele
                                    bouwwerk wordt gesloopt;</al><al>f het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte
                                    van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd;</al><al>g mededeling of een bouwvergunning is of zal worden aangevraagd
                                    voor een op het perceel van het te slopen bouwwerk c.q. het te
                                    slopen gedeelte van het bouwwerk op te richten of te veranderen
                                    of uit te breiden bouwwerk;</al><al>h een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal
                                    plaatsvinden;</al><al>en voorts, indien van toepassing:</al><al>i het sloopveiligheidsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                    bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te
                                    zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt
                                    overgelegd:</al><al>a een afschrift van het asbestinventarisatierapport, uitgevoerd
                                    door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat
                                    er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt;</al><al>b een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 23 april 1998 (=
                                    datum van verwerking in de gemeentelijke bouwverordening van de
                                    vierde serie wijzigingen van de Model-bouwverordening d.d. 1
                                    juli 1997) dat voldoet aan de eisen in BRL 5052, uitgave 1998,
                                    waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk
                                    bevindt; indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is
                                    opgesteld vóór 1 juli 1993, dient tevens een schriftelijke
                                    verklaring van de aanvrager te worden overgelegd dat er geen
                                    veranderingen van het te slopen bouwwerk hebben plaatsgevonden,
                                    waarbij asbesthoudende materialen zijn toegepast;</al><al>c een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk is
                                    gebouwd na 1 januari 1994;</al><al>d bij woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing
                                    vergelijkbare, niet tot bewoning bestemde bouwwerken en
                                    bijgebouwen: een schriftelijke verklaring van de bouwer van het
                                    te slopen bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft toegepast,
                                    alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er
                                    sinds het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben
                                    plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                    toegepast;</al><al>e bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke
                                    verklaring van de fabrikant of de leverancier dat het te slopen
                                    materiaal geen asbest bevat, alsmede een schriftelijke
                                    verklaring van de aanvrager dat het materiaal van deze fabrikant
                                    of leverancier afkomstig is;</al><al>Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt
                                    overgelegd, wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij
                                    de aanvrager in vergelijkbare situaties andere gegevens
                                    verstrekt die dit vermoeden naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders voldoende weerleggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het bouwwek
                                    asbest bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten
                                    dat zich in het bouwwerk asbest bevindt wordt met een
                                    asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf aangetoond
                                    of dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien
                                    geen asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf wordt
                                    overgelegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden
                                    overgelegd waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar
                                    dit asbest zich bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan indien a de aanvraag sloopvergunning uitsluitend
                                    betrekking heeft op het verwijderen van asbest op in de aanvraag
                                    aangeduide plaatsen, of b een asbestonderzoeksrapport als
                                    bedoeld in lid 3, onder b bij de aanvraag is gevoegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt
                                    dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een
                                    bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide
                                    afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende
                                    bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                    augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient een onderzoek te worden
                                    ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het
                                    rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om
                                    sloopvergunning worden gevoegd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in 3-voud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al> De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                    betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met
                                    elkaar samenhangende terreinen, dan wel indien zij betrekking
                                    heeft op asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het
                                    kader van hetzelfde project.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al> De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden
                                    moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan
                                    wel gewaarmerkt worden.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al> Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk
                                    betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende
                                    bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk
                                    blijken.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al> De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                                    datum van ontvangst is vermeld. </al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al> Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van
                                    het voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft
                                    op asbest.</al></lid><lid><lidnr>13.</lidnr><al> Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor
                                    geen sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen
                                    betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld
                                    in artikel 8.2.1.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij
                                    of krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die
                                    gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in
                                    de gelegenheid de door hen aan te geven ontbrekende gegevens
                                    over te leggen binnen een door hen te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als
                                    bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om
                                    sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes
                                    weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging
                                    zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen
                                    burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning
                                    binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om een
                                    sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend is
                                    bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk
                                    te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid
                                    houden burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een
                                    vergunning krachtens artikel 11 of artikel 37 van de
                                    Monumentenwet 1988, een provinciale of een gemeentelijke
                                    monumentenverordening, een leefmilieuverordening op grond van de
                                    Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning
                                    voor het slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog
                                    niet is beslist. De aanhouding eindigt zes weken na bedoelde
                                    beslissing. Bij samenloop van vergunningen wordt uitgegaan van
                                    de datum van de laatst genomen beslissing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in
                                    het kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten
                                    van een bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is
                                    aangevraagd, kan bij de aanvraag om sloopvergunning – voor zover
                                    voor beide aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden
                                    verlangd – worden verwezen naar die bescheiden en gegevens die
                                    zijn ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven
                                    dezelfde bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de
                                    beslissing op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de
                                    beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat
                                    beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</titel></kop><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><al>a de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook
                                door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                worden gewaarborgd;</al><al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het
                                slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van
                                voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                                gewaarborgd;</al><al>c een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale
                                of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet
                                is verleend;</al><al>d een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de
                                Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is
                                verleend;</al><al>e een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond
                                van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is
                                verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken
                                    indien: </al><al>a de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                    onvolledige opgave van gegevens;</al><al>b binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                    sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al><al>c tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                    werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                    stilliggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                                sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                    sloopvergunning vereist voor het anders dan in de uitoefening
                                    van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van:</al><al>a geschroefde asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                    echtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woninge of uit
                                    een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de
                                    woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van
                                    een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                    gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                    asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                    kadastraal perceel bedraagt; b asbesthoudende vloertegels of
                                    niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of
                                    uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de
                                    woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van
                                    een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                    gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                    asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                    vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                    bedraagt;</al><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                    wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen
                                    na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                    sloopvergunning is vereist.</al><al>Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of
                                    logiesverblijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                    worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in 2-voud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                    aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden
                                    of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                    bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking
                                    tot de verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al> De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het
                                    achtste lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de
                                    artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn
                                    gesteld, in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht ter
                                    zake van de afvoer van asbest bevattende vloerbedekking alsmede
                                    van andere afvalstoffen waarop de mededeling betrekking heeft de
                                    in de gemeente geldende voorschriften in acht te nemen.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al> Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                    sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al> Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                    tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen,
                                    stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft
                                    gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te
                                    geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning </titel></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader
                                van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk
                                verwijderen van:</al><al>a geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al><al>b verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie
                                van kassen;</al><al>c rem- frictiematerialen;</al><al>d pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al><al>e pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                2250 kilowatt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</titel></kop><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot
                                toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het
                                bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de
                                    sloopvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover
                                        dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig
                                        bedrijf.</al></li><li nr="2"><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                        vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat
                                        het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al></li><li nr="3"><al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week
                                        voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en
                                        wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en
                                        tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking
                                        heeft op asbest, zal plaatsvinden.</al></li><li nr="4"><al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na
                                        de uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en
                                        wethouders een afschrift van de resultaten van de
                                        eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</titel></kop><al>1 Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend
                                voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                                ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te
                                doen aan het bouw- en woningtoezicht. </al><al>2 Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op
                                de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van
                                die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten
                                genoemde meldingen schriftelijk geschieden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                    asbest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                                    tuinbouwkassen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties:</al><al>a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                                    afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                    afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz.
                                    9);</al><al>b steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al><al>c bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al>d met PAKS verontreinigde materialen;</al><al>e asfalt;</al><al>f dakgrind;</al><al>g overig afval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en
                                    de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9 Welstand</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan
                                de Gemeenschappelijke regeling Welstandszorg Noord-Brabant die uit
                                haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie,
                                hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor regulier vergunningplichtige en
                                licht-vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44,
                                eerste lid onder d respectievelijk artikel 44, derde lid juncto
                                eerste lid onder d van de Woningwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Alternatief 4</cursief></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De welstandscommissie bestaat ten minste uit vier leden, waaronder
                                een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden
                                deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit
                                dan wel cultuurhistorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> In de welstandscommissie kan een geïnteresseerde burger anders als
                                bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                                burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><al> op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                            welstandsnota;</al><al> de werkwijze van de welstandscommissie; </al><al> op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                            vergaderen;</al><al> de aard van de beoordeelde plannen;</al><al> de bijzondere projecten.</al><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.5 Termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een
                                lichte bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat
                                door of namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag om</al><al>a een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste
                                lid, sub a van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken;</al><al>b een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel 46,
                                eerste lid, sub van de Woningwet bedoelde termijn van twaalf
                                weken;</al><al>c een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel 46,
                                eerste lid, sub c van de Woningwet bedoelde termijn van zes
                                weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                                toelichting</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                    openbaar. De agenda voor de vergadering van de
                                    welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van
                                    overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                    huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                                    burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de
                                    aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan
                                    dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op
                                    grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                                    grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                    beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2"><al>Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het
                                    indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt
                                    deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot
                                    het geven van een toelichting op het bouwplan.</al></li><li nr="3"><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                    wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting
                                    is gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een
                                    uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie,
                                    waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></li><li nr="4"><al>Belanghebbenden hebben geen spreekrecht, tenzij door het college
                                    van burgemeester en wethouders in een bijzonder geval aan die
                                    belanghebbenden in toelichtende zin spreekrecht is
                                    toegekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</titel></kop><lid><lidnr/><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel
                                44, eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of
                                meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter
                                en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                                verondersteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een bouwplan
                                voor een licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met
                                redelijke eisen van welstand mandateren aan een door hen aan te
                                wijzen ambtenaar, indien in de welstandsnota voor de verschillende
                                categorieën licht vergunningplichtige bouwwerken toetsingscriteria
                                zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet
                                voldoet aan de betreffende welstandscriteria, leggen burgemeester en
                                wethouders het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                bouwvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                                standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht,
                                neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><al>a op het voornemen inspraak is verleend;</al><al>b het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10 Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de
                            Woningwet moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en
                            het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een
                                ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</titel></kop><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                            woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de
                            sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 van deze verordening, dan
                            wel de gebruiksvergunning of de gebruiksmelding als bedoeld in de
                            artikelen 2.11.1 en 2.12.1 van het Besluit brandveilig gebruik
                            bouwwerken op aanvraag van degene op wiens naam de vergunning is gesteld
                            of op aanvraag van zijn rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een
                            ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.4 Overdragen mededeling </titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen
                                en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                                andere voorschriften</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                            herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                            praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening
                            – of in de bij deze verordening behorende bijlagen – wordt verwezen,
                            indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm,
                            praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die
                            herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11 Handhaving</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot
                                ingebruikneming</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12.1 Strafbare feiten</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij
                            burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van
                                open erven en terreinen</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                                gebruiksvergunning</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al><vet>(vervallen)</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.6 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op
                                publicatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Deze verordening kan worden aangehaald als “Bouwverordening van de
                                gemeente Dongen 2009”.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlage 1</titel></kop><al>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</al><al><vet>(vervallen)</vet></al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2</titel></kop><al>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</al><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit
                    brandveilig gebruik bouwwerken”).</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 3</titel></kop><al>Gebruikseisen voor bouwwerken</al><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit
                    brandveilig gebruik bouwwerken”).</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 4</titel></kop><al>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                    ruimten in woonfuncties</al><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit
                    brandveilig gebruik bouwwerken”).</al></bijlage><bijlage><kop><titel> Bijlage 5</titel></kop><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit
                    brandveilig gebruik bouwwerken”).</al></bijlage><bijlage><kop><titel> Bijlage 6</titel></kop><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al><vet>vervallen</vet></al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 7</titel></kop><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en
                    terreinen</al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><al>a NEN 7002, uitgave 1968, ‘Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen’ (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al>b NEN 7003, uitgave 1968, ‘Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen’ (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al>c NEN 7013, uitgave 1980, ‘Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                    buitenrioleringen’;</al><al>d NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, ‘Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                    buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen voor buizen,
                    hulpstukken en het systeem’ (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1,
                    uitgave 1998, Nederlandstalig);</al><al>e NEN-EN 295-1, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                    aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven
                    1999 – Deel 1. Eisen’ (Engelstalig);</al><al>f NEN-EN 295-2, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                    aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 – Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername’
                    (Engelstalig);</al><al>g NEN-EN 295-3, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval – Deel 3. Beproevingsmethoden’
                    (Engelstalig).</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 8</titel></kop><al>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                    bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al><vet>vervallen</vet></al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 9</titel></kop><al>Reglement van orde van de welstandscommissie</al><al>Welstandszorg Noord-Brabant</al><al/><tussenkop>Reglement op de gemeentelijke welstandsadvisering</tussenkop><al/><al>Commissie met 2 leden</al><al><vet>ingaande 1 januari 2008</vet></al><al>Inhoud</al><lijst><li nr="1."><al>Begripsbepalingen</al></li><li nr="2."><al>Onafhankelijkheid</al></li><li nr="3."><al>Samenstelling en benoeming van de commissie 3.1 Samenstelling 3.2
                            Benoeming en zittingsduur</al></li><li nr="4."><al>Taakomschrijving 4.1 Taken van de commissie 4.1.1 Wettelijke taken 4.1.2
                            Niet wettelijk verplichte taken 4.2 Taakomschrijving commissieleden
                            4.2.1 Taken rayonarchitect als voorzitter van de commissie 4.2.2 Verdere
                            taken van de rayonarchitect 4.2.3 Taken extern architectlid 4.2.4 Taken
                            externe deskundigen 4.2.5 Taken secretaris</al></li><li nr="5."><al>Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</al></li><li nr="6."><al>Werkwijze van de commissie 6.1 Vooroverleg 6.2 Openbare vergadering van
                            de commissie 6.2.1 Locatie, jaarrooster en agenda 6.2.2 Toelichting
                            opdrachtgever/ontwerper – spreekrecht 6.3 Het advies</al></li><li nr="7."><al>Afwijking van het advies / second opinion</al></li><li nr="8."><al>Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota</al></li><li nr="9."><al>Excessenregeling</al></li><li nr="10."><al>Tarieven advisering</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Reglement op de gemeentelijke
                            welstandsadvisering</onderstreept></vet></al><al><vet>1. Begripsbepalingen </vet></al><lijst><li nr="a."><al>het college : het college van burgemeester en wethouders</al></li><li nr="b."><al>de commissie : de gemeentelijke welstandscommissie</al></li><li nr="c."><al>de secretaris : de door het college aangewezen ambtenaar, die de
                            commissie bijstaat</al></li><li nr="d."><al>WzNB : Welstandszorg Noord-Brabant</al></li><li nr="e."><al>reglement : het Reglement op de gemeentelijke welstandsadvisering</al></li></lijst><al><vet>2. Onafhankelijkheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad wijst WzNB aan als welstandscommissie, die aan het
                            college advies uitbrengt over de vraag of het uiterlijk en de plaatsing
                            van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag om bouwvergunning
                            is ingediend, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.</al></li><li nr="2."><al>De commissie voert haar taak uit in onafhankelijkheid.</al></li></lijst><al><vet>3. Samenstelling en benoeming van de commissie</vet></al><al><vet><cursief>3.1 Samenstelling </cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een extern architectlid en de rayonarchitect
                            van WzNB. Beiden zijn deskundig op het terrein van architectuur en
                            aanverwante vakgebieden.</al></li><li nr="2."><al>De rayonarchitect zit de commissie voor.</al></li><li nr="3."><al>De commissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door externe
                            deskundigen. Dit betreft disciplines als stedenbouw,
                            architectuurhistorie, bouwhistorie, landschapsarchitectuur, etc. Voor
                            zover hier kosten aan zijn verbonden, zullen deze alleen worden vergoed,
                            nadat tevoren toestemming is verleend door de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Afhankelijk van het type plan dat moet worden behandeld, nemen de in lid
                            3 genoemde deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben geen
                            stemrecht.</al></li><li nr="5."><al>De commissie kan slechts adviezen uitbrengen als beide leden of hun
                            plaatsvervangers aanwezig zijn.</al></li></lijst><al><vet><cursief>3.2 Benoeming en zittingsduur</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad mandateert WzNB om de leden van de commissie te benoemen
                            en ontslaan.</al></li><li nr="2."><al>WzNB legt de gemeente een lijst voor met de beoogde commissieleden en
                            hun plaatsvervangers. Indien gewenst vindt hierover overleg plaats
                            tussen de gemeente en WzNB.</al></li><li nr="3."><al>De leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van
                            drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie
                            jaar.</al></li><li nr="4."><al>Bij afwezigheid van het extern architectlid en/of de rayonarchitect
                            treden plaatsvervangers op in de commissievergadering.</al></li><li nr="5."><al>De rayonarchitect, het extern architectlid en hun plaatsvervangers zijn
                            onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke
                            organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het
                            advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed. </al></li></lijst><al><vet>4. Taakomschrijving</vet></al><al><vet><cursief>4.1 Taken van de commissie</cursief></vet></al><al>De commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk
                    verplichte taken. De wettelijk verplichte taken worden uitgevoerd op grond van
                    de Woningwet.</al><al>De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijke welstandsbeleid,
                    zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.</al><al><cursief><vet>4.1.1 Wettelijke taken</vet></cursief></al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>Toetsing van regulier vergunningplichtige
                                bouwwerken</onderstreept>De welstandscommissie adviseert het college
                            over de welstandsaspecten van reguliere aanvragen om bouwvergunning als
                            bedoeld in artikel 44, lid 1 van de Woningwet.</al></li><li nr="2."><al><onderstreept>Toetsing van licht-vergunningplichtige
                                bouwwerken</onderstreept>De gemeente handelt de
                            licht-vergunningplichtige adviesaanvragen, als bedoeld in artikel 44,
                            lid 2 van de Woningwet, zelf af. Ingeval een dergelijke aanvraag niet
                            voldoet aan de betreffende welstandscriteria, zal de aanvraag, met
                            verwijzing naar de gemeentelijke bouwverordening, alsnog door de
                            commissie worden behandeld.</al></li><li nr="3."><al><onderstreept>Jaarverslag commissie</onderstreept>De commissie legt de
                            gemeenteraad één maal per jaar een verslag voor van de door haar
                            verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste
                            uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de
                            welstandscriteria. Tenminste één maal per jaar vindt, ten behoeve van
                            het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een
                            vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissie. </al></li></lijst><al><cursief><vet>4.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</vet></cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente kan opdracht geven aan de commissie om onder regie van de
                            gemeente en op verzoek van de commissie, de gemeente of de aanvrager,
                            noodzakelijk geacht vooroverleg te voeren met betrokkenen bij de
                            voorbereiding van bouwplannen.</al></li><li nr="2."><al>De commissie zal desgevraagd adviseren in het geval van: a) excessen:
                            buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor
                            niet-deskundigen evident zijn; b) de beoordeling van aanvragen voor
                            reclames (inzake de gemeentelijke APV).</al></li><li nr="3."><al>Verdere niet wettelijk verplichte taken zijn bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>desgewenst zal de commissie tijd inruimen voor een vast
                                    inloopspreekuur. Belanghebbenden kunnen daarin advies van de
                                    commissie krijgen ten behoeve van de voorbereiding van
                                    bouwplannen. De afspraken voor dit inloopspreekuur worden door
                                    de secretaris gemaakt. Overigens wordt het spreekuur
                                    gestructureerd naar analogie van het bepaalde in artikel 6.2; -
                                    de herziening van de welstandsnota; - het desgevraagd adviseren
                                    op basis van welstandseisen op zienswijzen, bezwaarschriften
                                    etc. De in dit derde lid genoemde taken worden als maatwerk
                                    beschouwd en zullen afzonderlijk in rekening worden
                                    gebracht.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><cursief>4.2 Taakomschrijving commissieleden</cursief></vet></al><al><cursief><vet>4.2.1 Taken rayonarchitect als voorzitter van de commissie
                        </vet></cursief></al><al>De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en
                    de kwaliteit van de advisering. De rayonarchitect ziet erop toe dat de commissie
                    adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid.</al><al>Tijdens de openbare vergadering treedt de rayonarchitect op als gastheer voor de
                    aanwezigen. Hij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie van
                    de aanwezige belanghebbenden op zijn of haar plan een toelichting wil geven.
                    Indien een plan in vooroverleg is besproken geeft de rayonarchitect een korte
                    samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces is besproken.</al><al>De rayonarchitect geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang van
                    de agenda. Hij geeft na de inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag voor
                    alle aanwezigen een korte en heldere samenvatting.</al><al>Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers
                    treedt de rayonarchitect namens de commissie naar buiten.</al><al>De rayonarchitect houdt met het medelid van zijn commissie een jaarlijkse,
                    inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten worden opgenomen in
                    het jaarlijkse verslag van de commissie aan de gemeenteraad. </al><al><vet>4.2.2<cursief>Verdere taken van de rayonarchitect</cursief></vet></al><al>Hij onderhoudt de contacten met het gemeentebestuur en de relevante
                    gemeentelijke diensten.</al><al>Indien een adviesaanvrage niet is voorzien van de in artikel 5 genoemde
                    bescheiden, neemt de rayonarchitect de adviesaanvraag niet voor behandeling in
                    de commissie aan.</al><al>De rayonarchitect legt de conclusie over een bouwplan vast in een schriftelijk
                    advies en voorziet die conclusie van een motivering.</al><al>De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het spreekuur indien dat in de
                    gemeente bestaat en legt van elk gevoerd gesprek puntsgewijs de gemaakte
                    afspraken vast.</al><al><cursief><vet>4.2.3 Taken extern architectlid</vet></cursief></al><al>Het extern architectlid geeft op basis van zijn deskundigheid een onafhankelijke
                    visie op de adviesaanvragen.</al><al>Wanneer hij een zakelijke binding heeft met een plan waarvoor advies wordt
                    gevraagd, wordt hij voor de betreffende vergadering vervangen.</al><al>Het extern architectlid overlegt tijdens de vergadering met aanvragers,
                    architecten en andere ontwerpers en hoort eventuele belanghebbenden.</al><al>Hij tekent de in 6.3 bedoelde adviezen voor akkoord.</al><al><cursief><vet>4.2.4 Taken externe deskundigen</vet></cursief></al><al>De aan de commissievergadering deelnemende externe deskundigen geven vanuit hun
                    ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de
                    adviesaanvragen. Wanneer een extern deskundige een zakelijke binding heeft met
                    een plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan laat hij zich voor de betreffende
                    commissievergadering vervangen.</al><al><cursief><vet>4.2.5 Taken secretaris</vet></cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De secretaris verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling
                            in de commissie voor. Hij voorziet de commissie van de benodigde
                            bescheiden. Relevante informatie voor het beoordelen van plannen
                            is/zijn: a. de gemeentelijke welstandsnota; b. de
                            bestemmingsplanbepalingen; c. de beeldkwaliteitsplannen; d. luchtfoto’s
                            (indien mogelijk); e. het stedenbouwkundig advies of advies ruimtelijke
                            ontwikkeling; f. informatie over eerdere behandeling(en) van het plan;
                            g. vergelijkbare aanvragen die door de commissie zijn beoordeeld.</al></li><li nr="2."><al>De secretaris stelt, zo nodig in overleg met de rayonarchitect, de
                            agenda voor de vergadering vast.</al></li><li nr="3."><al>Hij is verantwoordelijk voor het openbaar maken van de agenda van de
                            vergaderingen van de commissie.</al></li><li nr="4."><al>De secretaris heeft geen stemrecht.</al></li></lijst><al><vet> 5. Werkwijze ‘Bouw- en Woningtoezicht’</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar BWT draagt er zorg voor dat alleen bouwplannen waarvan de
                            planologische aanvaardbaarheid vaststaat, voor advies aan de commissie
                            worden voorgelegd.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar BWT controleert of plannen (inclusief de plannen die worden
                            aangeboden voor vooroverleg) voldoen aan de indieningsvereisten als
                            genoemd in het “Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning”.
                            Onder ‘Gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan
                            welstandscriteria’ zijn hier als vereiste bescheiden aangegeven: -
                            tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van de
                            belendende bebouwing; - detailtekeningen van gezichtsbepalende delen van
                            het bouwwerk; - foto’s van de bestaande situatie en de omliggende
                            bebouwing; - opgave materiaal- en kleurgebruik van toe te passen
                            bouwmaterialen (uitwendige scheidingsconstructie). Andere gegevens die
                            noodzakelijk zijn voor beoordeling zijn: - bouwkundige tekeningen met
                            adequate informatie over plattegronden en doorsnedes; - een
                            situatietekening waarop aangegeven de locatie, de rooilijnen, de
                            belendingen en de inrichting van het bouwterrein; - een volledig
                            ingevulde kleur- en/of materiaalstaat.</al></li><li nr="3."><al>De gegevens en bescheiden worden via de digitale database tevoren aan de
                            rayonarchitect aangeleverd. </al></li></lijst><al><vet>6. Werkwijze van de commissie</vet></al><al><vet>6.1<cursief>Vooroverleg</cursief></vet></al><al>De gemeente kan een nog niet formeel ingediende aanvraag om een bouwvergunning
                    ter advisering voorleggen aan de commissie.</al><al>Van dat vooroverleg wordt een verslag gemaakt, dat met de besproken bescheiden
                    in een projectdossier wordt opgenomen. </al><al>Het vooroverleg vindt bij uitzondering in beslotenheid plaats. </al><al><vet>6.2<cursief>Openbare vergadering van de commissie</cursief></vet></al><al><vet>6.2.1<cursief>Locatie, jaarrooster en agenda</cursief></vet></al><al>De commissie vergadert wekelijks op een vaste locatie, een vaste dag en een vast
                    tijdstip, volgens een tevoren per kalenderjaar vast te stellen rooster.</al><al>De data en tijdstippen van de vergaderingen worden opgenomen in het jaarrooster.
                    Deze data en tijdstippen en de locatie van iedere vergadering worden tijdig vóór
                    de vergadering openbaar gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een
                    dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad dan wel op een andere, naar het oordeel van
                    het college, geschikte wijze.</al><al>De agenda van de vergadering van de commissie wordt tijdig vóór die vergadering
                    bekend gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                    huis-aan-huisblad dan wel op een andere, naar het oordeel van het college,
                    geschikte wijze.</al><al>De behandeling van plannen door de commissie is openbaar, tenzij de voorzitter,
                    het college of de belanghebbende van oordeel is dat er op grond van artikel 10
                    van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende redenen aanwezig zijn voor
                    geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het
                    formuleren van de conclusie c.q. het advies.</al><al><vet>6.2.2<cursief>Toelichting opdrachtgever / ontwerper –
                        spreekrecht</cursief></vet></al><al>De aanvrager of diens gemachtigde kan (al dan niet op verzoek van de commissie)
                    in de vergadering van de commissie waarin het betreffende plan wordt behandeld,
                    dit plan nader toelichten. Zij kunnen dit vermelden op het daarvoor bestemde
                    formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de
                    uitnodigingen.</al><al><vet>6.3<cursief> Het</cursief><cursief> advies</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie toetst het plan aan het gemeentelijk welstandsbeleid
                            (welstandsnota).</al></li><li nr="2."><al>De commissie formuleert het uit te brengen advies in heldere en
                            duidelijk toetsbare bewoordingen. Het gebruik van abstracte taal en
                            jargon wordt vermeden.</al></li><li nr="3."><al>Het advies wordt direct geformuleerd en bij de gemeente
                            achtergelaten.</al></li><li nr="4."><al>Een welstandsadvies kan de volgende uitkomst hebben: </al><al><vet>Voldoet:</vet>De commissie is van oordeel dat het plan volgens de
                            van toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke
                            eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies
                            schriftelijk. </al><al><vet>Voldoet mits (voldoet niet tenzij):</vet>De commissie is van mening
                            dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de toetsingscriteria uit de
                            welstandsnota, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde
                            bezwaren op die punten. De commissie omschrijft nauwkeurig welke
                            onderdelen van het plan bezwaarlijk zijn. In het geval het college het
                            advies overneemt, krijgt de aanvrager, voor zover dit nog past binnen de
                            beschikbare vergunningstermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen
                            en aan de bezwaarpunten tegemoet te komen. </al><al><vet>Voldoet niet:</vet>De commissie is van oordeel dat het plan
                            strijdig is met redelijke eisen van welstand. Een negatief
                            welstandsadvies betekent dat indien het college het advies overneemt,
                            het bouwplan ingrijpend gewijzigd moet worden. Een negatief advies wordt
                            nauwkeurig schriftelijk gemotiveerd. Hierin staat een korte omschrijving
                            van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde
                            welstandscriteria, een samenvatting van de beoordeling van het plan op
                            die punten en een aanbeveling tot aanpassing van het plan. </al><al><vet>Aanhouden:</vet>De commissie kan het advies aanhouden - waarbij
                            Bouw- en Woningtoezicht aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen
                            de resterende vergunningstermijn - wanneer: a) meer informatie of een
                            toelichting van de opdrachtgever/ontwerper noodzakelijk is. Dit kan het
                            geval zijn wanneer de hoofdopzet van het plan (de bouwmassa-vorm)
                            voldoet aan redelijke eisen van welstand en de geveluitwerkingen alsmede
                            de materialisering en detailleringen ter advisering worden opgevraagd;
                            b) de commissie van oordeel is dat bijzondere omstandigheden nopen tot
                            afwijking van het gemeentelijk welstandsbeleid. Zij geeft dan
                            gemotiveerd aan op grond waarvan afwijking gerechtvaardigd is. </al></li></lijst><al><vet>7. Afwijking van het advies / second opinion </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan bij het besluit tot verlening van een bouwvergunning
                            afwijken van het advies van de commissie, indien hij van mening is dat
                            de commissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft
                            geïnterpreteerd of toegepast. De redenen voor de afwijking worden bij de
                            bekendmaking van het besluit vermeld. Alvorens definitief te beslissen
                            biedt het college de commissie de mogelijkheid van heroverweging van het
                            eerder uitgebrachte advies.</al></li><li nr="2."><al>Het college heeft op grond van artikel 44, lid 1, sub d van de Woningwet
                            de mogelijkheid om bij strijdigheid van een bouwplan met redelijke eisen
                            van welstand toch een bouwvergunning te verlenen, indien hij van oordeel
                            is dat daarvoor gewichtige redenen zijn. De afwijking wordt in de
                            beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan eventueel op advies van de commissie gemotiveerd
                            afwijken van de in de gemeentelijke welstandsnota vastgelegde
                            welstandscriteria. Dat kan in het geval dat een bouwplan niet voldoet
                            aan de welstandscriteria, maar wel voldoet aan redelijke eisen van
                            welstand. In die gevallen moet worden verwezen naar de algemene
                            beoordelingscriteria die in de welstandnota zijn opgenomen.</al></li><li nr="4."><al>Indien het college zich niet kan verenigen met het advies van de
                            commissie, kan hij een ‘second opinion’ inwinnen bij een andere
                            commissie. Alvorens daartoe over te gaan stelt het college de commissie
                            daarvan op de hoogte.</al></li></lijst><al><vet>8. Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college brengt aan de gemeenteraad jaarlijks verslag uit over de
                            uitvoering van het welstandsbeleid. Voor de aspecten die in dit verslag
                            tenminste aan de orde moeten komen, wordt verwezen naar artikel 12c van
                            de Woningwet (zie bijlage).</al></li><li nr="2."><al>Tenminste één maal per jaar vindt een evaluatiegesprek plaats tussen een
                            vertegenwoordiging van het college, de commissie en de directeur van
                            WzNB.</al></li><li nr="3."><al>De gemeenteraad beslist op grond van de jaarverslagen en evaluaties over
                            eventuele aanvullingen en/of aanpassingen van de gemeentelijke
                            welstandsnota.</al></li></lijst><al><vet>9. Excessenregeling</vet></al><al>Het college kan de commissie vragen te adviseren over de vraag of het uiterlijk
                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als
                            bedoeld in artikel 45, eerste lid van de Woningwet;</al></li><li nr="b."><al>een bestaande standplaats;</al></li><li nr="c."><al>een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 43
                            van de Woningwet geen bouwvergunning is vereist,</al></li></lijst><al>in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Dat is het geval
                    wanneer het gaat om buitensporigheden in het uiterlijk van een bouwwerk, die ook
                    voor niet-deskundigen evident zijn. Hiervoor zijn in de welstandsnota algemene
                    criteria opgenomen.</al><al><vet>10. Tarieven advisering</vet></al><al>De tarieven voor de advisering worden jaarlijks door het Algemeen Bestuurvan
                    WzNB vastgesteld.</al><al>Dit reglement is onderdeel van de ‘Dienstverleningsovereenkomst’.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 10</titel></kop><al>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</al><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit
                    brandveilig gebruik bouwwerken”).</al><al/></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 11</titel></kop><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie)</al><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit
                    brandveilig gebruik bouwwerken”).</al><al/></bijlage><bijlage><kop><titel> Bijlage 12</titel></kop><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)</al><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit
                    brandveilig gebruik bouwwerken”).</al><al/><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Model-bouwverordening</titel></kop><divisie><kop><titel>1 Inleidende bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Asbest </al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest:
                        de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet
                        (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel
                        (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet
                        (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten
                        zijn verwerkt. Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij behorende toelichting. </al><al/><al>Besluit indieningsvereisten </al><al>In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van
                        inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning (Stb. 2002, 409
                        en gewijzigd bij Stb. 2005, 368). Gemeenten mogen zelf geen (aanvullende)
                        eisen meer stellen aan een aanvraag om bouwvergunning. In dit besluit is
                        voorts de opsomming van door burgemeester en wethouders in het register aan
                        te tekenen gegevens overgeheveld van de wetstekst zelf naar dit besluit.
                        Besluit bouwwerken In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken
                        overgeheveld van de wettekst zelf naar dit besluit (Stb. 2002, 410 en
                        gewijzigd bij Stb. 2003, 315 en Stb. 2004, 291). Het besluit houdt tevens
                        een forse verruiming in van de mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen.
                        Bovendien omvat dit besluit een uitwerking van een nieuwe categorie
                        bouwwerken die licht-vergunningplichtig zijn. Van de jaarlijks onder de
                        Woningwet 1992 aan preventief toezicht onderworpen bouwwerken zal naar
                        verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5% licht-vergunningplichtig en
                        37,5% regulier vergunningplichtig worden onder de Woningwet 2002 (TK
                        1998-1999, 26 734, nr. 3, p. 31). </al><al/><al>Bouwbesluit </al><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                        geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan
                        het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn
                        de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                        opgenomen. Bouwtoezicht Vanaf 1 april 2007 geeft de Woningwet in artikel 100
                        expliciet de opdracht aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor
                        de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens
                        hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Dit sluit aan bij de op grond
                        van artikel 100 (oud) Woningwet bestaande centrale rol van de gemeente bij
                        de vergunningverlening en handhaving ten aanzien van het bouwen en de staat
                        van bestaande bouwwerken en brengt geen verandering in het uitgangspunt dat
                        elke gemeente vrij is naar eigen inzicht de gemeentelijke organisatie in te
                        richten en eventuele bestanddelen van het takenpakket van het bouwtoezicht
                        uit te besteden. Op grond van het nieuwe artikel 100a Woningwet wijzen
                        burgemeester en wethouders degenen aan die belast zijn met het bouw- en
                        woningtoezicht.</al><al/><al> Gebruiksoppervlakte </al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                        begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip
                        naar NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij
                        ministeriële regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei
                        1992). De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent
                        overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de Model-bouwverordening.
                        Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het
                        Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager
                        om bouwvergunning moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de
                        gebruiksoppervlakten. Bouwwerk en gebouw De definitie van bouwen in artikel
                        1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend veronderstelde term
                        bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt momenteel bepaald door de
                        begripsomschrijving in de MBV 1965 en de jurisprudentie. Volledigheidshalve
                        is de begripsomschrijving in de nieuwe MBV gehandhaafd. De Woningwet maakt
                        op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde
                        een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet.
                        Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is jurisprudentie
                        ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de komst van
                        de Woningwet van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op basis
                        van de Woningwet van 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) geldig blijft.
                        Bij de interpretatie van de jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet
                        rekening worden gehouden met de driedeling bouwvergunningplichtig,
                        meldingplichtig en vrij bouwen. Alle vormen van bouwen, die niet in artikel
                        43 van de Woningwet als vrij bouwen of in het Besluit meldingplichtige
                        bouwwerken als meldingplichtig zijn benoemd, zijn bouwvergunningplichtig.
                        Deskundig bedrijf Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang
                        voor de toepassing van hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is
                        gekoppeld aan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit
                        is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het
                        Arbeidsomstandighedenbesluit.</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen
                        naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Wat is
                        bouwvergunningvrij bouwen? Vanaf 2003 zijn de artikelen 43, eerste lid,
                        onderdeel c, en 44, tweede lid, van de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Een
                        nadere uitwerking van die wijziging is opgenomen in het Besluit bouwwerken.
                        Het vroegere Besluit meldingplichtige bouwwerken is komen te vervallen. De
                        lijst van vergunningvrije bouwwerken uit het bedoelde eerste lid van artikel
                        43 van de Woningwet is ingrijpend gewijzigd. Voor een vrij uitgebreid
                        overzicht van voorbeelden van de opnieuw gedefinieerde vergunningvrije
                        bouwwerken, zie de met tekeningen geïllustreerde nota van toelichting bij
                        het Besluit bouwwerken. Wat is licht-bouwvergunningplichtig bouwen? De
                        meldingplicht voor bouwwerken is per 2003 opgeheven. De bouwwerken die onder
                        de meldingsplicht vielen zijn grotendeels bouwvergunningvrij geworden.
                        Bovendien is een groot deel van de kleine vergunningplichtige bouwwerken
                        komen te vallen onder de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken.
                        Bouwplannen waarvoor de lichte bouwvergunningplicht geldt, moeten van
                        gemeentewege worden getoetst aan de voorschriften van het bestemmingsplan,
                        de welstandsregels en de eisen inzake de constructieve veiligheid van het
                        Bouwbesluit, alsmede voorzover van toepassing de stedenbouwkundige
                        voorschriften van de bouwverordening. Wat betreft voorbeelden van de
                        categorie bouwvergunningplichtige bouwwerken, kan de nota van toelichting
                        bij het Besluit bouwwerken voor zichzelf spreken.' </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.2 Termijnen</titel></kop><al>Artikel 145 Gemeentewet bepaalt dat op termijnen, gesteld in een
                        gemeentelijke verordening, de artikelen 1 t/m 4 van de Algemene termijnenwet
                        van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij in de verordening anders is
                        bepaald. Artikel 1.2 is nu overbodig geworden, daar dit artikel ook de
                        Algemene termijnenwet van toepassing verklaarde op de bouwverordening. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><al><vet> Algemeen </vet></al><al>Sinds 1965 is er hier te lande een Wet op de Ruimtelijke Ordening van
                        kracht, die - na een intussen verstreken overgangsperiode - voor het gebied
                        buiten de bebouwde kom een planologische regeling door middel van een of
                        meer bestemmingsplannen verplicht stelt. De stedenbouwkundige voorschriften
                        van de bouwverordening zijn sindsdien enerzijds vooral van belang voor het
                        gebied binnen de toenmalige bebouwde kom en anderzijds ter eventuele
                        aanvulling op de voorschriften van het bestemmingsplan buitengebied. Binnen
                        de toenmalige bebouwde kom kunnen overigens op vrijwillige basis of vanwege
                        de aanwezigheid van een wettelijk beschermd monumentaal stads- of
                        dorpsgezicht eveneens bestemmingsplannen vigeren, in welk geval de
                        stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening ook binnen de
                        desbetreffende delen van de bebouwde kom slechts dienen ter eventuele
                        aanvulling op de voorschriften van dergelijke bestemmingsplannen. Gezien het
                        voorgaande was het in 1965 veelal wenselijk om een indeling van de gemeente
                        in zones te maken in de bouwverordening, waardoor een zinvol onderscheid kon
                        worden gemaakt tussen de stedenbouwkundige voorschriften voor de toenmalige
                        bebouwde kom en voor het destijds landelijke gebied. Het is praktisch om een
                        dergelijke zone-indeling aan te geven op een bij de bouwverordening
                        behorende kaart. Een verwijzing naar het begrip 'bebouwde kom', zoals dat
                        voorkomt in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, lijkt niet
                        gewenst, omdat daaruit geen voldoende nauwkeurige begrenzing kan worden
                        afgeleid. De bedoelde, bij de bouwverordening behorende, kaart kan tevens
                        worden gebruikt om op overzichtelijke wijze de eventuele gebieden aan te
                        duiden die zijn vrijgesteld van welstandstoezicht. In het algemeen bleek er
                        in de loop der jaren behoefte te bestaan aan continuïteit in de
                        stedenbouwkundige voorschriften, vooral in de voorschriften voor de ligging
                        van de rooilijnen en die voor de maximumbouwhoogten. Daarom zijn in veel
                        gemeenten de begrenzingen van de bebouwde kom en die van het buitengebied
                        gelijk gehouden bij de overgang van de bouwverordening 1965 naar de
                        bouwverordening 1992. Het spreekt vanzelf dat daardoor het begrip 'bebouwde
                        kom' in de zin van de bouwverordening meestal verschilt van het begrip
                        'bebouwde kom' in de zin van de wegenverkeerswetgeving of in de zin van
                        artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening, zoals dit per 3 april
                        2000 is gewijzigd. Bij de herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                        in 1985 zijn de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                        overigens belangrijker geworden. Toen is de figuur van het globale
                        bestemmingsplan zonder uitwerkingsplicht ingevoerd, waarin ter plaatse wordt
                        uitgegaan van een volledige aanvullende werking van de stedenbouwkundige
                        voorschriften van de bouwverordening. Veel onduidelijkheden in de afbakening
                        van de werkingssfeer van het bestemmingsplan en de bouwverordening zijn
                        bovendien verdwenen bij de komst van (artikel 9 van) de Woningwet in 1992,
                        met name ten aanzien van bestaande bestemmingsplannen die in het verleden
                        onbewust onvolledig blijken te zijn vastgesteld. Tevens lijken de
                        stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening vanaf 2003 nog
                        belangrijker te zijn geworden, omdat de vroegere meldingsplichtige
                        bouwwerken niet onder de werking van de (stedenbouwkundige voorschriften van
                        de) bouwverordening vielen, maar de huidige licht-bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken wel. Door dit alles kan een duidelijke afbakening van de bebouwde
                        kom in de zin van de bouwverordening in relatie tot eventuele plangrenzen en
                        grenzen van 'welstandsvrije' gebieden van groter gewicht blijken dan in
                        vroeger jaren. Alternatief 1 Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten
                        waarin geen - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die
                        geschikt is voor hoogbouw, en waarin ook geen gebied is vrijgesteld van
                        welstandstoezicht. Alternatief 2 Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten
                        waarin een - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt
                        is voor hoogbouw, en waarin geen gebied is vrijgesteld van
                        welstandstoezicht. Alternatief 3 Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten
                        waarin geen - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die
                        geschikt is voor hoogbouw, maar wel een gebied dat - geheel of voor bepaalde
                        categorieën bouwwerken - is vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld
                        een havengebied of een terrein voor zware industrie. Alternatief 4 Dit
                        alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en ook
                        een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is
                        vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een
                        terrein voor zware industrie. </al></divisie><divisie><kop><titel>2 De aanvraag bouwvergunning </titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Algemeen </titel></kop><al>In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking
                        hebben op de aanvraag om bouwvergunning. In de Woningwet is een nieuw
                        artikel 40a opgenomen, waarin wordt bepaald dat bij algemene maatregel van
                        bestuur voorschriften worden gesteld omtrent de wijze van inrichting en
                        indiening van een vergunningaanvraag, alsmede omtrent de daarbij over te
                        leggen bescheiden. Dit is het Besluit indieningsvereisten geworden. De
                        voorschriften van dit besluit zijn limitatief, waardoor de tot de achtste
                        serie wijzigingen van de Model-bouwverordening in paragraaf 1 en enkele in
                        paragraaf 2 opgenomen artikelen zijn komen te vervallen. Er is geen
                        materiële wijziging beoogd ten opzichte van deze vervallen artikelen. De
                        overige paragrafen van hoofdstuk 2 bevatten inhoudelijke criteria, waaraan
                        de aanvraag om bouwvergunning wordt getoetst c.q. moet voldoen. De wet
                        Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb. 2002,
                        347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per 1 juni
                        2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na
                        ontvangst van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, door b&amp;w
                        wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitsadvies wordt
                        gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie
                        van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de
                        aanvrager -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de
                        gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan
                        voor b&amp;w aanleiding zijn de bouwvergunning te weigeren. Bijlage 1 bij
                        het standaard formulier voor het aanvragen van een bouwvergunning bevat een
                        checklist. In deze checklist is vermeld dat burgemeester en wethouders de
                        aanvrager informeren of en zo ja, welke gegevens en bescheiden de aanvrager
                        dient in te dienen in verband met de Wet BIBOB. De veegwet zal niet eerder
                        dan 1 januari 2004 van kracht worden. Het vragen van een advies door b&amp;w
                        is facultatief. Indien een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd,
                        schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om bouwvergunning met
                        acht weken op. Op 15 september 2004 is de Aanpassingswet Bibob van 10 juni
                        2004 van kracht geworden, waarbij de artikelen 44a en 59 van de Woningwet
                        zijn gewijzigd. Zie Stb. 2004, 320 en Stb. 2004, 452. Het bureau Bibob van
                        het ministerie van Justitie verstrekt informatie over de uitvoering van de
                        Wet Bibob in relatie tot de Woningwet (070-3704600 of
                        www.justitie.nl/bibob). De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is op 1 januari
                        1994 in werking getreden (Stb. 1994, 1). Deze wet geeft algemene regels voor
                        het rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen
                        besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. Hiermee is tevens de Wet
                        arob komen te vervallen. Een deel van de zaken die de bouwverordening
                        regelde, wordt nu ook geregeld door de Awb. Op grond van artikel 122 van de
                        Gemeentewet houden bepalingen van een gemeentelijke verordening, in wier
                        onderwerp door een wet, een algemene maatregel van bestuur of een
                        provinciale verordening wordt voorzien, van rechtswege op te gelden. De
                        gefaseerde behandeling van de aanvraag om bouwvergunning De gefaseerde
                        vergunningverlening wordt in artikel 56a van de herziene Woningwet zelf
                        uitdrukkelijk geregeld. Volgens de nieuwe regeling zijn burgemeester en
                        wethouders verplicht een aanvraag om een reguliere bouwvergunning
                        desgevraagd gefaseerd te behandelen. De aanvrager heeft derhalve de keuze om
                        wel of geen gefaseerde vergunningverlening aan te vragen. Daarnaast biedt
                        artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten burgemeester en wethouders de
                        facultatieve mogelijkheid van fasering van de bouwvergunningverlening
                        (bouwvergunning op hoofdlijnen), zoals die tot de achtste serie wijzigingen
                        in de Model-bouwverordening was opgenomen. Een belangrijk verschil tussen de
                        gefaseerde bouwvergunning op grond van artikel 56a van de Woningwet 2002 en
                        de facultatieve mogelijkheid van fasering van de bouwvergunningverlening op
                        grond van artikel 56 van de Woningwet (bouwvergunning onder voorwaarden) is
                        dat in het eerste geval de aanvrager bepaalt of de procedure van de
                        gefaseerde vergunning wordt gevolgd, waarbij burgemeester en wethouders
                        verplicht zijn een aanvraag om een reguliere bouwvergunning gefaseerd te
                        behandelen, terwijl in het laatste geval burgemeester en wethouders bevoegd
                        zijn te in te stemmen met de verlening van een bouwvergunning op
                        hoofdlijnen. Voorwaarden voor bouwafval in de bouwvergunning Aan de
                        bouwvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van
                        scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over
                        het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden
                        dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11. Veelal is het
                        nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke (chemische)
                        stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan betreffen
                        het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en de
                        afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking. Hoofdlijnen
                        van de jurisprudentie Voor een overzicht van de jurisprudentie met
                        betrekking tot de indieningsvereisten van een aanvraag om bouwvergunning
                        zoals die tot de achtste serie wijzigingen ook al was opgenomen in de
                        Model-bouwverordening 1992, zie de losbladige uitgave 'Standaardregelingen
                        in de bouw' van de VNG Uitgeverij. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</titel></kop><al> De toelichting bij dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen</titel></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.1.5 Het onderzoek naar bodemverontreiniging</titel></kop><al>Inleiding</al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de Model-bouwverordening hebben tot
                        doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel
                        2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel
                        is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een
                        bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de
                        relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en het Besluit
                        indieningsvereisten. Artikel 2.1.5 is met de achtste serie wijzigingen per 1
                        januari 2003 vervallen. Om die reden is toen in de toelichting bij artikel
                        2.4.1 alles beschreven over het bodemonderzoek wat nodig is voor de
                        uitvoering van de bouwverordening. In verband met de inwerkingtreding van
                        het Besluit indieningsvereisten op 1 januari 2003 is bij de achtste serie
                        wijzigingen van de MBV een reeks artikelen vervallen, onder andere die over
                        het bodemonderzoek. Onder meer uit vragen uit de uitvoeringspraktijk is
                        gebleken dat de afstemming tussen de MBV en genoemd Besluit op dat punt nog
                        niet optimaal was, met name wat betreft de regeling inzake de wijze van
                        onderzoeken en de daarop van toepassing zijnde normen en protocollen. In
                        feite ontbrak de materie die voorheen was geregeld in het tweede tot en met
                        het vierde lid van het vervallen artikel 2.1.5. In een overleg met het
                        ministerie van VROM is uitgesproken dat op termijn de hele materie van het
                        bodemonderzoek in landelijke regelgeving wordt neergelegd, doch dat dit nog
                        enige tijd zal duren voordat het zover is. Omdat het onverantwoord wordt
                        geacht deze periode over een gebrekkige regelgeving te beschikken, is tevens
                        in dit overleg besloten dat als een tijdelijke oplossing de MBV wordt
                        aangevuld met een nieuw herschreven artikel 2.1.5. Het blijkt dat een
                        wijziging van de bouwverordening sneller te realiseren is dan een wijziging
                        van landelijke regelgeving. Het deels doen herleven van het oude artikel
                        2.1.5 maakt het tevens noodzakelijk de toelichting op artikel 2.4.1 te
                        herzien. Met betrekking tot de voornemens voor rijksregelgeving verwijzen
                        wij naar de MG circulaire van 15 juli 2003, nr. MG 2003-18. De hierna
                        vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving
                        van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Men
                        gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen. </al><al>Lid 1 </al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend
                        onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd - ook
                        wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                        onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien
                        het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de
                        locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders op basis van het
                        derde lid besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het
                        verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar
                        asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend
                        om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003
                        ontwikkeld. In volgorde kunnen dus drie onderzoeken worden onderscheiden:
                        vooronderzoek, verkennend onderzoek en nader onderzoek. Niet langer is in
                        dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een beoordeling van de
                        onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd
                        als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om
                        een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als dienstverlening aan
                        de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend, bij voorbeeld bij de
                        afgifte van het formulier voor het aanvragen van een reguliere
                        bouwvergunning, dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden.
                        Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke
                        milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de
                        gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed. </al><al>Lid 2</al><al>Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op
                        1 januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting
                        niet voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang
                        gelijk te stellen was met meldingplichtig bouwen. In het tweede lid van
                        artikel 2.1.5 is thans een soortgelijke regeling opgenomen ten aanzien van
                        het bouwen dat, hoewel regulier-bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang
                        gelijk te stellen is aan bouwvergunningsvrij c.q.
                        licht-bouwvergunningplichtig bouwen als genoemd in het Besluit bouwwerken.
                        Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen van een
                        tuinschuurtje bij of een aanbouw aan een utiliteitsgebouw. Hoewel in deze
                        gevallen dus geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend, kan de
                        aanhoudingsregeling van artikel 52a van de Woningwet overigens wel van
                        toepassing zijn op aanvragen om een reguliere of lichte bouwvergunning,
                        namelijk in het geval dat bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde
                        een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming
                        sprake is van een geval van ernstige verontreiniging (zie de toelichting bij
                        genoemd artikel 52a, eerste lid Woningwet). De hoogte van een bouwwerk
                        behoort bij de beoordeling of een bodemonderzoek is vereist geen rol te
                        spelen. </al><al>Lid 3</al><al>Het begrip 'bruikbare onderzoeksresultaten' houdt in dat in ieder geval een
                        onderzoek heeft plaatsgevonden en dat dit recent is. </al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                        klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze
                        categorie betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend.
                        De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen. </al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                        voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van
                        deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                        gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet
                        altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom
                        behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden
                        ingediend. Of zoals de toelichting bij de bijlage van het Besluit
                        indieningsvereisten vermeldt "Dit tijdstip kan in een voorwaarde bij de
                        bouwvergunning worden vastgelegd op basis van het bepaalde in artikel 56 van
                        de Woningwet." </al></divisie><divisie><kop><titel> Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                            aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</titel></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</titel></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 Procedurebepalingen</titel></kop><al>De (vervallen) artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 waren tot 2003 in de MBV
                        opgenomen teneinde discussies over termijnen uit te sluiten. Er werd van
                        uitgegaan dat artikel 8, derde lid van de Woningwet (oud) ruimte liet voor
                        het in de bouwverordening opnemen van deze artikelen. Tot 1 januari 2003 was
                        in artikel 2.2.1 MBV opgenomen dat de aanvrager door of namens burgemeester
                        en wethouders een bewijs van ontvangst wordt uitgereikt, waarin de datum van
                        ontvangst is vermeld. In het Besluit indieningsvereisten ontbrak sinds 1
                        januari 2003 een dergelijke bepaling, die in verband met de fatale
                        beslistermijnen in de bouwvergunningprocedure nodig is. Vanaf 1 april 2007
                        voorziet het nieuwe artikel 40b Woningwet in deze leemte, dat regelt dat
                        burgemeester en wethouders de ontvangstdatum op de bouwaanvraag aantekenen
                        en een ontvangstbevestiging van de bouwaanvraag verzenden. Gelet op de
                        sanctie van de fictieve bouwvergunningverlening die de Woningwet op
                        termijnoverschrijding stelt, is het uitsluiten van onduidelijkheid over
                        beslissingstermijnen nog steeds van belang. De beslistermijn voor de
                        lichte-bouwvergunning en de bouwvergunning eerste of tweede fase is zes
                        weken en twaalf weken voor een reguliere bouwvergunning. Er zijn echter
                        uitzonderingen. Het is raadzaam om de aanvrager op de hoogte te stellen van
                        het feit dat op een aanvraag om bouwvergunning, waarvoor tevens een
                        vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening nodig is, de termijn van zes weken
                        (lichte-bouwvergunning/bouwvergunning eerste of tweede fase) of twaalf weken
                        (reguliere bouwvergunning) niet van toepassing is; zie artikel 46 en 49 van
                        de Woningwet. Andere uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk
                        twaalf weken betreffen het opschorten van de termijn op grond van artikel
                        4.5 van de Algemene wet bestuursrecht, het aanhouden van de aanvraag op
                        grond van het bepaalde in de artikelen 50 tot en met 55 van de Woningwet,
                        dan wel het verdagen van de beslissing daarop. Ook de positie van de
                        derden-belanghebbenden is bij de beslistermijnen van belang. Ter bescherming
                        van de positie van derden-belanghebbenden regelt artikel 41 van de Woningwet
                        de openbare bekendmaking van de aanvraag om bouwvergunning. Om te vermijden
                        dat derden-belanghebbenden te snel uitgaan van een fictief verleende
                        bouwvergunning op basis waarvan zij bezwaar kunnen maken ingevolge de
                        Algemene wet bestuursrecht, is het wenselijk dat de uitzonderingen op de
                        termijn van zes respectievelijk twaalf weken voor hen kenbaar zijn. Vanaf
                        2003 is het niet meer mogelijk de uitzonderingen op de beslistermijn van zes
                        of twaalf weken te registreren in het openbaar bouwregister. Het is echter
                        nog wel raadzaam om tot publicatie over te gaan van de aanhouding van een
                        aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verdaging van de beslissing
                        over een aanvraag om bouwvergunning. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                            bouwvergunningverlening</titel></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen bodemonderzoek</titel></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.2.6 Bekendmaking van rechtswege verleende
                            bouwvergunning</titel></kop><al>Artikel 58 van de Woningwet regelt dat de eigenaar of hoofdgebruiker van een
                        naburig ander gebouw schriftelijk in kennis wordt gesteld van een fictief
                        verleende bouwvergunning. De termijn voor het geven van schriftelijk bericht
                        is door de Woningwet gesteld op twee weken. De bouwverordening dient alleen
                        de inhoud van het bericht te regelen. Zo nodig kan dit artikel worden
                        aangepast aan plaatselijke omstandigheden en gebruiken. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</titel></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt. </al><al/><al/><al/></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</titel></kop><al>Algemeen In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt
                        aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening
                        voorschriften op te nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                        bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke
                        bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord
                        'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in
                        de bouwverordening niet is toegestaan. Artikel 8 derde lid van de Woningwet
                        en het onderhavige artikel sluiten nauw aan bij de vroegere redactie
                        waardoor inhoudelijk geen grote verschillen ontstaan. De verschillen die er
                        zijn, betreffen de aanduiding van de categorie waarvoor het bodemonderzoek
                        geldt, de bouwwerken waarvoor een reguliere bouwvergunning is vereist. De
                        bouwwerken waarvoor een zogenoemde lichte bouwvergunning volgens artikel 44,
                        derde juncto eerst lid van de Woningwet is vereist, vallen buiten deze
                        onderzoeksplicht. Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, letter c, van het
                        Besluit indieningsvereisten, waarin staat dat bij een aanvraag om een lichte
                        bouwvergunning de gegevens en bescheiden bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.4
                        van hoofdstuk 1 van de bijlage bij dit besluit moeten worden ingediend. De
                        plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport staat in paragraaf 1.2.5,
                        letter e van hoofdstuk 1 van de bijlage bij genoemd besluit. Derhalve geldt
                        de plicht tot het indienen van een bodemonderzoeksrapport niet voor een
                        aanvraag om een lichte bouwvergunning. De laatstgenoemde categorie komt niet
                        geheel overeen met de categorie meldingplichtige bouwwerken van voor de
                        wetswijziging van 2003. Indien burgemeester en wethouders op andere wijze
                        dan via bedoeld bodemonderzoek ermee bekend zijn dat de grond ernstig
                        verontreinigd is (bijvoorbeeld op basis van eerder verricht bodemonderzoek
                        of historisch onderzoek), kunnen zij ook in geval van een aanvraag om een
                        lichte bouwvergunning van de aanvrager een bodemonderzoeksrapport verlangen. </al><al>In artikel 2.1.5 staat vermeld aan welke eisen het onderzoek naar de
                        gesteldheid van de bodem moet voldoen. Ook is aangegeven dat geen
                        bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend bij
                        regulier-bouwvergunning-plichtig bouwen dat naar aard en omvang gelijk is
                        aan bouwvergunningsvrij of licht-bouwvergunningplichtig bouwen.Voorts worden
                        hieronder bij het vierde aandachtstreepje de omstandigheden omschreven
                        waaronder burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk ontheffing
                        kunnen verlenen van de plicht tot het (doen) verrichten van bodemonderzoek.
                        De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                        bouwvergunning, waartoe het bodemonderzoek behoort, zijn vanaf 1 januari
                        2003 niet langer in de bouwverordening maar in het Besluit
                        indieningsvereisten geregeld. De structuur is als volgt: </al><lijst><li nr="·"><al>De voorprocedure - voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om
                                bouwvergunning - waarbij een gemeentelijke dienst, meestal de
                                milieudienst, een oordeel geeft over de onderzoeksopzet van het
                                onderzoeksrapport is als verplicht onderdeel om te komen tot een
                                aanvraag om bouwvergunning overbodig geworden nu de NEN 5740 deze
                                materie nagenoeg geheel bestrijkt. Ingeval de aanvrager twijfel
                                heeft over de keuze van de onderzoeksopzet staat het hem vrij
                                hierover bij de desbetreffende dienst of afdeling van de gemeente
                                informatie te vragen en een vooroverleg te voeren. In dit
                                vooroverleg kan tevens aan de orde komen de vraag of en zo ja voor
                                welke gegevens ontheffing wordt verleend van het onderzoek naar de
                                bodemgesteldheid. </al></li><li nr="·"><al>Bij de aanvraag om een bouwvergunning voor een bouwwerk waarvoor een
                                reguliere bouwvergunning is vereist, moet een onderzoeksrapport
                                betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus paragraaf
                                1.2.5, letter e van de bijlage behorende bij artikel 4 van het
                                Besluit indieningsvereisten. </al></li><li nr="·"><al>Het onderzoeksrapport bestaat volgens het eerste lid van artikel
                                2.1.5 uit de resultaten van een recent uitgevoerd verkennend
                                onderzoek volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, inclusief
                                correctieblad C1, uitgave 2000 en NEN 5707, uitgave 2003. Voordat
                                een verkennend onderzoek wordt uitgevoerd moet een vooronderzoek
                                volgens NVN 5725, uitgave 1999, worden uitgevoerd ten behoeve van
                                het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele
                                onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de
                                historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht
                                is, verlenen burgemeester en wethouders op grond van het derde lid
                                van artikel 2.1.5 geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht
                                tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf
                                1.2.5 onder e, als hiervoor genoemd. Duidt het vooronderzoek op de
                                aanwezigheid van diffuse of puntbronnen, dan dient daarnaast
                                onderzoek plaats te vinden volgens het gecombineerde protocol uit de
                                Sdu-uitgave Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (oktober 1993,
                                ISBN 90-12-08118-1). Hiermee wordt op een verantwoorde wijze inzicht
                                verkregen in de algemene bodemkwaliteit van het bouwkavel en de
                                aanwezigheid van puntbron(nen) gebonden verontreiniging(en). Wanneer
                                uit het verkennend onderzoek blijkt dat sprake is van
                                bodemverontreiniging, is een nader onderzoek vereist. Hiervoor geldt
                                het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1994, ISBN
                                90-12-09083) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave
                                1995, ISBN 90-12-08232-3). Het beoordelingskader waarmee kan worden
                                voorkomen dat de aanwezigheid van asbest in de bodem op een
                                bouwlocatie over het hoofd wordt gezien is aangevuld met de
                                onderzoeksnorm NEN 5707 (Bodem – Inspectie, Monsterneming en analyse
                                van asbest in bodem). Indien voorafgaand aan een verkennend
                                bodemonderzoek conform NEN 5740 een vooronderzoek volgens NVN 5725
                                wordt uitgevoerd, kan de aanwezigheid van asbest in de bodem worden
                                onderzocht door daaraan een onderzoek volgens NEN 5707 te koppelen.
                                De norm is van toepassing op asbest in bodem en grond met minder dan
                                20% puin. Op de bepaling van asbest in bodem met meer dan 20% puin
                                is NEN 5897, uitgave 2005 ‘Monsterneming van analyse van asbest in
                                onbewerkt bouw- en sloopafval en puingranulaat’ van toepassing.
                            </al></li><li nr="·"><al>Het tijdstip waarop de ontheffing wordt verleend is niet vastgelegd.
                                Dit kan zijn voor de indiening van een verzoek om bouwvergunning of
                                nadat dit verzoek is ingediend. De ontheffing van de
                                onderzoeksplicht houdt niet in dat niet getoetst wordt aan het
                                verbod tot bouwen op verontreinigde bodem. In het kader van de
                                grondpolitiek, de planologie, het bodem- of milieubeleid beschikt de
                                gemeente in voorkomende gevallen al over onderzoeksresultaten. Het
                                criterium voor het verlenen van een ontheffing is dus een eerder
                                onderzoek, dat kwalitatief aan het onderzoeksrapport gelijkwaardige
                                informatie heeft opgeleverd. Is het terrein niet eerder onderzocht,
                                dan vormt het feit dat in de gemeentelijke archieven bruikbare
                                informatie voor een historisch onderzoek te vinden is, uiteraard
                                geen grond voor een ontheffing. Het eerdere onderzoek kan door de
                                gemeente in eigen beheer gebeurd zijn. De situatie waarin de
                                gemeente een terrein bouwrijp heeft opgeleverd en verkocht, leent
                                zich bijvoorbeeld goed voor een ontheffing. Verder kan de aanvrager
                                of een eerdere rechthebbende in een ander verband dan de aanvraag om
                                bouwvergunning onderzoeksgegevens aan de gemeente hebben overgelegd.
                                Voorwaarde bij dit alles is wel dat de bij de gemeente bekende
                                informatie actueel genoeg is. De actualiteitswaarde van de
                                onderzoeksresultaten bedraagt maximaal twee tot vijf jaar,
                                afhankelijk van de aard en mate van de verontreiniging en het
                                bodemgebruik na het uitvoeren van het onderzoek. Overwogen zou
                                kunnen worden om, in verband met de krappe termijnen, deze
                                ontheffingsbevoegdheid van burgemeester en wethouders te mandateren.
                                De ontheffing dient in volgorde vooraf te gaan aan de beoordeling
                                van de compleetheid van de stukken in verband met toepassing van
                                artikel 4:5 juncto 4:15 Awb. In verband met de krappe termijn kan
                                het lastig en wellicht niet goed realiseerbaar zijn om binnen die
                                termijn ook de mogelijkheid van een ontheffing te beoordelen en bij
                                een gunstige uitkomst te verlenen. Daarom is de mogelijkheid en
                                wenselijkheid aangegeven in een vooroverleg de mogelijkheid van
                                ontheffing te bezien en deze zo mogelijk te verlenen voordat de
                                aanvraag wordt ingediend. Dit geeft de aanvrager de meeste zekerheid
                                en behoedt de gemeente voor problemen met de fatale termijnen. </al></li><li nr="·"><al>Indien met inachtneming van een verleende of nog te verlenen
                                ontheffing blijkt dat de ingediende bescheiden onvoldoende zijn en
                                dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een
                                voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager
                                overeenkomstig artikel 47 van de Woningwet in de gelegenheid gesteld
                                de ontbrekende gegevens aan te vullen. </al></li><li nr="·"><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kunnen
                                burgemeester en wethouders in een voorwaarde bij de bouwvergunning
                                bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten
                                worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens
                                wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke
                                gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus het derde lid van
                                artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten. </al></li></lijst><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen
                        in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid
                        zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke
                        grondslagen van de wet. Nadrukkelijk wordt in de Memorie van toelichting bij
                        de wetswijziging vermeld dat de schade voor het milieu, gelet op de
                        uitgangspunten van de Woningwet, geen motief kan zijn voor de voorschriften
                        in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming
                        waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens,
                        plant en dier centraal staat. Bouwwerken bestemd voor het verblijf van
                        mensen Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of
                        nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van
                        toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan
                        van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader
                        omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige
                        tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te
                        geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een
                        verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een
                        enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een
                        langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde
                        mensen in het gebouw. Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen,
                        voor het telen of kweken van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen
                        ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen
                        voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting
                        genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel
                        eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het
                        algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt
                        die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het
                        verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK,
                        1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van kamervragen verder
                        opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een
                        logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend
                        verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of
                        garage bij een woning. Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet
                        gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op
                        een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                        vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering
                        of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden
                        gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek
                        worden geëist. Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                        bodemverontreiniging De systematiek van de Woningwet gaat er van uit dat
                        burgemeester en wethouders het bevoegde gezag zijn voor de vraag of bij
                        niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan
                        niet onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Indien
                        sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn gedeputeerde
                        staten of burgemeester en wethouders van de vier grote steden volgens de Wet
                        bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                        saneringsmaatregelen. Afstemming met Wet bodembescherming Met de wijziging
                        van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond is
                        voorzien in een afstemmingsregeling tussen de bouwvergunningsprocedure en de
                        saneringsprocedure uit de Wet bodembescherming. Op grond van artikel 52A van
                        de Woningwet geldt er een aanhoudingsverplichting voor aanvragen om
                        bouwvergunning indien uit het overgelegde bodemonderzoek blijkt dat de grond
                        ter plaatse in zodanige mate is verontreinigd dat overeenkomstig de Wet
                        bodembescherming sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Deze
                        aanhoudingsplicht geldt ook als bij burgemeester en wethouders uit anderen
                        hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat de grond waarop gebouwd wordt in
                        ernstige mate is verontreinigd. In deze gevallen zal het gaan om
                        bouwaanvragen waarbij geen bodemonderzoek behoefde te worden overgelegd,
                        bijvoorbeeld omdat het bouwwerk niet bestemd is voor het verblijf van
                        mensen. Deze aanhoudingsplicht duurt ingevolge het derde lid van artikel 52A
                        totdat het krachtens de Wet bodembescherming bevoegde gezag het
                        saneringsplan heeft goedgekeurd. Ook eindigt de aanhoudingsplicht indien het
                        bevoegde gezag heeft vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval
                        van verontreiniging. Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk Indien noch
                        uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden
                        gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                        voor de bouwvergunning geen aanhoudingsverplichting en moeten burgemeester
                        en wethouders beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                        een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake
                        kan zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor
                        de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel burgemeester en
                        wethouders de bouwvergunning in deze gevallen formeel kunnen weigeren, zal
                        echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende
                        voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de
                        toelichting onder artikel 2.4.2 van de Model-bouwverordening. Voor gevallen
                        met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting
                        totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een
                        saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is goedgekeurd
                        dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze
                        gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                        voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op
                        grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                        getroffen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</titel></kop><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van
                        burgemeester en wethouders toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                        verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte
                        termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op
                        welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. In dit soort
                        niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is,
                        niet te leiden tot weigering van de bouwvergunning. In de voorwaarden van de
                        bouwvergunning kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd
                        moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als
                        saneringsvoorwaarden valt te denken aan: </al><lijst><li nr="·"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                                laag wordt aangebracht; </al></li><li nr="·"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                                afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; </al></li><li nr="·"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het
                                grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de
                                totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden. </al></li></lijst><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                        verantwoordelijkheid van de aanvrager om bouwvergunning is. Het kan in het
                        belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om
                        bouwvergunning voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft
                        hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. Ook bouwaanvragen waarbij
                        sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van
                        dit artikel worden afgedaan. Nadat het op grond van de Wet bodembescherming
                        bevoegde gezag het saneringsplan heeft goedgekeurd en de aanhoudingsplicht
                        op grond van artikel 52A van de Woningwet is beëindigd, kan de
                        bouwvergunning worden verleend onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de
                        aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde
                        saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan Artikel 9 van de
                        Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze paragraaf van de
                        MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden is, of indien
                        het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare voorschriften van
                        stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een slechts ten dele
                        goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                        bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                        moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn
                        ten opzichte van de Model-bouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel
                        enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende
                        bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan.
                        De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor
                        wat dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet
                        altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander
                        van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de
                        orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen (inclusief de ontheffingen
                        hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan aan. Alvorens in een
                        concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening wordt
                        geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd: </al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een
                                onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt
                                het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden
                                gesteld of, </al></li><li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                                aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                                gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord
                                op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,
                            </al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                                voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                                werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                                gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of
                                nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient
                                aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van
                                artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen. </al></li></lijst><al>Het is niet mogelijk de eventuele strijdigheid met een bepaling uit een
                        bestemmingsplan op te heffen met een ontheffing uit de bouwverordening. Deze
                        laatste zien immers alleen op de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV.
                        Bewust is gekozen niet de termijn van tien jaar ex artikel 33 WRO te
                        introduceren in de bouwverordening aangezien het hier slechts gaat om een
                        minimale planologische regeling die niet aan tijdsveranderende
                        beleidsinzichten onderhevig is. Tevens is het van belang dat er sprake
                        blijft van continuiteit van de stedenbouwkundige eisen in de
                        (model)bouwverordening sinds 1965. De voorschriften van stedenbouwkundige
                        aard zijn afgeleid van de stedenbouwkundige voorschriften van de oude MBV.
                        Deze oude voorschriften zijn geactualiseerd, op onderdelen worden gemeenten
                        alternatieven geboden. Belangrijke aandachtspunten bij de stedenbouwkundige
                        voorschriften zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>De voorrangsregel tussen bestemmingsplan en bouwverordening; zie
                                artikel 9 van de Woningwet. Voor gebieden waarvoor een
                                bestemmingsplan van kracht is, moet worden aangenomen, dat de
                                stedenbouwkundige voorschriften slechts rechtskracht hebben, voor
                                zover het bestemmingsplan daardoor niet geheel of ten dele van zijn
                                kracht beroofd wordt.Het tweede lid van artikel 9 van de Woningwet
                                heeft ten opzichte van het oude artikel 2 van de Woningwet 1962 wel
                                een verduidelijking ondergaan. De voorschriften van de
                                bouwverordening treden alleen terug, als het bestemmingsplan over
                                hetzelfde onderwerp uitdrukkelijk voorschriften bevat of als het
                                bestemmingsplan uitdrukkelijk bepaalt, dat de voorschriften van de
                                bouwverordening terugtreden.Uit jurisprudentie blijkt dat onder
                                bepaalde voorwaarden de conflictregel uit artikel 9 van de Woningwet
                                zodanig kan worden toegepast dat ook een toekomstig bestemmingsplan
                                de bepalingen van de bouwverordening opzij kan zetten. Indien met
                                toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                                geanticipeerd wordt op een nog niet van kracht geworden
                                bestemmingsplan, waardoor dit toekomstige plan in de plaats treedt
                                van het van kracht zijnde bestemmingsplan, dan kan in het verlengde
                                daarvan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan op de voorgrond
                                treden bij de toepassing van de conflictregel. In deze hoedanigheid
                                kan het toekomstige bestemmingsplan bepalingen uit de
                                bouwverordening terzijde schuiven.Een eerste vereiste hiervoor is
                                dat er sprake is van een ontwerpbestemmingsplan dat reeds een
                                voldoende concreet toetsingskader biedt en waarvan redelijkerwijs te
                                verwachten is dat het onherroepelijk zal worden.Een tweede vereiste
                                is dat met de toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke
                                Ordening op dit plan geanticipeerd wordt. Alvorens de
                                vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de
                                Ruimtelijke Ordening te kunnen starten dient beoordeeld te worden of
                                het bouwplan past binnen het ontwerpbestemmingsplan. Bij die toets
                                moet ook bezien worden of het toekomstige bestemmingsplan strijdig
                                is met de bouwverordening, waarbij de conflictregel wederom aan de
                                orde komt. Als onder deze omstandigheden blijkt dat de
                                bouwverordening voorschriften geeft die niet overeenstemmen met het
                                toekomstige bestemmingsplan, dan blijven deze voorschriften bij de
                                toetsing van het concrete bouwplan buiten toepassing.Voor gebieden
                                waar geen bestemmingsplan geldt en waar dus een anticipatie op voet
                                van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet aan de
                                orde is, biedt artikel 2.5.29 van de MBV de mogelijkheid om
                                vrijstelling te verlenen van de verboden tot bouwen met
                                overschrijding van de voor- en achtergevelrooilijn en van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, mits het
                                bouwplan past in het toekomstige bestemmingsplan. Ook hier geldt
                                daarbij de eis dat dit bestemmingsplan het stadium van 'intern
                                praatstuk' is gepasseerd, hetgeen in het betreffende artikel nader
                                is geconcretiseerd.(Zie ABRS, 11 mei 1995, BR 1995, blz. 671, Gst.
                                7022, 9, m.nt. De Gier. Zie tevens ARRS, 18 september 1986, AB
                                1987,135). </al></li><li nr="·"><al>De tweedeling in (licht-)bouwvergunningplichtig en vrij bouwen. De
                                stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing op het
                                bouwvergunningplichtig bouwen. Hierbij mag echter niet over het
                                hoofd worden gezien dat bouwwerken aan, bij of op monumenten en in
                                van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten altijd
                                bouwvergunningplichtig zijn. De stedenbouwkundige voorschriften zijn
                                aangepast aan artikel 43 van de Woningwet en het Besluit bouwwerken
                            </al></li><li nr="·"><al>Het parkeren. Aan het slot van de stedenbouwkundige eisen bevat de
                                MBV parkeerartikelen. Het in de bouwverordening opnemen van
                                parkeerartikelen is mede noodzakelijk omdat het Bouwbesluit
                                vooralsnog geen regeling ter zake zal bevatten. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al>Van verschillende bepalingen uit de artikelenreeks 2.5.1 t/m 2.5.29 is
                        ontheffing mogelijk, ten gevolge waarvan de belangen van omwonenden
                        beïnvloed worden. Tot en met de achtste serie wijzigingen MBV gaf artikel
                        2.5.1 een begrenzing van die ontheffingsbevoegdheden, ten einde het gevaar
                        voor een onredelijke benadeling van belangen van de omwonenden tegen te
                        gaan. Deze bepaling hield in dat </al><lijst><li nr="a."><al>een bouwwerk niet zodanige afmetingen of een zodanige ligging mocht
                                krijgen dat tot een bestaand deel ervan of een ander bouwwerk niet
                                meer voldoende licht en lucht zou kunnen toetreden, dan wel dat de
                                goede werking van schoorstenen en ventilatiekanalen zou worden
                                belemmerd. </al></li><li nr="b."><al>bij de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning moest worden
                                aangenomen dat alle om het bouwterrein liggende terreinen zijn
                                bebouwd tot de hoogte en de oppervlakte die ten hoogste zonder
                                vrijstelling of ontheffing mogelijk zijn krachtens bestemmingsplan,
                                de bouwverordening of enige andere verordening. </al></li><li nr="c."><al>Bij overschrijding van een of meer van de onder b bedoelde maxima
                                door een bestaand bouwwerk in afwijking van het gestelde onder b
                                moest worden uitgegaan van de werkelijke afmetingen van dat
                                bouwwerk. </al></li></lijst><al>Dit hoefde er evenwel niet altijd toe te leiden dat nieuwbouw die de hier
                        bedoelde hinder voor een naburig bestaand gebouw zou veroorzaken, niet
                        gerealiseerd kon worden. De opdrachtgever van de nieuwbouw kan immers met de
                        eigenaar van het bestaande gebouw overeenkomen dat op kosten van
                        eerstgenoemde de nodige veranderingen aan het bestaande pand worden
                        aangebracht (bijvoorbeeld grotere of andere ramen, mechanische gasafvoer
                        e.d.). Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dualisering
                        gemeentebestuur heeft de gemeenteraad sinds 7 maart 2002 niet meer de
                        bevoegdheid om op grond van artikel 148 Gemeentewet bij verordening
                        beleidsregels (i.c. richtlijnen) vast te stellen, waarmee andere
                        bestuursorganen van de gemeente (i.c. B&amp;W) rekening dienen te houden bij
                        de uitoefening van bij of krachtens de wet verleende bevoegdheden. Het
                        belang van begrenzing van ontheffingsbevoegdheden in de artikelenreeks 2.5.2
                        tot en met 2.5.29 MBV blijft echter ook na 7 maart 2002 onverkort aanwezig.
                        Titel 4.3 Awb omvat een algemene bevoegdheid voor bestuursorganen om voor
                        eigen bevoegdheden beleidsregels vast te stellen. De inhoud van het
                        vervallen artikel 2.5.1 MBV kan aldus als beleidsregel bij besluit van
                        burgemeester en wethouders opnieuw worden vastgesteld en bekendgemaakt. Een
                        andere oplossing zou kunnen zijn dat de gemeenteraad bijvoorbeeld in een
                        beleidsnota de kaders aangeeft, waarbinnen het college van b&amp;w zijn
                        bevoegdheid dient uit te oefenen. Zo'n beïnvloeding van het collegebeleid
                        kan echter alleen in politieke zin gehandhaafd worden! </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan
                        wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is
                        geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag
                        voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze
                        bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</titel></kop><al>Lid 1 </al><al>Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf
                        van mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet
                        alleen gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen
                        gebouw zijnde, zoals de tribunes van sportvelden. Indien de maat in het
                        eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt bepaald, dan
                        correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan - ingevolge het
                        Postbesluit dat op de Postwet 1954 berust - een brievenbus aan het tuinhek
                        moet worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn. buitenbus.
                        De maat van 10 meter verdient uit een oogpunt van brandbestrijding eveneens
                        de voorkeur, omdat anders de lengte van de blusslangen te groot wordt.
                        Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de
                        zin van het eerste lid, moet de bouwvergunning worden geweigerd. Eventueel
                        kan de bouwvergunning worden verleend met de voorwaarde dat met bouwen pas
                        mag worden begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die aan de eisen
                        voldoet, voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat de
                        aanvrager van de bouwvergunning eerst moet zorgen dat hij beschikt over een
                        toestemming tot aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op
                        het wegennet. Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor
                        het aanleggen van wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model
                        voor de algemene plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een
                        privaatrechtelijke toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke
                        toestemming tot uitwegen is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet - niet
                        nodig voor het aansluiten, c.q. uitwegen op openbare wegen. Lid 2 Ten
                        gevolge van de wijziging van het onderhavige lid die in het kader van de
                        achtste serie wijzigingen van de Model-bouwverordening 1992 (d.d. najaar
                        2002) is doorgevoerd, is de gepubliceerde jurisprudentie van voordien niet
                        meer toepasselijk (ABRS 25 januari 2001, Bouwrecht 2001, 508; verbindingsweg
                        Boxmeer). De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op
                        het gebruik door gangbare vrachtauto's, zoals verhuisauto's, vuilnisauto's,
                        brandweerauto's e.d., zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De
                        eis voor het draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een
                        sloot of iets dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde
                        gangbare vrachtauto's. </al><al> Lid 4 Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te
                        worden aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke
                        opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de
                        plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt. Lid
                        5 Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een: </al><lijst><li nr="a."><al>aansluiting op het distributienet van de drinkwaterleiding; </al></li><li nr="b."><al>aansluiting op een leidingnet voor water, geen drinkwater zijnde;
                            </al></li><li nr="c."><al>speciaal gegraven blusvijver; </al></li><li nr="d."><al>ander oppervlaktewater; </al></li><li nr="e."><al>waterput of bron. </al></li></lijst><al> Lid 6 De onderhavige ontheffing kan worden verleend voor gebouwen die door
                        hun aard, ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus ook geen
                        opstelplaats voor blusvoertuigen behoeven te hebben. Voorbeelden:
                        recreatiewoonverblijven die aan het water liggen en over een aanlegsteiger
                        beschikken, bergplaatsen voor materialen bij waterstaatwerken, vrijstaande
                        boerenschuren, schuilhutten e.d. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</titel></kop><al>Om een snelle inzet met een zo beperkt mogelijke schade te waarborgen, moet
                        de brandweer een gebouw op een eenvoudige wijze kunnen betreden. Dit is
                        vooral van belang als het gebouw is voorzien van een
                        brandbeveiligingsinstallatie die is voorzien van automatische doormelding
                        naar de alarmcentrale van de regionale brandweer. Wanneer een gebouw
                        meerdere toegangen heeft, dient in overleg met de brandweer de
                        brandweeringang aangewezen te worden. Naast de primaire toegankelijkheid van
                        het gebouw, is het noodzakelijk dat de brandweer kan beschikken over
                        sleutels van ruimten in het gebouw die normaal zijn afgesloten. De werking
                        van de brandweeringang dient te allen tijde gegarandeerd te zijn. Hiervoor
                        dient de brandweeringang te voldoen aan het gestelde in de publicatie
                        ‘Brandbeveiligingsinstallaties’van de Nederlandse Vereniging voor
                        Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem,
                        telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl . </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het
                        Bouwbesluit die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor
                        al dan niet gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld,
                        wanneer de eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet
                        beschikken. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin
                        de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                        gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                        voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan
                        verdient het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren: b
                        langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                        is en waarlangs mag worden gebouwd: </al><lijst><li nr="·"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                                afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg; </al></li><li nr="·"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                                bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; </al></li><li nr="·"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                        behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te
                        voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn opgenomen. Het onderhavige verbod geldt niet voor
                        bouwvergunningvrije bouwwerken. Het geldt dus wel voor
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, althans voorzover in het Besluit
                        bouwwerken niet anders is bepaald, en voor bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken. Indien een bouwvergunningvrij bouwwerk wordt gebouwd in, op, aan
                        of bij een monument, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, of een monument,
                        als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, dan
                        wel in een beschermd stads- of dorpsgezicht, als bedoeld in de Monumentenwet
                        1988, dan is een dergelijk bouwwerk bij wijze van uitzondering
                        licht-bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het
                        Besluit bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.8, eerste lid, onder g. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</titel></kop><al/><al>Artikel 2.5.7 houdt rekening met artikel 3 van het Besluit bouwwerken. Door
                        de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                        mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige
                        werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal-
                        benadering' zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit
                        betekent dat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is als het
                        onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend) licht-, dan wel
                        regulier-vergunningplichtig bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt echter
                        niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                        onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningv</al><al>rij zou zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar
                        zonder dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt aangetast
                        (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat bij een eenmaal
                        gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht
                        kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
                        Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om bouwvergunning is
                        het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn
                        hierop van toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van belang zijnde
                        beperking, die artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken
                        kent betreft een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen
                        van veranderingen van niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn van een
                        uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk,
                        waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen,
                        blijft dus bouwvergunningplichtig. Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die
                        bij deze Toelichting behoort. De bedoelde figuren illustreren dat in het
                        algemeen als veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel
                        3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken kunnen worden beschouwd: </al><lijst><li nr="1."><al>uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters
                                en gevellijsten, plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en
                                hemelwaterafvoeren; </al></li><li nr="2."><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten,
                                dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien
                                uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden
                                dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zullen burgemeester en
                                wethouders dus in het algemeen overwegen daartegen repressief op te
                                treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het
                                gebied van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen,
                                maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening
                                van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om onderdeel
                                a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                                punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de
                                woorden ', te weten:'. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel
                        2.5.29 nog de mogelijkheid van vrijstelling voor het geval, dat er een
                        bestemmingsplan in voorbereiding is. Artikel 2.5.8 is afgestemd op de
                        artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken. De vermelding de artikelen 2 en
                        3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.8 is vooral van belang om het
                        misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die
                        als vrij bouwen genoemd zijn in de artikelen 2 en 3 van het Besluit
                        bouwwerken, uit te sluiten. Lid 1, ad b Deze bepaling maakt het mogelijk om
                        ontheffing te verlenen voor op het eigen voorterrein plaatsen van
                        beeldhouwwerk, vitrines e.d. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</titel></kop><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                        vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.9 is
                        vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis
                        zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het
                        Besluit bouwwerken, uit te sluiten. Zie voor het bouwen over de weg
                        overigens artikel 2.5.8. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><al>Lid 4, onder a Onder deze vrijstelling kunnen bij voorbeeld complexen van
                        bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen
                        vallen. Lid 4, onder f Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages,
                        terugliggende zolderverdiepingen e.d. Lid 4, onder g Deze vrijstelling kan
                        in het algemeen worden verleend voor gebouwen, die een ruim voorterrein
                        vragen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage. Lid
                        1, onder a Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken
                        tot achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die
                        elkaar dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat
                        artikel 2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                        behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te
                        voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn opgenomen. Het geheel achter de achtergevelrooilijn
                        bouwen moet overigens opgevat worden als een - verboden - overschrijding van
                        de achtergevelrooilijn. Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd
                        monument of in een van rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn
                        normaliter bouwvergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering
                        bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit
                        bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op het Besluit bouwwerken. De redenering is dat
                        bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk
                        aangebracht kunnen worden als bouwvergunningvrij met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag
                        om bouwvergunning, is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van
                        de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. Twee punten zijn
                        van belang: </al><lijst><li nr="·"><al>De voor dit artikel van belang zijnde beperking die artikel 3,
                                eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken kent, betreft een
                                uitbreiding van de bebouwde oppervlakte. Bij het aanbrengen van
                                veranderingen van niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn van
                                een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte. </al></li><li nr="·"><al>Wat betreft de aan- en uitbouwen die bouwvergunningplichtig zijn, is
                                het wel mogelijk dat het bestemmingsplan een regulerende werking
                                heeft. In dat geval hebben de stedenbouwkundige voorschriften van de
                                bouwverordening geen betekenis. Voorzover het bestemmingsplan de
                                aan- en uitbouwen verbiedt, is vrijstelling mogelijk op grond van
                                artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. </al></li></lijst><al>Onder d worden veranderingen van niet-ingrijpende aard genoemd, als bedoeld
                        in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken. Als zodanig
                        kunnen in het algemeen worden beschouwd: </al><lijst><li nr="1."><al>uitsteeksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil mits zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters
                                en gevellijsten, plinten, enigszins uitspringende schoorsteenwanden
                                en hemelwaterafvoeren; </al></li><li nr="2."><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil, mits zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten,
                                dakoverstekken, dakgoten en kleine afdaken. </al></li></lijst><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent
                        artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van ontheffing ingeval van voorbereiding
                        van nieuw ruimtelijk beleid. Artikel 2.5.14 is afgestemd op het Besluit
                        bouwwerken. De vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand
                        dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die
                        bouwvergunningvrij zijn, uit te sluiten. Zie de term
                        'bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde' onder h. Bij het
                        verlenen van ontheffing ingevolge de bepalingen van dit artikel dienen de
                        richtlijnen van de artikelen 2.5.1 en 2.5.2 in het bijzonder in acht te
                        worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht
                        aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.
                        Artikel 2.5.14 is overigens afgeleid van artikel 48, eerste lid, van de MBV
                        1965. Ad a en g Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden
                        gekomen aan op bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de
                        onder g bedoelde bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of
                        industrieterrein omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok)
                        met winkelbebouwing. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                        'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit. Naleving van het onderhavige
                        voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen aan het bepaalde in
                        artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                        burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                        minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht. Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen
                        is tevens het motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het
                        (gedeeltelijk) samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor
                        immers een beletsel. </al><al> Lid 3 b, onder 1 Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.
                        Lid 3 b, onder 2 Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich
                        voordoet en er dus open ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet
                        bij het gebouw behoort en het gebouw overigens over voldoende 'uitloop'
                        beschikt, zou ontheffing van de voorgeschreven erfgrootte kunnen worden
                        verleend. Lid 3 b, onder 3 Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is
                        van een betering van de bestaande toestand zal een verkleining van het erf
                        tot geringere oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts
                        aanvaardbaar zijn ten behoeve van het opheffen van onbevredigende situaties
                        in het gebouw waarvoor binnen het gebouw geen oplossing kan worden gevonden.
                        In die gevallen zal een verbetering van het gebouw tegen een verslechtering
                        van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht
                        moeten worden geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de
                        vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.
                    </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</titel></kop><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                        bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                        laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven
                        als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht. Lid 2, onder a en b Bij het verlenen van ontheffing zal
                        onder meer rekening moeten worden gehouden met de ligging in het gebouw van
                        eventuele dienstwoningen. Bij het hanteren van de ontheffing dient bovendien
                        onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen, waarin het gaat om een
                        bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen en een bouwblok
                        waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien
                        de laatste omstandigheid zich voordoet zal de ontheffing minder ver mogen
                        gaan dan in het andere geval. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open
                        ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze
                        aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel
                        worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een
                        tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. De ontheffing kan
                        worden verleend, indien de smalle open ruimte voldoende, bij voorbeeld door
                        een opening in de zijgevel van het gebouw, voor onderhoud bereikbaar is. Bij
                        het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid zal uiteraard
                        ook gelet moeten worden op het bepaalde in artikel 2.5.1. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het
                        recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele
                        beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde
                        voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een
                        erfafscheiding is in principe een bouwvergunningvrij bouwwerk op grond van
                        artikel 2, onder e, van het Besluit bouwvergunningvrije en
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, althans indien de daarin vermelde
                        beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden
                        genomen. Hogere erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de
                        bouwvergunningplicht en behoeven derhalve preventieve toetsing aan de
                        voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de
                        bouwverordening. Eventueel kunnen burgemeester en wethouders op grond van
                        het tweede lid van laatstgenoemd artikel ontheffing verlenen voor het bouwen
                        van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein
                        dat geen erf, behorend bij een gebouw, is. Zie artikel 2.76 van het
                        Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van beweegbare delen van erf-
                        en terreinafscheidingen. </al></divisie><divisie><kop><titel> Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen</titel></kop><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het bouwvergunningplichtige
                        bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede
                        lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse
                        hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas,
                        olie, chemische producten e.d. Het gehele artikel heeft alleen betrekking op
                        hoogspanningslijnen en hoofdtransportleidingen die bij het aanvragen van een
                        bouwvergunning aanwezig zijn. Het geldt ook voor het bouwen in het gebied
                        van een bestemmingsplan, zolang de voorschriften van dat bestemmingsplan dit
                        niet uitsluiten of een andere regeling ter zake bevatten; zie artikel 9 van
                        de Woningwet 1991. Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen
                        bepalen, in hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse
                        hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is
                        het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan eventueel ontheffing kan
                        worden verleend. De aan een ontheffing te verbinden voorwaarden zullen in
                        het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van het
                        bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                        lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                        bouwwerk. Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het
                        aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn
                        of de hoofdtransportleiding. Krachtens overeenkomst met de NV Nederlandse
                        Gasunie zal de gemeente van derden in elk geval het plegen van dergelijk
                        overleg verlangen, indien bij een hoofdtransportleiding voor aardgas wordt
                        gebouwd. Voor hoogspanningsleidingen zal het onderhavige voorschrift geen
                        praktische betekenis hebben, indien op het betrokken perceel een recht van
                        opstal is gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                        Belemmeringenwet Privaatrecht. In dat geval heeft het recht van opstal niet
                        alleen betrekking op bouwvergunningplichtige bouwwerken, maar ook op
                        bouwvergunningvrije. Meestal betreft het dan vrij te houden stroken van 2 x
                        30 meter, waarin echter onder voorwaarden wel de plaatsing van bepaalde
                        bouwwerken, machines e.d. is toegestaan. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Alternatief 1 </al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                        voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                        afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                        aangegeven, dat het stelsel alleen voor bouwvergunningplichtige bouwwerken
                        is bedoeld. Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige
                        ordening, maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en
                        lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de
                        daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de
                        maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het
                        voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van eventuele
                        raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken voor de
                        daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                        glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels
                        beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in
                        een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de
                        onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de
                        tegenoverliggende bebouwing.) Met het oog op de in het algemeen wenselijke
                        stedenbouwkundige ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden
                        voor enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en
                        anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren
                        12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende bijlage. Een
                        voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                        vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal
                        een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende
                        invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle
                        gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke
                        onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de
                        uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16). Alternatief 2 Dit
                        en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                        voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                        tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                        stelsel alleen voor bouwvergunningplichtige bouwwerken is bedoeld. Het
                        stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                        voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste
                        fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is
                        dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in
                        de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste
                        meter boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                        aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing
                        gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst
                        leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte
                        bevinden. (De belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te
                        defini'ren als de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw
                        en de bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.) Met het oog op de in
                        het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel gedifferentieerd
                        naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek:
                        maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37
                        graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende
                        bijlage. Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de
                        onderhavige bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale
                        bestemmingsplannen zonder uitwerkingsverplichting is - in afwijking van de
                        Model-bouwverordening 1965 - in een verdere differentiatie voor de bebouwde
                        kom voorzien, zodat bij voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen
                        grootstedelijke binnenstadsgebieden (belemmeringshoek: 60 graden) en de
                        overige delen van de bebouwde kom. Zie figuur 14. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20. Alternatief 1 Lid 2 De wijze van
                        vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                        achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                        evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de
                        voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                        achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen
                        terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                        bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt. De langs de
                        andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                        ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18). Lid 4 Bij
                        achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                        - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het
                        verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                        voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                        binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                        krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten
                        opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                        genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen. Alternatief 2 Lid
                        2 De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                        achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                        evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de
                        voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                        achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen
                        terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                        bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt. De langs de
                        andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                        ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18). Lid 4 Bij
                        achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                        - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het
                        verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                        voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                        binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                        krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten
                        opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                        genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                            achtergevelrooilijn</titel></kop><al>De voorschrifttekst van het eerste lid is verduidelijkt, vergeleken met die
                        van het eerste lid van artikel 55 van de MBV 1965, maar de strekking is
                        onveranderd gebleven. Zie figuur 19. Lid 2 Indien uit het bepaalde in het
                        eerste lid voor een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn een lagere
                        hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel aansluitende - voorgevel
                        toelaatbaar is dan kan het in overigens verlichtingstechnisch gunstige
                        omstandigheden verantwoord zijn om ontheffing te verlenen voor het laten
                        optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</titel></kop><al>Alternatief 1 Lid 2 De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met
                        de hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.
                        Alternatief 2 Lid 2 De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met
                        de hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><al/><al> Alternatief 1 De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de
                        woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.
                        Alternatief 2 De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de
                        belemmeringhoek van 60 graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de
                        hoogte-diepteverhouding van 1,7, genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.
                        Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De
                        maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag. Indien wordt
                        gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van rijkswege beschermd
                        stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter bouwvergunningvrije bouwwerken bij
                        wijze van uitzondering wel bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen
                        4, 5 en 6 van het Besluit bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.
                    </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</titel></kop><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                        binnenterreinen van gesloten bouwblokken. Een zadeldak is een dak, bestaande
                        uit twee schuine vlakken die elkaar in het hoogste punt snijden, de zgn.
                        nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun goot. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</titel></kop><al>Ad a Artikel 2.5.27 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                        redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                        aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met
                        overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                        uitmaken van de aanvraag om bouwvergunning is het niet logisch om het verbod
                        tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten
                        zijn. Ad b Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te
                        vernieuwen of te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de
                        vergroting van een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk
                        zijn de artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, zij het
                        behoudens vrijstelling ingevolge artikel 2.5.28, onder e. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</titel></kop><al>Artikel 2.5.28 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                        vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.28 is
                        vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis
                        zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het
                        Besluit bouwwerken, uit te sluiten. Bij het verlenen van ontheffingen dient
                        bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikelen 2.5.1
                        en 2.5.2. Ook kunnen welstandsoverwegingen worden betrokken bij het
                        beoordelen van verzoeken om ontheffing. Ad e, onder 1 Deze ontheffing zou
                        kunnen worden verleend, indien het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                        bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is
                        dan thans is toegelaten. Door de ontheffing kan dan een gaaf straatbeeld
                        worden verkregen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en
                            van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                            ruimtelijk beleid</titel></kop><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in zijn relatie met de overige stedenbouwkundige
                        ontheffingen uit de MBV, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de
                        buitenplanse vrijstellingsregelingen van artikel 17 en 19 WRO en anderzijds
                        de binnenplanse (d.w.z. opgenomen in het bestemmingsplan zelf)
                        vrijstellingen ex artikel 15 WRO. Als gevolg van de inwerkingtreding van de
                        nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb
                        per 1 juli 2005 is het niet meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn
                        voor de terinzagelegging en het naar voren brengen van zienswijzen van 6
                        weken te bekorten. Artikel 2.5.29 is dan te beschouwen als de 'buitenplanse'
                        ontheffing. Zie ook algemene toelichting bij paragraaf 2.5. Op 3 april 2000
                        is de gewijzigde WRO in werking getreden. Dit betekende de invoering van een
                        (deels) zelfstandige projectenprocedure (artikel 19, lid 1 WRO), de
                        aangewezen projectenprocedure (artikel 19, lid 2 WRO) en de algemene
                        vrijstellingsregeling (artikel 19, lid 3 WRO juncto artikel 20 Bro). De
                        laatste twee vrijstellingsregelingen kennen in beginsel geen preventief
                        provinciaal toezicht meer (verklaring van geen bezwaar). Deze relatie tussen
                        2.5.29 MBV en de nieuwe formulering (3/4/2000) van artikel 17 en 19 WRO
                        leidt tot een nieuwe opzet van artikel 2.5.29 MBV. De regeling in de
                        artikelen 17, 18, 19 en 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in
                        combinatie met artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening hebben
                        model gestaan voor de aanpassing van dit artikel. Geconcludeerd werd dat de
                        reikwijdte van artikel 2.5.29 MBV grote overeenstemming vertoont met artikel
                        20 Bro. Laatstgenoemd artikel geeft aan welke initiatieven (bouwen en
                        gebruiken) in strijd met het bestemmingsplan met een eenvoudige vrijstelling
                        van burgemeester en wethouders afgedaan kunnen worden. Dit betreft met name
                        in de bebouwde kom substantiële vergrotingen van de algemeen toegestane
                        bouwvolumina, verdergaand dan waarvoor op grond van onder meer de artikelen
                        2.5.14 MBV en 2.5.28 MBV ontheffing kan worden verleend (het gaat meestal
                        niet om uitbreidingen van bestaande gebouwen, maar om nieuwe gebouwen die
                        niet tussen de rooilijnen of onder de maximumbouwhoogte passen). Artikel
                        2.5.29 MBV maakt het mogelijk soortgelijke projecten te realiseren in
                        afwijking van de stedenbouwkundige bepalingen van de MBV. Provinciaal
                        toezicht is in beide situaties niet aan de orde. Het betreft immers in vele
                        gevallen de bebouwde kom of het aanvullen van door Gedeputeerde Staten
                        goedgekeurde bestemmingsplannen. Vandaar dat er ook geen verplichte relatie
                        wordt gelegd met het zogenaamde artikel 10 Bro-overleg. Gegeven deze
                        gelijkenis ligt het voor de hand de ontheffing van artikel 2.5.29 MBV een
                        nagenoeg gelijke procedure toe te kennen als in artikel 19, lid 3 WRO en in
                        artikel 18 WRO. </al><al>Lid 1 De verordeningstekst van het eerste lid bleef bij de achtste serie
                        wijzigingen (d.d. per 1 januari 2003) grotendeels gelijkluidend aan de
                        desbetreffende tekst die van 1983 tot 2001 vigeerde. De woorden 'voor het
                        bouwen in een gebied waarvoor geen bestemmingsplan geldt' zijn vervallen,
                        omdat niet slechts in het geval dat er geen bestemmingsplan geldt gebruik
                        gemaakt kan worden van artikel 2.5.29 MBV, doch ook indien er een slechts
                        ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                        bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken is; zie ook
                        de Algemene toelichting bij paragraaf 5 van de MBV onder 'Relatie
                        stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan'. </al><al>Lid 2</al><al>De in lid 1, sub a en b van het voorheen geldende artikel 2.5.29 (tot 1
                        januari 2003) genoemde relatie met het voorbereidingsbesluit en
                        ontwerpbestemmingsplan zijn komen te vervallen nu per 3 april 2000 bij
                        ruimtelijke vrijstellingen de rechtstreekse relatie met een nieuw
                        bestemmingsplan is komen te vervallen. Het gaat nu over het ruimere begrip
                        en toetsingskader 'kenbaar planologisch (nieuw) beleid'. Sub a en b:
                        doorverwijzing naar artikel 19, lid 2 WRO alsmede naar artikel 20 Bro.Het
                        gedachtegoed uit de algemene toelichting bij dit artikel komt hier in
                        wettekst tot uitdrukking. Sub c: Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal
                        relevant?Op grond van oude Arob-jurisprudentie, zoals ARRS 3 augustus 1982,
                        Gst. 6740, BR 1982, p. 887; ARRS 15 oktober 1982, BR 1983, p. 135; Vz. ARRS
                        26 januari 1984, Gst. 6793.3; Vz ARRS 15 juni 1984, Gst. 6793.4 en Vz. ARRS
                        2 augustus 1985, BR 1985, p. 114 op basis van de Woningwet 1962, volgde dat
                        een in de bouwverordening opgenomen ontheffingsregeling 'een objectief
                        bepaald, althans bepaalbaar, criterium biedt (moet bieden) omtrent datgene
                        waartoe de ontheffing kan strekken. Dit betekent dat de mogelijkheid tot
                        verlening van ontheffing in relatie moet zijn gebracht met een redelijke
                        verwachting dat het bouwplan in overeenstemming zal zijn met 'een voldoende
                        omlijnd, voor alle belanghebbenden kenbaar, toekomstig planologisch kader.'
                        De ARRS heeft de eisen later wat afgezwakt, waarbij zij zo'n
                        'pseudo-anticipatieregeling' in de bouwverordening niet als onverbindend
                        aanmerkte waarin voor het kunnen verlenen van ontheffingen slechts als eisen
                        waren opgenomen dat belanghebbenden vooraf waren gehoord en dat de GS een
                        verklaring van geen bezwaar hadden verleend. Zie ARRS 8 oktober 1985, AB
                        1986, 501 en ARRS 11 mei 1995, AB 1996. De afdeling is er in ieder geval
                        steeds van uitgegaan dat het materiële toetsingskader vergelijkbaar moet
                        zijn met het toetsingskader dat wordt gehanteerd bij toepassing van artikel
                        19 WRO. Voor het nieuwe artikel 19 WRO moet men bedenken dat de toepassing
                        ervan zonder voorbereidingsbesluit slechts mogelijk is indien er een geldend
                        bestemmingsplan is dat jonger is dan tien jaar en er bovendien een goede
                        ruimtelijke onderbouwing is gegeven. In eerste instantie moet natuurlijk
                        gedacht worden aan een ter inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een
                        goed gemotiveerd voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan
                        een basis vormen. Ook is ander 'vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk
                        beleid', evenals bij de toepassing van artikel 19 WRO, zonder meer mogelijk
                        om de ontheffing op de baseren. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                        structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                        bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota. Nadrukkelijk wordt echter ook ander
                        nieuw ruimtelijk beleid als inspiratiebron genoemd. Immers enkel
                        'vastgesteld en bekendgemaakt beleid' zal verstarrend werken want het kan
                        lang duren voordat zo'n beleid een feit is. Zo kan overeenstemming met een
                        voorontwerpbestemmingsplan waarmee de Provinciale Planologische Commissie
                        heeft ingestemd, al een voldoende basis zijn. Dit laatste spoort immers met
                        de jurisprudentie op artikel 19 WRO (oud) en ook met de eerste uitspraken
                        van lagere rechters inzake het nieuwe artikel 19 WRO (2000). Motivering De
                        eis van een 'goede ruimtelijke onderbouwing' geldt voor de vrijstelling van
                        het eerste en tweede lid van artikel 19 WRO. Voor de vrijstellingen van het
                        derde lid van artikel 19 WRO is deze eis niet gesteld. Uiteraard geldt voor
                        een dergelijk vrijstellingsbesluit zoals voor alle besluiten wel de eis van
                        een goede motivering (artikel 3:46 Awb). Deze motivering zal in het
                        onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig
                        planologisch beleid. In het tweede lid van artikel 2.5.29 MBV is daarom
                        expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan waarvoor ontheffing wordt
                        verleend 'in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk
                        beleid'. Er is dus, gezien ook de tekst van artikel 19, lid 3 WRO en artikel
                        17 WRO, niet gekozen om een 'goede ruimtelijke onderbouwing' te eisen voor
                        de artikel 2.5.29 MBV-ontheffing. Wel geldt natuurlijk het algemene
                        motiveringsbeginsel van artikel 3:46 Awb en de relevante jurisprudentie
                        daarover. Er is overigens weinig jurisprudentie over artikel 2.5.29.'
                        Milieuzonering Ook bij deze ontheffing moeten burgemeester en wethouders
                        rekening houden met alle belangen, dus ook de milieubelangen. Afstanden ten
                        opzichte van hinderveroorzakende activiteiten zijn dan van groot belang. De
                        relevante afstanden treft u aan in de reeds meerdere malen herziene
                        VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. </al><al>Lid 3 Bekendmaking/openbare kennisgeving</al><al>Op grond van artikel 41 Woningwet moet de aanvraag om bouwvergunning binnen
                        twee weken na ontvangst worden bekendgemaakt. Uit het desbetreffende
                        bouwplan kan worden afgeleid dat het in strijd zal zijn met de eisen van de
                        MBV. Afdeling 3.4 Awb </al><al>Dit betreft een paragraaf van regelend recht die niet van overeenkomstige
                        toepassing is verklaard in de MBV. Er geldt derhalve geen wettelijke
                        verplichting om de procedure van afdeling 3.4 Awb te volgen bij de
                        ontheffing ex artikel 2.5.29 MBV. Titel 4.1 Awb</al><al>Deze paragraaf is in principe van toepassing voorzover de Woningwet (lex
                        specialis) hier niet van afwijkt. Horen</al><al>Het is niet gebruikelijk dat de aanvrager om bouwvergunning gehoord moet
                        worden (art. 4:7 Awb) bij het voornemen van burgemeester en wethouders om de
                        aanvraag te weigeren aangezien het altijd een beschikking op aanvraag
                        betreft. Voor wat betreft de derde belanghebbende ligt dit anders. Indien er
                        voor de aanvraag om bouwvergunning een weigeringsgrond bestaat, hoeft de
                        belanghebbende niet te worden gehoord. Indien de gemeenten door middel van
                        een ontheffing toch wil meewerken, dan is het voorstelbaar dat de belangen
                        van een of meer buren voor de beslissing relevant worden. In dat laatste
                        geval zullen zij gehoord moeten worden (MvT, PG Awb, p. 254). Inspraak</al><al>Inspraak is niet aan de orde gezien de procedure analoog aan artikel 17/19,
                        lid 3 WRO. Zienswijzen en fatale termijnen</al><al>Het afhandelen van zienswijzen kost tijd. De algemene termijnen van de Awb
                        zijn al aangepast aan de bijzondere termijnen van de Woningwet. Desondanks
                        is het inpassen van behandelingstermijn en van de zienswijzen onmogelijk in
                        het systeem van fatale termijnen van de Woningwet. Deze ontheffingsprocedure
                        moet immers worden doorlopen binnen de desbetreffende fatale termijnen van
                        de Woningwet. Zolang echter de aanvraag om een reguliere bouwvergunning kan
                        worden verdaagd, lijkt het mogelijk om beide procedures, inclusief het
                        afwikkelen van de ingebrachte zienswijzen, te volgen zonder dat er sprake
                        hoeft te zijn van fictieve bouwvergunningen. Op grond van jurisprudentie
                        (VzARRvS, 25 november 1993 (Delft), BR 1994, p. 497) geldt echter nog steeds
                        dat een fictieve bouwvergunning voor onrechtmatig moet worden gehouden als
                        er geen vrijstelling van de bouwverordening is verleend, omdat de Woningwet
                        niet voorziet in de mogelijkheid dat een op grond van de bouwverordening
                        vereiste vrijstelling van rechtswege wordt verleend. Relatie met de lichte
                        bouwvergunningprocedure</al><al>De lichte bouwvergunning moet worden verleend binnen zes weken na de
                        aanvraag. Deze termijn kan niet worden verdaagd. Gesteld moet worden dat het
                        bij licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken om geringe afwijkingen moet
                        gaan van de rooilijnen en van de maximum bouwhoogte en zij daarom kunnen
                        worden afgedaan met behulp van een ontheffing als bedoeld in de artikelen
                        2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28. Deze kennen geen voorbereidingsprocedure zodat er
                        geen knelpunten zijn met de termijn van zes weken. Als gevolg van de
                        inwerkingtreding van de nieuwe uniforme voorbereidingsprocedure (afdeling
                        3.4) in de Awb (voorzien medio 2004) is het niet meer mogelijk om de
                        minimale wettelijke termijn voor de ter inzagelegging en het naar voren
                        brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekent dat het
                        wettelijk gezien niet meer mogelijk is om een lichte-bouwvergunningprocedure
                        te doorlopen in combinatie met een procedure op grond van artikel 2.5.29
                        MBV. Indien een procedure op grond van artikel 2.5.29 MBV wordt doorlopen in
                        combinatie met een aanvraag om een bouwvergunning eerste fase is het van
                        belang dat in een vroegtijdig stadium wordt onderkend dat als gevolg van de
                        nieuwe wettelijke termijn voor het indienen van zienswijzen een beslissing
                        op de bouwaanvraag binnen de wettelijke beslistermijn niet mogelijk is. In
                        een dergelijke situatie zullen burgemeester en wethouders tijdig een
                        verdagingsbesluit moeten nemen om te voorkomen dat er een fictieve
                        bouwvergunning eerste fase ontstaat. Monumenten en stads- en
                        dorpsgezichten</al><al>Monumenten en van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten worden in de
                        MBV analoog aan de categorisering in de Woningwet als een bijzondere
                        categorie aangemerkt. Relatie met de gefaseerde bouwvergunning</al><al>De gefaseerde bouwvergunningprocedure mag worden verdaagd. Beide procedures,
                        de bouwvergunningprocedure en de ontheffingsprocedure, kunnen binnen de
                        termijnen worden doorlopen, mits, bij ingekomen zienswijzen, gebruik wordt
                        gemaakt van de verdagingsmogelijkheid. Rechtsbescherming</al><al>Inzake deze ontheffing is geen afzonderlijke rechtsbescherming nodig. De
                        rechtsbescherming is geconcentreerd rond de desbetreffende bouwvergunning.
                        De beslissing omtrent deze ontheffing lost hier als het ware in op. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</titel></kop><al>Algemeen</al><al>Ging het Tweede structuurschema verkeer en vervoer (SVV II) nog uit van het
                        A, B, C-locatiebeleid; de Nota Mobiliteit heeft dit beleid volledig
                        losgelaten. De Nota Mobiliteit gaat uit van het adagium ‘centraal wat moet,
                        decentraal wat kan’. Daarmee zijn de decentrale overheden verantwoordelijk
                        voor een voldoende en gevarieerd op de vraag afgestemd aanbod van locaties
                        voor bedrijven en voorzieningen en volgen hierbij de principes van het
                        integrale locatiebeleid zoals vastgelegd in de Nota Ruimte. Parkeerbeleid is
                        daarmee (nog meer dan in het verleden) een zaak van de decentrale overheden. </al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de
                        bebouwde kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten
                        locatie(s). Voorschriften over de aanwezigheid en de minimumgrootte van de
                        fietsenstallingen die bij de nieuwbouw of verbouwing van utilitaire gebouwen
                        moeten worden aangebracht, zijn achterwege gelaten, omdat artikel 4.62 van
                        het Bouwbesluit 2003 daarin voorziet. </al><al>Lid 2</al><al>Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel. Hieronder
                        wordt verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te spelen op
                        toekomstige verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar vervoer,
                        namelijk doordat de gemeente op het moment van realisatie van de bedoelde
                        verbetering kan overgaan tot de verwijdering van de aanvullende
                        parkeerplaatsen op de openbare weg (of op ander gemeentelijk terrein) nabij
                        het betrokken gebouw. </al><al>Lid 3</al><al>Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid -
                        aan te geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op het
                        terrein van een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn, maar ook
                        - bij de toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet
                        te overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in
                        dit geval per bouwvergunning te bepalen normstelling hangt weer af van onder
                        meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten
                        aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van
                        openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers
                        gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen.
                        Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en
                        vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale verkeer- en
                        vervoerplan. Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige
                        minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en
                        de bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor
                        verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3,
                        verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de
                        Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede
                        (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde
                        parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning worden bepaald. Aan de
                        hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te verlenen
                        bouwvergunning een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de
                        toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige
                        overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm
                        onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                        bouwvergunning bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als
                        toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                        zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn. </al><al>Lid 4</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                        niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van de
                        leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden om een bepaald aantal
                        parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou
                        immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met
                        afmetingen voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste
                        type vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in
                        werking getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende
                        afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige
                        onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een
                        bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken
                        is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van
                        parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers. Lid 5 De onderhavige
                        bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een
                        zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en
                        losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook
                        voor vrachtauto's). Lid 6 Ad a De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in
                        het eerste en in het tweede lid om een beperkte parkeergelegenheid op eigen
                        terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor het geval
                        dat in de nabijheid een gemeenschappelijke of openbare parkeergarage
                        aanwezig is. De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het derde lid om
                        een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein (of onder eigen
                        dak) te maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige
                        verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen beide
                        genoemde ontheffingen worden verleend onder financiële voorwaarden. Ad b De
                        ontheffingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede aandachtsstreepje van punt
                        b, is bedoeld voor onder meer winkels, schouwburgen, de loketfunctie van
                        raadhuizen, sportstadions en bibliotheken. Deze ontheffingsmogelijkheid
                        behoeft niet te worden gebruikt, indien in de nabijheid voldoende
                        parkeergelegenheid is op de openbare weg, op een blijvend openbaar
                        parkeerterrein of in een blijvend openbare parkeergarage. De onderhavige
                        ontheffingsmogelijkheid is opgenomen, omdat cijfers in de tabel uit de
                        toelichting op lid 1 niet zijn afgestemd op de enigszins uitzonderlijke
                        categorie bouwwerken waarom het hier gaat. Alternatief 2 Lid 1 Het is zeer
                        moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                        minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per bouwvergunning te
                        bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de
                        ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of
                        gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie
                        daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke
                        uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op
                        het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het
                        lokale verkeer- en vervoerplan. Voor kencijfers betreffende in het algemeen
                        aanbevelenswaardige minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het
                        soort voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen
                        voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf
                        6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in
                        de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te
                        Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde
                        parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning worden bepaald. Aan de
                        hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te verlenen
                        bouwvergunning een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de
                        toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige
                        overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm
                        onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                        bouwvergunning bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als
                        toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                        zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn. Lid 2 Dit lid geeft
                        maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften niet kunnen
                        worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1. De
                        verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                        brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen
                        parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken.
                        Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel
                        218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit
                        2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                        bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen
                        van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de
                        afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                        rolstoelgebruikers en stoklopers. Lid 3 De onderhavige bepaling kan ertoe
                        leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof,
                        respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een
                        op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor
                        vrachtauto's). Lid 4, ad a De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het
                        eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein
                        of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor
                        bouwvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden.
                        Eventueel kan laatstgenoemde ontheffing worden verleend onder financiële
                        voorwaarden. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit
                        brandveilig gebruik bouwwerken”).</al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt
                        niet in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht
                        is en evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van
                        drinkwater. De plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts
                        de verplichting in tot het doen treffen van de technische voorzieningen die
                        het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is
                        afhankelijk van een met het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De
                        voorwaarden waaronder dit contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een
                        afzonderlijke verordening op de levering van drinkwater. In feite zal de
                        aansluiting ook veelal door het waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen
                        de aansluiting van de binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de
                        levering van drinkwater vaak in hetzelfde contract zijn geregeld. Overigens
                        moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen aansluiting op
                        het waterleidingnet verplicht stelt in geval een binnenhuisinstallatie voor
                        drinkwater - als bedoeld in het genoemde artikelnummer van het Bouwbesluit -
                        ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de
                        gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het aanbrengen
                        van een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater wordt
                        toegestaan. Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde
                        leiding van het openbare distributienet, zie artikel 2.7.7. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                        kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid.
                        Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>Lid 1 De niet-vantoepassingverklaring voor bejaardenwoningen houdt verband
                        met de kans op ongevallen. Lid 2, onder b Het verlenen van ontheffing is
                        denkbaar voor koopwoningen, indien de eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te
                        gebruiken. Dit in tegenstelling tot hetgeen het geval kan zijn voor
                        huurwoningen, indien de gemeenteraad geschiktheid van de woning voor het
                        stoken en koken op de meest economische brandstof noodzakelijk acht. Lid 2,
                        onder c Een ontheffing voor woningen die worden aangesloten op de stads-,
                        wijk- of blokverwarming, kan door burgemeester en wethouders worden
                        geweigerd, indien een gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met
                        het koken op aardgas. Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke
                            voorziening voor verwarming</titel></kop><al>Kostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen
                        met de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel
                        gewenst om de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen
                        afdwingen, ook al is er reeds voorzien in een aansluiting op het
                        aardgasnet.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al>Alternatief 1 Algemeen De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige
                        inzameling en het doelmatig transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen
                        de gemeentegrenzen, is neergelegd in artikel 10.15 van de Wet milieubeheer.
                        De Bouwverordening, het Lozingenbesluit bodembescherming en de Wet
                        verontreiniging oppervlaktewateren richten zich op de lozers van afvalwater.
                        Hieronder volgt een beknopte beschrijving van deze regelgeving. Voor een
                        uitgebreidere uiteenzetting verwijzen wij naar de Leidraad riolering, module
                        aanpak verspreide afvalwaterlozingen, Samsom H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan
                        den Rijn (losbladig). Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering
                        geregeld in artikel 2.7.4 van de MBV. Voor bestaande bouw is deze
                        aansluitplicht geregeld in artikel 5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in
                        samenhang met de in artikel 40 van de Woningwet gegeven bouwvergunningplicht
                        en de in het herziene artikel 13 van de Woningwet, de mogelijkheid om de
                        eigenaar van een bouwwerk te verplichten om aan te sluiten op de riolering
                        indien de afstand tussen de openbare riolering en het dichtstbijzijnde deel
                        van het bouwwerk 40 meter of minder bedraagt. Het Lozingenbesluit
                        bodembescherming stelt regels voor het lozen van afvalwater in de bodem.
                        Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de hoeveelheid
                        afvalwater) staat het Lozingenbesluit bodembescherming een individueel
                        zuiveringssysteem toe. De eisen voor het lozen vanuit individuele
                        zuiveringssystemen in de bodem staan vermeld in de Uitvoeringsregeling
                        lozingenbesluit bodembescherming. Deze eisen zijn nader uitgewerkt in de
                        publicatie van het Ministerie van VROM: Individuele behandeling van
                        afvalwater bij verspreide bebouwing; onderzoeksfase 4B: IBA-richtlijn
                        (november 1991). Het lozen op oppervlaktewater wordt door de
                        waterkwaliteitsbeheerder gereguleerd op basis van de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren. Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater is op 1
                        maart 1997 het WVO-Lozingenbesluit huishoudelijk afvalwater in werking
                        getreden (Stb. 1997, 27). De systematiek van dit lozingenbesluit is
                        vergelijkbaar met het Lozingenbesluit bodembescherming. Lid 1 In gemeenten
                        met een zgn. gescheiden rioolstelsel dienen de afvoerleidingen voor
                        hemelwater op het desbetreffende, afzonderlijke riool te worden aangesloten.
                        Het is ook zeer wel denkbaar om het hemelwater, afkomstig van de daken van
                        zeer grote gebouwen en/of afkomstig van zeer grote terreinen, niet op het
                        openbare riool te lozen, maar op oppervlaktewater e.d. Voor lozing op
                        oppervlaktewater is echter een vergunning vereist op grond van artikel 1,
                        eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De aanvrager van
                        de bouwvergunning kan de onder b genoemde uitzondering op de aansluitplicht
                        aan het gemeenteriool bovendien (laten) gebruiken om het hemelwater op te
                        slaan en in het kader van het duurzaam bouwen te consumeren, waar drinkwater
                        niet noodzakelijk is, zoals voor de toiletspoeling, de wasmachine en het
                        sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld in de losbladige uitgaven van het
                        Nationaal pakket Duurzaam bouwen, uitgegeven en regelmatig herzien door de
                        Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam, specificatieblad S 445. </al><al>Lid 2, onder a</al><al>Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn
                        van de te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het
                        gemeentelijk bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift
                        bevoegd:</al><lijst><li nr="a."><al>om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of
                                vacuümriolering wordt aangesloten;</al></li><li nr="b."><al>om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden
                                gerealiseerd voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de
                                vuil-waterafvoer, indien in het desbetreffende deel van de gemeente
                                een gescheiden gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is. </al></li></lijst><al> Lid 2, onder b Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich
                        sanitaire toestellen bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door
                        middel van een rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige
                        gevallen dienen dan tevens voorzieningen tegen het terugvloeien van
                        afvalwater te worden getroffen, waarbij moet worden bedacht dat een
                        terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing meestal een onvoldoende
                        voorziening is. Lid 3 Ingevolge de Wet milieubeheer, laatst gewijzigd per 1
                        maart 1996, geldt als hoofdregel dat het verboden is om afvalwater op een
                        openbaar riool te lozen. Uitzonderingen gelden voor: </al><lijst><li nr="a."><al>afvloeiend hemelwater; </al></li><li nr="b."><al>huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van normaal huishoudelijk
                                gebruik; </al></li><li nr="c."><al>bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk
                                afvalwater en dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik.
                            </al></li></lijst><al>Voor lozingen die niet onder deze uitzonderingen vallen, gelden
                        standaardvoorschriften krachtens de Wet milieubeheer of een
                        vergunningsvereiste op grond van die wet. Indien zelfs afscheiding,
                        verdunning, voorzuivering, koeling of dergelijke niet tot het gewenste
                        resultaat leiden, of de af te voeren hoeveelheden zo groot zijn dat
                        verstoring van de goede werking van de openbare riolering of de
                        zuiveringsinstallatie te verwachten is, kan worden geëist dat op andere
                        wijze wordt geloosd dan op het openbaar riool. In het Inrichtingen- en
                        vergunningenbesluit milieubeheer is bepaald wat het bevoegd gezag is ten
                        aanzien van de geldende of te stellen lozingsvoorschriften. In het algemeen
                        zijn dit voor de complexe categorieën bedrijven niet langer burgemeester en
                        wethouders, zoals tot 1 maart 1996 het geval was onder de werking van de
                        toenmalige gemeentelijke lozingsverordeningen riolering. Lid 4, onder a Voor
                        lozing op oppervlaktewater is een vergunning of melding vereist op grond van
                        de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Lid 4, onder b Indien bij een
                        agrarisch bedrijf waar men de afvalstoffen voor bedrijfsdoeleinden kan
                        gebruiken, een voldoende ruime gier- of beerput wordt gemaakt, kunnen
                        burgemeester en wethouders ontheffing van de verplichting tot aansluiting
                        aan het openbare riool verlenen. Alternatief 2 Lid 1 Voor de voorzieningen
                        ter lozing van het hemelwater van het bouwwerk en het terrein, zie artikel
                        2.7.5, alternatief 2. Leden 2 tot en met 4 Zie in alternatief 1 dezelfde
                        lidnummers. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                            riolering</titel></kop><al/><al> Alternatief 1 Lid 1, onder c Het verdient aanbeveling om de aanvrager van
                        de bouwvergunning erop te wijzen dat voor lozing op oppervlaktewater een
                        vergunning vereist is ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet
                        verontreiniging oppervlaktewateren. Lid 1, onder d In het belang van de
                        goede werking van een rottingput (septic tank) dienen daarop geen
                        afvoerleidingen voor afvalwater zonder faecaliën, respectievelijk hemelwater
                        te worden aangesloten. Indien geen lozing op een waterloop met behoorlijke
                        doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo goed mogelijke andere
                        oplossing moeten worden gezocht. Lid 2 Advies over de mogelijkheid van
                        ontheffing kan worden gevraagd aan de inspecteur van het staatstoezicht op
                        de volksgezondheid voor de hygiëne van het milieu. Zie voorts de toelichting
                        op lid 1, onder c. Alternatief 2 Lid 2, onder b De voorgeschreven
                        verplichting om het hemelwater niet op traditionele wijze af te voeren naar
                        het gemeenteriool of naar oppervlaktewater, maar naar een op het eigen erf
                        of terrein aan te leggen opvang- en bezinkingsvoorziening, berust op
                        milieuhygiënische overwegingen ('duurzaam bouwen'). Hiermee wordt beoogd om
                        het hemelwater aan de bodem toe te voegen om op deze wijze zo veel mogelijk
                        bij te dragen aan de instandhouding van het grondwaterpeil en het tegengaan
                        van verdroging van het milieu. Afhankelijk van de grootte van het erf en de
                        bodemgesteldheid ter plaatse kan bedoelde infiltratievoorziening bestaan uit
                        een in de grond aangebrachte infiltratieput, een drainage, een grindbak, een
                        bezinkingsvijver of een daarmee gelijk te stellen voorziening. Richtlijnen
                        voor dergelijke voorzieningen kunnen worden ontleend aan ISSO-publicatie nr.
                        70-1, Hemelwater binnen de perceelsgrens - Ontwerp en uitvoering van
                        voorzieningen ten behoeve van opvang, gebruik en infiltratie van hemelwater
                        binnen de perceelsgrens, uitgave Stichting Bouwresearch (SBR), Rotterdam,
                        september 2000 (telefoon 010-2065959). De aanvrager van de bouwvergunning
                        dient van tevoren te (laten) onderzoeken welke van de genoemde
                        infiltratievoorzieningen, gelet op de ter plaatse aanwezige bodemgesteldheid
                        en grondwaterstand, voor zijn bouwplan geschikt is. Bij het ontwikkelen van
                        een bestemmingsplan of grootschalig bouwproject zal een dergelijk onderzoek
                        in de praktijk reeds in het kader van het vooronderzoek door de
                        projectontwikkelaar zijn verricht en/of kunnen de uitkomsten van
                        gemeentewege beschikbaar worden gesteld. Lid 3, onder b Om verzakking van de
                        te stichten of reeds aanwezige bouwwerken, alsmede wateroverlast voor de
                        belendende percelen te voorkomen moet de infiltratievoorziening voor
                        hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen worden gesitueerd dat voldoende
                        afstand tot genoemde bouwwerken en de perceelgrenzen in acht wordt genomen.
                        Die afstand is geen vast gegeven, maar hangt af van de hoeveelheid te lozen
                        hemelwater in relatie tot de aard van de infiltratievoorziening en de
                        bodemgesteldheid ter plaatse. Op grond van de terzake overgelegde of bij de
                        gemeente aanwezige gegevens kunnen burgemeester en wethouders dan ook
                        ontheffing verlenen van de verplichting tot het aanbrengen van een
                        infiltratievoorziening, indien de bodemgesteldheid, de grondwaterafvoer
                        en/of de geringe afmetingen van het erf daartoe aanleiding geven. Bij de
                        keuze van een meer traditionele wijze van hemelwaterafvoer is overigens van
                        belang dat terwille van een goede werking van een rottingsput (septic tank)
                        daarop geen afvoerleidingen voor hemelwater mogen worden aangesloten. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op
                            erven en terreinen</titel></kop><al>Lid 3 In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een
                        gemeentelijk rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt
                        afgevoerd, moet er - met het oog op het in goede staat houden van dat
                        rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie - op worden
                        toegezien dat er in de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten
                        e.d. voorkomen. Lid 4 Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen
                        de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval
                        - Aanleg en onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut
                        (NNI) is verschenen. Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1997,
                        'Binnenriolering in woningen en woongebouwen - Eisen en bepalingsmethoden'
                        formeel slechts toepasbaar is op binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal
                        het duidelijk zijn dat de dimensionering van enerzijds de grondleiding
                        binnenshuis en anderzijds de daarop aansluitende huisaansluitleiding op het
                        eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis
                        voor de 'huis'-aansluitleidingen van niet tot bewoning bestemde gebouwen.
                        Lid 5 De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                        huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                        rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                        voorgeschreven. Lid 6 Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de
                        kwaliteitseisen uit de genoemde NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de
                        levering onder KOMO-keurmerk met overlegging van een KOMO-certificaat.
                        Uiteraard zijn in Europees verband daarmee vergelijkbare keurmerken en
                        certificaten ook acceptabel. </al></divisie><divisie><kop><titel> 3 De melding. </titel></kop><al>Vervallen </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.1 De wijze van melden</titel></kop><al>vervallen </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 Welstandscriteria</titel></kop><al>vervallen </al></divisie><divisie><kop><titel> 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruikneming van een bouwwerk</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling
                        tot de voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de
                        vergunning(procedure), maar uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en
                        in gebruik nemen van een bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13
                        en 4.15 hebben betrekking op alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij
                        als vergunningplichtig. </al><al>Vanaf 1 april 2007 is artikel 7b Woningwet van kracht, waarin verplichtingen
                        in de vorm van algemene verbodsbepalingen zijn opgenomen met betrekking tot
                        de voorschriften uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder
                        meer het bouwen en het gebruik van een bouwwerk, standplaats of een open erf
                        of terrein. Bovendien verbiedt het herziene artikel 40, eerste lid Woningwet
                        zowel het bouwen zonder of in afwijking van een verleende bouwvergunning
                        (sub a), als het in stand laten van een bouwwerk of deel daarvan dat gebouwd
                        is zonder of in afwijking van een verleende bouwvergunning (sub b). Als
                        gevolg van de gewijzigde systematiek van de Woningwet is een verbod tot
                        ingebruikneming zoals tot en met de 11e serie wijzigingen opgenomen was in
                        artikel 4.14 van de Model-bouwverordening niet langer noodzakelijk. Op grond
                        van artikel 7b juncto artikel 40, eerste lid Woningwet kunnen burgemeester
                        en wethouders indien nodig het gebruik van het voltooide bouwwerk beletten.
                        Het verbod leidt in geval van niet-naleving van de voorschriften van de
                        bouwverordening tot een overtreding waartegen direct handhavend kan worden
                        opgetreden. Overtreding van een verbod van artikel 7b Woningwet is per 1
                        april 2007 strafbaar gesteld in artikel 1a, onder 2, van de Wet op de
                        economische delicten (WED). </al></divisie><divisie><kop><titel>Structuur van de voorschriften</titel></kop><al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                        handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door
                        het bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1
                        tot en met 4.6 en 4.13. Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op
                        het voorkomen van nadelige effecten van het bouwen op de omgeving (bijv.
                        veiligheid, grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de
                        artikelen 4.7 tot en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht
                        op het bouwafval. Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met
                        artikelen 4.12 over de gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming
                        van een bouwwerk wordt sinds 1 april 2007 geregeld in artikel 7b Woningwet.
                        De veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden
                        ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein. </al></divisie><divisie><kop><titel>Handhaving van de voorschriften</titel></kop><al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van
                        artikel 7b van de Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de
                        algemene toelichting bij hoofdstuk 11. Het niet verrichten van opmetingen,
                        ontgravingen enz. als bedoeld in artikel 4.6 kan grond zijn voor het
                        toepassen van bestuursdwang. Criteria voor veiligheid en hinder gelden
                        steeds voor de omgeving. Deze bepalingen hebben geen betrekking op de
                        arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden andere regels en met de handhaving
                        daarvan is de Arbeidsinspectie belast. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>De gronden waarop een bouwvergunning kan worden ingetrokken staan limitatief
                        in artikel 59 van de Woningwet. De intrekkingsgronden zijn vanaf 1 januari
                        2003 in de Woningwet uitgebreid. In verband met het Besluit
                        indieningsvereisten en het gewijzigde artikel 56 Woningwet kan een
                        bouwvergunning tevens worden ingetrokken indien voorgeschreven gegevens niet
                        tijdig zijn overgelegd nadat de bouwvergunning is verleend. Voorts kan een
                        bouwvergunning gedeeltelijk worden ingetrokken. Indien bijvoorbeeld
                        onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het zo zijn dat slechts een
                        gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning op haar plaats is. Bovendien
                        is toegevoegd dat de bouwvergunning kan worden ingetrokken op verzoek van de
                        vergunninghouder; iets wat trouwens in de praktijk al gebruikelijk was
                        (bijvoorbeeld ten behoeve van eventuele gedeeltelijke restitutie van leges).
                        Van belang is voorts dat in het zesde lid onder b van het nieuwe artikel 56a
                        van de Woningwet een aanvullende intrekkinggrond is opgenomen. De termijn
                        van 26 weken is gelijk aan die van de MBV 1965. De uit jurisprudentie
                        voortkomende plicht om de vergunninghouder te horen alvorens wordt besloten
                        tot intrekking van een vergunning is nu als voorschrift vastgelegd in
                        artikel 4:8 Awb. Het intrekken van een begunstigende beschikking zoals een
                        bouwvergunning dient omgeven te zijn met de nodige waarborgen ter
                        bescherming van de rechtszekerheid van de houder der vergunning. Binnen
                        afzienbare tijd wordt artikel 59 van de Woningwet gewijzigd teneinde het
                        mogelijk te maken de bouwvergunning in te trekken naar aanleiding van een
                        integriteitbeoordeling Wet BIBOB. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al/><al>Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en
                        ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is
                        toch de plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te
                        hebben en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht
                        aanwezig zijn van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die
                        bescheiden is voorgeschreven de tekst is immers voorhanden en voorkomt dat
                        de uitvoerder op het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te
                        kennen. Sub a Onder het begrip 'bouwvergunning' in de zin van dit artikel
                        vallen tevens de bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen
                        e.d., die niet strijdig zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten
                        worden gehanteerd bij de bouwwerkzaamheden. Sub b Deze vergunningen en
                        ontheffingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze bouwkundige
                        consequenties hebben. Deze vergunningen en vrijstellingen kunnen betrekking
                        hebben op bij voorbeeld een aanlegvergunning of op beschikkingen van de
                        rijks- of provinciale overheid. Sub d Het aanwezig hebben van een besluit
                        ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom is nodig, omdat voor
                        bouwen op grond van voornoemde besluiten geen bouwvergunning is vereist
                        krachtens artikel 43, eerste lid, letter a, van de Woningwet. Wanneer bouwen
                        en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel 8.3.2 ook de
                        sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig zijn. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al>De tekst van de toelichting komt te vervallen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen
                        voorkomen, waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen,
                        bij voorbeeld bij een verbouwing. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
                            (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                        tijdige controle. Lid 1, sub a Indien ontgravingwerkzaamheden worden
                        aangekondigd verdient het aanbeveling het regionale Kabels- en
                        leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter voorkoming van schade
                        aan leidingen. </al><al>Lid 3</al><al>In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt
                        geadviseerd terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door
                        vergunninghouder en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te
                        verlangen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</titel></kop><al>Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het
                        bouwtoezicht vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het
                        oog zijn onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de
                        kosten van de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te
                        verrichten of te doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die
                        bouwt heeft het immers zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde
                        werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te informeren en overigens conform de
                        vergunning, het Bouwbesluit en de bouwverordening te werken. Specifieke
                        controlewerkzaamheden buiten dit artikel om komen voor rekening van de
                        controlerende instantie, c.q. de gemeente. Dit artikel geldt als aanvulling
                        op de algemene bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek, opneming en
                        monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Pas
                        wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om bijvoorbeeld bouwkundige
                        constructies op of open te breken, wordt dit artikel van de bouwverordening
                        toegepast. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Het belang dat hier wordt gediend is de veiligheid van bouwwerken. Dit is
                        een publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in
                        privaatrechtelijke zin. De redactie van dit artikel is in vergelijking met
                        de MBV 1965 enigszins aangepast, doch dit betreft geen verandering in de
                        bedoeling van dit artikel, noch een trendbreuk in het beleid. De hoeveelheid
                        aan de bodem te onttrekken water is hier doorslaggevend. Indien de
                        onttrekking zodanige vormen aanneemt, dat ook andere belangen dan de in dit
                        artikel genoemde kunnen worden geschaad, zal daarop met behulp van andere,
                        niet in deze verordening neergelegde bepalingen moeten worden toegezien.
                        Gedacht kan worden aan een waterwingebied. Onder de hierboven bedoelde
                        andere bepalingen kan met name worden verstaan: zowel voor het mogen bemalen
                        van een bouwput als voor het mogen lozen van het aldus opgepompte grondwater
                        is een vergunning vereist. De grondslag voor de vergunning voor het bemalen
                        van een bouwput c.q. het onttrekken van grondwater staat in de Grondwaterwet
                        en de provinciale grondwaterverordeningen. Laatstgenoemde verordeningen
                        bevatten overigens in het algemeen een uitzondering op het
                        vergunningvereiste voor het kortstondig droog houden van een bouwput, mits
                        nader in die verordeningen omschreven beperkte hoeveelheden grondwater
                        worden onttrokken. De lozing van het opgepompte water kan aan een
                        vergunningsvereiste of standaardvoorschriften zijn gebonden ingevolge de Wet
                        milieubeheer of de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><al>Het onderhavige voorschrift betreft niet de veiligheid van de werknemers op
                        de bouwplaats, want deze valt onder de Arbowet (Arbeidsinspectie), maar de
                        veiligheid van voorbijgangers en belendingen. Lid 1 De in dit lid bedoelde
                        veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die bij voorbeeld
                        moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een heistelling, het
                        transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van bouwputten, het
                        zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft de veiligheid van
                        elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010. De controle op de
                        naleving van laatstgenoemde eisen berust bij de Arbeidsinspectie en bij het
                        elektriciteitsbedrijf. Tot de achtste serie wijzigingen waren de
                        indieningsvereisten behorende bij een aanvraag om bouwvergunning, waaronder
                        een bouwveiligheidsplan, opgenomen in artikel 2.1.6, eerste lid, MBV. Sinds
                        1 januari 2003 bevat artikel 1.2.5 van de bijlage bij het Besluit
                        indieningsvereisten regels over het indienen van een bouwveiligheidsplan. Of
                        er bij een bouwvergunning een bouwveiligheidsplan moet zijn en aan welke
                        eisen dat plan moet voldoen, is geregeld in het onderhavige artikel van de
                        MBV. Voorzover de te nemen maatregelen in het bouwveiligheidsplan afwijken
                        van de voorschriften in dit artikel, gaan de bepalingen van het
                        bouwveiligheidsplan voor. Leden 2 en 3 Aan deze bepaling kan worden geacht
                        te zijn voldaan wanneer de schakelapparatuur zich bevindt in een kastje of
                        een andere ruimte dat (die) gedurende de bedoelde tijdsperioden op
                        deugdelijke wijze is afgesloten. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><al>Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein
                        te weren en te voorkomen dat mensen - en vooral spelende kinderen - op een
                        bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het
                        derde lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij
                        het bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                        permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist
                        het bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer. De
                        verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                        gewaarborgd. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</titel></kop><al>De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder
                        voor de omgeving te voorkomen. Zie onder 'handhaving van de voorschriften',
                        in het algemene gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk, hetgeen is
                        gesteld ten aanzien van de arbeidsomstandigheden. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.11 Bouwafval</titel></kop><al>Algemeen Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De
                        Woningwet eist geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de
                        bouwverordening dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.
                        Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden
                        van afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als
                        gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering
                        bij de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor
                        hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met
                        ander afval. a Gevaarlijke afvalstoffen Gevaarlijke afvalstoffen moeten
                        krachtens wettelijk voorschrift apart worden gehouden. Een anti-mengclausule
                        in in het derde lid van artikel 4 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9), verbiedt het mengen van
                        gevaarlijk afval met ander afval (zgn. verdunnen). Eenmaal gescheiden
                        afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te blijven. Daartoe verplicht de
                        Regeling scheiden en gescheiden houden die is gebaseerd op de Wet
                        milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden gevaarlijk
                        (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op deze wijze gescheiden
                        afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling van klein
                        chemisch afval van huishoudens. b en c Glaswol en steenwol Glaswol en
                        steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier ingezameld.
                        Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een stevige zak
                        met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200 liter. De ondergrens van 1 m3
                        per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige kosten te veroorzaken.
                        Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het geheel van
                        bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde bouwvergunning is verleend.
                        Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht
                        tot scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal zijn. d
                        Overig afval Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls
                        aanwezig die bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties
                        plaatsvindt. De onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd
                        naar een inrichting die op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze
                        stoffen in ontvangst te nemen. Wanneer is iets afval? Zodra op een
                        bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een afvalbak is er
                        sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die apart worden
                        gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen afval.
                        Acceptatievoorwaarden en marktwerking De verplicht uit het bouwafval op de
                        bouwplaats te scheiden fracties gelden als ondergrens. Het staat degene die
                        bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe te passen. De marktpartijen
                        opdrachtgever en aannemer zullen veelal op basis van economische motieven
                        besluiten tot een verdergaande scheiding. Hierbij zullen prijzen worden
                        vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een gunstiger
                        prijs- en kostenverhouding gelden. Indien een verdergaande scheiding
                        plaatsvindt, geldt onverkort het voorschrift dat moet worden afgevoerd naar
                        een bewerkingsinrichting die bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De
                        fractie overig afval moet in het algemeen worden afgevoerd naar een
                        sorteerinrichting. Als sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan
                        inrichtingen onder de naam overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat.
                        Voorwaarde is dat het overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn
                        vergunning bevoegd is tot ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle
                        overslagbedrijven c.q. milieustraten zijn bevoegd tot ontvangst van
                        bedrijfsafvalstoffen. Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is
                        afgezien van een zeer gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de
                        effectiviteit van de regeling in het gedrang komen, wanneer in de
                        voorschriften andere verplichtingen zouden worden opgelegd dan die
                        voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de ontvanger (bewerker,
                        sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook aanbeveling om nauwkeurig
                        kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen
                        daarin. Afvoeren en overdragen van bouwafval De formulering 'gescheiden
                        houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om het mengen van reeds
                        uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor transport vanaf het werk
                        te verbieden. Voor een wijze van vervoer die bevorderlijk is voor het
                        hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving dan de bouwverordening,
                        waarbij met name te denken valt aan de provinciale milieuverordening. Uit
                        dien hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar een bewerkings- of
                        verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die op grond van de
                        Wet milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De afvoer naar
                        een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de bouwplaats. Het
                        Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk sinds 1 april 1997 een
                        stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval. Particulieren die geringe
                        hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij
                        sorteerbedrijven en gemeentelijke milieustraten, veelal ook op
                        zaterdagmorgen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet
                        geldt voor asbest, waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het
                        onderhavige artikel over bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal
                        niet meer is toegelaten. Terugleveren aan de leverancier of fabrikant Er
                        zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan de
                        fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering op
                        de regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een
                        bewerkingsinrichting of anders naar een sorteerinrichting moeten worden
                        afgevoerd. Rechtstreekse retourlevering waarbij het product dient als
                        grondstof voor nieuwe producten wordt zinvol geacht. Sorteerinrichting
                        Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is -
                        voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar
                        een sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen
                        ongesorteerd te ontvangen. Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen
                        naast de beoordelingsrichtlijn voor de certificering van sorteerbedrijven te
                        houden aan de Regeling niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval (Stcrt. 31, 13
                        februari 1996). Hierin worden de volgende afvalstromen aangeduid als
                        herbruikbaar: harde steenachtige materialen, ferro en non-ferro metalen,
                        massief niet-verduurzaamd hout, papier/karton, LDPE-folie,
                        kunststofgevelelementen of delen daarvan en kunststofleidingbuizen. Voor
                        deze stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij aan de bron, hetzij
                        achteraf in een sorteerinrichting. Voor papier/karton en kunststoffen is de
                        mogelijkheid van uitsorteren bij een sorteerbedrijf volledig operationeel.
                        Voor de retourname van reststoffen van gipsblokken en gipskartonplaten heeft
                        de Nederlandse Branchevereniging voor Gips (NBVG) in samenwerking met de
                        gipsproducenten een systeem scheiden en schoon afvoeren ontwikkeld. Voor
                        steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel en voor EPS
                        ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het nietoperationeel zijn
                        van een retoursysteem (stand van zaken medio 1997). Overigens geldt voor
                        zowel steenwol als EPS dat zij meestal slechts in geringe mate in bouwafval
                        voorkomen. Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn
                        bewerkingssystemen ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen
                        transporteurs van aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE
                        en LDPE-folie. Via de Stichting KNAPZAK nemen enkele kunststofverwerkers
                        deze kunststoffen zowel van transporteurs als van sorteerbedrijven in voor
                        reclycing. De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door
                        sorteerbedrijven voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de
                        Vereniging van Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof
                        gevelelementen kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het
                        recyclingsysteem van de Stichting Recycling VKG te Zoetermeer. Een
                        verwerkingssysteem voor kitkokers, verfverpakking en snoerband
                        (PP-materialen) is operationeel bij B &amp; R Recycling BV te Middelharnis.
                        Mee terugnemen naar de werf Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die
                        bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht, de aannemer, een geringe
                        hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke
                        opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de bestaande praktijk. Het
                        formaliseren ervan wordt gezien als van groot praktisch nut. Overigens kan
                        het zijn dat voor deze opslag een vergunning is vereist op grond van de Wet
                        milieubeheer. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit afval vervolgens
                        in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar een sorteerbedrijf. De plicht
                        om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van andere stoffen, de
                        anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals de plicht tot het
                        afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een inzamelaar
                        die voor de inname van deze stoffen bevoegd is. Enkele specifieke begrippen
                        Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de
                        aanwezigheid van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer, voorzover een
                        milieuvergunning bij die wet verplicht is gesteld. Onder 'inzamelaar' wordt
                        verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te zamelen met het oog op
                        hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor enkele deelstromen
                        kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem. Zie de toelichting van
                        artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en recyclingsystemen voor
                        kunststoffen. Lid 1 De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de
                        bron - dit is op het terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval.
                        In een later stadium scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten
                        dele. Voor de verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de
                        Wet milieubeheer. De strekking van dit lid is mede dat de inrichting
                        waarheen het gevaarlijk afval gaat moet beschikken over een adequate
                        vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Er bestaat keuzevrijheid naar
                        welk bedrijf wordt afgevoerd. In de praktijk komt het bepaalde in dit lid
                        erop neer dat gevaarlijk bouwafval niet naar een stortplaats gaat.
                        Stortplaatsen zijn vrijwel nooit bevoegd de hier bedoelde stoffen in
                        ontvangst te nemen. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is verbranden de
                        beste oplossing. Voor de handhaving is het van belang dat het begrip
                        'gevaarlijk' uniform wordt uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk
                        aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Regeling Europese
                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9) - in
                        werking getreden op 1 mei 2002 - voorziet hierin. In artikel 1.1 van de Wet
                        milieubeheer wordt verwezen naar dit besluit. De EURAL vervangt het Besluit
                        aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (BAGA) (Stb. 1993, 617) dat van 1
                        januari 1994 tot 1 mei 2002 gold. De EURAL wijkt inhoudelijk voor wat
                        betreft de lijst gevaarlijke afvalstoffen nauwelijks af van het BAGA.
                        Hoofdstuk 17 van de lijst gaat over het bouw- en sloopafval. De
                        Nederlandstalige versie van de lijst is als bijlage 5 opgenomen in de
                        publicatie 'Handreiking Eural; Europese afvalstoffenlijst' van het
                        ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van
                        september 2001. De in deze lijst met een asterisk (*) aangeduide nummers
                        zijn gevaarlijke afvalstoffen. Voor het verwijderen (slopen) van asbest en
                        asbesthoudende materialen geldt het Asbestverwijderingsbesluit.
                        Vergunningvoorwaarden Het is toegestaan over de exacte wijze van scheiden,
                        opslaan en afvoeren, uitsluitend wanneer dit is bedoeld ter uitvoering van
                        de in het eerste lid genoemde fracties, voorwaarden aan de bouwvergunning te
                        verbinden. Deze voorwaarden betreffen aspecten die niet in een algemene
                        regeling als de verordening thuis horen maar zijn toegesneden op de concrete
                        situatie. Dit kan bijvoorbeeld betreffen het niet bij elkaar brengen van
                        bepaalde soorten gevaarlijk (chemisch) afval. Niet al het gevaarlijk afval
                        kan door elkaar in één bak worden gedeponeerd. Het is zinvol aan te geven
                        welke stoffen niet bij elkaar mogen en op welke wijze c.q. onder welke
                        condities de (tijdelijke) opslag op de bouwplaats moet geschieden. In de
                        regel eist de inzamelaar c.q. vervoerder al de wijze van scheiden en
                        verpakken van de risicodragende stoffen. De bakken - sommige typen
                        onderverdeeld in compartimenten - zijn vaak eigendom van de
                        inzamelaar/vervoerder. De overheid kan de eventuele vergunningvoorwaarden
                        hierop afstemmen. Het is niet toegestaan voorwaarden aan de bouwvergunning
                        te verbinden die ertoe strekken nog andere fracties verplicht op de
                        bouwplaats te scheiden dan die vermeld staan in het eerste lid. In het
                        algemeen komt men dan in strijd met het derde lid van artikel 56 van de
                        Woningwet. Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen
                        niet bij elkaar. Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron
                        (batterijen) niet combineren met een brand- of explosiebron
                        (houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven, verdunningsmiddelen, harders,
                        versnellers, vertragers enz.), logen, basen en zuren (zoutzuur komt vrij bij
                        de afbouw) niet combineren met een ontstekingsbron noch met een brand- of
                        explosiebron. Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient
                        het aanbeveling bij het lezen van deze toelichting ook (delen van) de
                        toelichting op hoofdstuk 8, het slopen, te betrekken. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                        spoedig daarna controles uit te voeren. Voorts is de gereedmelding een
                        voorwaarde voor het in gebruik mogen nemen of geven van het bouwwerk
                        ingevolge artikel 7b Woningwet. Lid 1 Het controleren van leidingdoorvoeren
                        en aansluitpunten is veelal in een latere fase van de bouw niet effectief of
                        althans niet zonder extra graafwerkzaamheden mogelijk. Daarom geldt de eis
                        van onmiddellijke melding. </al><al>Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte
                        overeenkomstig de uitkomst van de berekening van de
                        energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de desbetreffende categorie gebouwen
                        voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is eveneens slechts effectief
                        mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is onttrokken door het
                        opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het afpleisteren van
                        de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie. Overigens
                        stelde SenterNovem in opdracht van het ministerie van VROM in februari 2007
                        een gratis informatiemap met onder meer een checklist en een rekenlineaal
                        samen om de buitendienstinspecteur van het gemeentelijk bouwtoezicht bij
                        zijn bouwplaatscontroles op de energieprestatienormering te ondersteunen.
                        Raadpleeg, voor zover in de eigen gemeente in het ongerede geraakt of in
                        onvoldoende exemplaren aanwezig, daarvoor www.senternovem.nl/epn/handhaving
                        of neem contact op met de Helpdesk Gemeenten van SenterNovem,
                        gemeenten@senternovem.nl of 030 239 35 33. Lid 2 Teneinde de voortgang van
                        de bouw niet te lang op te houden, is een termijn van twee dagen vermeld,
                        waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de noodzakelijke of gewenste
                        controles uitvoert. Lid 3 Voor zover in de voorwaarden van de bouwvergunning
                        niet anders is gesteld, geldt ook hier de termijn van twee dagen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit artikel kan NEN 6722, uitgave 1989,
                        (Voorschriften Betonuitvoering (VBU)) een goed hulpmiddel zijn. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><titel> 5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidinstallaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid
                        gemaakt in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor
                        bestaande bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren
                        te verkeren. Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden
                        voor het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond
                        van artikel 13 Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het
                        opleggen van een last onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden
                        voor het in werking treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden
                        afgewogen of de verlangde voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het
                        alsnog oleggen van een plicht tot het treffen van die voorzieningen redelijk
                        is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3
                        en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de aanvraag om bouwvergunning. Op die plek
                        fungeren de eisen als een toets voor aanvraag om bouwvergunning. De
                        bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van een
                        open erf of terrein en niet op het gebruik daarvan. Het gebruik van open
                        erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7. Zo sluit artikel 5.1.1
                        nauw aan bij artikel 7.3.2. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><al>De tekst van dit artikel is overgenomen uit artikel 299 MBV 1965. Van een
                        onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake,
                        indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan
                        een gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan
                        een bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan ook worden
                        veroorzaakt door overvloedige begroeiing, waardoor de lichttoetreding tot
                        een gebouw wordt belemmerd of de veiligheid van het verkeer (gebrek aan
                        uitzicht) in gevaar komt. Over de mogelijkheid van aanschrijving op grond
                        van dit artikel in de MBV 1965 gaat de uitspraak van ARRS 21 april 1987,
                        W/RvS/03.85.6262. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.3. Bij het toepassen van bestuursdwang op
                        het opleggen van een last onder dwangsom wegens strijd met artikel 7b,
                        eerste lid, onder d, juncto het onderhavige artikel 5.1.2, eerste en tweede
                        lid, ware rekening te houden met het bepaalde in artikel 12.3 van deze
                        bouwverordening. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.4. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Overeenkomstig de systematiek van de Woningwet is het noodzakelijk om eisen
                        te stellen omtrent de staat van bestaande gebouwen, indien eisen worden
                        gesteld aan te bouwen gebouwen. Ten aanzien van de brandmeldinstallaties, de
                        ontruimingsalarminstallaties en de vluchtrouteaanduidingen gelden voor de
                        bestaande bouw dezelfde eisen als voor nieuwbouw. De voorschriften van deze
                        paragraaf vormen de grondslag voor een besluit op grond van artikel 13
                        Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een
                        last onder dwangsom indien een brandveiligheidsvoorziening in een gebouw
                        ontbreekt of zich bevindt in een staat die niet in overeenstemming is met de
                        voorschriften van deze paragraaf. In geval van dreigend gevaar voor de
                        gezondheid of veiligheid kunnen burgemeester en wethouders vanaf 1 april
                        2007 op basis van artikel 1a van de Woningwet optreden tegen een overtreding
                        van de voorschriften in deze paragraaf door toepassing van bestuursdwang of
                        door de oplegging van een last onder dwangsom. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                            gebouwen niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                            logiesgebouwen of kantoorgebouwen</titel></kop><al>De toelichting op dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallatie in
                            woongebouwen van bijzondere aard</titel></kop><al>De toelichting op dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                            logiesverblijven en logiesgebouwen</titel></kop><al>De toelichting op dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                            kantoorgebouwen</titel></kop><al>De toelichting op dit artikel vervalt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.1. Het onderhavige voorschrift kan geen
                        grondslag voor een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel tot
                        toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                        vormen waarin het college van burgemeester en wethouders het maken van een
                        aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt vanuit een pand waarin
                        een binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde artikelnummers van
                        het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de
                        gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het college
                        de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                        drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende welput,
                        regenbak of watertank. Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst
                        bij zijnde leiding van het openbare distributienet, zie artikel 5.3.7. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1. Het is
                        zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan
                        wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder
                        dwangsom te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang -
                        op grond van het Lozingsbesluit bodembescherming - het afvalwater in de
                        bodem mag worden geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven
                        voorzieningen (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde
                        voorzieningen - in financiële zin - nog niet afgeschreven zijn. Immers, een
                        regeling van de rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming
                        prevaleert ten opzichte van een gemeentelijke verordening, in casu de
                        bouwverordening. </al></divisie><divisie><kop><titel> Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                            riolering</titel></kop><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.5. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5.4.1 Preventie</titel></kop><al>Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is
                        geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een
                        bouwwerk zich moet bevinden. Dit artikel heeft sinds 1 april 2007
                        rechtstreekse werking en leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een
                        besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing van
                        bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom gericht aan de
                        eigenaar die kennelijk het bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het artikel is
                        bedoeld om excessen tegen te gaan. </al></divisie><divisie><kop><titel> 6 Brandveilig gebruik</titel></kop><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit
                        brandveilig gebruik bouwwerken”).</al></divisie><divisie><kop><titel>7 Overige gebruiksbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening
                        voorschriften bevat over het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens,
                        andere gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, en standplaatsen. De wet
                        noemt onderwerpen die in elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen
                        dus ook andere onderwerpen in de bouwverordening worden geregeld over het
                        gebruik. Het brandveilig gebruik, genoemd in de opsomming van artikel 8
                        Woningwet, is opgenomen als hoofdstuk 6 van deze verordening. De overige
                        gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 7.1.1 en 7.1.2 Overbevolking van woningen, woonwagens en
                            woonketen </titel></kop><al>Deze artikelen berusten op artikel 8, tweede lid, sub a5, van de Woningwet.
                        Zij zijn bedoeld om in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit
                        vereist, van gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een
                        gedwongen beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te
                        realiseren binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel
                        van het kunnen optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de
                        normstelling uit het onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te
                        beoordelen, of een woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een
                        bepaald aantal bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan
                        het onderhavige voorschrift voor het opstellen van een regeling op het
                        gebied van de woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van
                        huisvesting ten behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de
                        normstelling 1,5 à 2 maal zo zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van
                        de overbevolking te balanceren. Overigens kunnen lokale omstandigheden voor
                        een gemeenteraad aanleiding vormen tot het opnemen van een afwijkende
                        normstelling in zijn bouwverordening. Artikel 7.1.1 zou bij voorbeeld ook
                        als volgt kunnen luiden: 'Het is verboden een woning te bewonen met of toe
                        te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 9 m2
                        gebruiksoppervlakte, met dien verstande dat voor de eerste persoon van het
                        totale aantal bewoners ten minste 12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient
                        te zijn.' Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het
                        binnentreden van woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving
                        van deze artikelen in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen
                        klachten of anderszins gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent
                        bewoonde kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger
                        toezicht wenselijk en mogelijk. Overigens moet voor de wat grotere
                        woongebouwen die geen gewone één- en meergezinshuizen zijn, afhankelijk van
                        het aantal aanwezige personen worden beschikt over een vergunning op grond
                        van artikel 6.1.1 van deze bouwverordening ('vergunning brandveilig
                        gebruik') </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</titel></kop><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                        gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden.
                        Het niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                        ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                        minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                        eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het
                        Bouwbesluit blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in
                        grotere verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo
                        gekozen, dat in principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan
                        verblijfsruimten, respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten. Zie voor
                        het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</titel></kop><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                        gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde
                        in dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het
                        verschil in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het
                        Bouwbesluit. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 Verbod tot gebruik en staken van
                            gebruik</titel></kop><al>Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                        Woningwet 1991 is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen
                        tot het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het
                        gebruik. Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het
                        gebruik van een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een
                        verbod gesteld worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een
                        bouwvallig bouwwerk is gelegen. Het staken van het gebruik c.q. het verbod
                        tot gebruik als bedoeld in de artikelen 7.2.2 en 7.2.3 is afhankelijk
                        gesteld van een beschikking van burgemeester en wethouders. De mededeling
                        als bedoeld in artikel 7.2.1 is te beschouwen als een mededeling van
                        feitelijke aard. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en
                            terreinen in afwijking van de bestemming</titel></kop><al> Reden tot vervallen van artikel 7.3.1 Op 11 februari 1993 heeft de
                        voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State een
                        waarschuwing tot het toepassen van bestuursdwang wegens overtreding van
                        artikel 7.3.1 geschorst, omdat naar het oordeel van de voorzitter artikel 8
                        van de Woningwet geen grond biedt voor een dergelijke bepaling. De tekst van
                        artikel 7.3.1 was gelijk aan de tekst van artikel 352 MBV. Artikel 352 was
                        gebaseerd op artikel 168 van de gemeentewet. De Woningwet van 1991 geeft in
                        artikel 8 een limitatieve opsomming van in de bouwverordening te regelen
                        onderwerpen. Dit betekent dat er in de bouwverordening geen plaats meer is
                        voor een op artikel 168 gemeentewet gebaseerde bepaling. De opvolger van
                        artikel 352 MBV moest dus worden ondergebracht bij de opsomming van artikel
                        8 van de Woningwet. De Voorzitter van de Afdeling rechtspraak kwam in
                        vorengenoemde uitspraak tot het oordeel dat de Woningwet van 1991 geen
                        grondslag biedt voor een gebruiksvoorschrift als opgenomen in artikel 7.3.1.
                        Hierdoor mist artikel 7.3.1 verbindende kracht. De mogelijkheid om de
                        ondeugdelijke grondslag te repareren sluit de voorzitter in de uitspraak
                        nadrukkelijk uit. Overeenkomstig eerdere jurisprudentie wordt uitgesloten
                        dat een eenmaal ingetrokken artikel 352 MBV opnieuw wordt vastgesteld. In de
                        onderhavige casus had de gemeente bij invoering van de nieuwe
                        bouwverordening de oude bouwverordening en dus ook artikel 352 ingetrokken.
                        Hoewel de uitspraak op één gemeente betrekking heeft, strekt de betekenis
                        van een onverbindendverklaring zich uit over alle gemeenten met een
                        identieke bepaling. Nu gebleken is dat er geen bodemprocedure loopt en
                        derhalve in deze kwestie geen uitspraak van de Afdeling rechtspraak volgt,
                        heeft het materieel geen waarde artikel 7.3.1 te handhaven. Bij een formele
                        benadering kan als nadeel worden genoemd dat door te schrappen een andere
                        mogelijk andersluidende uitspraak wordt voorkomen. Er bestaan geen
                        aanwijzingen dat in de toekomst een ander oordeel is te verwachten. Derhalve
                        is artikel 7.3.1 geschrapt. Vooralsnog mag worden aangenomen dat in de
                        gemeenten waar artikel 352 MBV niet is ingetrokken, dit artikel de
                        rechtskracht heeft behouden en herleeft op het moment dat artikel 7.3.1
                        onverbindend moet worden geacht of is ingetrokken. Omdat in een aantal
                        gemeenten artikel 352 MBV nog bestaat volgt hierna de toelichting die daarop
                        betrekking heeft. Artikel 352 MBV 1965 Dit artikel vormt gedurende de tijd
                        dat de bedoelde bestemmingsplannen nog niet zijn aangepast aan de Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening, een noodzakelijk complement op de artikelen 10 en 12
                        van die wet. Deze artikelen bepalen namelijk, dat bij een bestemmingsplan
                        regelingen, c.q. voorlopige regelingen, mogen worden gegeven omtrent het
                        gebruik van de in het plan begrepen grond en de zich daarop bevindende
                        opstallen. In de toekomst kan het gebruik van gronden en opstallen zo nodig
                        in een bestemmingsplan worden geregeld. De bouwverordening geeft dus als het
                        ware een overgangsregeling. Indien een plan of voorschriften, als in de
                        aanhef van het eerste lid bedoeld, in overeenstemming worden gebracht met de
                        Wet op de Ruimtelijke Ordening, treedt voor het gebied, dat in dat plan is
                        begrepen, artikel 352 buiten werking. De aanpassing van de Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening moet ingevolge de Overgangswet binnen vijf jaar na de
                        inwerkingtreding van laatstbedoelde wet geschieden. Nog steeds zijn niet
                        alle bestemmingsplannen aangepast, zodat deze overgangsregeling vooralsnog
                        nodig blijft. Dit artikel houdt uitsluitend voorschriften in over ander
                        gebruik dan bouwen en kan daarom geen grond zijn voor het weigeren van een
                        bouwvergunning. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7.3.2 Hinder</titel></kop><al>De strekking van dit artikel is gelijk aan artikel 367 MBV 1965. Het oude
                        artikel was gebaseerd op de gemeentewet, terwijl artikel 7.3.2 is gebaseerd
                        op de Woningwet en per 1 april 2007 rechtstreeks handhaafbaar op grond van
                        de Woningwet dus mogelijk maakt. Dit artikel betreft, voor zover het een
                        regeling bevat ter voorkoming van schade, hinder of overlast, een materie
                        die eventueel ook in een algemene plaatselijke verordening (APV) kan worden
                        geregeld. Voor zover zij in een APV is geregeld, dient dezelfde bepaling
                        uiteraard niet in de bouwverordening te worden opgenomen. Bijna
                        onvermijdelijk blijkt een zekere overlapping van het onderhavige artikel en
                        een enigszins vergelijkbaar artikel in de Model-APV (art. 4.4.1). Gelet op
                        doel en strekking van de bouwverordening zal artikel 7.3.2 voornamelijk
                        toepassing kunnen vinden als er een relatie kan worden gelegd met bouwen of
                        bouwwerken. Voor open erven en terreinen niet direct behorende tot een
                        bouwwerk zal eerder de APV van toepassing zijn. Daar bepaalde voor de
                        omgeving hinder veroorzakende activiteiten direct zijn verbonden met hetgeen
                        in, op, aan of nabij een bouwwerk gebeurt is dit artikel in de
                        bouwverordening nodig. Voor zover het hinder in verband met de
                        brandveiligheid betreft, ware in plaats van artikel 7.3.2 toe te passen
                        artikel 6.4.1. Artikel 7.3.2 kan onder meer worden toegepast in de volgende
                        gevallen: het plaatsen van voorwerpen of voertuigen in gemeenschappelijke
                        trappenhuizen van tot bewoning bestemde gebouwen, lawaaihinder (bij
                        voorbeeld door radio- en televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en
                        televisiestoringen, voor zover niet geregeld in andere wettelijke
                        voorschriften, het opslaan van stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke
                        wijze stapelen van materiaal (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare vaten
                        die kunnen gaan rollen), het verwijderen van asbest bevattende materialen of
                        restanten hiervan die zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van
                        verspreiding van asbestvezels of –stof te vrezen valt. Door weersinvloeden
                        en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende materialen die zich aan de
                        buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een erf of terrein zijn
                        opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat de vezels gemakkelijk
                        losraken en door de wind worden verspreid. Deze asbestvezels vormen een
                        risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het erf of terrein en de
                        aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit ziet op de situatie
                        van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Een
                        overtreding van het bouwbesluit is niet aanwezig of is onvoldoende
                        aantoonbaar. In een dergelijke situatie kan een besluit tot teopassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op
                        overtreding van artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de Woningwet.
                        Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                        artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                        maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te
                        rechtvaardigen. Voor het bestrijden van geluidsoverlast is ingevolge het
                        Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer voor diverse inrichtingen
                        die geluid produceren een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist.
                        Gelet op het gestelde onder de letter c geldt artikel 7.3.2 niet voor deze
                        vergunningplichtige inrichtingen. Voor het bestrijden van geluidsoverlast
                        afkomstig van horeca-inrichtingen geldt het Besluit horecabedrijven
                        milieubeheer. Voorschrift 2.12 van dit besluit stelt dat de gemeenteraad bij
                        verordening twaalf dagen (of dagdelen) aanwijst waarop de voorschriften 2.1
                        tot en met 2.6 van het Besluit niet van toepassing zijn. Ter uitvoering van
                        deze plicht en in verband met de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer is
                        de Model-APV herzien waarbij de burgemeester bevoegd is om voor het houden
                        van festiviteiten dagen of dagdelen aan te wijzen waarop horeca-inrichtingen
                        de voorschriften met betrekking tot geluid- en trillinghinder niet hoeven na
                        te leven. (Model-APV artikelen 4.1.1 tot en met 4.1.4). Het lijkt alleszins
                        redelijk in de periode dat deze zogenaamde twaalfdagenregeling geldt voor de
                        geluidsoverlast afkomstig van horeca-inrichtingen geen toepassing te geven
                        aan artikel 7.3.2 van de (Model-)bouwverordening. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7.4.1 Preventie</titel></kop><al>Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                        schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene
                        reinheid. Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van
                        excessen. Voor de duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze
                        bepaling onmisbaar. Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 5 Watergebruik</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat burgemeester en
                        wethouders de beschikking hebben genomen. Zie de toelichting bij de
                        artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.3. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 6 Installaties</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar
                        of de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden
                        en gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan
                        over nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als
                        een privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                        gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is,
                        ligt dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het
                        onderhoud en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve
                        installaties voor portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische
                        ventilatie, drukverhoging in de waterleiding (hydrofoor) e.d. Tevens is deze
                        bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan terreinrioleringen,
                        inclusief pompen en putten, en op in de grond aangebrachte opvang- en
                        bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater. N.B. Het onderhoud van
                        liftinstallaties is, voor wat betreft de veiligheidsaspecten van gewone
                        personenliften, in principe geregeld in het Besluit liften, dat op de Wet op
                        de gevaarlijke werktuigen berust. </al></divisie><divisie><kop><titel> 8 Slopen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8,
                        tweede lid, letter d, van de Woningwet, en van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit hoofdstuk is een vergunningstelsel
                        opgenomen voor het slopen. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden
                        verbonden gericht op het specifieke sloopproject. Het voornaamste motief
                        voor een uitgebreide sloopregeling in de bouwverordening is gelegen in een
                        bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel mogelijk hergebruiken van
                        deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op het bouwafval
                        staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting daarop verwijzen
                        wij hier. Voordat werd gekozen voor het invoeren van een nieuwe beschikking,
                        de sloopvergunning, is overwogen of het mogelijk is in de bouwverordening
                        het selectief slopen, het scheiden en gescheiden afvoeren afdoende te
                        regelen in algemeen geldende eisen. Gelet op de huidige stand van zaken en
                        de toch zeer uiteenlopende sloopprojecten en locaties bleek dit niet
                        haalbaar. Bovendien is een sloopvergunning voor het verwijderen van asbest -
                        voor zover niet kan worden volstaan met een melding - in het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorgeschreven. </al><al/><al><vet>Asbest</vet> In het Staatsblad van 17 juni 1993, nr. 290 is het
                        Asbestverwijderingsbesluit gepubliceerd. Dit besluit is opgevolgd door het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005, Stb. 2005, 704 van 27 december 2005 en is
                        gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke stoffen en op de Woningwet. Dit
                        besluit bevat regels voor de verwijdering van asbest bij het slopen van
                        bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het besluit heeft voor
                        zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe werking voor de
                        burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot regelgeving
                        in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de bouwverordening
                        zijn bindend voor de burger. Het laatstgenoemde besluit is in werking
                        getreden op 1 maart 2006. Artikel 8, negende lid, van de Woningwet bepaalt
                        dat de gemeenteraad een jaar de tijd heeft om dit deel van het besluit - in
                        casu de artikelen 10 en 11 - in de bouwverordening op te nemen en dus
                        uiterlijk op 18 juni 1994 van kracht te doen zijn. Het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van
                        toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie
                        uit deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van de
                        bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te
                        raadplegen, in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32).</al><al><cursief>Incident</cursief></al><al>Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit),
                        zoals een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde
                        lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in
                        geval van een calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                        asbestbranden”. </al><al>Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak. </al><al>Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten
                        die tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                        asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met
                        de bij het incident passende spoed te gebeuren.</al><al><cursief>Certificering</cursief></al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen
                        naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al>De instantie die zich bezig houdt met de certificering is: Stichting
                        Certificatie Asbest, Postbus 22, 6720 AA Bennekom e-mail: info@ascert.nl,
                        fax: 0317-425725, website: www.ascert.nl.</al><al><cursief>Risicoklasse</cursief></al><al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                        arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in
                        risicoklassen ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van
                        de arbo-regels. Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning.</al><al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                        arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was
                        meldingen te doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</al><al><cursief>Intensivering van de handhaving</cursief> Langs verschillende
                        kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de handhaving van de
                        sloopvoorschriften. De VNG heeft in de ledenbrief over Ketenhandhaving
                        asbest van 12 februari 2007, Lbr. 07/07 aandacht gevraagd voor de handhaving
                        van de voorschriften over asbestverwijdering en de LOMprojecten over
                        ketenhandhaving asbest. De Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland
                        publiceert in de eerste helft van 2007 de “Handreiking slopen.
                        Vergunningverlening, controle en handhaving”. Deze handreiking staat ook op
                        de site van deze vereniging: www.vereniging-bwt.nl Medio 2007 verschijnt
                        over de uitvoering van de voorschriften over asbestverwijdering de VROM
                        publicatie Uitvoeringsmethodiek Asbestverwijderingsbesluit 2005 (UM Asbest).
                        Hieraan werken mee het ministerie van VROM, de VROM-Inspectie, het
                        ministerie van SZW / Arbeidsinspectie, Infomil, de vereniging BWT Nederland,
                        de VNG en het LOM. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 1 Sloopvergunning</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</titel></kop><al>De sloopvergunning is een beschikking. Ingevolge de Algemene wet
                        bestuursrecht moet een dergelijke vergunning op schrift zijn gesteld. De
                        Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis
                        voor de sloopvergunning. Tegen de beslissing tot het al dan niet verlenen
                        van de sloopvergunning is bezwaar en beroep mogelijk op grond van de Awb.
                        Lid 1 Het eisen van een vergunning heeft alleen zin wanneer deze
                        controleerbaar en handhaafbaar is. Voorts is het niet de bedoeling alle
                        andere belangen, zonder afwegingsmogelijkheid, ondergeschikt te maken aan
                        het milieubelang. Veel van wat behoort tot het normale onderhoud en het
                        aanbrengen van veranderingen van ondergeschikte betekenis behoeft niet te
                        worden onderworpen aan een sloopvergunning. Ook bij deze activiteiten
                        ontstaat sloopafval. Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden
                        en gescheiden wordt afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden
                        sloopafval voor zover geen asbest bevattend - minder dan 10 m3 - een
                        algemene eis geformuleerd in artikel 8.4.1. Gedacht kan worden aan het
                        slopen ten behoeve van niet-ingrijpende interne verbouwingen. Het
                        verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel of
                        meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de
                        vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1. </al><al>Lid 2 Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor
                        zover het te slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt
                        overeen met een gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat,
                        omdat deze op de sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter
                        plekke niet te controleren. Het splitsen van een sloopwerk in kleinere
                        sloopwerken die elk net onder de 10 m3 komen is een te opvallende methode
                        van ontduiking van de vergunningplicht om kans van slagen te hebben. Mocht
                        dit voorkomen dan is dit een overtreding wegens het ontbreken van een
                        sloopvergunning. Overigens verwachten wij deze ontduiking niet, omdat puin
                        afvoeren naar een puinbreker aanzienlijk minder kost dan storten op een
                        stortplaats. Onder 10 m3 sloopafval wordt verstaan los gestort sloopafval.
                        Lid 3 Uit dit lid blijkt dat aan de sloopvergunning voorschriften kunnen
                        worden verbonden. Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan
                        de vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en
                        met d. Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over
                        het scheiden en gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een
                        nadere detaillering. Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften
                        over de onderwerpen genoemd in het derde en vierde lid van dit artikel. Ad a
                        en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen
                        bouwwerken Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de
                        artikelen 4.8 tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van
                        overeenkomstige toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein
                        enz. staat wordt uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen
                        veiligheid op het bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid
                        van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder zijn als directe norm
                        geformuleerd. Dit betekent dat deze eisen ook gelden indien het
                        vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard behoeft datgene wat via deze
                        vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet nogmaals als voorwaarde
                        te worden opgenomen in een sloopvergunning. Mede afhankelijk van de
                        sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de directe
                        omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld. Van
                        veel belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De
                        veiligheid voor degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort
                        tot de sfeer van de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de
                        Arbeidsinspectie. Een sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig, verlangd
                        en ingediend bij de aanvraag om een sloopvergunning. De regeling daarvoor
                        staat in artikel 8.1.2, tweede lid. Het is de aanvrager van de vergunning
                        die de sloopmethode kiest. Pas wanneer de gekozen methode leidt tot strijd
                        met de bepalingen van dit hoofdstuk, bij voorbeeld over het selectief
                        slopen, de veiligheid of het uitvoeren van bodemonderzoek, worden aan de
                        sloopvergunning voorschriften verbonden ter voorkoming van deze
                        strijdigheid. Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren Het is de houder van
                        de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of verwerkingsinrichting
                        wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of transporteur het afval wordt
                        meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de voorschriften van de sloopvergunning
                        en andere regels, bij voorbeeld die over het vervoer van gevaarlijk afval,
                        in acht te worden genomen. In de praktijk komt dit erop neer dat alleen mag
                        worden samengewerkt met vergunninghoudende inzamelaars en transpor-teurs
                        voor het gevaarlijk afval en alleen mag worden toegeleverd aan bewerkings-
                        en verwerkingsinrichtingen die beschikken over een vergunning ingevolge de
                        Wet milieubeheer. De voorschriften in de sloopvergunning mogen geen
                        'gedwongen winkelnering' inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren
                        naar bedrijf X, terwijl voor dat afval de bedrijven Y en Z ook
                        vergunninghouder zijn. De fracties waarin moet worden gescheiden worden
                        vermeld in de vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van
                        de hoeveelheid en samenstelling van het te verwachten afval en van de
                        acceptatievoorwaarden van in de regio aanwezige bewerkings- en
                        verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest minimale scheiding vastgelegd
                        die voortvloeit uit landelijke regelgeving. Naast deze drie
                        'onvermijdelijke' fracties - gevaarlijke afvalstoffen, asbest en overig
                        afval - verdient het aanbeveling om ten minste de volgende fracties als
                        voorwaarde in de sloopvergunning op te nemen: </al><lijst><li nr="·"><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips; </al></li><li nr="·"><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; </al></li><li nr="·"><al>met PAKS verontreinigde materialen; </al></li><li nr="·"><al>asfalt; </al></li><li nr="·"><al>dakgrind; </al></li><li nr="·"><al>glas (vlakglas) voorzover een inzamelstructuur beschikbaar is. </al></li></lijst><al>De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer. Wanneer
                        de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het bepaalde
                        in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel 5 van
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Een opdrachtgever doet er verstandig
                        aan een sloopaannemer te kiezen die is gekwalificeerd voor het soort
                        sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere sloopwerken is dit vrijwel
                        steeds een gespecialiseerd bedrijf. Welke voorschriften, wanneer en waarvoor
                        Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een
                        vergunning worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te
                        slopen bouwwerk en de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in
                        welke hoeveelheden en welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van
                        containers) en voorts van de in de regio beschikbare verwijderingstructuren,
                        waaronder bewerkings- en verwerkingscapaciteit. Er is voor gekozen geen
                        indicatie te geven voor de verschillende inzamelstructuren en bewerkings- of
                        verwerkingsstructuren, omdat deze sterk regionaal of lokaal kunnen
                        verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het is daarom noodzakelijk
                        dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de vergunningaanvraag, op de
                        hoogte is van de lokale en regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop
                        vrijkomende afvalstromen. Het is van belang dat voordat een aanvraag om
                        sloopvergunning wordt getoetst de hergebruikmogelijkheden bij de
                        beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij moeten de volgende aspecten
                        worden nagegaan: </al><lijst><li nr="·"><al>wat kan worden hergebruikt; </al></li><li nr="·"><al>wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie; </al></li><li nr="·"><al>kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet; </al></li><li nr="·"><al>aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te voldoen;
                            </al></li><li nr="·"><al>wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers,
                                sorteerders en inzamelaars. </al></li></lijst><al> Onderzoek Voordat de aanvraag om sloopvergunning kan worden ingediend
                        moeten de volgende onderzoeken plaatsvinden: </al><lijst><li nr="·"><al>Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen
                                gedeelte daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede
                                lid, letter f); </al></li><li nr="·"><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat
                                een te slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is
                                verontreinigd met gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische
                                afvalstoffen) als bedoeld in het BAGA, dient een onderzoek te worden
                                ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport
                                met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning
                                worden gevoegd (MBV artikel 8.1.2, derde lid); </al></li><li nr="·"><al>Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest
                                aanwezig is, moeten overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2,
                                daarover bij het indienen van een aanvraag om sloopvergunning
                                gegevens worden ingediend. Op grond van artikel 3 van het
                                Asbestverwijderingsbesluit 2005 geldt een onderzoeksplicht naar de
                                aanwezigheid van asbest door een deskundig, dat wil zeggen daartoe
                                gecertificeerd bedrijf. </al></li></lijst><al>Achterin deze toelichting is als bijlage 8 opgenomen een Keuzetabel voor de
                        vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van
                        de sloopvergunning een handreiking voor een verdergaande scheiding dan
                        normaliter in de voorwaarden van de sloopvergunning verplicht is gesteld om
                        op de slooplocatie uit te voeren. Uiteraard kan genoemde houder voor een
                        verdergaande scheiding zowel financiële als milieuhygiënische overwegingen
                        in zijn beschouwing betrekken. Inzamel- en recyclingsystemen voor
                        kunststoffen Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen.
                        Door de producenten van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de
                        producenten van kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze
                        twee deelstromen inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld. De VKG heeft met
                        het Ministerie van VROM op 19 januari 1993 een overeenkomst gesloten over de
                        inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en deuren. Daartoe
                        zal een stichting worden belast met het (doen) inzamelen en herverwerken van
                        alle aangeboden oude kunststof kozijnen, ramen en deuren. De FKS heeft met
                        het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de volledige
                        inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                        kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene
                        die sloopt een container kan huren waarin de afval geworden
                        kunststofleidingen worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten
                        ketenbeheer, functionerend voor het gehele land. Andere kunststoffen dan
                        hier genoemd kunnen niet worden afgevoerd via met dit inzamelsysteem. Andere
                        inzamelsystemen Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier
                        van het product en die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer
                        geschikt te maken voor hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol
                        (minerale wol) en voor aluminium. De informatie over deze inzamelsystemen is
                        te verkrijgen bij de leverancier en bij de brancheorganisatie. Ad d Gegevens
                        die na de vergunningverlening worden ingediend De gegevens die nodig zijn
                        voor de beoordeling van het in behandeling nemen van een aanvraag om
                        sloopvergunning behoren te worden ingediend bij de aanvraag. De artikelen
                        8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van degene die met het
                        slopen zal worden belast - gewoonlijk de aannemer - zijn dikwijls nog niet
                        bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om sloopvergunning. Deze
                        gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling van het in behandeling
                        nemen. In de sloopvergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende
                        dat uiterlijk ... (bij voorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de
                        sloopwerkzaamheden de naam en het adres van degene die met de
                        sloopwerkzaamheden is belast worden overgelegd aan burgemeester en
                        wethouders of de directeur van het (gemeentelijk) bouwtoezicht. Het gebruik
                        van een mobiele puinbreker In de meeste provincies bevat de provinciale
                        milieuverordening sinds omstreeks 1996 een regeling voor de toelaatbaarheid
                        van mobiele puinbrekers op slooplocaties. Een dergelijke regeling maakt
                        voorschriften ter zake in de gemeentelijke bouwverordening overbodig. In een
                        concreet geval raadplege men de desbetreffende provinciale griffie over de
                        vraag of, en zo ja welke, provinciale voorschriften terzake gelden. In de
                        bouwverordening van de gemeenten die in de overige provincies liggen,
                        blijven de voorschriften voor het gebruik van een mobiele puinbreker echter
                        zinvol. Zulke voorschriften stonden tot en met de derde serie wijzigingen
                        ook in de Model-bouwverordening 1992. Zij bestonden uit: </al><lijst><li nr="a."><al>een extra tekstelement in de opsomming van het derde lid, luidende:
                                x het gebruik van een mobiele puinbreekinstallatie die is opgesteld
                                op de sloopplaats, voorzover de toestemming, als bedoeld in het
                                vijfde lid, van toepassing is; </al></li><li nr="b."><al>een vijfde lid, luidende: 5 Het bewerken van het sloopafval op de
                                plaats waar dit afval vrijkomt, is niet toegestaan. </al></li></lijst><al>Op verzoek van de aanvrager van de sloopvergunning kan, onder in de
                        vergunning te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de sloopplaats
                        het beton en metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde mobiele
                        puinbreekinrichting. Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ van 15
                        januari 2004, Stb. 2004, 25 bevat alle voorschriften ten aanzien van mobiele
                        brekers en is in werking getreden op 1 maart 2004. Vanaf deze datum zijn de
                        in enkele gemeentelijke bouwverordeningen nog bestaande voorschriften over
                        mobiele brekers van rechtswege vervallen. De hogere regeling treedt in de
                        plaats van de lagere regeling. Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven
                        in genoemd besluit is het toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in
                        de directe nabijheid daarvan een mobiele puinbreker op te stellen waar het
                        steenachtige bouw- en sloopafval wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten
                        periode van ten hoogste drie maanden. Het is verboden om met een mobiele
                        puinbreker bouw- en sloopafval te bewerken dat afkomstig is van andere bouw-
                        of slooplocaties dan die waarbij de breker is opgesteld. Interessant is de
                        uitspraak ABRS 24 maart 2004, Gst. 7208, 90 m.nt. Nijmeijer en Teunissen.
                        Een (mobiele) puinbreekinstallatie is een bouwvergunningplichtig bouwwerk.
                        De binnenplanse vrijstelling afvalverwerking is hierop van toepassing. Lid 4
                        Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                        derde lid waarover in de sloopvergunning voorschriften worden gesteld.
                        Afhankelijk van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of
                        bepaalde handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk
                        afval zware eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag
                        ervan. De tweede zin verplicht burgemeester en wethouders over het
                        afzonderlijk gereed maken voor de afvoer van het sloopproject van asbest en
                        de termijn waarbinnen dit moet gebeuren een voorschrift in de vergunning op
                        te nemen. Deze verplichting staat in artikel 10, letter e, van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al>Lid 5 Indien op grond van het zesde lid van artikel 45 van de Woningwet een
                        tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden bouwwerk, is verleend en
                        daarin voorschriften zijn opgenomen over het slopen van het tijdelijke
                        bouwwerk – meestal in de zin van het uit elkaar nemen en opslaan van de
                        onderdelen van het bouwwerk totdat het bouwwerk opnieuw wordt opgebouwd - is
                        daarvoor geen afzonderlijke sloopvergunning nodig. De tijdelijke
                        bouwvergunning dient de nodige voorschriften te bevatten voor het slopen van
                        het bouwwerk. Uit de Memorie van Toelichting bij de Woningwet blijkt dat met
                        name gedacht wordt aan strandpaviljoens, bouwwerken voor jaarlijks
                        terugkerende evenementen e.d. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><al>Het verlenen en het weigeren van een sloopvergunning is een besluit in de
                        zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Afdeling 3:4 van de Awb – de
                        zogeheten Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (UOV) - is niet van
                        toepassing op de behandeling van een verzoek om sloopvergunning. Het lijkt
                        niet zinvol, deze UOV van toepassing te verklaren op de
                        sloopvergunning.</al><al>Aanvullend op de eisen die in dit artikel zijn gesteld gelden de
                        voorschriften van de Awb over het indienen van verzoeken om besluiten,
                        indienen door een gemachtigde enz.</al><al> Leden 1 en 2</al><al>Bepaald is wat moet worden ingediend om een sloopvergunning te kunnen
                        verkrijgen. Het bepaalde onder letter g is ingevoerd om coerdinatie tussen
                        bouwvergunning en sloopvergunning mogelijk te maken. Zie voorts artikel
                        8.1.5, tweede lid. Ook wanneer een bouwvergunning is vereist en het bouwen
                        tevens (gedeeltelijk) slopen inhoudt is een sloopvergunning vereist. De
                        bouwvergunning houdt derhalve niet in dat mag worden gesloopt. Voor deze
                        situatie van samenloop van twee vergunningen is artikel 8.1.5, eerste lid,
                        bedoeld. De aanvrager is niet verplicht beide vergunningen gelijktijdig aan
                        te vragen. Doet hij dit wel, dan heeft dit voor hem (en overigens ook voor
                        de gemeente) enige procedurele voordelen. De in te dienen gegevens over de
                        aanwezigheid van asbest in een te slopen bouwwerk en de plaatsen waar dit
                        asbest zich bevindt dienen om een juist beeld te krijgen van de verwijdering
                        van asbest en om vast te stellen welke overige bepalingen van de
                        bouwverordening hierop van toepassing zijn. Een asbestinventarisatierapport,
                        waaruit blijkt waar het asbest zich bevindt, opgesteld door een deskundig
                        bedrijf, is verplicht. Een dergelijk rapport behoeft niet te worden
                        overgelegd indien een van de gevallen zich voordoet als bedoeld in het derde
                        of vierde lid. Voor agrarische bedrijfsgebouwen zijn in het verleden op
                        grote schaal asbesthoudende bouwmaterialen toegepast, onder meer
                        asbestcementgolfplaten als dakbedekking. Tegenwoordig ontstaan er in de
                        agrarische sector in verscheidene streken van Nederland initiatieven tot
                        projectmatige asbestverwijdering vanaf een reeks agrarische bedrijfsgebouwen
                        in de gemeente. Het verlenen van één enkele zogenaamde
                        paraplusloopvergunning voor het gehele asbestverwijderingsproject is in dat
                        geval minder omslachtig dan het verlenen van individuele sloopvergunningen
                        voor de verwijderingswerkzaamheden aan ieder agrarisch bedrijfsgebouw
                        afzonderlijk. Een dergelijke paraplusloopvergunning behoeft niet op
                        juridische bezwaren te stuiten, indien een nauwkeurige plaatsaanduiding van
                        alle agrarische bedrijfsgebouwen die in het kader van dat
                        asbestverwijderingsproject zullen worden aangepakt, wordt opgenomen in de
                        vergunningaanvraag. Aldus komen ook voor paraplusloopvergunningen tijdig en
                        volledig de gegevens beschikbaar die noodzakelijk zijn, omdat vergunningen
                        ingevolge de Algemene wet bestuursrecht vatbaar zijn voor bezwaar en beroep.
                        Zie voor een verdere toelichting op de consequenties van laatstgenoemde wet
                        voor sloopvergunningen de aanhef van de toelichting op het onderhavige
                        artikel. Een sloopveiligheidsplan als bedoeld onder letter i van het tweede
                        lid is te vergelijken met een bouwveiligheidsplan als bedoeld in artikel
                        1.2.5 onder a van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten en is
                        slechts nodig in enkele risicovolle sloopprojecten. Een dergelijk plan
                        behoort zeker niet tot de standaardbescheiden bij een aanvraag om
                        sloopvergunning. In een overleg voorafgaande aan het indienen van een
                        aanvraag kan blijken of een dergelijk plan nodig is. De zinsnede 'en voorts,
                        indien van toepassing' duidt erop dat slechts indien door of namens
                        burgemeester en wethouders het opstellen van een sloopveiligheidsplan van
                        toepassing is verklaard, aan deze plicht behoeft te worden voldaan. Over het
                        tijdstip waarop het plan wordt ingediend wordt verwezen naar het eerste lid
                        van artikel 8.1.3 en de Algemene wet bestuursrecht.</al><al> Lid 3 </al><al>Algemeen</al><al>De aanvrager dient op het aanvraagformulier aan te geven dat hij vermoedt
                        dat het bouwwerk geen asbest bevat. Op grond van artikel 8.1.2, lid 3, wordt
                        aan hem de verplichting opgelegd om aan te tonen waarop deze verwachting is
                        gebaseerd. Op grond van diverse feiten of omstandigheden kan aannemelijk
                        zijn dat er geen asbest in het bouwwerk aanwezig is. Door het Ministerie van
                        VROM, de bouwpraktijk en de VNG zijn gevallen geïnventariseerd waarin de
                        aanvrager van een sloopvergunning kan aangeven dat hij vermoedt dat er geen
                        sprake is van verwijdering van asbest en op welke wijze dit ten genoegen van
                        burgemeester en wethouders moet worden aangetoond. Deze gevallen zijn
                        opgesomd in het onderhavige lid 3. Dit lid is een direct werkend
                        voorschrift, waarop de indiener van een verzoek om sloopvergunning zich kan
                        beroepen door op het aanvraagformulier aan te geven dat en waarom geen
                        onderzoeksrapport is bijgevoegd. De gedachte achter deze inventarisatie is
                        dat wordt voorkomen dat de plicht tot het doen van een onderzoek naar asbest
                        onevenredig hoge maatschappelijke kosten met zich brengt, omdat de kans op
                        de aanwezigheid van asbest niet in verhouding tot die kosten staat. In
                        sommige gevallen is het evident dat het te slopen bouwwerk geen asbest
                        bevat. In andere gevallen kan de aanvrager zelf constateren dat er
                        vermoedelijk geen asbest aanwezig is. Bij de inventarisatie van de gevallen
                        waarin de aanvrager van een sloopvergunning kan aangeven dat er geen sprake
                        is van verwijdering van asbest, is als richtlijn genomen dat het bouwwerk,
                        gelet op bouwconstructie en gebruikte materialen, betrekkelijk eenvoudig
                        moet zijn. Niet valt uit te sluiten dat zich in de praktijk vergelijkbare
                        gevallen zullen aandienen, waarin gemeente en aanvrager het erover eens zijn
                        dat aannemelijk is dat er geen asbest in het bouwwerk aanwezig is. Het
                        voorstel biedt de mogelijkheid aan de aanvrager om ten genoegen van
                        burgemeester en wethouders in andere, vergelijkbare gevallen of op andere,
                        vergelijkbare wijze aan te tonen dat de verplichting om een onderzoek door
                        een deskundig bedrijf te overleggen niet van toepassing is. </al><al>Onder b</al><al>Voor medio 1997 was het reeds praktijk dat - voorafgaand aan met name grote
                        sloopprojecten - een onderzoek naar de aanwezigheid van asbest plaatsvond.
                        Deze onderzoeksrapporten zijn alleen aanvaardbaar als alternatief indien
                        daarin aandacht wordt besteed aan alle aspecten waaraan in BRL 5052 eisen
                        worden gesteld. Burgemeester en wethouders bepalen, zo nodig met externe
                        ondersteuning, of het onderzoek aan deze criteria voldoet. Indien het
                        onderzoeksrapport niet aan deze eisen voldoet, dient alsnog een onderzoek
                        door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf plaats te vinden. Een dergelijk
                        onderzoek kan als voldoende deskundig uitgevoerd worden beschouwd, indien
                        het aan de volgende criteria voldoet: </al><lijst><li nr="·"><al>De gebruikte onderzoeksmethode is goed beschreven en levert in
                                principe dezelfde basisgegevens op als zijn vastgelegd in
                                beoordelingsrichtlijn BRL 5052, uitgave 1998. </al></li><li nr="·"><al>De opdracht tot het uitvoeren van een volledig asbestonderzoek moet
                                duidelijk omschreven zijn. </al></li><li nr="·"><al>Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een bedrijf en/of personen
                                met een aantoonbare expertise in onderzoeken naar asbesthoudende
                                materialen. </al></li></lijst><al>Personen met een dergelijke expertise zijn bijvoorbeeld medewerkers van
                        woningcorporaties met een toereikende opleiding, in het algemeen blijkend
                        uit het bezit van een diploma deskundig toezichthouder asbestsloop (DTA).
                        Samenvattend kan worden gesteld dat, op grond van BRL 5052, een
                        onderzoeksrapport ten minste de volgende onderwerpen dient te bevatten: </al><lijst><li nr="·"><al>een samenvatting; </al></li><li nr="·"><al>de resultaten van een visuele inspectie, zo nodig aangevuld met
                                informatie uit desk research; </al></li><li nr="·"><al>de bemonstering; </al></li><li nr="·"><al>de laboratoriumanalyses; </al></li><li nr="·"><al>een overzicht van de hoeveelheden, exacte plaatsen en wijze van
                                bevestiging van het asbestbevattende materiaal; </al></li><li nr="·"><al>een overzicht van de plaatsen waar niet is geïnventariseerd, maar
                                waar mogelijk nog asbestbevattend materiaal aanwezig is. </al></li></lijst><al>De toepassing en verkoop van asbesthoudende materialen is sinds 1 juli 1993
                        verboden. Dit betekent dat wanneer een dergelijk onderzoek na 1 juli 1993
                        heeft plaatsgevonden, dit nog steeds een betrouwbaar beeld van de
                        aanwezigheid van asbest zal geven. Ook onderzoeken van eerdere datum kunnen
                        bij de beoordeling worden betrokken indien uit de schriftelijke verklaring
                        blijkt dat de onderzochte situatie later niet meer gewijzigd is. Hiervoor
                        kan onder andere informatie ingewonnen worden bij de eigenaar, de beheerder
                        of de huurder. </al><al> Onder c</al><al>De situatie dat het te slopen bouwwerk na 1 januari 1994 is gebouwd, is
                        opgenomen omdat de verkoop en verwerking van asbest door bedrijven sinds 1
                        januari 1994 verboden is. Het heeft derhalve vrijwel geen zin om bouwwerken
                        die na 1 januari 1994 zijn gebouwd, te onderzoeken op de aanwezigheid van
                        asbest. Als bewijs voor deze motivering moet de aanvrager een schriftelijk
                        stuk overleggen, waaruit blijkt dat het bouwwerk, dan wel het te slopen deel
                        van het bouwwerk, na 1 januari 1994 is gebouwd. </al><al> Onder d </al><al>Vooral bij bouwwerken van recente datum zal de bouwer bij de aanvrager
                        bekend zijn. De verklaring van de aanvrager omtrent later uitgevoerde
                        verbouwingen kan worden ondersteund door verklaringen van de bouwer en/of de
                        fabrikant dat het hierbij toegepaste materiaal geen asbest bevat. Deze
                        situatie is echter niet beperkt tot later uitgevoerde verbouwingen. Ook van
                        tussentijds aangebrachte voorzieningen, bijvoorbeeld brandwerende
                        voorzieningen, dient te worden aangetoond dat deze geen asbest bevatten.
                        Hiervoor kan onder andere informatie ingewonnen worden bij de eigenaar, de
                        beheerder of de huurder. </al><al>Onder e </al><al>Sinds de risico's van asbest bij de consument bekend zijn geworden, zijn
                        fabrikanten overgegaan tot het (op verzoek) verklaren dat hun product vrij
                        is van asbest. In de corporatiepraktijk is het gebruikelijk dat aannemers
                        bij gebruik van asbestverdachte materialen, zoals golfplaten, verklaringen
                        van de fabrikant overleggen, waaruit blijkt dat daarin geen asbest is
                        gebruikt. Onderzoek door een deskundig bedrijf is in deze eenvoudige
                        situatie onnodig; voor de sloop van bepaalde materialen kan met deze
                        verklaringen worden volstaan. Onder verwijdering van bepaalde materialen
                        wordt bijvoorbeeld verstaan verwijdering van vinylvloerbedekking of
                        standleidingen uit een serie woningen. Zie ook de toelichting onder f. </al><al><cursief>Visuele inspectie</cursief></al><al>De voorheen bestaande mogelijkheid om aan de hand van een visuele inspectie
                        de aanwezigheid van asbest te bepalen is met de 11<sup>e</sup> serie van
                        wijzigingen vervallen.</al><al>De visuele inspectie aan de hand van de checklist van bijlage 8 van de
                        bouwverordening leidde nogal eens tot een discussie tussen de gemeente en de
                        aanvrager, waarbij de eerste meent dat wel moet worden uitgegaan van
                        asbestverdachte materialen en de tweede meent dat de visuele inspectie
                        voldoende houvast biedt om aan te nemen dat geen asbest aanwezig is. Mede
                        gelet op de strekking van het nieuwe Asbestverwijderingsbesluit om minder
                        uitzonderingen toe te laten op de asbestinventarisatieplicht dan voorheen
                        het geval was, is de visuele inspectie aan de hand van de toen bestaande
                        checklist bijlage 8 vervallen. </al><al>De genoemde checklist gaat naar de toelichting en vormt als bijlage bij de
                        toelichting een nuttige handreiking bij de uitvoering. </al><al>Het vierde lid dat handelt over de verplichte asbestinventarisatie is
                        aangescherpt in die zin dat de gevallen waarin een dergelijk
                        inventarisatierapport niet behoeft te worden overgelegd bij de aanvraag om
                        sloopvergunning is beperkt. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de tekst
                        van artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 met het tekstgedeelte
                        “… beschikt … over een asbestinventarisatierapport indien hij weet of
                        redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk…. asbest … bevindt.” De
                        combinatie van de herziene leden 3 en 4 van artikel beoogt hier invulling
                        aan te geven. </al><al>Lid 4</al><al>Bij het verzoek om een sloopvergunning moet worden vermeld of zich in het te
                        slopen (deel van een) bouwwerk asbest bevindt. Aan de hand van een aantal
                        criteria kan de mate van waarschijnlijkheid en daarmee de noodzaak om een
                        asbestinventarisatie te doen plaatsvinden worden vastgesteld. Deze criteria
                        zijn ontleend aan het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit besluit wordt
                        in artikel 3, eerste lid, de formulering gebruikt ‘indien hij weet of
                        redelijkerwijs kan weten’. Dit voorschrift richt zich tot degene die
                        voornemens is te slopen.</al><al>In dit vierde lid van artikel 8.1.2 worden twee situaties genoemd waarin het
                        niet nodig is een asbestinventarisatierapport te doen opstellen. </al><al>Indien zich geen der situaties als bedoeld in het derde lid en het vierde
                        lid voordoet is altijd een asbestinventarisatierapport van een deskundig
                        bedrijf vereist. </al><al>Lid 5</al><al>Degene die voornemens is een sloopvergunning aan te vragen kan indien het
                        historisch gebruik hem onbekend is bij de gemeente navraag doen naar het
                        historisch gebruik van het gebouw. Over de verwachting verontreiniging aan
                        te treffen en de daaraan te verbinden conclusie - wel of geen onderzoek
                        instellen - is vooroverleg met de gemeente verstandig. </al><al>Lid 6</al><al>Het aantalvoud waarin de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten
                        worden ingediend kan per gemeente verschillen, mede afhankelijk van de
                        plaatselijke organisatie. Het opstellen van een sloopveiligheidsplanAnaloog
                        aan het bouwveiligheidsplan kan, bij complexe sloopprojecten en/of een
                        omgeving met een hoge bebouwingsdichtheid of een hoge verkeersintensiteit,
                        de externe veiligheid bijzondere aandacht vergen. De maatregelen die de
                        aanvrager om sloopvergunning denkt te nemen, moeten voorafgaand aan de sloop
                        aan de hand van een sloopveiligheidsplan kunnen worden getoetst. Er wordt
                        met nadruk op gewezen dat het sloopveiligheidsplan als bedoeld in dit
                        artikel alleen betrekking heeft op de weg, de in de weg gelegen werken, de
                        weggebruikers, de naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun
                        gebruikers. </al><al>Wanneer is een sloopveiligheidsplan nodig</al><al>Indien de bedreigingen die uitgaan van activiteiten omtrent slopen (bijlage
                        5 van de toelichting) zich uitstrekken tot boven gronden en bebouwingen
                        buiten de afgrenzing van het sloopterrein, zullen maatregelen nodig zijn om
                        deze bedreigingen weg te nemen. Afhankelijk van de locatiespecifieke
                        omstandigheden kan het nodig zijn deze maatregelen in een
                        sloopveiligheidsplan op te nemen (bijlage 6 van de toelichting). Een
                        sloopveiligheidsplan is slechts dan nodig indien de locatiespecifieke
                        omstandigheden dusdanig complex zijn dat het zonder een dergelijk plan voor
                        het bouw- en woningtoezicht niet mogelijk is om de externe veiligheid op
                        voorhand afdoende te beoordelen, terwijl duidelijk sprake is van
                        bedreiging(en) van de externe veiligheid. Aan de hand van enkele voorbeelden
                        is hierna één en ander verduidelijkt. </al><al>Wat is de inhoud van het sloopveiligheidsplan</al><al>De inhoud van het sloopveiligheidsplan is afhankelijk van de
                        locatiespecifieke omstandigheden. In de in bijlage 6 van de toelichting
                        opgenomen checklist wordt voor de verschillende bedreigde objecten en
                        functies een aantal mogelijke maatregelen gegeven die in het
                        sloopveiligheidsplan kunnen worden opgenomen. De aanvrager om
                        sloopvergunning kan in zijn sloopveiligheidsplan gelijkwaardige maatregelen
                        opnemen die niet op deze checklist voorkomen. In bijlage 7 van de
                        toelichting is een voorstel gedaan voor een inhoudsopgave van een
                        sloopveiligheidsplan. </al><al>Toetsing van het sloopveiligheidsplan</al><al>De in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist van bedreigde
                        objecten en functies en maatregelen kan dienen als hulpmiddel bij het
                        opstellen en toetsen van een sloopveiligheidsplan, door na te gaan of de
                        betreffende situatie en voorgestelde maatregel(en) vergelijkbaar is/zijn met
                        de in de checklist gegeven objecten, functies en maatregelen. </al><al>Vooroverleg</al><al>Bij complexe en/of risicovolle sloopprojecten is een (informeel) vooroverleg
                        vaak noodzakelijk. Voor wat betreft de externe veiligheid bij het slopen
                        dienen bij een vooroverleg de met de sloop samenhangende bedreigingen, de
                        bedreigde objecten en functies en de locatiespecifieke omstandigheden bekend
                        te zijn, zodat reeds in het vooroverleg (met de juiste instanties) kan
                        worden bepaald of er een sloopveiligheidsplan noodzakelijk is en waar het
                        sloopveiligheidsplan zich op dient te richten. </al><al>Voorbeelden</al><al>Voorbeeld 1: Sloop van gebouw met een hoge gevel (30 m) aan een smalle (20
                        m) drukke winkelstraat met een tram, voetgangers, fietsers en auto's. De weg
                        dient gedurende de sloopwerkzaamheden al zijn verkeersfuncties te blijven
                        vervullen. De bovenleiding van de tram is bevestigd aan de gevel van het te
                        slopen gebouw. Voor slopen van het dak is een kraan nodig. Het zal duidelijk
                        zijn dat in deze complexe situatie de externe veiligheid een belangrijke rol
                        speelt. In het sloopveiligheidsplan zullen opgenomen moeten worden: </al><lijst><li nr="·"><al>gegevens waaruit blijkt dat de sloopmethode geen bedreiging vormt
                                (dit kan inhouden dat de voorgevel met de hand moet worden
                                gesloopt); </al></li><li nr="·"><al>de maatregelen ter bescherming van de weggebruikers, zoals
                                bijvoorbeeld uitstekers (om de zoveel verdiepingen) of
                                voetgangertunnels; </al></li><li nr="·"><al>de verkeerscirculatie gedurende de sloop; </al></li><li nr="·"><al>de wijze waarop wordt omgegaan met de bovenleiding van de tram;
                            </al></li><li nr="·"><al>het tijdstip, de tijdsduur en de wijze van de hijswerkzaamheden.
                            </al></li></lijst><al>Voorbeeld 2: Afhijsen van kerktoren (60 m) in dicht bebouwde binnenstad. Er
                        is te weinig ruimte voor een mobiele kraan. Er zal boven woningen moeten
                        worden gewerkt. In het sloopveiligheidsplan zal onder meer aandacht moeten
                        worden geschonken aan: </al><lijst><li nr="·"><al>de aan/afvoer en op/afbouw van de kraan; </al></li><li nr="·"><al>de draagkracht van het wegdek; </al></li><li nr="·"><al>de duur, het tijdstip van de werkzaamheden; </al></li><li nr="·"><al>het voorkomen van schade en gevaar als gevolg van het afbreken van
                                de hijslast of delen daarvan; </al></li><li nr="·"><al>eventueel tijdelijk te ontruimen bouwwerken. </al></li></lijst><al>Voorbeeld 3: Gedeeltelijke sloop van pand met belendingen. De sloop betreft
                        ook de funderingen. Er zal daarom een bouwput nodig zijn met bemaling. De
                        gevel van het gebouw is in slechte staat, maar moet behouden blijven. Er is
                        sprake van gemeenschappelijke bouwmuren. De belendende panden zijn oud, in
                        een matige staat en bezitten een historische waarde. In het
                        sloopveiligheidsplan zullen de volgende aspecten minimaal aan de orde moeten
                        komen: </al><lijst><li nr="·"><al>stabiliteit resterende gevel, bijvoorbeeld met behulp van stalen
                                steunconstructie; </al></li><li nr="·"><al>sloopmethode in verband met trillingen, trillingsarm slopen; </al></li><li nr="·"><al>bemaling in verband met grondwaterstand; </al></li><li nr="·"><al>stabiliteit belendingen in verband met bouwput; </al></li><li nr="·"><al>verankeringen in gemeenschappelijke bouwmuur. </al></li></lijst><al>Voorbeeld 4: Sloop van een 60 meter hoog gebouw op een bedrijfsterrein, te
                        midden van andere bedrijfsgebouwen en wegen. Het gebouw bevindt zich ten
                        minste 500 meter van de afgrenzing van het bedrijfsterrein. In dit geval is
                        er geen sprake van bedreiging van de externe veiligheid, gezien de afstand
                        tot de openbare weg. Er is dan ook geen sloopveiligheidsplan noodzakelijk. </al><al>Voorbeeld 5: Wanneer uit een rij aaneengesloten woningen er één wordt
                        gesloopt kan dit tot gevolg hebben dat een woningscheidende wand na de sloop
                        buitenwand (uitwendige scheidingsconstructie) wordt. De consequentie dat
                        deze wand regenwerend moet worden gemaakt en ook overigens zal moeten gaan
                        voldoen aan de eisen die gelden voor een uitwendige scheidingsconstructie
                        zoals bedoeld in het Bouwbesluit bestaande woningen en woongebouwen kan
                        vooraf worden besproken tussen partijen. Het verhaal van eventuele schade is
                        een privaatrechtelijke aangelegenheid. De overheid kan volstaan met het
                        stellen van voorschriften tot het voorkomen van schade. </al><al>Voorbeeld 6: Gedeeltelijke sloop vindt plaats en het overige deel van het
                        bouwwerk blijft bestaan en blijft in gebruik. Afhankelijk van de gekozen
                        sloopmethode en de samenstelling van het bouwwerk kan het nodig zijn een
                        voorschrift op te nemen over het voorkomen van brand. </al><al>Aanbevelingen</al><al>Het opvolgen van de onderstaande aanbevelingen kan de externe veiligheid
                        tijdens het slopen vergroten: </al><lijst><li nr="·"><al>vooroverleg waarin de externe veiligheid ter sprake komt; </al></li><li nr="·"><al>voor de praktijk van aanbesteding is het van belang dat voor het
                                moment dat sloopaannemers inschrijven op een sloopproject bekend is
                                of een sloopveiligheidsplan wordt verlangd en wat de inhoud daarvan
                                moet zijn. Een mogelijkheid is om in het bestek actiepunten met
                                betrekking tot de externe veiligheid op te nemen; (Deze aspecten
                                worden niet als voorschrift aan de sloopvergunning verbonden, omdat
                                zij van privaatrechtelijke aard zijn). </al></li><li nr="·"><al>zodra beschikbaar: procescertificering van sloopbedrijven (hieraan
                                wordt momenteel gewerkt door de brancheorganisaties); </al></li><li nr="·"><al>indien een gemeente onvoldoende ervaring/deskundigheid bezit op het
                                gebied van sloopveiligheid, kan een externe deskundige worden
                                ingeschakeld. </al></li></lijst><al>In de bijlagen 5, 6 en 7 die zich achter de artikelsgewijze toelichting
                        bevinden worden aandachtspunten vermeld voor het opstellen van een
                        sloopveiligheidsplan.' </al><al>Lid 7</al><al>Met betrekking tot het zevende lid, waarin het gebruik van de Nederlandse
                        taal verplicht is gesteld, wordt opgemerkt dat artikel 2:7 van de Algemene
                        wet bestuursrecht de mogelijkheid biedt om verzoeken gericht aan een
                        bestuursorgaan van een gemeente gelegen in de provincie Friesland in de
                        Friese taal te doen. </al><al>Leden 12 en 13</al><al>Het bepaalde in deze leden is een uitwerking van artikel 2, letter g, van
                        het Asbestverwijderingsbesluit. Voorkomen wordt dat voor het slopen van een
                        bouwwerk zowel een vergunning als een melding is vereist. Indien een deel
                        van de sloopwerkzaamheden vergunningplichtig is en een deel meldingplichtig,
                        is het geheel van sloopwerkzaamheden vergunningplichtig en is derhalve het
                        meldingplichtige gedeelte begrepen in de sloopvergunning. Indien per abuis
                        een vergunning wordt aangevraagd terwijl volstaan kan worden met een
                        melding, wordt de aanvraag om sloopvergunning aangemerkt als melding. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Indien niet alle vereiste gegevens bij de aanvraag om een beschikking worden
                        ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.
                        Dit is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Daarbij geldt wel de eis dat de
                        aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door het bestuursorgaan
                        gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Een dergelijke mededeling is een
                        beschikking in de zin van de Awb. Zie voor een uitgebreide uiteenzetting
                        over de procedure de toelichting bij artikel 6.1.3. Het daar gestelde met
                        betrekking tot de gebruiksvergunning geldt mutatis mutandis ook voor de
                        sloopvergunning. Omdat bij het indienen van een aanvraag om sloopvergunning
                        nog geen onderzoeksplicht geldt, kan het gebeuren dat de aanvrager op grond
                        van eigen inzichten meent dat zich in het te slopen bouwwerk geen asbest
                        bevindt, doch dat burgemeester en wethouders op grond van hun ter
                        beschikking staande gegevens menen dat het te slopen bouwwerk wel asbest
                        bevat. Indien burgemeester en wethouders voldoende zeker zijn van hun zaak
                        stellen zij op grond van de tweede zin van dit lid de aanvrager in de
                        gelegenheid de ontbrekende gegevens over de aanwezigheid van asbest aan te
                        vullen binnen vier weken. </al><al>Lid 2</al><al>Dit lid strekt ertoe de gegevens over degene die het sloopwerk uitvoert
                        buiten de procedure van artikel 4:5 Awb te houden. Deze gegevens mogen op
                        een later tijdstip doch voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden worden
                        ingediend. Zie daarover de toelichting bij artikel 8.1.1, derde lid, letter
                        d. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</titel></kop><al>Ingevolge het eerste lid moeten burgemeester en wethouders binnen twaalf
                        weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing nemen op de aanvraag.
                        Indien toepassing is gegeven aan artikel 8.1.3 betekent dit, dat de termijn
                        wordt opgeschort. Zie hierover de toelichting bij artikel 8.1.3. De
                        termijnen in dit artikel zijn geen fatale termijnen, maar termijnen van
                        orde. Dit betekent dat ook na het verstrijken van een termijn burgemeester
                        en wethouders alsnog een beslissing kunnen nemen. Hierop hoeft een aanvrager
                        niet te wachten. Deze mag aannemen dat een vergunning is geweigerd indien na
                        het verstrijken van de termijnen geen beslissing is genomen. Tegen deze
                        fictieve weigering kan op grond van de Awb bezwaar en beroep worden
                        ingesteld. </al><al>Het tweede lid bevat een uitzondering op de termijn van het eerste lid. Het
                        derde lid bevat een aanhoudingsregeling, die ten doel heeft te voorkomen dat
                        een sloopvergunning op grond van de bouwverordening wordt verleend en daarna
                        een andere noodzakelijke vergunning voor het slopen wordt geweigerd. Deze
                        verwarrende situatie zou tot onherstelbare schade kunnen leiden, zoals het
                        slopen van een beschermd monument. </al><al>Lid 2 </al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 introduceert in artikel 10, letter i een
                        termijn van vier weken waarbinnen moet zijn beslist omtrent een verzoek om
                        sloopvergunning voor het verwijderen van uitsluitend asbest. Het woord
                            <cursief>uitsluitend</cursief> is volgens de toelichting bij het besluit
                        zeer bepalend. Dit houdt in dat de termijn van vier weken niet geldt voor
                        alle andere sloopsituaties waarin geen asbest wordt verwijderd of waarin
                        naast de asbestverwijdering ook andere materialen worden gesloopt.</al><al>Een mogelijk nadeel van de korte termijn van vier weken is dat er geen tijd
                        meer is om - met gebruikmaking van art. 8.1.3 MBV - een aanvrager in de
                        gelegenheid te stellen een onvolledige aanvraag aan te vullen. Het aantal
                        keren dat een aanvraag niet in behandeling wordt genomen wegens
                        onvolledigheid van de stukken kan hierdoor toenemen (art. 4:5 Awb). Artikel
                        10 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 bevat geen regeling voor
                        verlenging van de termijn.</al><al>Hoewel het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geen relatie legt met de
                        Monumentenwet, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening of met
                        een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en
                        dorpsvernieuwing, gaan wij ervan uit dat het niet verkeerd is om in de
                        bouwverordening de koppeling die bedoeld is om de beschermende werking te
                        verzekeren, te handhaven ook indien daarmee de termijn van vier weken
                        aanmerkelijk wordt overschreden. Hoewel monumenten zijn opgericht in een
                        tijd dat asbest geen bouwmateriaal was, kan bij een eerdere (meestal
                        inpandige) verandering of restauratie asbest zijn toegepast, dat nu weer
                        wordt verwijderd.</al><al>Lid 3</al><al>De in bestemmingsplannen vereiste aanlegvergunning kan een rol vervullen bij
                        het al dan niet slopen van een bouwwerk. Voor het aanleggen van een weg kan
                        een aanlegvergunning zijn vereist. Indien de aanlegvergunning er niet is,
                        mag die weg niet worden aangelegd. Dan is het niet nodig een bouwwerk te
                        slopen dat staat in het tracé van die weg. Indien in artikel 8.1.6 een extra
                        weigeringsgrond voor een sloopvergunning wordt opgenomen onder de letter f.
                        voor het (nog) niet aanwezig zijn van een vergunning als bedoeld in artikel
                        30 of artikel 33 van de Huisvestingswet, dienen deze vergunningen ingevolge
                        de Huisvestingswet ook in de opsomming van artikel 8.1.4, tweede lid te
                        worden opgenomen als aanhoudingsgrondslag. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><al>Men zij erop bedacht dat de regeling over het in behandeling nemen van de
                        aanvraag om sloopvergunning (zie artikel 8.1.3) afwijkt van die van de
                        aanvraag om bouwvergunning. Indien bij beide aanvragen gegevens ontbreken
                        zal dat praktisch tot gevolg hebben dat er eerder op de aanvraag om
                        sloopvergunning moet worden beslist, dan op de aanvraag om bouwvergunning.
                        Gelet op de samenhang van beide vergunningen, kan het onder omstandigheden
                        de voorkeur verdienen de beslistermijn ter zake van de sloopvergunning te
                        overschrijden in afwachting van de beslissing op de aanvraag om
                        bouwvergunning. Ter zake van de aanvraag om sloopvergunning gelden immers
                        geen fatale termijnen. Zie hierover ook de toelichting bij artikel 8.1.4.
                        Wanneer een bouwvergunning en een sloopvergunning nodig zijn voor één
                        activiteit zoals verbouwen en zowel een sloopveiligheidsplan als een
                        bouwveiligheidsplan wordt verlangd, kan een gecombineerd sloop- en
                        bouwveiligheidsplan worden ingediend. Zie voorts de toelichting bij artikel
                        8.1.2, eerste en tweede lid. Een toepassing van de samenloopregeling is niet
                        zinvol indien uitsluitend asbest wordt verwijderd en daarop de termijn van
                        vier weken van toepassing is als bedoeld in he tweede lid van artikel
                        8.1.4.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</titel></kop><al>Algemeen</al><al>De weigeringgronden vermeld in dit artikel zijn limitatief bedoeld. Voorheen
                        bevatten de artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet 1962 een
                        regeling over respectievelijk woningonttrekking en woningsplitsing. Per 1
                        juli 1993 is de Huisvestingswet in werking getreden. Artikel 89, eerste lid,
                        tweede zin, luidt: In de Woningwet 1962 vervallen de artikelen 56 en 56a tot
                        en met 56i. Dit geldt ook voor het overgangsartikel 124 in de Woningwet
                        1991. De artikelen 30 tot en met 32 en 33 tot en met 39 regelen thans de
                        mogelijkheid tot het eisen van een onttrekkingvergunning respectievelijk een
                        splitsingsvergunning. Uitwerking geschiedt in een gemeentelijke
                        huisvestingsverordening. Voor zover in de gemeentelijke bouwverordening nog
                        wordt verwezen naar de vervallen artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de
                        Woningwet, dienen deze verwijzingen te worden ingetrokken. Voor het weigeren
                        van de sloopvergunning hebben sommige gemeenten als weigeringgrond opgenomen
                        het niet aanwezig zijn van een toestemming als bedoeld in artikel 56, eerste
                        lid, van de Woningwet 1962. Een formulering voor een dergelijke
                        weigeringgrond kan nu luiden: 'f. een vergunning als bedoeld in artikel 30
                        of artikel 33 van de Huisvestingswet (Stb. 1992, 548) is vereist en deze
                        niet is verleend.' </al><al>Ad a en b</al><al>Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de sloopvergunning, als
                        bedoeld in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid
                        tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende
                        is gewaarborgd. Indien ook door het stellen van voorschriften geen voldoende
                        niveau van veiligheid c.q. bescherming kan worden gewaarborgd, moet de
                        sloopvergunning worden geweigerd. Meestal zal in overleg met de aanvrager -
                        vaak al vóór de indiening van de aanvraag om sloopvergunning - worden
                        gezocht naar een voor de gegeven situatie veilige sloopmethode en zodanige
                        maatregelen dat voldoende bescherming van nabijgelegen bouwwerken is
                        verzekerd. De weigeringgronden ad a en b strekken ertoe een onveilige
                        sloopwijze of een onvoldoende bescherming van andere bouwwerken te kunnen
                        tegenhouden. Het doel is niet om het slopen onmogelijk te maken. Er moet van
                        worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een keer wordt gesloopt. </al><al>Ad c, d en e</al><al>Dezelfde andere voor het slopen vereiste vergunningen als besproken bij de
                        aanhouding onder artikel 8.1.4, tweede lid, gelden hier als weigeringgrond
                        voor de sloopvergunning indien één van deze andere vergunningen is
                        geweigerd. Op deze wijze wordt de sloopvergunning van de bouwverordening het
                        sluitstuk van het complex van vergunningen dat nodig kan zijn voor het
                        slopen van een bouwwerk. Letter e. De relatie tussen een aanlegvergunning en
                        een sloopvergunning, waarbij het ontbreken van de eerste een weigeringsgrond
                        oplevert voor de tweede vergunning, is enkel van belang indien de
                        aanlegvergunning een duidelijke relatie vertoont met de reden waarop een
                        sloopvergunning is gevraagd voor die locatie. Dit is bijvoorbeeld het geval
                        indien voor de aanleg van een weg een bouwwerk moet worden gesloopt en voor
                        die weg een aanlegvergunning is vereist en niet is verleend. Dan bestaat een
                        causaal verband tussen de sloopvergunning en de aanlegvergunning en is het
                        logisch dat de sloopvergunning wordt geweigerd indien de reden voor de
                        aanvraag is vervallen. Zonder aanlegvergunning komt de weg er niet. Indien
                        er geen relatie tussen een aanlegvergunning en een sloopvergunning aanwezig
                        is, maar beide om uiteenlopende redenen tegelijk in hetzelfde gebied nodig
                        zijn, geldt deze weigeringsgrond niet. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning </titel></kop><al>Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van
                        die vergunning te worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien
                        de houder aannemelijk kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de
                        werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit
                        tot intrekking nog niet te nemen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</titel></kop><al>Algemeen </al><al>De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht.
                        Dit betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van
                        een melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding plaatsvindt van
                        artikel 8.2.1 juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening.</al><al>Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling
                        van burgemeester en wethouders. Deze mededeling is een beschikking en
                        vatbaar voor bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet bestuurrecht..
                        Dit betekent onder meer dat de melding schriftelijk moet worden ingediend
                        bij het bevoegde bestuursorgaan, dit is burgemeester en wethouders.
                        Ingevolge het zesde lid moet worden gebruik gemaakt van de door burgemeester
                        en wethouders vastgestelde formulieren. In het achtste lid is bepaald dat
                        aan de mededeling voorschriften kunnen worden verbonden.</al><al>Degene die een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                        sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken
                        naar de risico’s voor de gene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die
                        in de woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid). Het
                        Ministerie van Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM)
                        heeft een brochure uitgebracht speciaal gericht op de burger die op basis
                        van een ontvangen mededeling zelf asbest verwijdert. Deze brochure bevat
                        richtlijnen over de wijze waarop de burger met dit asbest moet omgaan. Het
                        is aan te raden deze brochure aan de burger uit te reiken bij het
                        verstrekken van de mededeling. </al><al>Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften
                        waaraan degene die asbest verwijdert anders dan in het kader van beroep of
                        bedrijf – dus de burger - zich moet houden. Op grond van het tweede lid van
                        artikel 8 van dit Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader
                        van de bescherming van mens en milieu tegen emissie van asbestvezels,
                        aanvullende regels te stellen voor de door particulieren toegestane
                        verwijdering van asbest. Deze voorschriften gelden dan naast artikel 7 en
                        naast de voorschriften bij de mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens
                        de toelichting bij artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts
                        gebruik gemaakt worden als uit praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7
                        opgenomen voorschriften onvoldoende zijn.</al><al>Lid 1</al><al>Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest
                        verwijdert. Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de
                        bijgebouwen of met de woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de
                        woning ook genoemd het logiesverblijf (recreatiewoning), de woonkeet en de
                        woonwagen alsmede de op het daarbij behorende erf staande bijgebouwen. Het
                        door de burger verwijderen van geschroefde asbesthoudende platen, van
                        asbesthoudende vloertegels en van niet-gelijmde asbesthoudende
                        vloerbedekking is in artikel 4, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit
                        2005 gebonden aan een maximum van 35 m2 per kadastraal perceel. </al><al>Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en
                        bijgebouwen bij woningen, waardoor voor dezelfde handeling in een woonwagen
                        of woonkeet wel een sloopvergunning is vereist. De begripsbepaling voor
                        woning in het tweede lid van artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit
                        geeft hiervoor geen oplossing, omdat onduidelijk is wat daar onder ‘mede’
                        wordt verstaan en omdat in de Woningwet het begrip woning niet is
                        omschreven. Voor zover bedoeld is met dit Asbestverwijderingsbesluit op dit
                        punt geen wijziging in het beleid noch in de uitvoering van de regels te
                        brengen, mag worden geconcludeerd dat onder woning mede wordt verstaan een
                        woonwagen, een woonkeet en een logiesverblijf zoals is genoemd in het eerste
                        lid van art. 8.2.1 MBV. </al><al>De tekst van het derde lid van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit
                        geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende golfplaten op een schuurtje
                        bij een woning vergunningvrij door de burger verwijderd mogen worden onder
                        het nieuwe Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al>Er staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                        hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, <cursief>uit </cursief>een woning
                        of <cursief>uit </cursief>een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                        voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening
                        van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in
                        dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen
                        maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt’. </al><al>Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet
                        letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is –
                        net als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit
                        wel mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een
                        wijziging is bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van
                        artikel 4: ‘De in het onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn
                        gebaseerd op de uitzonderingen die zijn opgenomen in de modelbouwverordening
                        van de VNG, die door het merendeel van de gemeenten in hun regelgeving zijn
                        overgenomen.’ Daarom heeft de VNG thans bij de implementatie van meergenoemd
                        derde lid in de model-bouwverordening, de bestaande toevoegingen van met een
                        woning gelijk te stellen bouwwerken ‘woonkeet, woonwagen of logiesverblijf’
                        gehandhaafd. </al><al>Beleidsmatig verdient het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het
                        is beter dan de andere uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest
                        van een schuurtje niet zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de
                        burger het asbest golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar
                        illegaal. En illegaal verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren,
                        dus bestaat kans dat dit eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de
                        voorgestelde ruime uitleg is de burger legaal bezig en kan hij de
                        asbestplaten legaal inleveren.</al><al>Met de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet
                        meer toegestaan om anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te
                        gaan tot het verwijderen van:</al><lijst><li nr="-"><al>gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met
                                betrekking tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken
                                zodanig complex dat ze voor particulieren niet goed waren na te
                                leven. Minder vergaande voorschriften leiden echter tot een risico
                                op blootstelling aan asbestvezels.</al></li><li nr="-"><al>dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk
                                groot. Bij breuk van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels
                                vrij, hetgeen leidt tot een onaanvaardbaar risico op inademing van
                                asbestvezels en verontreiniging van het milieu met deze vezels.</al></li></lijst><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Lid 9</al><al>De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende
                        voorschriften' die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van
                        asbest bevattende vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag
                        verwijderen na een melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld
                        de voorschriften over het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden
                        aan de ophaaldienst voor grof huisvuil of die over het aanbieden van deze
                        afvalstoffen bij de gemeentewerf of andere inzamelplaats. </al><al>Lid 10</al><al>Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen
                        mogen niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind
                        opdat zij in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel
                        worden onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij
                        voorafgaand aan verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten
                        onder hoge druk. </al><al>Lid 11</al><al>De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de
                        procedure van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing
                        is: Indien de aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen
                        burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet in behandeling te
                        nemen. Dat kan pas als de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn
                        aanvraag binnen een door burgemeester en wethouders te stellen termijn aan
                        te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen die termijn kort te houden
                        (één week), mede gelet op de korte beslistermijn op de sloopmelding. Men zij
                        erop bedacht dat door de korte beslistermijn het gevaar van
                        termijnoverschrijding groot is. Zie voor een uitgebreid overzicht van de
                        procedure de toelichting bij artikel 3.1, achtste lid. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning </titel></kop><al>Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder sloopvergunning als
                        bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als bedoeld in artikel 8.2.1
                        mag gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen betrekking op andere
                        regelingen waarin bepaalde sloophandelingen mogelijk aan een vergunning,
                        ontheffing of melding zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of
                        monumentenverordening.</al><al>Sinds de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat ook
                        het verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                        kassen als vergunningvrij genoemd. Voorheen werd de hier bedoelde kit ook
                        wel aangeduid als voegkit.</al><al>Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a bedoelde
                        waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen,
                        voor zover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en
                        rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-, water-, riool- en mantelbuizen in
                        bouwwerken moet wel plaatsvinden door een deskundig
                        asbestverwijderingsbedrijf. Bij het verwijderen van deze buizen die zich in
                        (of in de kruipruimte van) een bouwwerk bevinden is geen sprake van
                        routinematig verwijderen met een beheersbaar risico.’</al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</titel></kop><al>Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1. De
                        artikelen 4.8 tot en met 4.10 komen overeen met de artikelen 382, 383 en 384
                        van de MBV 1965. Ook die bepalingen waren van toepassing op het bouwen en op
                        het slopen. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                            bescheiden</titel></kop><al/><al>Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                        aanwezigheid van de vergunning of een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het
                        slopen mag degene die de werkzaamheden verricht - in de regel een ander dan
                        de houder van de vergunning - geacht worden de voorwaarden te kennen.
                        Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de sloopvergunning,
                        indien deze mede betrekking heeft op asbest, een afschrift van deze
                        vergunning ter hand stelt aan de sloopaannemer. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</titel></kop><al>De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van
                        asbest. De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden.
                        Artikel 8.3.3 schept verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning.
                        Artikel 8.3.4 geldt voor de gevallen dat vooraf de aanwezigheid van asbest
                        niet bekend was. Deze situatie kan zich voordoen in alle gevallen dat wordt
                        gesloopt. Artikel 8.3.5 geldt voor alle situaties dat asbest wordt gesloopt,
                        dus zowel op grond van een sloopvergunning als op grond van een mededeling
                        naar aanleiding van een melding. De eis dat bij het slopen de beste
                        bestaande technieken worden toegepast geldt krachtens het derde lid van dit
                        artikel echter niet voor het slopen op grond van een mededeling. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</titel></kop><al>De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10,
                        letters k, l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden
                        bevatten verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning. </al><al>Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                        slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                        asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                        Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar
                        staat op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                        bouwverordening. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt
                        aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat
                        asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop
                        gerichte sloopvergunning of mededeling naar aanleiding van een melding
                        aanwezig zijn. Die moet er eerst komen, voordat het asbest mag worden
                        gesloopt. Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het
                        stilleggen van de sloopwerkzaamheden als bedoeld in het derde lid van
                        artikel 100 van de Woningwet. </al><al>Lid 2</al><al>De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven
                        tot tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk.
                        Hetzelfde geldt voor de Arbeidsinspectie op grond van artikel 8.3.3, vierde
                        lid, indien tijdens het slopen tevens asbestverwijdering plaatsvindt. Indien
                        burgemeester en wethouders de ontvangst van een melding van de voltooiing
                        van een sloopwerk bevestigen, bijv. door de melding af te stempelen en van
                        de ontvangstdatum te voorzien, is die bevestiging een administratieve
                        handeling die niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is gesloopt. De
                        gemeente aanvaardt daarmee geen aansprakelijkheid voor eventuele
                        onvolkomenheden bij het slopen en het scheiden en gescheiden houden van het
                        sloopafval. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                            asbest</titel></kop><al/><al> Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de
                        voorschriften voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
                        voorzover dit gebeurt anders dan in de uitoefening van een beroep of
                        bedrijf. </al><al>Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen
                        gelden regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de
                        desbetreffende certificering.</al><al>Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een
                        handeling als hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare verplichting. Van de
                        bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële
                        regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM geen gebruik gemaakt en
                        is thans mei 2006 evenmin een aanvang gemaakt om dit binnen afzienbare tijd
                        alsnog te doen.</al><al>De leden 1 en 2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding
                        van asbest wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de
                        minister op grond van het tweede lid van artikel 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding
                        hogere en lagere regelgeving vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking.</al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
                            Vervallen.</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 4 Vrij slopen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</titel></kop><al/><al>Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, waren er redenen om de plicht
                        tot het hebben van een sloopvergunning te koppelen aan een ondergrens van 10
                        m3 sloopafval. Dit betekent niet dat al het sloopafval dat minder dan 10 m3
                        bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden. Voorheen bestond tussen
                        het onderhavige artikel en artikel 4.11 een nauwe relatie. Met ingang van de
                        vierde serie wijzigingen van de MBV 1992, gepubliceerd in 1997, is dit niet
                        meer het geval. De fracties waarin het sloopafval verplicht moet worden
                        gescheiden, uiteraard voorzover die stoffen daarin voorkomen, betreffen
                        gevaarlijke of verontreinigde stoffen die niet mogen worden gemengd met het
                        overige afval. In de opsomming is asbest niet opgenomen, omdat dit immers
                        nooit zonder vergunning of zonder melding mag worden verwijderd. Preventief
                        toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet voorzien. De
                        handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet meer dan 10
                        m3, uitsluitend repressief plaats. </al><al/><al><vet>Asbestverwijderingsbesluit 2005 Model-bouwverordening incl. 11e serie
                            wijz. </vet></al><al> Art. 3 H 8, Toelichting Algemeen Art. 3, lid 3 H 8, Toelichting calamiteit
                        Art. 4, lid 1, sub a 8.1.2, lid 3, sub c Art. 4, lid 1, sub b 8.2.2, lid 1,
                        sub c Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e 8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e Art. 4,
                        lid 3, sub a, b en c 8.2.1, lid 1, sub a en b Art. 5 8.3.3, lid 3 vervallen
                        Art. 6 1.1 (Begripsbepaling) Art. 7 H. 8, Toelichting Algemeen brochure VROM
                        nog niet gereed Art. 8, lid 1 8.3.5, lid 1 en 2 Art. 8, lid 2 Min. Besluit
                        is er nog niet Art. 10, letter a 8.1.1 Art. 10, letter b 8.1.2, lid 3, sub c
                        Art. 10, letter c 8.2.1 Art. 10, letter d 8.2.1, lid 7 Art. 10, letter e
                        8.2.1, lid 8 Art. 10, letter f 8.2.1, lid 9 Art. 10, letter g 8.2.1, lid 8
                        Art. 10, letter h 8.2.1, lid 12 Art. 10, letter i 8.1.4, lid 2 Art. 10,
                        letter j 8.1.2, lid 4 Art. 10, letters k, l, m en n 8.3.3, lid 1 t/m 4 Art.
                        11 12.1, lid 1 en 2 </al></divisie><divisie><kop><titel>9 Het welstandstoezicht</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al> In hoofdstuk 9 van de MBV zijn sinds de achtste serie wijzigingen van de
                        Model-bouwverordening zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                        betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8,
                        zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                        samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. De
                        werkwijze van de welstandscommissie is in de Model-bouwverordening niet
                        concreet uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten
                        dienen nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze,
                        ook indien een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De
                        gemeentelijke keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de
                        provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te
                        nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze te
                        onderschrijven. Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement
                        toegesneden op de lokale situatie of een reglement van orde voor de lokale
                        welstandscommissie vast te stellen als bijlage bij deze verordening.
                        Juridisch gezien behoeft een dergelijk reglement niet in de bouwverordening
                        zelf te worden opgenomen, maar dient wel dezelfde procedure te worden
                        doorlopen als de gemeentelijke bouwverordening. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Welstandscriteria en welstandsnota</titel></kop><al/><al> De werking van het begrip 'redelijke eisen van welstand' heeft met de
                        gewijzigde wet opgehouden te bestaan. Alleen als in een welstandsnota aan de
                        hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van
                        welstand kunnen burgemeester en wethouders een vergunningplichtig bouwwerk
                        beoordelen op aspecten van welstand en kan de welstandscommissie hierover
                        adviseren. Ook bouwvergunningvrije bouwwerken moeten aan minimale
                        welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen
                        burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige
                        mate in strijd is met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die
                        strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota
                        zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is geen welstandstoezicht meer
                        mogelijk. Voor het uitwerken van de welstandscriteria alsmede de
                        samenstelling van en de besluitvorming over de welstandsnota geldt een
                        overgangstermijn van 18 maanden na 1 januari 2003. Tot het moment dat een
                        gemeentelijke welstandsnota van kracht wordt, blijft de zelfstandige werking
                        van de in de bouwverordening aangeduide 'redelijke eisen van welstand' in
                        stand. Als er op 1 juli 2004 geen door de gemeenteraad aangenomen
                        welstandsnota ligt, vervalt van rechtswege de mogelijkheid om bouwplannen te
                        toetsen aan redelijke eisen van welstand. De welstandsbeoordeling c.q.
                        -advisering dient gebaseerd te worden op de in de nota opgenomen criteria.
                        In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze criteria 'zo veel
                        mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën bouwwerken en
                        standplaatsen en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats
                        waar een bouwwerk of standplaats is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de
                        criteria per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen
                        als buiten de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande
                        kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke
                        ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke
                        beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering,
                        stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de
                        beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen
                        voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een
                        behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist verandering en
                        vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van
                        ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                        zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                        beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist. De welstandsnota is
                        derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe gebieden worden
                        ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied een
                        toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure
                        (inspraak ex artikel 150 Gemeentewet en vaststelling door de raad) wordt
                        gevolgd. Indien burgemeester en wethouders de welstandscriteria in
                        bijzondere gevallen buiten toepassing laten als bedoeld in artikel 4:84 Awb
                        (inherente afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval
                        deugdelijk door burgemeester en wethouders te worden gemotiveerd. Het werken
                        met deelnota's ten aanzien van welstand, zoals dat in de praktijk wordt
                        toegepast, heeft met name in de overgangsperiode tot 1 juli 2004 belangrijke
                        consequenties. Indien voor een deel van de gemeente een welstandsnota wordt
                        vastgesteld, zal vanaf dat moment immers in het deel van de gemeente waarin
                        een deel-welstandsnota wordt vastgesteld artikel 9.1 (oud) MBV niet meer
                        gelden op grond van artikel VII, tweede lid van de Wet van 18 oktober 2001
                        (Stb. 2001, 518). U kunt hierbij gebruik maken van de bij artikel 1.3 MBV
                        behorende kaart. De welstandscriteria uit de welstandsnota spelen een rol
                        bij: </al><lijst><li nr="·"><al>de toetsing van aanvragen om bouwvergunning; </al></li><li nr="·"><al>het toepassen van bestuursdwang tegen bouwen in strijd met hetgeen
                                bij of krachtens de Woningwet is bepaald. </al></li></lijst><al/></divisie><divisie><kop><titel>Relatie bestemmingsplan en welstand</titel></kop><al/><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 gaat uit van de
                        voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets
                        zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende
                        bestemmingsplan biedt. De welstandsnorm is in 1991 door de wetgever van
                        artikel 34 van de (Model)bouwverordening 1965 overgeheveld naar artikel 12
                        van de Woningwet en het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van
                        die wet omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De
                        voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van
                        toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat
                        die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16
                        maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119). In lijn
                        met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                        welstandseisen thans uitdrukkelijk geregeld in artikel 12, derde lid van de
                        Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige
                        voorschriften van de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In
                        artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd
                        dat óók de welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de
                        advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee,
                        langs de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening aangegeven en met bijzondere
                        waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de
                        daarbijbehorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit
                        betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële
                        verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het
                        bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356
                        m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner
                        naarmate het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende
                        bestemming te realiseren. Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel
                        (artikel 12, derde lid Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie
                        toekomstig bestemmingsplan en welstand. Tot het moment dat de gemeentelijke
                        welstandsnota van kracht wordt, blijft de zelfstandige werking van de tot de
                        achtste serie wijzigingen van de MBV aangeduide 'redelijke eisen van
                        welstand' in stand (zie ook artikel VII, tweede lid van de Wet van 18
                        oktober 2001, Stb. 2001, 518). Voor de overige bepalingen van hoofdstuk 9
                        geldt geen overgangstermijn. </al><al/><al><vet>Tabel oude/nieuwe welstandsbepalingen</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="19*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="19*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikelnummer oud </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Titel oud </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Artikelnummer nieuw </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Titel nieuw</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.1 Welstandscriteria</al></entry><entry colname="col2"><al>–</al></entry><entry colname="col3"><al>– </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.2 </al></entry><entry colname="col2"><al>Advisering door commissie van onafhankelijke deskundigen
                                        </al></entry><entry colname="col3"><al>9.1</al></entry><entry colname="col4"><al>Advisering door welstandscommissie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Termijn van advisering </al></entry><entry colname="col3"><al>9.5</al></entry><entry colname="col4"><al>Termijn van advisering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.4 </al></entry><entry colname="col2"><al>Openbaarheid van vergaderen </al></entry><entry colname="col3"><al>9.6 </al></entry><entry colname="col4"><al>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                                            toelichting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.5 </al></entry><entry colname="col2"><al>Afdoening bij mandaat </al></entry><entry colname="col3"><al>9.7 </al></entry><entry colname="col4"><al>Afdoening bij mandaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Mondelinge toelichting </al></entry><entry colname="col3"><al>–</al></entry><entry colname="col4"><al>–</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.7 </al></entry><entry colname="col2"><al>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al></entry><entry colname="col3"><al>9.8</al></entry><entry colname="col4"><al>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.8 </al></entry><entry colname="col2"><al>gebieden </al></entry><entry colname="col3"><al>9.9</al></entry><entry colname="col4"><al>Uitsluiting gebieden en categorieën bouwwerken en
                                            standplaatsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>–</al></entry><entry colname="col2"><al>–</al></entry><entry colname="col3"><al>9.2</al></entry><entry colname="col4"><al>Samenstelling van de welstands-commissie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>–</al></entry><entry colname="col2"><al>– </al></entry><entry colname="col3"><al>9.3 </al></entry><entry colname="col4"><al>Benoeming en zittingsduur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>–</al></entry><entry colname="col2"><al>–</al></entry><entry colname="col3"><al>9.4</al></entry><entry colname="col4"><al>Jaarlijkse verantwoording</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><al/><al>Evenals onder het regime van de Woningwet 1991 is inschakeling van een
                        welstandscommissie bij een aanvraag om reguliere bouwvergunning verplicht
                        indien een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is
                        aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De
                        commissie adviseert, burgemeester en wethouders beslissen. In de herziene
                        Woningwet is bij amendement de figuur van de stadsbouwmeester opgenomen.
                        Vanaf 1 januari 2003 kan de gemeenteraad ervoor kiezen om in plaats van een
                        welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de
                        bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                        stadsbouwmeester. De figuur van de stadsbouwmeester is niet nader uitgewerkt
                        in de Model-bouwverordening, omdat de doelstellingen van het vernieuwde
                        welstandstoezicht, vermaatschappelijking, grotere transparantie rondom de
                        welstandsadvisering en openbaarheid lijken met de figuur van de
                        stadsbouwmeester niet te worden bereikt. Bovendien ontbreekt de waardevolle
                        collectieve oordeelsvorming bij de keuze van een stadsbouwmeester, terwijl
                        deze in kwesties van smaak, zoals deze meespelen bij de welstandsadvisering,
                        onontbeerlijk kan worden geacht. Voorts bieden de Kamerstukken geen
                        aanknopingspunten hoe de figuur van de stadsbouwmeester verder aangekleed
                        moet worden. Naar verwachting zal een zeer beperkt aantal gemeenten kiezen
                        voor een stadsbouwmeester. In de welstandsnota kan de gemeenteraad evenwel
                        vaststellen dat de welstandstoets voor de categorie
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken niet door de volledige
                        welstandscommissie plaatsvindt, maar door een of meer gemandateerde leden
                        van de commissie als bedoeld in artikel 9.2 Model-bouwverordening dan wel
                        door burgemeester en wethouders. De huidige adviespraktijk varieert per
                        gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel provinciale
                        welstandscommissies. Ook onder het nieuwe regime van de Woningwet kan de
                        gemeenteraad ervoor kiezen om voor de welstandsadvisering gebruik te
                        (blijven) maken van een provinciale welstandsorganisatie, die het resultaat
                        is van een gemeenschappelijke regeling of een privaatrechtelijke
                        samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een provinciale
                        welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                        welstandscom-missie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                        artikel 9.2. Alternatief 1</al><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                        diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                        hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                        vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als
                        welstandscommissie te worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt
                        uit haar midden personen voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden
                        benoemd. De welstandscommissie adviseert over alle bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken. </al><al>Alternatief 2</al><al>Evenals in alternatief 1 wordt in dit alternatief provinciale
                        welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan hebben van een
                        gemeenschappelijke regeling, een vereniging of stichting door de
                        gemeenteraad aangewezen voor de advisering over redelijke eisen van
                        welstand. Burgemeester en wethouders oordelen zonder advies van de
                        welstandscommissie over strijdigheid met redelijke eisen van welstand ten
                        aanzien van licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. </al><al>Alternatief 3</al><al>In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die
                        adviseert over alle bouwvergunningplichtige bouwwerken.</al><al> Alternatief 4</al><al>Evenals in alternatief 3 is er sprake van een lokale welstandscommissie.
                        Burgemeester en wethouders oordelen zonder advies van deze commissie over
                        strijdigheid met redelijke eisen van welstand ten aanzien van
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><al/><al>Onafhankelijkheid</al><al>Sinds de Woningwet 1991 geldt de onafhankelijkheidsvereiste voor elk
                        afzonderlijk lid van deze commissie. Daaraan wordt in elk geval voldaan
                        indien de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het
                        gemeentebestuur. Ook is het raadzaam bij de selectie van de leden van de
                        welstandscommissie alert te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen.
                        Deelneming van leden van het college van burgemeester en wethouders aan de
                        welstandscommissie voor de eigen gemeente is in dit verband uitgesloten. </al><al>Deskundigen en burgers</al><al>In afwijking van de Woningwet 1991 geldt sinds 1 januari 2003 niet langer de
                        eis dat in de welstandscommissie uitsluitend 'deskundigen' zitting kunnen
                        hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                        kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                        commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                        beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                        niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke
                        bevolking verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de
                        kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het
                        gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden benoemd. De
                        gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen
                        wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                        welstandscommissie. Er zijn meerder alternatieven denkbaar. </al><al>Alternatief 1</al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is
                        geen lid van de welstandscommissie. </al><al>Alternatief 2</al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                        burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                        provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief denkbaar,
                        maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden
                        inwoners deelnemen. De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van
                        de welstandscommissie. </al><al>Alternatief 3</al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. Een lid van de
                        commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik wordt gemaakt van
                        een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de rayonarchitect. </al><al>Alternatief 4</al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                        burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                        provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar dat
                        uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen. Een lid van
                        de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een provinciale
                        welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit veelal de
                        rayonarchitect. </al><al>Alternatief 5</al><al>In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid om
                        een stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is vooralsnog niet
                        uitgewerkt in de MBV. Enerzijds omdat de doelstellingen van het vernieuwde
                        welstandstoezicht, vermaatschappelijking, grotere transparantie rondom de
                        welstandsadvisering en openbaarheid met de figuur van de stadsbouwmeester
                        juist niet lijken te worden bereikt. De waardevolle collectieve
                        oordeelsvorming ontbreekt bovendien bij de keuze voor een stadsbouwmeester,
                        terwijl deze in kwesties van smaak, zoals deze meespelen bij de
                        welstandsadvisering, onontbeerlijk kan worden geacht. Anderzijds omdat naar
                        verwachting een zeer beperkt aantal gemeenten zal kiezen voor een
                        stadsbouwmeester. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur </titel></kop><al>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van
                        de leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een
                        eenmalige mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in
                        de commissie die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt
                        beoogd de doorstroming van de leden van de welstandscommissie te bevorderen.
                        Kennelijk is op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de
                        zittingsduur in concrete situaties de continuïteit van de commissies in
                        gevaar kan brengen. De leden en voorzitter van een welstandscommissie die op
                        1 januari 2003 ten minste drie jaar zitting hebben in die commissie, kunnen
                        nog ten hoogste drie jaar na die datum benoemd blijven in die commissie. Het
                        is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de benoemingsprocedure voor
                        (deskundige) leden op te nemen in de (Model)-verordening. Een reglement van
                        orde dat als bijlage 9 bij de bouwverordening dient te worden vastgesteld en
                        toegesneden is op de lokale situatie, is hiervoor geschikter. In een
                        dergelijk reglement van orde lijkt het zinvol om onder meer een
                        benoemingsboekhouding te regelen om in geval van bezwaren en beroepen tegen
                        onbevoegd gegeven welstandsadviezen zittingstermijnen van leden/voorzitter
                        aan te kunnen tonen. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artkel 9.4 Jaarlijkse verantwoording </titel></kop><al>Jaarverslag welstandscommissie In de afgelopen jaren is er sprake van een
                        toegenomen kritiek op het welstandstoezicht. De kritiek richt zich onder
                        meer op het functioneren van de welstandscommissies. De adviesprocessen van
                        deze commissies zijn doorgaans aan de openbare waarneming onttrokken.
                        Ondanks de door de welstandscommissies gedane inspanningen tot verbetering
                        van deze negatieve maatschappelijke beeldvorming, kan er nog steeds
                        gesproken worden van een onvoldoende maatschappelijk draagvlak voor de
                        werkwijze van de welstandscommissies. Het besef is gegroeid voor het
                        aanscherpen van de politieke verantwoordelijkheid van burgemeester en
                        wethouders voor het functioneren van het welstandstoezicht. Ook bestaat het
                        algemeen gevoel om de functie van de gemeenteraad als algemeen
                        controleorgaan van burgemeester en wethouders, voorzover het betreft hun
                        verantwoordelijkheid voor het welstandstoezicht te versterken. Enerzijds
                        zijn er de algemene uitgangspunten zoals deze zijn opgenomen in de Wet
                        Dualisering gemeentebestuur om de controlefunctie van de gemeenteraad te
                        versterken en te verduidelijken. Anderzijds beoogt de nieuwe Woningwet te
                        voorzien in het verbeteren van de kwaliteit alsmede het transparanter maken
                        van de welstandsadvisering. Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te
                        signaleren waar de welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft
                        kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter
                        verantwoording waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het
                        vastgestelde beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de
                        welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet.
                        Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling
                        van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                        welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van
                        het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente.
                        Ervan uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in
                        september/oktober wordt behandeld, zou het 'verslagjaar' van de
                        welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni. Jaarverslag burgemeester
                        en wethouders Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening
                        van het welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij
                        de welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders
                        ingevolge artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd
                        jaarverslagen omtrent de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen
                        aan de gemeenteraad. In dit jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te
                        komen: </al><lijst><li nr="·"><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                                welstandsadviezen; </al></li><li nr="·"><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders de
                                aanvraag voor een lichte bouwvergunning niet aan de
                                welstandscommissie hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die
                                gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de welstandscriteria;
                            </al></li><li nr="·"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen; </al></li><li nr="·"><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders een
                                besluit hebben genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging
                                van een last onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met
                                redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 13a van de
                                Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan zijn overgegaan.
                            </al></li></lijst><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                        ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. Tezamen met het jaarverslag van de
                        welstandscommissie wordt hierdoor het gemeentelijk welstandstoezicht
                        inzichtelijk gemaakt en het publieke debat bevorderd. In de Woningwet wordt
                        per 1 april 2007 een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                        wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                        bouwregelgeving.</al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.5 Termijn van advisering</titel></kop><al> Gelet op de korte beslissingstermijnen is een beperkte adviestermijn met
                        een oplossing voor termijnoverschrijding noodzakelijk. In de MBV is dit
                        uitgangspunt als procedurevoorschrift uitgewerkt. De adviestermijn laat de
                        mogelijkheid van beoordeling van een schetsplan onverlet, omdat het
                        uitgangspunt voor de adviestermijn de beoordeling van een aanvraag om
                        bouwvergunning is. De Woningwet formaliseert de behandeling van bouwplannen
                        door de korte beslissingstermijnen. Ook voor de welstandsadvisering houdt
                        dit in dat de behandeling snel moet leiden tot een positieve of negatieve
                        conclusie, omdat in beginsel binnen twaalf weken respectievelijk zes weken
                        op de aanvraag om bouwvergunning moet zijn beslist. Indien bij een verlening
                        van een bouwvergunning in twee fasen, de eerstefasetoetsing moet worden
                        herhaald vanwege een wijziging van het bouwplan in de tweede fase, zou in
                        beginsel een relatief korte termijn van twee weken kunnen gelden, omdat
                        volgens de wetgever alleen de wijzigingen van het bouwplan voorzover
                        relevant door de welstandscommissie opnieuw moeten worden beoordeeld. Indien
                        de commissie niet binnen de in dit artikel gestelde termijnen adviseert,
                        zullen burgemeester en wethouders zelf moeten beslissen of het bouwwerk
                        waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft niet in strijd is met
                        redelijke eisen van welstand. Daarbij dienen zij de in de welstandsnota
                        opgenomen welstandscriteria in acht te nemen. Indien er een aanvraag om
                        bouwvergunning wordt ingediend, ten aanzien waarvan een discussie over
                        alternatieven verwacht kan worden, lijkt het raadzaam overleg voorafgaand
                        aan de indiening van een formele bouwaanvraag te stimuleren. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                            toelichting</titel></kop><al> Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur,
                        dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van
                        de Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden
                        uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de
                        belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de
                        aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren. Het verdient
                        aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering bekend te
                        maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                        bouwplannen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te maken
                        in de bekendmaking. De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen
                        aan de vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede
                        een rol van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de
                        advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de
                        openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en
                        kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer. Met
                        betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                        onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de
                        aanvrager van de bouwvergunning en anderzijds andere belanghebbenden. Uit
                        artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                        toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient
                        te worden geboden aan de aanvrager van de bouwvergunning. Desondanks is het
                        inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn bouwaanvraag toe te
                        lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig
                        - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor
                        de noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.
                        Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                        geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                        spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel
                        1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen die tijdens de
                        vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een
                        eventuele rechterlijke procedure tegen de bouwvergunning geen 'recht van
                        spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn. De keuze voor
                        spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de vergadering van
                        de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig
                        worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de
                        vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                        termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                        eventuele sprekers geen sprake is. De verplichting tot openbaar vergaderen
                        heeft betrekking op de vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel
                        wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg over een
                        principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal door een of meer daartoe
                        gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd. De potentiele bouwer
                        kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid.
                        Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit
                        oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering verdient. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</titel></kop><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                        mandaat. Behalve de keuze tussen álle bouwaanvragen voorleggen aan de
                        welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief 1 en 3) en alleen reguliere
                        bouwaanvragen voorleggen aan de welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief
                        2 en 4), blijkt in de praktijk behoefte te bestaan aan een tussenvorm voor
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, zoals bedoeld in alternatief 2 van
                        artikel 9.7 MBV. Het is evident dat deze tussenvorm niet kan worden
                        gecombineerd met een keuze voor artikel 9.1 MBV, alternatief 1 of 3, waarbij
                        de advisering ten aanzien van licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken
                        immers aan de welstandscommissie wordt opgedragen. Dit houdt in dat de
                        welstandstoets van bouwplannen voor licht-vergunningplichtige bouwwerken die
                        voldoen aan de welstandscriteria uit de welstandsnota wordt gemandateerd aan
                        een ambtenaar. Het mandaat kan slechts bestaan uit een positief
                        welstandsoordeel. Indien het bouwplan niet aan de criteria uit de nota
                        voldoet, leggen burgemeester en wethouders het bouwplan alsnog voor aan de
                        welstandscommissie. Mandaat aan één persoon verdient in dit verband de
                        meeste aandacht. Indien bij artikel 9.2 gekozen is voor alternatief 1 of 2
                        kan aan een ambtelijk secretaris, die geen lid is van de commissie, geen
                        mandaat worden verleend. Mandaat aan een subcommissie behoort uiteraard wel
                        tot de mogelijkheden. De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon
                        komt neer op de afdoening van een welstandsadvies door een gemandateerde bij
                        plannen waarvan de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden
                        verondersteld. Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor
                        mandatering met betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken (bijvoorbeeld
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken) Negatief adviseren door de
                        gemandateerde wordt meestal uitgesloten. Behandeling van bouwplannen onder
                        mandaat vraagt met name ten aanzien van de openbaarheid enige aandacht. Met
                        name in geval van veelvoorkomende kleine bouwplannen zal er geringe
                        belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen door de gemandateerde
                        bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts
                        vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en
                        er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan. Voor een beknopte
                        uiteenzetting over mandatering: zie de VNG-uitgave 'WRO 2000 in de
                        praktijk', vragen en antwoorden gewijzigde WRO (3 april 2000), bijlage 3.
                    </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht </titel></kop><al>Lid 1 Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                        uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat sinds 1 januari 2003
                        in artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is
                        het niet ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete
                        motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit
                        direct zodra bezwaar tegen de bouwvergunning wordt ingediend. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                            standplaatsen </titel></kop><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                        welstandstoezicht, wordt verwezen naar alternatief 3 of 4 van artikel 1.3
                        MBV. </al></divisie><divisie><kop><titel>10 Overige administratieve bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al> De aanvraag</al><al>Ook de Woningwet 1962 hanteerde de eis van een woonvergunning voor het in
                        gebruik geven of nemen van een gebouw als woning, waarin laatstelijk niet of
                        niet eerder legaal gewoond werd. Moet het gebouw voor het tot bewoning
                        bruikbaar maken verbouwd worden en is voor die verbouwing een bouwvergunning
                        nodig, dan wijkt de eis van een woonvergunning voor de eis van een
                        bouwvergunning. Met de Woningwet van 1991 verandert er in zoverre iets, dat
                        de woonvergunning nu in de wet is uitgewerkt in plaats van in de
                        bouwverordening. In de nieuwe bouwverordening is alleen nog plaats voor een
                        invulling van de wijze van indiening en inrichting van de aanvraag, zoals
                        artikel 8, lid 2, onder e, van de Woningwet verplichtend vaststelt. Volstaan
                        is met het in artikel 10.1 opnemen van de op basis van de oude
                        bouwverordeningen gangbare aanvraagbescheiden voor een woonvergunning. </al><al>De vergunning</al><al>Met het in de Woningwet 1991 uitwerken van de woonvergunning verdwijnt
                        overigens de regeling van de oude bouwverordening. Op grond van de op de
                        Woningwet 1962 gebaseerde MBV kon een woonvergunning worden geweigerd als er
                        sprake was van strijd met het bestemmingsplan of de voor woningbouw geldende
                        nieuwbouweisen. Op grond van artikel 60 van de Woningwet 1991 mag en moet
                        een woonvergunning alleen worden geweigerd als de aanvraag strijd oplevert
                        met het bestemmingsplan of de bouwverordening. Welk deel van de
                        bouwverordening hiermee bedoeld kan zijn, is onduidelijk. Het niet voldoen
                        aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit is uitdrukkelijk geen
                        weigeringgrond voor de woonvergunning. Uit het eerste lid van artikel 60 van
                        de Woningwet valt af te leiden, dat het gebouw in principe geschikt moet
                        zijn voor bewoning. Is er geen uit het bestemmingsplan of de bouwverordening
                        voortvloeiende weigeringgrond en is het gebouw bouw- en/of woontechnisch
                        toch niet geschikt tot bewoning, dan zijn er volgens het Ministerie van VROM
                        twee manieren om af te dwingen, dat het gebouw alsnog geschikt gemaakt
                        wordt: </al><lijst><li nr="1."><al>het op grond van artikel 60, vierde lid, verbinden van bouw- en/of
                                woontechnische voorwaarden aan de woonvergunning; </al></li><li nr="2."><al>een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet. </al></li></lijst><al>Beide oplossingen laten nog wat vragen onbeantwoord. Ad 1</al><al>Welke bouw- en/of woontechnische eisen kunnen redelijkerwijs nog als
                        voorwaarden aan de woonvergunning verbonden worden? Bij het eisen van
                        uitgebreide technische maatregelen wordt op een gegeven moment immers een
                        bouwvergunning noodzakelijk en de wetssys-tematiek gaat ervan uit, dat er of
                        een woonvergunning of een bouwvergunning noodzakelijk is. Ad 2</al><al>Bij welk niveau van eisen is er sprake van ongeschiktheid tot bewoning?
                        Onderschrijdt de kwaliteit van het gebouw het niveau van eisen voor de
                        bestaande woningbouw, dan is er geen discussie. Dit niveau geeft in feite de
                        onbewoonbaardheidsgrens aan. Het nieuwe gebruik van het gebouw als woning
                        kan echter niet getoetst worden aan de nieuwbouweisen. Bij een besluit
                        ingevolge artikel 13 Woningwet gaat het immers om het aantonen van de
                        noodzakelijkheid van voorzieningen. Ten aanzien van gebouwen die over een
                        voorzieningenniveau beschikken, dat ligt tussen het niveau voor nieuwbouw en
                        het niveau voor bestaande bouw, zal de noodzakelijkheid van een besluit
                        ingevolge artikel 13 Woningwet niet gauw aangetoond kunnen worden. De
                        praktijk zal de antwoorden uit moeten wijzen. Het kiezen voor de tweede
                        oplossing heeft overigens als nadeel, dat bewoning wordt toegestaan voordat
                        het gebouw geschikt is tot bewoning. De woonvergunning is een beschikking.
                        Dat betekent dat naast de eisen van de bouwverordening, de algemene eisen
                        van de Awb van toepassing zijn. De aanvraag moet dus bijvoorbeeld
                        schriftelijk worden ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de
                        aanvraag te beschikken (artikel 4:1 Awb). Ingevolge artikel 60 van de
                        Woningwet zijn burgemeester en wethouders het bevoegde orgaan. Worden de in
                        de bouwverordening geëiste gegevens niet ingediend, dan is artikel 4:5
                        juncto artikel 4:15 Awb van toepassing. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een
                            ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>De tekst van de toelichting komt te vervallen.</al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</titel></kop><al>Artikel 8, tweede lid, onder f, van de Woningwet, eist een voorschrift voor
                        de overdraagbaarheid van de aldaar genoemde op de Woningwet gebaseerde
                        vergunningen. De op de Woningwet 1962 gebaseerde MBV bevatte een regeling
                        voor de overdraagbaarheid van bouwvergunningen. Deze bepaling is in de
                        nieuwe MBV overgenomen voor de overdraagbaarheid van alle op de Woningwet en
                        bouwverordening gebaseerde vergunningen. Artikel 10.3 houdt in, dat
                        burgemeester en wethouders verplicht zijn tot overschrijving als daarom
                        wordt gevraagd, zelfs al leidt overschrijving tot een niet gewenste en
                        planologisch niet juiste situatie. Zowel de rechtverkrijgende onder
                        bijzondere titel (bij voorbeeld de koper) als de rechtverkrijgende onder
                        algemene titel (bij voorbeeld de erfgenaam) moet om overschrijving vragen.
                        Met het recht van de verkrijgende wordt hier het recht bedoeld dat is
                        neergelegd in de vergunning. De wet van 10 juni 2004 is onder de naam
                        Aanpassingswet BIBOB verschenen in Stb. 2004, 320 en krachtens Besluit van
                        31 augustus 200 in werking getreden op 15 september 2004, Stb. 2004, 452. In
                        de Woningwet zijn de artikelen 44a en 59 gewijzigd. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10.4 Overdragen mededeling </titel></kop><al>De tekst van de toelichting komt te vervallen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen </titel></kop><al>De tekst van de toelichting komt te vervallen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</titel></kop><al> Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                        Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's)
                        en praktijkrichtlijnen (NPR's), alsmede op de - bij ministeriële regeling
                        gepubliceerde - Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van
                        werken (UAV). Dit artikel maakt het mogelijk dat burgemeester en wethouders
                        bij toepassing van de voorschriften van de bouwverordening afwijken van een
                        daarin aangewezen NNI-publicatie of ander voorschrift, voor zover zij zich
                        daarbij houden aan de herziene tekst van die zelfde publicatie of dat zelfde
                        voorschrift. Bij een dergelijke herziening wordt door de daartoe bevoegde
                        instantie immers in het algemeen een zorgvuldige procedure in acht genomen,
                        waarbij een commissie van deskundigen - onder meer afkomstig uit
                        gemeentelijke kring - wordt ingeschakeld, een voorafgaande publicatie van
                        een voorlopige editie plaatsvindt met bijgevoegd verzoek om commentaar enz.
                        Met het onderhavige voorschrift wordt bereikt dat niet onmiddellijk na het
                        verschijnen van een gecorrigeerde, aangevulde of nieuwe uitgave van een
                        norm, voornorm, praktijkrichtlijn of ander voorschrift de bouwverordening
                        moet worden gewijzigd om de actuele versie van de aangewezen uitgave van
                        kracht te doen zijn. </al></divisie><divisie><kop><titel> 11 Handhaving</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al> Dit hoofdstuk bevatte tot en met de elfde serie wijzigingen van de
                        Model-bouwverordening 1992 een nadere uitwerking van de bijzondere
                        bestuursdwangbevoegdheden van burgemeester en wethouders krachtens het
                        toenmalige artikel 8, tweede lid, onderdeel i juncto artikel 100, derde lid
                        van de Woningwet. Sinds 1 april 2007 is de handhavingsystematiek en de
                        regeling van de handhaving integraal herzien. Het aanschrijfinstrumentarium
                        voor bestaande bouwwerk vormt niet langer een geïsoleerd deel van de
                        Woningwet, maar sluit beter aan op de voorschriften inzake het bouwen van
                        bouwwerken. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het generieke
                        instrumentarium van de Awb. Het niet naleven van de voorschriften van het
                        Bouwbesluit 2003, de bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota
                        voor bestaande bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met
                        toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan
                        worden opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke
                        aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2003 gaat nu voor alle bouwwerken
                        gelden (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze
                        systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste voor
                        bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het generieke
                        handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb kan worden
                        afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of
                        standplaats gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het
                        Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een
                        open erf of terrein in overeenstemming is met de bouwverordening en dat het
                        uiterlijk van een bouwwerk of standplaats niet in ernstige mate strijdig is
                        met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn
                        vastgelegd in de welstandsnota. Tenzij sprake is van spoedeisende
                        omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb met zich mee dat een
                        belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben tegen een
                        voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld zijn
                        zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient vervolgens
                        zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit
                        2003 het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of standplaats in
                        strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw,
                        ander bouwwerk of die standplaats weer in overeenstemming met die
                        voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde
                        termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig
                        artikel 5:24, vierde lid, van de Awb de toepassing van bestuursdwang
                        voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb het
                        verbeuren van een dwangsom voorkomen. Tegen een handhavingsbesluit staan de
                        normale rechtsmiddelen open die de Awb in samenhang met de Wet op de Raad
                        van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid
                        om een voorlopige voorziening te vragen). Deze nieuwe systematiek betekent
                        ook een vereenvoudigde regeling voor de toepassing van bestuursdwang
                        bestaande uit het stilleggen van de bouw- en sloopwerkzaamheden. Op grond
                        van artikel 125 van de Gemeenteweg blijft de mogelijkheid bestaan om met
                        toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                        last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                        sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                        Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning
                        wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om
                        spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:25, zesde
                        lid van de Awb. Het direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw-
                        of sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale
                        situatie verder in omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders
                        mogelijk voor voldongen feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder
                        meer worden verwezen naar de uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG
                        020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw </titel></kop><al>De tekst van de toelichting komt te vervallen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming </titel></kop><al>De tekst van de toelichting komt te vervallen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen </titel></kop><al>De tekst van de toelichting komt te vervallen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek </titel></kop><al>Dit onderwerp wordt thans geregeld in artikel 5:18 Awb. In het kader van
                        toezicht zijn voorts van belang: </al><lijst><li nr="·"><al>Het betreden en binnentreden van woningen met toestemming van de
                                bewoners, artikel 5:15 Awb. </al></li><li nr="·"><al>In artikel 5:15 Awb is tevens geregeld dat de toezichthouder zich
                                kan doen vergezellen van de 'sterke arm'. </al></li><li nr="·"><al>Idem, zonder toestemming van de bewoner, artikel 10, lid 5 Ww. </al></li><li nr="·"><al>Procedurele voorschriften over het binnentreden, Algemene wet op het
                                binnentreden. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel> 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Algemeen </titel></kop><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                        steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a onder 2o van de Wet
                        op de Economische delicten. Daarom is strafbaarstelling inde MBV niet langer
                        mogelijk. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12.1 Strafbare feiten </titel></kop><al>Lid 1. </al><al>De artikelen 106 tot en met 111 van de Woningwet zijn per 1 april 2007
                        vervallen. Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening als bedoeld
                        in artikel 7b Woningwet zijn met ingang van deze datum strafbaar gesteld in
                        artikel 1a, onder 2o van de Wet op de economische delicten (WED).
                        Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening op het terrein van
                        (brand)veiligheid en gezondheid valt eveneens hieronder. De wetgever heeft
                        gekozen voor het onder de WED brengen van deze overtredingen, omdat aan
                        overtredingen als bedoeld veelal een financieel-economisch belang ten
                        grondslag ligt. Door de indeling in artikel 1a, onder 2o van de WED wordt
                        aangesloten bij de strafbaarstelling van een groot aantal milieudelicten,
                        die veelal een vergelijkbare achtergrond hebben en waarmee inmiddels de
                        nodige ervaring is opgedaan door de politie, het Openbaar Ministerie en de
                        rechterlijke macht. Voor deze indeling heeft de wetgever mede gekozen
                        vanwege het (potentiële) gevaar en de (potentieel) zeer ernstige gevolgen
                        die het niet naleven van deze voorschriften met zich mee kan brengen. Indien
                        opzettelijk gepleegd, zijn deze delicten misdrijven; indien niet opzettelijk
                        gepleegd, zijn het overtredingen. Overgangsrecht strafbare feiten: Artikel
                        132 van de Woningwet bepaalt dat overtredingen van de oude bouwverordening
                        worden afgedaan volgens de oude Woningwet. Men zie artikel 97 oude Woningwet
                        en artikel 394 oude MBV.</al><al>Lid 2.</al><al> Het tweede lid van artikel 110 van de Woningwet bevat een uitzondering op
                        het bepaalde in het eerste lid aangaande de overtreding van een voorschrift
                        gegeven krachtens artikel 120 van de Woningwet. Artikel 120 gaat over
                        voorschriften in een a.m.v.b. ter nakoming van internationale
                        verplichtingen. Overtreding van de verbodsbepaling is in artikel 110, tweede
                        lid van de Woningwet aangemerkt als een economisch delict in de zin van de
                        Wet op de Economische Delicten (WED).</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is een nakoming van een Europese
                        internationale verplichting. Artikel 11 van dit Besluit en artikel 12.1,
                        tweede lid van de MBV legt de relatie met het tweede lid van artikel 110 van
                        de Woningwet. Overtreding van de artikelen genoemd in het tweede lid van
                        artikel 12.1, voor zover deze betrekking hebben op het slopen van asbest, is
                        een economisch delict.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek </titel></kop><al>Dit artikel voorkomt dat na het van kracht worden van deze bouwverordening
                        opnieuw verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Deze regel geldt
                        niet wanneer burgemeester en wethouders van mening zijn dat het eerder
                        uitgevoerde indicatieve bodemonderzoek niet meer als recent kan worden
                        aangemerkt. Voor de vraag wat kan worden verstaan onder een recent
                        onderzoek, zie de toelichting bij artikel 2.4.1 van de
                        Model-bouwverordening. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen </titel></kop><al>De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                        situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen
                        en redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe situaties
                        - dat wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze
                        voorschriften - lijkt de eis wel redelijk. Wanneer een bestaand gebouw, dat
                        krachtens deze overgangsbepaling niet aan de nieuwe voorschriften behoeft te
                        voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een vergunning nodig is op grond van
                        artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die vergunning eisen omtrent de
                        bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld. Dit om te voorkomen dat een
                        eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer eigentijdse eisen van bereikbaarheid
                        zou behoeven te voldoen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
                        </titel></kop><al>Deze overgangsbepaling strekt ertoe een gebruiksvergunning die is verleend
                        krachtens artikel 26 van de brandbeveiligingsverordening haar rechtskracht
                        te doen behouden. Het tweede lid heeft eveneens deze strekking, maar dan
                        voor de ontheffingen, toestemmingen, voorschriften, beperkingen krachtens de
                        brandbeveiligingsverordening.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding </titel></kop><al>vervallen </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12.6 Slotbepaling </titel></kop><al>Algemeen</al><al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                        artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen,
                        zijnde algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het
                        besluit in het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen
                        verkrijgbaar gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde
                        verordening. Een (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van
                        artikel 140 van de Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen
                        op de gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen
                        plaats. De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na
                        de bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan
                        echter een ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen
                        of burgemeester en wethouders in de verordening de bevoegdheid geven om de
                        inwerkingtreding van de veror-dening op een nader tijdstip te bepalen. De
                        verordening moet na de bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van
                        het arrondissement waarin de gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de
                        Gemeentewet. Een termijn daarvoor is niet opgenomen, doch spoedige
                        mededeling ligt in de rede. Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk
                        na de bekendmaking een afschrift van de verordening te worden gezonden aan
                        de inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente
                        ligt; zie artikel 95 van de Woningwet. Alternatief 1 (inwerkingtreding
                        ineens)Als na de vaststelling door de gemeenteraad de bouwverordening in
                        zijn geheel op dezelfde datum in werking treedt dient alternatief 1 in de
                        bouwverordening opgenomen te worden. Alternatief 2 (gefaseerde
                        inwerkingtreding)De mogelijkheid bestaat om de bouwverordening gefaseerd in
                        werking te laten treden. Aangeraden wordt om hier zo min mogelijk gebruik
                        van te maken. Met betrekking tot een aantal onderwerpen kan het
                        organisatorisch echter wenselijk zijn om de artikelen omtrent deze
                        onderwerpen op een later tijdstip in werking te laten treden. In beginsel
                        komen drie onderwerpen in aanmerking: de bodembepalingen, de sloopbepalingen
                        (inclusief de bouwafvalbepaling) en de bepalingen omtrent het brandveilig
                        gebruik. Van een of meerdere van deze onderwerpen kan de inwerkingtreding
                        worden uitgesteld. De gewenste artikelen kunnen bij lid 1 gekozen worden.
                        Bij lid 2, sub a, dient, in het geval dat ervoor gekozen is de
                        inwerkingtreding van (mede) de sloopbepalingen uit te stellen, de aangegeven
                        toevoeging plaats te vinden. Lid 2, sub b, mag niet opgenomen worden voor
                        het geval dat de inwerkingtreding van (mede) de bepalingen voor het
                        brandveilig gebruik uitgesteld worden. Het moment van inwerkingtreding van
                        de desbetreffende artikelen dient te zijner tijd bij raadsbesluit
                        vastgesteld te worden. Desgewenst kunnen voor de diverse artikelen
                        verschillende momenten van inwerkingtreding bepaald worden. Indien de
                        gemeente reeds bij de vaststelling van de MBV 1992 het tijdstip wil bepalen
                        waarop de desbetreffende artikelen in werking treden, kan zij een bepaling
                        ter zake aan dit artikel 12.6 toevoegen. De inwerkingtreding van alle
                        artikelen dient vóór 1 oktober 1993 te geschieden, zo bepaalt de Woningwet
                        1991. </al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage 1</titel></kop><al>Toelichting verordening</al><al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al><al>Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder c)</al><al>Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al><al>Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder a)</al><al>Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder a)</al><al>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder a)</al><al>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder b)</al><al>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder c)</al><al>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder c)</al><al>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder d)</al><al>Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder e)</al><al>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                        achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge
                        artikel 2.5.11, lid 2)</al><al>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                        bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). </al><al>Binnen de bebouwde kom</al><al>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                        bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). </al><al>Buiten de bebouwde kom</al><al>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                        bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief 2). </al><al>Binnen grootstedelijke delen van de bebouwde kom</al><al>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                        eerste alinea)</al><al>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                        tweede alinea)</al><al>Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede
                        lid, eerste alinea)</al><al>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20, tweede
                        lid, tweede alinea)</al><al>Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn
                        (artikelen 2.5.22)</al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage 2</titel></kop><al>Voorwaarden bij een gebruiksvergunning</al><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit
                        brandveilig gebruik bouwwerken”).</al></divisie><divisie><kop><titel> Bijlage 3</titel></kop><al>Tabel maximaal toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met
                        het oog op de </al><al>brandveiligheid</al><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit
                        brandveilig gebruik bouwwerken”).</al></divisie><divisie><kop><titel> Bijlage 4</titel></kop><al>Stroomschema aanvraag gebruiksvergunning</al><al><vet>Vervallen </vet>(in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit
                        brandveilig gebruik bouwwerken”).</al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage 5</titel></kop><al>Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Activiteit samenhangende met sloopproject</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedreiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopmethode</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beulen (slopen met behulp van slingeren, zwaaien, vallen
                                            van bal)</al></entry><entry colname="col2"><al>– onvoldoende afstand tot gebouwen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– stof bij instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– overmatige trillingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op
                                            lengterichting met als gevolg breuk)</al></entry><entry colname="col2"><al>– stof bij instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– wegspatten dommekracht (hefboom)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Expanderen (sloopmethode die gebruik maakt van bepaalde
                                            stoffen die een aanzienlijke volumevergroting vertonen;
                                            o.a. explosieven.)</al></entry><entry colname="col2"><al>– rondvliegend puin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– opslag e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– trillingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– stofproductie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– verzakkingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Afhijsen (knijpen)</al></entry><entry colname="col2"><al>– vallend materiaal/onvoldoende afstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– omvallen kraan/maximum hijslast</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– afbreken hijslast</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Trekken (uitoefen kracht in de lengterichting)</al></entry><entry colname="col2"><al>– kantelen trekapparatuur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– stapelen palen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Overige methoden:</al></entry><entry colname="col2"><al>Slopen in het algemeen met de hand vanaf stellingen, al
                                            dan niet met behulp van werktuigen. Hierbij kan indien
                                            het bouwhek niet vergenoeg staat puin, gereedschap e.d.
                                            Buiten het sloopterrein vallen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Materieel (bouwkranen, mobiele puinbrekers)</al></entry><entry colname="col2"><al>– aan- en afvoer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– op- en afbouw</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– afbreken hijslast of delen daarvan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– omvallen kraan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– overschrijden max. wegbelasting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopobject</al></entry><entry colname="col2"><al>–omvallende bouwdelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>–wegspattend/vallend puin en gereedschap</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>–verontreinigd sloopmateriaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Activiteit samenhangende met sloopproject</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedreiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopterrein</al></entry><entry colname="col2"><al>– afkalven, instorten bouwputten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– opslag van materialen en materieel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– onvoldoende afgrenzing</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bouwputten en -sleuven</al></entry><entry colname="col2"><al>– instorten/afkalven bouwputten en sleuven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– onjuiste bemaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bodemverontreiniging en afvoer van sloopmaterialen</al></entry><entry colname="col2"><al>Veiligheidsaspecten reeds gedekt: p-bladen
                                            arbeidsinspectie en APV’s.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage 6 </titel></kop><al>Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve van de
                        opsteller van het sloopveiligheidsplan</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="26*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Bedreigde functies en objecten</al></entry><entry colname="col3"><al>Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en object-
                                            gericht)</al></entry><entry colname="col4"><al>Aanbevelingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Belendingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat</al></entry><entry colname="col3"><al>– constructief scheiden</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met eigenaar/beheerder</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– trillingsarm slopen belending (in extremo: met de
                                            hand)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– stutten/stempelen bouwputten- en sleuven</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– gecontroleerd bemalen </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouwmuren en
                                            funderingen</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gebruikers</al></entry><entry colname="col3"><al>– trillingsarm slopen </al></entry><entry colname="col4"><al>Voorlichten gebruikers</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– stofarm slopen </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– slopen op bepaalde dagen/tijden</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal,
                                            zoals asbest -</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties</al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden / toegankelijk houden van belendende
                                            gebouwen -</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                                            verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste werktijden</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gedeeltelijk te slopen objecten</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat resterende constructie</al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                                            betreft veiligheid Zie ook bouwkundige staat
                                            belendingen</al></entry><entry colname="col4"><al>Getoetst dient te worden aan de regelgeving met
                                            betrekking tot veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid
                                            voor bestaande situaties. Voor mogelijke maatregelen en
                                            aanbevelingen zie ’belendingen’</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gebruikers resterende constructie</al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouw besluit en Bouwveror dening wat
                                            betreft veiligheid en gezondheid </al><al>Zie ook gebruikers belendingen.</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties resterende constructie (school,
                                            ziekenhuis, e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouw besluit en Bouwverordening wat
                                            betreft bruikbaarheid </al><al>Zie ook gebruiksfuncties belendingen </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Infrastructuur</al></entry><entry colname="col2"><al>Kabels, leidingen en rioleringen</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloopmethode</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met betreffende
                                            nutsbedrijven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– stutten </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– beschermen</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– (afdekken) </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– afsluiten </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– omleggen </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– hijsplan bij grote hijsklussen</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>– beschermen </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– afsluiten </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– verwijderen</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Wegen, bruggen, viaducten, e.d.</al></entry><entry colname="col3"><al>– afdekken (schotten, rijplaten, zand)</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloop methode</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Waterstaatkundige werken (kanalen, sluizen, dijken
                                            e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overig (tunnels e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke
                                            instantie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verkeerssituatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Voetgangers en fietsers</al></entry><entry colname="col3"><al>– afdoende afgrenzen sloopterrein</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan </al><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties
                                            en gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– uitstekers (valschermen)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– voetgangerstunnels </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weggedeelte met hekwerk </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– (tijdelijk) afzetten van de gehele weg </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overig wegverkeer (openbaar vervoer, auto’s)</al></entry><entry colname="col3"><al>– afdoende afgrenzen sloopterrein</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden en waarbor gen veiligheid boven leidingen
                                            trams en trolleys</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties
                                            en gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– uitstekers </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weg verkeerscirculatieplan</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Routes voor brandweer- en ziekenhuis auto’s e.d.</al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden weg </al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloop methode </al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties
                                            en gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– beperken overige verkeersstroom</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Spoorwegen</al></entry><entry colname="col3"><al>Regelen in vooroverleg met NS</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Scheepvaart</al></entry><entry colname="col3"><al>Regelen in vooroverleg met waterbeheerder (RWS,
                                            provincie, waterschap, gemeente)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere omstandigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Veel omstanders</al></entry><entry colname="col3"><al>– aanbrengen extra veiligheidsvoorzieningen</al></entry><entry colname="col4"><al>Vooraf informeren omwonenden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten wegen</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij grote manifestaties overleg met gemeente</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d)</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weg </al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met deskundige instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– ontruimen belendende percelen</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Vandalen en daklozen</al></entry><entry colname="col3"><al>– extra afscheiding </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>– verscherpt toezicht</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage 7 </titel></kop><al>Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al>Voorbeeld inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al>1 Naam en correspondentieadres van de aannemer</al><al>2 Ligging van het te slopen perceel</al><al>3 Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al><al>4 Beschrijving werkzaamheden</al><al>5 Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel en
                        hulp- en beveiligingsmiddelen</al><al>6 Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking tot
                        externe veiligheid</al><al>7 Betrokken instanties</al><al>8 Dagindeling werkzaamheden</al><al>9 Instructies aan werknemers</al><al>10 Instructies/voorlichting omwonenden</al><al>11 Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al><al>12 Uitvoering toezicht op maatregelen</al><al>13 Logboek</al><al>Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</al><al>a belangrijke telefoonnummers</al><al>b tekening waarop staat aangegeven: </al><al>– de situering van het sloopobject;</al><al>– de plaats van de bouwkranen;</al><al>– de aan- en afvoerwegen;</al><al>– de laad-, los- en hijszones;</al><al>– de plaats van de bouwketen;</al><al>– de situering van het sloopobject ten opzichte van aangrenzende wegen,
                        bouwwerken e.d.;</al><al>– de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle sloopwerkzaamheden, het
                        laden en lossen daaronder begrepen, plaatsvinden;</al><al>– de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige leidingen;</al><al>– de plaats van ander hulpmaterieel.</al><al>De schaal van deze tekening mag niet kleiner zijn dan 1:1.000. (indien nodig
                        bij detailleringen niet kleiner dan 1:100).</al><al>c controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werken</al><al>d transportroutes afkomende materialen</al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage 8</titel></kop><al><vet>Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="24*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>niveau I minimumscheiding</al></entry><entry colname="col2"><al>niveau I-plus minimumscheiding</al></entry><entry colname="col3"><al>niveau II</al></entry><entry colname="col4"><al>niveau III maximumscheiding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of
                                            chemisch verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry colname="col2"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of
                                            chemisch verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry colname="col3"><al>olieproducten </al><al>overig gevaarlijk afval</al></entry><entry colname="col4"><al>afgewerkte olie brandstofrestanten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>batterijen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>accu’s</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schoorsteenkanalen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>rookkanalen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overig chemisch belast puin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>verontreinigde leidingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>oliehoudende elementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>coatings, kitten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bitumineuze materialen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>zeefzand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>tl-buizen/starters</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>halogeen lampen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>niet uitputtende lijst, voor</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overzicht zie EURAL</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></entry><entry colname="col2"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></entry><entry colname="col3"><al>asbestproducten golfplaat</al></entry><entry colname="col4"><al>spouwbladen brandwerende platen isolatiemateriaal
                                            producten niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry><entry colname="col4"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>metalen</al></entry><entry colname="col2"><al>metalen</al></entry><entry colname="col3"><al>ferro</al></entry><entry colname="col4"><al>constructiebalken e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>metalen trappen e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>betonijzer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schroot </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>tanks, silo’s </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>non ferro</al></entry><entry colname="col4"><al>aluminium (kozijnen, instructies) lood (buis,
                                            slabben)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>zink (regenpijp, dakgoot) koperbuis</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>non ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>elektriciteitskabels</al></entry><entry colname="col4"><al>kabels 220 V </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>kabels &gt; 220 V</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al></entry><entry colname="col2"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al></entry><entry colname="col3"><al>beton</al></entry><entry colname="col4"><al>gewapend beton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schuimbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gasbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>staalvezelbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>hoge sterkte beton betonproducten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>beton niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>metselwerk</al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>metselmortel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>kalkzandsteen</al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bouwblokken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>dakpannen/ bedekking (beton, keramiek, leisteen)</al></entry><entry colname="col4"><al>intacte dakpannen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gebroken dakpannen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakleien</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>keramiek</al></entry><entry colname="col4"><al>wandtegels</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>plavuizen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>sanitair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gipshoudende elementen</al></entry><entry colname="col4"><al>gipsplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>stucwerk </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>anhydriet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloeren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gipsvezelplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gipshoudende elementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>asfalt</al></entry><entry colname="col4"><al>asfaltbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>asfaltpuin </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>freesafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>steenwol</al></entry><entry colname="col3"><al>steenwol </al></entry><entry colname="col4"><al>steenwol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>glaswol </al></entry><entry colname="col3"><al>glaswol </al></entry><entry colname="col4"><al>glaswol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>massief hout(zonder verduurzamings- middelen, direct
                                            herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col2"><al>massief hout(zonder verduurzamings-middelen, direct
                                            herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col3"><al>massief hout (direct herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col4"><al>balken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerdelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>trapelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakbeschot</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>regels/tengels</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>pallets </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schoon hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geverfd /gelakt hout</al></entry><entry colname="col4"><al>gevelelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>kozijnen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>deuren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>parketvloeren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>geverfd/gelakt hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>verlijmd hout (plaatmateriaal)</al></entry><entry colname="col4"><al>spaanplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>multiplex</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>hardboard</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vezelplaat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>houtwolcementplaat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bekistingmateriaal </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerplaat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>plaatmateriaal niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geïmpregneerd hout</al></entry><entry colname="col4"><al>tuinhout </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bielzen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>geïmpregneerd hout</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col2"><al>kunststof gevelelementen</al></entry><entry colname="col3"><al>kunststof gevelelementen</al></entry><entry colname="col4"><al>kunststof gevelelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>PVC- en PE-leidingen</al></entry><entry colname="col3"><al>PVC</al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen(riolering, afvoer)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PP en PE</al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>(riolering, afvoer) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakfolies </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>vlak glas</al></entry><entry colname="col3"><al>vlak glas</al></entry><entry colname="col4"><al>vlak glas </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>draadglas </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>spiegelglas </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dubbelglas </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>HR- en LE-glas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>papier en karton</al></entry><entry colname="col3"><al>papier en karton</al></entry><entry colname="col4"><al>papier </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>karton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col3"><al>LDPE / HDPE</al></entry><entry colname="col4"><al>dakfolies </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandfolies </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>XPS / EPS</al></entry><entry colname="col4"><al>vloerisolatie </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakisolatie </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PUR</al></entry><entry colname="col4"><al>isolatieplaten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>PUR-producten niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry><entry colname="col4"><al>EPDM</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>cellulose isolaties</al></entry><entry colname="col4"><al>cellulose isolaties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>textiel</al></entry><entry colname="col4"><al>gordijnen vloerbedekking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>door vuil voor hergebruik ongeschikte materialen</al></entry><entry colname="col4"><al>folies met aanhangend</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>papier/karton met aanhangend vuil textiel met aanhangend
                                            vuil glas met kitresten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>composiet-materialen</al></entry><entry colname="col4"><al>beton met PS-platen sandwichpanelen metselwerk met
                                            stucwerk beton met stucwerk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>thermohardende kunststoffen</al></entry><entry colname="col4"><al>meterkasten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>deurknoppen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col4"><al>overig afval</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toelichting tabel</al><al>In de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en niveau I-plus
                        staan voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel 8.4.1. Dit
                        minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                        minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                        respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de
                        vaststelling van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee
                        alternatieven.</al><al>Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een
                        maximale scheiding.</al><al>Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder inzicht
                        wordt verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De
                        verschillende categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden
                        onderscheiden, kunnen niet worden opgevat als definitieve oplossingen met
                        betrekking tot scheiden. </al><al>Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt als
                        hulpmiddel.</al><al>– Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste afvalstromen:</al><al>Op het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen
                        van toepassing (EURAL). Het scheiden van de herbruikbare componenten uit het
                        gevaarlijke afval heeft alleen zin indien deze gescheiden worden op niveau
                        III.</al><al>– Asbest en asbesthoudende afvalstromen</al><al>Het scheiden van asbestproducten tot op niveau III is niet zinvol. Volstaan
                        kan worden met het apart houden van asbest en asbesthoudende producten in
                        één afvalstroom, omdat asbest altijd moet worden gestort.</al><al>– Overige afvalstromen</al><al>Het scheiden van de diverse componenten is alleen zinvol indien hiermee een
                        afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking komt voor hergebruik en
                        waarvoor inzamel- en verwerkings- of bewerkingscapaciteit bestaan.</al><al>Voor sommige componenten betekent dit dat gescheiden dient te worden tot
                        niveau III (bijvoorbeeld bepaalde betonproducten, steenachtige
                        isolatiematerialen, dakpannen, metalen, kunststoffen, glas, schoon hout).
                        Voor andere componenten kan ook worden volstaan met scheiding op niveau II
                        (asfalt, metselwerk, kalkzandsteen, geverfd en gelakt hout, verlijmd hout,
                        papier en karton, textiel, kabels).</al><al>– Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                        afvalstromen</al><al>In verband met het stortverbod voor bouw- en sloopafval, moet ook deze
                        categorie worden beschouwd als overig afval en worden afgevoerd naar de
                        sorteerinrichting. </al><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen
                        van de mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de
                        sloopvergunning.</al><al>Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de verschillende
                        inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze
                        regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig
                        zijn.</al><al>Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar, verantwoordelijk
                        voor de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en
                        regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende
                        afvalstromen.</al><al>Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond die
                        tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan dus geen
                        onderwerp zijn in een voorschrift van de sloopvergunning. Toch verdient het
                        aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde) grond.</al><al>Voor informatie betreffende de bewerkings- en verwerkingscapaciteit en
                        locaties van bewerkings- en verwerkingsinstallaties kunnen onder meer de
                        volgende publicaties worden geraadpleegd:</al><al>– Vademecum voor afvalverwerkingsdiensten (uitgeverij VAD BV, Alphen aan den
                        Rijn, 1993)</al><al>– SBR-brochure 230-b Bouw-afvalstoffengids, Rotterdam 1991.</al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage 9</titel></kop><al>Reglement van orde van de welstandscommissie</al><al>In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de
                        (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om
                        een universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in
                        de modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het
                        al dan niet werken met rayonarchitecten, het al dan niet gebruik van
                        subcommissies en het al dan niet samenwerken met een monumentencommissie.
                        Een reglement van orde, afgestemd op de eigen werkwijze, stelden gemeenten
                        in het algemeen op in samenwerking met de provinciale welstandsorganisatie
                        waarbij zij zijn aangesloten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en
                            daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</titel></kop><al>Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden
                        vorm voorkomt (N.B. De aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe
                        product. Door slijtage kan de hechtgebondenheid van deze producten in de
                        loop der tijd afnemen.) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Product </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Mogelijk toegepast in </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Mate waarin het is toegepast </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Uiterlijk</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke plaat </al></entry><entry colname="col2"><al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant
                                            ‘wafelstructuur' </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating </al></entry><entry colname="col2"><al>Decoratieve buitengevels, galerij </al></entry><entry colname="col3"><al>Vrij algemeen in flats </al></entry><entry colname="col4"><al>Als vlakke plaat maar met aan een kant gekleurde
                                            geëmailleerde of gespoten coating</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal </al></entry><entry colname="col2"><al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, bloembak </al></entry><entry colname="col2"><al>Zowel buiten als binnen, balkons </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal
                                            dunner dan betonnen bak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, golfplaat </al></entry><entry colname="col2"><al>Daken van schuren en garages </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Als golfplaat, in diverse dikten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard) </al></entry><entry colname="col2"><al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen,
                                            inpandige kasten </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms </al></entry><entry colname="col4"><al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, dakleien </al></entry><entry colname="col2"><al>Imitatieleien </al></entry><entry colname="col3"><al>In Nederland weinig toegepast </al></entry><entry colname="col4"><al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, standleidingen </al></entry><entry colname="col2"><al>Afvoer toilet </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Als luchtkanaal, maar dikker</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, imitatiemarmer </al></entry><entry colname="col2"><al>Vensterbanken en schoorsteenmantels </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms </al></entry><entry colname="col4"><al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels
                                            zichtbaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Harde asbesthoudende vinyltegels </al></entry><entry colname="col2"><al>Toiletten, keukens </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms, meestal bij de bouw gelegd </al></entry><entry colname="col4"><al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Afdichtkoord </al></entry><entry colname="col2"><al>Afdichting schoorstenen kachelruitjes en deurtjes, in
                                            oude haarden en allesbranders, </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig </al></entry><entry colname="col4"><al>Wit tot vuilgrijs pluizig koord</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbesthoudend stucwerk </al></entry><entry colname="col2"><al>Op (vochtige) muren en plafonds </al></entry><entry colname="col3"><al>Nauwelijks </al></entry><entry colname="col4"><al>Vezelige korrelstructuur </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Brandwerend board </al></entry><entry colname="col2"><al>Onder CV-ketels, wanden CV-kast, stoppenkast, plafonds,
                                            trapbeschot </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen </al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtbruin tot geel, zachtboardachtig </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestkarton </al></entry><entry colname="col2"><al>Bekleding zoldering </al></entry><entry colname="col3"><al>Weinig </al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtgrijs, kartonachtig </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag </al></entry><entry colname="col2"><al>Keukens, trappen enz., geproduceerd voor 1983 </al></entry><entry colname="col3"><al>Zeer vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Zeer divers, alleen te herkennen door analyse
                                            onderlaag</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toelichting tabel</vet></al><al><cursief>Herkennen van asbest</cursief></al><al>Alleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld
                        of een materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen
                        herkennen waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt
                        daarbij. Dit overzicht is niet volledig. Voor de herkenning van
                        vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de volksmond zeil) waarin
                        mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie worden gegeven: </al><al>-Asbesthoudende vinylvloertegels</al><al>Tot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met
                        asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                        Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten
                        en keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een
                        wit 'gevlamde' decoratie. </al><al>-Asbesthoudende vinylvloerbedekking</al><al>Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel
                        gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag
                        zit asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot
                        lichtbeige en soms lichtgroen. </al><al>Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten vloerbedekking: vloerbedekking
                        van textiel (tapijt); ondertapijt van vilt; breekbaar, dun zeil met een
                        doffe, zwarte of wijnrode onderkant; stijve, zeilachtige vloerbedekkingen
                        met een harde, ruwe onderzijde met daarin een grofmazig juteweefsel, zoals
                        linoleum; buigzaam zeil met een dikke, bruine, harige onderzijde; soepel
                        zeil met een onderkant van kunststof (plastic) of foam (schuim). </al><al>Ten slotte is het van belang het volgende te weten: Toepassing en verkoop
                        van asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983 is vrijwel geen
                        losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn ook asbestvrije
                        cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland
                        gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT
                        aan de onderzijde van de plaat. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>