Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Meppel

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel houdende regels omtrent de invordering van gemeentelijke belastingen

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieMeppel
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel houdende regels omtrent de invordering van gemeentelijke belastingen
CiteertitelLeidraad Invordering gemeentelijke belastingen
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de leidraad invordering.

Deze regeling bevat de vroegst mogelijke datum van inwerkingtreding.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Invorderingswet 1990
  2. artikel 160 van de Gemeentewet
  3. artikel 231 van de Gemeentewet
  4. artikel 249 van de Gemeentewet
  5. artikel 257 van de Gemeentewet
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

11-02-202125-03-2021nieuwe regeling

19-01-2021

gmb-2021-38867

14545488

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel houdende regels omtrent de invordering van gemeentelijke belastingen

Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Meppel, gelet op de Invorderingswet 1990 en de artikelen 160, 231 en 249 tot en met 257 van de Gemeentewet, besluit:

vast te stellen: de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen, opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage.

 

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 februari 2021 en vervangt de op 25 augustus 2020 vastgestelde "leidraad invordering"

 

Gemeente Meppel, 19 januari 2021, nr. 14545488

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris, de burgemeester,

 

Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen

Artikel 1 Inleiding en toepassingsgebied

Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen en het beleid over het toepassingsgebied zoals opgenomen in artikel 1 van de Invorderingswet 1990.

 

1.1 Inleiding

Net als de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk (hierna: Rijksleidraad) bevat de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen enkel beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen. Bij de opmaak van deze leidraad is aansluiting gezocht bij de Rijksleidraad. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen toegevoegd, niet van toepassing verklaard of aangepast aan de gemeentelijke situatie.

 

1.1.1 Lijst met gebruikte afkortingen

 

Afkorting

Omschrijving

Awb

Algemene wet bestuursrecht

Awir

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

AWR

Algemene wet inzake rijksbelastingen

BW

Burgerlijk Wetboek

FW

Faillissementswet

MSNP

minnelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen

Pw

Participatiewet

Rv

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Sr

Wetboek van Strafrecht

Sv

Wetboek van Strafvordering

WSF

Wet Studiefinanciering 2000

WSNP

wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen

 

1.1.2 Definities

  • -

    belasting(en): belastingen die door de gemeente worden geheven;

  • -

    belastingdeurwaarder: de daartoe door het college aangewezen gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet;

  • -

    besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990;

  • -

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente;

  • -

    echtgenoot: de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Pw;

  • -

    hoger beroep: hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep in cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld, cassatieberoep;

  • -

    inspecteur: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de inspecteur;

  • -

    ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of zelfstandig een beroep uitoefent;

  • -

    invorderingsambtenaar: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de invorderingsambtenaar;

  • -

    particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt aangemerkt;

  • -

    regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990;

  • -

    wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet 1990).

Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde verstaan als de wet daaronder verstaat.

 

1.1.3 Reikwijdte beleidsvoorschriften

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

1.1.4 Aansprakelijkgestelden en andere derden

De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te beperken.

 

1.1.5 Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur

De invorderingsambtenaar handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks het feit dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet. Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt.

 

Voor beschikkingen op aanvraag, vergezeld van een volledig ingevuld verzoekformulier, geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14 en 4:15 Awb). Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een termijn van zes weken en een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij administratief beroep geldt een termijn van zes weken en een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb).

 

Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17 Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen:

  • -

    bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid van de wet;

  • -

    bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid van de wet;

  • -

    bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid Kostenwet invordering rijksbelastingen;

  • -

    bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid van de wet;– bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 63b van de wet.

Een andere bepaling uit de Awb die van overeenkomstige toepassing is bij invordering is artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad dient.

 

Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb.

 

Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de invorderingsambtenaar bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de belastingschuldige in een verzoek aan de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de invorderingsambtenaar de belastingaanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de invorderingsambtenaar voor een dergelijke aanslag geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen. Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten die de invorderingsambtenaar bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggaaf wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is bekendgemaakt.

 

1.1.6 Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen

Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, geeft de invorderingsambtenaar de voorkeur aan de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze. De invorderingsambtenaar kan tegelijkertijd beslag leggen op alle voor beslag vatbare goederen van de schuldenaar.

 

1.1.7 Invorderingsmaatregelen tegen bedrijven met meer dan vijftig werknemers

Als de invorderingsambtenaar invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan tien werknemers, dan vraagt hij daartoe toestemming van het college. Onder een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep.

 

Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de invorderingsambtenaar op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel onwetend blijven.

 

1.1.8 Voor de invordering minder geschikte dagen

De invorderingsambtenaar zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven.

 

Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de privésfeer kunnen worden gerekend.

 

Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name:

  • -

    de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, de vijfde mei en de Goede Vrijdag, alle met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag;

  • -

    regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daaropvolgende dag;

  • -

    de dagen tussen de beide Kerstdagen en Nieuwjaarsdag.

1.1.9 Binnenkomst van bescheiden

Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij de gemeente.

 

Als de invorderingsambtenaar in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden.

 

1.1.10 Positie belastingdeurwaarder

Belastingdeurwaarder is een door of namens het college aangewezen ambtenaar van de gemeente, dan wel een als belastingdeurwaarder van de gemeente aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de invorderingsambtenaar). Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen dient.

 

Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van enige belasting.

 

De leiding van de invordering berust steeds in handen van de invorderingsambtenaar. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij rechtstreeks ontleent aan de wet en het Rv, slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de invorderingsambtenaar heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen.

 

Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de invorderingsambtenaar in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is.

 

1.1.11 Bewaren invorderingsbescheiden

De invorderingsambtenaar bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard.

 

De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren.

 

Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren.

 

1.1.12 Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

1.1.13 Informatieplicht

De invorderingsambtenaar maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald binnen de betalingstermijn(en) die voor de belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt.

 

De invorderingsambtenaar kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen.

 

1.1.14 Diplomatieke status

De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De invorderingsambtenaar richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot:

 

Ministerie van Buitenlandse Zaken

 

Directie Kabinet en Protocol

 

Postbus 20061

 

2500 EB ’s-Gravenhage

 

1.2 Toepassingsgebied

Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet waarbij met rijksbelastingen de gemeentelijke belastingen worden bedoeld. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van toepassing is op de wet. De invorderingsambtenaar handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit fiscaal bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad).

Artikel 2 Begrippen

In aansluiting op artikel 2 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het begrip 'woonplaats'.

 

2.1 Woonplaats

De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud.

 

Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen overeenkomstig het Rv, sluit de invorderingsambtenaar aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen 1:10 en volgende van het BW. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van afdeling 1 van hoofdstuk VI van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de gemeentelijke verordening of heffingswet op grond waarvan de belastingschuld - waarvoor de aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan.

Artikel 3 Bevoegdheden invorderingsambtenaar

Artikel 3 van de wet geeft een afbakening van de bevoegdheden van de invorderingsambtenaar.

 

De invorderingsambtenaar treedt in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte op.

 

De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. Volgens artikel 4:124 Awb beschikt de invorderingsambtenaar ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft.

 

In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    de fiscale en civiele bevoegdheden van de invorderingsambtenaar;

  • -

    het leggen van conservatoir beslag;

  • -

    het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures;

  • -

    een faillissementsaanvraag en een verzoek om steunvordering.

3.1 Fiscale en civiele bevoegdheden

De invorderingsambtenaar beschikt op grond van de wet over diverse specifieke bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de invorderingsambtenaar zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken.

 

De invorderingsambtenaar is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de invorderingsambtenaar het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden.

 

3.2 Conservatoir beslag

Om de rechten van de gemeente veilig te stellen heeft de invorderingsambtenaar naast de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de invorderingsambtenaar.

 

3.2.1 Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering

Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de invorderingsambtenaar niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet.

 

3.2.2 Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag

Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de invorderingsambtenaar slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel verschuldigd geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag wordt beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid Rv.

 

3.3 Toestemming bij gerechtelijke procedures

 

3.3.1 Juridische bijstand

Op grond van artikel 3, tweede lid van de wet treedt de invorderingsambtenaar zelfstandig in rechte op in rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak. Hij kan zich daarbij in alle gevallen voorzien van procesvertegenwoordiging.

 

3.3.2 Toestemming

In gerechtelijke procedures voor de burgerlijke rechter waarin de invorderingsambtenaar als eiser optreedt, moet hij toestemming hebben van het college. Het voorgaande geldt niet voor:

  • -

    verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen;

  • -

    kantonzaken;

  • -

    verzoekschriftprocedures;

  • -

    procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid, of artikel 708, tweede lid Rv.

In afwijking van de vorige volzin geldt voor in hoger beroep te voeren zaken dat altijd toestemming van het college nodig is.

 

3.4 Faillissementsaanvraag en verzoek om steunvordering

Als een belastingschuldige verkeert in de toestand dat hij ophoudt met betalen, dan kan de invorderingsambtenaar het faillissement aanvragen. Bij een faillissementsaanvraag wordt vooraf toestemming gevraagd aan het college. Dit geldt ook bij een eventueel verzoek om steunvordering voor het aanvragen van een faillissement.

Artikel 3a  

Er zijn in deze leidraad op artikel 3a van de wet geen beleidsregels gemaakt.

Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder

Artikel 4 van de wet bepaalt dat voor het verrichten van deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een invorderingsambtenaar voor de invordering van belastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder bevoegd is. In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de reikwijdte van die bevoegdheid.

 

4.1 Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder

De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden van de invorderingsambtenaar.

 

Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg, waartoe de invorderingsambtenaar op grond van artikel 4:124 van de Awb gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de invorderingsambtenaar zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt.

 

4.2 Bescherming

Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Daardoor genieten zij strafrechtelijke bescherming, voor zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen.

 

4.3 Legitimatie

Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden.

Artikel 5  

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 6 Reikwijdte van de wet

Artikel 6 van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is op de rente en de kosten.

 

In aansluiting op artikel 6 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over rente en kosten.

 

6.1 Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet

Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt de invorderingsrente verstaan.

 

Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg.

Artikel 7 Betaling en afboeking

Artikel 7 van de wet schrijft voor hoe de toerekening van betalingen plaats moet vinden:

  • -

    lid 1 bepaalt dat toerekening van betalingen achtereenvolgens gebeurt aan de kosten, de rente en de belastingaanslag;

  • -

    lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de verschillende componenten van de belastingaanslag plaatsvindt.

In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    het tijdstip van de betaling;

  • -

    de afboeking van de betaling;

  • -

    teveelbetalingen;

  • -

    het rekenen van kosten bij afboeking;

  • -

    het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen;

  • -

    de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete;

  • -

    de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden;

  • -

    betaling bij vergissing;

  • -

    het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een betaling;

  • -

    betaling van kleine bedragen;

  • -

    ontvangen bedragen uit de WSNP en faillissement.

7.1 Tijdstip betaling

Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de gemeente. Bij betaling door middel van storting van contant geld of door middel van storting met een pinpas bij een bank of betaaldienstverlener, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de storting of pintransactie.

 

Bij rechtstreekse betaling aan de gemeente door middel van een pintransactie geldt de dag van de pintransactie als tijdstip van betaling. Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling. Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van betaling.

 

7.2 De afboeking van de betaling

Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen:

  • -

    betalingen waarvan de bestemming is aangegeven (de zogenoemde gerichte betalingen) worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen;

  • -

    betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken.

7.3 Teveelbetaling

Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling.

 

7.4 Kosten bij afboeking betalingen

Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg.

 

7.5 Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen

Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt.

 

7.6 Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend

Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag vastgestelde bestuurlijke boete, vindt toerekening uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of (hoger) beroepschrift.

 

Als echter - ondanks dit uitstel - zoveel wordt betaald dat er na afboeking op de belasting nog een bedrag overblijft, dan wordt dit bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke boete is afgeboekt en de bestuurlijke boete wordt alsnog aangevochten, dan blijven de afboekingen gehandhaafd.

 

7.7 Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden

Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening zijn gebracht.

 

Het resterende bedrag wordt conform de verplichte afboekingsvolgorde afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag, met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de aansprakelijkgestelde.

 

7.8 Betaling bij vergissing

Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht.

 

Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben. In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de invorderingsambtenaar wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld alsnog op juiste wijze zal worden voldaan.

 

Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan niet plaats.

 

7.9 Mededeling afboeking betaling

Met betrekking tot het afboeken van betalingen wordt belastingschuldige niet door middel van een vervolgacceptgiro of anderszins op de hoogte gesteld van het restant van de aanslag, indien een gedeelte van het totaalbedrag van de aanslag wordt voldaan.

 

7.10 Betaling van kleine bedragen

Betalingen van belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de termijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door invorderingsambtenaar aangemerkt wordt als nodeloze overlast. In dat geval treedt hij in contact met de belastingschuldige om de betalingswijze aan te passen.

 

7.11 Ontvangen bedragen uit de WSNP en faillissement

Uit de WSNP of uit een faillissement ontvangen bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de gegevens van de uitdelingslijst, met in achtneming van artikel 7.2 van deze leidraad.

Artikel 7a Door de invorderingsambtenaar uit te betalen bedragen

Artikel 7a van de wet regelt de wijze waarop de invorderingsambtenaar bedragen uitbetaalt.

 

De invorderingsambtenaar betaalt de door hem uit te betalen bedragen op een bankrekening die op naam van de belastingschuldige staat.

 

In aansluiting op artikel 4:89 Awb en artikel 7a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    de aanwijzing van het rekeningnummer voor uitbetaling;

  • -

    uitbetalingsfouten.

7a.1 Aanwijzen bankrekeningnummer voor uitbetaling

De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats op het verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen bedrag wordt vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op het schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de gemeente bekende bankrekeningnummer door de gemeente, geldt dit ook als aanwijzing.

 

Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag een ander bankrekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld bankrekeningnummer geacht ook te zijn aangewezen voor het doen van uitbetalingen voortvloeiend uit eerdere aangiften of verzoeken.

 

Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de uitbetaling rekening kan worden gehouden.

 

7a.2 Controle van een aangewezen bankrekening op de tenaamstelling

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

7a.3 Uitbetalingsfouten

Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is aangewezen, dan moet de invorderingsambtenaar in beginsel opnieuw uitbetalen. De invorderingsambtenaar verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt teruggestort.

 

In afwijking van de vorige volzin vindt hernieuwde uitbetaling direct plaats als de belastingschuldige aantoont dat hij:

  • -

    tijdig vóór de uitbetaling bij de invorderingsambtenaar heeft aangegeven dat de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet geschieden, en

  • -

    niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de uitbetaling heeft plaatsvonden, geblokkeerd is.

Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de invorderingsambtenaar het aldus teveel betaalde bedrag vervolgens terugvorderen uit onverschuldigde betaling en/of ongerechtvaardigde verrijking.

 

Uitbetalingsfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De invorderingsambtenaar beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW). Desgevraagd en indien mogelijk wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald.

Artikel 7b Cessie- en verpandingsverbod uitbetalingen inkomstenbelasting

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 8 Bekendmaking aanslag

Artikel 8 van de wet regelt dat de invorderingsambtenaar de belastingaanslag bekend maakt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. De belastingschuldige is de belastingaanslag in zijn geheel verschuldigd.

 

In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties;

  • -

    de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet;

  • -

    het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen.

8.1 Verzending aanslagbiljetten

 

8.1.1 Verzending per post

De invorderingsambtenaar maakt voor de verzending van aanslagbiljetten gebruik van een postbedrijf als belastingschuldige geen gebruik maakt van de Berichtenbox op mijn.overheid.nl (hierna MijnOverheid).

 

8.1.2 Verzending via MijnOverheid

De invorderingsambtenaar maakt voor de verzending van aanslagbiljetten (ook) gebruik van de Berichtenbox op MijnOverheid als belastingschuldige er voor heeft gekozen om post van de gemeente digitaal via de Berichtenbox te ontvangen.

 

8.2 Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties

De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien verstande dat:

  • -

    aanslagbiljetten op naam van een onder curatele gestelde aan de curator worden gezonden;

  • -

    ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel een boedelschuld vormt;

  • -

    als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft opgeleverd;

  • -

    aanslagbiljetten op naam van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen.

8.3 Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet

De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd.

 

8.4 Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag

Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijke termijn te voldoen.

Artikel 9 Betalingstermijnen

Artikel 9 van de wet regelt binnen welke termijnen belastingaanslagen moeten worden betaald.

 

In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    de dagtekening van het aanslagbiljet;

  • -

    het begrip maand bij betalingstermijnen;

  • -

    verzuim invorderingsambtenaar bij uitbetaling;

  • -

    regeling betalingstermijnen;

  • -

    automatische incasso.

9.1 Dagtekening aanslagbiljet

De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast.

 

9.2 Begrippen bij betalingstermijnen

Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is gesteld op zes weken, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van een maand vervalt op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op 12 december.

 

Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een maand op 31 maart en de betalingstermijn van zes weken op 11 april, tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval de termijn vervalt op 28 maart dan wel 10 april.

 

Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later (bij een betalingstermijn van een maand) op de dag die hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt de termijn dus op 15 april.

 

Is de betalingstermijn zes weken en is de dagtekening 15 maart, vervalt de termijn op 26 april.

 

9.3 Verzuim invorderingsambtenaar bij uitbetaling

Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e van de wet wordt onder het begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het betalen van een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van deze definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in artikel 9, eerste lid van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de invorderingsambtenaar niet in verzuim is met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn plaats vindt.

 

9.4 Regeling betalingstermijnen

De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(en) in de belastingverordening geregeld. Is in de belastingverordening niets geregeld, dan zijn de betalingstermijnen uit de wet van toepassing.

 

Elk aanslagbiljet vermeldt de betalingstermijn(en). Uiterlijk op die datum moet de belastingschuldige de aanslag (of het evenredige deel ervan bij meerdere termijnen) hebben betaald. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de bij een aanslag behorende betalingstermijn.

 

9.5 Automatische incasso

Onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde belastingaanslagen is het mogelijk de aanslag(en) te voldoen via een automatische incasso. Hiervoor heeft het college een Reglement automatische incasso gemeentelijke belastingen vastgesteld.

 

Bij automatische incasso wordt de belastingschuldige (een) afwijkende, ruimere betalingstermijn(en) toegestaan.

Artikel 10 Versnelde invordering

Artikel 10, eerste lid, van de wet geeft een limitatieve opsomming van situaties waarin de invorderingsambtenaar met doorbreking van de in de belastingverordening of in artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan invorderen.

 

Artikel 10, tweede en derde lid, van de wet bevatten uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing van deze versnelde invordering.

 

In aansluiting op artikel 10 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    de reikwijdte van de versnelde invordering;

  • -

    de vrees voor verduistering;

  • -

    het metterwoon verlaten van Nederland;

  • -

    geen vaste woonplaats in Nederland;

  • -

    als er al beslag ligt;

  • -

    de verkoop namens derden;

  • -

    de vordering ex artikel 19.

10.1 Reikwijdte versnelde invordering

Als de invorderingsambtenaar het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de invorderingsambtenaar op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat.

 

Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is - deelt de invorderingsambtenaar de belastingschuldige schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens onder vermelding van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat.

 

Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 van de wet wordt overgegaan - als sprake is van direct contact met de belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen.

 

Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend - maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) - vermeldt de invorderingsambtenaar op een aparte schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10, eerste lid van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel.

 

Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt - als sprake is van direct contact met laatstgenoemde - eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen.

 

Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid van de wet terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de invorderingsambtenaar in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(en) die normaal zou(den) gelden.

 

10.2 Vrees voor verduistering en versnelde invordering

Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b van de wet is sprake, als de invorderingsambtenaar aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige daadwerkelijk onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen.

 

De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd.

 

Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b van de wet en is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar de invorderingsambtenaar moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen beslag ligt.

 

10.3 Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering

Naast het redelijke vermoeden van de invorderingsambtenaar dat de belastingschuldige van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de invorderingsambtenaar - alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel c van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland bevinden.

 

10.4 Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering

Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zich geen reden voor de invorderingsambtenaar om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er moet een situatie bestaan waarin de invorderingsambtenaar er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijn(en) zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald.

 

10.5 Beslag en versnelde invordering

Nadat de invorderingsambtenaar beslag heeft laten leggen op goederen van de belastingschuldige, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige dadelijk en ineens invorderbaar.

 

10.6 Verkoop namens derden en versnelde invordering

Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van de) executoriale verkoop, zodat de invorderingsambtenaar op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben.

 

10.7 Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering

De invorderingsambtenaar mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet doen, enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt.

 

Als de invorderingsambtenaar met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe aanslagen nog niet zijn verstreken.

Artikel 11 Aanmaning

Artikel 11 van de wet regelt dat als een belastingaanslag niet binnen de daartoe gestelde termijn(en) wordt betaald, de invorderingsambtenaar overgaat tot vervolging van de belastingschuldige door de verzending van een aanmaning.

 

In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    de geadresseerde van de aanmaning;

  • -

    als de aanmaning ten onrechte is verzonden;

  • -

    het achterwege laten van tussentijdse vervolging;

  • -

    de gedeeltelijke voldoening na aanmaning;

  • -

    de betalingsherinnering;

  • -

    de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg.

11.1 De geadresseerde van de aanmaning

De invorderingsambtenaar zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is verzonden of uitgereikt.

 

Als naderhand blijkt dat de invorderingsambtenaar de vervolging voort moet zetten voor een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt de invorderingsambtenaar alsnog een aanmaning naar het adres van de wettelijke vertegenwoordiger.

 

Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de invorderingsambtenaar de aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de invorderingsambtenaar weet dat de nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere erfgenaam afzonderlijk.

 

11.2 Aanmaning ten onrechte verzonden

Als een belanghebbende zich tot de invorderingsambtenaar wendt met de mededeling dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging niet voortgezet voordat dit is opgehelderd.

 

Als de invorderingsambtenaar concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is gedaan om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen die de rechten van de gemeente veilig stellen.

 

11.3 Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning

Vervolging - niet zijnde de eindvervolging - blijft in het algemeen achterwege.

 

De invorderingsambtenaar kan in bijzondere gevallen de tussentijdse vervolging achterwege laten, ook al valt het bedrag buiten de gestelde grenzen.

 

Een tussentijdse vervolging die terecht is aangevangen, wordt ook na de verzending van de aanmaning voortgezet.

 

11.4 Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning

Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan.

 

11.5 Geen betalingsherinnering

De invorderingsambtenaar stuurt voorafgaande aan de aanmaning geen betalingsherinnering.

 

11.6 Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg

Als de invorderingsambtenaar invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de invorderingsambtenaar over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding hoeft niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel verzendt de invorderingsambtenaar eerst een aanmaning.

Artikel 12 Dwangbevel

Artikel 12 van de wet bepaalt dat de invordering van de belastingaanslag kan geschieden bij een door de invorderingsambtenaar uit te vaardigen dwangbevel. Op grond van dit dwangbevel kan de invorderingsambtenaar overgaan tot invordering van de belastingaanslag.

 

In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    het onderwerp van het dwangbevel;

  • -

    tegen wie een dwangbevel wordt verleend.

12.1 Onderwerp van het dwangbevel

De invorderingsambtenaar vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag zoals vermeld op een aanslagbiljet, nota of beschikking.

 

Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de invorderingsambtenaar een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden.

 

De invorderingsambtenaar vermindert het bedrag van een dwangbevel met:

  • -

    de inmiddels gedane betalingen;

  • -

    verleende verminderingen;

  • -

    bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is verleend.

12.2 Tegen wie verleent de invorderingsambtenaar een dwangbevel

De invorderingsambtenaar verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolgers. Als de invorderingsambtenaar het dwangbevel verleent tegen een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke gronden dit gebeurt.

 

Als de invorderingsambtenaar bekend is met de minderjarigheid of curatele van een belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking. Als de invorderingsambtenaar hiermee niet bekend is, hoeft hij niet vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen.

 

Als de invorderingsambtenaar een belastingschuld van een overledene moet verhalen op diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de gezamenlijke erfgenamen.

 

Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, dan vermeldt de invorderingsambtenaar alle erfgenamen met naam en adres alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel. De invorderingsambtenaar brengt daarbij niet het deel van ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking.

Artikel 13 Betekening van het dwangbevel

In artikel 13 van de wet is de wijze van betekening van het dwangbevel beschreven. Het dwangbevel vermeldt expliciet dat de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet kan komen. Het dwangbevel wordt bekendgemaakt door middel van betekening. De betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling kan plaatsvinden door de belastingdeurwaarder of per post door de invorderingsambtenaar.

 

In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    de betekening van het dwangbevel per post;

  • -

    de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder;

  • -

    bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel.

13.1 Betekening dwangbevel per post

De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen door de invorderingsambtenaar van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling.

 

Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de invorderingsambtenaar ter verzending aanbieden van het afschrift aan de postbezorger. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. De invorderingsambtenaar maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen.

 

13.1.1 Adressering van per post betekende dwangbevelen

Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie van de gemeente bekende adres van de belastingschuldige.

 

Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de Basisregistratie Personen is geregistreerd. Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de Basisregistratie Personen - bijvoorbeeld een postbusadres - kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres.

 

Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en de belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden.

 

Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als betekend. Dit is niet het geval als de belastingschuldige bijzondere omstandigheden aannemelijk kan maken op grond waarvan moet worden aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt.

 

13.2 Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder

Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid Rv.

 

Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk zal bereiken.

 

Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de invorderingsambtenaar van een andere gemeente.

 

13.3 Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel

Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, moet ook (kosteloos) worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan.

 

Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie.

Artikel 14 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel

Artikel 14 van de wet gaat over de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

 

In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    de algemene regels over tenuitvoerlegging;

  • -

    beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn;

  • -

    beslag op onroerende zaken;

  • -

    beslag onder derden.

14.1 Tenuitvoerlegging algemeen

Het dwangbevel levert volgens artikel 4:116 Awb een executoriale titel op. Na betekening aan de belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van Rv ten uitvoer leggen.

 

Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder volgens artikel 14, eerste lid van de wet een hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaat.

 

Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt conform artikel 47 Rv - dat wil zeggen door achterlating van het bevel in een gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel - gaat de belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van het hernieuwde betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging.

 

In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Betekening van een hernieuwd bevel tot betaling hoeft overigens volgens artikel 14, tweede lid van de wet niet plaats te vinden als het dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid aanhef en onderdeel c van de wet, meteen ten uitvoer kan worden gelegd.

 

14.1.1 Keuze van invorderingsmaatregelen

Vervallen

 

14.1.2 Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging

De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen dezelfde belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk tegelijkertijd. Bij de tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Ook wordt de nodige soepelheid betracht. Dit brengt met zich mee dat de formeel voorgeschreven handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te nemen.

 

In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet dadelijk tot beslaglegging overgaat of deze onderbreekt of beëindigt, als hij vermoedt dat de invorderingsambtenaar de beslagopdracht niet zou hebben gegeven als alle omstandigheden bekend waren geweest.

 

Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling inmiddels heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25.1.15 of 26.1.11 van deze leidraad, en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist.

 

Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop beslag is gelegd, overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag en de invorderingsambtenaar daarmee - gelet op de omstandigheden -akkoord kan gaan.

 

14.1.3 Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden

Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat de belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW, is verstreken, tenzij hiermee de belangen van de gemeente worden geschaad. Hierbij is niet van belang of de erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.

 

14.1.4 Volgorde van uitwinning bij beslag

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

14.1.5 Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

14.1.6 Beslaglegging voor vordering van derden

Als de invorderingsambtenaar voor een belastingschuld beslag heeft gelegd, gaat hij ook over tot beslaglegging voor vorderingen van derden met gelijke rangorde, waarvan de invordering aan hem is opgedragen, ongeacht de executiewaarde van de inbeslaggenomen zaken.

 

14.1.7 Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden

De invorderingsambtenaar kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor een openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

 

De invorderingsambtenaar heft de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald en/of aan die voorwaarden is voldaan.

 

14.1.8 Opheffing beslag tegen betaling door een derde

Als de invorderingsambtenaar van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter opheffing van het beslag, dan kan de invorderingsambtenaar hieraan zijn medewerking verlenen als ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1.

    Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige;

  • 2.

    Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst die naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie;

  • 3.

    De belangen van de gemeente worden niet geschaad.

De invorderingsambtenaar houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal zoeken. Daarnaast kan hij aan zijn medewerking nadere voorwaarden verbinden.

 

14.1.9 Opschorten van de executie

De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop plaats, tenzij de invorderingsambtenaar ervan overtuigd is dat betaling van de belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat geval kan de invorderingsambtenaar besluiten de verkoopdatum op te schorten tot maximaal vier maanden na de datum waarop het beslag is gelegd.

 

Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen de invorderingsambtenaar en de belastingschuldige is verschoven.

 

14.1.10 Onderhandse verkoop

Vervallen

 

14.1.11 Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop

Vervallen

 

14.1.12 Strafrechtelijk beslag

Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex artikel 94 Sv rust - dat wil zeggen niet zijnde een beslag in het kader van een ontnemingsmaatregel - dan wordt het beslag dat de belastingdeurwaarder heeft gelegd pas vervolgd nadat het strafrechtelijke beslag is opgeheven.

 

Zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt, kan het fiscale beslag blijven liggen.

 

14.1.13 Invordering en ontnemingswetgeving

De gemeente belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen.

 

In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de invorderingsambtenaar terughoudend op. Dit houdt in dat de invorderingsambtenaar in beginsel niet direct overgaat tot uitwinning van een reeds gelegd beslag tenzij hiermee de belangen van de gemeente worden geschaad.

 

14.2 Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn

 

14.2.1 Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken

Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de belastingschuldige niemand thuis treft en beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden met gebruikmaking van artikel 444 Rv, dan blijft deze wijze van tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege.

 

De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving achter met vermelding van dag, datum en tijdstip (of tijdsblok) waarop hij weer op of bij het woonadres aanwezig zal zijn.

 

Deze handeling blijft achterwege als de belastingschuldige het stelselmatig hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik wordt gemaakt of op andere wijze het belang van de invordering zich tegen deze handelwijze verzet.

 

14.2.2 Domiciliekeuze en beslag roerende zaken

Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van een andere gemeente dan het kantoor waar bij de betekening van het dwangbevel domicilie is gekozen, dan wordt in het beslagexploot tevens domicilie gekozen op het kantoor van de gemeente waar de belastingdeurwaarder die het beslag legt zijn standplaats heeft.

 

14.2.3 Aanbod van betaling en beslag roerende zaken

Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, aanvaardt de belastingdeurwaarder deze betaling.

 

Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan de belastingschuldige wordt gelaten.

 

14.2.4 Omvang van het beslag op roerende zaken

  • 1.

    Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als, naar het oordeel van de belastingdeurwaarder, in elk geval nodig is voor dekking van de openstaande schuld inclusief rente en kosten.

  • 2.

    Gezien het bepaalde in artikel 441, derde lid, Rv, wordt geen beslag gelegd op zaken indien redelijkerwijs voorzienbaar is dat de opbrengst die gerealiseerd kan worden door het verhaal op die zaken aanmerkelijk minder bedraagt dan de kosten van de beslaglegging en de daaruit voortvloeiende executie. De belastingdeurwaarder kan wel beslag leggen op deze zaken als de belastingschuldige door het beslag en de executie niet op onevenredig zware wijze in zijn belangen wordt getroffen. Daarvan is sprake als het aannemelijk is dat het onbetaald blijven van de belastingschulden waarvoor beslag wordt gelegd, te wijten is aan onwil van de belastingschuldige of als het aannemelijk is dat door de executoriale verkoop van de betreffende zaken kan worden voorkomen dat belastingschulden verder oplopen.

  •  

14.2.5 Beslag op roerende zaken van derden

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

14.2.6 Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken

Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom claimt, wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift in te dienen bij het college op grond van artikel 22, eerste lid van de wet en eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 of artikel 435 Rv.

 

Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en vaststaat dat de invorderingsambtenaar zijn verhaalsrecht niet kan effectueren, blijft inbeslagname achterwege.

 

14.2.7 Voldoening zekerheidsschuld door invorderingsambtenaar en beslag roerende zaken

De invorderingsambtenaar kan het restant van de schuld van belastingschuldige aan een derde op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van verrekening met de belastingschuldige, als de belastingdeurwaarder de volgende zaken aantreft:

  • -

    zaken die eigendom zijn van een derde; en

  • -

    strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld die de belastingschuldige aan de derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop, eigendomsvoorbehoud); en

  • -

    waarop de invorderingsambtenaar zich na voldoening van die schuld zou kunnen verhalen.

De invorderingsambtenaar maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is dan het restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om zaken van de belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn genomen en waarop deze derde een retentierecht heeft.

 

14.2.8 Beslag roerende zaken bij derden

Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde bevinden, verhaalt de belastingdeurwaarder de belastingschuld zoveel mogelijk door het leggen van een beslag op roerende zaken.

 

De belastingdeurwaarder betekent in dat geval een formulier als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv, binnen drie dagen nadat de derde zich erop heeft beroepen dat hij het beslag niet behoeft te dulden:

  • -

    de derde verleent geen medewerking aan het leggen van een beslag roerende zaken;

  • -

    het is voor hem feitelijk onmogelijk om de zaken zelf te zien, dan wel te inventariseren;

  • -

    de derde doet een beroep als bedoeld in artikel 461d Rv, voordat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten.

Als de derde een beroep als bedoeld in artikel 461d Rv doet nadat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen afzonderlijk derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als derdenbeslag. De belastingdeurwaarder betekent in dat geval binnen drie dagen na de beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv.

Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel 461d Rv.

 

14.2.9 Wegvoeren van beslagen zaken

Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten.

 

Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen zaken wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als bedoeld in Rv. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de invorderingsambtenaar niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag genomen zaken.

 

Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit zoals bedoeld in artikel 446 Rv voor het behoud van die zaken redelijkerwijze noodzakelijk is. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden afgevoerd.

 

Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts gebruik gemaakt:

  • -

    als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet kan worden ingevorderd en;

  • -

    de invorderingsambtenaar na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht.

Het wegvoeren van zaken, waaronder motorrijtuigen naar aanleiding van een actie op grond van artikel 18 van de wet gebeurt niet dan na daartoe verkregen toestemming van de invorderingsambtenaar.

 

De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de invorderingsambtenaar of van een andere door hem of door het college daartoe aangewezen functionaris.

 

Bij het in beslag nemen van een voertuig kan de belastingdeurwaarder er voor kiezen om – met inachtneming van de daarvoor geldende regelgeving - een wielklem, of een ander middel, aan te brengen ter zekerheid tegen verduistering.

 

14.2.10 Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

14.2.11 Afsluiting en beslag roerende zaken

De belastingdeurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte overgaan waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken zich bevinden, als:

  • -

    de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9 van deze leidraad; en

  • -

    de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer hoge kosten kunnen worden afgevoerd.

Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden overgegaan. Voor de afsluiting is voorafgaande toestemming vereist van de invorderingsambtenaar. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de invorderingsambtenaar of van een andere door hem of door het college daartoe aangewezen functionaris.

 

14.2.12 Bewaarder en beslag roerende zaken

Als zaken op grond van artikel 14.2.9 van deze leidraad worden weggevoerd of op grond van artikel 14.2.11 van deze leidraad afsluiting plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die in staat moet worden geacht ook daadwerkelijk de aan het bewaarderschap verbonden taken uit te oefenen. De aanstelling van de bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal dat in de betreffende situatie moet worden opgemaakt.

 

Als een ambtenaar van de gemeente als bewaarder wordt aangesteld, is dit zoveel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de ambtenaar die tot bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding gegeven.

 

De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de beslagen zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden vervoerd of opgeslagen op een wijze die het risico van fysiek of economisch bederf minimaliseert, meer dan voor de onderhavige zaken onder normale omstandigheden gebruikelijk is. De in dit verband te nemen maatregelen en de daaraan verbonden kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot de aard en de waarde van de desbetreffende zaken.

 

Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende gevallen aan de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder aangesteld:

  • -

    als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het bewaarderschap verbonden taken uit te oefenen;

  • -

    als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het bewaarderschap niet uitdrukkelijk te worden ontnomen;

  • -

    als een ambtenaar van de gemeente tot bewaarder is aangesteld en deze ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische aard redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer te (kunnen) hebben bij het beslag.

Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in voorkomend geval kan dit bij deurwaardersexploot.

 

14.2.13 Executoriale verkoop computerapparatuur

Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt alleen de zogenoemde 'hardware' onder dit beslag. De belastingdeurwaarder moet - voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan - nagaan of deze apparatuur nog de zogenoemde 'software' (: bestanden, programma's en dergelijke) bevat. Als dat het geval is, dan moet de belastingschuldige de mogelijkheid worden geboden om die software te verwijderen en een back-up te maken.

 

14.2.14 Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken

De invorderingsambtenaar moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens de Waarborgwet 1986 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld.

 

Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen - al dan niet met het vereiste stempelteken - moet de invorderingsambtenaar aangifte doen zoals artikel 46 van de Waarborgwet 1986 dat voorschrijft.

 

14.2.15 Beslag op illegale zaken

Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden van strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze doorgang vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij geldt het bepaalde in artikel 14.1.12 van deze leidraad.

 

Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de voormelde zaken worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer), dan moet de invorderingsambtenaar contact opnemen met het college voordat maatregelen worden getroffen om tot executoriale verkoop van de inbeslaggenomen zaken over te gaan.

 

14.2.16 Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken

Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de invorderingsambtenaar een andere belastingdeurwaarder dan de belastingdeurwaarder die met de verkoop belast is, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden.

 

Daarnaast kan de invorderingsambtenaar de belastingdeurwaarder opdracht geven om de executie plaats te laten vinden via internetveiling.

 

14.2.17 Opheffing van het beslag op roerende zaken

Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de invorderingsambtenaar dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt.

 

14.2.18 Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken

De invorderingsambtenaar verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag roerende zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin begrepen omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld wordt afgeboekt, worden eerst de kosten van de executie verrekend. De invorderingsambtenaar boekt de opbrengst van de executie vervolgens af met inachtneming van het bepaalde bij artikel 7 van deze leidraad.

 

Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, dan wordt zoveel mogelijk getracht in der minne overeenstemming te bereiken over de toedeling van de netto-executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan zijn de artikelen 481 en volgende Rv van toepassing.

 

14.2.19 Proces-verbaal van verkoop roerende zaken

Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk toegezonden, met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de kopers onleesbaar zijn gemaakt.

 

14.2.20 Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken

Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de invorderingsambtenaar vraagt of een beslag nog ligt, dan verstrekt de invorderingsambtenaar deze informatie tenzij het belang van de invordering zich daartegen verzet.

 

14.2.21 Relaas van onttrekking

Als zaken aan het beslag zijn onttrokken, dan levert dit volgens artikel 198 Sr een strafbaar feit op en kan de invorderingsambtenaar hiervan aangifte doen. De invorderingsambtenaar beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan de officier van justitie.

 

14.3 Beslag op onroerende zaken

 

14.3.1 Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken

Als gelijktijdig met het beslag op een onroerende zaak beslag wordt gelegd op zaken die in of op de onroerende zaak aanwezig zijn, dan kan de belastingdeurwaarder deze zaken wegvoeren om in bewaring te geven als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijs noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe verkregen toestemming van de invorderingsambtenaar. Het bepaalde in artikel 14.2.9 is van overeenkomstige toepassing.

 

14.3.2 Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken

Als de invorderingsambtenaar voor een belastingschuld beslag op een onroerende zaak heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen belastingschuld zoveel mogelijk opnieuw tot beslaglegging overgaan.

 

14.3.3 Verhuurde of verpachte onroerende zaken

Als de invorderingsambtenaar beslag op een onroerende zaak heeft laten leggen en tevens de huur of pacht wil incasseren, dan doet hij hiervoor zoveel mogelijk een vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter. Hij handelt in zo’n geval dus niet zoals bedoeld in artikel 507, derde lid Rv.

 

14.3.4 Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken

De invorderingsambtenaar vraagt de notaris een afschrift van de veilingvoorwaarden die op de verkoop van toepassing zijn en hij treedt zo nodig in overleg over de inhoud van deze voorwaarden.

 

In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald dat de kosten van executie, toewijzing en eventuele rangregeling door de executant zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort - als de koopprijs niet toereikend mocht zijn - door de executant zal worden aangezuiverd.

 

14.3.5 Opheffing van het beslag onroerende zaken

Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als het beslag aan de huurder of pachter is betekend, ontvangt deze ook een schriftelijke mededeling.

 

Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de (eventuele) derde-eigenaar en aan alle (eventuele) hypotheekhouders.

 

14.4 Beslag onder derden

 

14.4.1 Beslag op vordering van een derde

In de artikelen 475 en volgende Rv is de mogelijkheid gegeven ten laste van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt dat - na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring - de derde geen gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen. De invorderingsambtenaar stelt de derde hiervan op de hoogte.

 

Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander - bijvoorbeeld door een bank - wordt geadministreerd. Dit zou de echtgenoot van belastingschuldige kunnen zijn met wie de belastingschuldige in gemeenschap van goederen gehuwd is.

 

In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de derde-beslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan degene aan wie de vordering formeel toebehoort binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, moet de invorderingsambtenaar zoveel mogelijk aangeven op welke gronden hij de vordering die op naam van die ander is geadministreerd, meent te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de belastingschuldige.

 

14.4.2 Derdenbeslag of vordering ex artikel 19

Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van de wet mogelijk is, kiest de invorderingsambtenaar voor het doen van een vordering.

 

14.4.3 Roerende zaken bij derden

Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige bevinden, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 14.2.8 van deze leidraad.

 

14.4.4 Plaats beslaglegging en derdenbeslag

Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de naam en de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht geschonken. De situatie kan zich voordoen dat de derde een hoofdkantoor heeft en een of meerdere bijkantoren. In dat geval legt de belastingdeurwaarder het beslag zoveel mogelijk bij het hoofdkantoor dan wel het filiaal of bijkantoor dat bemoeienis heeft met de gelden of zaken waarop verhaal wordt gezocht.

 

In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder een ander filiaal of bijkantoor. De executant kiest in alle gevallen domicilie bij de belastingdeurwaarder.

 

Als er aanleiding toe bestaat, kan de invorderingsambtenaar de omvang van het beslag bij de beslaglegging beperken. Voor zover niet door een andere schuldeiser beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip nog worden beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in een afzonderlijk geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding gemaakt.

 

14.4.5 Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt

Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan past de invorderingsambtenaar zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet toe als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv. Als de belastingschuldige kenbaar maakt dat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld, maar niet de juiste informatie verstrekt voor de goede vaststelling ervan, dan stelt de invorderingsambtenaar hem in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn alsnog de juiste informatie te verstrekken. Als de belastingschuldige de juiste informatie binnen de door de invorderingsambtenaar gestelde redelijke termijn aanlevert, dan herstelt de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet met ingang van de inhouding volgend op het moment waarop de belastingschuldige kenbaar maakte dat de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld.

 

14.4.5a Derdenbeslag en kosten van levensonderhoud

Wanneer de invorderingsambtenaar derdenbeslag legt als gevolg waarvan de belastingschuldige niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud, verleent de invorderingsambtenaar zijn medewerking aan (gedeeltelijke) opheffing van het beslag dan wel stelt hij een passend deel van het door de derde betaalde bedrag beschikbaar aan de belastingschuldige. De invorderingsambtenaar verleent slechts medewerking onder voorwaarde dat de belastingschuldige voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van het beslag gedurende een bepaalde periode niet meer kan voorzien in de kosten van levensonderhoud. Voor de vaststelling van het passend deel gaat de invorderingsambtenaar uit van de kosten van bestaan als bedoeld in artikel 16 van de regeling.

 

14.4.6 Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring

Vervallen

 

14.4.7 Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring

Vervallen

 

14.4.8 Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag

Vervallen

 

14.4.9 Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente

Bij een derdenbeslag op een polis van een levens- of spaarverzekering of lijfrente geldt - naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv - het volgende:

  • -

    De invorderingsambtenaar stelt zich terughoudend op bij het leggen van derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening;

  • -

    De invorderingsambtenaar betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de invorderingsambtenaar rekening met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd;

  • -

    Als de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt, de polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de vervaldatum van de polis, wint de invorderingsambtenaar het derdenbeslag niet uit en gaat hij niet over tot afkoop of belening. In dat geval laat de invorderingsambtenaar - in overleg met belastingschuldige - het beslag liggen tot de vervaldatum van de polis;

  • -

    De omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag niet in de weg;

  • -

    De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd moeten onherroepelijk vaststaan en in redelijkheid materieel verschuldigd worden geacht.

14.4.10 Retentierecht en derdenbeslag

Als de derde-beslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het derdenbeslag van de invorderingsambtenaar zijn getroffen, dan kan de invorderingsambtenaar op grond van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor het retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de belastingschuldige. Het bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de executiewaarde van de desbetreffende zaak.

 

14.4.11 Opheffing van het derdenbeslag

Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de invorderingsambtenaar dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt aan zowel de belastingschuldige als de derde-beslagene.

 

In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennis gegeven aan de derde-beslagene. De invorderingsambtenaar zendt aan de belastingschuldige een afschrift van deze kennisgeving.

 

14.4.12 Onverschuldigde betaling en derdenbeslag

Als een derde tegen de invorderingsambtenaar een vordering uit onverschuldigde betaling instelt en de invorderingsambtenaar aan deze vordering voldoet, wordt de belastingaanslag waarvoor het derdenbeslag is gelegd, geacht in zoverre niet te zijn voldaan.

 

De invorderingsambtenaar kan de invordering van die aanslag dan ook hervatten alsof er geen derdenbeslag is gelegd.

 

14.4.13. Derdenbeslag onder de invorderingsambtenaar en het doen van verklaring

Als derdenbeslag wordt gelegd onder de invorderingsambtenaar, dan is de beslaglegger – onder verwijzing naar artikel 479 Rv - verplicht om in het beslagexploot de door dit derdenbeslag te treffen goederen te specificeren.

 

14.4.14 Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

14.5 Beslag op schepen

 

14.5.1 Beletten van het vertrek van een schip

De belastingdeurwaarder kan een bewaarder aanstellen en de nodige maatregelen nemen om het vertrek van een schip te beletten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het 'aan de ketting leggen' van een schip. Zo nodig voorziet de belastingdeurwaarder zich - na daartoe overleg te hebben gepleegd met de invorderingsambtenaar - van deskundige bijstand. De kosten van deze bijstand komen voor rekening van de belastingschuldige.

 

In daartoe aanleiding gevende gevallen kan het feitelijk gebruik van een schip weer aan de belastingschuldige worden gelaten, bijvoorbeeld wanneer ter voorkoming van een executoriale verkoop door de belastingschuldige een voorstel tot minnelijke afdoening is gedaan en dit voorstel voor de invorderingsambtenaar - gelet op de omstandigheden - aanvaardbaar is.

 

In ieder geval zal een minnelijke afdoening moeten passen in het bij artikel 25 van deze leidraad geformuleerde uitstelbeleid.

 

14.5.2 De executie van schepen

Tenzij een andere wijze van verkoop is toegestaan of voorgeschreven gebeurt de executoriale verkoop van een schip ten overstaan van een bevoegde notaris.

 

De verkoop van een buitenlands zeeschip kan ook plaatsvinden ten overstaan van de rechtbank. Van deze mogelijkheid zal met name gebruik moeten worden gemaakt als het land van herkomst de verkoop door een notaris niet erkent.

 

De executie van niet-teboekgestelde schepen gebeurt op dezelfde wijze als de executie van andere roerende zaken die geen registergoederen zijn. Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de invorderingsambtenaar een andere belastingdeurwaarder dan de belastingdeurwaarder die met de verkoop is belast, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. De invorderingsambtenaar geeft deze belastingdeurwaarder zo nodig nadere aanwijzingen.

 

14.5.3 Afgelasting van de verkoop van een schip

Als een aangekondigde verkoop van een schip om enigerlei reden geen doorgang kan vinden, dan draagt de invorderingsambtenaar er zorg voor dat de aanplakbiljetten onmiddellijk worden verwijderd. Hij treft ook voor op andere wijze gedane aankondigingen soortgelijke maatregelen.

 

Als de belastingschuldige niet van de afgelasting op de hoogte is, dan wordt hem hiervan onverwijld schriftelijk en gemotiveerd mededeling gedaan. Als verwacht mag worden dat deze mededeling de belastingschuldige niet meer voor het aangekondigde tijdstip van verkoop bereikt, dan stelt de invorderingsambtenaar hem zo mogelijk op een andere wijze in kennis.

 

14.5.4 Deskundige hulp en beslag op schepen

Als bij een executie deskundige hulp is gewenst, kan de invorderingsambtenaar een makelaar of een andere ter zake kundige inschakelen.

 

14.5.5 Opheffing van het beslag op schepen

Van de opheffing van het beslag wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Ook wordt - ingeval van teboekgestelde schepen - van de opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de ingeschreven schuldeisers.

Artikel 15 Versnelde executie

Er zijn in deze leidraad op artikel 15 van de wet geen beleidsregels gemaakt.

Artikel 16 Doorlopend beslag

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 17 Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel

Artikel 17 van de wet geeft een zelfstandige regeling voor de belastingschuldige voor het instellen van verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Artikel 22 van deze leidraad beschrijft de beleidsregels ten aanzien van rechten en rechtsmiddelen van derden.

 

Verzet is mogelijk zodra de betekening van het dwangbevel heeft plaatsgevonden. Ook kan verzet worden gedaan tegen een vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet.

 

Er kan geen verzet worden ingesteld tegen de in rekening gebrachte kosten van de aanmaning en de betekeningskosten van het dwangbevel. Hiervoor kan wel - op grond van artikel 7, eerste lid Kostenwet invordering rijksbelastingen - een bezwaarschrift of beroepschrift worden ingediend bij de invorderingsambtenaar.

 

In aansluiting op artikel 17 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    het aanhouden van de tenuitvoerlegging van een dwangbevel bij verzet;

  • -

    verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel bij onjuiste adressering.

17.1 Aanhouden tenuitvoerlegging bij verzet

Als de belastingschuldige zich in rechte verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, houdt de invorderingsambtenaar de (verdere) tenuitvoerlegging van het dwangbevel aan, tenzij:

  • -

    de gronden van het verzet voor de invorderingsambtenaar geen aanleiding vormen om de tenuitvoerlegging aan te houden en

  • -

    de belangen van de gemeente worden geschaad door uitstel van de tenuitvoerlegging.

17.2 Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering

Als het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post betekende dwangbevel aan een onjuist adres is verzonden en daarom de belastingschuldige niet heeft bereikt, is verzet mogelijk.

Artikel 18 Vordering tot stilstaan motorrijtuig

Er zijn in deze leidraad op artikel 18 van de wet geen beleidsregels gemaakt.

Artikel 19 Doen van een vordering

De in artikel 19 van de wet omschreven vordering geeft de invorderingsambtenaar de mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige wijze belastingschuld te verhalen op hetgeen een derde aan de belastingschuldige is verschuldigd of ten behoeve van hem onder zich heeft of zal krijgen.

 

In aansluiting op artikel 19 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    de algemene regels over het doen van een vordering;

  • -

    de faillissementsvordering;

  • -

    vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen;

  • -

    de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid van de wet.

19.1 Vordering algemeen

Als naast een vordering op grond van artikel 19 van de wet ook een derdenbeslag mogelijk is, kiest de invorderingsambtenaar voor het doen van een vordering.

 

Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden gericht wel houder van penningen is, moet al naar gelang de omstandigheden worden beoordeeld of het leggen van derdenbeslag de voorkeur verdient.

 

19.1.1 Bekendmaking vordering

De invorderingsambtenaar maakt de vordering bekend door toezending van de beschikking aan degene aan wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige.

 

Als de invorderingsambtenaar dat wenselijk acht, kan hij de vordering ook aan genoemde personen laten betekenen door de belastingdeurwaarder. Bij de betekening van een vordering handelt de belastingdeurwaarder overeenkomstig de voor betekening van exploten geldende regels van het Rv. Voor de betekening brengt de belastingdeurwaarder geen kosten in rekening.

 

19.1.2 Voldoen aan de vordering

Als de derde betaalt op een vordering die betrekking heeft op twee of meer belastingaanslagen heeft hij niet het recht om aan te geven ter voldoening van welke belastingaanslag de betaling strekt.

 

19.1.3 Niet voldoen aan de vordering

Derdenbeslag wordt alleen gelegd als aan de vordering ten onrechte niet is voldaan, dan wel de derde hierop ten onrechte niet heeft gereageerd. Hiervan is zeker sprake als blijkt dat het uitblijven van het voldoen aan de vordering te wijten is aan de derde.

 

Als de invorderingsambtenaar in verband met de kosten of om andere redenen derdenbeslag niet opportuun acht, wordt daarvan afgezien en wordt de vordering ingetrokken.

 

Als wordt overgegaan tot het leggen van derdenbeslag wordt in het beslagexploot melding gemaakt van de vordering die aan het beslag is voorafgegaan en van de datum waarop die vordering is gedaan.

 

19.1.4 Intrekken van een vordering

Zodra een vordering om enigerlei reden niet langer hoeft te worden gehandhaafd, trekt de invorderingsambtenaar deze bij beschikking in. De invorderingsambtenaar maakt deze beschikking bekend aan degene aan wie de vordering is gedaan.

 

19.1.5 Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot vordering

Als een derde op vordering van de invorderingsambtenaar betaalt en naderhand vermindert of vernietigt de inspecteur de belastingaanslag, dan wordt de hieruit voortvloeiende teruggaaf verrekend of uitbetaald aan de belastingschuldige.

 

19.1.6 Doorbreken beslagverboden en vordering

Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid van de wet bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod gedeeltelijk te negeren. Van deze mogelijkheid maakt de invorderingsambtenaar alleen gebruik als de belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een notoire wanbetaler in de zin van artikel 19, tweede lid van de wet.

 

De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding van het bijzondere karakter daarvan.

 

De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke benaming dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de verruimde beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een tiende deel van het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor beslag.

 

19.1.7 Notoire wanbetaler en vordering

In afwijking in zoverre van artikel 19, tweede lid van de wet vindt de vordering waarbij de doorbreking van een wettelijk beslagverbod wordt ingeroepen slechts plaats indien voldaan is aan de volgende drie voorwaarden:

  • a.

    op het tijdstip waarop de vordering plaatsvindt heeft de belastingschuldige meer dan één aanslag onbetaald gelaten;

  • b.

    de enige of laatste betalingstermijn van deze aanslagen is op het tijdstip waarop de vordering plaatsvindt met ten minste twee maanden overschreden;

  • c.

    de belastingschuldige komt niet voor uitstel van betaling of kwijtschelding in aanmerking omdat hij, naar de invorderingsambtenaar bekend is, beschikt over voldoende vermogen of voldoende betalingscapaciteit om de belastingaanslagen te voldoen.

19.1.8 Vordering ten laste van de echtgenoot

Als de echtgenoot van de belastingschuldige recht heeft op gelden, penningen of periodieke betalingen die in de huwelijksgemeenschap vallen, dan kan de invorderingsambtenaar een vordering ten laste van de echtgenoot doen. Als de vordering ziet op een belastingschuld die niet tot de gemeenschap behoort, beperkt de invorderingsambtenaar zijn vordering tot de helft van het voor beslag vatbare deel van de periodieke betalingen. Deze beperking geldt niet als de echtgenoot instemt met verhaal op het geheel. De bekendmaking van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht dagen na het doen van de vordering, te geschieden aan de belastingschuldige en de echtgenoot afzonderlijk. Voor zover het periodieke uitkeringen betreft die onder de opsomming van artikel 19, eerste lid van de wet vallen, past de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet toe alsof de echtgenoot de belastingschuldige is.

 

19.2 De faillissementsvordering

 

19.2.1 Aan te melden schulden in faillissement

In een faillissement vallen de belastingschulden voor zover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring dan wel materieel zijn ontstaan na de faillietverklaring, maar voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding van voor de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij het tegendeel blijkt. Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het faillissement die niet voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding van voor de faillietverklaring, zijn niet verifieerbaar en moeten eventueel als boedelschulden worden aangemeld.

 

De invorderingsambtenaar splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid of tijdstip en doet twee aparte vorderingen:

  • -

    één voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld;

  • -

    één voor het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt.

19.2.2 Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in faillissement

Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van een surseance van betaling die aan het faillissement voorafgaat, kunnen op grond van artikel 249 FW worden beschouwd als boedelschulden in het faillissement.

 

Het bepaalde in artikel 19.2.1 van de leidraad is op deze schulden en de belastingaanslagen die hierop betrekking hebben op soortgelijke wijze van toepassing.

 

19.2.3 Opkomen in faillissement

Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen maakt de invorderingsambtenaar geen gebruik, tenzij bijzondere omstandigheden met het oog op het belang van de invordering daartoe noodzaken.

 

Als de curator tijdens het faillissement materieel ontstane belastingschulden die als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet voldoet, dan wendt de invorderingsambtenaar zich in beginsel eerst tot de curator om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de invorderingsambtenaar zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de invorderingsambtenaar zich rechtstreeks verhalen op de boedel.

 

19.3 Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen

 

19.3.1 Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen

Bij de beoordeling van de vraag of een vordering wordt gedaan met betrekking tot een periodieke uitkering, is doorslaggevend het feit dat de vordering een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een doelmatige en doeltreffende invordering van belastingschulden is beoogd.

 

Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd door middel van beslag. Als het invordering van zeer geringe bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst andere invorderingsmaatregelen te proberen alvorens de derde via de vordering te betrekken.

 

19.3.2 Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen

Als de invorderingsambtenaar het dwangbevel per post heeft betekend en de invordering vervolgt door een vordering onder de werkgever of door een andere vordering op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is hij verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen.

 

De invorderingsambtenaar doet de vooraankondiging niet eerder dan nadat vier dagen zijn verstreken na de datum waarop hij het afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling ter post heeft bezorgd.

 

De invorderingsambtenaar doet de betreffende vordering niet eerder dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege als de invorderingsambtenaar de vordering doet bij een werkgever of uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de invorderingsambtenaar een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.

 

19.3.3 Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen

Als een vordering wordt gedaan voor periodieke uitkeringen die niet vallen onder de opsomming van artikel 19, eerste lid van de wet (en waarvoor geen beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze uitkeringen, dan past de invorderingsambtenaar de artikelen 475b en 475d Rv toe.

 

In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de periodieke uitkering de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland woont of vast verblijft.

 

19.3.3a

(Vervallen)

 

19.3.4 Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet

Om de beslagvrije voet tot het juiste bedrag vast te kunnen stellen, vraagt de invorderingsambtenaar bij de belastingschuldige informatie op, waaronder begrepen gegevens van de eventuele partner. Dit gebeurt in de vooraankondiging van de loonvordering. De invorderingsambtenaar vermeldt daarin de toepasselijke beslagvrije voet die hij heeft berekend op basis van de hem ter beschikking staande gegevens. Zolang de belastingschuldige geen informatie verstrekt, past de invorderingsambtenaar deze beslagvrije voet toe. Als de belastingschuldige na toepassing van de loonvordering alsnog de gevraagde informatie verstrekt, wijzigt de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet vanaf de eerst volgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht. Het laatste geldt niet als de belastingschuldige kan aantonen dat het ontbreken van informatie niet aan hem te wijten is. Als de belastingschuldige kenbaar maakt dat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld, maar niet de juiste informatie verstrekt voor de goede vaststelling ervan, dan stelt de invorderingsambtenaar hem in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn alsnog de juiste informatie te verstrekken. Als de belastingschuldige de juiste informatie binnen de door de invorderingsambtenaar gestelde termijn aanlevert, herstelt de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet met ingang van de inhouding volgend op het moment waarop de belastingschuldige kenbaar maakte dat de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld.

 

Als de invorderingsambtenaar een loonvordering doet ten laste van een belastingschuldige waarvan geen woon- of verblijfadres bekend is, stelt hij de beslagvrije voet vast op nihil. De invorderingsambtenaar kan dan immers niet bepalen of de belastingschuldige in Nederland woont. Zodra de invorderingsambtenaar bekend wordt met het feit dat de belastingschuldige in Nederland woont of een vaste verblijfplaats heeft, stelt de invorderingsambtenaar alsnog de juiste beslagvrije voet vast en past deze toe vanaf de eerst volgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht. Het laatste geldt niet als de belastingschuldige kan aantonen dat het ontbreken van het adresgegeven niet aan hem te wijten is.

 

In situaties waarin de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet heeft vastgesteld zonder vooraf informatie over inkomsten en uitgaven op te vragen bij de belastingschuldige, herstelt de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet als door de belastingschuldige wordt aangetoond dat deze te laag is vastgesteld. Als de belastingschuldige kan aantonen dat de beslagvrije voet al op een eerder moment op een te laag bedrag was vastgesteld, gebeurt dit met terugwerkende kracht.

 

19.3.5 Belastingschuldige woont in buitenland en beslag periodieke uitkering

Als de belastingschuldige in het buitenland woont, stelt de invorderingsambtenaar overeenkomstig artikel 475e Rv de beslagvrije voet vast op nihil. Na de vooraankondiging van de loonvordering kan de belastingschuldige door middel van het aanleveren van informatie aannemelijk maken dat hij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend periodieke inkomsten uit Nederland geniet. Als de belastingschuldige kan aantonen dat hij buiten deze periodieke inkomsten onvoldoende middelen van bestaan heeft, stelt de invorderingsambtenaar op basis van de verstrekte informatie de beslagvrije voet vast. In dat geval past de invorderingsambtenaar op de beslagvrije voet het percentage toe dat in artikel 1 van de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 en de bijlage bij die regeling is opgenomen voor het woonland van de belastingschuldige. Eventuele periodieke inkomsten die de belastingschuldige uit zijn woonland geniet, komen in mindering op de beslagvrije voet, nadat het in de vorige volzin bedoelde percentage is toegepast. Als de belastingschuldige kenbaar maakt dat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld, maar niet de juiste informatie verstrekt voor de goede vaststelling ervan, dan stelt de invorderingsambtenaar hem in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn alsnog de juiste informatie te verstrekken. Als de belastingschuldige de juiste informatie binnen de door de invorderingsambtenaar gestelde redelijke termijn aanlevert, dan herstelt de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet met ingang van de inhouding volgend op het moment waarop de belastingschuldige kenbaar maakte dat de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld.

 

Als de belastingschuldige in het buitenland woont, kan hij uit Nederland een periodieke uitkering genieten die in het woonland belast is op grond van een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting. In dat geval wordt op verzoek van de belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering beperkt met de belasting die in het woonland over die uitkering verschuldigd is. De belastingschuldige moet bij zijn verzoek gegevens overleggen waaruit deze belasting blijkt.

 

19.3.6 Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet

Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige geniet vanwege de Staat, gebeurt door aan de betreffende autoriteit verrekening te vragen volgens artikel 117 van de Ambtenarenwet en subsidiair door een vordering te doen.

 

19.3.7 Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm

Periodieke uitkeringen kunnen lager zijn dan de bijstandsnorm omdat de betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de bijstandsnorm geacht wordt te betalen.

 

In een dergelijk geval vermindert de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet met het bedrag dat aan deze genietingen in natura kan worden toegerekend.

 

19.3.8 Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

19.4 Beslagvrije voet en overheidsvordering

Als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij vanwege de toepassing van de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid van de wet, een lager bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dan overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, maakt de invorderingsambtenaar de overheidsvordering op verzoek van de belastingschuldige in zoverre ongedaan met inachtneming van hetgeen hierna volgt.

 

Bij het verzoek verstrekt de belastingschuldige naast de gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van de beslagvrije voet een overzicht van de banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden, waarover de belastingschuldige onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken.

 

Ongedaanmaking blijft beperkt tot de laatste overheidsvordering voorafgaand aan het verzoek van de belastingschuldige. Als sprake is van een belastingschuldige als bedoeld in artikel 19, tweede lid van de wet, berekent de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet met inachtneming van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, laatste volzin van de wet. Het bepaalde in artikel 19.1.7 van deze leidraad is hierbij van toepassing.

 

Voordat de invorderingsambtenaar tot teruggaaf overgaat, gaat hij na of de belastingschuldige op het moment dat de overheidsvordering is gedaan, beschikte over banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden. Als het totaal van de banktegoeden waarover de belastingschuldige onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken groter is dan de voor hem geldende beslagvrije voet, vermindert de invorderingsambtenaar de teruggaaf met het meerdere.

Artikel 20 Lijfsdwang

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 21 Voorrecht rijksbelastingen

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 22 Rechten van derden en bodemrecht

Artikel 22 van de wet gaat over rechten van derden en het fiscale bodemrecht.

 

In aansluiting op artikel 22 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    de werkingssfeer en reikwijdte van het bodemrecht;

  • -

    overbetekening beslag;

  • -

    verzet en beroep.

22.1 Bezwaren van derden tegen inbeslagneming

Derden die de eigendom pretenderen van inbeslaggenomen roerende of onroerende zaken, kunnen hun rechten op die zaken - op de voet van de artikelen 456 respectievelijk 538 en volgende Rv - geldend maken. Op grond van artikel 435 Rv kunnen derden zich ook tegen het beslag verzetten.

 

Onafhankelijk hiervan kunnen derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op roerende zaken waarop voor een belastingschuld beslag is gelegd, hun bezwaren tegen de beslaglegging van die zaken ook in de administratieve sfeer door middel van een beroepschrift voorleggen aan het college. Volgens artikel 22, eerste lid van de wet moet dit beroepschrift worden gericht aan het college en binnen zeven dagen na de beslaglegging worden ingediend bij de invorderingsambtenaar.

 

Met derden worden hier niet alleen bedoeld degenen die zich op een eigendomsrecht beroepen, maar ook degenen die een beperkt recht (zoals een pandrecht) op de zaak menen te hebben. Een tijdig ingediend beroepschrift op de voet van artikel 22, eerste lid van de wet schort de executie van rechtswege op.

 

Artikel 22, derde lid van de wet ontneemt derden de mogelijkheid van verzet in rechte tegen de inbeslagneming van de in dat artikel bedoelde zaken en genoemde belastingaanslagen. Dit noemt men het bodemrecht van de fiscus. De invorderingsambtenaar die belast is met de invordering van gemeentelijke belastingen kan dit voorrecht niet toepassen.

 

22.2 Bodemrecht en bestuurlijke boeten

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

22.3 Overbetekening beslag

Als de invorderingsambtenaar bekend is met de omstandigheid dat zaken mogelijk in eigendom toebehoren aan een derde, dan is hij op grond van artikel 435, derde lid Rv verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit beslag binnen acht dagen na de beslaglegging aan die derde te doen betekenen door de belastingdeurwaarder.

 

Bij deze overbetekening moet de derde schriftelijk worden gemeld dat hij de mogelijkheid heeft een beroepschrift tegen de inbeslagneming te richten aan het college.

 

De invorderingsambtenaar gaat onmiddellijk tot betekening aan de derde over als hij op enig later tijdstip - maar vóór de geplande verkoopdatum - kennis krijgt van het feit dat de in beslag genomen zaken mogelijk eigendom zijn van die derde. Als tussen het moment van de betekening aan de derde en de vastgestelde verkoopdatum minder dan acht dagen liggen, gaat de invorderingsambtenaar over tot het vaststellen van een nieuwe verkoopdatum.

 

22.4 Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

22.5 Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

22.6 Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

22.7 Bodemrecht en voorrang

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

22.8 Verzet en beroep

 

22.8.1 Verzet artikel 435, derde lid Rv tegen inbeslagneming

Als uit een verzetschrift ex artikel 435, derde lid Rv blijkt dat de derde geen eigenaar is van de zaken genoemd in dat verzetschrift, of voor de invorderingsambtenaar anderszins duidelijk is dat de derde geen eigenaar is van de betreffende zaken, dan vindt executie van die zaken in beginsel doorgang.

 

22.8.2 Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid Rv

Als de derde een schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid Rv heeft gedaan, heft de invorderingsambtenaar het beslag op als zonder meer duidelijk is dat het zaken betreft waarop de invorderingsambtenaar geen verhaal kan nemen.

 

In de overige gevallen zendt de invorderingsambtenaar de schriftelijke mededeling door naar het college. Als ook het college geen aanleiding ziet aan het verzet tegemoet te komen, dan stuurt de invorderingsambtenaar de stukken door naar een advocaat met het verzoek een procedure aan te spannen om een executoriale titel tegen de derde te verkrijgen.

 

22.8.3 Opschorting verkoop na verzet in rechte ex artikel 456 Rv

Een verzet op de voet van artikel 456 Rv tegen de verkoop van roerende zaken schort de voortgang van de executie niet van rechtswege op.

 

Niettemin schort de invorderingsambtenaar de invordering in het algemeen op en neemt hij geen onherroepelijke maatregelen, tenzij naar het oordeel van de invorderingsambtenaar het opschorten van de invordering de belangen van de gemeente schaadt.

 

22.8.4 Beroepschrift ex artikel 22 van de wet

Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet moet worden ingediend bij de invorderingsambtenaar. Het college beslist op het beroepschrift.

 

Een beroepschrift kan niet meer worden ingediend als het beslag is opgeheven of vervallen. Als toch een beroepschrift wordt ingediend, dan zal het college dit beroepschrift niet in behandeling nemen omdat het beslag niet meer ligt.

 

22.8.5 Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet

Onverminderd het bepaalde in artikel 22 van de wet geldt voor de beroepsfase dat als uit een beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, de invorderingsambtenaar de indiener verzoekt om het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De invorderingsambtenaar wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan de motiveringsplicht.

 

22.8.6 Taak van de invorderingsambtenaar met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22, eerste lid van de wet

Het college zal een beroepschrift dat te laat is ingediend - maar dat betrekking heeft op een beslag dat nog steeds ligt - niet ontvankelijk verklaren, tenzij het college van oordeel is dat de indiener niet in verzuim is geweest.

 

Het college zal een beroepschrift dat in verband met te late indiening niet-ontvankelijk is verklaard, ambtshalve in behandeling nemen. De invorderingsambtenaar schort in het algemeen eveneens de verkoop op - ongeacht de eventuele wettelijke noodzaak daartoe - als een tijdig ingediend beroepschrift niet op alle inbeslaggenomen zaken betrekking heeft.

 

Als de belanghebbende zich met zijn bezwaren tot de invorderingsambtenaar wendt voordat hij een beroepschrift indient of een procedure aanspant, dan wijst de invorderingsambtenaar de belanghebbende op de mogelijkheid een beroepschrift tot het college te richten. Als de invorderingsambtenaar in dit stadium met de belanghebbende tot een oplossing kan komen, verdient dit uiteraard aanbeveling. In geval van leasing geldt echter dat de invorderingsambtenaar een beslag niet opheft dan na overleg met het college.

 

22.8.7 Beslissing college op het beroepschrift ex artikel 22, eerste lid van de wet

Het college motiveert de beslissing ook als sprake is van een te laat ingediend beroepschrift. Het college zendt zijn beslissing op een ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de invorderingsambtenaar. De invorderingsambtenaar draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder. Voor de betekening van de beslissing van het college worden geen kosten in rekening gebracht.

 

Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt hetzij door het college rechtstreeks aan de adressant of zijn gemachtigde en zo nodig aan de bewaarder gezonden, hetzij op verzoek van het college betekend op de wijze die geldt voor een ontvankelijk verklaard beroepschrift.

 

Als het gewenst is dat de zaken - in afwachting van de beslissing op het beroepschrift - spoedig worden verkocht, dan kan de invorderingsambtenaar na overleg met het college erin toestemmen dat de verkoop door de derde gebeurt mits de opbrengst - die in de plaats van de zaken treedt - in afwachting van de beslissing bij de invorderingsambtenaar wordt gedeponeerd.

 

22.8.8 Onduidelijk bezwaar tegen inbeslagneming

De situatie kan zich voordoen dat de invorderingsambtenaar uit het ingediende bezwaarschrift niet kan opmaken of is beoogd administratief beroep in te stellen op grond van artikel 22 eerste lid van de wet dan wel verzet aan te tekenen op grond van artikel 435, derde lid Rv.

 

Als dat het geval is, nodigt de invorderingsambtenaar de derde uit zich daarover binnen tien dagen uit te laten. Als de derde niet reageert, wordt het geschrift aangemerkt als een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid van de wet.

 

22.8.9 Samenloop administratief beroep en verzet

Als de derde zowel een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid van de wet indient als een schriftelijke mededeling doet als bedoeld in artikel 435, derde lid Rv, dan zendt de invorderingsambtenaar eerst het beroepschrift ter behandeling aan het college, voordat hij het verzet ex artikel 435, derde lid Rv behandelt.

 

22.9 Terughoudend beleid bij reëel eigendom derde

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

22.8.10

(Vervallen)

 

22.8.11

(Vervallen)

 

22.8.12

(Vervallen)

Artikel 22bis Mededeling zoals bedoeld in artikel 22bis van de wet

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 22a tot en met artikel 23a Bijzondere verhaalsrechten

Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 24 Verrekening

Artikel 24 van de wet regelt de verrekening door de invorderingsambtenaar van in te vorderen en uit te betalen bedragen. Bij de verrekening mag de invorderingsambtenaar geen gebruik maken van de algemene verrekeningsbepalingen van het BW. Tijdens faillissement, surseance en wettelijke schuldsanering geldt artikel 24 van de wet niet; dan zijn de artikelen 53 tot en met 56, 234, 235 en 307 van de FW van toepassing.

 

In aansluiting op artikel 24 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    wanneer verrekening;

  • -

    betwiste schuld en verrekening;

  • -

    reikwijdte van de verrekening;

  • -

    bekendmaking verrekening;

  • -

    instemmingsregeling bij cessie en verpanding.

24.1 Wanneer verrekening

De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De invorderingsambtenaar bepaalt of al dan niet tot verrekening wordt overgegaan.

 

Als de belastingschuldige de invorderingsambtenaar verzoekt een bepaalde (belasting)teruggaaf of een ander uit te betalen bedrag met een bepaalde openstaande aanslag of andere vordering te verrekenen, dan willigt de invorderingsambtenaar dit verzoek altijd in.

 

Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf is geformaliseerd of het uit te betalen bedrag is vastgesteld. In dat geval schort de invorderingsambtenaar de invordering echter niet zonder meer op. Zo nodig kan de belastingschuldige om uitstel van betaling in verband met de te verwachten teruggaaf respectievelijk het te verwachten uit te betalen bedrag verzoeken (zie artikel 25.3 van deze leidraad).

 

24.1.1 Verrekening voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en beslagvrije voet

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

24.2 Betwiste schuld en verrekening

In het algemeen gaat de invorderingsambtenaar niet tot verrekening over met een te betalen bedrag dat de belastingschuldige betwist en waarvoor de invorderingsambtenaar uitstel van betaling heeft verleend op grond van artikel 25.2 van deze leidraad. De invorderingsambtenaar kan wel verrekenen als de financiële situatie van de belastingschuldige zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat.

 

24.3 Reikwijdte van de verrekening

Ondanks het feit dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te betalen bedragen niet automatisch verrekend met aanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn. Dit laat onverlet dat de invorderingsambtenaar bevoegd is om in daartoe aanleiding gevende gevallen binnen de betalingstermijn te verrekenen.

 

Bij een belastingaanslag waarvan een betalingstermijn van een termijnbetaling is verstreken, kan de invorderingsambtenaar alleen verrekenen voor zover de termijn is verstreken.

 

Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen, kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen.

 

24.4 Bekendmaking verrekening

Verrekening van een uit te betalen bedrag door de invorderingsambtenaar gebeurt bij beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige bekendgemaakt door toezending of uitreiking van een kennisgeving.

 

24.5 Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

24.6 Instemmingsregeling bij cessie en verpanding

 

24.6.1 Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding

In artikel 24, vierde lid van de wet is een instemmingsregeling opgenomen die verrekening uitsluit als de invorderingsambtenaar instemt met cessie (artikel 3:94 BW) of stille verpanding (artikel 3:239 BW) van een uit te betalen bedrag.

 

Als de invorderingsambtenaar niet heeft ingestemd, kan hij tot verrekening met openstaande schulden overgaan ook al is de cessie of verpanding aan hem meegedeeld. De invorderingsambtenaar verrekent het uit te betalen bedrag met de belastingschulden die openstaan op het moment van formalisering van het uit te betalen bedrag.

 

Bij openbare verpanding van een uit te betalen bedrag geldt geen instemmingsregeling.

 

24.6.2 Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen

Cessie of stille verpanding van een uit te betalen bedrag is mogelijk mits dit bedrag voldoende bepaald is omschreven.

 

Stille verpanding is mogelijk vanaf het moment dat de aanspraak op teruggaaf van het saldo van positieve en negatieve elementen van de belastingaanslag of de teruggaafbeschikking materieel vaststaat. Dit is op zijn vroegst het geval na het einde van het jaar of tijdvak waarop de teruggaaf betrekking heeft.

 

24.6.3 Instemming of weigering met een cessie of verpanding

De weigering van een instemming met de cessie of verpanding heeft betrekking op de gehele cessie of verpanding. De instemming wordt niet gedeeltelijk verleend. Wel bestaat de mogelijkheid om een uit te betalen bedrag in gedeelten te cederen of te verpanden. De invorderingsambtenaar moet dan bij iedere cessie of verpanding afzonderlijk beoordelen of hij daarmee instemt.

 

Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd als de invorderingsambtenaar gegronde redenen heeft om aan te nemen dat instemmen met de cessie of verpanding zal kunnen leiden tot oninbaarheid dan wel onverhaalbaarheid van een ten tijde van de mededeling invorderbare belastingaanslag (of anderszins voor verrekening vatbare schuld) waarmee het uit te betalen bedrag zonder cessie of verpanding had kunnen worden verrekend. De weigering voorkomt aldus dat de invordering van deze aanslag wordt gefrustreerd. Deze situatie zal zich onder meer voordoen bij een belastingschuldige die bekend staat als een notoir slechte betaler.

 

Met nadruk wordt vermeld dat bij de beoordeling of met een cessie of verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt gehouden met materieel ontstane belastingschulden die nog niet zijn geformaliseerd in een belastingaanslag. De invorderingsambtenaar is verplicht met een cessie of verpanding in te stemmen als op het tijdstip van de mededeling van de cessie of verpanding ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare (en dus geformaliseerde) schuld invorderbaar is.

 

De invorderingsambtenaar maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de derde - in dit geval de pandhouder of cessionaris - bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving, waarbij de belastingschuldige op de mogelijkheid wordt gewezen bij het college beroep in te stellen.

 

24.6.4 Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb

Onverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet geldt met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, dat de invorderingsambtenaar de indiener verzoekt het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De invorderingsambtenaar wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.

 

24.6.5 Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpanding

De beschikking van het college op het beroepschrift wordt bekend gemaakt door toezending of uitreiking van de beschikking aan zowel de belastingschuldige als de derde, in dit geval de pandhouder of cessionaris.

 

24.6.6 Houding invorderingsambtenaar bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpanding

De belastingschuldige kan zich tot de voorzieningenrechter wenden met het verzoek de invorderingsambtenaar te verbieden de instemming te weigeren. Totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, gaat de invorderingsambtenaar niet tot verrekening over.

 

Als de rechter het verzoek afwijst, dan verrekent de invorderingsambtenaar niet eerder dan nadat veertien dagen zijn verstreken na de dag van de uitspraak, tenzij tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld.

 

Als de rechter het verzoek ook in hoger beroep afwijst, verrekent de invorderingsambtenaar niet eerder dan nadat de uitspraak in hoger beroep onherroepelijk vaststaat.

Artikel 25 Uitstel van betaling

Op grond van artikel 25 van de wet kan de invorderingsambtenaar - onder door hem te stellen voorwaarden - uitstel van betaling verlenen aan de belastingschuldige voor (een gedeelte van) een opgelegde belastingaanslag.

 

Het verlenen van uitstel van betaling gebeurt in beginsel op schriftelijk of telefonisch verzoek van de belastingschuldige. In daartoe aanleiding gevende gevallen kan de invorderingsambtenaar ook ambtshalve uitstel van betaling verlenen.

 

De invorderingsambtenaar kan een verleend uitstel van betaling bij beschikking tussentijds beëindigen.

In aansluiting op artikel 25 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    de algemene uitgangspunten van het uitstelbeleid;

  • -

    uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag.

  • -

    uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag;

  • -

    uitstel in verband met betalingsproblemen;

  • -

    betalingsregeling voor particulieren;

  • -

    betalingsregeling voor ondernemers;

  • -

    administratief beroep.

25.1 Algemene uitgangspunten uitstelbeleid

 

25.1.1 Houding van de invorderingsambtenaar tijdens behandeling verzoek om uitstel

Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt de invorderingsambtenaar overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek is toegewezen.

 

Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen worden geschaad, kan de invorderingsambtenaar ondanks het verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen.

 

25.1.2 Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling

Bij toewijzing van het verzoek vermeldt de invorderingsambtenaar de voorwaarden waaronder hij uitstel van betaling verleent in de beschikking.

 

25.1.3 Redenen afwijzing verzoek om uitstel

Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als:

  • a.

    de medewerking van de verzoeker onvoldoende is;

  • b.

    onjuiste gegevens worden verstrekt;

  • c.

    de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de invorderingsambtenaar daartoe gestelde termijn zijn verstrekt. Als de verstrekte gegevens onvolledig zijn, stelt de invorderingsambtenaar de belastingschuldige in de gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te verstrekken;

  • d.

    de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld (zie artikel 25.1.13, 25.2.5, 25.5.2 en 25.6.2 van deze leidraad);

  • e.

    de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt en daarmee de belastingschuld binnen een voor de invorderingsambtenaar redelijke termijn voldaan kan worden;

  • f.

    de berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de belastingschuld direct voldaan kan worden;

  • g.

    de betalingsregeling zich over een voor de invorderingsambtenaar onaanvaardbare termijn uitstrekt;

  • h.

    de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling volgens de invorderingsambtenaar geen uitkomst zal bieden;

  • i.

    sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een belastingaanslag in verband met betalingsmoeilijkheden en voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan, waarmee de belastingschuld kon worden betaald;

  • j.

    de aanslag betrekking heeft op: bedrijfsreinigingsrecht, (bouw)leges, parkeerbelastingen, marktgelden en precariobelasting;

  • k.

    het een bezwaar betreft dat direct of indirect gericht is tegen een onherroepelijk vaststaande WOZ-beschikking;

  • l.

    met de belastingschuldige reeds eerder een regeling is getroffen, maar deze niet is nagekomen;

  • m.

    ter zake van de aanslag reeds een beslagopdracht naar de belastingdeurwaarder is uitgegaan dan wel door de belastingdeurwaarder reeds beslag is gelegd;

  • n.

    het in bezwaar betwiste bedrag minder dan € 50 bedraagt.

De invorderingsambtenaar is niet verplicht de belastingschuldige in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te laten brengen voordat hij het verzoek om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst. Als het verzoek om uitstel wordt afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing van het verzoek is besloten. Daarbij moeten alle afwijzingsgronden worden genoemd; er kan niet worden volstaan met het noemen van de voornaamste afwijzingsgrond.

 

25.1.4 Redenen beëindigen uitstel

Het uitstel wordt in ieder geval beëindigd als:

  • a.

    niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het uitstel is verleend;

  • b.

    tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat onjuiste gegevens zijn verstrekt;

  • c.

    de aanleiding tot uitstel van betaling is weggevallen;

  • d.

    de financiële omstandigheden van de belastingschuldige zodanig veranderen of zijn veranderd dat het naar het oordeel van de invorderingsambtenaar onjuist is het uitstel te continueren;

  • e.

    de medewerking van de verzoeker onvoldoende is;

  • f.

    zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel 10 van de wet en de invorderingsambtenaar van mening is dat de verhaalbaarheid van de belastingschuld waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar komt;

  • g.

    belastingschuldige in staat van faillissement wordt verklaard, hem surseance van betaling wordt verleend of hij wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn

Als de belastingschuldige een betalingsregeling van meer dan één termijn niet nakomt, kan de invorderingsambtenaar alvorens hij de regeling beëindigt, de belastingschuldige in de gelegenheid stellen om alsnog binnen veertien dagen de achterstand te voldoen.

 

25.1.6 Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel

Als de invorderingsambtenaar uitstel heeft verleend tot een bepaald tijdstip en dit tijdstip is verstreken, dan is daardoor het uitstel van rechtswege vervallen.

 

Als het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk is ingediend, stelt de invorderingsambtenaar de belastingschuldige van het vervallen van het verleende uitstel schriftelijk op de hoogte onder opgaaf van reden.

 

25.1.7 Geen invordering tijdens verleend uitstel

Tenzij in de leidraad anders is aangegeven, kan de invorderingsambtenaar voor een belastingaanslag waarvoor hij uitstel van betaling heeft verleend, geen invorderingsmaatregelen nemen.

 

25.1.8 Na (afwijzen) uitstel veertien dagen wachttijd

Als de invorderingsambtenaar geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend uitstel beëindigt, of als het college afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, dan wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van veertien dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde geldt als het uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en daarvan een mededeling is gedaan.

 

Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege als op telefonisch verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van veertien dagen niet.

 

Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder meer plaats als naar het oordeel van de invorderingsambtenaar aanwijzingen bestaan dat door het niet onmiddellijk aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad. Verder geldt deze termijn niet als een executieverkoop wordt opgeschort en in verband daarmee uitstel van betaling is verleend in samenhang met een prolongatieovereenkomst.

 

25.1.9 Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

25.1.10 Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

25.1.11 Uitstel voor een bestuurlijke boete

De invorderingsambtenaar verleent uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete in verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke boete.

 

De invorderingsambtenaar verleent ook uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete als sprake is van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en de bedragen van die belastingaanslag en die van de boetebeschikking op één aanslagbiljet zijn vermeld.

 

De invorderingsambtenaar verleent dit uitstel niet als uit het bezwaarschrift blijkt dat het bezwaar zich niet richt tegen de bestuurlijke boete.

 

De invorderingsambtenaar kan aan het uitstel voorwaarden verbinden die ertoe strekken de belangen van de gemeente veilig te stellen. De invorderingsambtenaar verleent het uitstel tot het moment waarop op het bezwaarschrift is beslist.

 

25.1.12

(Vervallen)

 

25.1.13 Zekerheid bij uitstel

De invorderingsambtenaar kan bij het verlenen van uitstel van betaling de voorwaarde stellen dat de belastingschuldige of een derde zekerheid stelt. Bij het stellen van zekerheid gaat de voorkeur uit naar zekerheden die op eenvoudige wijze kunnen worden gesteld, bewaakt en uitgewonnen.

 

25.1.14 Tijdstip indiening verzoek om uitstel

De invorderingsambtenaar neemt een verzoek om uitstel van betaling altijd in behandeling, ongeacht het tijdstip van indiening en het stadium van de invordering.

 

De invorderingsambtenaar wijst een verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen in het algemeen af als het verzoek is ingediend nadat aankondiging van een ten laste van de belastingschuldige te houden executoriale verkoop heeft plaatsgevonden, of als publicatie daarvan niet meer is te voorkomen.

 

Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de invorderingsambtenaar de beslissing op een vlak voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om uitstel mondeling bekend maken. De invorderingsambtenaar bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt uiteraard niet de termijn van veertien dagen waarbinnen de invorderingsambtenaar de invordering niet mag aanvangen of voortzetten.

 

De invorderingsambtenaar willigt geen enkel verzoek om uitstel meer in als de belastingdeurwaarder is begonnen met de executoriale verkoop.

 

25.1.15 Verzoekschriften aan andere instellingen

De invorderingsambtenaar houdt de invordering aan als een verzoekschrift is ingediend bij de raad, het college of de gemeentelijke ombudsman.

 

Als naar het oordeel van de invorderingsambtenaar aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad, kan de invorderingsambtenaar na voorafgaande toestemming van het college toch invorderingsmaatregelen treffen.

 

25.2 Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag

 

25.2.1 Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag

De belastingschuldige kan bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag kenbaar maken bij de inspecteur door middel van een bezwaarschrift. Als de belastingschuldige in het bezwaarschrift uitstel van betaling vraagt, dan kan de invorderingsambtenaar dit verlenen tot het moment waarop de inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift doet. Onder een bezwaarschrift wordt ook begrepen een door de belastingschuldige ingediend (hoger) beroepschrift.

 

Het in artikel 25.2 van deze leidraad beschreven uitstelbeleid heeft uitsluitend betrekking op het door de belastingschuldige bestreden deel van de belastingaanslag waarvoor uitstel is verzocht of verleend.

 

25.2.2 Bezwaarschrift geldt als verzoek om uitstel; beroepschrift niet

Als de belastingschuldige een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag indient, dan behandelt de invorderingsambtenaar dit als een verzoek om uitstel van betaling als de belastingschuldige hier om vraagt. De belastingschuldige kan ook in een afzonderlijk verzoek uitstel van betaling vragen voor het bestreden bedrag.

 

Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift en een ingesteld (hoger) beroep of beroep in cassatie tegen een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een dergelijke uitspraak, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die gevallen moet de belastingschuldige dus een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling indienen bij de invorderingsambtenaar.

 

Als de belastingschuldige bij de invorderingsambtenaar een verzoek om uitstel indient in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift, dan licht de invorderingsambtenaar de inspecteur daaromtrent in en wordt dit verzoek ook aangemerkt als een pro-forma bezwaarschrift.

 

25.2.2a Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift

Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel indient bij de invorderingsambtenaar in verband met een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag dan moet hij in het verzoek het bestreden bedrag van de aanslag en de berekening van dat bedrag vermelden.

 

25.2.2b Nadere gegevens

De invorderingsambtenaar kan aan de belastingschuldige nadere gegevens vragen ter bepaling van de hoogte van het bestreden bedrag. De invorderingsambtenaar geeft de belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand vanaf de dagtekening van zijn verzoek om nadere gegevens. De invordering wordt voor die termijn geschorst.

 

Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is mogelijk als de invorderingsambtenaar van oordeel is dat dit redelijk is. Als de belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan, wijst de invorderingsambtenaar het verzoek om uitstel af.

 

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op:

  • -

    een uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling opgenomen in het bezwaarschrift zelf;

  • -

    een door de belastingschuldige bij de invorderingsambtenaar ingediend verzoek om uitstel in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift. In dit laatste geval licht de invorderingsambtenaar de inspecteur daaromtrent in en wordt het verzoek tevens aangemerkt als een pro-forma bezwaarschrift.

Als sprake is van een verzoek om uitstel in verband met een ingediend (hoger) beroepschrift, dient tevens een kopie van het beroepschrift te worden overgelegd.

 

25.2.3 De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling

In het algemeen wijst de invorderingsambtenaar een verzoek om uitstel van betaling in verband met een bezwaarschrift toe als aan de in de artikelen 25.2.2, 25.2.2a en 25.2.2b gestelde eisen is voldaan.

 

De invorderingsambtenaar kan aan het uitstel voorwaarden verbinden. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het bestreden bedrag.

 

25.2.4 Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

25.2.5 Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar

Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de invorderingsambtenaar zekerheid verlangen voor de bestreden belastingschuld. In beginsel vraagt de invorderingsambtenaar alleen zekerheid als de aard van de belastingschuld dan wel de omvang van de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de invorderingsambtenaar bekend zijn, daartoe aanleiding geeft. Daarnaast houdt de invorderingsambtenaar bij zijn beslissing rekening met het aangifte- en betalingsgedrag van de belastingschuldige.

 

25.2.6 Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld

Zolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend niet onherroepelijk vaststaat, treft de invorderingsambtenaar voor de betwiste belastingschuld in beginsel geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen.

 

Het leggen van beslag dat feitelijk dienst doet als een bewaringsmaatregel geldt niet als een onherroepelijke invorderingsmaatregel.

 

25.2.7 Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar

Als de invorderingsambtenaar uitstel heeft verleend, blijft verrekening van het bestreden bedrag met een teruggaaf op een andere belastingaanslag of andere uit te betalen bedragen achterwege, in afwachting van de uitspraak op het bezwaarschrift, tenzij anders is bepaald in deze leidraad onder artikel 24.

 

Ook kan hiervan worden afgeweken als de financiële situatie van de belastingschuldige zodanig is - bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit van diens onderneming in relatie tot de hoogte van de (bestreden) belastingschuld - dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en verder niet voldoende zekerheid is gesteld.

 

Als de invorderingsambtenaar overgaat tot verrekening, informeert hij de belastingschuldige hierover in de verrekeningsbeschikking.

 

25.2.7a Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel

Als de invorderingsambtenaar bij het verlenen van het uitstel geen nadere voorwaarden heeft gesteld, kan hij uiterlijk binnen vier maanden vanaf de datum dat het uitstel is verleend voor het ingediende bezwaarschrift schriftelijk aan de belastingschuldige nadere voorwaarden stellen. Hierbij kijkt de invorderingsambtenaar of de looptijd voor het afdoen van het bezwaarschrift in relatie tot de hoogte van het bestreden bedrag van de aanslag daartoe aanleiding geeft.

 

Voor de beoordeling of hij zekerheid verlangt voor de bestreden belastingschuld, past de invorderingsambtenaar de in artikel 25.2.5 van deze leidraad opgenomen voorwaarden toe. Indien de belastingschuldige tijdig voldoet aan deze voorwaarden, continueert de invorderingsambtenaar het uitstel. De invorderingsambtenaar trekt het uitstel in als de belastingschuldige niet aan deze voorwaarden voldoet.

 

25.2.8 Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag

Als sprake is van een bestreden en niet-bestreden bedrag van een belastingaanslag, dan verleent de invorderingsambtenaar uitstel onder de opschortende voorwaarde dat het niet-bestreden bedrag per omgaande dan wel tijdig wordt betaald.

 

Als niet per omgaande dan wel niet tijdig wordt betaald, wordt de invordering zonder nadere aankondiging voor de gehele belastingaanslag aangevangen dan wel voortgezet.

Een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar neemt de invorderingsambtenaar pas in behandeling als het niet-bestreden gedeelte van de belastingaanslag is voldaan.

 

25.2.9 Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag

De invorderingsambtenaar trekt het uitstel van betaling in, als dit is verleend in verband met bezwaar voor het volledige bedrag van de belastingaanslag en later blijkt dat het bezwaar slechts betrekking heeft op een gedeelte van dat bedrag.

 

De invorderingsambtenaar deelt daarbij mee dat hij een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar pas in behandeling neemt, als het niet-bestreden gedeelte van de belastingaanslag tijdig is voldaan.

 

25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag

 

25.3.1. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen bedragen

Als de belastingschuldige binnen afzienbare tijd een door de invorderingsambtenaar uit te betalen bedrag verwacht, kan de invorderingsambtenaar uitstel van betaling verlenen tot het moment waarop hij dit uit te betalen bedrag kan verrekenen met de belastingaanslag waarvoor uitstel wordt gevraagd.

 

Er is sprake van een binnen afzienbare tijd te verwachten belastingteruggaaf als:

  • -

    het belastingjaar of belastingtijdvak waarover de teruggaaf wordt verwacht is afgelopen; en

  • -

    de belastingschuldige een verzoek om teruggaaf heeft ingediend; en

  • -

    over die teruggaaf tussen de inspecteur en de belastingschuldige geen verschil van mening bestaat.

25.3.2 Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel

Bij het verzoek om uitstel moet een berekening van het uit te betalen bedrag zijn gevoegd. Als dit ontbreekt of onvoldoende is gemotiveerd, dan geeft de invorderingsambtenaar de belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand om alsnog zijn verzoek (nader) te motiveren. De termijn begint te lopen vanaf de dagtekening van de kennisgeving van de invorderingsambtenaar dat de belastingschuldige zijn verzoek (nader) moet motiveren. De invordering wordt voor die termijn geschorst.

 

Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is mogelijk als de invorderingsambtenaar van oordeel is dat dit redelijk is. Als de belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan, wijst de invorderingsambtenaar het verzoek om uitstel af.

 

25.3.3 Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te betalen bedrag

De invorderingsambtenaar beslist - onder door hem te stellen voorwaarden - in het algemeen positief op een volledig gemotiveerd verzoek om uitstel van betaling. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het te verrekenen bedrag.

 

De belastingschuldige moet het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het te verrekenen bedrag tijdig betalen. De invorderingsambtenaar kan echter een betalingsregeling toestaan als daartoe aanleiding bestaat.

 

25.3.4 Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

25.4 Uitstel in verband met betalingsproblemen

 

25.4.1 Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen

Als de belastingschuldige de belastingaanslag niet binnen de betalingstermijn(en) kan voldoen, kan de invorderingsambtenaar aan de belastingschuldige op diens verzoek een betalingsregeling toestaan. De invorderingsambtenaar kan daarbij voorwaarden stellen.

 

Bij de beoordeling van het verzoek om uitstel spelen niet alleen de omstandigheden van dat moment een rol. Als de belastingschuldige in het verleden bijvoorbeeld niet heeft gereserveerd voor redelijkerwijs voorzienbare schulden of nalatig is geweest bij het doen van aangiften of betalingen, kan dit een rol spelen bij het toestaan of verlengen van een betalingsregeling of bij het stellen van voorwaarden bij een betalingsregeling.

 

De invorderingsambtenaar kan een betalingsregeling weigeren als de betalingsproblemen structureel van aard zijn.

 

25.4.2 Uitstel en motorrijtuigenbelasting

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

25.4.3 Verrekening tijdens een betalingsregeling

Tijdens een betalingsregeling verrekent de invorderingsambtenaar belastingteruggaven en andere teruggaven met een openstaande belastingschuld. Als daar aanleiding toe is, kan de invorderingsambtenaar afzien van het verrekenen van bepaalde teruggaven.

 

25.4.4 Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance

De invorderingsambtenaar treft geen betalingsregeling voor faillissementsschulden en belastingaanslagen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is.

Zo lang onzeker is of alle boedelschulden uit de boedel kunnen worden voldaan kan de invorderingsambtenaar voor de betaling daarvan wel uitstel van betaling verlenen.

 

De invorderingsambtenaar kan tijdens een surseance van betaling op verzoek van de bewindvoerder uitstel van betaling verlenen voor de belastingschuld die voor de aanvang van de surseance materieel verschuldigd is geworden. De invorderingsambtenaar stelt daarbij de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende verplichtingen stipt nakomt.

 

De invorderingsambtenaar kan ook tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling onder de gebruikelijke voorwaarden uitstel van betaling verlenen voor belastingaanslagen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling niet van toepassing is.

 

Als voor belastingaanslagen zekerheid is gesteld, wint de invorderingsambtenaar deze uit. Daarna informeert hij de curator dan wel de bewindvoerder over de wijziging in de hoogte van de belastingschuld.

 

25.4.5 Uitstel van betaling erfbelasting bij verkrijging eigen woning door broers of zussen van de erflater

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

25.5 Betalingsregeling voor particulieren

 

25.5.1 Duur betalingsregeling particulieren

Het treffen van een betalingsregeling is in eerste instantie alleen mogelijk als alle op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen zijn vervallen.

 

Een betalingsregeling moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij een verzoek om een betalingsregeling vanwege het niet tijdig kunnen voldoen van het bedrag van de aanslag of een gedeelte hiervan wordt een passende betalingsregeling getroffen die is afgestemd op de financiële omstandigheden van de belastingschuldige. De invorderingsambtenaar kijkt daarbij vooral naar de betalingscapaciteit en vermogenspositie van de belastingschuldige.

 

Uitgangspunt is hierbij dat de termijn van de regeling in eerste instantie vier maanden is. Na de betekening van een hernieuwd bevel is dit in eerste instantie een termijn van drie maanden.

 

Als de financiële omstandigheden van de belastingschuldige hiertoe aanleiding geven kan deze termijn worden verlengd tot uiterlijk twaalf maanden.

 

In bijzondere omstandigheden kan de termijn van twaalf maanden worden verlengd. Als uitganspunt geldt dan dat de regeling niet langer duurt dan 36 maanden. Bij deze maximale looptijd is aansluiting gezocht bij de uitvoering van de WSNP.

 

25.5.2 Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren

De invorderingsambtenaar kan aan het verlenen van uitstel verschillende voorwaarden verbinden. In ieder geval stelt de invorderingsambtenaar aan het verlenen van een betalingsregeling de voorwaarde dat nieuw opkomende fiscale en betalingsverplichtingen tijdig worden nagekomen.

 

De invorderingsambtenaar kan op verzoek van de belastingschuldige toestaan dat nieuwe belastingaanslagen in een bestaande betalingsregeling worden opgenomen. Voorwaarde is dat de belastingschuldige zijn gehele betalingscapaciteit al heeft ingezet in het kader van de bestaande betalingsregeling.

 

De invorderingsambtenaar kan als voorwaarde stellen dat de betalingsregeling en/of toekomstige aanslagen worden voldaan door middel van een automatische incasso.

 

De invorderingsambtenaar kan, alvorens het uitstel te verlenen, zekerheid eisen als de aard van de belastingschuld dan wel de omvang van de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de invorderingsambtenaar bekend zijn, daartoe aanleiding geeft. Ook het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden kan aanleiding zijn voor het eisen van zekerheid.

 

25.5.3 Kort uitstel particulieren

Particulieren kunnen zonder nader onderzoek op schriftelijk of telefonisch verzoek kort uitstel van betaling krijgen. Dit uitstel bedraagt maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag. De invorderingsambtenaar stelt aan dit uitstel de volgende voorwaarden:

  • a.

    De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan € 1.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met belastingschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift;

  • b.

    De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan waarvoor een hernieuwd bevel tot betaling is betekend;

  • c.

    De belastingschuldige heeft – naar het oordeel van de invorderingsambtenaar - in de afgelopen drie jaren goed betalingsgedrag vertoond.

25.5.4 Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren

In andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze leidraad, gaat de invorderingsambtenaar aan de hand van de daartoe door de belastingschuldige verstrekte gegevens over tot de berekening van de betalingscapaciteit en de beoordeling van de vermogenspositie.

 

De invorderingsambtenaar verleent in ieder geval geen uitstel van betaling als voor de belastingschuld waarvoor uitstel wordt gevraagd al uitstel op grond van artikel 25.5.3 van deze leidraad is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is beëindigd.

 

Voor de berekening van de betalingscapaciteit vraagt de invorderingsambtenaar zo nodig nadere gegevens bij de belastingschuldige op. Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de invorderingsambtenaar uit van de begrippen en normen die gelden bij het kwijtscheldingsbeleid, behalve voor zover daarvan in de artikelen 25.5.6 tot en met 25.5.9 van deze leidraad wordt afgeweken. Ook met betrekking tot het vermogen gaat de invorderingsambtenaar uit van het vermogensbegrip zoals dat geldt in de kwijtscheldingsregeling.

 

25.5.5 Vermogen en betalingsregeling particulieren

De aanwezigheid van vermogen op het moment van het indienen van het verzoek staat een betalingsregeling in het algemeen in de weg. Dit geldt met name indien het vermogen zonder bezwaar contant is te maken.

 

Het vermogen dat onder het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren is vrijgesteld, staat een betalingsregeling echter niet in de weg. Onder vermogen wordt in dit verband verstaan de bezittingen van de belastingschuldige en diens echtgenoot, verminderd met de schulden die een hogere preferentie hebben dan de belastingschuld.

 

25.5.6 Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren

Naast het aanwezige vermogen speelt bij de beoordeling van de financiële omstandigheden de zogenoemde betalingscapaciteit van de verzoeker een belangrijke rol, zowel ten tijde van het indienen van het verzoek als gedurende de looptijd van de betalingsregeling. De betalingscapaciteit van de belastingschuldige die door de invorderingsambtenaar wordt berekend, bepaalt in belangrijke mate het bedrag dat de belastingschuldige (periodiek) op de achterstallige schuld moet aflossen. De betalingscapaciteit geeft ook aan in hoeverre een betalingsregeling zinvol is.

 

Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de invorderingsambtenaar met betrekking tot de huur- en hypotheekverplichtingen voor de woning waarin de belastingschuldige feitelijk verblijft uit van de werkelijke uitgaven.

De betalingscapaciteit bestaat uit het netto-besteedbaar inkomen na aftrek van het normbedrag voor levensonderhoud. De invorderingsambtenaar eist hiervan 80% op.

 

Voor een belastingschuldige die in het buitenland woont, houdt de invorderingsambtenaar rekening met artikel 1 van de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 en de bij die regeling opgenomen bijlage. De invorderingsambtenaar telt eventuele periodieke inkomsten die de belastingschuldige uit zijn woonland geniet, op bij de aldus berekende betalingscapaciteit.

 

25.5.7 Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven

De invorderingsambtenaar kan - afhankelijk van de concrete situatie van de belastingschuldige en zijn gezin - bepaalde aanvaardbare uitgaven op de berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de belastingschuldige, en die naar het oordeel van de invorderingsambtenaar niet in redelijkheid kunnen worden betaald uit het normbedrag voor levensonderhoud en de zogenoemde uitvoeringstolerantie van 20%.

 

25.5.8 Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden

In het algemeen blijven bij de berekening van de betalingscapaciteit de aflossingsverplichtingen aan derden buiten beschouwing. De invorderingsambtenaar kan een uitzondering maken voor aflossingen op schulden waarvan het niet-betalen tot ongewenste effecten kan leiden, of waaraan een preferentie is verbonden.

 

25.5.9 Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten

Bij de berekening van de betalingscapaciteit houdt de invorderingsambtenaar slechts rekening met extra inkomsten, zoals vakantiegeld, tantièmes en dergelijke, voor zover uitbetaling daarvan plaatsvindt dan wel zou moeten plaatsvinden in de periode waarvoor de betalingsregeling geldt.

 

25.5.10 Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor

Als de belastingschuldige uitstel vraagt en tegelijkertijd een betalingsregeling voorstelt waarbij de schuld binnen vier maanden wordt afbetaald en deze regeling afwijkt van hetgeen de invorderingsambtenaar heeft berekend, dan hoeft een niet al te grote afwijking niet te leiden tot afwijzing van het verzoek.

 

Als de regeling die door de belastingschuldige is voorgesteld voor de invorderingsambtenaar niet aanvaardbaar is, maar een andere regeling wel ingewilligd kan worden, dan deelt de invorderingsambtenaar onder afwijzing van het verzoek de belastingschuldige mee welke regeling hij desgevraagd wel kan verlenen.

 

25.6 Betalingsregeling voor ondernemers

 

25.6.1. Duur betalingsregeling ondernemers

Een betalingsregeling voor ondernemers moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de invorderingsambtenaar rekening met de omstandigheden, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de liquiditeits- en de vermogenspositie van de onderneming en het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden. De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van het lopende belastingjaar niet te boven gaan.

 

25.6.2 Voorwaarden betalingsregeling ondernemers

Aan het verlenen van een betalingsregeling stelt de invorderingsambtenaar de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere betalingsverplichtingen - waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen - bijhoudt.

 

De invorderingsambtenaar kan als voorwaarde stellen dat belastingschuldige voldoende zekerheid biedt. De hoogte van de zekerheid moet gelijk zijn aan de schuld waarvoor uitstel wordt verzocht. De invorderingsambtenaar kan zekerheid stellen door het leggen van beslag op (on)roerende zaken van de belastingschuldige.

 

25.6.2a Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers

Als een ondernemer in tijdelijke liquiditeitsproblemen is gekomen door een oorzaak die buiten zijn invloed ligt, kan de invorderingsambtenaar desgevraagd uitstel voor een langere periode verlenen of zonder dat voor het volledige bedrag zekerheid is gesteld.

 

Daartoe moet de ondernemer aan de hand van een door een derde-deskundige opgestelde verklaring (zie artikel 25.6.2b) het voor de invorderingsambtenaar aannemelijk maken dat:

  • a.

    het gaat om werkelijk bestaande betalingsproblemen;

  • b.

    die betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn;

  • c.

    die betalingsproblemen vóór een bepaald tijdstip zullen worden opgelost; en

  • d.

    dat er sprake is van een levensvatbare onderneming.

 

De invorderingsambtenaar kan bij het verlenen van dit uitstel nadere voorwaarden stellen. Om bij onvoorziene tegenslagen de mogelijke verliezen voor de gemeente te beperken, wordt zoveel als mogelijk is door de invorderingsambtenaar zekerheid verlangd. Die zekerheid kan ook gesteld worden leggen van beslag op (on)roerende zaken van de belastingschuldige.

 

25.6.2b Verklaring derde-deskundige

De verklaring van de derde-deskundige bevat een beoordeling van de aard van de betalingsproblemen, gaat in op de aannemelijkheid van de bedrijfseconomische gezondheid van de onderneming, de haalbaarheid van het in de toekomst inlopen van de betalingsachterstand en geeft blijk van de waarneming van de aan dat oordeel ten grondslag liggende feiten en omstandigheden door de deskundige.

 

Aan de derde-deskundige worden geen formele eisen gesteld. Het kan bijvoorbeeld gaan om een externe consultant, een externe financier, een branche-organisatie of de (huis)accountant. De invorderingsambtenaar kan aan de verklaring van de derde-deskundige ook eisen stellen.

 

25.6.2c Geen uitstel voor ondernemers in verband met betalingsproblemen als al kort uitstel is verleend

De invorderingsambtenaar verleent in ieder geval geen uitstel van betaling als voor de belastingschuld waarvoor uitstel is gevraagd al uitstel op grond van artikel 25.6.2d is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is beëindigd.

 

25.6.2d Kort uitstel van betaling voor ondernemers

Ondernemers kunnen zonder nader onderzoek op schriftelijk of telefonisch verzoek kort uitstel van betaling krijgen. Dit uitstel bedraagt maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag. De invorderingsambtenaar stelt de volgende voorwaarden aan dit uitstel:

  • a.

    De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan € 2.500. Hierbij wordt geen rekening gehouden met belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend;

  • b.

    Er staan op naam van de belastingschuldige geen belastingaanslagen open waarvoor dwangbevelen zijn betekend;

  • c.

    Er staat op naam van de belastingschuldige geen vergrijpboete open;

  • d.

    Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor andere aanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend;

  • e.

    Er is ten aanzien van de belastingschuldige geen sprake van een aangifteverzuim.

25.6.3 Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers

Voor ex-ondernemers is het uitstelbeleid van toepassing zoals dat geldt voor particulieren, ook als de belastingschuld betrekking heeft op de ondernemingsperiode.

 

25.6.4 Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie

Als het de invorderingsambtenaar bekend is dat van overheidszijde een onderzoek wordt ingesteld naar de mogelijkheid van subsidie- of steunverlening om de schuld te voldoen of een sanering mogelijk te maken, dan verleent de invorderingsambtenaar uitstel van betaling als hij de verwachting heeft dat dit onderzoek tot een positief resultaat zal leiden. De belastingschuldige moet dan wel aan zijn lopende fiscale en betalingsverplichtingen voldoen.

 

25.7 Administratief beroep

 

25.7.1 Toetsing uitstelbeschikking door het college

Als de belastingschuldige het niet eens is met een door de ontvanger genomen beslissing op grond van artikel 25, eerste lid of tweede lid, van de wet, kan de belastingschuldige daartegen administratief beroep instellen bij het college. De belastingschuldige moet het beroepschrift indienen bij de invorderingsambtenaar die de beslissing heeft genomen.

 

Gedurende de behandeling van het beroepschrift handelt de invorderingsambtenaar overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek om uitstel is toegewezen. Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen worden geschaad, kan hij ondanks de behandeling van het beroep wel invorderingsmaatregelen treffen.

 

25.7.2 Beroepsfase uitstel

Met overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de regeling geldt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de invorderingsambtenaar de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De invorderingsambtenaar wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.

 

25.7.3 Beslissing college op beroepschrift bij uitstel

In alle gevallen waarin het college van de gemeente het beroep gegrond oordeelt, kan het college de zaak inhoudelijk afdoen, hetzij door het verzoek alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder bevestiging, verbetering of vervanging van de gronden.

 

25.7.4 Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel

De belastingschuldige kan beroep instellen bij het college tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om uitstel van betaling. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een termijn gebonden.

 

Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de invorderingsambtenaar uitstel van betaling had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de uitspraak dat de invorderingsambtenaar niet tijdig heeft beslist, maar kan het college inhoudelijk op het beroepschrift van de belastingschuldige beslissen.

 

25.7.5 Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de invorderingsambtenaar

Als de belastingschuldige bij de invorderingsambtenaar bezwaar maakt tegen de beslissing op het verzoek om uitstel of voor dezelfde belastingschuld een herhaald verzoek om uitstel indient, dan merkt de invorderingsambtenaar dit aan als een beroepschrift.

 

Als de invorderingsambtenaar op dat moment aanleiding ziet om een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen, geeft hij echter een nieuwe beschikking. Als de belastingschuldige het ook met de nieuwe beschikking niet eens is, dan kan hij daartegen binnen tien dagen in beroep gaan bij het college.

Artikel 25a Uitstel van betaling exitheffingen

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

25a.1 Beoordeling zekerheid bij uitstel van betaling ter zake van exitheffingen

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 26 Kwijtschelding van belastingen

Artikel 26, eerste lid van de wet bepaalt dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van rijksbelastingen.

 

De invorderingsambtenaar verleent gehele of gedeeltelijke kwijtschelding als de belastingschuldige niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar de belastingaanslag te betalen. In het algemeen zal van buitengewoon bezwaar sprake zijn als de middelen om een belastingaanslag te betalen ontbreken en ook niet binnen afzienbare tijd worden verwacht.

 

De kwijtscheldingsregels op basis van artikel 26 van de wet zijn vastgelegd in de regeling. In de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen in de belastingsfeer tot uitdrukking gebracht.

 

Bij de berekening van de kwijtschelding worden de kosten van bestaan gesteld op 100% van de bijstandsnorm. Voor AOW-gerechtigde personen worden de kosten van bestaan gesteld op 100% van de toepasselijke, in artikel 1a van de Nadere regels kwijtschelding gemeentelijke en waterschapsbelastingen bedoelde netto AOW-bedragen. Dit percentage is vastgesteld in het raadsbesluit van 21-3-2013, nummer 149129.

 

Aan een aansprakelijkgestelde kan geen kwijtschelding worden verleend. Wel kan hij op zijn verzoek worden ontslagen van de betalingsverplichting. In artikel 53, derde lid van de wet is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven op grond waarvan de invorderingsambtenaar de aansprakelijkgestelde geheel of gedeeltelijk van zijn betalingsverplichting kan ontslaan als deze niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar te betalen.

 

De voorwaarden voor het al dan niet verlenen van kwijtschelding, gelden ook voor het ontslag van de betalingsverplichting.

 

In aansluiting op artikel 26 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    algemene uitgangspunten van het kwijtscheldingsbeleid;

  • -

    kwijtschelding van belastingen voor particulieren;

  • -

    kwijtschelding van belastingen voor ondernemers;

  • -

    administratief beroep;

  • -

    voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding;

  • -

    geen verdere invorderingsmaatregelen na afwijzing verzoek om kwijtschelding;

  • -

    geautomatiseerde toetsing bij kwijtschelding.

26.1 Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid

 

26.1.1 Kwijtschelding van betaalde belastingschulden

De invorderingsambtenaar verleent ook kwijtschelding van belastingaanslagen die al zijn betaald, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • -

    De belastingschuldige dient het verzoek om kwijtschelding in binnen drie maanden na de (laatste) betaling op de belastingaanslag;

  • -

    De belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding als hij daar eerder om had verzocht.

Als de invorderingsambtenaar het verzoek toewijst, betaalt hij de belastingschuldige het bedrag terug waarvoor kwijtschelding is verleend.

 

26.1.2 Het indienen van een verzoek om kwijtschelding

Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend bij de invorderingsambtenaar op een daartoe ingesteld verzoekformulier.

 

Als de belastingschuldige dit niet doet, dan neemt de invorderingsambtenaar het verzoek niet als zodanig in behandeling. De ontvanger stelt de belastingschuldige in dat geval in de gelegenheid het verzoek alsnog binnen twee weken op het daartoe bestemde formulier in te dienen.

 

In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel opgeschort. Als de belastingschuldige het formulier niet binnen twee weken terugzendt, wijst de invorderingsambtenaar het verzoek af.

 

26.1.3 Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding

Als de invorderingsambtenaar een uitgereikt of toegezonden verzoekformulier onvolledig ingevuld terugontvangt, stelt hij de belastingschuldige in de gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te verstrekken. In afwachting daarvan schort de invorderingsambtenaar de invordering in beginsel op.

 

De invorderingsambtenaar vraagt de gegevens slechts éénmaal op. Als de belastingschuldige niet alle gevraagde nadere gegevens verstrekt, beschouwt de invorderingsambtenaar het verzoek ook als onvolledig ingevuld en wijst hij het verzoek af.

 

26.1.4 Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding

Bij de beoordeling van het verzoek zijn de gegevens en norm(bedrag)en van belang die gelden op het moment van indiening van het verzoek, tenzij in deze leidraad anders is aangegeven.

 

26.1.5 Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden

Als de invorderingsambtenaar besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat aan één of meer voorwaarden is voldaan, dan neemt hij die voorwaarden in de beschikking op.

 

Als de invorderingsambtenaar in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening zal plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan stelt hij tevens de termijn vast waarin verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De termijn bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van de beschikking, dan wel - als dit minder is - de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.

 

Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort, dan moet de invorderingsambtenaar de belastingschuldige uitnodigen om binnen een termijn van veertien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de betaling van dat deel. Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van deze leidraad) van toepassing. Als tot de voorwaarden naast de voldoening van een deel van de schuld ook de verrekening van teruggaven behoort, wordt het te betalen bedrag niet beïnvloed door de hoogte van de verrekende teruggaven.

 

26.1.6 Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding

Als de invorderingsambtenaar het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet hij motiveren waarom hij tot afwijzing van het verzoek heeft besloten. Daarbij benoemt hij alle afwijzingsgronden. Tenzij het een kwijtscheldingsverzoek betreft van een ondernemer voor zijn privébelastingen, dan is één afwijsgrond voldoende motivatie om het verzoek af te wijzen.

 

26.1.7 Na afwijzen kwijtschelding veertien dagen wachttijd bij voortzetting invordering

Als de invorderingsambtenaar afwijzend heeft beslist op een verzoek om kwijtschelding of een aangeboden akkoord, of het college afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen een afwijzende beschikking van de invorderingsambtenaar, voldoet de belastingschuldige het op de belastingaanslag verschuldigde bedrag binnen veertien dagen na dagtekening van de afwijzende beschikking of binnen de betaaltermijn die op het aanslagbiljet staat. Na deze termijn kan de invorderingsambtenaar de invordering aanvangen dan wel voortzetten. Artikel 9 van de regeling is gedurende deze wachttijd van overeenkomstige toepassing.

De termijn van veertien dagen geldt niet als:

  • -

    sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10 van de wet;

  • -

    naar het oordeel van de invorderingsambtenaar aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of voortzetten van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad.

26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding

Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de invorderingsambtenaar de beslissing op een kort voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om kwijtschelding mondeling bekend maken. De invorderingsambtenaar bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt niet de termijn van veertien dagen waarbinnen de invorderingsambtenaar de invordering niet mag aanvangen of voortzetten.

 

Dit geldt ook voor een kort voor de executoriale verkoop gedaan verzoek dat niet is ingediend op een daartoe ingesteld verzoekformulier of op een daartoe ingesteld verzoekformulier dat onvolledig is ingevuld. De invorderingsambtenaar stelt de belastingschuldige dan niet in de gelegenheid om het verzoek in te dienen op het daartoe bestemde formulier of om de ontbrekende gegevens aan te vullen (zoals bepaald in de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van deze leidraad), maar wijst het verzoek af.

 

26.1.9 Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend

Er wordt geen kwijtschelding verleend als:

  • -

    de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet, niet volledig, onjuist, of niet op het daartoe ingesteld formulier (zie ook de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van deze leidraad) zijn verstrekt;

  • -

    uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven enerzijds en het inkomen anderzijds en de belastingschuldige de in dat verband door de invorderingsambtenaar gevraagde opheldering niet - of naar het oordeel van de invorderingsambtenaar - in onvoldoende mate verschaft;

  • -

    de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te dienen. In dat geval wordt de belastingschuldige meegedeeld dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend, dan nadat de inspecteur op grond van de alsnog verstrekte gegevens de belastingaanslag tot het juiste bedrag heeft kunnen vaststellen. Het verzoek dat wordt ingediend nadat de belastingaanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld, behandelt de invorderingsambtenaar als een eerste verzoek;

  • -

    een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de inspecteur, dan wel een beroepschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de rechtbank of (in hoger beroep) bij het gerechtshof. Een eventuele vermindering of vernietiging van de belastingaanslag dient namelijk aan kwijtschelding vooraf te gaan. De belastingschuldige wordt meegedeeld dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat op het bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) is beslist;

  • -

    voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is gesteld;

  • -

    er sprake is van meer dan één belastingschuldige;

  • -

    een derde nog voor de belastingschuld aansprakelijk kan worden gesteld;

  • -

    het aan de belastingschuldige kan worden toegerekend dat de belastingaanslag niet kan worden voldaan. Daarvan is onder andere sprake als:

    • a.

      het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is te wijten dat te weinig belasting is geheven;

    • b.

      een door de invorderingsambtenaar uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding wordt gevraagd;

    • c.

      vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen voldoen;

    • d.

      de belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat een belastingaanslag zou worden opgelegd en daar vervolgens geen (beschikbare) financiële middelen voor heeft gereserveerd;

  • -

    de belastingschuldige in surseance van betaling of in staat van faillissement verkeert, tenzij een akkoord is gesloten als bedoeld in de artikelen 138 en 252 FW;

  • -

    ten aanzien van de belastingschuldige de WSNP van toepassing is verklaard, tenzij sprake is van een akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van een belastingaanslag, niet zijnde een belastingaanslag als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de regeling, voor zover die materieel verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is gelegen na de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, en niet kan worden aangemerkt als een boedelschuld;

  • -

    door de invorderingsambtenaar nadere voorwaarden zijn gesteld en aan die voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend.

 

Ook wordt geen kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te betalen belasting waarop het verzoek betrekking heeft als aannemelijk is dat dit bedrag kan worden voldaan omdat:

  • -

    binnen twee jaren na het verzoek als gevolg van sterk wisselende inkomens een hoger inkomen is te verwachten;

  • -

    binnen een jaar na indiening van het verzoek een verbetering is te verwachten in de financiële omstandigheden;

  • -

    binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf, anders dan de voorlopige teruggaaf, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de regeling kan worden verwacht. De vraag of buitengewoon bezwaar bestaat de verschuldigde belasting te betalen, kan immers slechts betrekking hebben op een per saldo verschuldigd bedrag. Alleen voor dat saldo moeten de aanwezige financiële middelen worden aangesproken. Dit houdt in dat geen kwijtschelding kan worden verleend als de belastingaanslag binnen een jaar door middel van verrekening kan worden aangezuiverd.

26.1.10 Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding

Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de invorderingsambtenaar het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe.

 

Er is geen sprake van een ex-ondernemer als (een deel van) het bedrijfsvermogen nog aanwezig is. In dat geval zal het verzoek om kwijtschelding moeten worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 26.3 van deze leidraad. Het nog aanwezige bedrijfsvermogen zal geheel moeten worden gebruikt ter aflossing van de openstaande (zakelijke) belastingaanslagen.

 

De beleidsregels met betrekking tot het verlenen van kwijtschelding van belastingen voor ondernemers staan beschreven in artikel 26.3 van deze leidraad.

 

26.1.11 Verzoekschriften aan andere instellingen

De invorderingsambtenaar houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij de raad, het college of de gemeentelijke ombudsman.

 

Als naar het oordeel van de invorderingsambtenaar aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad, kan de invorderingsambtenaar toch invorderingsmaatregelen treffen.

 

26.2 Kwijtschelding van belastingen voor particulieren

 

26.2.1 Vermogen en kwijtschelding voor particulieren

Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot, verminderd met de schulden van de belastingschuldige en zijn echtgenoot die hoger bevoorrecht zijn dan de gemeentelijke belastingen.

 

26.2.2 De inboedel en kwijtschelding voor particulieren

De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan € 2.269 bedraagt. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen.

 

26.2.3 De personenauto en kwijtschelding voor particulieren

De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van € 2.269 of minder. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op de auto voor een financier een pandrecht is gevestigd, wordt ter vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in mindering gebracht.

 

Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als de belastingschuldige aan de invorderingsambtenaar - zo nodig na een verzoek daartoe - aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald.

 

Als de belastingschuldige eigenaar is van meerdere personenauto’s, dan past de invorderingsambtenaar de vermogensvrijstelling toe op de waarde van de personenauto met de minste waarde. De waarde(s) van de overige personenauto(’s) wordt/worden volledig als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.

 

26.2.4 Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren

Incidentele ontvangsten op een bankrekening worden voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel ook in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering.

 

De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in de kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt.

 

26.2.5 De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren

De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in zijn bezit heeft, wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor de waardebepaling van de onroerende zaak is uitgangspunt de waarde van de onroerende zaak bij verkoop vrij te aanvaarden.

 

Als de aanwezigheid van vermogen vastgelegd in onroerende zaken leidt tot de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de belastingaanslag wordt vervolgens niet betaald, kan de voortzetting van de invordering bij oudere belastingschuldigen die hun laatste levensjaren in hun eigen woning willen slijten, leiden tot een onverdedigbare hardheid. Een gedwongen verhuizing in verband met de verkoop van de woning zal voor deze groep belastingschuldigen een onevenredig grotere belasting zijn dan voor andere belastingschuldigen. In die gevallen kan de invorderingsambtenaar in overleg met de belastingschuldige afzien van onherroepelijke invorderingsmaatregelen en in plaats daarvan uitstel van betaling verlenen, gedekt door een hypotheek (ten behoeve van de invorderingsambtenaar) op de eigen woning of door het leggen van een zekerheidsbeslag op de woning. De hypotheek moet opeisbaar zijn na het overlijden van de langstlevende of bij een eerder vrijkomen van de woning.

 

Het verlenen van een zodanig uitstel blijft beperkt tot (naar het oordeel van de invorderingsambtenaar) uitzonderlijke gevallen.

 

26.2.6 Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren

Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen vermogen beschikken, wordt dat vermogen bij de beoordeling van het door de ouder ingediende verzoek om kwijtschelding niet in aanmerking genomen, tenzij die ouder (een deel van) zijn vermogen heeft toebedeeld aan zijn kind(eren) om daaruit een fiscaal voordeel te behalen.

 

26.2.7 Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren

Voor de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding van belastingaanslagen ten name van overledenen zijn de financiële omstandigheden van de erfgenamen in beginsel niet van belang. Alleen de vraag of de belastingaanslagen uit het actief van de nalatenschap (hadden) kunnen worden voldaan is van belang.

 

Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de persoonlijke financiële omstandigheden wel mee in aanmerking genomen, ook al zouden bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de belastingschuld kunnen worden aangesproken.

 

Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding in aanmerking zou komen, wordt de betrokkene bij beschikking voor zijn aandeel in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting verleend. Deze werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de erflater het verzoek om kwijtschelding indient.

 

26.2.8

(Vervallen)

 

26.2.9

(Vervallen)

 

26.2.10 Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren

Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen aanwezig zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen, moet worden beoordeeld in hoeverre de aanwezige betalingscapaciteit voldoende is om de belastingaanslag te voldoen.

 

De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend.

 

Het netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen van zijn echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. De vaststelling van het totale netto-besteedbare inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen waarvan kwijtschelding wordt verzocht.

 

De verantwoordelijkheid van de echtgenoot, voor schulden van de belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden die betrekking hebben op de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het vermogen en de betalingscapaciteit van de echtgenoot van belastingschuldige, worden dus buiten beschouwing gelaten voor zover een door de belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan buiten de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval het normbedrag voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder (zie artikel 16 van de regeling).

 

26.2.11 Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren

Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld wordt gesteld op 7% van de - aan loonheffing onderworpen - inkomsten waarbij aanspraak bestaat op vakantiegeld.

 

Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de invorderingsambtenaar uit eigen wetenschap bekend is dat het daadwerkelijk genoten vakantiegeld meer of minder bedraagt dan 7%, wordt het daadwerkelijk genoten vakantiegeld in aanmerking genomen. Zo is bijvoorbeeld sprake van een lager percentage dan 7 in het geval de belastingschuldige een bijstandsuitkering geniet. In dat geval moet dus worden uitgegaan van het percentage genoemd in artikel 19, derde lid Pw.

 

26.2.12 Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren

Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF en hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS VO-18+).

 

Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op een normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van basisbeurs, maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Daarbij wordt voor zover van toepassing rekening gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de één-oudertoeslag.

 

De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair bedrag.

  • A.

    Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 63.

  • B.

    Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 56 en met het bedrag aan onderwijsretributie.

Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals hiervoor berekend onder A en B.

 

Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs) en de eigen inkomsten uitstijgen boven de voor het desbetreffende huishoudtype maximaal geldende kosten van bestaan worden om de betalingscapaciteit te kunnen berekenen de navolgende formules gebruikt:

 

Formule 1: (P + Q) – R – S = X

In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs). Het totaal van de eigen inkomsten wordt aangegeven met Q. Met R wordt aangegeven het voor de kwijtschelding geldende normbudget voor levensonderhoud. Het in mindering te brengen bedrag van de daadwerkelijk ontvangen lening van de Informatie Beheer Groep wordt aangeduid met S. De uitkomst van deze berekening wordt aangegeven met X, met dien verstande dat X altijd tenminste nul bedraagt.

 

Formule 2: X + Y = T

In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan inkomsten van de betreffende student zoals bedoeld onder A of B. Het resultaat van de berekening volgens formule 1 (X) vermeerderd met Y is het inkomen (T). Dit inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het netto-besteedbaar inkomen te kunnen berekenen en de betalingscapaciteit.

 

In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot deel of zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook uitgegaan van de hiervoor vermelde forfaitaire inkomsten en is hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige toepassing.

 

26.2.13 Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren

Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en die zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in aanmerking genomen.

 

De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar, wordt daarentegen wél als inkomen in aanmerking genomen, evenals de ouderlijke bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dat geval is de bijzondere bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De bijzondere bijstand voor jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage bijstandsnorm, als de ouderlijke bijdrage - die geacht wordt deze lage bijstandsnorm aan te vullen tot het niveau van de bijstandsnorm voor personen van 21 tot 65 jaar - geheel of gedeeltelijk ontbreekt.

 

26.2.13a Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor particulieren

Verstrekkingen die worden ontvangen uit een persoonsgebonden budget voor specifieke kosten op het gebied van zorg, begeleiding of hulp en waarop geen aanspraak bestaat vanuit de zorgverzekering of de reguliere bijstand, worden niet als inkomen in aanmerking genomen.

 

26.2.14 Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren

Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend, nog zullen worden opgelegd.

 

Tot betalingen op belastingschulden worden naast betalingen op belastingen en heffingen van lokale overheden (met uitzondering van de rechten die zijn vermeld in artikel 229 Gemeentewet) ook de betalingen gerekend die worden verricht op rijksbelastingen.

 

26.2.15 Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden

Als het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Pw (zie artikel 26.2.10 van deze leidraad), worden de woonlasten in aanmerking genomen tot ten hoogste 50% van het bedrag dat de uitkomst is van de berekening op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel b van de regeling.

 

26.2.16 Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren

Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage - de bijdrage die een gemeente op grond van de Pw van een ex-partner vordert in de kosten van bijstand - in mindering gebracht.

 

26.2.17 Kwijtschelding tijdens WSNP

Als sprake is van een belastingschuldige ten aanzien van wie de WSNP van toepassing is verklaard, en die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid.

 

Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de boedel gaat. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.

 

26.2.18

(Vervallen)

 

26.2.19 Normpremie zorgverzekering begrepen in de bijstandsuitkering

De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 33 per maand en voor echtgenoten € 74 per maand.

 

26.2.20 Onderhoud gezinsleden in het buitenland

De in Nederland alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in het buitenland verblijvende echtgenoot en/of kinderen daadwerkelijk onderhoudt, wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als een alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Pw. Als huur wordt de hier in Nederland betaalde huur in aanmerking genomen. Door toepassing van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Pw, wordt in het kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze rekening gehouden met de bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn bloed- of aanverwanten overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de werkelijke bedragen die de belastingschuldige naar het buitenland overmaakt, wordt geen rekening gehouden.

 

26.3 Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers

 

26.3.1 Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord

Voor gemeentelijke privé-belastingaanslagen voor ondernemers geldt het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren. Onder een ondernemer valt de kleine zelfstandige die geregistreerd staat als eenmanszaak zonder personeel. Indien meerdere jaren openstaan kan bij de behandeling van het kwijtscheldingsverzoek worden gevraagd om de bedrijfsgegevens van meerdere jaren.

 

Kwijtschelding voor gemeentelijke zakelijke aanslagen voor ondernemers vindt alleen plaats bij een saneringsakkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot gedeeltelijke betaling van de schuld tegen finale kwijting, tenzij de raad op grond van artikel 28, eerste lid, letter b van de regeling anders heeft besloten. Deze kwijtschelding komt pas aan de orde nadat alle gestelde zekerheden zijn uitgewonnen.

 

Ook als er geen andere schuldeisers zijn of alleen speciale crediteuren als bedoeld in artikel 26.3.8 van deze leidraad kan de invorderingsambtenaar kwijtschelding verlenen. De invorderingsambtenaar zal bij dergelijke saneringsverzoeken de volgende twee aspecten meewegen in de beoordeling van het verzoek:

  • 1.

    Kan de belastingschuldige een verwijt worden gemaakt ter zake van het onbetaald blijven van de belastingschulden (zie artikel 8 van de regeling en artikel 26.1.9 van deze leidraad)?

  • 2.

    Is er sprake van een situatie waarin de belastingschuldige de invorderingsambtenaar als enig schuldeiser heeft overgelaten door de andere schuldeisers bij voorrang te voldoen (zie artikel 26.3.5 van deze leidraad)? De voorwaarden van artikel 22 van de regeling voor medewerking van de invorderingsambtenaar aan een saneringsakkoord zijn voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.

26.3.2 Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers

Voordat de invorderingsambtenaar toetreedt tot een saneringsakkoord gaat hij na of de mogelijkheid bestaat (een) derde(n) aansprakelijk te stellen voor onbetaald gebleven belastingschuld. Als de te verwachten opbrengst uit de aansprakelijkstelling betere perspectieven biedt dan het aanbod tot een saneringsakkoord, dan treedt de invorderingsambtenaar niet toe tot het akkoord.

 

Bij toetreding tot een saneringsakkoord kan de invorderingsambtenaar er van afzien derden alsnog aansprakelijk te stellen. In dat geval moet bij de vaststelling van het bedrag dat aan de invorderingsambtenaar moet worden voldaan rekening worden gehouden met het bedrag dat uit de aansprakelijkstelling geïnd had kunnen worden.

 

Als de invorderingsambtenaar toetreedt tot een saneringsakkoord en daarnaast nog derden aansprakelijk stelt, blijft bij de vaststelling van het bedrag dat in het akkoord moet worden voldaan een (eventuele) opbrengst uit de aansprakelijkstelling buiten beschouwing.

 

In de situatie dat de aansprakelijkgestelde zijn regresrecht op de gesaneerde onderneming uitoefent en het bedrijf daardoor opnieuw in moeilijkheden komt, eist de invorderingsambtenaar niet dat de onderneming het ontstane tekort alsnog aanvult. Als later blijkt dat de aansprakelijkgestelde niet kan betalen, eist de invorderingsambtenaar evenmin het ontstane tekort op.

 

26.3.3 Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord

De invorderingsambtenaar verleent geen medewerking aan een saneringsakkoord waarbij één of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet wordt voldaan niet kwijtschelden maar overdragen aan een derde of omzetten in aandelenkapitaal.

 

26.3.4 Toepassingsbereik saneringsakkoord

Bij de beoordeling van het aangeboden saneringsakkoord bekijkt de invorderingsambtenaar welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden betrokken. Uitgangspunt hierbij is de formele belastingschuld ten tijde van het verzoek.

 

Bij de behandeling van het aangeboden akkoord is het de taak van de belastingschuldige/ondernemer er voor te zorgen dat de formele schuld zo nauwkeurig mogelijk overeenstemt met de materiële schuld. Als de belastingschuldige niet de gegevens overlegt die (kunnen) leiden tot een juiste vaststelling van de verschuldigde belasting, is er geen aanleiding voor de invorderingsambtenaar toe te treden tot het aangeboden akkoord.

 

De gemeente heeft de inspanningsverplichting om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen en de eventueel nog (materieel) verschuldigde belastingen over tijdvakken tot aan het tijdstip waarop het verzoek om sanering is ingediend, te formaliseren.

 

26.3.5 Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

26.3.6 Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord

Bestuurlijke boeten moeten ook integraal in het akkoord worden betrokken. Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden afgewerkt voordat tot sanering kan worden overgegaan. Daarna past de invorderingsambtenaar het akkoordpercentage toe op de belastingschuld én op de bestuurlijke boete.

 

26.3.7 Rente en kosten en saneringsakkoord

De invorderingsambtenaar betrekt invorderingskosten integraal in het akkoord. Het bedrag dat op basis van het akkoord is betaald, wordt in afwijking van artikel 7 van de wet op de hoofdsom afgeboekt. De invorderingsambtenaar vermeldt dit in de beschikking.

 

26.3.8 Speciale crediteuren en saneringsakkoord

Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij niet noodzakelijkerwijs tot een akkoord hoeven toe te treden om (een deel van) de vordering die zij hebben te kunnen innen. Tot die crediteuren behoren onder meer pandhouders, leveranciers die de eigendom van de geleverde zaak/zaken hebben voorbehouden en dwangcrediteuren. Onder deze laatste categorie worden crediteuren verstaan die niet bereid zijn aan een akkoord mee te werken terwijl de onderneming zonder hen niet verder kan werken. Hiermee vergelijkbaar is de adviseur/boekhouder die de stukken moet produceren die voor de beoordeling van het aanbod nodig zijn. Bij de beoordeling van het akkoord houdt de invorderingsambtenaar rekening met de volledige betaling van de vordering van de adviseur/boekhouder.

 

26.3.9 Betaling bedrag saneringsakkoord

Betaling van het bedrag van het saneringsakkoord vindt in beginsel zonder uitstel plaats. De invorderingsambtenaar kan echter toestaan dat het bedrag in termijnen wordt betaald. Dit kan enkel indien de belastingschuldige een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent en aannemelijk maakt dat de hier bedoelde termijnbetalingen, evenals de nieuw opkomende fiscale verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen.

 

In het geval de invorderingsambtenaar betaling in termijnen heeft toegestaan, treedt hij voorwaardelijk toe tot het akkoord. Op de betalingsregeling voor het bedrag van het saneringsakkoord zijn de artikelen 25.6.1 en 25.6.2 van toepassing met dien verstande dat in afwijking van:

  • -

    artikel 25.4.3 van deze leidraad geen verrekening plaatsvindt van belastingteruggaven en andere teruggaven voor zover die materieel zijn ontstaan na de dag waarop het verzoek tot het sluiten van het saneringsakkoord is ingediend;

  • -

    artikel 25.6.1 van deze leidraad de looptijd van twaalf maanden aanvangt op de dag na de dagtekening van de voorwaardelijke beschikking tot kwijtschelding;

  • -

    artikel 25.6.2 van deze leidraad de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen, waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen, niet alleen gedurende de uitstelregeling, maar gedurende de gehele looptijd van de saneringsprocedure nakomt;

  • -

    artikel 25.6.2 van deze leidraad de belastingschuldige geen zekerheid hoeft te stellen.

Kwijtschelding wordt pas verleend indien het saneringsakkoord in al zijn onderdelen is nagekomen.

 

26.4 Administratief beroep

 

26.4.1 Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding

Als de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van de invorderingsambtenaar op het verzoek om kwijtschelding, kan hij binnen tien dagen na de dagtekening van de afwijzende beschikking een gemotiveerd beroepschrift richten tot het college. Het beroepschrift wordt ingediend bij de invorderingsambtenaar. In verband met het aan het college uit te brengen advies zendt de invorderingsambtenaar zo nodig opnieuw een verzoekformulier aan de belastingschuldige toe.

 

Als de belastingschuldige het nader toegezonden verzoekformulier niet terugzendt, stelt de invorderingsambtenaar hem in de gelegenheid dit alsnog te doen. Als de belastingschuldige hieraan geen gevolg geeft, stelt de invorderingsambtenaar het college daarvan in kennis. De invorderingsambtenaar adviseert het college dan om niet aan het beroepschrift tegemoet te komen.

 

26.4.2 Herhaald verzoek om kwijtschelding

De invorderingsambtenaar merkt een herhaald verzoek om kwijtschelding aan als een beroepschrift dat gericht is aan het college. Als de invorderingsambtenaar zelf aanleiding ziet om een gunstigere beslissing te nemen dan in zijn eerdere beschikking, handelt hij het herhaalde verzoek zelf af.

 

De invorderingsambtenaar behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een eerste verzoek als het verzoek is afgewezen als gevolg van een duidelijke, ambtelijke fout.

 

In deze gevallen kan de belastingschuldige na de beslissing van de invorderingsambtenaar een beroepschrift indienen bij het college.

 

26.4.3 Beroepsfase kwijtschelding

Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, verzoekt de invorderingsambtenaar de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De invorderingsambtenaar wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.

 

26.4.4 Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding

Bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om kwijtschelding zijn de gegevens en normen van belang die van toepassing waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Wanneer echter blijkt dat het inkomen van de belastingschuldige (en diens eventuele echtgenoot) ten opzichte van het eerste verzoek zodanig is gedaald dat de betalingscapaciteit destijds in belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening plaats. Ook wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag en zorgtoeslag kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening vindt niet plaats bij wijzigingen in de kosten van bestaan.

 

26.4.5 Beslissing college op beroep bij kwijtschelding

In alle gevallen waarin het college het beroep gegrond oordeelt, kan het college de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het verzoek alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder bevestiging, verbetering of vervanging van de gronden.

 

26.4.6 Invordering tijdens administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding ambtshalve behandeling beroepschrift

Als binnen de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 24 van de regeling een beroepschrift wordt ingediend, dan wordt gedurende de behandeling van dit beroepschrift gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling.

 

Indiening van het beroepschrift na de termijn van tien dagen leidt tot niet-ontvankelijkheid. Dit neemt echter niet weg dat - als het belang van de invordering zich daartegen niet verzet - van het college mag worden verwacht dat het alsnog ambtshalve de grieven die in het beroepschrift zijn aangedragen op hun waarde beoordeelt. Ook in dat geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling.

 

Of het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling verzet, hangt af van de omstandigheden. Hiervan is echter in ieder geval sprake als inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn genomen.

 

26.4.7 Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding

Als de invorderingsambtenaar nalaat om tijdig een beslissing te nemen op een verzoek om kwijtschelding, kan de belastingschuldige hiertegen beroep instellen bij het college. Hieraan is geen termijn gebonden.

 

Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de invorderingsambtenaar kwijtschelding had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de uitspraak dat de invorderingsambtenaar niet tijdig heeft beslist, maar kan het college inhoudelijk op het beroepschrift van de belastingschuldige beslissen.

 

26.5

(Vervallen)

 

26.6 Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding

Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding maar de invorderingsambtenaar voortzetting van de invordering niet gewenst vindt, wijst de invorderingsambtenaar het verzoek om kwijtschelding af. De invorderingsambtenaar neemt in die beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal treffen. Tegen het besluit van de invorderingsambtenaar om geen invorderingsmaatregelen meer te treffen staat geen administratief beroep open.

 

Als de invorderingsambtenaar besluit tot het niet meer nemen van invorderingsmaatregelen voor de nog openstaande schuld zonder dat hij daaraan voorwaarden verbindt, heeft de beslissing voor de belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen als kwijtschelding.

 

De invorderingsambtenaar kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te nemen voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele nog door de invorderingsambtenaar uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten de invordering gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel - als dit minder is - de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt. De invorderingsambtenaar neemt deze verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk op in de beschikking.

 

Als de invorderingsambtenaar besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te nemen, zal hij in zijn beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling opnemen. Anders dan kwijtschelding is een dergelijke beschikking herroepelijk. Als de belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt, neemt de invorderingsambtenaar een nieuwe beschikking waarbij hij zijn eerdere beschikking intrekt. De invorderingsambtenaar kan hiertoe pas overgaan nadat hij de belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de eerdere beschikking in te trekken en niet binnen veertien dagen alsnog aan de voorwaarden of de tijdsbepaling is voldaan.

 

26.7 Geautomatiseerde toetsing bij kwijtschelding

De gemeente maakt gebruik van de mogelijkheid van geautomatiseerde toetsing bij kwijtschelding.

 

De toetsing vindt plaats door het Inlichtingenbureau aan de hand van jaarlijks vastgestelde criteria. Deze criteria worden vastgesteld door het Ministerie van Financiën. Als op grond van deze toetsing geen recht bestaat op geautomatiseerde kwijtschelding kan in een later stadium alsnog een individueel verzoek worden ingediend.

Artikel 27 Verjaring

In aanvulling op afdeling 4.4.3 (artikelen 4:104 tot en met 4:111) Awb regelt artikel 27 van de wet enkele specifieke (aanvullende) zaken met betrekking tot verjaring:

  • -

    dat stuiting van de verjaring door de invorderingsambtenaar mogelijk is door het zenden van een schriftelijke mededeling waarin het recht op betaling ondubbelzinnig wordt voorbehouden;

  • -

    als de belastingschuldige heeft opgehouden te bestaan (oftewel: de onderneming bestaat niet meer) en er is iemand aansprakelijk gesteld voor de belastingschuld, dan treedt de aansprakelijkgestelde in de plaats van de belastingschuldige (oftewel: in dat geval kan ook de aansprakelijkheidsschuld zelfstandig worden gestuit of verlengd).

In aansluiting op afdeling 4.4.3 van de Awb en artikel 27 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    versnelde invordering en verjaring;

  • -

    aansprakelijkgestelden en verjaring;

  • -

    stuiting van de verjaring;

  • -

    uitstel van betaling en schorsing van de verjaring;

  • -

    afstand van verjaring;

  • -

    kosten en verjaring;

  • -

    verjaring van belastingteruggaven.

27.1 Versnelde invordering en verjaring

Als de invordering is aangevangen met toepassing van artikel 10 van de wet begint de verjaringstermijn te lopen op het moment dat de belastingaanslagen onmiddellijk en tot het volle bedrag invorderbaar werden. De oorspronkelijke vervaldag heeft op dat moment voor de verjaring geen belang meer.

 

27.2 Aansprakelijkgestelden en verjaring

Een aansprakelijkheidsschuld (vastgesteld door een beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag waarvoor aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van dwanginvordering en verrekening ten aanzien van de aansprakelijkheidsschuld.

 

27.3 Stuiting van de verjaring

Als de betekening van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de verjaring te stuiten, dan licht de invorderingsambtenaar de belastingschuldige in over het doel van de betekening. Deze betekening is kosteloos. Om de verjaring te stuiten kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden betekend.

 

Als de invorderingsambtenaar de verjaring van een belastingaanslag stuit door een schriftelijke mededeling, maakt hij die schriftelijke mededeling bekend aan de belastingschuldige.

 

27.4 Uitstel van betaling en schorsing van de verjaring

Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag.

 

27.5 Afstand van verjaring

Van eenmaal verkregen verjaring kan afstand worden gedaan. De invorderingsambtenaar beroept zich echter alleen op afstand van verjaring, als zonder meer duidelijk is dat de belastingschuldige daadwerkelijk bedoelt afstand van de verjaring te doen.

 

27.6 Kosten en verjaring

De op een belastingaanslag belopen kosten zijn onlosmakelijk met de belastingaanslag verbonden. Als voor een belastingaanslag de verjaring is ingetreden, laat de invorderingsambtenaar dus de invordering en verrekening ook achterwege voor de kosten.

 

27.7 Na verjaring geen civiele invordering

Na intreding van de verjaring maakt de invorderingsambtenaar geen gebruik van de mogelijkheid om een belastingschuld in te vorderen door middel van een dagvaarding.

 

27.8 Verjaring van belastingteruggaven

Voor de verjaring van belastingteruggaven geldt eenzelfde verjaringstermijn als voor belastingschulden. Na verjaring ontstaat een natuurlijke verbintenis. De invorderingsambtenaar zal een beroep op de verjaring doen, tenzij hij gerede twijfel heeft of de belastingaanslag aan de belastingschuldige is bekendgemaakt.

Artikel 27a Betalingskorting

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 28 Invorderingsrente

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikelen 28a tot en met artikel 29

Er zijn in deze leidraad op artikel 28a, 28b, 28c en 29 van de wet geen beleidsregels gemaakt.

Artikel 28c  

Er zijn in deze leidraad op artikel 28c van de wet geen beleidsregels gemaakt.

Artikel 29  

Er zijn in deze leidraad op artikel 29 van de wet geen beleidsregels gemaakt.

Artikel 30 Beschikking betalingskorting en invorderingsrente

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 31 en artikel 31a

Er zijn in deze leidraad op de artikelen 31 en artikel 31a van de wet geen beleidsregels gemaakt.

Artikel 32 Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen

Artikel 32 van de wet bepaalt dat naast de aansprakelijkheidsbepalingen die in hoofdstuk VI van de wet zijn opgenomen, de invorderingsambtenaar ook een beroep kan doen op aansprakelijkheidsbepalingen in andere wettelijke regelingen. De invorderingsambtenaar kan dus ook een beroep doen op aansprakelijkheidsbepalingen uit bijvoorbeeld het Burgerlijk Wetboek of het Wetboek van Koophandel.

 

In aansluiting op artikel 32 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    keuze aansprakelijkheid;

  • -

    gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid.

32.1 Keuze aansprakelijkheid

In situaties waarin de invorderingsambtenaar feitelijk de keuze heeft tussen de toepassing van zowel een aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als een aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt in beginsel hetgeen is vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad.

 

In de belangenafweging die aan de aansprakelijkstelling voorafgaat, wordt in beginsel doorslaggevend gewicht toegekend aan die aansprakelijkheidsbepaling waarbij de aansprakelijke in de gelegenheid is zich te disculperen.

 

32.2 Gemeenschapsschulden

De invorderingsambtenaar merkt een belastingschuld in principe aan als een gemeenschapsschuld.

Artikel 33 Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen

Artikel 33 van de wet bevat hoofdelijke aansprakelijkheidsregels die gelden voor de invordering van gemeentelijke belastingen. Deze regels dienen ertoe om, als op het in dit artikel genoemde lichaam geen verhaal meer kan worden uitgeoefend, die personen voor de nog verschuldigde belasting aan te spreken, die in een nauwe betrekking staan of stonden tot het desbetreffende lichaam en invloed (hadden) kunnen uitoefenen op het betalen van de belastingschulden.

 

In aansluiting op artikel 33 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger;

  • -

    feitelijke vestiging;

  • -

    lichaam dat is ontbonden;

  • -

    vereffenaar;

  • -

    bestuurder;

  • -

    gewezen bestuurder.

33.1 Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid

De begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ zijn dezelfde als bij de heffing van de diverse belastingen.

 

33.2 Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid

Het begrip 'gevestigd' in artikel 33, eerste lid, onderdeel b van de wet heeft een feitelijke betekenis. Waar een lichaam is gevestigd, moet worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval. De invorderingsambtenaar moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid AWR.

 

33.3 Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid

De ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid, onderdeel c van de wet doelt, kan - behalve op grond van de verschillende formele ontbindingsbepalingen - onder omstandigheden ook worden afgeleid uit handelingen van vennoten of organen van rechtspersonen.

 

Voor de berekening van de driejaarstermijn wordt de stilzwijgende ontbinding - bedoeld in de vorige volzin - geacht zich te hebben voltrokken ten tijde van het verrichten van de handelingen.

 

Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van de bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van de vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde 'leeg' maken van het lichaam.

 

33.4 Vereffenaar bij aansprakelijkheid

Niet alleen degene die met de vereffening is belast, is aansprakelijk op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c van de wet, maar ook degene die feitelijk als vereffenaar is opgetreden zonder dat van een uitdrukkelijke lastgeving sprake is.

 

De invorderingsambtenaar moet aannemelijk maken dat het niet-betalen van de belastingschuld is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van de vereffenaar. De betekenis van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur in dit lid is dezelfde als in artikel 36 van de wet.

 

33.5

(Vervallen)

 

33.6 Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid

De invorderingsambtenaar kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode hoofdelijk aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode materieel is ontstaan.

 

33.7 Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers

Bestuurders van lichamen zonder rechtspersoonlijkheid of van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is alsmede leiders van een vaste inrichting van een niet in Nederland gevestigd lichaam dan wel de in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger van dat lichaam, zijn niet aansprakelijk voor zover zij bewijzen dat de niet-betaling niet aan hen is te wijten.

 

Niet-verwijtbaarheid wordt naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld, waarbij veel afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer, hoewel hij de nodige voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn bedrijf het hoofd te bieden, toch wordt geconfronteerd met niet te voorziene calamiteiten. Daaronder is begrepen een sterk verslechterde economische situatie van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen niet meer in staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen. Ook kan plotseling betalingsonmacht ontstaan door een bijzondere gebeurtenis, bijvoorbeeld een niet voorzienbare, omvangrijke miscalculatie of door het faillissement van een belangrijke debiteur. Bij dit laatste geldt echter dat een ondernemer die zijn bedrijf uitoefent op een te zwakke financiële basis zich niet gemakkelijk op niet-verwijtbaarheid zal kunnen beroepen.

Artikelen 34 tot en met 47

Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 48 Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen

Artikel 48 van de wet regelt niet de aansprakelijkheid van de erfgenaam, maar geeft aan dat de erfgenaam - als rechtsopvolger van de erflater - niet voor alle belastingaanslagen voor het volle bedrag zal worden aangesproken.

 

In aansluiting op artikel 48 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    beneficiaire aanvaarding;

  • -

    invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege.

48.1 Beneficiaire aanvaarding

Als een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, wordt de vereffening van de boedel afgewacht, met dien verstande dat de invorderingsambtenaar maatregelen neemt ter beveiliging van zijn rechten (zie ook artikel 14.1.3 van deze leidraad).

 

Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard achterwege.

 

48.2 Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege

Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer tegen de gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden, blijft invordering ten laste van een erfgenaam van wie minder dan € 23 moet worden ingevorderd achterwege.

 

Er kan ook aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische gronden buiten invordering te laten.

Artikel 48a Aansprakelijkheid van derden voor uitbetaalde bedragen inkomstenbelasting of omzetbelasting

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 49 Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling

Artikel 49 van de wet regelt de formele bepalingen voor aansprakelijkstellingen. Het geeft aan op welke wijze een materiële aansprakelijkheid wordt omgezet in een formele aansprakelijkstelling. De bepalingen gelden niet alleen voor de in de wet opgenomen aansprakelijkheidsregels, maar gelden ook voor de aansprakelijkheid in enige andere wettelijke regeling, bijvoorbeeld in het BW en het Wetboek van Koophandel.

 

De aansprakelijkstelling vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking, en wel afzonderlijk voor een ieder die aansprakelijk wordt gesteld.

 

In aansluiting op artikel 49 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete;

  • -

    vooraankondiging aansprakelijkstelling;

  • -

    de aansprakelijkstelling - in gebreke zijn;

  • -

    informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden;

  • -

    eerst uitwinning belastingschuldige;

  • -

    volgorde van aansprakelijk stellen;

  • -

    bezwaar en uitstel van betaling.

49.1 Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete

De invorderingsambtenaar kan de beschikking aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete opnemen in dezelfde brief waarbij hij ook de beschikking voor de aansprakelijkstelling voor de belastingschuld bekendmaakt. De invorderingsambtenaar moet dan in de beschikking de gronden vermelden waarop de aansprakelijkstelling voor de boete berust.

 

Als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om de gronden, waarop het voornemen tot een aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete berust, te betwisten of de invorderingsambtenaar is van oordeel dat de betwisting van de aansprakelijke ongegrond is, dan zal hij de derde daarvan op de hoogte stellen en overgaan tot aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete op de voet van artikel 49, eerste lid van de wet.

 

49.2 Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

49.2a Vooraankondiging aansprakelijkstelling

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

49.3 De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn

 

49.3.1 Wanneer in gebreke

De belastingschuldige is in gebreke als de betaling van zijn belastingschuld niet heeft plaatsgevonden binnen de betalingstermijn die voor de belastingaanslag geldt.

 

49.3.2 In gebreke zijn en versnelde invordering

De belastingschuldige wordt ook geacht in gebreke te zijn als de belastingaanslag op grond van artikel 10 van de wet terstond invorderbaar is.

 

49.3.3 In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’

Als de invorderingsambtenaar aan de belastingschuldige een beschikking heeft gestuurd waarin hij toezegt geen verdere invorderingsmaatregelen tegen de belastingschuldige meer te nemen, kan een derde nog wel voor de desbetreffende belastingschuld aansprakelijk worden gesteld, mits die mogelijkheid uitdrukkelijk in de beschikking is vermeld.

 

49.4 Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

49.5 Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden

Op grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid van de wet moet de invorderingsambtenaar de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte stellen van de gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.

 

Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden verstrekt, behoren in elk geval de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb. Hieronder worden verstaan alle stukken die bij het nemen van het besluit een rol hebben gespeeld. Naast de gegevens die zijn vastgelegd in de genoemde stukken moeten desgevraagd ook andere gegevens worden verstrekt, mits die gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep.

 

De gegevens worden - na een daartoe strekkend verzoek van de aansprakelijk gestelde - vooruitlopend op het indienen van een bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt.

 

Hoewel artikel 49, zesde lid van de wet betrekking heeft op de gegevens over de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich daartoe niet beperkt, maar mede betrekking heeft op (alle) andere aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing. Voorwaarde is wel dat deze gegevens hetzij gerekend kunnen worden tot de stukken die op de zaak betrekking hebben als hiervoor genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop volgende beslissingen.

 

49.6 Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige

De invorderingsambtenaar zal zich in beginsel eerst verhalen op vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning van de vermogensbestanddelen van de aansprakelijkgestelde, tenzij zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 14.1.4, laatste volzin van deze leidraad.

 

49.7 Volgorde van aansprakelijk stellen

Als de invorderingsambtenaar een derde aansprakelijk kan stellen op grond van meer dan één fiscale of civielrechtelijke aansprakelijkheidsbepaling, dan hoeft hij daarbij geen volgorde in acht te nemen. Hetzelfde geldt als de invorderingsambtenaar verscheidene derden op grond van dezelfde dan wel op grond van verschillende aansprakelijkheidsbepalingen aansprakelijk kan stellen. Dit geldt niet in de gevallen waarvoor in de wet of deze leidraad anders is bepaald.

 

49.8 Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling

 

49.8.1 Bezwaar en uitstel van betaling

Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling wordt tevens aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling.

 

49.8.2

(Vervallen)

 

49.9

(Vervallen)

Artikel 50  

(Vervallen)

Artikel 51 Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 52 Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling

Op grond van artikel 52, eerste lid van de wet heeft de aansprakelijkgestelde een betalingstermijn van zes weken na dagtekening van de beschikking van de aansprakelijkstelling. Als na het verstrijken van deze termijn geen betaling heeft plaatsgevonden en geen bezwaarschrift tegen de beschikking is ingediend, is het in de beschikking vermelde bedrag invorderbaar.

 

In aansluiting op artikel 52 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over vermindering van de belastingaanslag.

 

52.1 Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling

Als de inspecteur de aanslag vermindert, past de invorderingsambtenaar het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking aan voor zover dat voortvloeit uit de vermindering en deelt dat mee aan de aansprakelijkgestelde.

Artikel 53 Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding

De invorderingsambtenaar heeft op grond van het bepaalde in artikel 53 recht om ook de regels voor de verrekening (artikel 24 van de wet met uitzondering van het derde lid) toe te passen voor een aansprakelijkgestelde. Dit leidt ertoe dat een openstaande aansprakelijkheidsschuld kan worden verrekend met een aan de aansprakelijkgestelde uit te betalen bedrag.

 

Als de aansprakelijkgestelde niet in staat is - anders dan met buitengewoon bezwaar - de belastingschuld waarvoor hij aansprakelijk is gesteld geheel of gedeeltelijk te voldoen, dan kan aan hem en op zijn verzoek ontslag van betalingsverplichting worden verleend.

 

In aansluiting op artikel 53 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld;

  • -

    ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid.

53.1 Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld

Een aansprakelijkheidsschuld is niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag waarvoor aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsschuld.

 

53.2 Ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid

De invorderingsambtenaar verleent geen ontslag van betalingsverplichting als sprake is van verwijtbaarheid van de kant van de aansprakelijk gestelde. Dit volgt uit artikel 8, eerste lid, onderdeel a van de regeling. De vraag of sprake is van verwijtbaarheid beoordeelt de invorderingsambtenaar op basis van gedragingen van de aansprakelijk gestelde.

Artikelen 54 tot en met 57

Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 58 Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde

Artikel 58 van de wet regelt de verplichting voor de belastingschuldige en de aansprakelijkgestelde tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen en het ter beschikking stellen van gegevensdragers die voor de invordering van de 'eigen' belastingschulden van belang zijn.

 

Verder regelt artikel 58 van de wet de identificatieverplichting tegenover de invorderingsambtenaar.

Onder de gegevens die voor de invordering van de 'eigen' belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de invorderingsambtenaar nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk kan stellen.

 

In aansluiting op artikel 58 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure;

  • -

    gegevens voor invordering ‘eigen’ belastingschulden.

58.1 Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure

Het is de invorderingsambtenaar niet toegestaan een invorderingsonderzoek te doen instellen, nadat de rechter de invorderingsambtenaar in de gelegenheid heeft gesteld bewijs te leveren voor in een procedure aangevoerde stellingen, indien en voor zover dat onderzoek wordt ingesteld om gegevens te verwerven om dat bewijs te kunnen leveren.

 

58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden

Onder gegevens die voor de invordering van de ‘eigen’ belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de invorderingsambtenaar nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk kan stellen.

 

58.3 Invorderingsonderzoek tijdens faillissement

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 59 Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 60 Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen

Artikel 60 van de wet regelt de formele bepalingen voor de informatieverplichtingen.

 

In aansluiting op artikel 60 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    het stellen van een redelijke termijn voor verstrekken van informatie;

  • -

    de kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen.

60.1 Redelijke termijn voor verstrekken van informatie

De invorderingsambtenaar stelt een redelijke termijn voor het verstrekken van de gegevens en inlichtingen of het ter beschikking stellen van de gegevensdragers. Als de invorderingsambtenaar belang heeft bij een spoedige verstrekking of beschikbaarstelling kan deze termijn ook terstond zijn.

 

60.2 Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen

Als de opgevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden verstrekt, herhaalt de invorderingsambtenaar zijn verzoek en vordert hij op basis van artikel 60, eerste lid van de wet correcte en concrete gegevens.

Artikel 61 Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen

Artikel 61 van de wet bepaalt voor de in de artikelen 58, 59 en 60 van de wet opgenomen verplichtingen dat niemand zich op geheimhouding kan beroepen, zelfs niet als die geheimhoudingsverplichting bij wettelijk voorschrift zou zijn opgelegd.

In aansluiting op artikel 61 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over niet van de administratie gescheiden (beroeps-)vertrouwelijke gegevens.

 

61.1 Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke gegevens

De invorderingsambtenaar heeft alleen belang bij die gegevens en inlichtingen en gegevensdragers die hem inzicht verschaffen in de financiële positie van de belastingschuldige.

 

Doorgaans zijn de beroepsvertrouwelijke gegevens en de financiële gegevens gescheiden. Als het onvermijdelijk is dat de invorderingsambtenaar privacygegevens onder ogen krijgt, vormt dit geen grond om de verstrekking van gegevens of de beschikbaarstelling van gegevensdragers te weigeren. De invorderingsambtenaar is op grond van artikel 67, eerste lid van de wet gehouden tot geheimhouding van die gegevens.

Artikelen 62 tot en met 66

Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 67 Geheimhoudingsplicht

Artikel 67 van de wet regelt de geheimhoudingsplicht. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt als:

  • -

    bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk voorschrift;

  • -

    sprake is van structurele gegevensverstrekking aan bestuursorganen die bij ministeriële regeling (voor de gemeente geldt: bij besluit van het college) zijn aangewezen;

  • -

    de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige zelf voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.

Daarnaast kan het college op grond van het derde lid ontheffing van de geheimhoudingsplicht verlenen.

 

In aansluiting op artikel 67 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

  • -

    bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf;

  • -

    informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen.

67.1 Bekendmaking aan de belastingschuldige

De geheimhoudingsplicht geldt niet voor de bekendmaking van gegevens aan degene op wie zij betrekking hebben (de belastingschuldige) voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Ook het verstrekken van informatie over belastingschulden aan de belastingschuldige zelf valt niet onder de geheimhoudingsplicht. Onder belastingschuldige moet hier mede worden verstaan: diens vertegenwoordiger, curator, bewindvoerder of erfgenaam.

 

67.2 Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering

De geheimhoudingsplicht geldt niet voor zover de bekendmaking van gegevens noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet. Dat laatste moet ruim worden opgevat. Als bekendmaking van belang is voor de invordering van de verschuldigde belasting (aanslag) of een aansprakelijkheidsbeschikking, kan de bekendmaking (aan derden) plaatsvinden zonder dat daarmee de geheimhoudingsplicht wordt geschonden.

 

67.3 Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikelen 68 tot en met 72

De bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 73 Insolventieprocedures

In dit artikel is het volgende beleid over insolventieprocedures opgenomen:

  • -

    de algemene uitgangspunten insolventieprocedures;

  • -

    insolventieprocedure en wettelijke schuldsanering;

  • -

    insolventieprocedure en surseance;

  • -

    insolventieprocedure en faillissement;

  • -

    insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door leden van de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren ("NVVK") of gemeenten;

  • -

    insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten;

  • -

    insolventieprocedures en akkoorden;

  • -

    wettelijk breed moratorium.

73.1 Algemene uitgangspunten insolventieprocedures

 

73.1.1 Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement

Uiterlijk veertien dagen vóór de verificatievergadering meldt de invorderingsambtenaar zijn vorderingen ter verificatie aan bij de bewindvoerder. Daarbij wordt er van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak worden geheven, geacht worden van dag tot dag te ontstaan.

 

Voor het indienen van vorderingen in het faillissement wordt verwezen naar artikel 19.2 van deze leidraad.

 

73.1.2 Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement

Aansprakelijkstelling voor belastingaanslagen tijdens zowel het faillissement als tijdens de WSNP is mogelijk.

 

73.1.3 Boedelschulden

De invorderingsambtenaar ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator worden voldaan. Als belastingschulden die als boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de invorderingsambtenaar zich in beginsel eerst tot de curator teneinde informatie te verkrijgen over de toestand van de boedel en zo mogelijk langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de invorderingsambtenaar zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de invorderingsambtenaar rechtstreeks verhaal zoeken op de boedel.

 

Het voorgaande is ook van toepassing bij een wettelijke schuldsaneringsregeling.

 

Bij de invordering van boedelschulden kan de invorderingsambtenaar tijdens de WSNP niet het faillissement van de schuldenaar aanvragen.

 

Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in het faillissement.

 

73.1.4 Proceskostengarantie

Als de curator een gerechtelijke procedure moet aanspannen om een bate voor de boedel te kunnen realiseren, en de aanwezige baten van de boedel niet toereikend zijn om de proceskosten te voldoen, kan de curator bij de invorderingsambtenaar een gemotiveerd verzoek indienen om garantstelling voor het bedrag dat niet uit de boedel kan worden voldaan. In zo’n geval verwijst de invorderingsambtenaar de curator naar de invorderingsambtenaar van de Rijksbelastingdienst. Dit geldt ook als een WSNP-bewindvoerder de invorderingsambtenaar om garantstelling vraagt.

 

73.1.5 Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

73.1.6 Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

73.1.7 Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

73.1.8 Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP

Zie voor uitstel van betaling in relatie tot faillissement en WSNP artikel 25.1.4 en artikel 25.4.4 van deze leidraad.

 

73.1.9 Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP

Zie voor kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP artikel 26.1.9 van deze leidraad.

 

73.1.10 Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot faillissement en WSNP

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

73.1.11 Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

73.1.12 Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

73.2 Insolventieprocedure en WSNP

 

73.2.1 Kwijtschelding tijdens WSNP

Voor de situatie dat een belastingschuldige, ten aanzien van wie de WSNP van toepassing is verklaard, verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, wordt verwezen naar artikel 26.2.17 van deze leidraad.

 

73.2.2 De WSNP is beëindigd met een schone lei

Belastingvorderingen waarop de WSNP van toepassing is en voor zover die na de beëindiging op grond van artikel 356, tweede lid FW onvoldaan zijn gebleven, zijn aan te merken als natuurlijke verbintenissen ongeacht of de vorderingen door de invorderingsambtenaar bij de bewindvoerder zijn aangemeld.

 

De invorderingsambtenaar kan belastingteruggaven, die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd en die betrekking hebben op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de WSNP, verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd.

 

Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de invorderingsambtenaar derden nog aansprakelijk stellen voor niet-betaalde belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten worden aangemerkt.

 

73.2.3 De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokken

De WSNP kan ook eindigen zonder schone lei (artikel 358, tweede lid FW) en de reeds verstrekte schone lei kan worden ingetrokken (artikel 358a, eerste lid FW). In die situaties kan de invorderingsambtenaar de invordering hervatten.

 

73.2.4 De WSNP is tussentijds beëindigd

Als een schuldsaneringsregeling tussentijds wordt beëindigd in de zin van artikel 350, vijfde lid FW, blijft omzetting in faillissement achterwege als er geen baten beschikbaar zijn. In die situatie geldt het invorderingsbeleid voor natuurlijke personen bij opheffing van een faillissement wegens gebrek aan baten.

73.3 Insolventieprocedure en surseance

 

73.3.1 Uitstel en surseance

Voor uitstel van betaling in relatie tot surseance wordt verwezen naar artikel 25.1.4 en 25.4.4 van deze leidraad.

 

Voor kwijtschelding in relatie tot surseance wordt verwezen naar artikel 26.1.9 van deze leidraad.

 

73.3.2 Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surseance

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

73.4 Insolventieprocedure en faillissement

 

73.4.1 Faillissementsaanvraag: algemeen

De belastingaanslag(en) waarvoor de invorderingsambtenaar het faillissement aanvraagt, moet(en) onherroepelijk vaststaan of in redelijkheid materieel verschuldigd worden geacht. Een faillissementsaanvraag blijft achterwege als de belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht van korte duur is.

 

73.4.2 Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag

Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent, en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig en ook niet te verwachten zijn, dan wordt de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die moeten leiden tot ontbinding van die rechtspersoon conform artikel 2:19a BW boven het aanvragen van het faillissement van die rechtspersoon.

 

73.4.3 Particulieren en faillissement

Het aanvragen van het faillissement van een particulier blijft achterwege als wordt verwacht dat de invorderingsambtenaar de eventuele vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement kan uitwinnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan.

 

Particulieren zijn in dit verband natuurlijke personen die niet een onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan het voor de invorderingsambtenaar niet aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen.

 

Voor zover de openstaande belastingschulden het gevolg zijn van bedrijfsvoering of uitoefening van een zelfstandig beroep, worden natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening hebben gestaakt in dit verband niet beschouwd als particulieren.

 

73.4.4 Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag

Als de belastingschuldige - voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen - een verzoek om kwijtschelding doet, dan wel een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt (een en ander in de zin van artikel 73.6 van deze leidraad), dan zal de invorderingsambtenaar de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een nader oordeel te onderwerpen.

 

Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek dan wel het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren. Er wordt ook van afgeweken als het aanbod onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid opgenomen saneringsbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de invorderingsambtenaar het verzoek dan wel het aanbod bij beschikking gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.

 

73.4.5 Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechter

Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling doet, voordat de rechtbank de faillissementsaanvraag in behandeling heeft genomen, dan zal de invorderingsambtenaar de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek aan een nader oordeel te onderwerpen.

 

De invorderingsambtenaar doet dit niet als duidelijk is dat het verzoek louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren, of als het verzoek onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde uitstelbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de invorderingsambtenaar het verzoek bij beschikking gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.

 

73.4.6 Toestemming voor faillissementsaanvraag

De invorderingsambtenaar moet voor iedere faillissementsaanvraag schriftelijk toestemming van het college hebben. Het voorgaande geldt ook voor in hoger beroep te voeren zaken over een faillissementsaanvraag.

 

73.4.7 Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag

Als de invorderingsambtenaar bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil maken van de vordering van een derde als zogenoemde steunvordering, doet hij dit alleen als de derde schriftelijk te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.

 

73.4.8 Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag

Voor het verstrekken van de gegevens van de belastingschuldige geldt niet hetgeen in artikel 73.4.1 tot en met 73.4.7 is vermeld met betrekking tot een faillissementsaanvraag door de invorderingsambtenaar.

 

Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het college vereist, als het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden. De gegevens worden uitsluitend schriftelijk verstrekt.

 

Als de invorderingsambtenaar zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van de belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de belastingschuld als steunvordering, dan geldt wel hetgeen is vermeld in artikel 73.4.1, 73.4.3, 73.4.6 en 73.4.7 van deze leidraad. In dat geval is dus ook toestemming van het college vereist.

 

73.4.9 Verzet tegen faillietverklaring

Als de invorderingsambtenaar gebruik wil maken van de mogelijkheid tot verzet tegen de faillietverklaring als bedoeld in artikel 10 FW heeft hij hiervoor toestemming van het college nodig.

 

73.4.10 Beroep op regresrecht in faillissement

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

73.4.11 Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement

Voor toezending of uitreiking van het aanslagbiljet ingeval van faillissement wordt verwezen naar artikel 8.1 van deze leidraad.

 

73.4.12 Opkomen in faillissement

Van de bevoegdheid op grond van artikel 19 van de wet om van de curator dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen wordt verwezen naar artikel 19.2.3 van deze leidraad.

 

73.4.13 Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

73.4.14 Na de toepassing van het faillissement

De invorderingsambtenaar maakt in beginsel geen gebruik van de bevoegdheid van artikel 196 FW, om na de beëindiging van een faillissement het proces-verbaal van de verificatievergadering voor het onbetaald gebleven bedrag tegen de schuldenaar te executeren. Als er wel aanleiding tot invordering bestaat, doet de invorderingsambtenaar dit zoveel mogelijk bij dwangbevel.

 

Bij natuurlijke personen hervat de invorderingsambtenaar slechts in bijzondere omstandigheden de invordering na beëindiging van het faillissement. Deze omstandigheden doen zich onder andere voor als de betrokkene binnen vijf jaar na het faillissement beschikt over een meer dan modaal inkomen of over vermogensbestanddelen van substantiële waarde.

 

Als na beëindiging van het faillissement daaruit ontvangen gelden moeten worden terugbetaald, treedt de invorderingsambtenaar in verband met artikel 194 FW in overleg met de curator.

 

73.4.15 Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

73.4.16 Omzetting faillissement in WSNP

Als omzetting van een faillissement in een wettelijke schuldsaneringsregeling mogelijk is, toetst de invorderingsambtenaar - als de schuldenaar hier uitdrukkelijk om verzoekt - een door de schuldenaar in het faillissement aangeboden akkoord aan het beleid ingevolge de artikelen 19a en 22a van de regeling.

 

73.5 Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of gemeenten

 

73.5.1 Voorwaarden voor MSNP

Stabilisatiefase

Een schuldhulpverleningstraject vangt in het algemeen aan met een stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de schuldhulpverlener als hierna bedoeld in onderdeel b. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een stabilisatie-overeenkomst gelijkgesteld een schriftelijke mededeling van de schuldhulpverlener waarin staat dat hij activiteiten ontplooit die erop gericht zijn de financiële situatie van de schuldenaar op korte termijn te stabiliseren.

 

Vanaf de ontvangst van een afschrift van de stabilisatie-overeenkomst neemt de invorderingsambtenaar gedurende maximaal 240 dagen geen dwanginvorderingsmaatregelen. De invorderingsambtenaar schort lopende invorderingsmaatregelen op, zo nodig in overleg met de schuldhulpverlener. Daarnaast vindt verrekening alleen plaats met belastingteruggaven die (materieel) zijn ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen

 

Het in deze alinea beschreven terughoudende beleid geldt niet in situaties waarin op voorhand duidelijk is dat de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor uitstel van betaling op basis van het hierna in dit artikel beschreven beleid. De invorderingsambtenaar informeert de schuldhulpverlener hierover.

 

Schuldregelingsovereenkomst

Nadat de schuldhulpverlener de ontvanger schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling tot stand is gekomen, verleent de ontvanger uitstel van betaling voor een periode van maximaal 36 maanden als:

  • a.

    een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK tot stand is gekomen of een overeenkomst tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft als die gedragscode en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen;

  • b.

    de schuldhulpverlener lid is van de NVVK of de schuldregeling wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer (zie ook artikel 73.5a);

  • c.

    de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers;

  • d.

    redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige - afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten worden - in aanmerking zou komen voor de toepassing van een schuldregeling als bedoeld in artikel 287a FW;

  • e.

    aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering.

Op basis van de voorwaarde onder c is de betreffende regeling ook van toepassing op een ex-ondernemer, als aannemelijk is dat hij in de toekomst geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep zal uitoefenen.

 

Het uitstel vangt aan met ingang van de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Na totstandkoming van een schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener of een schuldregeling met de schuldeisers tot stand kan worden gebracht. De schuldhulpverlener streeft ernaar dit onderzoek af te ronden binnen 120 dagen, maar uiterlijk binnen 240 dagen, gerekend vanaf de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Wanneer de schuldregeling met de schuldeisers tot stand is gebracht, zet de schuldhulpverlener de schuldregelingsovereenkomst voort; hij stelt de schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt de schuldhulpverlener niet tijdig in het tot stand brengen van de schuldregeling, dan beëindigt hij de schuldregelingsovereenkomst.

 

Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvan in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend.

 

De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag van de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst en is definitief in die zin dat daarop van de zijde van de invorderingsambtenaar in beginsel niet meer kan worden teruggekomen. In voorkomend geval wordt het bedrag van de verschuldigde belastingen door middel van schatting bepaald. In het geval de in de vorige volzin bedoelde schatting naar achteraf blijkt substantieel te laag mocht zijn, kan de invorderingsambtenaar daarop alleen terugkomen indien ter zake van die belasting ten tijde van de schatting ten onrechte geen aangifte was gedaan dan wel indien de belastingschuldige of de schuldhulpverlener wisten of behoorden te weten dat de schatting te laag was.

 

73.5.2

(Vervallen)

 

73.5.3 Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen

Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra een schuldregeling tussen de schuldenaar en diens schuldeisers tot stand is gekomen (en de schuldregelingsovereenkomst dus wordt voortgezet).

 

Verrekening kan plaatsvinden met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.

 

73.5.4 Houding invorderingsambtenaar tijdens uitstel MSNP

Als sprake is van een verleend uitstel van betaling op grond van een schuldregelingsovereenkomst, handelt de invorderingsambtenaar gedurende de periode van uitstel op dezelfde wijze als bij een wettelijke schuldsaneringsregeling.

 

Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van belastingschulden die materieel zijn ontstaan na de dag van de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid.

 

Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de in artikel 13 van de regeling bedoelde betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder het financieel beheer door de schuldhulpverlener valt. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die onder financieel beheer van de schuldhulpverlener berusten, niet worden beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.

 

73.5.5 Intrekken uitstel gedurende MSNP

De invorderingsambtenaar trekt het uitstel in als:

  • -

    hij niet uiterlijk binnen 240 dagen na de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst door de schuldhulpverlener schriftelijk is geïnformeerd dat de schuldregelingsovereenkomst wordt voortgezet;

  • -

    de schuldenaar nieuw opkomende belastingschulden die (materieel) betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag van de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, onbetaald laat;

  • -

    de schuldenaar zijn lopende fiscale verplichtingen niet nakomt;

  • -

    de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te benadelen;

  • -

    de schuldregelingsovereenkomst wordt beëindigd, anders dan wordt beschreven in artikel 73.5.6 van deze leidraad.

Het uitstel wordt in de situatie genoemd bij het eerste gedachtestreepje niet ingetrokken als blijkt dat een verzoek om een schuldregeling, als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet, is ingediend bij de rechter. De ontvanger trekt het uitstel in deze situatie niet eerder in, dan nadat de rechter heeft beslist op het verzoek.

 

De invorderingsambtenaar trekt het uitstel in de situaties genoemd bij de eerste vier gedachtestreepjes niet eerder in, dan nadat hij de schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het uitstel in te trekken als belastingschuldige niet binnen veertien dagen zijn verplichtingen correct nakomt.

 

73.5.6 De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP

Als de invorderingsambtenaar uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van de MSNP, wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener na afloop van de overeenkomst tot schuldregeling aangemerkt als het aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a van de regeling.

 

In de kennisgeving moet zijn gesteld dat de overeenkomst na eindcontrole is beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Voor de gevolgen van een buitengerechtelijk akkoord wordt verwezen naar artikel 73.6.3 van deze leidraad.

 

73.5.7 Na de toepassing van de MSNP

Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben op de periode waarin de MSNP van toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging van die regeling, zal de invorderingsambtenaar in beginsel, als de schuldenaar aan zijn verplichtingen uit die regeling heeft voldaan, afzien van invordering.

Artikel 73.5a Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten

 

Algemeen

Verzoeken om een minnelijke schuldsaneringsregeling gedaan door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid Wet op het consumentenkrediet, niet zijnde een NVVK-lid of een gemeente, worden in behandeling genomen met inachtneming van het volgende.

 

De invorderingsambtenaar zal een belangenafweging moeten maken en zich daarbij moeten afvragen of hij al dan niet tot instemming met de schuldregeling kan komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van de schuldenaar dat door die weigering wordt geschaad. Artikel 73.5 is daarbij van overeenkomstige toepassing. Dit betekent onder meer dat de schuldregeling betrekking moet hebben op natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers.

 

Bij die belangenafweging zullen de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen:

  • 1.

    Is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd?

  • 2.

    Is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht?

  • 3.

    Biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar?

  • 4.

    Biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de invorderingsambtenaar en hoe groot is de kans dat de invorderingsambtenaar dan evenveel of meer zal ontvangen?

  • 5.

    Bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen?

  • 6.

    Wat is de zwaarte van het financiële belang dat de invorderingsambtenaar heeft bij volledige nakoming?

  • 7.

    Hoe groot is het aandeel van de weigerende invorderingsambtenaar in de totale schuldenlast?

  • 8.

    Staat de weigerende invorderingsambtenaar alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers?

  • 9.

    Is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen?

Als uit de belangenafweging volgt dat kan worden ingestemd met een dergelijk verzoek dan verleent de invorderingsambtenaar op het moment van het ingaan van de schuldregeling voor 36 maanden uitstel van betaling.

 

73.6 Insolventieprocedures en akkoorden

 

73.6.1 Buitengerechtelijk akkoord

In het tweede lid van de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn bepalingen opgenomen die de doelstellingen van de WSNP - namelijk het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord met de gezamenlijke schuldeisers over de sanering van de schulden zonder tussenkomst van een rechter - ook voor de gemeente laten gelden.

 

Een ieder kan een verzoek tot het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord indienen.

 

73.6.2

(Vervallen)

 

73.6.2a. Betaling bedrag saneringsakkoord

Betaling van het bedrag van het saneringsakkoord vindt in beginsel zonder uitstel plaats. De invorderingsambtenaar kan toestaan dat het bedrag in termijnen wordt betaald. Dit kan enkel indien belastingschuldige een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent en aannemelijk maakt dat de termijnen, bedoeld in de tweede volzin, evenals de nieuw opkomende fiscale verplichtingen tijdig zullen worden nagekomen. In dat geval treedt de invorderingsambtenaar voorwaardelijk toe tot het akkoord.

 

Op de uitstelregeling voor het bedrag van het saneringsakkoord zijn de artikelen 25.6.1 en 25.6.2 van toepassing met dien verstande dat in afwijking van:

  • -

    artikel 25.4.3 van deze leidraad geen verrekening plaatsvindt van belastingteruggaven en andere teruggaven die materieel zijn ontstaan na de dag waarop het verzoek tot het sluiten van het saneringsakkoord is ingediend;

  • -

    artikel 25.6.1 van deze leidraad de looptijd van twaalf maanden aanvangt op de dag na de dagtekening van de voorwaardelijke beschikking tot kwijtschelding;

  • -

    artikel 25.6.2 van deze leidraad de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen, waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen, niet alleen gedurende de uitstelregeling, maar gedurende de gehele looptijd van de saneringsprocedure nakomt;

  • -

    artikel 25.6.2 van deze leidraad belastingschuldige geen zekerheid hoeft te stellen.

De invorderingsambtenaar verleent pas kwijtschelding indien het saneringsakkoord in al zijn onderdelen is nagekomen.

 

Als in het buitengerechtelijk akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de invorderingsambtenaar als voorwaarde op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden verkregen. De invorderingsambtenaar ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden bedrag de baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking komen.

 

73.6.3 Gevolgen buitengerechtelijk akkoord

Als de invorderingsambtenaar toetreedt tot een buitengerechtelijk akkoord, dan verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft ontvangen.

 

Zo nodig stelt hij een derde-beslagene of houder van penningen op de hoogte van het verval van het beslag en zorgt hij voor doorhaling van een beslag op een registergoed. De invorderingsambtenaar heft de beslagen op zodra hij ontvangt wat hij heeft gevorderd op grond van het buitengerechtelijke akkoord.

 

73.6.4 Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord

De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens plaatsvinden. Als de invorderingsambtenaar bij wijze van uitzondering instemt met betaling in termijnen eist hij zekerheid.

 

Als in het akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de invorderingsambtenaar als voorwaarde op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden verkregen. De invorderingsambtenaar ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden bedrag de baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking komen.

 

73.6.5 Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord

Als de invorderingsambtenaar vrijwillig toetreedt tot een gerechtelijk akkoord, verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft ontvangen.

 

73.6.6 Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord

Bij de beoordeling van een akkoord stelt de invorderingsambtenaar eerst vast op welke belastingaanslagen het akkoord betrekking heeft. Uitgangspunt daarbij is de materiële belastingschuld die is ontstaan tot aan de dag dat de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken of de dag waarop een buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden.

 

Er rust een inspanningsverplichting op de gemeente om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen, in die zin dat de materieel verschuldigde belasting wordt geformaliseerd in een aanslag.

 

De invorderingsambtenaar betrekt bestuurlijke boeten en kosten integraal in een akkoord.

 

73.6.7 Schuldig nalatig en (buiten)gerechtelijk akkoord

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

73.6.8 Gevolgen dwangakkoord

Als de rechter in het kader van een wettelijke schuldsanering een dwangakkoord oplegt aan de gezamenlijke schuldeisers, lijdt de invorderingsambtenaar het deel van de belastingschuld dat onvoldaan blijft oninbaar.

 

Aangezien de invorderingsambtenaar niet heeft ingestemd met het akkoord, verleent hij geen kwijtschelding. De belastingvorderingen die resteren na het dwangakkoord blijven als natuurlijke verbintenissen over.

 

73.6.9 Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord

Indien een akkoord op grond van artikel 22a van de regeling niet mogelijk is, vindt kwijtschelding voor ondernemers uitsluitend plaats bij een zogenoemd saneringsakkoord in de zin van artikel 22 van de regeling. Zie ook artikel 26.3 van deze leidraad.

 

73.7 Wettelijk breed moratorium

Gedurende een door de rechtbank afgekondigde afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, schort de invorderingsambtenaar lopende invorderingsmaatregelen op. Verrekeningen met belastingteruggaven vinden gedurende de afkoelingsperiode niet plaats, ongeacht de periode waarin die teruggaaf is ontstaan.

 

De afkoelingsperiode is niet van invloed op een eventueel verleend uitstel van betaling of een voorwaardelijk verleende kwijtschelding. Hierop blijft het in deze leidraad opgenomen beleid op de artikelen 25 en 26 van de wet van toepassing.

Artikel 74 Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 75 Kosten van vervolging

Dit artikel beschrijft het beleid bij het in rekening brengen van kosten van vervolging. Met 'vervolgingskosten of kosten' wordt bedoeld de kosten die op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna Kostenwet) in rekening worden gebracht.

 

Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht voor de invordering op civiele wijze.

 

In dit artikel is het volgende beleid over kosten van vervolging opgenomen:

  • -

    gevorderde som bevat geen vervolgingskosten;

  • -

    aan derden toekomende bedragen;

  • -

    rechtsmiddelen en vervolgingskosten;

  • -

    verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar;

  • -

    niet in rekening brengen van vervolgingskosten;

  • -

    onverschuldigdheid van vervolgingskosten;

  • -

    niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten;

  • -

    versnelde invordering en vervolgingskosten;

  • -

    aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten;

  • -

    geen kwijtschelding van vervolgingskosten;

  • -

    limitering betekeningskosten dwangbevel.

75.1 Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten

Met ‘de gevorderde som’ bij een aanmaning of dwangbevel (zoals genoemd in de artikelen 2 en 3 van de Kostenwet) wordt bedoeld het belastingbedrag waarvoor de aanmaning is verstuurd of het dwangbevel is uitgevaardigd, dus zonder de vervolgingskosten.

 

75.2 Aan derden toekomende bedragen

Onder de bedragen die op grond van artikel 6 van de Kostenwet aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht, vallen in ieder geval (en niet-limitatief):

  • -

    de kosten van het openen van deuren als bedoeld in artikel 444 Rv;

  • -

    de kosten van opslag en afvoer van inbeslaggenomen roerende zaken;

  • -

    de kosten van het verrichten van werkzaamheden voor de verkoop ter plaatse van de in beslag genomen zaken;

  • -

    de kosten van het verrichten van werkzaamheden door makelaars en externe deskundigen;

  • -

    de kosten van het doen overbrengen van de in beslag genomen zaken als de verkoop elders plaatsvindt;

  • -

    de kosten van het aanbrengen en verwijderen door derden van wielklemmen of andere bestanddelen die verhindering van gebruik en vervoer van de in beslaggenomen roerende zaken bewerkstelligen.

75.3 Rechtsmiddelen en vervolgingskosten

Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de invorderingsambtenaar overeenkomstig de voorschriften van het Besluit Beroep in Belastingzaken.

 

De invorderingsambtenaar kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van de Kostenwet relevant zijn.

 

Indiening van een bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) stuit op grond van artikel 6:16 Awb niet de aanvang of de voortzetting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

 

Als om uitstel van betaling wordt verzocht, is het beleid dat is verwoord in artikel 25.1 en 25.2 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing.

 

75.4 Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar

Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van de in rekening gebrachte kosten wordt aangemerkt als een bezwaarschrift. Het bepaalde in artikel 75.3 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing.

 

75.5 Niet in rekening brengen van vervolgingskosten

In de volgende gevallen brengt de invorderingsambtenaar voor het uitbrengen van exploten geen vervolgingskosten in rekening:

  • -

    herhaalde betekening van een dwangbevel;

  • -

    (herhaalde) betekening van een dwangbevel uitsluitend ter stuiting van de verjaring;

  • -

    betekening van een vordering;

  • -

    betekening aan een minderjarige of onder curatele gestelde als bedoeld in artikel 13.3 van deze leidraad met dien verstande dat de eerste betekening wel, maar de tweede betekening (aan de wettelijke vertegenwoordiger) niet in rekening wordt gebracht;

  • -

    betekening van een beslissing van het college op een beroepschrift tegen de inbeslagneming van roerende zaken aan de derde die het beroepschrift heeft ingediend, de beslagene en zo nodig de bewaarder, al dan niet gepaard gaande met gehele of gedeeltelijke opheffing van het beslag;

  • -

    betekening van een proces-verbaal van overgang van de bewaring van beslagen roerende zaken, anders dan op verzoek of door toedoen van de belastingschuldige.

75.6 Onverschuldigdheid van vervolgingskosten

Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd, zijn kosten (deels) niet verschuldigd in de volgende gevallen:

  • -

    Als de betaling op de rekening van de gemeente is bijgeschreven op of voorafgaand aan de dag waarop de kosten verschuldigd zijn geworden;

  • -

    Voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich voordoen bij vermindering van belastingaanslagen;

  • -

    Als er achteraf bezien al voor het in rekening brengen van de kosten om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de invordering op te schorten. Hierbij valt te denken aan een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel of een (volledig ingevuld en) ingediend verzoekformulier voor kwijtschelding.

  • -

    Als na het in rekening brengen van de kosten aan de belastingaanslag een nieuwe dagtekening is toegekend;

  • -

    Als een derdenbeslag nooit blijkt te hebben gelegen als bedoeld in artikel 14.4.1 van deze leidraad;

  • -

    Als zaken - die in een onroerende zaak aanwezig zijn - zowel in een beslag op roerende als in een beslag op onroerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken roerend dan wel onroerend zijn en duidelijkheid is verkregen door middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten, die verband houden met het niet voortgezette beslag, niet verschuldigd;

  • -

    Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, en de belastingschuldige binnen twee werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet de openstaande belastingschuld betaalt.

75.7 Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten

In uitzonderlijke situaties kan er voor de invorderingsambtenaar aanleiding bestaan de in rekening gebrachte vervolgingskosten - hoezeer ook verschuldigd - te verminderen als de belastingschuldige hier schriftelijk om verzoekt.

 

Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont in omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk maakten zijn verplichtingen tijdig na te komen en bovendien de invordering van vervolgingskosten - gezien de omstandigheden van het specifieke geval – naar het oordeel van de invorderingsambtenaar onredelijk en onbillijk is.

 

75.8 Versnelde invordering en vervolgingskosten

Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, vermeldt de belastingdeurwaarder in de akte van betekening bij het dwangbevel dat de in verband met die maatregelen berekende vervolgingskosten niet verschuldigd zijn als de openstaande belastingschuld binnen twee werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet wordt betaald. De vorige volzin is van

overeenkomstige toepassing op de beslagkosten.

 

75.9 Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten

Voor de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het gevolg zijn van invorderingsmaatregelen die tegen de aansprakelijkgestelde zijn genomen, is dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

 

75.10 Geen kwijtschelding van vervolgingskosten

Kwijtschelding van vervolgingskosten is niet mogelijk wegens vermeende betalingsonmacht. De invorderingsambtenaar doet in dat geval ook geen toezegging dat deze kosten niet zullen worden ingevorderd.

 

Het voorgaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend dan wel kosten buiten invordering worden gelaten, wanneer de hoofdsom wordt kwijtgescholden dan wel buiten invordering gelaten. Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij artikel 26 van deze leidraad.

 

75.11 Limitering betekeningskosten dwangbevel

Als op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en de betekeningskosten in totaal meer zouden bedragen dan het maximumbedrag als bedoeld in artikel 3, eerste lid Kostenwet, zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan dit maximumbedrag.

Artikel 76 tot en met 79

Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.

Artikel 80 Invordering, Awb en het moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen

In dit artikel is beleid opgenomen met betrekking tot artikel 4:121 van de Awb en het moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen.

 

80.1 Tenuitvoerlegging termijndwangbevel

Een eenmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid voltooid als de eindvervolging.

 

80.2 Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen

Bij aanslagbelastingen geldt als moment van vaststelling de datum van dagtekening van de aanslag. Bij aangiftebelastingen wordt voor het moment van vaststelling aangesloten bij de dagtekening van de naheffingsaanslag.