Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Nijmegen

Referendumverordening Nijmegen 2021

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNijmegen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingReferendumverordening Nijmegen 2021
CiteertitelReferendumverordening Nijmegen 2021
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerp
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 84 van de Gemeentewet
  2. artikel 149 van de Gemeentewet
  3. artikel 154 van de Gemeentewet
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2021Vervangende regeling

16-12-2020

gmb-2020-339721

Raadsbesluit d.d. 16 december 2020, nr. 103/2020

Tekst van de regeling

Intitulé

Referendumverordening Nijmegen 2021

 

De raad van de gemeente Nijmegen, bijeen in zijn vergadering van 16 december 2020;

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 december 2020;

Gelet op de artikelen 84, 149 en 154 van de Gemeentewet;

Besluit vast te stellen de volgende verordening;

Referendumverordening Nijmegen 2021

 

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    kiesgerechtigd: stemrecht hebben voor de verkiezing van de leden van de raad;

  • b.

    referendum: volksraadpleging waarbij de kiesgerechtigden zich uitspreken over een ontwerp raadsbesluit;

  • c.

    subsidie: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4:21 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Hoofdstuk 2 Referendum onderwerpen

Artikel 2. Referendum, initiatief, onderwerpen

  • 1.

    Er kan een referendum worden gehouden op initiatief van kiesgerechtigden en/of de raad.

  • 2.

    Onderwerp van een referendum is een ontwerp raadsbesluit, met uitzondering van besluiten:

  • a.

    van de raad als orgaan voor bezwaar en beroep;

  • b.

    over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen, kwijtscheldingen en schenkingen;

  • c.

    over de hoogte van geldelijke voorzieningen voor ambtsdragers, gewezen ambtsdragers en hun nabestaanden;

  • d.

    over de vaststelling, wijziging of intrekking van de arbeidsvoorwaardenregeling en daaruit voortvloeiende besluiten met betrekking tot de griffier en de medewerkers van de griffie;

  • e.

    over het voor kennisgeving aannemen van notities en rapporten;

  • f.

    in het kader van deze verordening;

  • g.

    over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening;

  • h.

    over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen;

  • i.

    ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft;

  • j.

    die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen besluit waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden;

  • k.

    waarvan de raad van mening is dat dringende redenen aanleiding zijn om geen referendum te houden.

 

Hoofdstuk 3 Referendumcommissie

Artikel 3. Samenstelling referendumcommissie

  • 1.

    De raad stelt een onafhankelijke referendumcommissie in en benoemt haar leden.

  • 2.

    De referendumcommissie bestaat uit drie leden en kiest uit haar midden een voorzitter.

  • 3.

    De referendumcommissie wordt ondersteund door een door de griffier aan te wijzen medewerker van de griffie.

  • 4.

    De voorzitter en de leden van de referendumcommissie kunnen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van bestuursorganen van de gemeente.

  • 5.

    De leden worden benoemd voor een periode van zes jaar. Aftredende leden kunnen worden herbenoemd.

 

Artikel 4. Taken en vergaderingen referendumcommissie

  • 1.

    De referendumcommissie heeft tot taak:

  • a.

    de raad te adviseren over:

    • 1.

      de vraag of sprake is van een uitgezonderd besluit als bedoeld in artikel 2, tweede lid;

    • 2.

      de vraagstelling van een referendum inclusief de antwoordmogelijkheden en stemprocedure, en

    • 3.

      de datum van het te houden referendum;

    • 4.

      de vraag of er sprake is van zwaarwegende argumenten als bedoeld in artikel 8, derde lid.

  • b.

    de voorzitter van de raad te adviseren over het papieren en digitale formulier voor de ondersteuningsverklaringen;

  • c.

    burgemeester en wethouders te adviseren over:

  • 1.

    de stembiljetten, en

  • 2.

    de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikelen 10 en 11;

  • d.

    toezicht te houden op:

  • 1.

    de uitvoering van deze verordening, en

  • 2.

    het objectieve of neutrale karakter van de door de gemeente te verstrekken voorlichting over het referendum;

  • e.

    klachten te behandelen in het kader van de toezichttaak, genoemd onder d;

  • f.

    binnen drie maanden na de dag waarop het referendum wordt gehouden dan wel binnen drie maanden nadat duidelijk is dat er geen referendum plaatsvindt, een evaluatie uit te brengen over het referendumproces.

  • 2.

    De referendumcommissie kan op eigen initiatief advies uitbrengen over aanpassingen van deze verordening, over de bij referenda en referendumverzoeken te volgen procedure en over alle overige zaken die het referendum betreffen en die zij van belang acht.

  • 3.

    De referendumcommissie vergadert in beslotenheid.

  • 4.

    De adviezen van de referendumcommissie zijn openbaar.

 

Hoofdstuk 4 Initiatief tot het houden van een referendum

Artikel 5. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 1: inleidend verzoek

  • 1.

    Het inleidend verzoek om een referendum te houden wordt ondersteund door ten minste 850 ondersteuningsverklaringen van personen die kiesgerechtigd zijn op de dag dat het inleidende verzoek wordt ingediend, zoals bedoeld in het tweede lid.

  • 2.

    Een inleidend verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de voorzitter van de raad, uiterlijk zeven dagen voor de raadsvergadering waarin het ontwerp raadsbesluit wordt besproken.

  • 3.

    Een ondersteuningsverklaring voor het inleidend verzoek bestaat uit een handtekening met de daarbij behorende naam, woonplaats en geboortedatum.

  • 4.

    Ondersteuningsverklaringen worden geplaatst op een daartoe door de voorzitter van de raad verstrekt formulier waarop de titel van het ontwerp raadsbesluit is opgenomen.

  • 5.

    In aanvulling op het vierde lid worden ook digitale ondersteuningsverklaringen door de voorzitter van de raad beschikbaar gesteld op de gemeentelijke website. Deze digitale mogelijkheid komt zoveel mogelijk overeen met het papieren formulier voor de ondersteuningsverklaringen.

  • 6.

    Als handtekening, zoals in het derde lid genoemd, van een dergelijke digitaal ingediende ondersteuningsverklaring, dient in dat geval de door de raad bepaalde authenticatiemethode(n) te worden gebruikt.

  • 7.

    De voorzitter van de raad controleert de ondersteuningsverklaringen op naam, woonplaats, geboortedatum en kiesgerechtigdheid als bedoeld in het eerste lid.

  • 8.

    De raad beslist of het inleidend verzoek wordt ingewilligd.

  • 9.

    Als het verzoek wordt ingewilligd, behandelt de raad het ontwerp raadsbesluit waarop het verzoek zich richt. Het ontwerp raadsbesluit zoals dat luidt na verwerking van eventuele aangenomen amendementen, wordt vervolgens aangehouden tot de eerstvolgende vergadering na de dag waarop de uitslag van het referendum wordt bekendgemaakt, tenzij eerder negatief over de ontvankelijkheid van het referendumverzoek wordt beslist.

 

Artikel 6. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 2: definitief verzoek

  • 1.

    Het definitief verzoek om een referendum te houden wordt ondersteund door ten minste 4000 ondersteuningsverklaringen van personen die kiesgerechtigd zijn op de dag dat de raad heeft besloten dat het inleidend verzoek wordt ingewilligd.

  • 2.

    Een definitief verzoek wordt ingediend bij de voorzitter van de raad binnen zes weken na de dag dat de raad heeft besloten dat het inleidend verzoek wordt ingewilligd.

  • 3.

    Een ondersteuningsverklaring voor het definitief verzoek bestaat uit een handtekening met de daarbij behorende naam, woonplaats en geboortedatum.

  • 4.

    Ondersteuningsverklaringen worden geplaatst op een daartoe door de voorzitter van de raad verstrekt formulier waarop de titel van het ontwerp raadsbesluit is opgenomen. In aanvulling hierop voorziet de gemeentelijke website in de mogelijkheid om digitale ondersteuningsverklaringen in te dienen. Deze digitale mogelijkheid komt zoveel mogelijk overeen met het papieren formulier voor de ondersteuningsverklaringen.

  • 5.

    Als handtekening, zoals in het derde lid genoemd, van een dergelijke digitaal ingediende ondersteuningsverklaring, dient in dat geval de door de raad bepaalde authenticatiemethode(n) te worden gebruikt.

  • 6.

    De voorzitter van de raad controleert de ondersteuningsverklaringen op naam, woonplaats, geboortedatum en kiesgerechtigdheid als bedoeld in het eerste lid.

  • 7.

    De voorzitter van de raad maakt wekelijks bekend hoeveel geldige ondersteuningsverklaringen zijn ingediend.

  • 8.

    De voor het inleidend verzoek verzamelde ondersteuningsverklaringen tellen niet mee voor het definitief verzoek.

  • 9.

    In de eerstvolgende vergadering van de raad na afloop van de termijn, bedoeld in het tweede lid, neemt de raad een besluit over het houden van het referendum.

 

Artikel 7. Initiatief van de raad

  • 1.

    De raad kan besluiten tot het houden van een referendum.

  • 2.

    Zo spoedig mogelijk nadat dit besluit is genomen, behandelt de raad het ontwerp raadsbesluit waarover het referendum zal worden gehouden. Het ontwerp raadsbesluit zoals dat luidt na verwerking van eventuele aangenomen amendementen, wordt vervolgens aangehouden totdat de uitslag van het referendum bekend is gemaakt.

 

Hoofdstuk 5 Datum en vraagstelling

Artikel 8. Datum stemming

  • 1.

    De raad bepaalt tegelijk met het besluit om een referendum te houden, of zo spoedig mogelijk daarna, de dag waarop de stemming over het referendum plaatsvindt.

  • 2.

    De stemming wordt in beginsel gecombineerd met de eerstvolgende reguliere verkiezingen.

  • 3.

    Indien daartoe zwaarwegende argumenten zijn kan de raad beslissen de stemming op een eerder moment te laten plaatsvinden.

  • 4.

    Er kunnen twee of meer referenda op dezelfde dag worden gehouden.

 

Artikel 9. Vraagstelling

  • 1.

    De raad stelt tegelijk met het besluit om een referendum te houden, of zo spoedig mogelijk daarna, de vraagstelling en beide antwoordmogelijkheden vast.

  • 2.

    Bij een referendum op initiatief van de kiesgerechtigden wordt aan de kiesgerechtigden de vraag voorgelegd of zij voor of tegen het ontwerp raadsbesluit zijn. Deze vraag kan geen betrekking hebben op afzonderlijke onderdelen van het ontwerp raadsbesluit

  • Bij een referendum op initiatief van de raad wordt aan de kiesgerechtigden de vraag voorgelegd of zij vóór of tegen het ontwerp raadsbesluit zijn en/of kan de vraag bestaan uit verschillende antwoordcategorieën of oplossingsrichtingen.

  • 3.

    Bij een referendum met verschillende antwoordcategorieën of oplossingsrichtingen stelt de raad de stemprocedure vast.

  • 4.

    De vraagstelling wordt weergegeven op de stempas.

 

Hoofdstuk 6 Budget en subsidie

Artikel 10. Budget, subsidieplafond en subsidiecriteria

  • 1.

    Zo spoedig mogelijk na een besluit om een referendum te houden, stelt de raad een budget vast voor de organisatie van en de voorlichting over het referendum.

  • 2.

    Tevens stelt de raad het subsidieplafond vast voor activiteiten ter ondersteuning van het publieke debat en de meningsvorming over het ontwerp raadsbesluit waarop het referendum betrekking heeft, dat wordt onderverdeeld in deelplafonds voor activiteiten die tot doel hebben:

  • a.

    de kiesgerechtigden te laten stemmen voor het ontwerp raadsbesluit;

  • b.

    de kiesgerechtigden te laten stemmen tegen het ontwerp raadsbesluit,

  • c.

    het debat over het ontwerp raadsbesluit op neutrale wijze te bevorderen.

  • 3.

    Niet voor subsidie komen in aanmerking activiteiten die:

  • a.

    geheel of gedeeltelijk plaatsvinden na de dag van stemming;

  • b.

    met winstoogmerk worden ondernomen;

  • c.

    die zijn begonnen voordat over de aanvraag is beslist;

  • 4.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan:

  • a.

    collectieven van ten minste zes kiesgerechtigde inwoners van de gemeente, en

  • b.

    rechtspersonen, met uitzondering van politieke groeperingen als bedoeld in hoofdstuk G van de Kieswet.

  • 5.

    De subsidie bedraagt 100% van de redelijke kosten van de activiteit, met uitzondering van loonkosten, en tot een maximum van € 5.000,00.

  • 6.

    Burgemeester en wethouders maken het subsidieplafond en de deelplafonds en de begin- en einddatum van de aanvraagtermijn bekend.

  • 7.

    Op subsidies verstrekt op grond van deze verordening is de Nijmeegse Kaderverordening Subsidieverstrekking niet van toepassing.

 

Artikel 11. Subsidieverlening en vaststelling

  • 1.

    Een week na afloop van de sluitingsdatum van de aanvraagtermijn beslissen burgemeester en wethouders over de subsidieverlening.

  • 2.

    Subsidieverlening vindt plaats in volgorde van de door burgemeester en wethouders aangebrachte rangschikking, totdat het vastgestelde deelplafond is bereikt.

  • 3.

    Bij de rangschikking van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende aspecten en tot het daarbij vermelde maximum aantal naar de mate waarin:

  • a.

    de activiteiten bijdragen aan het publieke debat en meningsvorming onder kiesgerechtigden: 40 punten; en

  • b.

    de activiteiten voor het publiek toegankelijk of de uitingen openbaar zijn: 20 punten; en

  • c.

    de activiteiten bekend gemaakt zijn bij het publiek: 15 punten; en

  • d.

    verschillende doelgroepen worden bereikt: 15 punten; en

  • e.

    het gevraagde bedrag in verhouding staat tot het verwachte resultaat: 10 punten.

  • 4.

    De verleende subsidie wordt uitgekeerd in de vorm van een voorschot.

  • 5.

    Uiterlijk acht weken na de dag van de stemming dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in. De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag of bewijsstukken waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

  • 6.

    Burgemeester en wethouders besluiten uiterlijk acht weken na de datum van de aanvraag over de vaststelling van de subsidie.

 

Artikel 12. Subsidieaanvragen

  • 1.

    Burgemeester en wethouders stellen een aanvraagformulier beschikbaar welke een opgave bevat van de volgende gegevens:

  • a.

    de aard en inhoud van de activiteit en of deze in de zin van artikel 10, lid 2, voor het ontwerp raadsbesluit of een van de oplossingsrichtingen, tegen het ontwerp raadsbesluit of een van de oplossingsrichtingen of neutraal is;

  • b.

    de wijze waarop een bijdrage aan het publieke debat en de meningsvorming wordt gerealiseerd en het beoogde publieksbereik van de bijdrage;

  • c.

    een gespecificeerde begroting die inzicht geeft in de geraamde inkomsten en uitgaven voor zover deze betrekking hebben op de activiteit;

  • d.

    een zo concreet mogelijke tijdsplanning;

  • e.

    de rechtsvorm, de statutaire naam, en het vestigingsadres van de rechtspersoon namens welke de aanvraag wordt gedaan en de handtekeningen van degene(n) die bevoegd is/zijn de rechtspersoon te vertegenwoordigen;

  • f.

    indien het een collectief van kiesgerechtigden betreft: de achternaam, voorletter(s), het adres, de woonplaats, de geboortedatum en de handtekening van zes kiesgerechtigden; en

  • g.

    het rekeningnummer waarop het subsidiebedrag bij toekenning overgemaakt dient te worden.

  • 2.

    Het college stelt de begin- en einddatum van de aanvraagtermijn vast en maakt deze bekend in het elektronische Gemeenteblad.

 

Hoofdstuk 7 Procedure voorbereiding, stemming en de uitslag

Artikel 13. Procedure voorbereiding, stemming, uitslagbepaling en bekendmaking

Op de procedure ter voorbereiding, stemming, en de vaststelling en bekendmaking van de uitslag van het referendum zijn de hoofdstukken E, paragrafen 2 en 4, J, L, N, paragraaf 1, en P, paragrafen 1 en 4, van de Kieswet van overeenkomstige toepassing, voor zover bij deze verordening niet anders is bepaald.

 

Artikel 14. Uitslag

  • 1.

    Het centraal stembureau berekent de uitslag van het referendum en geeft aan hoeveel stemmen voor en tegen het ontwerp raadsbesluit zijn uitgebracht alsmede het aantal blanco en ongeldige stemmen en het aantal stemmen bij volmacht. Het centraal stembureau stelt vast of een meerderheid voor dan wel tegen het ontwerp raadsbesluit heeft gestemd waarbij blanco en ongeldige stemmen buiten beschouwing worden gelaten.

  • 2.

    Het centraal stembureau brengt de uitslag over aan de raad, vergezeld van het proces-verbaal, en maakt beide onverwijld bekend op een algemeen toegankelijke wijze.

  • 3.

    In geval van een meerkeuze referendum op initiatief van de raad wordt de keuzemogelijkheid die de meeste stemmen heeft gekregen als referendumuitspraak vastgesteld en bekendgemaakt op een algemeen toegankelijke wijze.

  • 4.

    De raad doet op basis van het door het centraal stembureau vastgestelde proces-verbaal een uitspraak over of de stemming op wettige wijze is geschied.

 

Artikel 15. Strafbepaling

Met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die:

  • a.

    stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

  • b.

    stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken;

  • c.

    stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen voorhanden heeft met het oogmerk om deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

  • d.

    als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden;

  • e.

    bij een referendum door gift of belofte een kiesgerechtigde omkoopt om volmacht te geven tot het uitbrengen van zijn stem;

  • f.

    stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert ten einde hen te bewegen het formulier op hun oproepingskaart, bestemd voor het stemmen bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart af te geven.

 

Artikel 16. Intrekking oude verordening, inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021 onder gelijktijdige intrekking van de verordening: “De verordening referendum Nijmegen (2005)”.

Deze verordening wordt aangehaald als: Referendumverordening Nijmegen 2021.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2020

De raadsgriffier,

Drs. S.J. Ruta

De voorzitter,

Drs. H.M.F. Bruls

Toelichting Referendumverordening Nijmegen 2021

 

Algemeen

Er zijn meerdere aanleidingen om de verordening referendum Nijmegen 2005 te herzien, deze in te trekken en onderhavige verordening vast te stellen.

Ten eerste heeft de fractie VoorNijmegen.NU een initiatiefvoorstel ingediend over een wijziging van twee artikelen van de Referendumverordening. Daarmee beoogt de indiener van het initiatief het indienen van de ondersteuningsverklaringen laagdrempeliger te maken.

De wijze waarop legitimatie in de Referendumverordening 2005 wordt voorgeschreven, staat op gespannen voet met het beginsel van noodzaak en subsidiariteit van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) is daarom van mening dat de Referendumverordening op dit punt dient te worden aangepast. Het college heeft zich in haar brief aan de raad van 3 maart 2020 uitgesproken voor het invoeren van een laagdrempeliger, tegelijkertijd fraudebestendige wijze van indienen middels identiteitsvereiste, waarbij tevens wordt voldaan aan de privacy waarborgen, zoals neergelegd in de AVG.

Op 23 mei 2020 is de problematiek rondom het indienen van ondersteuningsverklaringen voor wat betreft de eis van een handtekening, het identiteitsvereiste, de privacy waarborgen en de beoogde laagdrempeligheid voor het college aanleiding geweest kritisch naar de verordening (2005) te kijken, en nauw aansluiting te zoeken bij de modelverordening van de VNG. Dit leidt tot het voorstel voor een nieuwe verordening: de Referendumverordening Nijmegen 2021, onder gelijktijdige intrekking van de verordening referendum Nijmegen (2005).

Tenslotte nog het volgende: Een Referendumverordening waarbij de mogelijkheid wordt gegeven een referendum te organiseren over een ontwerp raadsbesluit is bij uitstek een instrument van de raad. In de voorgestelde Referendumverordening Nijmegen 2021 worden diverse taken niet gedelegeerd aan het college maar aan de raad of griffier gelaten. De organisatie en uitvoering van het referendum zelf, nadat duidelijk is dat dit er komt, ligt uiteraard wel bij het college.

 

Artikelsgewijs

Aanhef

In artikel 84 van de Gemeentewet is bepaald dat de raad, het college of de burgemeester andere commissies dan bedoeld in de artikelen 82, eerste lid, en 83, eerste lid, van de Gemeentewet kan instellen. Genoemd artikel is de basis voor het instellen van de referendumcommissie. Artikel 149 van de Gemeentewet (“De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt”) is de (autonome) grondslag van de Referendumverordening. Artikel 154 van de Gemeentewet betreft de strafbaarstelling door de raad van overtredingen van zijn verordeningen.

 

Artikel 1. Definities

Onderdeel a Kiesgerechtigd

Voor het begrip ‘kiesgerechtigd’ is aangesloten bij degene die gerechtigd is deel te nemen aan de raadsverkiezingen. Dit is geregeld in artikel B3 van de Kieswet (18 jaar of ouder, Nederlander of EU-onderdaan of vijf jaar een verblijfsvergunning, of rechtmatig in Nederland verblijvend op grond van de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland).

De nadere bepaling van kiesgerechtigd zijn is afhankelijk van de fase waarin het proces verkeert: het gaat er om wie stemrecht zou hebben bij de raadsverkiezing op de dag waarop het formulier voor de ondersteuningsverklaringen voor het inleidend verzoek wordt verstrekt dan wel de dag waarop de raad heeft besloten dat het inleidend verzoek wordt ingewilligd (zie de artikelen 5 en 6) dan wel op de dag waarop het referendum wordt gehouden.

Onderdeel b Referendum

Deze verordening gaat uit van een referendum op basis van een ontwerp raadsbesluit. Een referendum is dus in de eerste plaats te zien als een advies van burgers aan de raad over een voorgenomen besluit. In de verordening referendum Nijmegen (2005) wordt nog gesproken over ‘raadgevend referendum’. Die term wordt nu niet meer gebruikt. Gezien de nieuwe definitie is elk op grond van deze verordening te houden referendum raadgevend, want het wordt ingezet met betrekking tot een ontwerp raadsbesluit. Er is dus geen sprake van een correctief referendum (referendum op basis van een genomen besluit dat door burgers wordt gecorrigeerd door het houden van een referendum). Het onderscheid raadgevend tegenover correctief hoeft dus niet te worden gemaakt. Dat er referenda zijn op initiatief van de burger én van de raad zelf, maakt in die zin geen verschil: in beide gevallen leidt een referendum tot een advies aan de raad met betrekking tot een ontwerpbesluit.

Onderdeel c Subsidie

Deze definitie is hier opgenomen om te benadrukken dat de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is op subsidies die worden aangevraagd en verleend in het kader van een te houden referendum. Dat houdt ook in dat de mogelijkheden om subsidies te weigeren, in te trekken, en terugvorderen die in de Awb zijn opgenomen ook gelden voor de subsidies voor referenda, naast hetgeen hierover in deze verordening al is opgenomen. De benodigde wettelijke grondslag voor de subsidieverlening kan worden gevonden in deze verordening.

 

Artikel 2. Referendum, initiatief, onderwerpen

Eerste lid

Naast een referendum op initiatief van de burger, kan de raad zelf ook behoefte hebben een referendum te houden over een ontwerp raadsbesluit. Bijvoorbeeld bij te nemen ingrijpende besluiten die de stad en de raad zeer verdeeld houden. De raad beslist of er een referendum kan worden gehouden.

Onderwerp van een referendum is een ontwerp raadsbesluit in zijn geheel. In de praktijk kan het zijn dat onderdelen van het besluit tot meer of minder discussie leiden, maar het is niet mogelijk om daar onderscheid in te maken door een onderdeel uit het ontwerp raadsbesluit centraal te stellen en aan een referendum te onderwerpen.

Tweede lid

Bepaalde onderwerpen waarover de raad een besluit kan nemen lenen zich minder goed voor een referendum. Deze zijn hier als uitzondering opgenomen. De lijst is gebaseerd op de ervaringen met onder meer de Tijdelijke referendumwet en ervaringen die de VNG heeft verzameld uit verordeningen van andere gemeenten. Bij de onderdelen g. en h. gaat het om het budgetrecht van de raad.

 

Artikel 3. Samenstelling referendumcommissie

Een referendumcommissie wordt ingesteld nadat de Referendumverordening is vastgesteld. Het is een permanente commissie omdat een referenduminitiatief ineens kan opkomen en er dan binnen enkele dagen een advies dient te worden uitgebracht over bijvoorbeeld de vraag of een referendum mogelijk is over het ontwerp raadsbesluit. Het kan zijn dat de leden van de referendumcommissie lange tijd niet bijeenkomen. Als er geen referenduminitiatief is, zal er doorgaans geen reden zijn om te vergaderen.

Ten opzichte van de verordening referendum Nijmegen (2005), is voor de benoemingstermijn van zes jaar aangesloten bij het VNG model en daarmee bij de termijn die gehanteerd wordt voor de rekenkamer.

Wanneer een lid van de referendumcommissie ontslag neemt, is het aan de raad om zo snel mogelijk een vervanger te benoemen. Er is niet bepaald dat het lid van de referendumcommissie aanblijft totdat in diens opvolging is voorzien. Het kan soms enkele maanden duren voordat er een opvolger is benoemd. Het is niet gewenst om iemand die ontslag neemt in het ongewisse te laten over wanneer dat ontslag uiteindelijk ingaat. Er is niet expliciet geregeld dat leden van de referendumcommissie (bijvoorbeeld in geval van niet functioneren) ontslagen kunnen worden. In het algemeen geldt dat diegene die benoemt ook kan ontslaan.

 

Artikel 4. Taken en vergaderingen referendumcommissie

De referendumcommissie heeft diverse adviserende taken. Daarnaast houdt de referendumcommissie toezicht op het gehele referendumproces. De referendumcommissie kan gevraagd en ongevraagd advies geven.

Eerste lid

Onder a. tot en met c. staat de advisering aan respectievelijk de raad, de voorzitter van de raad en het college. De referendumcommissie heeft een adviserende rol bij diverse stappen in het referendumproces die gevoelig kunnen liggen of voor discussie kunnen zorgen. Onder d is de rol van de referendumcommissie als toezichthouder op het hele referendumproces vastgelegd. Een uitvloeisel van die rol is de behandeling door de referendumcommissie van klachten over het referendumproces (onder e). Klachten kunnen over uiteenlopende zaken gaan, bijvoorbeeld het afkeuren van een aantal ondersteunende handtekeningen, het aantal stembureaus of een campagne uiting van een organisatie.

Wellicht ten overvloede: de taak die de referendumcommissie heeft ten aanzien van klachten over het referendumproces heeft niet te maken met het klachtrecht dat wordt geregeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb); dat klachtrecht gaat immers alleen over gedragingen van bestuursorganen en personen die daarbij werkzaam zijn. De afdoening daarvan is een taak van het bestuursorgaan zelf.

Nieuw in de verordening is het expliciet benoemen van de taak die de referendumcommissie heeft inzake advisering over subsidies in het kader van te houden referenda. Hierbij adviseert de referendumcommissie aan het college. Verder heeft de referendumcommissie ook een expliciete rol gekregen bij advisering over het digitale formulier dat gebruikt wordt bij ondersteuningsverklaringen.

De referendumcommissie brengt na afloop van elk referendumproces een evaluatie uit (onder f). Dit kan gaan om een referendumproces inclusief een gehouden referendum maar ook over een referendumproces waarbij het niet tot een daadwerkelijk gehouden referendum is gekomen.

 

Artikel 5. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 1: inleidend verzoek

Het inleidend verzoek heeft twee functies: het aantonen dat er binnen de gemeente enig draagvlak is voor een referendum en een toets moment of over het ontwerp raadsbesluit een referendum kan worden gehouden. Daarom is het aantal handtekeningen voor het inleidend verzoek in de regel laag. De VNG geeft aan dat een richtlijn van 1% van het aantal kiesgerechtigden (weergegeven in een getal) kan worden gehanteerd. Het definitief verzoek (artikel 6) moet aantonen dat er voldoende draagvlak binnen de gemeente is om daadwerkelijk een referendum te houden. Voor het definitief verzoek kan volgens de VNG een aantal van 5% van de kiesgerechtigden (uitgedrukt in een absoluut getal) als richtlijn worden gebruikt.

Eerste lid

De weergave in een absoluut getal is overgenomen uit de modelverordening. Het biedt duidelijkheid voor de burger over de eisen die gesteld worden aan een inleidend verzoek. Het absolute getal van 850 voor het benodigde aantal ondersteuningsverklaringen komt overeen met 0,592% van het aantal kiesgerechtigden en wijkt af van de 1%-richtlijn uit de modelverordening. Tegelijkertijd is het nu vergelijkbaar (in lijn) met het percentage dat andere 100.000+ gemeenten hanteren.

Bij een sterke groei of krimp van het aantal inwoners van Nijmegen, en daarmee van het aantal kiesgerechtigden, kan de weergave in een getal er toe leiden dat 850 ondersteuningsverklaringen niet meer overeenkomt met 0,592% van de kiesgerechtigden. In dat geval zou een aanpassing van het benodigde aantal ondersteuningsverklaringen aan de orde kunnen zijn. Van belang is verder op welk moment de kiesgerechtigheid wordt beoordeeld. In de modelverordening van de VNG wordt uitgegaan van kiesgerechtigdheid op het moment van verstrekken van het formulier waarop de ondersteuningsverklaring moet worden geplaatst. Het lijkt duidelijker om de eis te stellen dat iemand kiesgerechtigd moet zijn op het moment dat het inleidend verzoek wordt ingediend. Immers, anders zou voor iedere ondertekenaar moeten worden bekeken of hij op het moment van ondertekenen kiesgerechtigd was. En dat kunnen dan veel momenten zijn. Daarom lijkt het praktischer om uit te gaan van de eis van kiesgerechtigdheid op het moment dat het inleidend verzoek wordt ingediend. Want dan is er maar één ijkmoment.

Derde tot en met zesde lid

Ondersteuningsverklaringen kunnen in de procedure voor het inleidend verzoek op grond van deze verordening schriftelijk en digitaal worden ingediend op formulieren die door de voorzitter van de raad worden verstrekt. Dit in afwijking van de modelverordening van de VNG, die de digitale weg vanaf de fase van het definitieve verzoek openstelt. Zowel college als raad beogen laagdrempeligheid bij het indienen van ondersteuningsverklaringen. Naast het handtekening- en identiteitsvereiste dient ook de privacy gewaarborgd te worden. Er is daartoe een digitaal formulier ontwikkeld, waarop de burger diens gegevens kan invullen en via de door de raad bepaalde authenticatiemethode(n) diens handtekening kan zetten. Alsdan wordt zekerheid verkregen dat de persoon die de ondersteuningsverklaring indient ook daadwerkelijk de betreffende persoon is en zijn meerdere verklaringen door dezelfde persoon niet mogelijk. Het digitale formulier zal op de gemeentelijke website beschikbaar zijn. De referendumcommissie heeft een adviserende rol.

Zevende lid

Bij het controleren van de geldigheid van de handtekeningen wordt beoordeeld of diegenen die de ondersteuningsverklaring indienen kiesgerechtigd zouden zijn voor de raadsverkiezingen op het moment dat het inleidend verzoek bij de voorzitter van de raad is ingediend (zie artikel 5, eerste lid en de toelichting daarbij). Bij het zetten van de handtekening is nog niet bekend of, en zo ja, wanneer het referendum gehouden wordt. Daarom wordt hier voor een andere peildatum gekozen dan de dag van het referendum. Het ligt voor de hand ook de controle te laten uitvoeren door de voorzitter van de raad. Deze heeft immers toegang tot de basisregistratie persoonsgegevens.

Achtste lid

De raad beslist of het inleidend verzoek kan worden ingewilligd. Hierbij wordt getoetst aan de in artikel 2, tweede lid, vermelde onderwerpenlijst. En wordt beoordeeld of er een voldoende aantal geldige ondersteuningsverklaringen is. De referendumcommissie heeft hierbij een adviserende rol.

Het besluit van de raad op het inleidend verzoek is een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen staat bezwaar en beroep open.

Negende lid

Als de raad het ontwerp raadsbesluit referendabel acht, wordt het inhoudelijk besproken, waarbij uiteraard amendementen en moties kunnen worden ingediend. Over het ontwerp raadsbesluit zelf wordt niet gestemd. Dit gebeurt pas nadat het referendum is gehouden, of nadat de raad heeft besloten dat er geen referendum gehouden kan worden. Het ontwerp raadsbesluit wordt dus aangehouden.

 

Artikel 6. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 2: definitief verzoek

De procedure voor het definitief verzoek is in grote lijnen gelijk aan die voor het inleidend verzoek. Dit houdt onder meer in dat de voorzitter van de raad controleert op voldoende handtekeningen van kiesgerechtigden.

Eerste lid

Net als bij het inleidend verzoek wijkt het absolute aantal van 4000 af van de 5%-richtlijn uit de modelverordening. De kiesgerechtigdheid is hier gekoppeld aan de dag waarop de raad besloten heeft dat het inleidend verzoek wordt ingewilligd.

Vierde lid

Net als bij het inleidend verzoek (zie toelichting bij artikel 5) wordt in de procedure voor het definitief verzoek de digitale mogelijkheid opengesteld.

Zevende lid

Dat de ondersteuningsverklaringen van het inleidend verzoek niet meetellen voor het definitief verzoek heeft de volgende reden. Tijdens het inleidend verzoek is het ontwerp raadsbesluit nog niet besproken door de raad; het voorstel kan dus nog gewijzigd worden als gevolg van amendementen. Daarom is het mogelijk dat een kiesgerechtigde het inleidend verzoek ondersteunt, maar geen handtekening wil zetten voor het definitief verzoek, bijvoorbeeld omdat inmiddels aan zijn of haar bezwaren tegemoet is gekomen. Of over het ontwerp raadsbesluit een referendum kan worden gehouden is eerder in het proces, bij het inleidend verzoek beslist. Een voldoende aantal handtekeningen zal dan ook een positief besluit tot het houden van het referendum inhouden.

 

Artikel 7. Initiatief van de raad

De raad kan zelf het initiatief nemen om een referendum te houden. Vaak zal het voorstel daartoe van een of meer raadsleden of fracties afkomstig zijn. Elk raadslid heeft op grond van artikel 147a van de Gemeentewet het recht van initiatief om een (uitgewerkt) voorstel voor bijvoorbeeld een referendum te doen. Ook kan elk raadslid een motie daartoe indienen. Een initiatiefvoorstel of motie kan bijvoorbeeld een voorstel voor een referendum inhouden over een bepaald onderwerp waarbij aan kiesgerechtigden alternatieven wordt voorgelegd en waarbij het college wordt verzocht een en ander in een nota uit te werken. Over een initiatiefvoorstel moet op grond van artikel 147a, vierde lid, van de Gemeentewet het college de gelegenheid krijgen wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Initiatiefvoorstellen en moties worden behandeld conform het Reglement van Orde van de raad. Op grond van artikel 4, eerste lid, onder a, heeft de referendumcommissie de taak te adviseren alvorens de raad besluit een referendum te houden. Het is daarom zaak om een voorgenomen referenduminitiatief zo snel mogelijk bij de referendumcommissie te melden. Het initiatiefvoorstel of de motie kan resulteren in een besluit van de raad tot het houden van een referendum als bedoeld in artikel 7, eerste lid.

 

Artikel 8. Datum stemming

Over de dag van de stemming brengt de referendumcommissie advies uit (artikel 4, eerste lid, onder a, sub 3°). Tevens brengt de referendumcommissie in voorkomende gevallen advies uit over de vraag of er sprake is van zwaarwegende argumenten als bedoeld in artikel 8, derde lid (artikel 4, eerste lid, onder a, sub 4°).

 

Artikel 9. Vraagstelling

De raad stelt de vraagstelling van het referendum vast na advies van de referendumcommissie; deze zal daarover doorgaans in overleg treden met de initiatiefnemers van het referendum en de portefeuillehouder uit het college.

Tweede lid

Bij een referendum op initiatief van de kiesgerechtigden ligt de vraagstelling grotendeels vast: de vraag is gekoppeld aan het ontwerp raadsbesluit. Doorgaans zal hierdoor de vraagstelling zijn bent u voor of tegen het ontwerp raadsbesluit. Soms wordt in een raadsvoorstel een keuzemogelijkheid aan de raad gegeven, als dit voorstel het onderwerp is van een referendum zal aan de kiesgerechtigden deze keuze mogelijkheden worden voorgelegd. De raad kan aan de kiesgerechtigde inwoners de (eenvoudige) vraag voorleggen of zij vóór dan wel tegen het ontwerp raadsbesluit zijn en/of verschillende antwoordcategorieën of oplossingsrichtingen. Als meer dan twee alternatieven worden voorgelegd, is er waarschijnlijk geen meerderheid voor een van de opties. Er zijn mogelijkheden waarbij ook inzicht wordt verkregen over de tweede of derde voorkeur van kiesgerechtigden. Als er gekozen wordt voor verschillende antwoordcategorieën of oplossingsrichtingen zal de referendumcommissie hierover adviseren met een voorstel voor de stemprocedure. Wat de meest geschikte stemprocedure is, hangt mede af van het aantal mogelijke antwoordopties en de aard ervan. Drie mogelijkheden zijn:

1. het uitbrengen van één stem op een antwoordmogelijkheid naar keuze;

2. het uitbrengen van één of meerdere stemmen op elk van de antwoordmogelijkheden die de kiezers verkiest (‘approval voting’);

3. het plaatsen van de antwoordmogelijkheden in volgorde van voorkeur (waarbij indien geen van de alternatieven een meerderheid heeft de stemmen van het minst populaire alternatief kunnen worden overgeheveld naar de keuze van tweede voorkeur bij de betreffende kiezers).

 

Artikel 10. Budget, subsidieplafond en subsidiecriteria

Eerste lid

Als duidelijk is dat er een referendum komt, dient de raad een budget vast te stellen. Allereerst voor de organisatie van het referendum zelf (stempassen, stembiljetten, stembureaus, enz.). Er is geen budget opgenomen in de gemeentelijke begroting voor referenda. Het in 2016 gehouden referendum over de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne kostte ± € 300.000,-. Deze kon niet gecombineerd worden met een andere verkiezing. Het budget bedraagt ongeveer de helft voor referenda die gelijktijdig worden gehouden met een verkiezing voor de Provinciale Staten en waterschappen, het Europees Parlement, de Tweede Kamer en de gemeenteraad.

Daarnaast dient een bedrag vastgesteld te worden voor voorlichting. Er kan vanuit de gemeente een folder worden opgesteld met neutrale informatie over het ontwerp raadsbesluit dat onderwerp is van het referendum, of er kan een referendumkrant worden gemaakt waarbij de neutrale gemeentelijke informatie kan worden aangevuld met informatie van voor- en tegenstanders. De referendumcommissie heeft een toezichthoudende rol bij het verstrekken van deze neutrale informatie door de gemeente. In het geval van een referendumkrant heeft de referendumcommissie uiteraard geen rol ten aanzien van de informatie verstrekt door voor- en tegenstanders.

Tweede lid

Ook wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het verstrekken van subsidies voor activiteiten die burgers en maatschappelijke organisaties rond het referendum organiseren. Voor subsidie komen activiteiten in aanmerking die het publieke debat en de meningsvorming rond het referendum ondersteunen. Naast een totaal budget stelt de raad vast hoe de verdeling over de verschillende categorieën (voor, tegen en neutraal) is. Vaak wordt gekozen voor een gelijke verdeling over de drie groepen. Naast initiatieven van voor- en tegenstanders zijn er ook vaak aanvragen voor neutrale activiteiten zoals een debatavond waar verschillende partijen aan het woord komen. In 2016 bedroeg het budget € 50.000,-- exclusief categorie neutraal. Uitgaande van drie categorieën en een gelijke verdeling kan gekozen worden het plafond te verhogen naar € 60.000,--.

Een subsidieplafond is iets anders dan alleen vermelding op de begroting dat er voor een bepaald beleidsterrein een bepaald bedrag beschikbaar is aan subsidies. Een subsidieplafond is concreter; het moet onder die naam worden vastgesteld als het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking krachtens een wettelijk voorschrift van bepaalde met name genoemde subsidies (artikel 4:22 van de Awb). In deze verordening gebeurt dat door vermelding van het vaststellen van het plafond en de deelplafondsdoor de raad. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond moet ook worden bekendgemaakt hoe het wordt verdeeld (artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). De bekendmaking van het subsidieplafond gebeurt in dit geval door het college en de bekendmaking van de verdeelsleutel gebeurt in dit geval via de verordening: in artikel 11, tweede en derde lid, is bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

Derde lid

Hier is een inhoudelijke toets van de aanvragen om subsidie opgenomen in de vorm van weigeringsgronden. De aanvragen die niet worden geweigerd worden vervolgens beoordeeld op de manier die is beschreven in artikel 11, tweede en derde lid.

Vierde lid

Het doel van de subsidieverstrekking is bijdragen aan de meningsvorming en aan het voeren van het publieke debat over het ontwerp raadsbesluit dat onderwerp is van het referendum onder de burgers in de gemeente. Burgers moeten hun mening kunnen vormen voordat zij een stem uitbrengen. Vaak zijn het initiatiefnemers van een referendum en andere betrokkenen burgers. Om hen een mogelijkheid te geven subsidie aan te vragen voor het stimuleren van het publieke debat en meningsvorming wordt hier gesproken van een collectief van kiesgerechtigden. Daarnaast kunnen verenigingen, wijkorganen, stichtingen en dergelijke subsidie aanvragen. De referendumcommissie heeft een adviserende rol bij de subsidietoekenning, zie artikel 4, eerste lid, sub c onder 2.

Vijfde lid

Alleen de kosten die direct samenhangen met de activiteit en die naar het oordeel van het college redelijk zijn in relatie tot de verwachte bijdrage van de activiteit aan het doel van deze subsidie zoals vermeld in het tweede lid, komen in aanmerking. Loonkosten van bijvoorbeeld personen die bij een subsidieontvanger in dienst zijn, zijn expliciet uitgezonderd. Onder omstandigheden kan wel de (redelijke) vergoeding voor een speciaal aangetrokken deskundige voor subsidie in aanmerking komen. Deze kosten worden gemaximeerd op € 35,- per uur voor een maximum van 20 uur.

Zesde lid

De subsidie wordt verstrekt via een tendersysteem (zie artikel 11, tweede en derde lid). Het is van belang om te zorgen voor een snelle en heldere bekendmaking, zodat zoveel mogelijk betrokkenen bereikt worden.

Zevende lid

De Nijmeegse Kaderverordening Subsidieverstrekking geeft diverse standaardbepalingen, bijvoorbeeld voor aanvraag- en beslistermijnen, die voor de hier bedoelde subsidies niet toepasbaar zijn en waarvan dus moet worden afgeweken. Ook bevat de Kaderverordening Subsidieverstrekking een bepaling waarin de bevoegdheid om nadere regels te stellen aan het college wordt gedelegeerd. Dat is bij een referendum niet wenselijk; het gaat immers om een instrument van de raad.

 

Artikel 11. Subsidieverlening en vaststelling

Eerste lid

In het geval een aanvraag niet voldoet aan de vereisten zoals genoemd in artikel 12, eerste lid, kan deze buiten behandeling worden gelaten. Dit kan echter niet voordat de aanvrager de gelegenheid heeft gehad om de aanvraag aan te vullen. Een dergelijke brief schort de termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag op. Een en ander volgt uit artikel 4:5 en 4:15, eerste lid onderdeel a Awb.

Tweede en derde lid

De subsidie wordt verstrekt om zoveel mogelijk verschillende initiatieven te ondersteunen die een zo divers mogelijk publiek bereiken. Daarom is gekozen voor een tendersysteem. Nadat de aanvraagtermijn gesloten is, wordt een besluit genomen over de aanvragen. Een systeem waarbij op volgorde van binnenkomst wordt beslist is minder geschikt, omdat de activiteiten dan niet onderling kunnen worden afgewogen zodat een meest effectieve mix van initiatieven kan worden gehonoreerd.

Met de methode die in het tweede en derde lid is neergelegd, is het mogelijk de aanvragen te toetsen op een aantal criteria en onderling tegen elkaar af te wegen. Een puntensysteem maakt dat inzichtelijk. De aanvragen met de meeste punten worden het eerst gehonoreerd, daarna de volgende, en zo verder tot het subsidieplafond is bereikt. De referendumcommissie heeft hierbij een adviserende rol.

Vijfde lid

Een referendumproces wordt oplettend gevolgd door inwoners en lokale media. Hoewel het om relatief lage subsidiebedragen zal gaan, moet wel verantwoording over de bestede gelden worden afgelegd voordat de subsidie definitief wordt vastgesteld. Dat gebeurt via de aanvraag tot vaststelling.

Zesde lid

Als uit de overgelegde stukken (of op een andere manier) blijkt dat de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden, kan de subsidie lager worden vastgesteld dan was verleend, of zelfs worden ingetrokken. Hierbij kan het versterkte voorschot (vierde lid ) – deels – worden teruggevorderd (artikelen 4:48, eerste lid, en 4:57 van de Awb).

 

Artikel 12.Subsidieaanvragen

Eerste lid

De modelverordening van de VNG bevat geen bepaling over de aanvraag voor een subsidie bij een referendum. Toch is dit wenselijk. Het biedt het college de mogelijkheid om een apart aanvraagformulier ter beschikking te stellen, en aan te geven welke elementen een aanvraag moet bevatten, en welke bijlagen moeten worden bijgevoegd, zodat voor de aanvrager zoveel mogelijk duidelijkheid vooraf wordt bereikt.

Tweede lid

Het college stelt de begin- en einddatum van de aanvraagtermijn vast en maakt deze bekend.

 

Artikel 13. Procedure voorbereiding, stemming, uitslagbepaling en bekendmaking

Het ligt voor de hand om voor de procedures rond de stemming aan te sluiten bij de gang van zaken bij de raadsverkiezingen. Vandaar dat de desbetreffende bepalingen uit de Kieswet van overeenkomstige toepassing worden verklaard, voor zover er geen regeling in deze verordening zelf is opgenomen. Het gaat om de volgende onderdelen:

hoofdstuk E, paragraaf 2: de instelling en bemensing van stembureaus door het college;

hoofdstuk E, paragraaf 4: de instelling van het centraal stembureau (bij een lokaal referendum is er geen taak voor een hoofdstembureau; paragraaf 3 van hoofdstuk E is hier daarom niet vermeld);

hoofdstuk J: de stemming (met onder andere de oproep, de inrichting van het stemlokaal, het uitbrengen van de stem);

hoofdstuk L: het stemmen bij volmacht;

hoofdstuk N, paragraaf 1: de telling van de stemmen;

hoofdstuk P, paragraaf 1: de werkzaamheden van het centraal stembureau ten behoeve van de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag;

hoofdstuk P, paragraaf 4: de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag in een openbare zitting van het centraal stembureau. Ook is hier geregeld dat er een proces-verbaal van de werkzaamheden wordt opgemaakt. Zie over de bekendmaking ook de toelichting bij artikel 14.

 

Artikel 14. Uitslag

In artikel 14 zijn bepalingen opgenomen over de taken van het centraal stembureau bij de telling, de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag van een referendum. Deze wijken deels af van desbetreffende bepalingen in de Kieswet of vullen deze aan. Zie de toelichting bij artikel 13.

Onder andere artikel P23 van de Kieswet (onderdeel van paragraaf 4) is van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarin is geregeld dat het centraal stembureau zijn proces-verbaal met weglating van de ondertekening onverwijld op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar maakt. Daarbij is ook bepaald dat hiervoor bij ministeriële regeling een internetadres kan worden aangewezen. In het tweede lid van artikel 14 is verder bepaald dat het centraal stembureau de uitslag aan de raad overbrengt. Het vierde lid regelt dat de raad een uitspraak doet over de wettigheid van de stemming.

 

Artikel 15. Strafbepaling

Op grond van artikel 154, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van een verordening een straf stellen van ten hoogste drie maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie (€ 4.150,- in 2019). Voor het bepalen van wat strafbaar is, is aangesloten bij hoofdstuk Z, paragraaf 1, van de Kieswet.