Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Zwartewaterland

Beleidsregels terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal gemeente Zwartewaterland 2020

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieZwartewaterland
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregels terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal gemeente Zwartewaterland 2020
CiteertitelBeleidsregels terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal gemeente Zwartewaterland 2020
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 18a, 13e lid, van de Participatiewet
  2. artikel 18a, 14e lid, van de Participatiewet
  3. artikel 58, tweede lid, van de Participatiewet
  4. artikel 58, vijfde lid, van de Participatiewet
  5. artikel 58, zesde lid, van de Participatiewet
  6. artikel 58, zevende lid, van de Participatiewet
  7. artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet
  8. artikel 59 van de Participatiewet
  9. artikel 60, tweede lid, van de Participatiewet
  10. artikel 60, derde lid, van de Participatiewet
  11. artikel 60, vijfde lid, van de Participatiewet
  12. artikel 60, zesde lid, van de Participatiewet
  13. artikel 60a, eerste lid, van de Participatiewet
  14. artikel 60a, tweede lid, van de Participatiewet
  15. artikel 60a, derde lid, van de Participatiewet
  16. artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet
  17. artikel 60c van de Participatiewet
  18. artikel 61 van de Wet werk en bijstand
  19. artikel 17, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  20. artikel 20a, zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  21. artikel 20a, 12e lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  22. artikel 20a, 13e lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  23. artikel 25, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  24. artikel 25, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  25. artikel 25, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  26. artikel 25, zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  27. artikel 26 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  28. artikel 28, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  29. artikel 28, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  30. artikel 28, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  31. artikel 28, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  32. artikel 28, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  33. artikel 28, zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  34. artikel 29a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  35. artikel 17, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  36. artikel 20a, zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  37. artikel 20a, 12e lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  38. artikel 20a, 13e lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  39. artikel 25, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  40. artikel 25, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  41. artikel 25, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  42. artikel 25, zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  43. artikel 26 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  44. artikel 28, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  45. artikel 28, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  46. artikel 28, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  47. artikel 28, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  48. artikel 28, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  49. artikel 28, zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  50. artikel 29a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  51. artikel 39 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
  52. artikel 41 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
  53. artikel 42 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
  54. artikel 43 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
  55. artikel 8.1.2 van de Jeugdwet
  56. artikel 8.1.4 van de Jeugdwet
  57. artikel 2.3.10, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
  58. artikel 2.4.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
  59. artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht
  60. artikel 4:98 van de Algemene wet bestuursrecht
  61. artikel 4:113 van de Algemene wet bestuursrecht
  62. artikel 4:120 van de Algemene wet bestuursrecht
  63. https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Zwartewaterland/635113/CVDR635113_1.html
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

03-11-202001-10-2020Nieuwe regeling

01-09-2020

gmb-2020-282728

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal gemeente Zwartewaterland 2020

Burgemeester en wethouders van de gemeente Zwartewaterland;

gelet op:

  • artikel 18a, dertiende en veertiende lid, artikel 58, tweede en vijfde tot en met het achtste lid, artikel 59, artikel 60, tweede, derde, vijfde en zesde lid, artikel 60a, eerste tot en met het vierde lid, artikel 60c en artikel 61 van de Participatiewet;

  • artikel 17, derde lid, tweede volzin, artikel 20a, zevende, twaalfde en dertiende lid, artikel 25, tweede, vijfde tot en met het zevende lid, artikel 26, artikel 28, eerste, derde tot en met het zevende lid en artikel 29a van respectievelijk de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

  • artikel 39, artikel 41 tot en met 43 van het Bbz 2004;

  • artikel 8.1.2 en artikel 8.1.4 van de Jeugdwet;

  • artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e en artikel 2.4.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • artikel 4:81, artikel 4:98, artikel 4:113 en artikel 4:120 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • Hoofdstuk 8 van de Verordening Sociaal Domein gemeente Zwartewaterland 2020.

BESLUIT:

 

Vast te stellen de navolgende Beleidsregels terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal gemeente Zwartewaterland 2020

 

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1 Begrippen

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Awb: Algemene wet bestuursrecht;

    • b.

      bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;

    • c.

      BW: Burgerlijk Wetboek;

    • d.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwartewaterland;

    • e.

      inlichtingenplicht: de verplichting als bedoeld artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW/Z, artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 8.1.2 van de Jeugdwet, artikel 2.3.8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en hoofdstuk 8 van de Verordening Sociaal Domein gemeente Zwartewaterland 2020;

    • f.

      IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • g.

      IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • h.

      Jw: Jeugdwet;

    • i.

      onderhoudsplichtige: degene die een financiële bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de bijstandsgerechtigde en/of de/het ten laste komende kind(eren) dient te voldoen op grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een rechterlijke uitspraak;

    • j.

      uitkering(en): de door het college verleende bijstand op grond van de Participatiewet en de uitkering op grond van de IOAW en IOAZ, waaronder inbegrepen kan zijn de brutering;

    • k.

      Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • l.

      Bbz 2004: Het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2. Participatiewet, Bbz en IOAW/IOAZ

 

§ 1 Algemene bepalingen

Artikel 2.1 Algemene bepalingen

  • 1.

    Het college is verplicht het recht op uitkering te herzien of in te trekken op grond van artikel 54, derde lid eerste zin van de Participatiewet dan wel artikel 17, derde lid eerste zin van de IOAW/IOAZ.

  • 2.

    Het college is verplicht tot terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid alsmede artikel 25, eerste lid van de IOAW/IOAZ tenzij er sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet dan wel artikel 25, zevende lid, van de IOAW/IOAZ.

  • 3.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid het recht op uitkering te herzien of in te trekken op grond van artikel 54, derde lid tweede zin van de Participatiewet dan wel artikel 17, derde lid tweede zin van de IOAW/IOAZ ingeval geen sprake is van een wettelijke verplichte herziening of intrekking van het recht.

  • 4.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, artikel 59 van de Participatiewet, artikel 12 lid 2 sub c, artikel 39 en de artikel 41 tot en met 43 van het Bbz 2004 alsmede artikel 25, tweede en derde lid en artikel 26 van de IOAW/IOAZ.

  • 5.

    De belanghebbende, de gezinsleden en de verzwegen partner als bedoeld in artikel 59 van de Participatiewet dan wel artikel 26 van de IOAW/IOAZ zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de vordering.

  • 6.

    De invordering van terugvorderingsschulden gaan voor op de zogeheten concurrente vorderingen.

  • 7.

    Het college bruteert het (resterende) bedrag van de terugvordering indien de belanghebbende het verschuldigde bedrag niet betaalt in hetzelfde boekjaar waarin wordt teruggevorderd, tenzij hem dat niet kan worden verweten.

  • 8.

    De door de gemeente gedane afdracht van loonheffing bij de toepassing van artikel 12 lid 2 Bbz 2004 wordt teruggevorderd.

Artikel 2.2 Terugvorderingsbesluit

In het terugvorderingsbesluit wordt in ieder geval vermeld:

  • a.

    tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte ontvangen uitkering wordt teruggevorderd;

  • b.

    de reden van de terugvordering;

  • c.

    het wetsartikel, dat ten grondslag ligt aan de terugvordering;

  • d.

    de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de ten onrechte ontvangen uitkering moet terugbetalen;

  • e.

    op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd;

  • f.

    de rente en kosten die in rekening worden gebracht bij gebrekkige betaling;

  • g.

    de mogelijkheid dat indien het netto teveel betaalde bedrag aan uitkering niet is terugbetaald op 31 december, het restantbedrag alsnog bruto moet worden terugbetaald;

  • h.

    de bezwaarmogelijkheid.

§ 2 Aflossing, wijze van invordering en kruimelbedragen

Artikel 2.3 Aflossing leenbijstand

  • 1.

    De belanghebbende aan wie bijzondere bijstand is verstrekt in de vorm van een geldlening is verplicht tot een maandelijkse aflossing ter hoogte van 5% van de toepasselijke bijstandsnorm gedurende drie jaar indien in die periode een uitkering wordt ontvangen. Indien het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm te boven gaat, bedraagt de aflossingsruimte 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermeerderd met 35% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 2.

    Het college kan het percentage als bedoeld in het vorige lid hoger vaststellen indien het (resterende) voor beslag vatbare bedrag door een schuldeiser wordt opgeëist.

  • 3.

    Indien de aflossingsverplichting op grond van het vorige lid wordt verhoogd, dan wordt de periode als bedoeld in het eerste lid naar rato bepaald.

  • 4.

    Het college kan de aflossingsverplichting voor de belanghebbende als bedoeld in het eerste lid wijzigen indien de uitkering wordt beëindigd/ingetrokken of het inkomen/vermogen wordt gewijzigd.

Artikel 2.4 De betalingsverplichting en de betalingsregeling

  • 1.

    De belanghebbende is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van de terugvorderingsbeschikking het gehele bedrag terug te betalen.

  • 2.

    Indien verrekening als bedoeld in artikel 2.5 van deze beleidsregels niet mogelijk is, kan het college een aflossingsregeling met belanghebbende afspreken.

  • 3.

    De omvang van de betalingsverplichting op basis van de aflossingsregeling zoals bedoeld in het vorige lid wordt vastgesteld op tenminste 5% van de toepasselijke bijstandsnorm. Indien het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm te boven gaat, bedraagt de aflossingsruimte 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermeerderd met 35% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 4.

    In afwijking van lid 3 kan het college de omvang van de betalingsverplichting op basis van de aflossingsregeling lager vaststellen, indien de vordering binnen 24 maanden wordt voldaan.

  • 5.

    De betalingsverplichting en de aflossingsregeling als bedoeld in de vorige leden worden niet opgeschort in geval van (hoger) beroep tegen het intrekkings- of herzieningsbesluit, het terugvorderings- of boetebesluit of het besluit tot uitstel van betaling.

Artikel 2.5 Verrekening

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot verrekening op grond van artikel 60, derde en vierde lid en artikel 60a, eerste en vierde lid van de Participatiewet dan wel artikel 28, tweede, derde en zevende lid, van de IOAW/IOAZ.

  • 2.

    Het college gaat zo spoedig mogelijk na het besluit tot terugvordering over tot verrekening. Artikel 2.3 lid 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.6 Wettelijke rente en kosten

  • 1.

    Indien het college overgaat tot invordering bij dwangbevel als bedoeld in artikel 60, vijfde lid, van de Participatiewet dan wel artikel 28, vijfde lid, van de IOAW/IOAZ wordt de terugvordering verhoogd met de kosten van het dwangbevel. Wettelijke rente wordt niet in rekening gebracht.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het vorige lid wordt de terugvordering verhoogd met de op de invordering betrekking hebbende gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, indien deze is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder of incassobureau.

  • 3.

    De kosten van het dwangbevel zoals bedoeld in het eerste lid worden gesteld op € 70,-.

Artikel 2.7 Toerekenen aflossingsbedragen

  • 1.

    Betaling ter voldoening van een bepaalde geldschuld strekt in de eerste plaats tot mindering van de kosten, vervolgens tot mindering van de verschenen rente en ten slotte tot mindering van de hoofdsom en de lopende rente.

  • 2.

    Het college vordert de vorderingen op volgorde van boete, fraudevordering, overige vorderingen en geldlening in zolang de belanghebbende geen verzoek heeft gedaan op grond van artikel 4:92 lid 2 van de Awb.

Artikel 2.8 Kruimelbedragen

  • 1.

    Het college besluit niet tot terugvordering en/of verhaal over te gaan als de hoogte van de vordering op grond van de Participatiewet, IOAW, IOAW en het Bbz 2004 niet meer bedraagt dan € 50,00. Indien het college meerdere vorderingen heeft op de belanghebbende , dan geldt het minimumbedrag van € 50,00 voor het restsaldo van alle vorderingen tezamen.

Artikel 2.9 (Her)onderzoeken

  • 1.

    Op basis van de door het college aangeleverde gegevens over debiteuren met een schuld gerelateerd aan de bijstand, worden door het Inlichtingenbureau signalen retour geleverd aan het college over het inkomen en het vermogen van deze debiteuren. Naar aanleiding van deze signalen kan een heronderzoek plaatsvinden.

  • 2.

    Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, dient als gevolg van dit onderzoek de omvang van de betalingsverplichting opnieuw te worden vastgesteld.

  • 3.

    Bij vorderingen uit hoofde van bijstand die is verleend in de vorm van een geldlening voor duurzame gebruiksgoederen waarbij het aflosbedrag door de debiteur zonder onderbreking gedurende 36 maanden voldaan wordt, vindt een heronderzoek plaats na genoemde periode van 36 maanden.

  • 4.

    Bij vorderingen anders dan genoemd in lid 3 vindt jaarlijks een heronderzoek plaats.

     

§ 3 Kwijtschelding en buiten invordering stelling

Artikel 2.10 Kwijtschelding leenbijstand

  • 1.

    De belanghebbende als bedoeld in artikel 2.3 lid 1 van deze beleidsregels komt in aanmerking voor kwijtschelding van het restant van de geldlening indien hij gedurende ten minste drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, inhoudende dat hij in totaal 36 maandtermijnen heeft afgelost. Indien de belanghebbende geen of een onvolledige afloscapaciteit heeft (gehad), dient hij de gemiste maandtermijnen alsnog binnen de zes jaar te voldoen.

  • 2.

    De periode als bedoeld in het vorige lid wordt in navolging van artikel 2.3 lid 3 naar rato bepaald, indien de aflossingsverplichting anders wordt vastgesteld op grond van artikel 2.3 lid 2.

  • 3.

    De kwijtschelding wordt in beginsel ambtshalve verleend.

Artikel 2.11 Kwijtschelding openstaande vorderingen

  • 1.

    Het college kan overgaan tot kwijtschelding van het restant van een vordering welke niet het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht, indien de belanghebbende:

    • a.

      gedurende een periode van vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichting voldaan; of

    • b.

      gedurende vijf jaar niet (volledig) aan de opgelegde betalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag alsnog heeft voldaan; of

    • c.

      gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

    • d.

      een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost;

    • e.

      ingeval artikel 13 Bbz 2004 bij de toekenning van toepassing was bedraagt de terugbetalings-periode maximaal 10 jaar na beëindiging van de uitkering op grond van het Bbz 2004. Deze termijn kan na schriftelijk verzoek met maximaal 3 jaar worden verlengd. Na het voldoen aan de afgesproken aflossingsbedragen kan het restant worden kwijtgescholden.

  • 2.

    Het college kan overgaan tot kwijtschelding van het restant van een vordering welke het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht, indien de belanghebbende:

    • a.

      gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; of

    • b.

      gedurende tien jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; of

    • c.

      gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

    • d.

      een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost;

    • e.

      ingeval artikel 13 Bbz 2004 bij de toekenning van toepassing was bedraagt de terugbetalings-periode maximaal 10 jaar na beëindiging van de uitkering op grond van het Bbz 2004. Deze termijn kan na schriftelijk verzoek met maximaal 3 jaar worden verlengd. Na het voldoen aan de afgesproken aflossingsbedragen kan het restant worden kwijtgescholden.

  • 3.

    Een verzoek als bedoeld in lid 1 en 2 wordt afgewezen, indien de belanghebbende de positie van de gemeente als schuldeiser heeft benadeeld.

  • 4.

    De voorwaarden voor kwijtschelding gelden per vordering afzonderlijk.

  • 5.

    Het college kan een besluit tot (gedeeltelijke) kwijtschelding intrekken, indien op een later tijdstip blijkt dat de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Is echter vijf jaar of meer verstreken tussen het moment waarop de onjuiste dan wel onvolledige gegevensverstrekking bij het college bekend wordt en de datum waarop het kwijtscheldingsbesluit bekend is gemaakt, ziet het college daar van af.

Artikel 2.12 Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

  • 1.

    Het college besluit, onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de Participatiewet dan wel artikel 29a van de IOAW/IOAZ, tot medewerking aan een schuldregeling indien:

    • a.

      redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;

    • b.

      redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en

    • c.

      de vordering van de gemeente ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de overige schuldeisers van gelijke rang.

  • 2.

    Medewerking aan een schuldregeling, voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijk kwijtschelding van de vordering, kan niet worden verleend indien:

    • a.

      de terugvordering het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd dan wel aangifte bij het Openbaar Ministerie is gedaan;

    • b.

      de terugvordering het gevolg is van bijstandsverlening in de vorm van een geldlening wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b van de Participatiewet; of

    • c.

      de vordering wordt gedekt door hypotheek of pand op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

  • 3.

    Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien:

    • a.

      niet binnen 12 maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen gesteld in het eerste lid, of

    • b.

      de belanghebbende de vordering jegens de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet, of

    • c.

      onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Artikel 2.13 Kwijtschelding bedrijfskapitaal

Het college kan besluiten tot kwijtschelding van bedrijfskapitaal, verleend op grond van artikel 14 Bbz 2004, in de volgende gevallen:

  • a.

    geheel of gedeeltelijke kwijtschelding van bedrijfskapitaal is wettelijk mogelijk in die gevallen zoals beschreven in artikel 42, 43 en 43a tot en met d Bbz 2004;

  • b.

    indien bedrijfskapitaal verstrekt is volgens de artikelen 22 of 26 Bbz 2004 en dit volgens artikel 3 Bbz 2004 niet “om niet” verstrekt kan worden, bedraagt de terugbetalingsperiode maximaal 10 jaar na beëindiging van de uitkering op grond van het Bbz 2004. De termijn kan na schriftelijk verzoek met maximaal 3 jaar worden verlengd. Na het voldoen van aan de afgesproken aflossingsbedragen kan het restant worden kwijtgescholden;

  • c.

    er geen sprake is van vermogen waarmee de vordering geheel of gedeeltelijk kan worden voldaan;

  • d.

    Indien alle zekerheden zijn uitgewonnen.

Artikel 2.14 Kwijtschelding rente

Indien in het eerste en/of het tweede boekjaar volgende op het jaar van aanvraag algemene bijstand is verstrekt op grond van het Bbz 2004, en blijkt dat het totale inkomen van belanghebbende in die jaren beneden de toepasselijke jaarnorm lag, dan kan het college besluiten alsnog de verschuldigde rente of reeds betaalde rente (deels) kwijt te schelden of na te betalen. De kwijtschelding of nabetaling kan niet meer bedragen dan het verschil tussen de jaarnorm en het netto inkomen inclusief de verstrekte algemene en bijzondere bijstand in het boekjaar. Kwijtschelding is niet mogelijk als het vermogen hoger is dan de grenzen genoemd in artikel 3 Bbz 2004.

Artikel 2.15 Geen kwijtschelding bij krediethypotheek of dwanginvordering

  • 1.

    Kwijtschelding als bedoeld in deze beleidsregel vindt niet plaats als de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

  • 2.

    Het college gaat niet over tot kwijtschelding indien er sprake is van dwanginvordering.

Artikel 2.16 Buiten invordering stellen vordering bij geen schending inlichtingenplicht

Indien gedurende vijf jaar niet op een vordering, die niet is ontstaan als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht, is afgelost en de belanghebbende naar verwachting niet zal gaan aflossen, kan het college ambtshalve besluiten tot het buiten invordering stellen van het terug te vorderen bedrag indien:

  • a.

    de belanghebbende niet traceerbaar is en een periodiek onderzoek dienaangaande niet tot invorderingsmogelijkheden heeft geleid;

  • b.

    de belanghebbende in het buitenland woont en als gevolg daarvan incasso niet tot succes heeft geleid.

Artikel 2.17 Buiten invordering stellen vordering bij schending inlichtingenplicht

Indien gedurende tien jaar niet op een vordering die is ontstaan als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht is afgelost en de belanghebbende naar verwachting niet zal gaan aflossen, kan het college ambtshalve besluiten tot het buiten invordering stellen van het terug te vorderen bedrag indien:

  • a.

    de belanghebbende niet traceerbaar is en een periodiek onderzoek dienaangaande niet tot invorderingsmogelijkheden heeft geleid;

  • b.

    de belanghebbende in het buitenland woont en als gevolg daarvan incasso niet tot succes heeft geleid.

§ 4 Uitstel van betaling

Artikel 2.18 Verlenen van uitstel van betaling

  • 1.

    Het college kan op verzoek van belanghebbende uitstel van betaling geven voor de duur van maximaal één jaar, indien de (financiële) omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

  • 2.

    Het college verleent op verzoek van belanghebbende uitstel van betaling, indien naar het oordeel van het college het uitstel bijdraagt tot de oplossing van een schuldenproblematiek.

  • 3.

    Gedurende het uitstel wordt niet aangemaand of ingevorderd.

  • 4.

    De termijn waarvoor het uitstel geldt, wordt vastgelegd in de beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden.

Artikel 2.19 Weigeren van uitstel van betaling

Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als:

  • a.

    de medewerking aan het betalingsuitstel van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel van het college onvoldoende is;

  • b.

    onjuiste gegevens in het kader van het betalingsuitstel worden verstrekt;

  • c.

    de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;

  • d.

    de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld;

  • e.

    de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt om daarmee de verschuldigde vordering af te lossen;

  • f.

    de berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden;

  • g.

    de voorgestelde betalingsregeling zich over een onaanvaardbare termijn uitstrekt;

  • h.

    de betalingsproblemen structureel zijn en uitstel tot betaling geen uitkomst zal bieden;

  • i.

    als met de debiteur al eerder een regeling is afgesproken, maar hij deze niet is nagekomen.

Artikel 2.20 Intrekken of wijzigen beschikking tot uitstel van betaling

De beschikking tot uitstel van betaling kan worden gewijzigd of ingetrokken indien:

  • a.

    de getroffen regeling niet wordt nageleefd;

  • b.

    de debiteur onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid;

  • c.

    veranderde omstandigheden zich verzetten tegen de voortduring van het uitstel.

§ 5 Invordering

Artikel 2.21 Wijze van invordering

  • 1.

    De belanghebbende dient het bedrag ineens en terstond binnen zes weken na dagtekening van het besluit te voldoen.

  • 2.

    De belanghebbende kan een verzoek doen om een minnelijke betalingsregeling te treffen, wanneer hij niet kan voldoen aan het onder lid 1 bepaalde.

  • 3.

    Als op enig moment blijkt dat de belanghebbende beschikt of kan beschikken over een vermogen waaruit de ten onrechte ontvangen uitkering geheel of gedeeltelijk kan worden voldaan, wordt dat vermogen aangewend om de vordering, zoveel als mogelijk, ineens en terstond af te lossen.

  • 4.

    Bij de invordering van vorderingen op grond van Bbz 2004 wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • a.

      Een uitkering levensonderhoud teruggevorderd op grond van artikel 12 lid 2 sub c Bbz 2004 kan worden ingevorderd. Het college neemt aan de hand van het inkomen een invorderingsbesluit. Met de eerste termijn wordt rekening gehouden met de hoogte van het inkomen in het jaar van verstrekking en de van toepassing zijnde jaarnorm. Te hoge privé-uitgaven in het jaar van bijstandsverlening wordt hierbij als verwijtbaar gedrag gezien.

    • b.

      Levensonderhoud dat terugbetaald wordt in verband met het eigen vermogen is artikel 13 Bbz 2004 van toepassing. Terugvordering vindt plaats op het moment dat de door het college vastgestelde aflosverplichting niet nagekomen wordt. Met de eerste termijn wordt rekening gehouden met de hoogte van het inkomen in het jaar van verstrekking en de van toepassing zijnde jaarnorm. Te hoge privé-uitgaven in het jaar van bijstandsverlening wordt hierbij als verwijtbaar gedrag gezien.

    • c.

      Bij bedrijfskapitaal terwijl er nog een bestaand bedrijf bestaat beoordeelt het college of er invordering van de hoofdsom plus de rente achterstand ineens moet plaatsvinden. Het college beoordeelt of er een schuldregeling overeenkomstig artikel 42 Bbz 2004 noodzakelijk is of dat er een lagere betaalverplichting vastgesteld kan worden. Voorwaarde is dat het bedrijf dan levensvatbaar is. De wettelijke rente is van toepassing over de teruggevorderde hoofdsom en rente achterstand (Awb artikel 4:98 lid 1).

    • d.

      Ingeval van bedrijfsbeëindiging is het bedrijfskapitaal direct opeisbaar op grond van artikel 39 lid 2 sub b Bbz 2004 en kan worden teruggevorderd. Zekerheden worden uitgewonnen. Nadien er sprake is van een eigen woning en de lening voor bedrijfskapitaal onder verband van hypotheek of verpanding is verstrekt, is artikel 43 a tot en met d Bbz 2004 van toepassing.

    • e.

      Bij het bestaan van zekerheden worden deze uitgewonnen voor zover niet wettelijk geregeld. Bij bezit van een eigen woning moet beoordeeld worden of het behoud van de eigen woning financieel verantwoord is. Het college beoordeelt of er sprake is van verwijtbaar handelen bij de “verkoop” van zekerheden en stemt hier de incasso op af.

    • f.

      Indien er sprake is van samenwerkingsverbanden waarbij de medevennoot zich aansprakelijk gesteld heeft voor de het verstrekte bedrijfskapitaal, wordt bij het niet nakomen van de verplichtingen ook de medevennoot aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling. Er moet dan een privaatrechtelijke procedure worden opgestart bij de belanghebbenden die niet tot de doelgroep van het Bbz 2004 behoren.

Artikel 2.22 Hoogte aflossingsbedrag bij minnelijke betalingsregeling

De belanghebbende moet het bedrag binnen de gestelde termijn voldoen, maar als dit niet mogelijk is kan het college de aflossing als volgt bepalen:

  • a.

    De omvang van de betalingsverplichting wordt vastgesteld op tenminste 5% van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • b.

    Indien het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm te boven gaat, bedraagt de aflossingsruimte 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermeerderd met 35% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm.

Artikel 2.23 Brutering uitkering

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om op grond van artikel 58, vijfde lid Participatiewet en artikel 25 IOAW/IOAZ de uitkering bruto terug te vorderen, in de volgende situaties:

  • a.

    Het ontstaan van de terugvordering is aan belanghebbende te wijten; en

  • b.

    Het is belanghebbende te verwijten dat de terugvordering niet in hetzelfde boekjaar is voldaan zodat verrekening nog kon plaatsvinden.

Artikel 2.24 Aanmaning

  • 1.

    Als de schuldenaar in verzuim is, verzendt het college een aanmaning waarin de schuldenaar gesommeerd wordt om alsnog binnen twee weken te betalen. Bij niet tijdige betaling zal deze worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar invorderingsmaatregelen te treffen.

  • 2.

    De gemeente brengt voor een aanmaning geen kosten in rekening.

Artikel 2.25 Uitvoering invordering bij niet nakomen betalingsverplichting

Als de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:

  • a.

    verrekening met de maandelijks verleende bijstand of uitkering, op grond van artikel 48, vijfde lid, en artikel 60, derde lid van de Participatiewet, artikel 28, tweede lid en derde lid van de IOAW/IOAZ;

  • b.

    een executoriaal beslag in de zin van artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of;

  • c.

    beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of;

  • d.

    een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 2.26 Inschakeling derden en kosten uitvoering invordering

  • 1.

    Bij gebreke van tijdige betaling kan de invorderingsprocedure worden uitbesteed aan derden zoals een incassobureau of deurwaarder.

  • 2.

    De vordering wordt verhoogd met de wettelijke rente en de op de terugvordering betrekking hebbende kosten.

  • 3.

    Bij de tenuitvoerlegging van een dwangbevel bedragen de buitengerechtelijke invorderingskosten € 70,00. De gerechtelijke kosten worden berekend met toepassing van artikel 434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

     

§ 6 Verhaal

Artikel 2.27 Bevoegdheid tot het verhalen van bijstand

Het college maakt in beginsel gebruik van de bevoegdheid om de kosten van de bijstand te verhalen overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 6.5 van de Participatiewet, tenzij deze beleidsregels anders bepalen.

Artikel 2.28 Verplichting van de bijstandsgerechtigde

  • 1.

    Het college legt ingevolge artikel 55 van de Participatiewet de verplichting aan de bijstandsgerechtigde op om alimentatie naar draagkracht te vorderen middels een gerechtelijke uitspraak.

  • 2.

    Indien de alimentatie die vastgesteld is middels een gerechtelijke uitspraak niet tot uitbetaling komt, legt het college de verplichting op om uitbetaling af te dwingen, zo nodig door inschakeling van derden, zoals het LBIO of een deurwaarder.

Artikel 2.29 Verhaal van bijstand ten behoeve van ten laste komende kinderen

  • 1.

    Verhaal van de bijstand, welke ten behoeve van een ten laste komend kind wordt verstrekt, geschiedt naar draagkracht van de onderhoudsplichtige en tot maximaal de behoefte van het kind conform de Tremasystematiek, voor zover deze niet hoger is dan de kosten van bijstand (bruto verstrekte bijstand). De hoogte van de verhaalsbijdrage wordt bepaald op basis van de bij gemeente beschikbare inkomstengegevens. Indien deze niet bekend zijn, worden deze gegevens bij de onderhoudsplichtige opgevraagd.

  • 2.

    Indien de onderhoudsplichtige niet of onvoldoende voldoet aan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Participatiewet, wordt de hoogte van de verhaalsbijdrage voor (een) kind(eren) vastgesteld op basis van de hoogste inkomenscategorie conform de geldende behoeftetabel van de Trema-normen.

  • 3.

    Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 2.19 van deze beleidsregels, wordt verhaald in overeenstemming met de rechterlijke uitspraak, indien de onderhoudsplichtige de onderhoudsbijdrage die is vastgesteld bij rechterlijke uitspraak niet voldoet. Daarbij kan het college het verschuldigde bedrag verhogen met de wettelijke rente en met de invordering verband houdende kosten.

  • 4.

    Indien een executoriale titel is verkregen op grond van artikel 62b of artikel 62h van de Participatiewet en de onderhoudsplichtige voldoet de verschuldigde bijdrage niet, dan wordt deze ingevorderd bij dwangbevel conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 2.30 Verhaal van bijstand ten behoeve van jongmeerderjarigen

  • 1.

    Verhaal van de bijstand, welke ten behoeve van een jongmeerderjarige wordt verstrekt, geschiedt naar draagkracht van de onderhoudsplichtige en tot maximaal de hoogte van de aanvullende bijzondere bijstand voor de noodzakelijke bestaanskosten van de jongmeerderjarige. De hoogte van de verhaalsbijdrage wordt bepaald op basis van de bij gemeente beschikbare inkomstengegevens. Indien deze niet bekend zijn, worden deze gegevens bij de onderhoudsplichtige opgevraagd.

  • 2.

    Indien de onderhoudsplichtige niet of onvoldoende voldoet aan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Participatiewet, wordt de hoogte van de verhaalsbijdrage voor (de) jongmeerderjarige(n) vastgesteld op de hoogte van de aanvullende bijzondere bijstand voor de noodzakelijke bestaanskosten van de jongmeerderjarige.

  • 3.

    Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 2.18 van deze beleidsregels, wordt verhaald in overeenstemming met de rechterlijke uitspraak, indien de onderhoudsplichtige de onderhoudsbijdrage die is vastgesteld bij rechterlijke uitspraak niet voldoet. Daarbij kan het college het verschuldigde bedrag verhogen met de wettelijke rente en met de invordering verband houdende kosten.

  • 4.

    Indien een executoriale titel is verkregen op grond van artikel 62b of artikel 62h van de Participatiewet en de onderhoudsplichtige voldoet de verschuldigde bijdrage niet, dan wordt deze ingevorderd bij dwangbevel conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 2.31 Verhaal van bijstand ten behoeve van ex-partners

  • 1.

    Verhaal van de bijstand, welke ten behoeve van een ex-partner wordt verstrekt, geschiedt naar draagkracht van de onderhoudsplichtige berekend conform de Tremasystematiek en de geldende alimentatienormen. De hoogte van de verhaalsbijdrage wordt bepaald op basis van de bij gemeente beschikbare inkomstengegevens. Indien deze niet bekend zijn, worden deze gegevens bij de onderhoudsplichtige opgevraagd.

  • 2.

    Indien de onderhoudsplichtige niet of onvoldoende voldoet aan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Participatiewet, wordt de hoogte van de verhaalsbijdrage voor een ex-partner vastgesteld op basis van de hoogste inkomenscategorie conform de geldende behoeftetabel van de Trema-normen.

  • 3.

    Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 2.28 van deze beleidsregels, wordt verhaald in overeenstemming met de rechterlijke uitspraak, indien de onderhoudsplichtige de onderhoudsbijdrage die is vastgesteld bij rechterlijke uitspraak niet voldoet. Daarbij kan het college het verschuldigde bedrag verhogen met de wettelijke rente en met de invordering verband houdende kosten.

  • 4.

    Indien een executoriale titel is verkregen op grond van artikel 62b of artikel 62h van de Participatiewet en de onderhoudsplichtige voldoet de verschuldigde bijdrage niet, dan wordt deze ingevorderd bij dwangbevel conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 2.32 Afzien van verhaal om dringende redenen

Het college ziet geheel of gedeeltelijk af van het nemen van een verhaalsbesluit indien gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 2.33 Vaststelling van het te verhalen bedrag in verband met onderhoudsplicht

  • 1.

    Vaststelling van de draagkracht geschiedt volgens de zogeheten Tremanormen.

  • 2.

    Is er sprake van een recente rechterlijke uitspraak inzake alimentatie (niet ouder dan zes maanden), die gebaseerd is op een zelfstandig oordeel van de rechtbank, dan wordt deze uitspraak gevolgd door het college.

  • 3.

    De verhaalsbijdrage als gevolg van artikel 62 van de Participatiewet wordt opgelegd met ingang van de datum van eerste aanschrijving van degene op wie wordt verhaald.

Artikel 2.34 Indienen verzoekschrift ten behoeve van verhaal in rechte

  • 1.

    Indien degene op wie wordt verhaald een door het college vastgestelde verhaalsbijdrage niet (volledig) voldoet, wordt verhaal in rechte toegepast door middel van het indienen van een verzoekschrift bij de Rechtbank met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De indiening van een verzoekschrift dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden.

  • 2.

    Van verhaal in rechte wordt enkel afgezien als het verzoek om vaststelling in rechte met grote waarschijnlijkheid wordt afgewezen.

Artikel 2.35 (Her)onderzoeken

  • 1.

    Het college stelt een keer per 24 maanden een onderzoek in naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbijdrage ingevolge artikel 62 van de Participatiewet.

  • 2.

    Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, dient als gevolg van dit onderzoek de verhaalsbijdrage opnieuw te worden vastgesteld.

Hoofdstuk 3 Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

 

§ 1 Aflossing, wijze van invordering en kruimelbedragen

Artikel 3.1 De betalingsverplichting en de betalingsregeling

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid zoals genoemd in artikel 2.4.1 Wmo 2015 en artikel 8.1.4 Jw.

  • 2.

    Degene van wie het college de geldswaarde van een maatwerkvoorziening (Wmo 2015) of een persoonsgebonden budget (Jw/Wmo 2015) terugvordert, is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van de terugvorderingsbeschikking het gehele bedrag terug te betalen.

  • 3.

    Indien geen gebruik wordt gemaakt van verrekening als bedoeld in hoofdstuk 8 van de Verordening Sociaal Domein gemeente Zwartewaterland 2020 kan het college een aflossingsregeling met belanghebbende afspreken.

  • 4.

    De omvang van de betalingsverplichting op basis van de aflossingsregeling zoals bedoeld in het vorige lid wordt vastgesteld op tenminste 5% van de toepasselijke bijstandsnorm. Indien het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm te boven gaat, bedraagt de aflossingsruimte 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermeerderd met 35% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 5.

    In afwijking van lid 3 en 4 kan het college de omvang van de betalingsverplichting op basis van de aflossingsregeling lager vaststellen, indien de vordering binnen 24 maanden wordt voldaan.

  • 6.

    De betalingsverplichting en de aflossingsregeling als bedoeld in de vorige leden worden niet opgeschort in geval van een (hoger) beroep tegen het intrekkings- of herzieningsbesluit, het terugvorderings- of boetebesluit of het besluit tot uitstel van betaling.

  • 7.

    Dit artikel is van overeenkomstige toepassing voor de derde als bedoeld in artikel 2.4.1 van de Wmo 2015.

Artikel 3.2 Wettelijke rente en kosten

  • 1.

    Indien het college overgaat tot invordering bij dwangbevel als bedoeld in artikel 8.1.4, derde lid, van de Jw dan wel artikel 2.4.1, tweede lid, van de Wmo 2015 wordt de terugvordering verhoogd met de kosten van het dwangbevel. Wettelijke rente wordt niet in rekening gebracht.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het vorige lid wordt de terugvordering verhoogd met de op de invordering betrekking hebbende gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, indien deze is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder of incassobureau.

  • 3.

    De kosten van het dwangbevel zoals bedoeld in het eerste lid bedragen € 70,00.

  • 4.

    Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing indien het de geldswaarde van een individuele voorziening op grond van de Jw betreft.

Artikel 3.3 Kruimelbedragen

Het college handelt voor kruimelbedragen overeenkomstig artikel 2.8 van deze beleidsregels.

Artikel 3.4 Heronderzoek

Het college voert tenminste één keer per jaar een periodiek onderzoek uit naar de betalingsmogelijkheden en/of de aflossingscapaciteit van de debiteur.

 

§ 2 Kwijtschelding en buiten invordering stellen

Artikel 3.5 Kwijtschelding

Het college handelt voor de kwijtschelding van vorderingen overeenkomstig artikel 2.10 en 2.11 van deze beleidsregels.

Artikel 3.6 Buiten invordering stellen

Het college handelt voor het buiten invordering stellen van vorderingen overeenkomstig de artikelen 2.12 en 2.13 van deze beleidsregels.

 

§ 3 Uitstel van betaling

Artikel 3.7 Uitstel van betaling

Het college handelt voor het verlenen en weigeren van uitstel van betaling én het intrekken of wijzigen van de beschikking tot uitstel van betaling overeenkomstig de artikelen 2.14, 2.15 en 2.16 van deze beleidsregels.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 Bezwaar- en beroepschrift

  • 1.

    Als de schuldenaar een gemotiveerd bezwaarschift tegen een vordering indient, merkt het college het bezwaarschrift aan als een verzoek van uitstel van betaling.

  • 2.

    Een beroepschrift tegen de beslissing op het bezwaarschrift en een door de schuldenaar ingesteld beroep tegen een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een dergelijke uitspraak, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling.

Artikel 4.2 Hardheidsclausule

Het college kan bepalingen uit deze beleidsregels buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing van die bepalingen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 4.3 Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 01-10-2020 onder gelijktijdige intrekking van het “Debiteurenplan gemeente Zwartewaterland 2010”.

  • 2.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregels terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal gemeente Zwartewaterland 2020”.

Artikel 4.4 Bevoegdheid college

In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college conform de wet en toepasselijke rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Aldus vastgesteld in de vergadering d.d. 01-09-2020 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwartewaterland.

Burgemeester en wethouders van Zwartewaterland,

De secretaris,

drs. D.S.Ruddijs

de burgemeester,

ing. E.J.Bilder

Toelichting

Algemene toelichting

Op grond van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving is het college verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Ook het aan het terugvorderingsbesluit voorafgaande herzieningsbesluit of intrekkingsbesluit is een verplichting voor het college. Deze verplichtingen zijn ook van toepassing voor de Bbz 2004 en de IOAW/IOAZ.

 

Het kan voor komen dat het college het terugvorderingsbedrag moet matigen omdat de hoogte van het bedrag niet in verhouding staat tot het reparatoire karakter van de terugvordering. Dat heeft de Centrale Raad van Beroep beslist. Er zijn ook situaties denkbaar waarbij de ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen bijstand niet het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht. In die gevallen is het nemen van een terugvorderingsbesluit een discretionaire bevoegdheid van het college.

 

In deze beleidsregels is het uitgangspunt neergelegd dat het college ook in die gevallen overgaat tot terugvordering en voor zover van toepassing daaraan voorafgaande een herzieningsbesluit of intrekkingsbesluit neemt. De wettelijke verplichtingen van het college hebben ook gevolgen voor de bevoegdheid om tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de vordering over te gaan en het verlenen van medewerking aan een schuldregeling. Het college is daarbij gehouden aan de wettelijke voorwaarden. In de beleidsregels is alvast rekening gehouden met de invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet per 01-01-2021.

 

Voor de kwijtschelding van vorderingen wordt onderscheid gemaakt in vorderingen die het gevolg zijn van het schenden van de inlichtingenplicht en vorderingen die niet het gevolg zijn van het schenden van de inlichtingenplicht. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om van alle gezinsleden en van de zogeheten verzwegen partner terug te kunnen vorderen. Het uitgangspunt is dat het college gebruik maakt van de bevoegdheid. Verder wordt nog aangegeven hoe het college de omvang van de aflossingsverplichting vaststelt.

 

Het verhalen van de kosten van bijstand is een bevoegdheid van het college. Het uitgangspunt is dat het college gebruik maakt van deze bevoegdheid. Verhaal heeft nooit betrekking op personen die de bijstand zelf ontvangen, maar op derden zoals de onderhoudsplichtige. Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de bijstand te verhalen op derden in verband met een schenking of op de nalatenschap (erfgenamen) van een overleden bijstandsgerechtigde.

 

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om ook beleidsregels op te nemen in het geval het college overgaat tot terugvordering op grond van de Jeugdwet of de Wmo 2015. Daarbij is zoveel mogelijk gebruik gemaakt om overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de Participatiewet en de IOAW/IOAZ te handelen voor zover het college daar de wettelijke bevoegdheid voor heeft. In dat kader zijn er verschillen. Zo kan op grond van de Jeugdwet en de Wmo 2015 en de daarop gebaseerde regelgeving niet worden teruggevorderd van gezinsleden of een verzwegen partner.

 

Deze beleidsregels laten onverlet dat het college gehouden kan zijn om gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Begrippen

Speken voor zich, behoeven geen toelichting.

Hoofdstuk 2 Participatiewet en IOAW/Z

§ 1 Algemene bepalingen

Artikel 2.1 Algemene bepalingen

Eerste en tweede lid

Bij een terugvordering die het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht is het college verplicht om terug te vorderen (artikel 58 lid 1 Participatiewet, artikel 25 lid 1 IOAW/IOAZ). Wel is een voorafgaand intrekkings- of herzieningsbesluit nodig (artikel 54 lid 3, eerste zin, Participatiewet, artikel 17 lid 3, eerste zin, IOAW/IOAZ). Ook deze intrekking of herziening is verplicht.

 

Het gegeven dat artikel 58 lid 1 Participatiewet en artikel 25 lid 1 IOAW/IOAZ een verplichtend karakter hebben, staat er niet aan in de weg dat bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag rekening wordt gehouden met een eventueel aanvullend recht op bijstand. Immers kan op grond van deze artikelen niet méér worden teruggevorderd dan per saldo ten onrechte aan bijstand is verleend. Hierbij is van belang dat een besluit tot terugvordering op grond van artikel 58 lid 1 Participatiewet en artikel 25 lid 1 IOAW/Z reparatoir van aard is en niet gericht op sanctionering, maar op herstel in de rechtmatige toestand, zoals die zou hebben bestaan indien de belanghebbende van meet af aan de juiste inlichtingen had verstrekt.

Het is in een dergelijke situatie aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat (aanvullende) bijstand zou zijn verstrekt indien de verplichting tot het geven van inlichtingen wél naar behoren zou zijn nagekomen1. Zie eveneens de uitspraak van de CRvB2 waarin staat dat het college de terugvordering had moeten matigen tot de waarde van het onroerend goed.

 

In het geval vermogensbestanddelen zijn verzwegen en belanghebbende daardoor feitelijk vermogen boven de actuele vermogensgrens heeft gehad, heeft hij gedurende die gehele periode geen recht op bijstand. Intrekking van het recht op bijstand over die periode is verplicht. Niettemin prevaleert bij de terugvordering dan het reparatoire karakter van de terugvordering en moet de terugvordering in voorkomende gevallen worden beperkt tot het ‘vermogensoverschot’.

 

Indien iemand ten onrechte als alleenstaande (ouder) is aangemerkt, terwijl hij als gehuwd had moeten worden aangemerkt, staat daarmee ook vast dat hij over die periode geen recht op bijstand als alleenstaande (ouder) heeft gehad. Het recht op bijstand of uitkering over de betreffende periode moet worden ingetrokken. Niettemin prevaleert bij de terugvordering het reparatoire karakter van de terugvordering.

 

Het gegeven dat artikel 58 lid 1 Participatiewet verplicht tot terugvordering bij schending van de inlichtingenplicht, staat er niet aan in de weg dat bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag rekening wordt gehouden met een eventueel recht op bijstand naar de norm voor gehuwden Indien en voor zover belanghebbende voldoende aannemelijk maakt dat hij wel nog (gedeeltelijk) recht op bijstand zou hebben gehad naar de norm voor gehuwden, indien hij wel zijn inlichtingenplicht was nagekomen, dient de terugvordering overeenkomstig te worden gematigd3.

Derde en vierde lid

Aan deze bevoegdheid wordt uiteraard niet toegekomen indien het college in redelijkheid niet kan overgaan tot herziening dan wel intrekking van het recht. Terugvordering op grond van artikel 58 lid 2 onder a Participatiewet dan wel artikel 25 lid 2 en 3 IOAW/IOAZ vereist een voorafgaand intrekkings- of herzieningsbesluit op grond van artikel 54 lid 3, tweede zin Participatiewet dan wel artikel 17 lid 3 tweede zin IOAW/IOAZ. Bij deze herziening is van belang dat belanghebbende had moeten kunnen begrijpen dat hij teveel of ten onrechte bijstand ontving4.

Artikel 58 lid 2 onder b Participatiewet

Bij het niet nakomen van de aan de geldlening verbonden verplichting(en) gaat het in de eerste plaats om het niet nakomen van de aflosverplichting(en). Het niet meewerken aan het vestigen van een pand- of hypotheekrecht valt hier ook onder. Indien er zekerheden zijn gesteld als pand of hypotheek, kan het college besluiten om deze zekerheden uit te winnen ter terugbetaling van de lening. Artikel 58 lid 2 onder b Participatiewet maakt bij niet (behoorlijke) nakoming van de uit een geldlening voortvloeiende verplichtingen terugvordering van de reeds verstrekte leenbijstand mogelijk zonder dat een afzonderlijk besluit tot intrekking van die bijstand behoeft te worden genomen5.

Artikel 58 lid 2 onder c Participatiewet

Ingeval van bijstandsverlening in de vorm van het stellen van een borgtocht, dan kan de schuldeiser het college (voor maximaal de borg) aanspreken op het moment dat de belanghebbende zijn betalingsverplichtingen niet (meer) nakomt. Het college kan de kosten van bijstand van belanghebbende terugvorderen, op het moment dat de schuldeiser het college aanspreekt6.

Artikel 58 lid 2 onder d Participatiewet

Het kan voor komen dat het college onder toepassing van artikel 52 Participatiewet een voorschot heeft verleend, maar achteraf blijkt dat de aanvraag in verband waarmee de voorschotten zijn verstrekt, wegens ontbrekende gegevens buiten behandeling is gesteld conform artikel 4:5 lid 1 aanhef en onderdeel c Awb. Strikt genomen is na het verstrekken van de voorschotten niet inhoudelijk beoordeeld of belanghebbende op dat moment geen recht op bijstand had. Een redelijke wetsuitleg brengt echter mee dat in een geval waarin de aanvraag niet heeft geleid tot toekenning van de bijstand omdat de aanvraag buiten behandeling is gesteld, op één lijn wordt gesteld met de situatie waarin wel is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat7.

Artikel 58 lid 2 onder e Participatiewet

Het gaat hier om situaties waarin het college feitelijk meer heeft betaald dan was toegekend (onverschuldigd betaald). Herziening of intrekking is dan niet aan de orde (de toekenning zelf is immers juist). Deze terugvorderingsbevoegdheid kan alleen worden uitgeoefend als belanghebbende redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hij teveel aan bijstand ontving. De bevoegdheid tot terugvordering verjaart na 2 jaar (artikel 58 lid 6 Participatiewet).

Artikel 58 lid 2 onder f sub 1 Participatiewet

Het gaat hier om aanspraken op middelen die ten tijde van de betreffende periode van bijstandsverlening nog niet verzilverd kunnen worden. Terugvordering is mogelijk op het moment dat de aanspraken wel verzilverd kunnen worden. Voorbeelden zijn: een nog niet afgewikkelde erfenis, de afwikkeling van een schadevergoeding na een eerder ongeval en de nabetaling van salaris of een uitkering. Hierbij is het onderscheid tussen inkomen en vermogen van belang.

Vermogen

Achteraf ontvangen vermogen moet worden opgeteld bij het vermogenssaldo ten tijde van de aanvang van de bijstandsverlening of, als dat later is, ten tijde van het ontstaan van de aanspraak. Voor zover dan, achteraf bezien het vermogen de vermogensgrens heeft overschreden, kan er worden teruggevorderd tot maximaal de verleende bijstand. Vermogensbestanddelen moeten daarbij worden gewaardeerd naar de waarde op het moment dat belanghebbende hierover daadwerkelijk kan beschikken. In het geval van een erfenis ontstaat de aanspraak op de datum van overlijden van de erflater8 en in het geval van een schadevergoeding wegens een ongeval ontstaat de aanspraak op de datum van het ongeval9.

Inkomen

Achteraf ontvangen middelen die als inkomen worden aangemerkt, moeten worden toegerekend aan de periode waarop het betrekking heeft. Als over deze periode bijstand is verleend, kan de bijstand worden teruggevorderd ter hoogte van dit inkomen maar nooit meer dan er aan bijstand is verleend. Voor zover de nabetaling van inkomen ziet op een periode voorafgaand aan de bijstandsverlening, wordt deze nabetaling als vermogen aangemerkt en geldt hetgeen hiervoor over vermogen is gezegd overeenkomstig.

Inlichtingenplicht

Op het moment dat over de middelen wordt beschikt of redelijkerwijs kan worden beschikt, is belanghebbende verplicht daar melding van te doen bij het college (artikel 17 lid 1 Participatiewet). Doet belanghebbende dat niet, dan is er sprake van een schending van de inlichtingenplicht. Dit betekent ook dat het college verplicht is de ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen bijstand terug te vorderen vanaf de datum van de schending (artikel 58 lid 1 Participatiewet). Omdat er dan geen sprake is van een zelfstandig terugvorderingsbesluit, is het college verplicht om eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit te nemen (artikel 54 lid 3 eerste zin Participatiewet).

 

Daarnaast is het college in principe verplicht is om een bestuurlijke boete op te leggen (artikel 18a lid 1 Participatiewet). Daarbij wordt opgemerkt dat de bestuurlijke boete alleen betrekking kan hebben op de periode (terugvordering) vanaf de datum of de periode dat belanghebbende de inlichtingenplicht heeft geschonden.

Artikel 58 lid 2 onder f sub 2 Participatiewet

Het gaat hierbij om een achteraf ontvangen vergoeding voor kosten waarvoor bijstand is verleend. Een voorbeeld is een proceskostenvergoeding in gevallen waarin eerder bijzondere bijstand was verleend voor de eigen bijdrage rechtsbijstand en/of het griffierecht.

Artikel 59 lid 2 Participatiewet en artikel 26 IOAW/IOAZ

In dit artikel wordt de mogelijkheid geschept om ook van een verzwegen partner te kunnen terugvorderen (dit betreft dat een zelfstandig terugvorderingsbesluit). De verzwegen partner kan tegen dit besluit bezwaar en beroep instellen. Daarbij kan ook de gezamenlijke huishouding c.q. het niet duurzaam gescheiden leven ter discussie worden gesteld. De verzwegen partner is immers geen belanghebbende bij de intrekking en terugvordering van de uitkerings-ontvangende partner. Het college moet het besluit separaat toezenden aan de verzwegen partner. Het enkele feit dat de belanghebbende en vermeende partner op hetzelfde adres wonen, maakt dit niet anders, zeker niet indien de door het college veronderstelde gezamenlijke huishouding wordt betwist10.

Dringende redenen

Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering is alleen mogelijk in het geval van dringende redenen (artikel 58 lid 8 Participatiewet, artikel 25 lid 7 IOAW/IOAZ). Deze dringende redenen moeten betrekking hebben op de gevolgen van de terugvordering en dus niet op de omstandigheden die hebben geleid tot de terugvordering. Naar vaste jurisprudentie van de CRvB gaat het daarbij dan om een zodanig bijzondere situatie dat terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de belanghebbende11.

Vijfde lid

Op grond van artikel 59 lid 4 Participatiewet zijn alle gezinsleden van wie de bijstand kan worden teruggevorderd op grond van het eerste, tweede of derde lid hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de vordering. Op grond van artikel 26 lid 3 IOAW/IOAZ is de belanghebbende en de persoon met wiens inkomen rekening had moeten worden gehouden hoofdelijk aansprakelijk. Dit houdt in dat elk gezinslid afzonderlijk verplicht is tot betaling van het gehele bedrag, met dien verstande dat wat de één betaalt ook voor de ander als bevrijdend betaald geldt. Hoe betrokkenen de betaling van de schuld onderling regelen, is voor het college niet relevant. Naar de letter van de Participatiewet ziet de hoofdelijke aansprakelijkheid ook op eventuele minderjarige kinderen indien zij in de teruggevorderde bijstand waren begrepen. Het college gaat hieraan in de praktijk voorbij. Dat wil zeggen dat het college de hoofdelijke aansprakelijkheid niet zal inroepen ten aanzien van minderjarige kinderen zodra zij de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt.

Zesde lid

De terugvordering is een preferente vordering, direct volgend op de vorderingen genoemd in artikel 3:288 BW (artikel 60 lid 7 Participatiewet, artikel 30 IOAW/IOAZ). Daarmee gaat de invordering van terugvorderingsschulden voor op de zogeheten concurrente vorderingen.

 

Daarnaast kunnen er ook vorderingen zijn met een gelijke preferentie (bijvoorbeeld de terugvordering in een andere gemeente). Deze rangregeling is van belang voor de mogelijkheden tot pseudo-verrekening en beslaglegging. Als het college zelf kan verrekenen, is de rangorde niet van belang, aangezien verrekening altijd boven beslag gaat (zie artikel 2.5 van deze beleidsregels).

Zevende lid

Een terugvordering wordt in eerste instantie netto berekend. Na afloop van het kalanderjaar waarop de betreffende terugvordering ziet, kan het college de vordering bruteren (artikel 58 lid 5 Participatiewet, artikel 25 lid 5 IOAW/IOAZ). Indien het betreffende kalenderjaar op het moment van terugvorderen nog niet is verstreken, kan een bruteringsbesluit pas worden genomen op het moment dat het kalenderjaar is verstreken12. Bruteren is een discretionaire bevoegdheid. Het college mag geen gebruik maken van deze bevoegdheid in gevallen waarin belanghebbende geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van de vordering of het niet terugbetalen binnen het lopende kalenderjaar13.

Achtste lid

Gelijk aan de gedachtenlijn van het zevende lid geldt ook voor de Bbz 2004 dat de gedane afdracht van loonheffing wordt teruggevorderd.

Artikel 2.2 Terugvorderingsbesluit

Dit artikel beschrijft de vormvereisten waaraan een beschikking minimaal moet voldoen. Een aanvulling op individuele gronden is ten allen tijde mogelijk.

§ 2 Aflossing, wijze van invordering en kruimelbedragen

Artikel 2.3 Aflossing leenbijstand

Eerste lid

Dit lid bepaalt de hoogte en duur van de aflossing. Vooruitlopend op de implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet14, waarin een beslagvrije voet van 95% wordt gehanteerd, wordt uitgegaan van 5% aflossingsruimte indien de belanghebbende een uitkering ontvangt. Als het inkomen hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt de aflossingsruimte van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm vermeerderd met 35% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm. Met deze regeling stimuleert het college het principe dat werk moet lonen. Immers gaat de debiteur er toch op vooruit als hij tegen een laag loon aan het werk gaat.

Tweede tot en met vierde lid

In deze leden is bepaald in welke situaties het college de hoogte van aflossingsverplichting kan wijzigen.

Artikel 2.4 De betalingsverplichting en de betalingsregeling

Eerste lid

De belanghebbende is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van de terugvorderingsbeschikking het gehele bedrag terug te betalen (artikel 4:87 lid 1 Awb).

Tweede en derde lid

Het college kan een aflossingsregeling met belanghebbende afspreken. Bij het vaststellen van het aflossingsbedrag moet het college de beslagvrije voet respecteren. Het college kiest ervoor om de aflossingsruimte tenminste op 5% van het inkomen vast te stellen. In lijn met artikel 2.2 van deze beleidsregels wordt het gedeelte van het inkomen dat hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm voor 35% in aanmerking genomen als extra aflossingsruimte. Met eventuele aflossingen die belanghebbende doet op andere schulden hoeft het college geen rekening te houden, als het gaat om schulden die niet of minder preferent zijn dan de terugvordering.

Vierde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Vijfde lid

In artikel 6:16 Awb is vastgelegd dat een bezwaar of beroep geen schorsende werking heeft van het besluit waartegen het gericht is. Het college vindt echter dat een bezwaarschrift aangemerkt moet worden als zijnde een verzoek van uitstel tot betaling (en dus een schorsende werking heeft). Dat geldt niet voor een ingediend beroepschrift

Artikel 2.5 Verrekening

Eerste en tweede lid

Verrekenen

Op grond van artikel 60 lid 3 Participatiewet of artikel 28 lid 2 IOAW/IOAZ is het college bevoegd om de terugvordering te verrekenen met een lopende uitkering. Hierbij moet in beginsel de beslagvrije voet worden gerespecteerd. Voor wat betreft de hoogte van het te verrekenen bedrag (de aflossingsruimte) sluit het college, vooruitlopend op het wetsvoorstel Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, aan bij hetgeen is bepaald in artikel 2.3 lid 3 en 4 van deze beleidsregels. Indien het een vordering betreft wegens het schenden van de inlichtingenplicht, is deze vorm van verrekenen (indien mogelijk) verplicht (artikel 60 lid 4 Participatiewet, artikel 28 lid 3 IOAW/IOAZ). Op grond van artikel 60a lid 4 Participatiewet dan wel artikel 28 lid 7 IOAW/IOAZ kan het college de terugvordering verrekenen met elke andere vordering die belanghebbende op het college heeft. Het college kan bijvoorbeeld een te betalen vergoeding voor proceskosten of een verschuldigde dwangsom afboeken op de terugvordering15.

Pseudo-verrekenen

Indien belanghebbende een uitkering ontvangt in een andere gemeente, moet deze andere gemeente de uitkering boven de beslagvrije voet afdragen aan de gemeente, indien het college daarom vraagt (artikel 60a lid 1 Participatiewet, artikel 28 lid 4 IOAW/IOAZ). Hetzelfde geldt voor de door het UWV verstrekte uitkeringen (artikel 60a lid 2 Participatiewet, artikel 28 lid 4 IOAW/IOAZ) en voor de door de SVB verstrekte uitkeringen (artikel 60a lid 3 Participatiewet, artikel 28 lid 4 IOAW/IOAZ). Aangenomen wordt dat pseudoverrekening ook mogelijk is op grond van artikel 47a lid 2 jo. artikel 60a lid 1 Participatiewet, als het gaat om een door de SVB betaalde AIO-uitkering.

Artikel 2.6 Wettelijke rente en kosten

Indien belanghebbende niet zelf overgaat tot betaling van de schuld en verrekening of pseudo-verrekening niet mogelijk is, kan het college overgaan tot invordering bij dwangbevel. Voor het betekenen van het dwangbevel is geen deurwaarder nodig (artikel 60 lid 5 Participatiewet, artikel 28 lid 5 IOAW/IOAZ). Met dit dwangbevel kan het college bijvoorbeeld beslag leggen op het loon van belanghebbende bij een werkgever. Indien een terugvordering niet tijdig wordt terugbetaald, mag het college ook de wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel in rekening brengen. De wettelijke rente16 wordt niet in rekening gebracht. Daarnaast kan het college de vordering ophogen met kosten (artikel 58 lid 5 Participatiewet, artikel 25 lid 5 IOAW/IOAZ). Dit zijn de bruto kosten van de uitkering en de invorderingskosten die het college heeft moeten maken na de verzending van het besluit tot terugvordering17. Het gaat dan bijvoorbeeld om de kosten van de beslaglegging die een deurwaarder of een incassobureau met zich meebrengt. De kosten voor een dwangbevel worden op € 70,00 gesteld.

Met het dwangbevel kan het college ook beslag leggen op eventuele bezittingen van belanghebbende. Hiervoor is wel een deurwaarder nodig. Het college maakt in beginsel gebruik van de bevoegdheden zoals genoemd in dit artikel.

Artikel 2.7 Toerekenen aflossingsbedragen

Dit artikel bepaalt de wijze waarop het college aflossingsbedragen toerekent (artikel 4:92 lid 1 Awb).

Artikel 2.8 Kruimelbedragen

Deze situatie kan zich voordoen tijdens de verlening van bijstand of een uitkering maar ook in situaties waarin bijstand of een uitkering wordt beëindigd/ingetrokken. Indien het college vaststelt dat het netto terug te vorderen bedrag lager is dan € 100,00 netto, dan wordt van terugvordering afgezien. De kruimelbedragen gelden per afzonderlijke vordering.

Artikel 2.9 (Her)onderzoeken

Standaard vinden de heronderzoeken één keer per 12 maanden plaats. Een uitzondering hierop vormt de vorderingen leenbijstand in verband met duurzame gebruiksgoederen. Zoals de schuldenaar een uitkering ontvangt, maandelijks aflost en de termijn van 36 maanden is nog niet verstreken wordt er pas een heronderzoek uitgevoerd ná afloop van de periode van 36 maanden.

§ 3 Kwijtschelding en buiten invordering stellen

Artikel 2.10 Kwijtschelding leenbijstand

Eerste en derde lid

Dit artikel bepaalt de voorwaarden voor kwijtschelding van de bijzondere bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening. Belanghebbende hoeft hier geen verzoek voor in te dienen. De geldlening wordt kwijtgescholden indien belanghebbende gedurende een aaneengesloten periode van tenminste drie jaar volledig aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan (36 maandtermijnen heeft afgelost). Hij dient dus binnen een tijdsbestek van drie jaar, tenminste 36 termijnbedragen te voldoen. Als belanghebbende over een bepaalde maand verzuimt zijn aflossingsverplichting na te komen, maar deze maandtermijn alsnog voldoet voordat de drie-jarentermijn is verstreken, komt hij alsnog voor kwijtschelding in aanmerking.

Tweede lid

Indien de aflossingsverplichting op grond van artikel 2.3 lid 2 van deze beleidsregels hoger wordt vastgesteld, is kwijtschelding eerder aan de orde. Deze termijn wordt naar rato bepaald en is overeenkomstig aan de termijn van artikel 2.3 lid 3 van deze beleidsregels.

Artikel 2.11 Kwijtschelding openstaande vorderingen

Eerste en tweede lid

Om voor kwijtschelding als bedoeld in dit artikel in aanmerking te komen, zal belanghebbende een verzoek moeten indienen. Zo’n verzoek wordt bij voorkeur schriftelijk gedaan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen die niet het gevolg zijn van het schenden van de inlichtingenplicht (eerste lid) en vorderingen die wel op grond daarvan zijn ontstaan (tweede lid). Het eerste lid bepaalt dat een vordering op verzoek wordt kwijtgescholden indien belanghebbende gedurende een periode van vijf jaar volledig aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan. Is dat niet het geval, dan zal belanghebbende alsnog aan zijn achterstallige aflossingsverplichting moeten voldoen om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. De maanden in de periode van vijf jaar waarin het college heeft besloten de afloscapaciteit te verlagen of (tijdelijk) op nihil te stellen, tellen mee voor de periode van vijf jaar.

 

Het tweede lid bepaalt dat een vordering op verzoek wordt kwijtgescholden indien belanghebbende gedurende een periode van 10 jaar volledig aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan. Is dat niet het geval, dan zal belanghebbende alsnog aan zijn achterstallige aflossingsverplichting moeten voldoen om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Dat is bepaald in artikel 58 lid 7 onderdeel a en b Participatiewet, artikel 25 lid 6 onderdeel a en b IOAW/IOAZ. Bij vorderingen als bedoeld in het tweede lid tellen de maanden waarin belanghebbende niet of niet volledig heeft afgelost niet mee voor de periode van 10 jaar. Dit volgt uit de wettelijke systematiek. De wijze waarop belanghebbende voldoet aan zijn aflossingsverplichtingen is niet van belang. Dat kan vrijwillig zijn, via verrekening of beslag.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

De voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen, worden per persoon én per vordering beoordeeld. Dat wil zeggen dat het besluit tot kwijtschelding uitsluitend betrekking heeft op de persoon die om kwijtschelding heeft verzocht.

Derde lid

Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de mogelijkheden tot kwijtschelding te voorkomen, zal een verzoek daartoe worden afgewezen indien de belanghebbende de positie van de gemeente als schuldeiser heeft benadeeld. Daar kan bijvoorbeeld sprake van zijn indien er middelen worden geschonken aan derden of als de afloscapaciteit verminderd wordt door het aangaan van niet noodzakelijke (extra) financiële verplichtingen.

Vierde lid

Het college beoordeelt per vordering of deze in aanmerking kan komen voor kwijtschelding. Dat wil zeggen dat het aflossen op vordering 1 en het (nog) niet of nauwelijks aflossen op vordering 2 niet kan leiden tot kwijtschelding van vordering 2 omdat gedurende vijf jaar alleen volledig op vordering 1 is afgelost. Uit artikel 58 lid 7 Participatiewet en artikel 25 lid 6 IOAW/IOAZ (verplichte terugvordering) volgt dat belanghebbende voor elke vordering apart moet voldoen aan de voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen.

Vijfde lid

Dit lid regelt de bevoegdheid van het college om terug te komen van een besluit tot (gedeeltelijke) kwijtschelding. Dat wil zeggen dat het besluit kan worden ingetrokken. Het college gaat daartoe over indien het besluit tot (gedeeltelijke) kwijtschelding is genomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens die door belanghebbende zijn verstrekt.

Artikel 2.12 Kwijtschelden wegens schuldenproblematiek

Dit artikel geeft de bevoegdheid aan het college om in het geval van een problematische schuldensituatie medewerking te verlenen aan een schuldregeling én kwijtschelding te verlenen voor vorderingen die niet het gevolg zijn van het schenden van de inlichtingenplicht.

Eerste lid

Dit lid bepaalt onder welke voorwaarden het college medewerking verleent aan een eventuele schuldregeling. Aan de voorwaarden genoemd onder lid 1 sub a en b wordt voldaan indien de schuldregeling tot stand is gekomen door een professionele schuldhulpverleningsorganisatie. In die situaties mag aangenomen worden dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast staat dat een schuldregeling noodzakelijk is en de schuldhulpvrager een positieve houding toont om zijn schuldenproblematiek aan te pakken.

Tweede lid

Dit lid bepaalt in welke situaties (bij welke vorderingen) het college geen medewerking verleent aan een schuldregeling. Wettelijk is bepaald dat geen medewerking aan de totstandkoming van een schuldregeling kan worden verleend, indien de vordering(en) een fraudevordering betreft en daarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd of strafrechtelijk aangifte is gedaan (artikel 60c Participatiewet en artikel 29a IOAW/IOAZ), voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering. De andere uitzonderingen kunnen door het college worden bepaald in beleidsregels. Het gaat in dit geval om vorderingen die gedekt zijn middels pandrecht of krediethypotheek alsmede vorderingen die betrekking hebben op bijstand in de vorm van een geldlening als gevolg van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 48 lid 2 onder b Participatiewet).

Derde lid

Dit lid bepaalt in welke situaties het college overgaat tot intrekking van een besluit tot medewerking aan een schuldregeling.

Artikel 2.15 Geen kwijtschelding bij krediethypotheek of dwanginvordering

Het vestigen van een krediethypotheek geeft extra zekerheid voor de gemeente. Bij verkoop van de woning ontvangt de gemeente direct het volledige bedrag van de verstrekte bijstand in de vorm van een geldlening terug. Om die reden is kwijtschelding niet aan de orde.

Artikel 2.16 Buiten invordering stellen vordering bij geen schending inlichtingenplicht

Dit artikel geeft invulling aan de bevoegdheid om van (verdere) invordering af te zien indien er geen sprake is van het schenden van de inlichtingenplicht. Daarvoor zijn geen wettelijke regels vastgesteld. Dit artikel voorziet daarom in de termijn waarbinnen het college kan overgaan tot het buiten invordering stellen van een vordering én op welke situaties de buiten invorderingstelling betrekking heeft. Onderdeel a heeft betrekking op de situatie waarbij de verblijfplaats van de belanghebbende onbekend is (gebleven). Het college zal hier periodiek onderzoek naar moeten verrichten. Ook zal daarbij de verjaring van een vordering moeten worden voorkomen. Daarvoor zal een stuitingshandeling als bedoeld in artikel 4:106 Awb worden gedaan. Denk bijvoorbeeld een aanmaning of het uitvaardigen van een dwangbevel. Onderdeel b heeft specifiek betrekking op de in het buitenland woonachtige belanghebbende.

Artikel 2.17 Buiten invordering stellen vordering bij schending inlichtingenplicht

Dit artikel geeft invulling aan de bevoegdheid zoals opgenomen in artikel 58 lid 7 sub c Participatiewet en in artikel 25 lid 6 sub c IOAW/IOAZ om van (verdere) terugvordering af te zien. Onderdeel a heeft betrekking op de situatie waarbij de verblijfplaats van de belanghebbende onbekend is (gebleven). Het college zal hier periodiek onderzoek naar moeten verrichten. Ook zal daarbij de verjaring van een vordering moeten worden voorkomen. Daarvoor zal een stuitingshandeling als bedoeld in artikel 4:106 Awb worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan het versturen van een aanmaning of bekendmaking van een dwangbevel. Onderdeel b heeft specifiek betrekking op de in het buitenland woonachtige belanghebbende.

§ 4 Uitstel van betaling

Artikel 2.18 Verlenen van uitstel van betaling

Dir artikel regelt onder welke voorwaarden uitstel van betaling kan worden verleend.

Eerste, tweede en derde lid

Spreken voor zich, behoeven geen toelichting.

Vierde lid

Het college kan voorwaarden verbinden aan haar besluit tot uitstel van betaling. Hierbij kan gedacht worden aan de voorwaarde om mee te werken aan een betalingsregeling of een verplichting tot het stellen van zekerheid.

Artikel 2.19 Weigeren van uitstel van betaling

In dit artikel is geregeld wanneer géén uitstel van betaling wordt verleend. De redenen hiervoor zijn veelal:

  • geen, onvoldoende of niet tijdige medewerking of inlichtingen van de belanghebbende;

  • aanwezigheid van middelen;

  • het niet nakomen van eerdere regelingen.

Artikel 2.20 Intrekken of wijzigen beschikking tot uitstel van betaling

Dit artikel regelt onder welke voorwaarden de beschikking tot uitstel van betaling kan worden gewijzigd of ingetrokken.

§ 6 Verhaal

Artikel 2.27 Bevoegdheid tot het verhalen van bijstand

De artikelen 61 tot en met 62i Participatiewet zijn geformuleerd als 'kan-bepalingen'. Verhaal is dus geen verplichting voor het college. Artikel 2.27 van deze beleidsregels bepaalt dat het college gebruik maakt van de bevoegdheden zoals genoemd in de artikelen 61 tot en met 62i Participatiewet, tenzij deze beleidsregels anders bepalen.

 

Het college kan aan jongmeerderjarigen bijzondere bijstand verlenen. Dat zijn personen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt. Gelet op de leeftijd zijn de ouders nog onderhoudsplichtig voor hen. Dat is de reden waarom het college in beginsel gebruik maakt van de bevoegdheid tot verhaal op de ouder(s).

Artikel 2.28 Verplichting van de bijstandsgerechtigde

Dit artikel regelt dat belanghebbende eerst actie moet ondernemen, alvorens het college gebruik gaat maken van haar bevoegdheid tot verhaal.

Artikel 2.29 Verhaal van bijstand ten behoeve van ten laste komende kinderen

Eerste lid

Uitgangspunt is dat een onderhoudsplichtige voor wat betreft minderjarige kinderen altijd, ongeacht de hoogte of het soort inkomen in principe een bijdrage verschuldigd is. Dit lid bepaalt de maximering van de onderhoudsbijdrage.

Tweede lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Derde lid

Het college zal in de situatie zoals bedoeld in dit lid degene op wie wordt verhaald aanschrijven met de verplichting om het verschuldigde bedrag binnen 30 dagen na verzending van de brief te voldoen (artikel 62b lid 2 Participatiewet). Indien aan deze verplichting geen gehoor wordt gegeven, dan wordt vervolgens een aanmaning verzonden. Het verschuldigde bedrag kan worden verhoogd met de genoemde kosten.

Vierde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 2.30 Verhaal van bijstand ten behoeve van jongmeerderjarigen

Eerste lid

Dit lid bepaalt de maximering van de onderhoudsbijdrage.

Tweede lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Derde lid

Het college zal in de situatie zoals bedoeld in dit lid degene op wie wordt verhaald aanschrijven met de verplichting om het verschuldigde bedrag binnen 30 dagen na verzending van de brief te voldoen (artikel 62b lid 2 Participatiewet). Indien aan deze verplichting geen gehoor wordt gegeven, dan wordt vervolgens een aanmaning verzonden. Het verschuldigde bedrag kan worden verhoogd met de genoemde kosten.

Vierde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 2.31 Verhaal van bijstand ten behoeve van ex-partners

Eerste lid

Dit lid bepaalt de maximering van de onderhoudsbijdrage.

Tweede lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Derde lid

Het college zal in de situatie zoals bedoeld in dit lid degene op wie wordt verhaald aanschrijven met de verplichting om het verschuldigde bedrag binnen 30 dagen na verzending van de brief te voldoen (artikel 62b lid 2 Participatiewet). Indien aan deze verplichting geen gehoor wordt gegeven, dan wordt vervolgens een aanmaning verzonden. Het verschuldigde bedrag kan worden verhoogd met de genoemde kosten.

Vierde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 2.32 Afzien van verhaal om dringende redenen

Dit artikel bepaalt dat het college geheel of gedeeltelijk van verhaal kan afzien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het afzien van het nemen van een verhaalsbesluit is iets anders dan het afzien van verhaal in rechte. Bij dat laatste heeft het college wel een verhaalsbesluit genomen, maar wordt vervolgens geen procedure aanhangig gemaakt bij de rechter indien degene op wie verhaald wordt, niet tot betaling overgaat. Een dringende reden kan naar zijn aard niet financieel van aard zijn. In die gevallen kan er namelijk aanleiding zijn om de bijdrage bij te stellen, dat kan nihil zijn. In het algemeen kan sprake zijn van dringende redenen indien bepaalde feiten ertoe nopen om af te zien van verhaal ter bescherming van de belanghebbende. Als er bijvoorbeeld in het verleden sprake is geweest van mishandeling, is dit op zich niet voldoende reden om nu af te zien van verhaal. Zelfs incest is niet voldoende reden om af te zien van verhaal ten behoeve van het kind. Er kan besloten worden om tijdelijk van verhaal af te zien bij verblijf van belanghebbende in een "Blijf van mijn lijf"-huis. Indien wordt verhaald, wordt de woonplaats van belanghebbende immers bekend, hetgeen een risico zou kunnen vormen voor de veiligheid van belanghebbende en de eventueel bij belanghebbende verblijvende kinderen. Met betrekking tot de onderhoudsplichtige kan gedacht worden aan de situatie waarin ingesteld verhaal dermate ernstige psychische problemen tot gevolg heeft, dat doorzetten van verhaal onacceptabel geacht wordt.

De aangevoerde redenen dienen geobjectiveerd te worden, oftewel geverifieerd en bevestigd te worden door derden, zoals politie, (vertrouwens)arts, psycholoog en maatschappelijk werk.

Artikel 2.33 Vaststelling van het te verhalen bedrag in verband met onderhoudsplicht

Eerste en tweede lid

Spreken voor zich, behoeven geen toelichting.

Derde lid

De rechtszekerheid brengt met zich mee dat de (mogelijke) ingangsdatum van de verhaalsbijdrage de datum van eerste aanschrijving is. Dit kan zowel een eerste brief met het verzoek om gegevens zijn, alsmede het besluit met de hoogte van de verhaalsbijdrage. Ingeval de belanghebbende niet overgaat tot betalen en het college een rechtelijke procedure start, kan de rechtbank de ingangsdatum van verhaal anders vaststellen. Er zit namelijk een (behoorlijk) verschil in de periode tussen de door het college vastgestelde ingangsdatum van verhaal (eerste aanschrijving) en het aanhangig maken van de procedure.

Artikel 2.34 Indienen verzoekschrift ten behoeve van verhaal in rechte

Dit artikel bepaalt wanneer door het college verhaal in rechte wordt toegepast. Alleen in gevallen dat zo’n verzoek naar verwachting zal worden afgewezen, ziet het college af van het opstarten van deze procedure.

Artikel 2.35 (Her)onderzoeken

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Hoofdstuk 3 Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning

§ 1 Aflossing, wijze van invordering en kruimelbedragen

Artikel 3.1 De betalingsverplichting en de betalingsregeling

Vergelijkenderwijs wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.4 van deze beleidsregels. Het zesde lid bepaalt dat de betalingsverplichting op basis van de aflosregeling die geldt voor de bedoelde derde ook wordt vastgesteld op het voor beslag vatbare bedrag.

Artikel 3.2 Wettelijke rente en kosten

Vergelijkenderwijs wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.6 van deze beleidsregels. Het vierde lid van dit artikel ziet op de bevoegdheid die is neergelegd in de Verordening Sociaal Domein gemeente Zwartewaterland 2020. Ook in die gevallen kan het college overgaan tot invordering bij dwangbevel en kan verhoging van de vordering met de genoemde kosten aan de orde zijn.

Artikel 3.3 Kruimelbedragen

Vergelijkenderwijs wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.8 van deze beleidsregels.

Artikel 3.4 Heronderzoek

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

§ 2 Kwijtschelding en buiten invordering stellen

Artikel 3.5 Kwijtschelding

Vergelijkenderwijs wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.11, 2.12 en 2.14 van deze beleidsregels.

Artikel 3.6 Buiten invordering stellen

Vergelijkenderwijs wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.16 en 2.17 van deze beleidsregels. Dit artikel ziet mede op de bevoegdheid die is neergelegd in de Verordening Sociaal Domein gemeente Zwartewaterland 2020.

Artikel 3.7 Uitstel van betaling

Vergelijkenderwijs wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.18, 2.19 en 2.20 van deze beleidsregels.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 Bezwaar- en beroepschrift

Een bezwaarschrift tegen een invordering wordt opgevat als een verzoek om uitstel van betaling. Dat geldt niet voor een ingediend beroepschrift. Ingeval een beroepschrift moet de schuldenaar dus een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling indienen.

Artikel 4.2 Hardheidsclausule

Het opnemen van een hardheidsclausule in deze beleidsregels opent de mogelijkheid voor het college om artikelen van deze beleidsregels buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken, wanneer strikte toepassing voor een belanghebbende onbillijke of onevenredige gevolgen heeft. De toepassing van de hardheidsclausule moet beperkt blijven tot bijzondere individuele gevallen die een aanvullende belangenafweging noodzakelijk maken. Het gebruik van de hardheidsclausule moet een uitzondering zijn, want het college is in principe gehouden aan toepassing van de beleidsregels, op grond van beginselen als gelijkheid en rechtszekerheid. Voorkomen moet worden, dat er een ongewenst precedent ontstaat (doordat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld).

Artikel 4.3 Citeertitel en inwerkingtreding

In deze beleidsregels is geen overgangsrecht opgenomen. Dat wil zeggen dat de beleidsregels onmiddellijke werking hebben, tenzij het rechtszekerheidsbeginsel zich daartegen verzet.

Artikel 4.4 Bevoegdheid college

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.


1

CRVB:2017:1688

2

CRVB:2017:2720

3

CRVB:2016:995

4

TK 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 76, CRVB:2017:3374

5

CRVB:2010:BN3953

6

CRVB:2004:AO5331

7

CRVB:2016:3435

8

CRVB:2013:1592

9

CRVB:2011:BQ5236

10

CRVB:2009:BJ5586

11

CRVB:2015:4067.

12

CRVB:2009:BK5927

13

CRVB:2012:BX6096

14

Stb. 2017, nr.110.

15

CRVB:2016:4256

16

Per 01-01-2020 bedraagt de wettelijke rente 2%.

17

CRVB:2005:AT5295