<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR64033_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening Ioaw/Ioaz</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad voor Ouder-Amstel 17/11/2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening Ioaw/Ioaz</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 108, tweede lid en 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Ioaw, artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Ioaz, artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-11-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/53</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening Ioaw/Ioaz</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ouder-Amstel;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24 augustus
                        2010, nummer 2010/53,</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid Ioaw,
                        alsmede artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid
                        Ioaz;</al><al><vet>BESLUIT </vet>, in het kader van artikel 35, eerste lid, onder b
                        Ioaw en Ioaz, vast te stellen de volgende verordening :</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="b."><al>Ioaz; Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="c."><al>De Ioaw/Ioaz; de Ioaw alsmede de Ioaz, beiden voor zover zij op
                                    belanghebbende van toepassing zijn;</al></li><li nr="d."><al>Uitkering; de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid
                                    Ioaw/Ioaz;</al></li><li nr="e."><al>Uitkeringsnorm; de op belanghebbende van toepassing zijnde netto
                                    grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid Ioaw/Ioaz;</al></li><li nr="f."><al>Maatregel; het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van
                                    artikel 20, tweede lid Ioaw en artikel 20, eerste lid Ioaz
                                    alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van
                                    een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid Ioaw en
                                    artikel 20, tweede lid Ioaz;</al></li><li nr="g."><al>Inkomen; inkomen als bedoeld in artikel 8 Ioaw/Ioaz;</al></li><li nr="h."><al>Benadelingsbedrag; bruto bedrag dat als gevolg van het niet of
                                    niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten
                                    onrechte is verleend als uitkering op grond van de
                                    Ioaw/Ioaz;</al></li><li nr="i."><al> Belanghebbende; hij die recht heeft op een uitkering op grond
                                    van de Ioaw, voor zover hij is aangewezen op arbeid in
                                    dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een uitkering
                                    op grond van de Ioaz;</al></li><li nr="j."><al>Het college; het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Ouder-Amstel</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een
                                verplichting als bedoeld in artikel 13 Ioaw/Ioaz of een op grond van
                                hoofdstuk 3 Ioaw/Ioaz aan de uitkering verbonden verplichting
                                –anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                onderdeel c Ioaz- schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een
                                maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd
                                indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                                houden met de uitvoering van de Ioaw/Ioaz zich jegens het college
                                zeer ernstig misdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het eerste lid is gelijkelijk van toepassing op de belanghebbende
                                die een uitkering ontvangt op grond van de Ioaw, wanneer hij de op
                                basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende
                                verplichtingen schendt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                indien de verwijtbare gedragingen van belanghebbende, in relatie met
                                zijn recht op bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag, daartoe
                                aanleiding geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald, bedraagt de duur van de
                                maatregel een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd,
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd, het
                            bedrag waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd en, indien
                            van toepassing, de reden om af te wijken van een
                            standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegen heid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of een door haar ingeschakelde derde, om binnen een
                                        gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in
                                        artikel 13 van Ioaw/Ioaz</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of van de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan éénjaar vóór
                                            constatering door het college van die gedraging heeft
                                            plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                            inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                            gedraging ten onrechte bijstand is verleend; </al></li><li nr="c."><al>een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht
                                            wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de
                                            betreffende gedraging heeft plaatsgevonden;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van een maatregel, en volstaan met een
                                    waarschuwing indien het verstrekken van onjuiste, onvolledige of
                                    niet tijdige inlichtingen geen gevolgen heeft voor de
                                    bijstand.</al></li><li nr="3."><al>Geen waarschuwing wordt gegeven wanneer het niet of niet
                                    behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting plaatsvindt binnen een periode van 12
                            maanden te rekenen vanaf de datum waarop een eerdere waarschuwing of maatregel is
                            gege- ven of opgelegd.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
                                    het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Omstandigheden die
                                    het rechtstreeks gevolg van een als verwijtbaar aan te merken
                                    gedraging zijn geen dringende redenen.</al></li><li nr="5."><al> Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van lopende – , of van de
                                eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit
                                tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekend
                                gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                bijstandsnorm;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde periode opgelegd. Een maatregel
                                die voor een periode van meer dan driemaanden-, dan wel
                                voor een onbepaalde periode wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie
                                maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen; </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in de Ioaw/Ioaz genoemde verplichtingen, wordt één
                                    maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen
                                    maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                    maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending
                                    opleveren van één ofmeerdere in de Ioaw/Ioaz genoemde
                                    verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke
                                    maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig
                                    opgelegd, tenzij dit, gelet op artikel 4, eerste lid, niet
                                    verantwoord is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen
                            van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van artikel 37 van de Ioaw/Ioaz, anders dan de verplichting, bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onderdeel c Ioaw/Ioaz niet of onvoldoende zijn
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                            verlengen van de registratie.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling</al></li></lijst></li><li nr="3."><al> Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale
                                            activering.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de
                                                  maatregel vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de uitkeringsnorm bij
                                                  gedragingen van de eerste categorie</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de uitkeringsnorm bij
                                                  gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>dertig procent van de uitkeringsnorm bij
                                                  gedragingen van de derde ca- tegorie</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid, onder c, legt
                                                  het college, indien belanghebbende een uitkering
                                                  ontvangt op grond van de Ioaw en de belemmerende
                                                  gedragingen, bedoeld in artikel 10, derde lid,
                                                  onder a, dusdanige vormen aannemen dat gesproken
                                                  moet worden van het door eigen toedoen niet
                                                  verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, voor
                                                  onbepaalde duur een maatregel op ter hoogte van
                                                  het door eigen toedoen niet verkregen netto
                                                  inkomen uit deze arbeid.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld
                                                  in het tweede lid binnen een</al><al> door hem te bepalen termijn die ten hoogste
                                                  drie maanden bedraagt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Het door eigen toedoen verliezen van
                                                algemeen geaccepteerde arbeid, alsmede het nalaten
                                                algemeen geaccepteerde arbeid te
                                            aanvaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van
                                                algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het
                                                  college, met inachtneming van artikel 20, vierde
                                                  lid Ioaw/Ioaz, voor onbepaalde duur een maatregel
                                                  op indien de belanghebbende door eigen toedoen een
                                                  inkomen uit of in verband met arbeid is verloren
                                                  en:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking
                                                  een dringende reden ten grondslag ligt in de zin
                                                  van artikel 68 van Boek 7 van het Burgerlijk
                                                  Wetboek; dan wel</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op
                                                  verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de
                                                  voortzetting ervan zodanige bezwaren waren
                                                  verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs
                                                  niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het
                                                  door dit gedrag verloren netto inkomen</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld
                                                  in het eerste lid binnen een door hem te bepalen
                                                  termijn die ten hoogste drie maanden
                                                  bedraagt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het
                                                  college voor onbepaalde duur een maatregel op
                                                  indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op
                                                  basis van de Ioaw en hij weigert hem aangeboden
                                                  algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het
                                                  door eigen toedoen niet verkregen netto inkomen
                                                  uit deze arbeid.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld
                                                  in het eerste lid binnen een door</al><al> hem te bepalen termijn die ten hoogste drie
                                                  maanden bedraagt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een
                                    maatregel op van tien procent van de uitkeringsnorm, indien
                                    belanghebbende de verplichting op grond van artikel 13 Ioaw/Ioaz
                                    niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de
                                    verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan niet
                                    binnen de door het college daartoe gestelde termijn te
                                    verstrekken.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden
                                    volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing,
                                    tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
                                    plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de
                                    datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                                    waarschuwing is gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                            gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13 Ioaw/Ioaz heeft geleid
                                    tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van
                                    een uitkering, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het
                                    benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel op de
                                    volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 20 procent van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 30 procent
                                    van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40 procent
                                    van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100 procent van
                                    de uitkeringsnorm.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is
                                            ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                            aanvang heeft genomen;</al></li><li nr="b."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen,
                                            doordat het Openbaar Ministerie een schikking met
                                            belanghebbende heeft getroffen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een maatregel
                                op van tien procent van de uitkeringsnorm, indien het niet of niet
                                behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 30
                                Ioaw/Ioaz niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                bedrag verstrekken van een uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een
                                        maatregel op van veertig procent van de uitkeringsnorm,
                                        indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                        het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die
                                        rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                                        Ioaw/Ioaz.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid
                                        kan, indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en
                                        worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                                        waarschuwing, tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen
                                        een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop
                                        eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing
                                        in verband met ernstige misdragingen is gegeven. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van artikel 4, derde lid, kan een maatregel
                                        worden opgelegd van 100 procent van de uitkeringsnorm, indien binnen twaalf
                                        maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel als
                                        bedoeld in het eerste lid, is opgelegd, sprake is van eenzelfde als verwijtbaar
                                        aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                        opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om af te zien van het opleggen
                                        van een maatregel op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6,
                                        tweede lid. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Maatregelverordening
                                Ioaw/Ioaz.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ouder-Amstel, 4 november 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>W.van Zanen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.T.J. Blankers-Kasbergen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>ALGEMENE TOELICHTING</al><al>Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het
                                Wetsvoorstel bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan
                                gemeenten (Wet BUIG). Met de inwerkingtreding van de Wet BUIG per 1
                                januari 2010 krijgt de gemeente een grotere beleidsmatige rol een
                                financiële verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de Ioaw,
                                Ioaz, Wwik en Bbz 2004.</al><al>De Ioaw, Ioaz en Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een
                                financieringssystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden
                                gedeclareerd en 25% drukte op het gemeentelijke budget. Per 1
                                januari 2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering
                                ingevoerd, zoals dit nu van toepassing is op het WWB-inkomensdeel.
                                Met de Wet BUIG worden de financiële middelen van de kleine
                                “inkomensregelingen” gebundeld in het volledig gebudgetteerde I-deel
                                dat de gemeente ontvangt voor de bijstandsverstrekking op grond van
                                de Wwb. Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere
                                verantwoordelijkheid en lopen ook meer financieel risico.</al><al>Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk
                                teruggedrongen. In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de
                                gemeente. Daardoor wordt van de gemeente ook geëist om op een aantal
                                punten zelf beleid te ontwikkelen.</al><al>Deze verordening betreft het maatregelbeleid voor de Ioaw en Ioaz.
                                Dit beleid was geregeld bij Algemene Maatregel van Bestuur. Deze
                                landelijke regelingen, alsmede de nog bestaande boetebepalingen,
                                zijn echter met de Wet BUIG komen te vervallen. Het is nu aan de
                                gemeente om in een bij verordening vastgelegd beleid te voorzien. In
                                deze verordening is er daarbij voor gekozen om met betrekking tot de
                                Ioaw en Ioaz zoveel mogelijke aan te sluiten bij het bestaande
                                maatregelbeleid in het kader van de Wet werk en bijstand.</al><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al>Artikel 1</al><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                                omschrijvingen verdient enige extra aandacht.</al><al>Onder c. de Ioaw/Ioaz</al><al>Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten
                                verwijst nu een groot deel van de bepalingen in beide wetten
                                identiek is qua nummering en inhoud en aldus voorkomen wordt dat
                                steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet verwezen moet
                                worden.</al><al>Onder e. uitkeringsnorm</al><al>De Wwb werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek
                                systeem in de Ioaw en Ioaz te creëren is het wenselijk om een begrip
                                te introduceren dat verwijst naar een netto norm.</al><al>Onder f. maatregel</al><al>In afwijking van de Wwb wordt ook het blijvend of tijdelijk
                                (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering binnen deze verordening als
                                maatregel aangemerkt. Dit houdt verband met de extra mogelijkheden
                                binnen de Ioaw en Ioaz op dit vlak.</al><al>Onder g. inkomen</al><al>Qua inkomensbegrip wordt aangesloten binnen de Ioaw en Ioaz. Dit
                                wijkt af van het binnen de Wwb gehanteerde inkomensbegrip.</al><al>Onder i. belanghebbende</al><al>Daar de in artikel 20, tweede lid Ioaw opgenomen bevoegdheden tot
                                het opleggen van een maatregel, blijkens dat artikel, daar enkel
                                gelden voor de persoon die is aangewezen op arbeid in
                                dienstbetrekking, is ook het begrip belanghebbende in die zin
                                ingeperkt.</al><al>Artikel 2</al><al>Dit artikel bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid Ioaz en
                                artikel 20, tweede lid Ioaw.</al><al>Artikel 3</al><al>Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de netto
                                norm.</al><al>Artikel 4</al><al>Dit artikel bepaalt de algemene duur van een maatregel op 1 maand.
                                Door de duur van de maatregel in de algemene bepalingen op te nemen,
                                wordt voorkomen dat overal waar een maatregel wordt genoemd steeds
                                weer moet worden aangegeven dat deze voor 1 maand wordt opgelegd.
                                Het derde lid maakt hier een algemene uitzondering op, door bij
                                recidive de duur te verdubbelen.</al><al><vet>Artikel 5 tot en met 9</vet></al><al>Deze artikelen zijn identiek aan hetgeen hierover in de
                                maatregelverordening Wwb is opgenomen.</al><al>Artikel 10</al><al>Ten opzichte van de maatregelverordening Wwb zijn in deze bepaling
                                geen gedragingen opgenomen die verband houden met het niet
                                aanvaarden dan wel het door eigen toedoen verliezen van algemeen
                                geaccepteerde arbeid. Dit houdt verband met het feit dat juist bij
                                deze gedragingen de Ioaw en Ioaz de mogelijkheid biedt tot
                                tijdelijke of blijvende (gedeeltelijke) weigering van de uitkering.
                                De sanctie bij deze vorm van gedragingen is daarom in een apart
                                hoofdstuk opgenomen.</al><al>Artikel 11</al><al>In het tweede lid is uitwerking gegeven aan de binnen de Ioaw
                                geboden mogelijkheid om ook bij het door eigen toedoen niet
                                verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid de uitkering
                                (gedeeltelijk) te weigeren.</al><al>Artikel 12</al><al>In deze bepalingen zijn de mogelijkheden die de Ioaw en Ioaz biedt
                                om de uitkering (geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig
                                uitgewerkt.</al><al>Artikel 14 tot en met 17</al><al>Deze bepalingen zijn identiek aan de bepalingen binnen de
                                maatregelverordening WIJ. Voor overname van deze bepalingen is
                                gekozen, omdat zij in deze verordening beter zijn uitgewerkt, als
                                het gaat om een maatregel bij zeer ernstige misdragingen, dan in de
                                maatregelverordening Wwb.</al><al>Artikel 18</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>