<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR63858_10</dcterms:identifier><dcterms:title>Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Zeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Zeeland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-771.html">Provinciaal Blad, 2016, 771</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-01-26</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-02-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Aanhef, art. 1, 19 en 20 en de toelichting</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>16000340</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Personeel</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Artikel 1, eerste lid, onderdeel c, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op degene die op grond van die bepaling op die dag recht had op een aanvullende uitkering krachtens die regeling.</al><al>Artikel 10, vijfde lid, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op degene die op die dag recht had op een verlengde nawettelijke uitkering krachtens die bepaling.</al><al>Artikel 18, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op degene die op grond van die bepaling op die dag recht had op een bijdrage van de provincie in de extra pensioenopbouw.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gedeputeerde staten van Zeeland;</al><al/><al>gelet op artikel B.13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
                        Provincies; </al><al/><al>besluiten:</al><al/><al>vast te stellen de navolgende:</al><al/><al>Uitvoeringsregeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk I Algemene bepalingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze regeling wordt verstaan onder betrokkene de ambtenaar </al><lijst><li nr="a."><al>aan wie op grond van artikel B.12 van de CAP ontslag is
                                            verleend, alsmede degene die, nadat het voornemen tot
                                            zodanig ontslag is medegedeeld, ontslag op aanvraag op
                                            grond van artikel B.10 van de CAP is verleend; </al></li><li nr="b."><al>aan we op grond van artikel E.9 van de CAP ontslag is
                                            verleend wegens ongeschiktheid tot het verrichten van
                                            zijn arbeid wegens ziekte en die ten tijde van het
                                            ontslag door het UWV in het kader van de uitvoering van
                                            de WIA voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is
                                            verklaard. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>dagloon: het dagloon in de zin van artikel 45 van de
                                            Werkloosheidswet, evenwel zonder toepassing van het
                                            bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet
                                            financiering sociale verzekeringen met betrekking tot
                                            een loontijdvak van een dag</al></li><li nr="b."><al>diensttijd: tijd, doorgebracht als overheidswerknemer in
                                            de zin van artikel 2.4, onderdeel a, van het
                                            pensioenreglement welke in aanmerking komt als
                                            pensioengeldige tijd, bedoeld in artikel 5.1 van het
                                            pensioenreglement, en tijd doorgebracht als werknemer in
                                            dienst van de overheid van lidstaten van de Europese
                                            Economische Ruimte, met uitzondering van tijd die in
                                            aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van
                                            een wachtgeld of van een uitkering ter zake van
                                            onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid en
                                            met dien verstande dat van tijd die door ontslag
                                            onderbroken is geweest de tijd vóór de onderbreking
                                            slechts meetelt indien de onderbreking korter dan een
                                            jaar heeft geduurd; </al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk II Aanvullende uitkering </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 Recht op aanvullende uitkering </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene die recht heeft op een uitkering als bedoeld in
                                    hoofdstuk IIA van de Werkloosheidswet heeft recht op een
                                    aanvullende uitkering overeenkomstig het bepaalde in de
                                    artikelen 3 tot en met 7 gedurende de uitkeringsduur, bedoeld in
                                    artikel 42 van de Werkloosheidswet, zulks met dien verstande dat
                                    de verloren arbeidsuren waarvoor hij geen betrokkene is geen
                                    aanspraak geven op een aanvullende uitkering. </al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 5 wordt de uitkering
                                    krachtens de Werkloosheidswet, de Ziektewet en de Wet arbeid en
                                    zorg steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Hoogte aanvullende uitkering </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De uitkering op grond van hoofdstuk II, A van de
                                    Werkloosheidswet wordt na ontslag gedurende de eerste 12 maanden
                                    per dag aangevuld tot 80% van het dagloon en tijdens het restant
                                    van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 2, eerste lid, tot 70%
                                    van het dagloon. </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt het percentage 77 en 67
                                    in plaats van achtereenvolgens 80 en 70 zolang de Wet van 20
                                    december 1984, (Stb. 1984, 657) op betrokkene van toepassing is.
                                </al></li><li nr="3."><al>Voor de berekening van de termijn van 12 maanden, bedoeld in het
                                    eerste lid, wordt een op grond van artikel 4 gegeven aanvulling
                                    per dag tot 80% van het dagloon mede in aanmerking genomen.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Aanvullende uitkering bij ziekte, zwangerschap en bevalling </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Betrokkene die binnen de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
                                    uitkeringsduur waarin hij recht heeft op een uitkering op grond
                                    van hoofdstuk II A van de Werkloosheidswet wegens ziekte
                                    ongeschikt is arbeid te verrichten en deswege een uitkering
                                    krachtens de Ziektewet geniet, heeft recht op een aanvullende
                                    uitkering gedurende de termijn dat die uitkering krachtens de
                                    Ziektewet wordt genoten. </al></li><li nr="2."><al>De aanvulling van de uitkering krachtens de Ziektewet is gelijk
                                    aan die welke zou hebben gegolden indien artikel 3 van
                                    toepassing zou zijn. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid wordt voor de betrokkene
                                    gedurende de termijn dat zij een uitkering geniet krachtens
                                    artikel 29a van de Ziektewet, deze uitkering per dag aangevuld
                                    tot 100% van het dagloon. </al></li><li nr="4."><al>Als betrokkene binnen de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
                                    uitkeringsduur waarin recht bestaat op een uitkering op grond
                                    van hoofdstuk IIA van de Werkloosheidswet, in verband met
                                    zwangerschap en bevalling een uitkering krachtens de Wet arbeid
                                    en zorg geniet wordt die uitkering per dag aangevuld tot 100%
                                    van het dagloon. </al></li><li nr="5."><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
                                    overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering bij
                                    ziekte als bedoeld in het eerste tot en met derde lid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Aanvullende overlijdensuitkering </label></kop><al>Bij overlijden van betrokkene die tot en met de dag van overlijden recht
                            heeft op een aanvulling op grond van artikel 3 of artikel 4 wordt de
                            overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet, per dag
                            aangevuld tot 100% van het dagloon.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten aanzien van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 2,
                                    zijn afdeling 1 van hoofdstuk II A - met uitzondering van
                                    artikel 41 - alsmede de artikelen 43, 47, tweede en derde lid,
                                    75, 76 en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige
                                    toepassing, met dien verstande dat: </al><lijst><li nr="a."><al>in artikel 26, eerste lid, onder a, van die wet voor
                                            "eerste dag van werkloosheid" wordt gelezen: eerste dag
                                            van werkloosheid na ontslag; </al></li><li nr="b."><al>in artikel 26, eerste lid, onder b, van die wet na "na
                                            het intreden van zijn werkloosheid" wordt ingevoegd: na
                                            ontslag. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de aanvullende uitkering bedoeld in artikel 2,
                                    is het bepaalde bij en krachtens de artikelen 34, 35 en 35a van
                                    de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing in die zin
                                    dat de daar bedoelde inkomsten in mindering komen op het totaal
                                    van de aanvullende uitkering en de uitkering krachtens de
                                    Werkloosheidswet. </al></li><li nr="3."><al>Een sanctie wegens het niet nakomen van een verplichting op
                                    grond van artikel 24, 25 of 26 van de Werkloosheidswet zal niet
                                    worden gecompenseerd in de aanvullende uitkering. </al></li><li nr="4."><al>De betrokkene aan wie ontslag op aanvraag als bedoeld in artikel
                                    1, eerste lid, onder a, is verleend en aan wie in verband
                                    hiermee een sanctie krachtens de Werkloosheidswet in verband met
                                    verwijtbare werkloosheid is opgelegd heeft recht op een
                                    werkloosheidsuitkering die betrokkene gehad zou hebben indien er
                                    geen sanctie zou zijn opgelegd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 </label></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Aanvullende uitkering provinciale werknemer die in het buitenland woont</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
                                    betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71,
                                    eerste lid, onderdeel a ii, EG-Verordening 1408/71 geen recht
                                    heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, heeft
                                    recht op een aanvullende uitkering voor zover de omstandigheid
                                    dat hij geen recht heeft op een uitkering op grond van die wet,
                                    uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten Nederland
                                    woont. </al></li><li nr="2."><al>De aanvullende uitkering op grond van dit artikel: </al><lijst><li nr="a."><al>eindigt niet door de omstandigheid dat betrokkene wegens
                                            ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om
                                            arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een
                                            uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid,
                                            onderdeel a, b of n, van de Werkloosheidswet vanwege het
                                            enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar
                                            genoemde wetten is geëindigd; </al></li><li nr="b."><al>is, indien betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op
                                            een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, niet van
                                            invloed op het recht op een aanvullende of nawettelijke
                                            uitkering dat voor betrokkene is verbonden aan dat recht
                                            op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het
                                            bepaalde in de eerste volzin, onderdeel a, is niet van
                                            toepassing zolang betrokkene op grond van de
                                            Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en
                                            arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op doorbetaling
                                            van zijn laatstelijk genoten bezoldiging. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De uitkering waarop betrokkene op grond van dit artikel recht
                                    heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de uitkering op grond van
                                    de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering waarop hij recht
                                    zou hebben gehad indien hij in Nederland zou hebben gewoond.
                                </al></li><li nr="4."><al>Indien betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering
                                    wegens ziekte, zwangerschap of bevalling naar het recht van zijn
                                    woonland, wordt die uitkering voor de toepassing van het derde
                                    lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van
                                    de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt
                                    plaats voor ten hoogste de maximale duur van de overeenkomstige
                                    uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg.
                                    Zolang deze gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan de
                                    uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg en
                                    de aanvullende uitkering waarop betrokkene recht zou hebben
                                    gehad indien hij in Nederland had gewoond. </al></li><li nr="5."><al>Indien betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                                    zwangerschap, bevalling of arbeidsongeschiktheid naar het recht
                                    van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in mindering
                                    gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde
                                    periode. </al></li><li nr="6."><al>Zolang en voor zover betrokkene tegelijk recht heeft op een
                                    uitkering op grond van dit artikel en een uitkering op grond van
                                    de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg, een
                                    bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en
                                    strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering naar het
                                    recht van zijn woon-land, heeft de uitkering op grond van dit
                                    artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de
                                    uitkering op grond van dit artikel zonder de samenloop zou
                                    hebben. Hierbij wordt de wettelijke uitkering geacht
                                    onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige
                                    wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel
                                    niet of niet geheel is betaald. </al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk III Nawettelijke uitkering</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9 </label></kop><al>De betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, heeft na
                            het verstrijken van de duur van de uitkering krachtens hoofdstuk II A
                            van de Werkloosheidswet bij voortdurende werkloosheid recht op een
                            nawettelijke uitkering indien de uitkeringsduur, berekend overeenkomstig
                            artikel 10, tweede lid, langer is dan die, berekend overeenkomstig
                            artikel 42 van genoemde wet, en verminderd met 2 dan wel 3,5 jaar
                            overeenkomstig artikel 10, derde lid, zulks met dien verstande dat de
                            verloren arbeidsuren waarvoor hij geen betrokkene is geen aanspraak
                            geven op een nawettelijke uitkering. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Duur nawettelijke uitkering </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De duur van de nawettelijke uitkering wordt voor de betrokkene,
                                    bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, vastgesteld
                                    overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met vijfde lid.
                                </al></li><li nr="2."><al>De duur van de nawettelijke uitkering bedraagt drie maanden,
                                    vermeerderd met een duur, gelijk aan 18% van de diensttijd als
                                    betrokkene op de dag van ontslag nog geen 21 jaar is, met een
                                    duur, gelijk aan 19,5% van de diensttijd als hij op de dag van
                                    ontslag 21 jaar is en zo vervolgens per leef-tijdsjaar
                                    opklimmend met 1,5%, met dien verstande dat de duur voor
                                    betrokkene die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, gelijk
                                    is aan drie maanden, vermeerderd met een duur, gelijk aan 78%
                                    van de diensttijd. </al></li><li nr="3."><al>De in het tweede lid berekende duur wordt verminderd met de
                                    uitkeringsduur, berekend overeenkomstig artikel 42 van de
                                    Werkloosheidswet en verminderd met 2, onderscheidenlijk 3,5 jaar
                                    voor de betrokkene die op de eerste dag van werkloosheid jonger
                                    is dan 57,5 jaar, onderscheidenlijk 57,5 jaar of ouder is. </al></li><li nr="4."><al>De overeenkomstig het tweede en derde lid berekende
                                    uitkeringsduur wordt op een volle maand naar boven afgerond.
                                </al></li><li nr="5."><al>De duur van de nawettelijke uitkering van betrokkene die ten
                                    tijde van het ontslag 59 jaar of ouder is wordt na afloop van de
                                    termijn waarover de nawettelijke uitkering is toegekend verlengd
                                    tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt,
                                    indien hij direct voorafgaand aan het ontslag zonder
                                    onderbreking van langer dan twee maanden vijf jaar in dienst is
                                    geweest van een of meer provincies. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Hoogte nawettelijke uitkering </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De nawettelijke uitkering bedraagt per dag 70% van het dagloon.
                                </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt het percentage 67 in
                                    plaats van 70 zolang de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984,
                                    657) op betrokkene van toepassing is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Overlijdensuitkering </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden wordt de betrokkene die
                                    tot en met de dag van overlijden recht heeft op een nawettelijke
                                    uitkering, onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 van
                                    de Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend die per dag
                                    gelijk is aan 100% van het dagloon. </al></li><li nr="2."><al>Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
                                    mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de
                                    nagelaten betrekkingen van betrokkene terzake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer
                                    werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                                    uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die
                                    naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde
                                    uitkeringen waarop betrokkene recht had. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 </label></kop><al>Ten aanzien van de nawettelijke uitkering is artikel 6, eerste lid, van
                            overeenkomstige toepassing met dien verstande dat ziekte van betrokkene
                            niet wordt geacht aan werkloosheid in de weg te staan en dat bij ziekte
                            artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet niet van
                            overeenkomstige toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Nawettelijke uitkering provinciale werknemer die in het
                                buitenland woont</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Na het verstrijken van de duur van een aanvullende uitkering op
                                    grond van artikel 8 heeft betrokkene recht op de nawettelijke
                                    uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland
                                    zou hebben gewoond.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Op de nawettelijke uitkering op grond van dit artikel is artikel
                                    8, tweede en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk IV Overige bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 15 Indexering </label></kop><al>Het dagloon wordt telkens aangepast aan de in de provincies geldende
                            algemene salariswijziging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 Verhuiskostenvergoeding </label></kop><al>Aan de betrokkene die elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen kan
                            terzake van de kosten welke voor hem aan een daartoe noodzakelijke
                            verhuizing zijn verbonden, een tegemoetkoming worden verleend tot ten
                            hoogste het bedrag van een vergoeding volgens de daartoe geldende
                            verhuiskostenregeling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Afkoop </label></kop><al>Op verzoek van de betrokkene kan het recht op de aanvullende en
                            nawettelijke uitkering geheel of ten dele worden afgekocht indien
                            daarmee de werkloosheid geheel of gedeeltelijk kan worden opgeheven. Bij
                            gehele, onderscheidenlijk gedeeltelijke afkoop als bedoeld in de eerste
                            volzin eindigt het recht op de aanvullende en nawettelijke uitkering
                            geheel, onderscheidenlijk voor het afgekochte deel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Vervallen (verhoogde pensioenopbouw) </label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 Uitkering bij ontslag in het belang van de dienst </label></kop><al>De ambtenaar aan wie met toepassing van artikel B.9, onderdeel p, van de
                            CAP ontslag is verleend heeft recht op een aanvullende en nawettelijke
                            uitkering die naar het oordeel van gedeputeerde staten met het oog op de
                            omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering is in geen geval
                            minder dan die waarop aanspraak zou bestaan indien de ambtenaar ontslag
                            zou zijn verleend als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 Eenmalige uitkering </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar aan wie ontslag is verleend op grond artikel B.9,
                                    onderdeel g van de CAP of op grond van artikel B.9, onderdeel d,
                                    heeft recht op een eenmalige uitkering bij ontslag indien het
                                    ontslag in overwegende mate is toe te rekenen aan schuld van de
                                    provincie. </al></li><li nr="2."><al>Gedeputeerde staten bepalen de hoogte van de eenmalige
                                    uitkering, gelet op de bijzondere omstandigheden van het
                                    concrete geval. Zij houden daarbij in ieder geval rekening met
                                    de mate van schuld van de provincie en de ambtenaar aan het
                                    ontslag, met de leeftijd van de ambtenaar en met de duur en de
                                    omvang van het dienstverband van de ambtenaar bij de provincie.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21 Doorwerking wettelijke maatregelen </label></kop><al>Tenzij in het SPA anders is overeengekomen werken algemene neerwaartse
                            wijzigingen in duur en hoogte van de uitkering krachtens de
                            Werkloosheidswet - anders dan door wijzigingen als gevolg van
                            individuele feiten en omstandigheden - vanaf de in het Staatsblad
                            vermelde datum van inwerkingtreden van genoemde algemene neerwaartse
                            wijzigingen door in de duur en hoogte van de aanvullende en nawettelijke
                            uitkering. De in de eerste volzin bedoelde doorwerking vindt evenwel
                            niet eerder plaats dan 6 maanden na de datum van publicatie van genoemde
                            algemene neerwaartse wijzigingen in het staatsblad dan wel, indien dat
                            later is, voor de datum van afloop van het lopende akkoord over de
                            arbeidsvoorwaarden in de sector provincies. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk V Overgangs- en slotbepalingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 22 </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De wachtgeldregeling en de uitkeringsregeling bij werkloosheid
                                    vervallen met ingang van 1 januari 2003. Toegang tot deze
                                    regelingen is met ingang van 1 januari 2001 niet meer mogelijk.
                                </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde regelingen blijven vanaf 1 januari
                                    2003 onverminderd van kracht voor de gewezen ambtenaren aan wie
                                    vóór 1 januari 2001 op grond van die regelingen een wachtgeld of
                                    uitkering is toegekend waarvan de duur doorloopt na 1 januari
                                    2003, onderscheidenlijk welke na deze datum herleeft. </al></li><li nr="3."><al>De gewezen ambtenaar die uit hoofde van ontslag, einde van het
                                    dienstverband of werkloosheid recht heeft op wachtgeld of
                                    uitkering op grond van de in het eerste lid bedoelde regelingen
                                    heeft uit dien hoofde geen aanspraken op grond van de Regeling
                                    aanvullende voorzieningen bij werkloosheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23 Inwerkingtreden en citeertitel </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvullende
                                    voorzieningen bij werkloosheid. </al></li><li nr="2."><al>Deze regeling treedt in werking. na uitgifte van het provinciaal
                                    blad waarin zij is geplaatst. op 1 januari 2001. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid</label></kop><divisie><kop><label>1. Inleiding </label></kop><al>De ambtelijke aanspraken zijn geregeld in wettelijke en
                                bovenwettelijke aanspraken. Het overheidspersoneel valt onder alle
                                sociale verzekeringswetten. Dit zijn de wettelijke aanspraken. Dat
                                betekent dat de provinciale ambtenaar valt onder de werking van de
                                ZW, WAO, Werkloosheidswet (WW), Toeslagenwet en de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers (IOAW). De Regeling aanvullende voorzieningen
                                bij werkloosheid is een bovenwettelijke regeling in aanvulling op de
                                WW.</al></divisie><divisie><kop><label>2. Uitgangspunten </label></kop><al>Aan de bovenwettelijke werkloosheidsregeling ligt een aantal
                                uitgangspunten ten grondslag. Als zodanig kunnen worden
                                genoemd:</al><lijst><li nr="-"><al>een naadloze aansluiting op de WW-systematiek;</al></li><li nr="-"><al>een eenvoudige regeling zowel qua regelgeving als qua
                                        uitvoering;</al></li><li nr="-"><al>een regeling die invulling geeft aan het volumebeleid;</al></li><li nr="-"><al>een regeling waarbij zowel de bovenwettelijke voorzieningen
                                        in de marktsector als de huidige ambtelijke regelingen het
                                        referentiepunt zijn;</al></li><li nr="-"><al>een duurzame regeling voor de middellange termijn.</al></li></lijst><al>Tussen de eerste twee uitgangspunten is een nauwe samenhang: zonder
                                een goede aansluiting op de WW-systematiek is een eenvoudige
                                regeling niet denkbaar. Een dergelijke regeling zou leiden tot
                                hogere uitvoeringskosten dan strikt genomen noodzakelijk is.
                                Naadloze aansluiting pas in de filosofie dat de WW een
                                bodemvoorziening is en de bovenwettelijke regeling een
                                complementaire voorziening. Het derde uitgangspunt impliceert:</al><lijst><li nr="-"><al>voor de werknemer dat de regeling voldoende prikkel moet
                                        bevatten om zo snel mogelijk weer in het arbeidsproces terug
                                        te keren;</al></li><li nr="-"><al>voor de werkgever dat de regeling voldoende prikkel moet
                                        bevatten om zich tot het uiterste in te spannen
                                        alternatieven voor werkloosheid te vinden.</al></li><li nr="-"><al>Volumebeleid is dan ook een belangrijke taak voor het
                                        uitvoeringsorgaan aan wie de uitvoering van de
                                        bovenwettelijke regeling is opgedragen. Met dit uitgangspunt
                                        is ook rekening gehouden bij de afspraken over met name
                                        hoogte en duur van de bovenwettelijke uitkering: deze mogen
                                        uiteraard niet de prikkel tot re-integratie wegnemen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>3. Hoofdlijnen van de regeling</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>a. Toegang tot de regeling</label></kop><al>Voor de toegang tot de regeling is vereist enerzijds dat aanspraak
                                bestaat op een loongerelateerde WW-uitkering en anderzijds dat de
                                ambtenaar ontslag uit provinciale dienst is verleend. Het eerste
                                vereiste vloeit voort uit het uitgangspunt dat de regeling naadloos
                                moet aansluiten op de WW. In concreto houdt dit, gelet op de in de
                                WW gestelde voorwaarden voor het ontstaan van het recht op een
                                uitkering, het volgende in:</al><al>Betrokkene moet werknemer zijn in de zin van de WW, d.w.z. de
                                natuurlijke persoon, nog niet AOW-gerechtigd, die in
                                privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
                                Betrokkene moet werkloos zijn. Daartoe is ontslag geen noodzakelijke
                                voorwaarde in de WW. Van werkloosheid is sprake bij verlies van ten
                                minste 5 arbeidsuren per kalenderweek of van 50% van zijn
                                arbeidsuren per kalenderweek alsmede van het recht op onverminderde
                                doorbetaling van zijn loon over die uren en betrokkene beschikbaar
                                is om arbeid te verrichten. Betrokkene moet voldoen aan de
                                referte-eis voor een loongerelateerde WW-uitkering.</al><al/><al>Het vereiste van ontslag is een voorwaarde voor recht op een
                                bovenwettelijke uitkering. Niet ieder ontslag leidt echter tot het
                                recht op bovenwettelijke voorzieningen, ook al zou uit hoofde van
                                dat ontslag recht op een WW-uitkering ontstaan. Van de regeling zijn
                                uitgezonderd ambtenaren aan wie bijvoorbeeld ontslag op aanvraag is
                                verleend, ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde
                                leeftijd, strafontslag, ontslag wegens ongeschiktheid of
                                onbekwaamheid anders dan op grond van ziekte en ontslag na afloop
                                van non-activiteit i.v.m. de vervulling van een politiek ambt.</al><al/><al>Het recht op bovenwettelijke voorzieningen blijft beperkt tot die
                                ambtenaren aan wie reorganisatieontslag is verleend en ontslag
                                wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van minder van 35%.
                                Daarnaast zijn nog bijzondere voorzieningen getroffen in enkele
                                andere gevallen van ontslag:</al><lijst><li nr="-"><al>ontslag in het belang van de dienst, bijvoorbeeld wegens
                                        onverenigbaarheid van karakters (artikel 19);</al></li><li nr="-"><al>ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan op
                                        grond van ziekte en ontslag na afloop van non-activiteit
                                        i.v.m. vervulling van een politiek ambt.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>b. Aanvullende en nawettelijke uitkering</label></kop><al>De regeling voorziet in een aanvullende uitkering en een
                                nawettelijke uitkering. De aanvullende uitkering houdt in een
                                aanvulling van de WW-uitkering, een aanvulling op de uitkering
                                krachtens de ZW in de periode dat wegens ziekte geen recht op een
                                WW-uitkering maar op de ZW-uitkering bestaat en, in voorkomende
                                gevallen, een aanvulling op de overlijdensuitkering.</al><al/><al>De aanvullende uitkering wordt toegekend gedurende de
                                WW-uitkeringperiode. Zij eindigt dus op het moment dat de duur van
                                de loongerelateerde WW-uitkering is afgelopen of zoveel eerder als
                                die wettelijke uitkering eerder is afgelopen i.v.m. bijvoorbeeld het
                                einde van de werkloosheid. De aanvulling bij ziekte wordt slechts
                                toegekend zolang er uit hoofde daarvan aanspraak op een ZW-uitkering
                                bestaat.</al><al/><al>Een nawettelijke uitkering is een uitkering na afloop van de duur
                                van de loongerelateerde WW-uitkering ingeval anders dan vanwege het
                                verstrijken van de uitkeringsduur is voldaan aan de voorwaarden voor
                                een WW-uitkering. Zie verder de artikelsgewijze toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>c. Hoogte van de aanvullende en wettelijke uitkering</label></kop><al>Zoals hierboven weergegeven is de naadloze aansluiting op de
                                WW-systematiek een belangrijk uitgangspunt. Dit uitgangspunt is,
                                zoals hierboven geschetst, onder meer vertaald in het (grotendeels)
                                overnemen van het dagloonbegrip als berekeningsgrondslag en het
                                vereiste dat de bovenwettelijke regeling alleen opengaat als er
                                recht op WW bestaat.</al><al/><al>Ook op de andere onderdelen wordt in de bovenwettelijke regeling
                                nauw bij de WW-systematiek aangesloten. Zo zijn de bepalingen in de
                                WW inzake gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op
                                uitkering (artikelen 19 en 20 WW), inzake herleving en verlenging
                                van de uitkering (artikelen 21 en 43 WW), inzake verplichtingen en
                                sancties (artikelen 24 t/m 28 WW), inzake anticumulatie (artikelen
                                34 en 35 WW) en inzake scholing (artikelen 75, 76 en 78 WW) van
                                overeenkomstige toepassing. Een en ander is geregeld in de artikelen
                                6 en 13 van de regeling. De WW-systematiek wordt echter niet gevolgd
                                ten aanzien van de indexering. Die blijft gekoppeld aan de algemene
                                salarisontwikkeling in de sector provincies.</al></divisie><divisie><kop><label>d. Aansluiting op de WW-systematiek </label></kop><al>Zoals hierboven weergegeven is de naadloze aansluiting op de
                                WW-systematiek een belangrijk uitgangspunt. Dit uitgangspunt is,
                                zoals hierboven geschetst, onder meer vertaald in het (grotendeels)
                                overnemen van het dagloonbegrip als berekeningsgrondslag en het
                                vereiste dat de bovenwettelijke regeling alleen opengaat als er
                                recht op WW bestaat.</al><al/><al>Ook op de andere onderdelen wordt in de bovenwettelijke regeling
                                nauw bij de WW-systematiek aangesloten. Zo zijn de bepalingen in de
                                WW inzake gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op
                                uitkering (artikelen 19 en 20 WW), inzake herleving en verlenging
                                van de uitkering (artikelen 21 en 43 WW), inzake verplichtingen en
                                sancties (artikelen 24 t/m 28 WW), inzake anticumulatie (artikelen
                                34 en 35 WW) en inzake scholing (artikelen 75, 76 en 78 WW) van
                                overeenkomstige toepassing. Een en ander is geregeld in de artikelen
                                6 en 13 van de regeling. De WW-systematiek wordt echter niet gevolgd
                                ten aanzien van de indexering. Die blijft gekoppeld aan de algemene
                                salarisontwikkeling in de sector provincies.</al></divisie><divisie><kop><nr>e.</nr><titel>Doorwerking van wettelijke maatregelen in het bovenwettelijk
                                    traject</titel></kop><al>Indien de wetgever een neerwaartse wijziging in de hoogte en duur
                                van de WW-uitkering aanbrengt zal dit – tenzij in het sectoroverleg
                                anders wordt overeengekomen – doorwerken naar het bovenwettelijk
                                traject. Gelet op het systeem van de bovenwettelijke uitkering, een
                                aanvulling op de wettelijke uitkering, zou een verlaging van het
                                wettelijk uitkeringsniveau er automatisch toe leiden dat deze
                                verlaging wordt gecompenseerd in de bovenwettelijke uitkering (bij
                                een verlaging van de WW naar 65% bijvoorbeeld zou een aanvulling tot
                                78% immers niet een aanvulling van 8% naar 13% zijn).</al><al/><al>Hetzelfde verhaal geldt bij een duurvermindering in de WW. Dat zou
                                automatisch tot een compensatie in de nawettelijke uitkering leiden
                                doordat de nawettelijke uitkering zou worden verlengd met de periode
                                waarmee de wettelijke uitkeringsduur is bekort. De
                                doorwerkingsclausule zoals opgenomen in artikel 21 van de regeling
                                is gelijk aan die welke tussen de overheidssectorwerkgevers en
                                centrales van overheidspersoneel is afgesproken in het model voor
                                een bovenwettelijk invaliditeitspensioen, zij het dat hieraan is
                                toegevoegd dat doorwerking in ieder geval niet plaatsvindt voor de
                                afloop van het lopende SPA-akkoord over de arbeidsvoorwaarden.</al></divisie><divisie><kop><label>f. Overgangsrecht</label></kop><al>De ambtelijke wachtgeldregeling en uitkeringsregeling zijn met
                                ingang van 1 januari 2003 vervallen. Vanaf 1 januari 2001 hebben
                                ambtenaren wier dienstverband op of na die datum is geëindigd, geen
                                toegang meer tot die regelingen. De wachtgeldregeling en de
                                uitkeringsregeling blijven vanaf 1 januari 2003 wel van kracht voor
                                gewezen ambtenaren aan wie direct voorafgaande aan 1 januari 2001
                                een wachtgeld of uitkering op grond van de regeling is
                                toegekend.</al></divisie><divisie><kop><label>g. De uitvoering van de regeling</label></kop><al>Zowel de Werkloosheidswet als de Regeling aanvullende voorzieningen
                                bij werkloosheid worden uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen (UWV). Wat betreft de uitvoering van de
                                Werkloosheidswet is dat wettelijk geregeld in de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). De uitvoering van
                                de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid is
                                contractueel geregeld tussen de provincie en het UWV (als
                                rechtsopvolger van get USZO). Aan het UWV is de uitvoering van deze
                                regeling, inclusief de afhandeling van bezwaar- en beroepschriften,
                                gemandateerd.</al></divisie><divisie><kop><label>4. Artikelsgewijze toelichting</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 1</label></kop><al>Het eerste lid geeft aan wie onder de werking van de regeling
                                vallen. Arbeidsongeschikten komen alleen voor een bovenwettelijke
                                uitkering in aanmerking als zij op de ontslagdatum voor minder dan
                                35% arbeidsongeschikt zijn verklaard door het UWV. De WW, waarop een
                                bovenwettelijke uitkering wordt gegeven, is immers niet van
                                toepassing op hen die voor 35% of meer arbeidsongeschikt zijn
                                verklaard. </al><al/><al>In het tweede lid is onder d het diensttijdbeginsel vastgelegd. Het
                                komt materieel overeen met het huidige ABP-diensttijdbegrip.
                                Rekening is gehouden met de jurisprudentie inzake meetellen van
                                overheidsdiensttijd bij lidstaten van de Europese Economische
                                Ruimte. De diensttijd is van belang voor de berekening van de duur
                                van de nawettelijke uitkering. Diensttijd die al in aanmerking is
                                genomen voor de bepaling van de duur van een eerdere
                                werkloosheidsuitkering ten laste van de overheid wordt niet opnieuw
                                in beschouwing genomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2</label></kop><al>Geen recht op een aanvullende uitkering ontstaat indien geen recht
                                ontstaat op een loongerelateerde WW-uitkering maar slechts op een
                                kortdurende WW-uitkering op grond van hoofdstuk II B van de WW. Na
                                ontslag heeft men slechts recht op een aanvullende uitkering voor
                                zover men recht heeft op een (loongerelateerde) WW-uitkering i.v.m.
                                arbeidsurenverlies ontstaan uit het ontslag bij de provincie. Het
                                tweede lid geldt niet bij vermindering van WW wegens gedeeltelijke
                                werkloosheid op grond van artikel 47, tweede lid, van de WW, maar
                                enkel bij financiële korting of sanctie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3</label></kop><al>Als het recht op WW-uitkering binnen de eerste 12 maanden na ontslag
                                eindigt (bijvoorbeeld door einde van de werkloosheid) en later
                                herleeft, herleeft ook het recht op de aanvullende uitkering. De
                                herleefde WW-uitkering wordt gedurende de periode dat die 12 maanden
                                niet zijn vol gemaakt aangevuld tot 80% en eerst daarna voor de
                                resterende uitkeringsduur tot 70%. </al><al/><al>Het tweede lid is noodzakelijk zolang die wet waarin een wettelijke
                                toeslag van 3% is geregeld nog van toepassing is. In navolging van
                                OCW zal worden verzocht deze wet in te trekken voor het provinciaal
                                personeel.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4</label></kop><al>Bij ziekte eindigt de WW-uitkering. De aanvulling op de ZW-uitkering
                                eindigt op het moment dat de ZW-uitkering eindigt. De WW-uitkering
                                kan herleven als geen nieuw recht op WW ontstaat. De tijd waarin de
                                aanvulling van de ZW-uitkering tot 80% is gegeven telt mee voor de
                                berekening van de duur van de 12 maanden waarin de WW-uitkering tot
                                80% wordt aangevuld. De aanvulling van de ZW-uitkering daalt van 80%
                                naar 70% op het moment van verstrijken van die 12 maanden. </al><al/><al>De uitkering bij zwangerschaps- en bevallingsverlof op grond van de
                                Wet arbeid en zorg wordt aangevuld tot 100% van de
                                berekeningsgrondslag. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5</label></kop><al>Artikel 35 van de ZW voorziet in een eenmalige overlijdensuitkering.
                                Die overlijdensuitkering wordt per dag aangevuld tot 100% van het
                                ongemaximeerde dagloon. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6</label></kop><al>Hierin is bepaald dat een groot aantal bepalingen van de WW van
                                overeenkomstige toepassing zijn. Het gaat daarbij om de bepalingen
                                inzake het recht op WW, inzake (gehele of gedeeltelijke) beëindiging
                                van het recht op WW, de bepalingen inzake verlenging en herleving
                                van het recht op WW en inzake verplichtingen en sancties,
                                anticumulatie en scholing. </al><al/><al>Het tweede lid zorgt ervoor dat als gevolg van de overeenkomstige
                                toepassing van de kortingsbepaling van andere inkomsten geen dubbele
                                korting plaatsvindt: zowel op het wettelijke als het bovenwettelijke
                                deel. </al><al/><al>Het vierde lid regelt dat, indien een ontslag op eigen verzoek
                                ingeval van een voorgenomen reorganisatieontslag zou leiden tot
                                sancties de wettelijke uitkering omdat sprake zou zijn van
                                verwijtbare werkloosheid de sanctie in het bovenwettelijk deel wordt
                                gecompenseerd. </al><al/><al>Het is uiteraard van groot belang dat de beslissingen en handelingen
                                t.a.v. de wettelijke en aanvullende/ nawettelijke uitkering op
                                elkaar zijn afgestemd. Voorkomen moet immers worden dat bijvoorbeeld
                                eenzelfde nalatigheid tot verschillende sancties leidt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 8 en 14</label></kop><al>Op grond van regelgeving van de Europese Unie komt de provinciale
                                werknemer die in het buitenland woont bij volledige werkloosheid
                                niet in aanmerking voor een WW-uitkering in Nederland. Betrokkene
                                zal in dat geval een werkloosheidsuitkering in zijn woonland moeten
                                aanvragen. </al><al/><al>Daarmee voldoet hij niet aan de in de artikelen 2 en 9 gestelde
                                voorwaarde voor een bovenwettelijke (= aanvullende en nawettelijke)
                                werkloosheidsuitkering dat hij recht moet hebben (gehad) op een
                                WW-uitkering. In de artikelen 8 en 14 is geregeld dat de provinciale
                                werknemer die in het buitenland woont bij volledige werkloosheid
                                toch de aanvullende en eventueel nawettelijke werkloosheidsuitkering
                                ontvangt waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou
                                hebben gewoond. Daarmee is uitvoering gegeven aan een aanbeveling
                                ter zake van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP). De
                                regeling sluit aan bij het model dat Loyalis Contractmanagement B.V.
                                op verzoek van de ROP bij wijze van handreiking heeft ontwikkeld.
                                Dit model geeft in alle gevallen een garantie op het totale
                                (wettelijke plus bovenwettelijke) uitkeringsniveau dat betrokkene
                                zou hebben gehad als hij in Nederland had gewoond. Hiertoe wordt een
                                fictief werkloosheidsrecht vastgesteld en het bovenwettelijk recht
                                conform de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid. De
                                op deze wijze vastgestelde totale aanspraken worden uitbetaald als
                                een volledige bovenwettelijke uitkering. Als betrokkene een
                                buitenlandse werkloosheidsuitkering ontvangt zal het bedrag van deze
                                buitenlandse uitkering volledig worden gekort op de bovenwettelijke
                                betaling (anticumulatie). Bewijsstukken hiervan levert betrokkene
                                maandelijks aan. </al><al/><al>De werkloze provinciale werknemer moet Nederlandse werkbriefjes
                                blijven insturen. Veranderingen in de omstandigheden (bijv.
                                werkhervatting of overtreding van verplichtingen) hebben hetzelfde
                                effect dat ze zouden hebben als betrokkene in Nederland woonde.
                                Beoordeling vindt dus steeds plaats op grond van de Nederlandse
                                regels. </al><al/><al>In geval van ziekte bij of kort na ontslag waarbij de laatstgenoten
                                bezoldiging wordt doorbetaald wordt de bovenwettelijke
                                werkloosheidsuitkering onderbroken. In de overige gevallen van
                                ziekte loopt de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering door. In deze
                                situatie zijn er twee mogelijkheden. </al><al/><al>Als betrokkene een buitenlandse uitkering wegens ziekte,
                                zwangerschap of bevalling heeft en dit aantoont, gaat de fictieve
                                WW-uitkering over in een fictieve uitkering op grond van de
                                Ziektewet of de Wet arbeid en zorg. Dit betekent dat de einddatum
                                van de fictieve WW-uitkering opschuift (bij ziekte alleen als deze
                                meer dan 3 maanden duurt). Bovendien geldt bij zwangerschap en
                                bevalling een hoger uitkeringspercentage. </al><al/><al>Meldt betrokkene zich ziek maar levert hij geen bewijs van een
                                buitenlandse ziekte-uitkering dan loopt de bovenwettelijke
                                werkloosheidsuitkering door zoals bij werkloosheid. Dus zonder
                                opschuiving van de einddatum en zonder verhoging in geval van
                                zwangerschap en bevalling. </al><al/><al>Artikel 8, tweede lid, onderdeel b, is van belang als betrokkene
                                later alsnog recht krijgt op WW. Dat is mogelijk in bijzondere
                                situaties, bijv. als hij bij een volgend werkloosheidsgeval wel in
                                Nederland woont. De bovenwettelijke uitkering als “grensarbeider”
                                mag dan niet in mindering worden gebracht op de bovenwettelijke
                                uitkering die is verbonden aan zijn nieuwe Nederlandse WW-recht. Het
                                vijfde lid van artikel 8 regelt de anticumulatie van de
                                woonlanduitkering. Het zesde lid van artikel 8 regelt de situatie
                                van samenloop tussen een uitkering op grond van dit artikel en een
                                andere uitkering. Als beide uitkeringen betrekking hebben op
                                hetzelfde deel van de arbeidsuren wordt de uitkering op grond van
                                dit artikel alleen uitbetaald voor zover die hoger is dan de andere
                                uitkering. Dit lid is alleen van belang in bijzondere situaties,
                                bijvoorbeeld als betrokkene opnieuw uitkering krijgt nadat hij naar
                                Nederland is verhuisd, of anderszins geen “grensarbeider” meer is.
                                Het zesde lid heeft geen betrekking op de woonlanduitkeringen. Zie
                                daarvoor het vijfde lid. </al><al/><al>Artikel 14, eerste lid, kent betrokkene het recht op een
                                nawettelijke uitkering toe dat hij zou hebben gehad als hij in
                                Nederland had gewoond. Het tweede lid van artikel 14 verwijst naar
                                enkele onderdelen van artikel 8. Zie de toelichting aldaar. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9</label></kop><al>Hierin is het recht op de nawettelijke uitkering geregeld. Zie ook
                                de tweede volzin van de toelichting op artikel 2.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10 </label></kop><al>In het tweede en derde lid is de uitkeringsduur overeenkomstig het
                                leeftijd+ diensttijdbeginsel geregeld, met de correctie vanwege het
                                vervallen van de WW-vervolguitkering (zie onderdeel 3c van de
                                algemene toelichting). Bij (reorganisatie)ontslag op de leeftijd van
                                59 jaar en ouder wordt de nawettelijke uitkering verlengd tot de
                                AOW-gerechtigde leeftijd als betrokkene bij ontslag direct
                                voorafgaand zonder onderbreking van langer dan 2 maanden een
                                provinciale diensttijd had van ten minste 5 jaar. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 11 t/m 13 </label></kop><al>In artikel 13 is artikel 19, eerste lid, onder a, WW waarin
                                beëindiging bij ziekte is geregeld, niet overgenomen bij de
                                nawettelijke uitkering omdat alsdan betrokkene niet meer onder de ZW
                                valt en hij in dat geval op de bijstand zou zijn aangewezen. Voor
                                het overige wordt verwezen naar de toelichting op de hoofdlijnen van
                                de regeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 15</label></kop><al>De wettelijke indexering van het WW-dagloon conform de Wet koppeling
                                met afwijkingsmogelijkheden geldt niet voor de aanvullende en
                                nawettelijke uitkering. De berekeningsgrondslag voor de aanvullende
                                en nawettelijke uitkering wordt steeds aangepast op het tijdstip van
                                de algemene salarismaatregelen in de sector provincies. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 16 en 17 </label></kop><al>Het gaat hier om voorzieningen die ook in de oude wachtgeldregeling
                                al voorkomen. Zij kunnen een bijdrage leveren aan een spoedige
                                re-integratie in het arbeidsproces.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 19 </label></kop><al>Het gaat hier om een ontslag in het belang van de dienst zoals
                                bedoeld in artikel B.9, onderdeel o, van de CAP. Gedacht moet worden
                                met name aan ontslag ingeval van de onverenigbaarheid van karakters.
                                De voorziening sluit aan op die in de huidige
                                rechtspositieregelingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 20 </label></kop><al>Hier bedoelde gewezen ambtenaren komen niet in aanmerking voor een
                                aanvullende en nawettelijke uitkering. Wel bestaat recht op een
                                eenmalige uitkering indien de werkgever voor 50% of meer schuld
                                heeft aan het ontslag. Gelet op de Awb zullen gedeputeerde staten
                                een beslissing hierover slechts kunnen nemen na een zorgvuldig
                                onderzoek, gehoord de betreffende ambtenaar. </al><al/><al>Een paritair uit werkgevers- en werknemersleden en een
                                onafhankelijke voorzitter bestaande commissie zal in het kader van
                                de heroverwegingsprocedure op grond van de Awb het provinciebestuur
                                adviseren over het ontslag, het recht en de hoogte van de eenmalige
                                uitkering in hun onderlinge samenhang. De ambtenaar kan zich in alle
                                fasen laten bijstaan door een raadsman (bijv. een vakbond als hij
                                daarvan lid is). </al><al/><al>(In het SPA-akkoord 1994/1997 is vastgelegd dat in het lokale
                                georganiseerd overleg een andere samenstelling kan worden
                                overeengekomen van de paritaire commissie. In provincies waar een
                                andere samenstelling is overeengekomen zal de tekst vanzelfsprekend
                                op onderdelen wat anders komen te luiden.) </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 23 </label></kop><al>Deze regeling treedt in werking op het moment waarop de nieuwe
                                gevallen onder de WW gaan vallen, te weten 1 januari 2001.</al></divisie><al>Gegeven te Middelburg, 31 oktober 2000.</al><al/><al>Gedeputeerde Staten voornoemd,</al><al>drs. W. T. VAN GELDER, voorzitter.</al><al>mr. drs. L.J.M. VERDULT, griffier.</al><al/><al>Uitgegeven 5 december 2000.</al><al>De griffier der Staten,</al><al>mr. drs. L.J.M. VERDULT.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>