<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR63797_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening burgerinitiatiefvoorstellen Zeeland 2003</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Zeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Zeeland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2013, 25</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening burgerinitiatiefvoorstellen Zeeland 2003</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Grondwet art.5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-15</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Art 4</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SGR 036A</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Inspraak</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-39873</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening burgerinitiatiefvoorstellen Zeeland 2003</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Provinciale staten van Zeeland</al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van gedeputeerde staten van 4 maart 2003, nr.
                                030883/8;</al></li><li nr="-"><al>overwegende dat het gewenst is burgers de mogelijkheid te bieden tot
                                het indienen van voorstellen aan provinciale staten en dat het
                                daartoe noodzakelijk is daaromtrent regelen te stellen;</al></li><li nr="-"><al>gelet op artikel 5 van de Grondwet;</al></li></lijst><al>besluiten vast te stellen de navolgende Verordening
                        burgerinitiatiefvoorstellen Zeeland 2003</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Artikelen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1</label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder een burgerinitiatiefvoorstel:
                            een voorstel van een initiatiefgerechtigde om een onderwerp op de agenda
                            van de vergadering van provinciale staten te plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Provinciale staten plaatsen een burgerinitiatiefvoorstel op de
                                    agenda van hun vergadering indien daartoe door een
                                    initiatiefgerechtigde een geldig verzoek is ingediend. </al></li><li nr="2."><al>Ongeldig is het verzoek dat: </al><al/><lijst><li nr="a."><al>niet door ten minste 500 initiatiefgerechtigden wordt
                                            ondersteund; </al></li><li nr="b."><al>een onderwerp als bedoeld in artikel 4 bevat, of </al></li><li nr="c."><al>niet voldoet aan de voorwaarden, gesteld in artikel 5.
                                        </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Initiatiefgerechtigd zijn degenen die kiesgerechtigd zijn voor
                                    de verkiezing van de leden van provinciale staten.</al></li><li nr="2."><al>Voor de beoordeling of aan de vereisten voor
                                    initiatiefgerechtigdheid is voldaan, is de toestand op de dag
                                    van indiening van het verzoek bepalend. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4</label></kop><al>Een burgerinitiatiefvoorstel houdt niet in:</al><lijst><li nr="a."><al>een onderwerp dat niet behoort tot de bevoegdheid van
                                    provinciale staten;</al></li><li nr="b."><al>een vraag over het provinciaal beleid;</al></li><li nr="c."><al>een klacht in de zin van hoofdstuk 9 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht over een gedraging van het provinciebestuur;</al></li><li nr="d."><al>een bezwaar in de zin van hoofdstuk 6 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht tegen een besluit van het provinciebestuur;</al></li><li nr="e."><al>een onderwerp waarover tijdens de provinciale statenperiode
                                    waarin indiening van het voorstel plaatsvindt door provinciale
                                    staten een besluit is genomen; of</al></li><li nr="f."><al>een verzoek tot het houden een referendum als bedoeld in de
                                    Referendumverordening Zeeland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verzoek ter plaatsing van een burgerinitiatiefvoorstel op de
                                    agenda van de vergadering van provinciale staten wordt
                                    schriftelijk ingediend bij de commissaris van de Koning. </al></li><li nr="2."><al>Het verzoek bevat ten minste: </al><al/><lijst><li nr="a."><al>een nauwkeurige omschrijving van het
                                            burgerinitiatiefvoorstel; </al></li><li nr="b."><al>een toelichting op het burgerinitiatiefvoorstel; </al></li><li nr="c."><al>de achternaam, de voornamen, het adres, de geboortedatum
                                            en de handtekening van de verzoeker en zijn
                                            plaatsvervanger, en </al></li><li nr="d."><al>een lijst met de voornamen, achternamen, adressen,
                                            geboortedata en handtekeningen van de
                                            initiatiefgerechtigden die het verzoek ondersteunen.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor de indiening van het verzoek wordt gebruik gemaakt van het
                                    in bij¬lage I bij deze verordening opgenomen model.</al></li><li nr="4."><al>Voor de in het tweede lid onder d bedoelde lijst wordt gebruikt
                                    gemaakt van het in bijlage II bij deze verordening opgenomen
                                    model.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Provinciale staten beslissen in de eerstvolgende vergadering na
                                    de datum van indiening van het verzoek of het
                                    burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de vergadering van
                                    provinciale staten wordt geplaatst, met dien verstande dat ten
                                    minste twee weken is gelegen tussen de dag van indiening van het
                                    verzoek en de dag van de vergadering waarin op het verzoek wordt
                                    beslist. </al></li><li nr="2."><al>Indien provinciale staten het verzoek afwijzen wegens strijd met
                                    artikel 4, onder a, kunnen provinciale staten het voorstel
                                    doorzenden aan gedeputeerde staten. </al></li><li nr="3."><al>Indien provinciale staten het verzoek toewijzen, dan agenderen
                                    zij het burgerinitiatiefvoorstel voor de eerstvolgende
                                    vergadering van provinciale staten. </al></li><li nr="4."><al>De commissaris van de Koning nodigt de verzoeker schriftelijk
                                    uit voor de vergadering waarvoor het burgerinitiatiefvoorstel is
                                    geagendeerd. De verzoeker of zijn plaatsvervanger heeft tijdens
                                    deze vergadering de gelegenheid om zijn burgerinitiatiefvoorstel
                                    mondeling nader toe te lichten. </al></li><li nr="5."><al>Zo spoedig mogelijk nadat provinciale staten over het
                                    burgerinitiatiefvoorstel een besluit hebben genomen wordt dit
                                    besluit bekendgemaakt door kennisgeving van het besluit of van
                                    de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven
                                    blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een
                                    andere geschikte wijze. </al></li><li nr="6."><al>Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het besluit
                                    mededeling gedaan aan verzoeker. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7</label></kop><al>De commissaris van de Koning brengt in het burgerjaarverslag tevens
                            rapport uit over de werking van het recht van burgerinitiatief in de
                            praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening
                            burgerinitiatiefvoorstellen Zeeland 2003.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2003.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Toelichting op de Verordening op het burgerinitiatiefvoorstellen
                            Zeeland 2003</label></kop><paragraaf><kop><label>Algemeen</label></kop><structuurtekst><al>Het burgerinitiatief kan beschouwd worden als een verbindingsschakel
                                tussen de representatieve en participatieve democratie. De directe
                                invloed van burgers versterkt de besluitvorming in de staten. Het
                                burgerinitiatief is één van de mogelijkheden om participatie van
                                burgers bij de beleidsvorming en besluitvorming door provinciale
                                staten te stimuleren. Het burgerinitiatief geeft burgers het recht
                                om zelf direct onderwerpen letterlijk op de politieke agenda te
                                plaatsen en daarmee hun vertegenwoordigers voor een keuze te
                                plaatsen.</al><al>Het burgerinitiatief is een uitgewerkte vorm van het petitierecht.
                                Het verschilt ervan doordat provinciale staten zich verplichten door
                                burgers - procedureel correct - ingediende onderwerpen of
                                voorstellen op hun agenda te zetten en te behandelen. Het
                                burgerinitiatief kan op die manier de participatie en betrokkenheid
                                van burgers vergroten en geeft hen de mogelijkheid direct invloed
                                uit te oefenen op de politieke agenda. Onderwerpen die provinciale
                                staten naar hun idee zouden moeten agenderen, maar die door
                                provinciale staten (nog) niet zijn opgepakt, kunnen met inachtneming
                                van bepaalde voorwaarden op de statenagenda worden geplaatst. In de
                                huidige situatie hebben burgers natuurlijk al verschillende
                                mogelijkheden om te participeren in politieke
                                besluitvormingsprocessen, zoals bijvoorbeeld via inspraak. Met het
                                burgerinitiatief wordt echter een instrument geïntroduceerd waarmee
                                burgers een nieuw onderwerp of voorstel kunnen agenderen in
                                provinciale staten. Provinciale staten moeten vervolgens over dit
                                punt beraadslagen, mits aan de gestelde voorwaarden is voldaan.</al><al>Het burgerinitiatief past naadloos in het versterken van de
                                vertegenwoordigende functie van provinciale staten; één van de
                                beoogde effecten van de dualisering. Deze meer externe oriëntatie
                                wordt gestimuleerd door verschillende wettelijke maatregelen. Zo
                                kunnen leden van provinciale staten het recht van initiatief van
                                statenleden gebruiken om signalen uit de samenleving te vertalen in
                                concrete voorstellen. De concentratie van bestuursbevoegdheden bij
                                gedeputeerde staten levert tijdswinst op die het statenlid kan
                                gebruiken om zich nog beter te oriënteren op wat leeft in de
                                provincie. Het vertalen van geluiden uit de samenleving hoeft echter
                                niet noodzakelijk door statenleden te gebeuren. Het invoeren van een
                                recht van burgerinitiatief biedt burgers de gelegenheid om publieke
                                agendapunten onderdeel van de politieke agenda te maken. Zo wordt er
                                nog een kanaal aangelegd waarlangs de dingen die in de samenleving
                                leven hun weg naar de provinciale politiek kunnen vinden.</al><al/><al>In deze regeling is volstaan met eenvoudige procedureregels. Een
                                grote hoeveelheid regels zou de burgers kunnen ontmoedigen. Daarom
                                is gekozen voor korte lijnen en eenvoudige procedures.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Artikelgewijze toelichting</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1</label></kop><al>Deze formulering biedt de mogelijkheid dat burgers een onderwerp aan
                                provinciale staten aandragen, zonder dat hierbij een concreet
                                voorstel is gevoegd (bijvoorbeeld de wens om over de problematiek in
                                een bepaalde regio te discussiëren), maar tevens om een concreet
                                voorstel in te dienen (bijvoorbeeld om een concreet besluit te
                                nemen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2</label></kop><al>Uit dit artikel volgt dat de provinciale staten een
                                burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van een statenvergadering
                                moeten plaatsen indien er sprake is van een geldig verzoek,
                                ingediend door een initiatiefgerechtigde. Provinciale staten zullen
                                zich in dat geval dus in ieder geval moeten uitspreken over het
                                burgerinitiatiefvoorstel. Van een geldig verzoek is sprake als het
                                verzoek door ten minste een bepaald aantal initiatiefgerechtigden
                                wordt ondersteund, het onderwerp van het burgerinitiatiefvoorstel
                                niet in artikel 4 is uitgezonderd en aan de in artikel 5 gestelde
                                procedurele voorwaarden wordt voldaan.</al><al>In artikel 3 wordt nader omschreven wanneer een persoon
                                initiatiefgerechtigd is.</al><al>Over het vereiste dat het verzoek door ten minste een bepaald aantal
                                initiatiefgerechtigden wordt ondersteund kan het volgende worden
                                opgemerkt. Het burgerinitiatief biedt burgers de mogelijkheid om
                                invloed uit te oefenen op de agenda van provinciale staten. Het is
                                daarom een inbreuk op het uitgangspunt dat provinciale staten hun
                                eigen agenda vaststellen. Dit is alleen gerechtvaardigd als het
                                burgerinitiatiefvoorstel ook daadwerkelijk door een bepaald gedeelte
                                van de bevolking wordt gedragen. De hoogte van de benodigde steun is
                                daarom ontleend aan de drempels die in de Tijdelijke referendumwet
                                worden gehanteerd bij het inleidend verzoek voor een raadgevend
                                correctief referendum (artikel 3). De omvang van de drempel is
                                daardoor van dien aard moeten zijn dat zij - zonder verhinderend te
                                zijn - toch een zekere garantie biedt dat het desbetreffende verzoek
                                gedragen wordt door een gedeelte van de bevolking. Omdat redenen van
                                duidelijkheid wordt niet gesproken van een percentage, maar van een
                                absoluut minimum aantal initiatiefgerechtigden die het verzoek
                                ondersteunen. Om die reden is ook het aan de Tijdelijke
                                referendumwet ontleende aantal afgerond op 1000. Na een duidelijke
                                toe- of afname van het aantal initiatiefgerechtigden, kunnen
                                provinciale staten dit aantal eenvoudig aanpassen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3</label></kop><al>Het ligt voor de hand het initiatiefrecht toe te kennen aan
                                kiesgerechtigden voor provinciale statenverkiezingen, vanuit de
                                gedachte dat het burgerinitiatief een instrument is om burgers bij
                                de besluitvorming van provinciale staten te betrekken en die te
                                beïnvloeden. Wie kiesgerechtigd is, is vastgelegd in artikel B 2 van
                                de Kieswet. Voor de toetsing of aan de vereisten voor
                                initiatiefgerechtigdheid is voldaan, lijkt het moment van indiening
                                van het verzoek aangewezen. Het verzoek vindt immers formeel op dit
                                moment plaats. Om te kunnen onderzoeken of op dat moment wordt
                                voldaan aan de vereisten, zijn verschillende gegevens nodig. Welke
                                dat zijn wordt geregeld in artikel 5. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4</label></kop><al>De beperkingen die dit artikel stelt aan de inhoud van een
                                burgerinitiatiefvoorstel vloeien vooral voort uit
                                doelmatigheidsoverwegingen. Het is bijvoorbeeld weinig efficiënt om
                                provinciale staten te belasten met de beraadslaging over een
                                onderwerp waarover provinciale staten uiteindelijk geen beslissende
                                bevoegdheid hebben. Een ander argument voor deze uitzondering is,
                                dat de afstand tussen burger en bestuur alleen maar zou worden
                                vergroot als de burger na het doorlopen van de
                                burgerinitiatiefprocedure te horen krijgt dat provinciale staten
                                niets met het burgerinitiatiefvoorstel kunnen doen, omdat zij er
                                niet over gaan.</al><al>Een vraag over provinciaal beleid kan ook geen onderwerp van een
                                burger¬initiatief zijn. Voor dit soort vragen staan de burger andere
                                wegen open, zoals het spreekrecht in een commissievergadering of een
                                spreekuur van een gedeputeerde.</al><al>Ook moet worden voorkomen dat het burgerinitiatief andere procedures
                                zoals de bezwaar- of de klachtprocedure doorkruist. Met het oog
                                hierop kan worden bepaald dat het burgerinitiatiefvoorstel geen
                                bezwaar tegen een genomen besluit of een klacht over een gedraging
                                van het provinciebestuur kan inhouden. Hiervoor heeft de burger
                                andere wegen.</al><al>Ten slotte is het evenmin de bedoeling dat zaken die recent nog in
                                provinciale staten aan de orde zijn geweest opnieuw onderwerp van
                                bespreking worden als gevolg van een burgerinitiatief. Dit zou de
                                besluitvorming in provinciale staten te zeer kunnen frustreren. Mede
                                daarom is de termijn gerelateerd aan de provinciale statenperiode.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5</label></kop><al>Omdat de commissaris van de Koning de voorzitter van provinciale
                                staten is, ligt het voor de hand om het burgerinitiatiefvoorstel bij
                                hem te laten indienen. Aan het verzoek zal een aantal
                                minimumvereisten gesteld moeten worden. Het is uit praktische
                                overwegingen zoals uniformiteit, overzichtelijkheid en duidelijkheid
                                raadzaam indiening van een burgerinitiatiefvoorstel plaats te laten
                                vinden door middel van een standaardformulier voor
                                burgerinitiatieven. Op dit formulier zal de verzoeker naast het
                                voorstel plus toelichting, in ieder geval zijn personalia en die van
                                zijn plaatsvervanger moeten aangeven. Ook de initiatiefgerechtigden
                                die het verzoek ondersteunen zullen uiteraard vermeld moeten worden.
                                Om fraude met namen te voorkomen wordt naar personalia gevraagd als
                                adressen en geboortedata. Met name dat laatste gegeven kan niet aan
                                openbare bronnen als telefoonboeken worden ontleend. Op grond van
                                deze gegevens kan de provincie onderzoeken of het verzoek de steun
                                van voldoende daartoe gerechtigde personen heeft. Dergelijke
                                formulieren zijn opgenomen in de bijlagen 1 en 2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6</label></kop><al>De burger moet erop kunnen vertrouwen dat provinciale staten zijn
                                voorstel spoedig toetsen aan de vereisten en een besluit nemen over
                                de behandeling. Hierin voorziet het eerste lid. Het gaat erom een
                                termijn te kiezen die niet te lang is, maar ook niet zo kort dat ze
                                onvoldoende is om het voorstel te kunnen controleren. Verzoeken
                                waarover provinciale staten niet bevoegd zijn, kunnen provinciale
                                staten doorzenden naar gedeputeerde staten. Dat zal met name
                                gebeuren als gedeputeerde staten wel bevoegd zijn.</al><al>Met het vierde tot en met zesde lid worden vooral waarborgen
                                gecreëerd voor transparantie bij de afhandeling van een
                                burgerinitiatiefvoorstel door provinciale staten. Op grond van het
                                zesde lid wordt de verzoeker altijd schriftelijk meegedeeld wat er
                                met het ingediende voorstel gebeurt. Dat kan dus een mededeling dat
                                het verzoek wordt afgewezen of een inhoudelijk besluit zijn. Wordt
                                het verzoek tot plaatsing van het burgerinitiatiefvoorstel door
                                provinciale staten afgewezen, dan is er sprake van een besluit in de
                                zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep op
                                de rechter openstaan. Besluiten provinciale staten het
                                burgerinitiatiefvoorstel te agenderen, dan is er sprake van een
                                voorbereidingsbeslissing die niet vatbaar is voor bezwaar of beroep
                                (artikel 6:3 Awb). Afhankelijk van de inhoud van de beslissing op
                                het initiatiefvoorstel zelf, zal er sprake zijn van een besluit in
                                de zin van</al><al>de Algemene wet bestuursrecht dat vatbaar is voor bezwaar en beroep.
                                Zo zal bijvoorbeeld bezwaar en beroep openstaan indien provinciale
                                staten naar aanleiding van het burgerinitiatiefvoorstel besluiten
                                een subsidie toe te kennen voor een bepaald project. Een ander
                                voorbeeld is het besluit om een verordening op bepaalde punten aan
                                te passen. Tegen een dergelijk besluit staan geen bezwaar en beroep
                                bij de rechter open (artikel 8:2 Awb).</al><al>Er is in deze bepalingen voor gekozen in het midden te laten hoe
                                provinciale staten verder met het burgerinitiatiefvoorstel omgaan.
                                Er is niet bedoeld dat provinciale staten altijd plenair het
                                voorstel inhoudelijk moeten behandelen. Het ligt wel voor de hand
                                dat provinciale staten in pleno beslissen over het te volgen
                                traject, maar een besluit over een burgerinitiatiefvoorstel kan
                                uiteraard ook in een statencommissie inhoudelijk worden voorbereid.
                                Ook kunnen provinciale staten van mening zijn dat nader onderzoek
                                moet worden gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7</label></kop><al>Artikel 175 lid 2 Provinciewet bepaalt dat de commissaris van de
                                Koning jaarlijks een burgerjaarverslag uitbrengt, waarin hij onder
                                meer zijn bevindingen geeft over de kwaliteit van procedures op het
                                vlak van burgerparticipatie. Het ligt voor de hand daarbij ook een
                                rapportage over de werking van het recht van burgerinitiatief in de
                                praktijk te doen opnemen.</al><al>Hierbij valt te denken aan getalsmatige gegevens (aantal ingediende,
                                aantal toegewezen en aantal afgewezen burgerinitiatiefvoorstellen),
                                alsmede aan een beknopt overzicht van de inhoud van de
                                burgerinitiatiefvoorstellen, de besluiten van provinciale staten op
                                de burgerinitiatiefvoorstellen en de motivatie op grond waarvan
                                provinciale staten tot deze besluiten zijn gekomen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van provinciale staten van 20 maart
                        2003</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Voorzitter, drs. W.T. VAN GELDER. </ondertekening><ondertekening>Griffier, mevr. drs. B.L. ALLEWIJN.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Uitgegeven 29 april 2003.</ondertekening><ondertekening>De secretaris,</ondertekening><ondertekening>mr. drs. L.J.M. VERDULT.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Zeeland/i251311.pdf">Bijlage 1 en 2</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>