<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR63775_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiële verordening provincie Zeeland 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Zeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Zeeland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2014, 14</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening provincie Zeeland 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 216</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-05</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Art. 11 en toelichting</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10028904</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Bestuur</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Financiële verordening provincie Zeeland 2004 blijft van toepassing voor het opstellen van de jaarrekening 2008</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Financiële verordening provincie Zeeland 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Provinciale staten van Zeeland</al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van gedeputeerde staten van 17 juni 2008, nr.
                                08018011/20;</al></li><li nr="-"><al>overwegende dat het gewenst is uitgangspunten voor het financiële
                                beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van
                                de financiële organisatie vast te leggen;</al></li><li nr="-"><al>gelet op artikel 216 van de Provinciewet;</al></li></lijst><al>besluiten vast te stellen de navolgende Financiële verordening provincie
                        Zeeland 2009.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Titel 1 Begroting en verantwoording</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Programma-indeling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Provinciale staten stellen bij de aanvang van de statenperiode
                                    een programma-indeling vast voor ten hoogste de duur van die
                                    statenperiode.</al></li><li nr="2."><al>Indien provinciale staten een programma-indeling hebben
                                    vastgesteld voor een kortere periode dan de gehele
                                    statenperiode, stellen zij de programma-indeling voor de
                                    volgende vast te stellen periode voor 1 juli voorafgaand aan het
                                    begrotingsjaar vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 Kaders begroting</label></kop><al>Provinciale staten stellen voor 1 juli van het begrotingsjaar de kaders
                            voor het volgende begrotingsjaar vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Inrichting begroting en jaarstukken</label></kop><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt
                            van een nieuwe investering het benodigde investeringskrediet weergegeven
                            en worden van een lopende investering het geautoriseerde
                            investeringskrediet en de raming van de uitputting van het krediet in
                            het lopende boekjaar weergegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Autorisatie begroting en investeringskredieten en
                                begrotingswijzigingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Provinciale staten autoriseren met het vaststellen van de
                                    begroting en begrotingswijzigingen de totale lasten en de totale
                                    baten per programma, het overzicht van algemene dekkingsmiddelen
                                    en investeringen opgenomen in de opstelling van de financiële
                                    positie.</al></li><li nr="2."><al>Voor een investering in de loop van het begrotingsjaar die niet
                                    in de begroting is opgenomen, leggen gedeputeerde staten
                                    voorafgaande aan het aangaan van verplichtingen aan provinciale
                                    staten het investeringsvoorstel en het voorstel voor het
                                    autoriseren van het investeringskrediet voor.</al></li><li nr="3."><al>Provinciale staten besluiten vooraf over een het bedrag van €
                                    25.000 te boven gaande besteding ten laste van de post
                                    onvoorzien.</al></li><li nr="4."><al>Gedeputeerde staten besluiten over een het bedrag van € 25.000
                                    niet te boven gaande besteding ten laste van de post onvoorzien
                                    en leggen daarop achteraf een voorstel tot wijziging van de
                                    begroting aan provinciale staten voor.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Tussentijdse rapportage</label></kop><al>Volgens het vigerende planning- en controlinstrumentarium informeren
                            gedeputeerde staten provinciale staten door middel van een tussentijdse
                            rapportage over de realisatie van de begroting van de provincie
                            Zeeland.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel 2 Financieel beleid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6 Activering, waardering, &amp; afschrijving vaste
                                activa</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Kosten voor onderzoek naar en ontwikkeling van een actief worden
                                    niet geactiveerd.</al></li><li nr="2."><al>Provinciale staten kunnen besluiten af te wijken van het in het
                                    eerste lid bepaalde.</al></li><li nr="3."><al>Kosten voor het afsluiten van geldleningen en het saldo van agio
                                    en disagio worden direct ten laste van de exploitatie
                                    gebracht.</al></li><li nr="4."><al>Op gronden en terreinen, zonder opstallen danwel waarop geen
                                    wegen worden aangelegd, wordt niet afgeschreven.</al></li><li nr="5."><al>Bij activering wordt geen gebruik gemaakt van de
                                    componentenmethode.</al></li><li nr="6."><al>Lineair worden afgeschreven materiële vaste activa met
                                    economisch nut:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>in 30 jaar:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>bedrijfsgebouwen,</al></li><li nr="-"><al>grond-, weg- en waterbouwkundige werken, en</al></li><li nr="-"><al>schepen;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in 10 jaar: nieuwe technische installaties in
                                            bedrijfsgebouwen niet vallend onder vervangingen op
                                            basis van de uitvoering van onderhouds- en
                                            renovatieplannen;</al></li><li nr="c."><al>in 5 jaar: vervoermiddelen, met uitzondering van
                                            schepen, automatiseringsapparatuur en overige materiële
                                            vaste activa.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Activa met economisch nut en een verkrijgingprijs van minder dan
                                    € 250.000 en een gebruiksduur van minder dan 5 jaar worden niet
                                    geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Deze laatst
                                    genoemden worden altijd geactiveerd.</al></li><li nr="8."><al>Aankoop en vervaardiging van activa in de openbare ruimte met
                                    een meerjarig maatschappelijk nut worden, onder aftrek van
                                    bijdragen van derden, direct ten laste van de exploitatie
                                    gebracht.</al></li><li nr="9."><al>Provinciale staten kunnen besluiten af te wijken van het in het
                                    vorige lid bepaalde. Alsdan wordt het actief afgeschreven over
                                    de verwachte levensduur volgens de bij dat besluit vastgestelde
                                    methode.</al></li><li nr="10."><al>Afschrijving vindt plaats met ingang van het jaar van
                                    ingebruikname van het actief. Het eerste jaar wordt een hele
                                    afschrijvingstermijn ten laste van de exploitatie gebracht.</al></li><li nr="11."><al>Aan geactiveerde investeringen wordt geen rente
                                    toegerekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Overige waarderingsgrondslagen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voorraden gronden worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs.
                                    Overige voorraden, zoals onderhoudsmaterialen wegen en
                                    kantoorbenodigdheden, worden direct ten laste van de exploitatie
                                    gebracht.</al></li><li nr="2."><al>Overige vlottende activa en vlottende passiva worden gewaardeerd
                                    tegen nominale waarde.</al></li><li nr="3."><al>Voor openstaande vorderingen wordt minimaal per balansdatum
                                    beoordeeld of de betreffende openstaande posten reëel inbaar
                                    zijn. Op basis van deze beoordeling wordt een voorziening
                                    dubieuze debiteuren gevormd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Reserves</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Provinciale staten besluiten over bestedingen ten laste van de
                                    algemene reserve en bestemmingsreserves.</al></li><li nr="2."><al>Aan reserves wordt geen rente toegerekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Kostprijsberekening</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De prijzen die in een privaatrechtelijke relatie in rekening
                                    worden gebracht door de provincie Zeeland dekken alle directe
                                    aan de desbetreffende activiteit toe te rekenen kosten. Voor de
                                    indirecte aan de desbetreffende activiteit toe te rekenen kosten
                                    wordt een opslag van 50% van de directe kosten gehanteerd.</al></li><li nr="2."><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van de rechten als
                                    bedoeld in artikel 223 Provinciewet wordt een systeem van
                                    kostentoerekening gehanteerd waarbij naast de directe kosten
                                    voor indirecte kosten een toedeling op basis van directe uren
                                    plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Vaststelling hoogte prijzen en rechten</label></kop><al>Op voorstel van gedeputeerde staten bepalen provinciale staten de hoogte
                            van de provinciale tarieven, heffingen, prijzen en kosten per verstrekte
                            dienst. Deze tarieven worden vastgelegd in de tarieventabel, behorende
                            bij de "Legesverordening Provincie Zeeland" respectievelijk de
                            "Grondwaterheffingsverordening provincie Zeeland".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Financierings- en treasuryfunctie</label></kop><al>De Provinciale Staten stellen nadere regels terzake van de uitvoering
                            van taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende
                            informatievoorziening met betrekking tot de financierings- en
                            treasuryfunctie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel 3 Financieel beheer en interne controle</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12 Administratie</label></kop><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij geschikt is
                            voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen zowel
                                    in het provinciaal apparaat als geheel als in de afzonderlijke
                                    directies,</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de
                                    balansomvang van activa met economisch nut, activa met
                                    maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen en schulden,</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie, ook betreffende
                                    investeringskredieten, aan de budgethouders, en het maken van
                                    kostencalculaties,</al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie voor het afleggen van
                                    verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                    doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de
                                    gestelde beleidsdoelen en de begroting, en</al></li><li nr="e."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van
                                    de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de
                                    rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                    gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen en de
                                    begroting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Interne controle</label></kop><al>Gedeputeerde staten zorgen voor de jaarlijkse interne toetsing van de
                            getrouwheid en rechtmatigheid van de informatieverstrekking en van de
                            beheershandelingen. Bij afwijkingen van materiële aard nemen
                            gedeputeerde staten maatregelen tot herstel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Misbruik en oneigenlijk gebruik</label></kop><al>Gedeputeerde staten stellen regels ter voorkoming van misbruik en
                            oneigenlijk gebruik van provinciale regelingen en eigendommen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel 4 Financiële organisatie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 15 Financiële organisatie</label></kop><al>Gedeputeerde staten voorzien in:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de provinciale organisatie en een
                                    eenduidige toewijzing van de provinciale taken aan de
                                    organisatieonderdelen,</al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden, zodat de betrouwbaarheid van de
                                    verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is
                                    gewaarborgd,</al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten,</al></li><li nr="d."><al>regels voor de financieringsfunctie, en</al></li><li nr="e."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de
                                    lasten en baten aan de producten van de productenraming en de
                                    productrealisatie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel 5 Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 16 Inwerkingtreding</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2009.</al></li><li nr="2."><al>De "Financiële verordening Provincie Zeeland 2004" (PB 2003, 58)
                                    wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing
                                    blijft voor het opstellen van de jaarrekening 2008.</al></li><li nr="3."><al>De "Spelregels begrotingsuitvoering", vastgesteld door
                                    provinciale staten d.d. 19 december 2003 (FEZ-88) worden
                                    ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: "Financiële verordening Provincie
                            Zeeland 2009".</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Toelichting op de artikelen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Programma-indeling</label></kop><al>Provinciale staten leggen op basis van dit artikel een belangrijk deel
                            van de infrastructuur van de begroting vast. Op basis van het Besluit
                            begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) kunnen
                            provinciale staten nu zelf de begrotingsopzet indelen, aangepast aan de
                            politiek-bestuurlijke wensen. Een programma is gebaseerd op de drie
                            w-vragen: wat willen we bereiken, wat gaan we daar voor doen en wat mag
                            het kosten. Het advies van de werkgroep planning en control instrumenten
                            staten geeft aan dat het de voorkeur geniet de huidige indeling van de
                            programmabegroting te handhaven. Een wijziging op grond van het nieuwe
                            collegeprogramma "Nieuwe Verbindingen" wordt niet voorgestaan.
                            Uitgangspunt is dat ook na afloop van dit collegeprogramma de huidige
                            indeling gehandhaafd blijft. Dit geeft duidelijke voordelen voor de
                            vergelijkbaarheid over de jaren heen. Geadviseerd wordt alleen bij
                            duidelijke taakwijzigingen van de provincie een wijziging in de
                            programma-indeling te overwegen. Provinciale staten heeft echter altijd
                            de bevoegdheid op een andere wijze hieraan invulling te geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 Kaders begroting</label></kop><al>In maart van het begrotingsjaar worden door provinciale staten de
                            uitgangspunten voor het komende begrotingsjaar geformuleerd. Dit wordt
                            verwoord in bijvoorbeeld een statenagenda of speerpuntenagenda. Dit
                            document dient als input voor de voorjaarsnota van gedeputeerde staten,
                            waarin onder meer de (gewijzigde) beleidsuitgangspunten nader worden
                            uitgewerkt, inclusief loon- en prijsstijgingen. De voorjaarsnota wordt
                            ter vaststelling aan provinciale staten gezonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Inrichting begroting en jaarstukken</label></kop><al>Uitgangspunt zijn de wettelijke voorschriften volgens het BBV. In dit
                            artikel is uitwerking gegeven aan het onderdeel investeringen waarover
                            in de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting en
                            jaarstukken aanvullende informatie dient te worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Autorisatie begroting en investeringskredieten en
                                begrotingswijzigingen</label></kop><al>Met dit lid 1 wordt expliciet het budgettaire kader vastgesteld per
                            programma. </al><al>In lid 2 wordt invulling gegeven aan de wijze van autorisatie van nieuwe
                            investeringskredieten gedurende het jaar.</al><al>Lid 3 geeft aan dat provinciale staten vooraf beslissen over de
                            bestedingen ten laste van de post onvoorzien bij bedragen groter dan €
                            25.000.</al><al>Lid 4 geeft dat gedeputeerde staten beslissen over de bestedingen ten
                            laste van de post onvoorzien bij bedragen tot en met € 25.0000. Deze
                            post wordt middels een begrotingswijziging toegerekend aan een specifiek
                            programma.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Tussentijdse rapportage</label></kop><al>Dit artikel geeft inhoud aan de informatiebehoefte van provinciale
                            staten. Provinciale staten geven aan welke informatie zij van
                            gedeputeerde staten wensen te ontvangen en met welke frequentie. Op
                            basis van deze informatie kunnen provinciale staten de uitvoering van de
                            begroting volgen en besluiten of bijsturing noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Activering, waardering &amp; afschrijving vaste
                                activa</label></kop><al>Artikel 6 stelt de regels voor activering, waardering en afschrijving
                            van vaste activa, zoals is voorgeschreven door artikel 216 Provinciewet.
                            De rubricering van de vaste activa is al vastgelegd in het BBV. Dit is
                            dan ook het uitgangspunt. In dit artikel is binnen deze regelgeving
                            aangesloten bij de gebruikelijke gedragslijn binnen de provincie, in
                            overeenstemming met de verwachte gebruiksduur van vaste activa.</al><al>De kosten van onderzoek en ontwikkeling (lid 1) worden niet geactiveerd.
                            Dit sluit aan bij de intentie van de opzet van het BBV dat immateriële
                            vaste activa kunnen (en niet moeten) worden geactiveerd (zie jaarverslag
                            2004 commissie BBV). Voor zeer grote projecten kan het wenselijk zijn om
                            de kosten van onderzoek en ontwikkeling toch te activeren, hiervoor is
                            een afzonderlijk statenbesluit noodzakelijk (lid 2).</al><al>De kosten bedoeld in lid 3 (afsluiten geldleningen en saldo van agio en
                            disagio) worden niet geactiveerd en direct ten laste van de exploitatie
                            gebracht. Dit sluit aan bij de intentie van de opzet van het BBV dat
                            immateriële vaste activa kunnen (en niet moeten) worden geactiveerd (zie
                            jaarverslag 2004 commissie BBV).</al><al>Op de onder lid 4 genoemde gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.
                            Hierbij worden onder gronden en terreinen die percelen verstaan waarop
                            geen opstallen zijn opgenomen, danwel waarop geen wegen zullen worden
                            aangelegd. Dit zijn onder meer percelen aangeschaft voor bijvoorbeeld
                            natuurcompensatie of ruilverkaveling en ter verdere verhandeling. De
                            kosten voor bijvoorbeeld de aanschaf van een perceel inclusief opstal
                            worden wel geactiveerd en hierop wordt wel afgeschreven.</al><al>Technische installaties onder lid 6 sub b betreffen nieuwe installaties
                            (eerste aanschaf). Dit zijn geen vervangingen / aanpassingen die
                            opgenomen zijn in meerjarige onderhouds- en renovatieplannen (welke
                            direct ten laste van de exploitatie worden gebracht). Onder overige
                            materiële vaste activa wordt onder meer software verantwoord.</al><al>Materiele vaste activa met economisch nut worden alleen geactiveerd
                            indien de verkrijgingsprijs minimaal € 250.000 bedraagt en de verwachte
                            gebruiksduur 5 of meer jaar bedraagt. Deze grenzen zijn ingesteld
                            overeenkomstig de aanbeveling A-35 van de commissie BBV, tevens verwoord
                            in de notitie kapitaalgoederen van de commissie BBV en dragen bij aan de
                            praktische uitvoerbaarheid. De kosten van deze activa die onder deze
                            grenzen vallen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.</al><al>De onder lid 8 genoemde vaste activa met een meerjarig maatschappelijk
                            nut worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. De toelichting
                            op artikel 59 lid 4 BBV geeft ook aan dat dergelijke activa kunnen
                            worden geactiveerd, maar dat dit niet de voorkeur geniet. Deze activa
                            genereren geen inkomsten en brengen bij verkoop geen geld op. Er kan
                            hierbij gedacht worden aan zaken als waterwegen, waterbouwkundige
                            werken, permanente terreinwerken, wegen, bruggen, viaducten, tunnels en
                            verkeerslichtinstallaties. Slechts bij uitzondering mogen dergelijke
                            investeringen worden geactiveerd indien anders de investering door de
                            provincie niet kan worden uitgevoerd wegens onvoldoende dekkingsmiddelen
                            in een jaar. Voor het activeren van investeringen in de openbare ruimte
                            met maatschappelijk nut is een specifiek besluit van provinciale staten
                            nodig (lid 9).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Overige waarderingsgrondslagen</label></kop><al>Dit artikel is opgenomen als samenvatting voor de te hanteren
                            uitgangspunten bij het opstellen van de jaarrekening. </al><al>De overige voorraden van lid 1 betreffen geen voorraden die mogelijk
                            verhandeld worden (zoals bij gronden), maar betreffen voorraden
                            gebruiksgoederen.</al><al>Lid 3 geeft regels voor de bepaling van de hoogte van de voorziening
                            voor oninbare vorderingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Reserves</label></kop><al>Dit artikel bepaalt dat provinciale staten besluiten over de aanwending
                            van reserves. Voor voorzieningen is dit niet aan de orde, aangezien
                            voorzieningen een verplichtend karakter hebben.</al><al>Bij voorzieningen op netto contante waarde wordt op basis van een
                            wettelijke verplichting jaarlijks een toevoeging gedaan, intern genoemd
                            een inflatietoevoeging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Kostprijsberekening</label></kop><al>Dit artikel geeft de uitgangspunten voor de berekening van kostprijzen.
                            De begroting en jaarstukken zijn exclusief de compensabele BTW. Voor
                            heffingen is echter in de Provinciewet bepaald dat BTW wel meegenomen
                            mag worden in de kostprijsberekening, omdat de provincie deze kosten wel
                            heeft, ook al wordt de BTW gecompenseerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Vaststelling hoogte prijzen en rechten</label></kop><al>Artikel 225 Provinciewet stelt hierbij echter randvoorwaarden aan de
                            hoogte van de meeste tarieven en heffingen. De heffingen mogen niet het
                            bedrag van de geraamde kostprijs te boven gaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Financierings- en treasuryfunctie</label></kop><al>De financierings- en treasuryfunctie zijn een belangrijk onderdeel van
                            het middelenbeheer. Gezien de operationele kwetsbaarheid van deze
                            functie bevat artikel 216 lid 2c van de Provinciewet het expliciete
                            voorschrift dat deze verordening een bepaling over de
                            financieringsfunctie bevat, waarmee de regels in acht worden genomen die
                            zijn vastgelegd in de Wet financiering decentrale overheden (Wet FIDO)
                            en de regelgeving die op deze Wet FIDO is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving). </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Administratie</label></kop><al>Dit artikel geeft de kaders voor de inrichting van de administraties van
                            de provincie. In hoofdlijnen wordt aangegeven welke gegevens moeten
                            worden vastgelegd en aan welke eisen de vastgelegde gegevens moeten
                            voldoen. Deze verordening regelt niet - inherent aan het dualisme - de
                            regels en activiteiten die daarvoor in de uitvoering nodig zijn. Dat is
                            een taak van gedeputeerde staten, die dit vast moeten leggen in een
                            nadere uitwerking voor de aansturing van de ambtelijke organisatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Interne controle</label></kop><al>Gedeputeerde staten zorgen voor de jaarlijkse interne toetsing van de
                            getrouwheid en rechtmatigheid van de informatieverstrekking en van de
                            beheershandelingen. Dit artikel regelt niet de onderzoeken van
                            gedeputeerde staten naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het
                            gevoerde bestuur. Regels voor deze onderzoeken zijn opgenomen in de
                            verordening artikel 217a Provinciewet.</al><al>De maatregelen tot herstel worden genomen bij afwijkingen van materiele
                            aard, aansluitend op de toleranties zoals zijn vastgelegd in het
                            normen-en toetsingskader rechtmatigheid, behorend bij de
                            controleverordening ex artikel 217 PW.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Misbruik en oneigenlijk gebruik</label></kop><al>Hierin is aangegeven dat gedeputeerde staten hiervoor zorgdraagt. Van
                            belang is om in de bestaande of bij de actualisatie van verordeningen,
                            regelingen, etc. bepalingen opnemen die het misbruik en oneigenlijk
                            gebruik van regelingen en eigendommen voorkomt, waarmee ook invulling
                            wordt gegeven aan de Wet BIBOB.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 Financiële organisatie</label></kop><al>In dit artikel worden uitgangspunten voor de inrichting van de
                            financiële organisatie gegeven, waaraan gedeputeerde staten bij het
                            stellen van regels voor de ambtelijke organisatie invulling moeten
                            geven. De uitgangspunten vormen kaders voor gedeputeerde staten waaraan
                            zij zich moeten houden. Onderdelen hiervan zijn voor:</al><lijst><li nr="-"><al>Sub a: procedureomschrijvingen en functieomschrijvingen;</al></li><li nr="-"><al>Sub b: procedureomschrijvingen en functieomschrijvingen;</al></li><li nr="-"><al>Sub c: dingsbeleid, subsidiebesluit;</al></li><li nr="-"><al>Sub d: besluit financieringsstatuut;</al></li><li nr="-"><al>Sub e: programmabegroting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2009,
                            betreffende het begrotingsjaar 2009. Bij het opstellen van de begroting
                            2009 zal hiermee al rekening worden gehouden.</al><al>De jaarrekening 2008 wordt opgesteld overeenkomstig de uitgangspunten
                            bij de begroting 2008 op basis van de Financiële verordening Provincie
                            Zeeland 2004.</al><al>Door de herziening van de financiële verordening hebben de "Spelregels
                            begrotingsuitvoering" vastgesteld door provinciale staten op 19 december
                            2003 (FEZ-88) geen toegevoegde waarde meer, aangezien de bepalingen in
                            deze verordening zijn opgenomen. De betreffende spelregels kunnen dan
                            ook worden ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Citeertitel</label></kop><al>In dit artikel wordt de naam gegeven waarmee in de provinciale stukken
                            naar deze verordening kan worden verwezen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van provinciale staten 27 juni
                        2008.</ondertekening><ondertekening>drs. K.M.H. PEIJS, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>mr. P.R.A. KATSBURG MPM, griffier.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Uitgegeven, 2 december 2008</ondertekening><ondertekening>De provinciesecretaris,</ondertekening><ondertekening>Mr. drs. L.J.M. Verdult</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>