<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xml:lang="nl-NL" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">63685_1</dcterms:identifier><dcterms:title xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Verordening leerlingenvervoer gemeente Kerkrade 2009</dcterms:title><dcterms:language xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Kerkrade</dcterms:creator><dcterms:modified xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2010-12-14</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Zuid-Limburger 18-03-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Verordening leerlingenvervoer gemeente Kerkrade 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/"> Wet op het primair onderwijs </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/"> Wet op de expertisecentra </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/"> Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><dcterms:subject xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">onderwijs</dcterms:subject><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2009-02-18</dcterms:issued><dcterms:rights xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09Rb002</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening leerlingenvervoer gemeente Kerkrade 2002</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>VERORDENING LEERLINGENVERVOER GEMEENTE KERKRADE 2009</vet></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Kerkrade, </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><titeldeel><kop><label>Titeldeel</label><nr>1</nr><titel><vet>ALGEMENE BEPALINGEN. </vet><vet></vet></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel><vet>Begripsomschrijving </vet></titel></kop><al></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al> a. school:</al><al> · een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs (Stbl. 1998, 495); </al><al>· een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra (Stbl. 1998, 496); </al><al>· een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs (Stbl. 1998, 512); </al><al>b. ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerling; </al><al>c. leerling: een leerling van een school bedoeld onder a; </al><al>d. gehandicapte leerling; een leerling bedoeld onder c. die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken; </al><al>e. woning: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft; </al><al>f. afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; </al><al>g. vervoer: </al><al>- openbaar vervoer,</al><al> - aangepast vervoer (eventueel met gebruikmaking van opstapplaatsen),</al><al> - eigen vervoer (of een combinatie hiervan) of </al><al>- gemeentelijk busvervoer met gebruikmaking van opstapplaatsen tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; </al><al>Met name leerlingen die parttime onderwijs volgen op een school en voor dagbehandeling het Medisch Kinderdagverblijf bezoeken komen in aanmerking voor tussentijds vervoer van school naar huis. </al><al>h. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling per trein, metro, tram, bus, veerdienst of auto; </al><al>i. aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, treintaxi of bustaxi; </al><al>j. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of fiets; </al><al>k. reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids, een eventuele wachttijd, en de aankomst bij de woning; </al><al>l. toegankelijke school:</al><al> · voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs: de basisschool van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school of de speciale school voor basisonderwijs waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijk richting dan wel de openbare school; </al><al>· voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs:de school van de soort waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school van de soort waarop de leerling is aangewezen; </al><al>m. inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Stbl. 2000, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd; </al><al>n. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer; </al><al>o. commissie voor de begeleiding: de commissie die is ingesteld door het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde een instelling, of de bevoegde gezagsorganen van twee of meer scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde instellingen, die hetzelfde regionaal expertisecentrum in stand houden; </al><al>p. vervoersvoorziening:</al><al> · een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en zo nodig diens begeleider of bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider, of aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; </al><al>q. permanente commissie leerlingenzorg de commissie als bedoeld in artikel 23 van de Wet op het primair onderwijs; </al><al>r. samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18 van de Wet op het primair onderwijs; </al><al>s. regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in artikel 10g van de Wet op het voortgezet onderwijs; </al><al> t. Opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in artikel 10h, derde lid van de Wet op het voortgezet onderwijs; </al><al> u. vervoerder: het taxi-, touringcar- of autobusbedrijf waaraan het vervoer van leerlingen naar en van een school door het gemeentebestuur is opgedragen; </al><al>v. ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra van leerlingen die zijn geplaatst op een basisschool of leerlingen die zijn geplaatst op een school voor voortgezet onderwijs en naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder die begeleiding zouden zijn aangewezen op het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs; </al><al>w. commissie voor de indicatiestelling: de commissie als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel><vet>Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten.</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een eigen bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel><vet>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichter bij de woning zijn gelegen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel><vet>Uitbetaling van de bekostiging</vet></titel></kop><al></al><al>Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de vervoerskosten de wijze en het tijdstip van de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de verstrekte bekostiging, met dien verstande dat de tijdsduur, indien dit mogelijk en/of wenselijk is, voor meerdere jaren of de hele schoolperiode kan worden vastgesteld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel><vet> Aanvraagprocedure</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door een van de ouders ondertekend aanvraagformulier, voorzien van de op het aanvraagformulier vermelde gegevens. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt , indien het een aanvraag voor het eerstvolgende schooljaar betreft, voor 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar ingediend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college besluit over een aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien het een aanvraag voor het eerstvolgende schooljaar betreft en de aanvraag is ingediend vóór 1 juni, besluit het college voor aanvang van het nieuwe schooljaar, zijnde uiterlijk 1 september. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien bekostiging van een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze getroffen: </al><al> a. met ingang van de door de ouders verzochte datum, als het een aanvraag betreft voor het lopende schooljaar, met dien verstande dat de datum waarop de bekostiging wordt verstrekt niet ligt voor de datum van ontvangst van de aanvraag door het college;er wordt geen bekostiging verstrekt met terugwerkende kracht. </al><al>b. met ingang van het nieuwe schooljaar, indien de aanvraag vóór 1 juni is ingediend; </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel><vet>Doorgeven van wijzigingen</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten, onder vermelding van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen aan het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er sprake is van een wijziging, die van invloed is op de verstrekte bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de vervoerskosten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte bekostiging is verstrekt, vervalt de aanspraak op bekostiging van de vervoerskosten terstond en verstrekt het college al dan niet opnieuw een bekostiging van de vervoerskosten. Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe verstrekking van bekostiging. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel><vet>Peildatum leeftijd leerling</vet></titel></kop><al></al><al>Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vergoeding betrekking heeft. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel><vet>Andere vergoedingen.</vet></titel></kop><al></al><al>De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een toelage, voorzover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op reiskosten. </al></artikel></titeldeel><titeldeel><kop><label>Titeldeel</label><nr>2</nr><titel><vet>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE (NIET GEHANDICAPTE) LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS </vet></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband. </titel></kop><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging verstrekt van de kosten van het vervoer over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en </al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a. bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel><vet>Permanente commissie leerlingenzorg.</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling op een school voor primair onderwijs niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking de beslissing te betrekken van de permanente commissie leerlingenzorg over de toelating van de leerling op een speciale school voor basisonderwijs. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie leerlingenzorg, die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel> Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes km bedraagt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bezoekt de leerling een speciale school voor basisonderwijs dan wordt door het college aan de ouders van de leerling bekostiging verstrekt op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan twee km bedraagt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, eventueel in combinatie met gemeentelijk busvervoer, dan wel openbaar vervoer. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel><vet>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider.</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11, bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve van 1 begeleider, indien de leerling jonger dan elf jaar is, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel><vet>Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer.</vet></titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan het afstandscriterium van artikel 11, en </al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer naar de school of terug, meer dan één uur en dertig minuten onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of: </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. </al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel><vet>Bekostiging op basis van kosten van eigen vervoer.</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf vervoeren dan wel laten vervoeren: </al><al> a. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; </al><al>b. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of meer leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het college desgewenst toestaat dan wel van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Conform het beleid van de directie van de SBO Arcadia (Speciaal Basisonderwijs) reizen leerlingen van 11 jaar en ouder, die volgens het oordeel van de PCL (Permanente Commissie Leerlingenzorg) daartoe in staat zijn, zelfstandig met de fiets. In de maanden december, januari en februari mogen zij gratis gebruik maken van busvervoer, dit kan zijn gemeentelijk busvervoer dan wel openbaar vervoer. Dit is ter beoordeling van het college. </al></lid></artikel></titeldeel><titeldeel><kop><label>Titeldeel</label><nr>3</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS. </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel><vet>Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets. </vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan twee kilometer bedraagt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets, of vervoer per fiets of bromfiets al dan niet in combinatie met openbaar vervoer. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15a</nr><titel><vet>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC- school cluster 4. </vet></titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 geldt voor de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4 bezoekt als dichtstbijzijnde toegankelijke school, de school die door de commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van het regionale expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is verbonden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel><vet>Commissie voor de begeleiding.</vet></titel></kop><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling op een school voor( voortgezet) speciaal onderwijs niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 15 , bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve van een begeleider, indien door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of leeftijd, niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets of bromfiets gebruik te maken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het openbaar vervoer en/of fiets/bromfiets ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel><vet>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer al dan niet in combinatie met een vergoeding voor openbaar vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan het afstandscriterium in artikel 15, en: </al><al>a. de gehandicapte leerling, naar het oordeel van het college, niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van openbaar vervoer gebruik te maken, of </al><al>b. de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer naar school of terug, meer dan een uur en dertig minuten onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of </al><al> c. openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel><vet>Bekostiging op basis van kosten van eigen vervoer.</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf vervoeren dan wel laten vervoeren: </al><al> a. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; </al><al>b. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren of laten vervoeren, bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of meer leerlingen een bekostiging ontvangen, afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op een bekostiging van de vervoerskosten en het college desgewenst toestaat dan wel van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel><vet>Bekostiging vervoerskosten van gehandicapte leerlingen voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs. </vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college van oordeel is dat de leerling gehandicapt is, verstrekt zij eveneens bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, in het geval de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school minder bedraagt dan is bepaald in artikel 15. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken. 3. Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten zoals bedoeld in het eerste lid, is artikel 19 van toepassing. </al></lid></artikel></titeldeel><titeldeel><kop><label>Titeldeel</label><nr>4</nr><titel><vet>BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOER. </vet></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel><vet>Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders. </vet></titel></kop><al>Het college verstrekt op aanvraag bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze titel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel><vet>Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer.</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 18, eerste lid, onder b,. artikel 18, tweede lid en artikel 20. </al><al></al></lid></artikel></titeldeel><titeldeel><kop><label>Titeldeel</label><nr>5</nr><titel><vet>EIGEN BIJDRAGE EN BEKOSTIGING NAAR FINANCIELE DRAAGKRACHT. </vet></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel><vet>Drempelbedrag.</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 22.050, wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde afstand te boven gaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 22.050. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de zone-indeling in de regeling die gebaseerd is op artikel 30, eerste lid van de Wet personenvervoer 2000, voor de afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bedrag van € 22.050, genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 22.050. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op de (gehandicapte) leerling voor wie ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Financiële draagkracht </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en bedragen: </al><al>Inkomen in € Eigen bijdrage in € </al><al>0 – 29.500 nihil </al><al>29.500 - 35.500 115 </al><al>35.500 - 41.000 475 </al><al>41.000 - 46.500 890 </al><al> 46.500 - 53.000 1.300 </al><al> 53.000 - 58.500 1.715 </al><al> 58.500 en verder voor elke extra € 4.500: € 420 erbij </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari jaarlijks aangepast aan de wijziging die de indexcijfers van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de (gehandicapte) leerling voor wie ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt. </al></lid></artikel></titeldeel><titeldeel><kop><label>Titeldeel</label><nr>6</nr><titel><vet>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN GEHANDICAPTE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS EN VOORTGEZET ONDERWIJS </vet></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel><vet>Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 verstrekt het college bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding aan de ouders van de leerling die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoekt en die gehandicapt is. Ten aanzien van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één gehandicapte leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel bromfiets, eventueel in combinatie met openbaar vervoer met begeleiding, indien de gehandicapte leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel><vet>Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de gehandicapte leerling die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoekt, indien: </al><al>a. de leerling, naar het oordeel van het college, gehandicapt is. Ten aanzien van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht, of: </al><al>b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of: </al><al>c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel><vet>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer gehandicapte leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf vervoeren of laten vervoeren: </al><al>a. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer met begeleiding indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid. </al><al>b.een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één gehandicapte leerling tegelijk zelf vervoeren of laten vervoeren, bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer gehandicapte leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer gehandicapte leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het college desgewenst toestaat dan wel van oordeel is dat de gehandicapte leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets of bromfiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. </al></lid></artikel></titeldeel><titeldeel><kop><label>Titeldeel</label><nr>7</nr><titel><vet>SLOTBEPALINGEN. </vet></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de Regeling niet voorziet. </titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel><vet>Afwijken van bepalingen.</vet></titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie van begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of andere deskundigen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel><vet>Reglementen.</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt, afhankelijk van de wijze van vervoer, een reglement vast ten behoeve van een ordelijk en veilig verloop van dit vervoer. Deze bepaling is niet van toepassing op het openbaar vervoer. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het vervoersbedrijf een reglement hanteert, kan dit reglement van toepassing worden verklaard. Indien het vervoersbedrijf geen reglement hanteert, is het reglement, dat is vastgesteld door het college van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een exemplaar van het reglement wordt aan de ouders respectievelijk door de gemeente of het vervoersbedrijf toegestuurd voor aanvang van het vervoer. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel><vet>Intrekken oude regeling</vet></titel></kop><al>De Verordening Leerlingenvervoer gemeente Kerkrade 2002 wordt ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel><vet> Overgangsregeling.</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor een leerling als bedoeld in Titel 6 voor wie in het schooljaar 2001-2002 krachtens de Wet Rea een vervoersvoorziening werd verstrekt, niet zijnde een voorziening in de vorm van een bruikleenauto of een voorziening deel uitmakend van of samenhangend met een leefvervoervoorziening, blijft, indien de ouders dat wensen, zo nodig in afwijking van artikel 3 aanspraak bestaan op een gelijkwaardige voorziening van en naar de school die de leerling in het schooljaar 2001-2002 bezocht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de leerling van leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs die in het schooljaar 2001-2002 een vervoersvoorziening kreeg naar een school voor speciaal voortgezet onderwijs, leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs of een opdc, blijft aanspraak bestaan op een vervoersvoorziening van of naar de school of opdc die de leerling in het schooljaar 2001-2002 bezocht indien de afstand van de woning naar de school meer dan vier kilometer bedraagt. Titel 5 is van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in Titel 6 zijn voor de eerste maal van toepassing in het schooljaar 2002-2003. Op het vervoer van leerlingen voorafgaand aan het schooljaar 2002-2003 en daarop betrekking hebbende geschillen, blijven de regelingen zoals luidend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel><vet>Inwerkingtreding</vet></titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken van een termijn van 3 dagen na de datum van uitgifte van het Stadsjournaal, waarin ze geplaatst is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel><vet>Citeertitel</vet></titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Leerlingenvervoer gemeente Kerkrade 2009. </al></artikel></titeldeel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al></al><al> Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering van 18 februari 2009. </al><al></al><al> De voorzitter van de raad, De griffier, </al><al></al><al></al><al>J.J.M. Som. Mr. Drs H.J.W. van Dongen </al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr></nr><titel><vet>A</vet><vet>lgemene toelichting Verordening Leerlingenvervoer Gemeente Kerkrade  2009</vet></titel></kop><al><vet>Inleiding</vet></al><al> Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige  gevallen kunnen kinderen niet zelfstandig naar school, of zijn ze door hun  handicap aangewezen op aangepast vervoer. Als aan bepaalde criteria is voldaan,  kunnen ouders een beroep doen op de Verordening leerlingenvervoer. De  Verordening leerlingenvervoer gaat over de bekostiging van een  vervoersvoorziening. Het expliciete doel van de regeling is het verstrekken van  een voorziening. Het is aan de gemeente om te beslissen in welke vorm de  voorziening wordt verstrekt.  Het impliciete doel is het effectueren van het  recht op onderwijs en de vrijheid van onderwijs. Uitgangspunt bij de bekostiging  van leerlingenvervoer is openbaar vervoer, indien nodig met begeleiding.</al><al></al><al>Voor de toekenning van de vergoeding wordt uitgegaan van de kosten van het  vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de (gehandicapte) leerling toegankelijke  school. De ouders kunnen de gemeente ook vragen het vervoer van hun kind(eren)  naar de dichtstbijzijnde school van de gewenste levensbeschouwelijke richting te  verzorgen. Hiervoor is in de meeste gevallen een eigen bijdrage verschuldigd,  afhankelijk van de hoogte van het gezamenlijk inkomen in het gezin.  </al><al></al><al>Artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (WPO), artikel 4,  eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en artikel 4, eerste  lid van de Wet op de expertisecentra (WEC), verplichten de gemeenteraad een  regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. De verordening geeft  uitvoering aan de taakstelling van de gemeentebesturen inzake de bekostiging van  het vervoer van leerlingen van en naar scholen voor basisonderwijs, speciale  scholen voor basisonderwijs, of (voortgezet) speciaal onderwijs. Tevens worden  nadere regels gegeven voor de bekostiging van het weekeinde- en vakantievervoer.   Er is geen zorgplicht in het kader van leerlingenvervoer voor leerlingen die  het reguliere voortgezet onderwijs bezoeken, dus ook niet voor praktijkonderwijs  en leerwegondersteunend onderwijs. Een uitzondering geldt voor leerlingen die  vanwege een handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik  kunnen maken, zij hebben recht op leerlingenvervoer op basis van titel 6 van de  verordening. Dit moet per leerling bekeken worden.  </al><al></al><al>Naast procedurevoorschriften over de wijze waarop de aanvragen voor  bekostiging door de ouders kunnen worden ingediend, bevat deze verordening  criteria aan de hand waarvan ouders aanspraak kunnen maken op bekostiging van de  vervoerkosten. Centraal uitgangspunt is daarbij dat de verantwoordelijkheid voor  het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft liggen (artikel 14 van de  verordening).  Met het begrip ‘bekostiging’ wordt bedoeld dat de betaling aan  de ouders niet het karakter heeft van een ‘kostendekkende betaling’. Dit neemt  echter niet weg dat de bekostiging in een aantal gevallen kostendekkend kan  zijn.  </al><al></al><al><vet>Wijze van vervoer  </vet></al><al>Het college bepaalt welke wijze van vervoer  wordt bekostigd aan de ouders. Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van  het openbaar vervoer, maar het college kan bepalen dat de bekostiging  plaatsvindt voor een andere wijze van vervoer.  Indien ouders afwijken van de  wijze van vervoer dienen ze hiervoor in principe toestemming te krijgen van het  college. Ondanks de toestemming blijft de bekostiging gebaseerd op de door het  college toegekende wijze van vervoer.  De verordening onderscheidt een  viertal wijzen van vervoer:</al><al>  1. openbaar vervoer;  </al><al>2. aangepast vervoer;   </al><al>3. eigen vervoer.  </al><al>4. gemeentelijk busvervoer  </al><al></al><al><vet>Drempelbedrag en financiële draagkracht  </vet></al><al>Voor ouders van een  leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, kan een drempelbedrag in  rekening worden gebracht (zie artikel 23 van de verordening). Bij het  drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente  vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de  school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. In de Verordening  Leerlingenvervoer gemeente Kerkrade is deze grens vastgesteld op 6 kilometer. De  ouderlijke bijdrage is in dat geval gelijk aan de kosten van het openbaar  vervoer voor deze 6 kilometer. Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening  gebracht.  </al><al></al><al>Daarnaast kan voor ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs  bezoeken, die tenminste 20 kilometer van de woning is gelegen, een  inkomensafhankelijke bijdrage gelden (zie artikel 24 van de verordening). De  vastgestelde bekostiging wordt in dat geval verminderd met een van de financiële  draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. Deze inkomensafhankelijke bijdrage  wordt per gezin geheven.  </al><al></al><al><vet>Begrip “Genoegzaam aantonen”  </vet></al><al>In een aantal gevallen zal blijken  dat het voor de leerling niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer  te reizen. Indien er geen andere oudere leerlingen zijn die de leerling kunnen  begeleiden, is deze begeleiding een verantwoordelijkheid van de ouders.  </al><al></al><al>Uit  artikel 12 blijkt, dat begeleiding slechts wordt bekostigd indien de leerling  jonger is dan 11 jaar en door de ouders ten behoeve van  het college “genoegzaam  wordt aangetoond” dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar  vervoer of de fiets gebruik te maken. </al><al> Dit “genoegzaam aantonen” dient zoveel  mogelijk ondersteund te worden door eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over  de routes van het openbaar vervoer, psychologische verklaringen en medische  verklaringen.  In een aantal gevallen kan het voorkomen dat het bewijs  moeilijk te leveren is. In die gevallen dient de situatie zorgvuldig beoordeeld  te worden door het college. Het college bepaalt immers of inderdaad aangetoond  wordt of zelfstandig vervoer van de leerling niet mogelijk is.  </al><al></al><al><vet>Beschikbaarheid aanvraagformulier</vet></al><al> Het aanvraagformulier  leerlingenvervoer  kan telefonisch worden opgevraagd bij de afdeling Welzijn,  tel. 045-5676638 of 045-5676303.  </al><al>Daarnaast is het formulier digitaal  beschikbaar via de website van de Gemeente Kerkrade <extref doc="http://www.kerkrade.nl/">www.kerkrade.nl</extref> — digitaal loket —  formulieren — categorie PDF-formulieren — leerlingenvervoer. Het formulier kan  worden gedownload en volledig ingevuld worden bezorgd bij de centrale balie van  het stadskantoor of opgestuurd in de bijgevoegde enveloppe.  Het is de  bedoeling om het formulier op korte termijn volledig te digitaliseren.</al><al></al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting Verordening Leerlingenvervoer Gemeente  Kerkrade 2009</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 1: Begripsomschrijving  </vet></al><al><vet></vet>In artikel 1 van de verordening is  een aantal begrippen nader gedefinieerd, die regelmatig gebruikt worden in de  verordening.  </al><al><vet></vet></al><al><vet>Ad a School</vet></al><al></al><al>Speciale school voor basisonderwijs (SBO)  De Wet op het primair onderwijs  (WPO), die op 1 augustus 1998 in werking is getreden, voorziet in de  samenvoeging van het basisonderwijs en het onderwijs voor kinderen met leer- en  opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk lerende kinderen (mlk) en in hun  ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in een wet. De scholen voor lom, mlk en  iobk heten onder de WPO ‘speciale scholen voor basisonderwijs’.  </al><al></al><al>School voor voortgezet onderwijs  Onder een school voor voortgezet  onderwijs als bedoeld in de WVO, vallen het voorbereidend wetenschappelijk  onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo)en het  voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), waar praktijkonderwijs en  leerwegondersteunend onderwijs deel van uit maken.</al><al></al><al>Speciaal onderwijs (WEC)  De Wet op de expertisecentra (WEC) omvat al het  overig speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Het gaat om onderwijs voor  doven, slechthorenden, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel  gehandicapten, lichamelijk gehandicapten, kinderen opgenomen in het ziekenhuis,  langdurig zieken, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare  kinderen, meervoudig gehandicapten en onderwijs op pedologische instituten.  </al><al></al><al>De WEC onderscheidt de volgende clusters:  </al><al>- Cluster 1: onderwijs aan  visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze  handicap;  </al><al>- Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen  en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudige gehandicapte  kinderen met een van deze handicaps;  </al><al>- Cluster 3: onderwijs aan langdurige  zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen  en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met  een van deze handicaps;</al><al>  - Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen  anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en  kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.  </al><al></al><al>Particuliere scholen </al><al> Aanspraak op leerlingenvervoer kan zowel naar  rijksbekostigde als particuliere scholen bestaan, mits de particuliere school  een onderwijsrichting vertegenwoordigt en mits de particuliere school een  ‘school’ in de zin van de onderwijswetten is. Momenteel zijn het individuele  leerplichtambtenaren die beslissen of een particuliere school voldoende lijkt op  bekostigde scholen. Op rijksniveau bestaat het voornemen dit centraal te gaan  bepalen. In 2007 is daarom een wetswijziging van de Leerplichtwet in behandeling  gegeven bij de Eerste en Tweede Kamer. De wetswijziging beoogt onder andere  aanscherping van de criteria waaraan particuliere scholen moeten voldoen. De  Raad van State heeft echter negatief geoordeeld over dit wetsvoorstel en de  minister en de staatssecretaris zijn om opheldering gevraagd. Het is niet  duidelijk of (en wanneer) het wetsvoorstel doorgang zal vinden.  </al><al></al><al>Andere onderwijsvormen </al><al> Het vervoer naar het middelbaar beroepsonderwijs,  het hoger beroepsonderwijs en het universitair onderwijs valt onder geen enkele  omstandigheid onder het leerlingenvervoer. Gehandicapte leerlingen die een  dergelijke opleiding volgen, kunnen zich tot het UWV wenden voor een eventuele  vergoeding.</al><al></al><al>Hoogbegaafde leerling  </al><al>Wanneer voor een hoogbegaafde leerling het  reguliere onderwijsaanbod niet adequaat is en de leerling dientengevolge een  school voor gewoon voortgezet onderwijs bezoekt, dan behoeft de gemeente volgens  de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen bekostiging van de  kosten van het leerlingenvervoer toe te kennen. De reden hiervoor is dat een  school voor gewoon voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de WEC  (uitspraak van 9 november 1995, nr. H 01.95.0165; zie Jur. 21.8; in een  uitspraak van 23 april 1998, nr. H01.98.0221 bevestigd). </al><al></al><al>Besluit trekkende bevolking  </al><al>Het Besluit trekkende bevolking van de WBO  (Stb. 465, 1985) bevat voorschriften voor scholen voor kinderen van wie de  ouders een trekkend bestaan leiden (zoals scholen voor kinderen van  kermisexploitanten, schippers of circusmedewerkers). De voorzieningen ten  behoeve van deze groepen zijn opgenomen in de WPO en de betreffende scholen  worden aangemerkt als basisscholen. Belangrijkste overweging hiervoor is, dat de  desbetreffende kinderen in principe aangewezen zijn op het reguliere  basisonderwijs. Van overwegende orthopedagogische of didactische benadering is  geen sprake.  Dit betekent dat de ouders van de betreffende leerlingen  aanspraak kunnen maken op bekostiging van vervoer. Hiervoor gelden de bepalingen  omtrent het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs en speciale  scholen voor basisonderwijs (Titel 2 van de modelverordening). </al><al></al><al>Een belangrijke uitzondering vormen:  </al><al>- leerlingen die rijdende scholen  bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B  Besluit trekkende bevolking); </al><al> - leerlingen die ligplaatsscholen bezoeken  voor varende kinderen (Titel C Besluit trekkende bevolking).  Ouders van  leerlingen die voornoemde scholen bezoeken, komen niet voor bekostiging van  vervoer in aanmerking. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen  ten behoeve van het schoolbezoek, vormen onderdeel van de materiele  instandhouding van die scholen. </al><al></al><al> Medische behandeling en zorg  </al><al>Gemeenten  worden steeds vaker geconfronteerd met aanvragen van ouders voor bekostiging van  vervoer naar instellingen waar kinderen dagbehandelingen (zorg) krijgen, al dan  niet in combinatie met onderwijs. Gemeenten zijn hier in principe niet toe  verplicht. Het leerlingenvervoer betreft slechts het vervoer naar en van een  school op de schooltijden die zijn aangegeven in de schoolgids. Dan gaat het dus  om een onderwijsinstelling in de zin van de onderwijswetgeving;  zorginstellingen, medisch kinderdagverblijven en dergelijke worden hier niet toe  gerekend.  </al><al></al><al>Volgt een kind ook onderwijs op of nabij die locatie, dan kan het  zijn dat ouders een (gedeeltelijke) tegemoetkoming bij de gemeente kunnen  krijgen. Ook dan moet het gaan om onderwijs in de zin van onderwijswetgeving,  dus moet de instelling die het onderwijs verzorgt een “school” zijn. Hierbij  geldt dat gemeenten vervoeren in aansluiting op het begin en einde van de  schooldag volgens de schoolgids (artikel 1, onderdeel g, van de verordening).  Krijgen kinderen voor, tijdens of na schooltijd zorg of behandelingen, dan zijn  toch de schooltijden leidend voor het leerlingenvervoer.  Slechts in het geval  een leerling parttime onderwijs volgt op een school en voor dagbehandeling het  Medisch Kleuterdagverblijf bezoekt, komt deze in aanmerking voor tussentijds  vervoer van school naar huis.  </al><al></al><al><vet>Ad b Ouders</vet></al><al> In de omschrijving van het begrip ‘ouders’ is het  onderscheid dat in de WPO en de WEC ten aanzien van ouders is aangebracht niet  overgenomen. De WPO verstaat onder ouders: ouders en voogden van kinderen. De  WEC verstaat ook de verzorgers daaronder. Op dit moment ligt er een  wetswijziging van de WPO bij de Raad van State dat dit onderscheid opheft: door  deze wijziging zullen ook verzorgers onder het begrip ‘ouders’ in de zin van de  WPO vallen.  </al><al></al><al>Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het  begrip ‘ouders’, zoals bedoeld in de verordening.  </al><al></al><al>Voor de bepaling of een drempelbedrag verplicht is, dient een inkomen in de  zin van de Wet op de inkomstenbelasting aanwezig te zijn. Als de aanvrager een  rechtspersoon is (bijvoorbeeld een zorginstelling), dan valt deze formeel niet  onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting. In de bekostiging van  instellingen is vaak rekening gehouden met bekostiging van de kosten van het  dagelijks vervoer naar school en het weekeinde- en vakantievervoer. In  voorkomende gevallen kan met de betrokken instelling contact worden opgenomen.  </al><al><vet></vet></al><al><vet>Ad c Leerling</vet></al><al> In artikel 39, derde lid, van de WPO is bepaald dat  kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen  (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen worden  echter pas als zij de leeftijd van vier jaar hebben bereikt leerling in de zin  van de WPO (artikel 39, eerste lid, WPO). De ouders kunnen dan ook pas vanaf het  moment dat hun kind vier jaar is geworden eventueel aanspraak maken op  bekostiging van de vervoerkosten naar de basisschool of speciale school voor  basisonderwijs. De toelatingsleeftijd voor kinderen in het speciaal onderwijs is  geregeld in artikel 39 van de WEC.  </al><al></al><al>Voor leerlingen die op grond van de onderwijswetgeving toegelaten zijn op een  school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige  leeftijd hebben bereikt, of al voorbij zijn kunnen de ouders, indien zij voldoen  aan de voorwaarden van de gemeentelijke Verordening Leerlingenvervoer, aanspraak  maken op bekostiging van de vervoerskosten. </al><al></al><al>Voor het voortgezet onderwijs geldt dat zolang een leerling toegelaten is op  een school voor voortgezet onderwijs, en dus ‘leerling’ is van zo’n school, er  aanspraak kan bestaan op bekostiging op grond van titel 6 van de verordening. </al><al></al><al>Illegale leerlingen </al><al> Het recht op onderwijs, ook voor illegaal in ons land  verblijvende leerlingen, is gebaseerd op het principe dat jongeren waar ook ter  wereld moeten worden toegerust om aan het maatschappelijke leven deel te nemen,  Nederland is hiertoe ook internationale verdragsrechtelijke verplichtingen  aangegaan. In de Koppelingswet is zelfs vastgelegd dat illegale kinderen die  voor hun 18e jaar een onderwijstraject zijn gestart het recht hebben om dit af  te maken. Hier vloeit uit voort dat illegale leerlingen in principe ook recht  hebben op leerlingenvervoer. Scholen en gemeenten hoeven leerplichtige  leerlingen niet te vragen naar de verblijfsstatus. Een schoolleider kan dus niet  als een opsporingsambtenaar worden ingezet.  </al><al></al><al>Asielzoekerskinderen  </al><al>Voor kinderen die in een Asielzoekerscentrum (AZC)  verblijven en naar school toe gaan, bestaat de Richtlijn schoolvervoer  asielzoekers. Deze richtlijn houdt in dat het AZC het vervoer betaalt van het  AZC naar de school. Dit betaalt het AZC uit de middelen die het via het Centraal  Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) ontvangt.  Leerlingen die niet in een  asielzoekerscentrum verblijven, vallen onder de gemeentelijke regeling  leerlingenvervoer. Gemeenten moeten leerlingen die in aanmerking komen voor het  leerlingenvervoer in principe vervoeren naar de dichtstbijzijnde toegankelijke  school van de soort en de richting.  </al><al></al><al>Besluit trekkende bevolking  </al><al>Voor de begripsomschrijving ‘leerling’ geldt,  evenals voor de begripsomschrijving van ‘school’, dat die leerlingen zijn  uitgesloten die een rijdende school voor kinderen van kermisexploitanten of van  circusmedewerkers dan wel een ligplaatsschool voor varende kinderen bezoeken.</al><al></al><al><vet>Ad d  Gehandicapte leerling</vet></al><al><vet></vet>  Een leerling die door een  lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet of niet zelfstandig  van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een  gehandicapte leerling in de zin van de verordening. </al><al></al><al><vet>Ad e  Woning  </vet></al><al>Onder ‘woning’ wordt in de modelverordening verstaan:  de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Met andere  woorden, de plaats van waaruit het kind de school bezoekt. In dezen is het niet  relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. </al><al> Niet  ter zake doet of de ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun officiële  verblijf hebben in de zin van de artikelen 10 en verder van Boek I van het  Burgerlijk wetboek. Dit betekent dat indien een leerling tijdelijk in een andere  gemeente verblijft in deze andere gemeente (in het algemeen) bekostiging van de  vervoerkosten van deze leerling aangevraagd moet worden (dit geldt overigens  niet indien het bijvoorbeeld een leerling betreft die vanwege een vakantie van  de ouders tijdelijk elders verblijft).  </al><al></al><al>Tijdelijk verblijf </al><al> Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf van de  leerling in een andere gemeente kan de vraag rijzen of het redelijk is dat deze  gemeente de vervoerskosten moet dragen. Door het incidentele karakter van dit  vervoer laat het zich doorgaans moeilijk organiseren binnen de bestaande  gemeentelijke kaders, zodat dit vervoer zeer veel extra kosten met zich mee kan  brengen. Ook voor ouders is dit omslachtig: bij gemeente A moeten zij deelname  aan het vervoer opzeggen, bij gemeente B vervoer aanvragen en een aantal weken  later dienen zij het omgekeerde te doen. Bovendien bevat de definitie van het  begrip woning een structureel element.  </al><al></al><al>In een voorkomend geval kan als volgt worden gehandeld. Als vooraf vaststaat  dat een leerling gedurende een korte periode (niet meer dan bijvoorbeeld zes  weken) in een andere gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken,  dan wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente  (A).  </al><al></al><al>Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven  verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het kind naar zijn eigen school  blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling naar  school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal uiteraard  (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerkosten bestaan.  </al><al></al><al>In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in een andere gemeente  verblijft verdient het aanbeveling de hoofdregel toe te passen, namelijk dat in  de gemeente waarin de leerling feitelijk verblijft het leerlingenvervoer wordt  aangevraagd. Deze gemeente beoordeelt dan dit verzoek op basis van de eigen  Verordening Leerlingenvervoer. Deze verordening kan uiteraard andere criteria  bevatten dan de Verordening Leerlingenvervoer van de oorspronkelijke gemeente.  </al><al></al><al>Dagcentrum: twee woningen </al><al> Het uitgangspunt van de Verordening  Leerlingenvervoer is, dat slechts het vervoer van de woning naar de  onderwijsinstelling en vice versa wordt bekostigd. In het geval een leerling  vanuit een ouderlijke woning een school bezoekt en vanuit die school, omwille  van een medische of sociale indicatie, naar een dagcentrum (bijvoorbeeld een  Boddaertcentrum) reist, is de gemeente derhalve niet verplicht het vervoer van  school naar het dagcentrum te bekostigen.  </al><al></al><al>Als het dagcentrum als structureel feitelijk (eventueel tweede) verblijf  aangemerkt kan worden, kan een gemeente ervan uitgaan dat het kind twee woningen  in de zin van de verordening heeft, te weten de ouderlijke woning en het  dagcentrum en daarom toch besluiten tot bekostiging. Dit is een keuze van de  gemeente. Als de gemeente wel bekostigt, dan kan er vervoer van huis naar school  en van school naar het dagcentrum worden aangeboden. Het dagcentrum wordt dan  aangemerkt als tweede woning. Het vervoer van het dagcentrum naar huis valt dan  niet onder het leerlingenvervoer.  </al><al></al><al>Gescheiden ouders: twee woningen </al><al> Een kind van gescheiden ouders kan twee  woningen hebben in de zin van de verordening. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is  van co-ouderschap, waarbij het kind evenveel bij de ene als de andere ouder  verblijft, kan gezegd worden dat er sprake is van twee hoofdverblijven. Om  aanspraak te maken op bekostiging van leerlingenvervoer moeten beide ouders  afzonderlijk, voor de dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een  aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is. Waar de  leerling staat ingeschreven doet niet ter zake; doorslaggevend is de feitelijke  verblijfplaats van de leerling.  De betreffende gemeenten toetsen de aanvraag  elk aan de eigen Verordening Leerlingenvervoer, waarbij onder meer wordt bekeken  of er sprake is van een woning in de zin van de verordening, of de school wel de  dichtstbijzijnde toegankelijke is en of voldaan is aan de afstandsgrens. Het  komt voor dat slechts in één van beide gemeenten aanspraak op leerlingenvervoer  bestaat, doordat de school niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is.  </al><al></al><al><vet>Ad f Afstand  </vet></al><al>De afstand dient consequent te worden gemeten. Het  verdient aanbeveling om altijd dezelfde en de meest actuele routeplanner te  hanteren en de ouders bij de aanvraag te informeren over de wijze waarop de  afstand wordt gemeten.  </al><al></al><al>Met betrekking tot het begrip ‘afstand’ heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak  van de Raad van State bepaald dat de veiligheid van de weg op zich zelf  beoordeeld voldoende dient te zijn (uitspraak van 31 maart 1989, R03.87.2599;  zie Jur. 1.5). Het college mag niet volstaan met verwijzing naar een minder  veilige alternatieve route.</al><al></al><al>Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het  afstandscriterium, dan dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor  begeleiding zorg te dragen indien de af te leggen route onveilig is, aldus de  afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 12 juni 1995,  nr. R03.93.5575; zie jur.1.6 ).  De afdeling bestuursrechtspraak is voorts  van mening dat de route niet in alle gevallen volledig toegankelijk moet zijn  voor gemotoriseerd verkeer (uitspraak van 12 juni 1995, nr. R03.93.5639; zie  jur. 1.7).  </al><al></al><al><vet>Ad g Vervoer</vet></al><al>  Indien de gemeente opstapplaatsen hanteert, dient dit  in de verordening te worden opgenomen (Zie ook de artikelsgewijze toelichting  bij artikel 1, onderdeel l). Bij het vervoer van en naar de SBO Arcadia worden  opstapplaatsen gehanteerd. Voorts is ter verduidelijking opgenomen dat het  vervoer alleen plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de  schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Hiermee wordt voorkomen dat ouders  op basis van bijvoorbeeld sociale of tijdelijke medische overwegingen aanvragen  indienen voor het vervoer tijdens de schooltijd (bijvoorbeeld omdat de leerling  te jong is om het hele onderwijsprogramma te volgen). Uitsluitend indien de  structurele handicap van een leerplichtige leerling noodzaakt tot het volgen van  slechts een deel van het onderwijsprogramma, dient in voorkomend geval wel  tijdens de schooltijd vervoerd te worden.</al><al></al><al><vet>Ad h Openbaar vervoer</vet></al><al> Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar  vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in  artikel 1 van de Wet personenvervoer (wet van 12 maart 1987, Stb. 175). In deze  Wet wordt onder ‘openbaar vervoer’ verstaan: voor een ieder openstaand  personenvervoer per trein, metro, tram, bus, of auto volgens een dienstregeling.  De Wet personenvervoer definieert ‘dienstregeling’ als voor een ieder kenbaar  schema van reismogelijkheden. In de verordening is de begripsomschrijving  ‘openbaar vervoer’ uitgebreid met ‘veerdienst’.  </al><al><vet></vet></al><al><vet>Ad k Reistijd</vet></al><al>  Onder ‘reistijd’ wordt in de modelverordening  verstaan, de tijdspanne die ligt tussen het verlaten van het huis en de aanvang  van de schooldag, dan wel de tijdspanne die ligt tussen het einde van de  schooldag en de aankomst bij het huis. De praktijk leert dat leerlingen,  ongeacht of zij gebruikmaken van het leerlingenvervoer, zich vaak zo’n tien  minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein bevinden. Het ligt voor  de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. Dit betreft enkel de wachttijd  aan het begin van de schooldag. De eventuele wachttijd aan het einde van de  schooldag wordt wel meegerekend bij de totale reistijd.  </al><al></al><al>Schooltijden</al><al>  Vanaf I augustus 2006 hebben scholen in het primair en het  speciaal onderwijs meer vrijheid om, in samenspraak met ouders, de schooltijden  zelf in te vullen. Voor scholen die vallen onder de WPO of de WEC geldt dat de  leerlingen in de eerste twee schooljaren ten minste 3520 uren onderwijs en in de  laatste zes schooljaren tenminste 3760 uren onderwijs ontvangen. Als voorwaarde  is wel gesteld dat de onderwijsactiviteiten evenwichtig over de dag verdeeld  moeten worden. Voor scholen vallend onder de WEC geldt daarnaast nog dat het  onderwijs aan leerlingen jonger dan 4 jaar ten minste 880 uren per schooljaar  omvat en aan leerlingen ouder dan 12 jaar ten minste 1000 uren per schooljaar.  Het is mogelijk om voor alle groepen naast de woensdagmiddag een tweede vrije  middag in te voeren, of de verplichte lesuren in vier dagen per week te  verzorgen. Een school kan ook kiezen voor een zesdaagse lesweek.  </al><al>Voor de  bepaling van het recht op leerlingenvervoer wordt aangesloten op de schoolgids   die een school heeft uitgegeven. Indien een school dus van de nieuwe  regelgeving gebruik-  maakt en dat vastlegt in de schoolgids moet de gemeente  dit honoreren.  </al><al></al><al><vet>Ad l Toegankelijke school</vet></al><al> De WPO kent het orgaan de permanente  commissie leerlingenzorg (pcl, artikel 23 WPO). Deze commissie beslist op  aanvraag van de ouders of een leerling op het onderwijs van een speciale school  voor basisonderwijs is aangewezen. Alleen als dit besluit positief is, kan een  leerling op een speciale school voor basisonderwijs worden opgenomen. Het  college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit  besluit uitgaan. Dit besluit is overigens een besluit in de zin van de Algemene  wet bestuursrecht (Awb). In het kader van de operatie Weer samen naar school is  afgesproken dat, indien vaststaat dat een leerling is aangewezen op een hulpklas  bij een basisschool, deze basisschool moet worden aangemerkt als de  toegankelijke school, ook wanneer dit niet de dichtstbijzijnde basisschool is,  en dat derhalve vervoer naar deze basisschool met hulpklas dient te worden  bekostigd.  </al><al>De Regionale Verwijzingscommissie bepaalt de toelaatbaarheid tot  het praktijkonderwijs. (artikel 10g van de WVO).  </al><al><vet></vet></al><al><vet>Ad m Inkomen</vet></al><al> Om te bepalen of op grond van artikel 23 een  drempelbedrag kan worden geheven, is het inkomen van ouders in het peiljaar  nodig. Ouders kunnen een IB 60-formulier opvragen bij de Belastingdienst, waarop  dit gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld.  </al><al><vet></vet></al><al><vet>A</vet><vet>d n Opstapplaats</vet></al><al>  Een van de mogelijkheden om het vervoer  efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale  opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met  een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald,  maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven  naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats. De gemeente Kerkrade hanteert  opstapplaatsen bij het vervoer van en naar de Speciale school voor  Basisonderwijs Arcadia.  </al><al></al><al>Reistijd naar opstapplaats</al><al>  In de uitspraak van 26 februari 1992 (nr.  R03.89.0419/83-107) acht de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State  het kennelijk redelijk dat de gemeente opstapplaatsen opstelt vanaf waar de  leerling van het vervoer gebruik kan maken. De afdeling vindt de reistijd, die  in dit geval niet meer dan dertig minuten bedraagt, alleszins redelijk. Hiermee  is echter nog niet aangegeven wanneer de afdeling de reistijd niet meer redelijk  acht.  </al><al></al><al>Veiligheid en begeleiding </al><al> Wanneer gekozen wordt voor het aanwijzen van  opstapplaatsen, dan is het van belang dat de gemeente daarbij let op de af te  leggen afstand van huis naar de opstapplaats. Hierbij kan in ieder geval gedacht  worden aan bestaande halteplaatsen binnen een loopafstand van dertig minuten,  waar een beschutte halteplaats aanwezig is (mede in verband met de  weersomstandigheden). Het feit alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg  ligt en dus niet veilig genoeg zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om  af te zien van het aanwijzen van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke  gevallen verwacht worden dat zij hun kinderen begeleiden tot ten minste het  moment dat hun kinderen in het voertuig zijn gestapt. (Zie ABRS 24 augustus  1992, nr. R03.90.1504/83-105).  </al><al></al><al>Afstand  </al><al>Wanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerkosten  wordt ingediend, blijft de afstand tussen de woning en de school relevant; het  instellen van opstapplaatsen verandert daar niets aan. Dit betekent dat ouders  die op bijvoorbeeld negen kilometer van de school wonen terwijl de gemeente op  zes kilometer afstand een opstapplaats heeft ingesteld, recht hebben op  bekostiging van het vervoer (en eventueel begeleiding) over de resterende drie  kilometer. Ook blijft het berekenen van de reistijd zoals dat nu geldt onverkort  intact; met andere woorden de tijdsduur die gemoeid is met het bereiken van de  opstapplaats telt mee als reistijd als bedoeld in artikel 13, onder 1, en  artikel 18, eerste lid onder b, van de verordening.  </al><al></al><al><vet>Ad o Commissie voor de begeleiding</vet></al><al>  De commissie voor de  begeleiding is in de plaats gekomen voor de commissie van onderzoek. De  indicerende taken van de CvO zijn overgegaan naar de regionale commissies van  indicatiestelling (Cvi). De taken omtrent toewijzing van (ambulante) begeleiding  liggen bij de commissie voor de begeleiding, verbonden aan een school.  </al><al></al><al><vet>Ad p Vervoersvoorziening</vet></al><al>  De wet bepaalt dat de gemeenten het  vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling  ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt. Er dient een keuze te worden  gemaakt tussen één van de drie weergegeven mogelijkheden: 1. een gehele of  gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte  vervoerskosten van de leerling en zonodig diens begeleider, 2. de verstrekking  van een abonnement of strippenkaart voor de leerling en zo nodig diens  begeleider, of 3. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of  doet verzorgen.  </al><al></al><al><vet>Ad q Permanente commissie leerlingenzorg</vet></al><al> De WPO kent de permanente  commissie leerlingenzorg (pcl). Besluiten van de pcl over de toelating van een  leerling tot een speciale school voor basisonderwijs dienen door het college bij  de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer betrokken te worden,  ingeval het college een negatieve beschikking geeft op de gevraagde voorziening.  Zie tevens de toelichting bij onderdeel l.  </al><al></al><al><vet>Ad r Samenwerkingsverband</vet></al><al> Op basis van de WPO moeten basisscholen  en speciale scholen voor basisonderwijs die samenwerken, een zodanige  zorgstructuur inrichten, dat voor elke leerling de benodigde zorg kan worden  geboden. Artikel 18 van de WPO geeft een regeling voor de  samenwerkingsverbanden.  </al><al></al><al><vet>Ad s Regionale verwijzigingscommissie</vet></al><al>  De regionale  verwijzingscommissie heeft op grond van artikel 10g van de WVO tot taak te  beoordelen of een leerling tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is.  </al><al></al><al><vet>Ad t Opdc</vet></al><al> Opdc: orthopedagogisch en didactisch centrum.  Bovenschoolse voorziening bedoeld om leerlingen extra zorg te geven. Op een opdc  kan ook onderwijs gegeven worden, maar de leerlingen blijven ingeschreven op een  school voor voortgezet onderwijs.  Leerlingen die volledig onderwijs volgen  aan een opdc en aanspraak maken op vervoer op basis van titel 6, kunnen in  aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar het opdc. Leerlingen die  gedeeltelijk onderwijs volgen aan een opdc en gedeeltelijk aan een school voor  voortgezet onderwijs, kunnen alleen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer  naar de school voor voortgezet onderwijs.  </al><al></al><al><vet>Ad u Vervoerder  </vet></al><al>De vervoerder die het leerlingenvervoer in de  gemeente Kerkrade verzorgt, is een door Europese aanbesteding geselecteerd  erkend vervoersbedrijf.  </al><al></al><al><vet>Ad v Ambulante begeleiding</vet></al><al> Een ambulante begeleider is verbonden  aan een school voor speciaal onderwijs en geeft ondersteuning aan gehandicapte  leerlingen in het reguliere primair en voortgezet onderwijs. De gemeente kan aan  de ambulante begeleider van gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs,  voor wie een aanvraag leerlingenvervoer wordt ingediend, advies vragen over de  vervoersbehoefte van die leerlingen.  </al><al></al><al><vet>Ad w Commissie voor de indicatiestelling</vet></al><al> Elk kind dat wordt  aangemeld voor het speciaal onderwijs moet worden geïndiceerd. De commissie voor  de indicatiestelling beoordeelt aan de hand van onafhankelijke landelijke  criteria of een leerling in aanmerking komt voor leerlinggebonden financiering  en in welk cluster de leerling wordt geplaatst.</al><al></al><al><vet>Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten  vervoerskosten</vet></al><al> In de verordening worden de aanspraken van de ouders op  gehele of gedeeltelijke bekostiging voor het dagelijks vervoer van leerlingen  naar scholen voor basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs en  (voortgezet) speciaal onderwijs vastgelegd. Indien het college het vervoer zelf  laat verzorgen, kan het van ouders, die voor bekostiging van de vervoerskosten  in aanmerking komen, verlangen dat hun kinderen van dit vervoer gebruik maken.  Tevens kan zij van ouders, aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de  vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen aan het vervoer  van hun leerlingen (artikel 2, tweede lid, van de modelverordening). </al><al> De  hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van  leerlingen die scholen voor basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het  inkomen van de ouders en de afstand tussen de woning en de te bezoeken school.  Indien de ouders weigeren of nalatig zijn met betrekking tot de te betalen  bijdrage, leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan  wel, indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot  stopzetting van het vervoer. Het behoeft geen betoog dat juist bij het aangepast  vervoer afspraken kunnen worden gemaakt met regiogemeenten om een zo efficiënt  en goedkoop mogelijke wijze van aangepast vervoer te organiseren. Tevens komt in  artikel 2, tweede lid, tot uitdrukking dat het eventuele drempelbedrag en de  bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit hoger kunnen zijn dan de werkelijke  kosten van vervoer.  De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft  ingevolge de Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In artikel 2,  derde lid, van de verordening is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet  vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of  overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de  gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders.   In het vierde lid staat dat een leerling die meerderjarig en  handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan doen in plaats  van de ouders/verzorgers. </al><al></al><al><vet>Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</vet>   Een van de uitgangspunten van de artikelen 4 van de WPO, WVO en de WEC is  dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening en het college bij de  uitvoering daarvan de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende  keuze voor een school dient te eerbiedigen. Tevens is in genoemde artikelen  bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en  bijzonder onderwijs. In de verordening is dit verankerd in artikel 3.  Bekostiging van de vervoerskosten wordt verstrekt over de afstand tussen de  woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school. Als  dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt: de school die naar afstand het  dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende  (meest) begaanbare, veilige weg.  Als toegankelijke school is aan te merken  wat betreft het primair onderwijs: de school van de verlangde godsdienstige of  levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Wat betreft  (voortgezet) speciaal onderwijs wordt hier nog een tweede criterium aan  toegevoegd: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van  zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De hier bedoelde soorten zijn  schooltypen zoals vermeld in artikel 2 van de WEC en artikel 5 van de WVO. Op  grond van de WPO dient voor de speciale scholen voor basisonderwijs het vervoer  naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het samenwerkingsverband te  worden bekostigd. Zie daarvoor artikel 9 van de verordening. </al><al></al><al>Scholen met wachtlijsten  </al><al>Het spreekt voor zich dat op een toegankelijke  school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden  toegelaten. Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een  leerling omdat er een wachtlijst bestaat, dient bekostiging plaats te vinden  naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op  vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een  wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school.  Indien de wachtlijst is  opgelost - de gemeente dient naar de duur van de wachtlijst te informeren - kan  de bekostiging beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze  weer toegankelijk is geworden. Dit is ongeacht of de leerling vanaf dat moment  ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken: ouders zijn vrij om  hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, echter in het kader van  het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoerskostenvergoeding voor de  dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt.  </al><al></al><al>Van belang hierbij is dat wanneer het college een aanvraag om bekostiging  afwijst in verband met de aanwezigheid van een dichterbij gelegen school van (de  aangewezen soort en van) dezelfde richting, het dient aan te tonen dat de  leerling daadwerkelijk kan worden toegelaten tot die school. Hierbij kan nog  worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe school met slechts een  leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor leerlingen uit groep 3 en  verder niet toegankelijk is.  </al><al></al><al>De leerling zal, indien hij niet toegelaten wordt op de desbetreffende  dichtstbijzijnde school, moeten uitzien naar een andere school. Deze school is  dan aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school. In een dergelijk  geval dient bekostiging van vervoer te worden verstrekt, naar deze andere  (dichtstbijzijnde) school.</al><al></al><al>Stagevervoer  </al><al>Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma en  krijgt de leerling dagelijks leerlingenvervoer naar de school, dan bestaat in  beginsel aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres. Dit is dan immers  aan te merken als de ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’. De gemeente kan  scholen er op attenderen dat stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben voor  gemeenten. Scholen kunnen dit aspect mee laten wegen in de plaatsing van  leerlingen door bijvoorbeeld een stageplek te zoeken op de route van het  leerlingenvervoer. </al><al></al><al> Hoogbegaafde kinderen en ‘toegankelijke school’  </al><al>Ten  aanzien van hoogbegaafde kinderen worden gemeenten regelmatig geconfronteerd met  aanvragen tot bekostiging van het vervoer naar scholen die zich richten op dit  type kinderen.</al><al>  In 2001 heeft de rechter een uitspraak hieromtrent gedaan  over een zaak die speelde in Emmen. De gemeente Emmen wees een soortgelijk  verzoek af, omdat er voldoende onderwijsvoorzieningen zijn die dichterbij  gelegen zijn. Men vond geen reden de hardheidsclausule toe te passen. Met de  gemeente was de rechtbank van mening dat de aanvrager niet heeft aangetoond dat  dichterbijgelegen scholen niet geschikt zouden zijn. De rechter merkte op dat  zelfs als bewezen zou zijn dat deze school ongeschikt is, dit nog niet meebrengt  dat er aanspraak op een vervoersvoorziening zou kunnen zijn naar de verder weg  gelegen school. Het staat immers niet objectief vast dat deze school voor de  leerling wèl geschikt is en of dit dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school  is. De rechter vindt het dan wel mede op de weg van de gemeente liggen om aan te  geven welke dichterbij gelegen school geschikt is. </al><al></al><al> Onderwijsrichting</al><al>  In  de parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen  leerlingenvervoer is uitgebreid aandacht besteed aan de richting van het  onderwijs. Om alle twijfels weg te nemen dat de afstand die voor bekostiging in  aanmerking komt maximaal betrekking heeft op de kortste voor de leerling  voldoende begaanbare en veilige weg naar de dichtstbijzijnde toegankelijke  school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting is, door  middel van een Vierde nota van wijziging (Kamerstuk 18841, nr. 21) in de  relevante artikelen expliciet opgenomen dat vervoer plaatsvindt naar de  dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij het vervoer met  betrekking tot een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met  zich mee zou brengen, en de ouders met het vervoer naar die school instemmen.   </al><al>Bovengenoemd uitgangspunt houdt in dat indien een leerling een school  bezoekt die, met voorbijgaan van een school van dezelfde gewenste richting,  verder van de woning van de leerling is verwijderd, de aanspraak in principe  beperkt blijft tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de  dichtstbijzijnde bij de woning gelegen school. Dit is echter geen verplichting.  Het college kan besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken  indien vervoer aanwezig is waarvan de kosten gelijk blijven ongeacht het aantal  leerlingen dat van dat vervoer gebruik maakt.  </al><al>Indien de situatie zich zou  voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen  school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer  kosten met zich meebrengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te  stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school  geldt hetzelfde.  Het zogenoemde ‘richtingenvraagstuk’ heeft geleid tot veel  jurisprudentie. Aanvankelijk beperkte de jurisprudentie zich bij de vraag over  het al dan niet doen toekennen van een vervoerskostenbekostiging tot het  zogenoemde ‘klassieke richtingenbestand’. Kenmerkend hierbij is dat het gaat om  stromingen van levensbeschouwelijke en godsdienstige aard. Ook bijzonder  onderwijs op algemene grondslag is hierbij als richting aan te merken.</al><al>  In  het algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar onderwijs, tot  het klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder onderwijs gerekend worden:  scholen voor (rooms)katholiek onderwijs, scholen voor protestants-christelijk  onderwijs, scholen voor gereformeerd (vrijgemaakt) onderwijs (KB 28 december  1960, nr. 95; zie Jur 5.1), scholen voor reformatorisch onderwijs, scholen voor  algemeen bijzonder onderwijs (KB 15 december 1948, nr. 37; zie Jur. 5.2).  Daarnaast kunnen in het christelijk onderwijs, wat betreft het  leerlingenvervoer, de volgende richtingen worden onderscheiden: gereformeerde  schoolvereniging, scholen met den bijbel, christelijk-nationaal, hervormd. In  jurisprudentie worden ook de zogenoemde evangelische scholen als een  afzonderlijke richting aangemerkt (RvS 11-2-97, AB 1998, 28). </al><al> Daarnaast zijn  ook de Joodse scholen als afzonderlijke richting aan te merken. Gezien de  statuten van Islamitische scholen wordt er van uitgegaan dat ook zij een eigen  richting vertegenwoordigen. Hetzelfde geldt voor Hindoeïstische scholen.  </al><al></al><al>Interconfessioneel onderwijs  </al><al>Hieronder wordt verstaan onderwijs dat is  gebaseerd op verschillende geloofsovertuigingen. Interconfessionele scholen zijn  meestal ontstaan uit de fusie van een protestante en  een katholieke school.  Gezien de statuten van deze scholen wordt dit type onderwijs niet  als aparte  richting ten opzichte van andere confessionele scholen aangemerkt.  </al><al></al><al>‘Vrije scholen’ </al><al> Deze scholen, die hun onderwijs stoelen op de  antroposofische wijsbegeerte en met name de filosofie van Rudolf Steiner, kunnen  geacht worden een bepaalde richting in het onderwijs te vertegenwoordigen,  aangezien het onderwijs wordt gegeven vanuit een eigen mens- en  wereldbeschouwing (KB 18 juni 1980, nr. 32; zie Jur. 5.3). De vrije school is in  Nederland bekend onder namen als Rudolf Steinerschool, Parcivalschool en de  Zonneschool.  </al><al></al><al>Overige scholen  </al><al>Niet tot het begrip ‘richting’ wordt gerekend een  bepaalde onderwijskundige methode van een school. Hiermee worden onder andere  bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen en Freinetscholen.  Deze scholen baseren hun identiteit op de onderwijskundige inrichting van de  school en niet op de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting.   Montessorischolen c.a. kunnen onder meer van katholieke, protestante  signatuur zijn. Dit betekent dat er in dezen geen verschil bestaat tussen een  ‘reguliere’ katholieke basisschool en een katholieke Montessorischool, etc.  Relatief nieuw zijn de zogenaamde ‘Iederwijsscholen’. Dit zijn particuliere  scholen die sinds 2000 op verschillende plaatsen in Nederland gestart zijn. In  het algemeen worden deze scholen erkend als ’scholen’ in de zin van de  onderwijswetten. De identiteit van de school lijkt meer geënt op de  onderwijskundige inrichting, dan een godsdienst of levensovertuiging. Er is geen  jurisprudentie bekend waaruit blijkt dat er sprake is van een afzonderlijke  richting.</al><al></al><al>Verklaring van bezwaar  </al><al>Op grond van artikel 3, tweede lid, van de  verordening dienen ouders, indien een leerling een school voor basisonderwijs  bezoekt op grotere afstand dan bepaald in de verordening, terwijl zich  dichterbij andere (openbare en bijzondere) basisscholen bevinden, schriftelijk  te verklaren, dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs  dan wel tegen de richting van de dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. </al><al>  Een verklaring van bezwaar dient zich te richten tegen de richting van het  bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs en niet tegen de  onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt. Sinds de  totstandkoming van onderwijswetgeving met betrekking tot de vrijheid van  onderwijs, is het oordeel over de bezwaren, die aan de richting van het  onderwijs verbonden zijn, aan de overheid onttrokken. Met andere woorden: het  college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting  inhoudelijk te verifiëren. Ook onder de huidige regeling wordt deze gedragslijn  in de jurisprudentie gevolgd. Slechts in een enkel uitzonderlijk geval neemt de  Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan dat niet de richting van  het onderwijs, maar de kwaliteit daarvan, de keuze van de ouders heeft bepaald,  in tegenstelling tot de door de ouders afgelegde verklaring inzake hun bezwaar  tegen de overige richtingen en het openbaar onderwijs (ABRS, 10 april 1989,  R03.87.2455/98-86; zie Jur. 21.1. ABRS, 2 januari 1992, R03.89.0685/72-107; zie  Jur. 5.7).  Op het college rust in deze gevallen een zware bewijslast.  Aangetoond dient te worden dat de bezwaren van de ouders in weerwil van de  letter van hun verklaring kennelijk niet de richting van het onderwijs  betreffen. Zelfs indien ouders hun kinderen aanvankelijk naar een openbare  basisschool sturen, vervolgens naar een katholieke basisschool en uiteindelijk  wederom naar een openbare basisschool, geeft de Voorzitter van de Afdeling  Bestuursrechtspraak de ouders het voordeel van de twijfel (ABRS, 24 maart 1988,  R03.88.0917/S526098.00). Ook indien ouders hun kind pas op twaalfjarige leeftijd  naar de school met de door hen gewenste richting sturen, dient het college de  verklaring van de ouders, dat zij tegen de overige richtingen en tegen het  openbaar onderwijs bezwaar hebben te respecteren, zeker nu de ouders aangaven  dat zij hun kind aanvankelijk te jong achtten om de afstand naar de gewenste  school te overbruggen (ABRS, 17 februari 1989, R03.89.0286/S5137-58; zie Jur.  5.6). Ook het feit dat kinderen uit hetzelfde gezin scholen van diverse  richtingen bezoeken levert onvoldoende grond op voor het oordeel dat de ouders  hun keuze kennelijk niet met het oog op de richting van het onderwijs hebben  bepaald (ABRS, 9 december 1989, R03.87.2975/72-86; zie Jur. 5.5).  </al><al></al><al>Speciaal onderwijs  </al><al>Uiteraard geldt voor het (voortgezet) speciaal  onderwijs dat het bovenstaande slechts van toepassing is op dichterbij  gesitueerde scholen van de soort waarop de leerling is aangewezen.  </al><al></al><al>In dit kader is van belang dat de Afdeling Bestuursrechtspraakheeft bevestigd  dat voor het antwoord op de vraag op welke soort speciaal onderwijs een leerling  is aangewezen slechts een keuze kan worden gemaakt uit de in artikel 2 van de  WEC) onderscheiden soorten (ABRS, 2 januari 1992, R03.88.4075 en  R03.89.160/62-129; zie Jur. 21.2). ‘Binnen die soorten is geen nadere  onderverdeling aangebracht op basis waarvan onderscheid tussen (...) scholen  (...) kan worden gemaakt’. Slechts indien door de ouders wordt aangetoond - met  name via deskundigenrapporten - dat niet de dichtstbij gelegen school van de  gewenste richting en de aangewezen soort geschikt is maar een verder gelegen  school, neemt de Afdeling aan dat de leerling op deze verder gelegen school  feitelijk is aangewezen, en is er voor het college aanleiding te bezien of met  toepassing van de hardheidsclausule het vervoer naar de verder gelegen school  dient te worden bekostigd.  Op grond van de Wet leerlinggebonden financiering  kunnen leerlingen die geïndiceerd zijn voor (voortgezet) speciaal onderwijs  tevens kiezen voor het regulier onderwijs. Leerlingen die naar het (voortgezet)  speciaal onderwijs gaan, titel 3 van de verordening, maken onverminderd  aanspraak op leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4 scholen (zeer  moeilijk opvoedbare kinderen, leerlingen van scholen verbonden aan pedologische  instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek)) geldt dat  zij recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de commissie voor  de indicatiestelling (cvi) een advies heeft afgegeven. Artikel 4, vijfde lid WEC  bepaalt namelijk dat de cluster 4-school waarvoor de cvi een advies heeft  afgegeven, wordt aangemerkt als de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Dit  geldt zolang de leerling woont in het gebied van het regionaal expertisecentrum  waar voornoemde commissie aan is verbonden.</al><al></al><al>Voorbeeld 1  </al><al>School A is een rooms-katholieke basisschool en ligt op zes  kilometer afstand van de woning van de leerling.School B is een  protestants-christelijke basisschool en ligt op drie kilometer afstand van de  woning van de leerling. Indien de ouders nu schriftelijk verklaren overwegende  bezwaren te hebben tegen de richting van de school die dichterbij gelegen is  (i.c. school B), verstrekt het college bekostiging voor het vervoer van de  leerling naar school A. </al><al></al><al>Voorbeeld 2  </al><al>Een leerling bezoekt een school voor algemeen-bijzonder  basisonderwijs op drie kilometer afstand van de woning. De ouders besluiten dat  de leerling naar een andere basisschool van dezelfde richting gaat, gelegen op  zes kilometer afstand van de woning. In dit geval verstrekt het college geen  bekostiging voor het vervoer naar deze basisschool op zes kilometer afstand  (immers, het is niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school). Of bekostiging  plaatsvindt naar de basisschool op drie kilometer afstand, is afhankelijk van de  door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.  </al><al></al><al>Voorbeeld 3  </al><al>Een leerling bezoekt een gereformeerde (vrijgemaakt) school  op zeven kilometer afstand van de woning. Op drie kilometer afstand wordt een  nieuwe gereformeerde (vrijgemaakt) basisschool gesticht. In principe vervalt de  bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand. Het  is immers niet meer de dichtstbijzijnde toegankelijke school.  Hierbij is  echter een redelijke overgangsregeling gewenst. Aansluitend bij de gangbare  opvattingen hierover lijkt een overgangsperiode van circa twee jaren reëel  indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend. Na een dergelijke  overgangsperiode vervalt dan de bekostiging van de vervoerskosten naar de school  op zeven kilometer afstand van de woning.  Indien de ouders beslissen om de  leerling eerder naar de dichterbij gelegen school te sturen, vervalt de  bekostiging op het moment dat de leerling de nieuwe school bezoekt. Of er dan  bekostiging plaatsvindt naar de nieuwe basisschool, is afhankelijk van de door  de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.  </al><al></al><al>Voorbeeld 4  </al><al>Een leerling bezoekt een openbare school op drie kilometer  afstand van de woning. Halverwege het jaar verhuist het gezin naar een andere  wijk in dezelfde gemeente, waardoor de bezochte school niet meer de  dichtstbijzijnde school voor openbaar onderwijs is. De bezochte school ligt nu  op een afstand van acht kilometer. In principe bestaat geen aanspraak meer op  bekostiging naar deze school. Echter, indien de ouders voornemens zijn de  leerling toch op de verder weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke  overgangsperiode voor de hand te liggen. Het college kan dan overwegen - indien  daarmee het belang van de leerling wordt gediend - bekostiging te verlenen voor  het resterende schooljaar. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de dichterbij  gelegen school is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde  afstandsgrens.  </al><al></al><al>Voorbeeld 5  </al><al>Een leerling bezoekt een protestants-christelijke speciale  school voor basisonderwijs op zes kilometer afstand van de woning terwijl een  rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs en een  protestants-christelijke ZMOK-school dichterbij zijn gesitueerd (respectievelijk  op twee kilometer en drie kilometer). De ouders komen voor bekostiging van de  vervoerskosten in aanmerking indien zij schriftelijk verklaren overwegende  bezwaren te hebben tegen de richting van de dichterbij gelegen toegankelijke  school (i.c. de rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs).  De  protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop de  leerling is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij gelegen  toegankelijke school.  </al><al></al><al>Voorbeeld 6  </al><al>Een leerling bezoekt een openbare basisschool op negen  kilometer afstand van de woning. Op zes kilometer afstand is ook een openbare  basisschool gehuisvest, terwijl er dichterbij gelegen scholen voor bijzonder  basisonderwijs aanwezig zijn. Het college verstrekt bekostiging van de  vervoerskosten naar de school op zes kilometer afstand van de woning, indien de  ouders schriftelijk hebben verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen de  richting van deze dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Deze school op zes  kilometer afstand is immers aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke  school.  </al><al></al><al>Voorbeeld 7  </al><al>Op drie kilometer afstand van de woning van de leerling is  een reformatorische basisschool gesitueerd. De leerling bezoekt een  reformatorische basisschool op acht kilometer afstand van de woning omdat op  deze school godsdienstonderwijs wordt gegeven volgens een bepaalde modaliteit,  die niet tot uitdrukking komt in de dichterbij gelegen reformatorische school.  In dit geval bekostigt het college niet de kosten van het vervoer naar de  school, gelegen op een afstand van acht kilometer.  Of bekostiging  plaatsvindt naar de reformatorische basisschool op drie kilometer afstand is  afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens. </al><al></al><al>Voorbeeld 8  </al><al>Een leerling bezoekt een vrijgemaakt-gereformeerde speciale  school voor basisonderwijs op twaalf kilometer afstand van de woning van de  leerling, omdat de onderwijskundige methode van die school geschikter blijkt  voor de leerling dan de onderwijskundige methode die gehanteerd wordt op de  vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs, gelegen op een  afstand van vijf kilometer van de woning van de leerling. Het college verstrekt  een eventuele bekostiging voor het vervoer van en naar de school gelegen op vijf  kilometer afstand.  </al><al></al><al>Voorbeeld 9  </al><al>Een leerling bezoekt een openbare speciale school voor  basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de  leerling afkomstig is, terwijl er buiten het samenwerkingsverband een dichterbij  de woning van de leerling gelegen toegankelijke openbare speciale school voor  basisonderwijs is. Het college verstrekt bekostiging naar de school binnen het  samenwerkingsverband (zie artikel 9 van de verordening).  </al><al></al><al>Voor alle hiervoor weergegeven voorbeelden geldt dat het college de ouders  met toepassing van de hardheidsclausule toch een - volledige - bekostiging kan  verstrekken indien daartoe naar de mening van het college aanleiding is.  </al><al></al><al><vet>Artikel 4 Uitbetaling van de bekostiging</vet></al><al> Vanuit het oogpunt van  lastenverlichting voor de burger is het wenselijk dat het aantal aanvragen zo  veel mogelijk wordt beperkt. In dat kader verdient het aanbeveling om als  gemeente te bezien of het passend en mogelijk is om voor de gehele schoolperiode  de bekostiging toe te wijzen. Wanneer te verwachten valt dat er geen verandering  optreedt in de situatie van de leerling en deze dus aan de geldende criteria  blijft voldoen, kan het wenselijk zijn te kiezen voor een verstrekking voor de  gehele schoolperiode. Aanvragers dienen wijzigingen die van invloed zijn op de  bekostiging direct door te geven aan het college. Het is raadzaam aanvragers  nadrukkelijk te wijzen op het feit dat ten onrechte genoten bekostiging kan  worden teruggevorderd, dan wel kan worden verrekend (zie ook artikel 6).  </al><al></al><al>In de gemeente Kerkrade worden in de praktijk echter elk schooljaar opnieuw  aanvraagformulieren verstrekt aan de aanvragers en bekostiging toegewezen voor  het betreffende schooljaar.  Indien er in de situatie van de leerling  verbetering of verandering optreedt, kan het toegekende vervoer of de  bekostiging per schooljaar aangepast  worden. Bovendien is het administratief  gezien overzichtelijker om te zien welke leerlingen per schooljaar gebruik maken  van het vervoer.</al><al></al><al>Nota bene: de eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor  dient de aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen, ook al wordt de  bekostiging voor een langere periode verstrekt. Dit zou kunnen vervallen als de  gemeente op termijn bij de belastingdienst de inkomensgegevens kan opvragen.  </al><al></al><al>Vanwege het creëren van beleidsruimte is in artikel 4 van de verordening  bepaald, dat het college bij de verstrekking van de bekostiging tevens de  termijn van de bekostiging bepaalt. In de beschikking dient deze termijn wel  aangegeven te worden. De gekozen formulering van artikel 4 van de verordening  laat zoals gezegd de ruimte om per geval de termijn van de bekostiging te  bepalen. Stelt de gemeenteraad zich echter op het standpunt dat de bekostiging  te allen tijde tot het einde van het aangevraagde schooljaar dient te lopen,  verdient het aanbeveling om de verordening in die zin aan te passen.  In  Kerkrade wordt in de beschikking aangegeven dat de bekostiging geldt voor de  duur van het betreffende schooljaar. De formulering van artikel 4 laat evenwel  de mogelijkheid om beschikkingen voor meerdere jaren af te geven. In dat geval  dient het in de beschikking te worden vermeld.  Tevens dient het college bij  verstrekking van bekostiging de wijze en het tijdstip van uitbetaling te  bepalen. Bepaald zal onder andere dienen te worden of: </al><al> - de bekostiging per  maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt;</al><al>  - de bekostiging in de vorm van een  voorfinanciering of op declaratiebasis, dan wel via een vast termijnbedrag  achteraf geschiedt; </al><al> - de bekostiging, in het geval er sprake is van  aangepast vervoer, rechtstreeks aan de vervoersonderneming geschiedt.   Aangezien de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het tijdstip  van betalen veel verschillende varianten laat zien, is in de modelverordening  geen expliciete keuze gemaakt. Afhankelijk van de lokale gewoonte of de lokale  wensen kan hieraan invulling worden gegeven.</al><al></al><al><vet>Artikel 5 Aanvraagprocedure  </vet></al><al><vet></vet>Indien ouders menen voor bekostiging  in aanmerking te komen, dienen zij hiertoe een aanvraag in bij het college. Van  gemeentezijde wordt hiervoor een aanvraagformulier beschikbaar gesteld. Het  formulier is tevens digitaal beschikbaar via de website van de Gemeente Kerkrade  onder <extref doc="http://www.kerkrade.nl/">www.kerkrade.nl</extref> – digitaal loket –  formulieren – categorie PDF-formulieren – leerlingenvervoer.  </al><al>Voor personen  die reeds eerder een aanvraagformulier hebben ingevuld voor dezelfde school is  een deels voorgedrukt formulier beschikbaar om de administratieve lasten voor de  burger zo beperkt mogelijk te houden.  In artikel 5 van de modelverordening  zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent de aanvraag van bekostiging van de  vervoerskosten.</al><al>  De aanvraag kan in principe op twee tijdstippen  plaatsvinden:</al><al>  1. indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe schooljaar,  dient de aanvraag voor 1 juni voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar ingediend te  worden; </al><al> 2. indien het betreft een aanvraag gedurende het schooljaar, kan de  aanvraag gedurende het schooljaar worden ingediend.  </al><al></al><al>Ad 1 Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het nieuwe schooljaar   Veelal zal ruimschoots voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bekend zijn  dat een leerling in het nieuwe schooljaar een bepaalde school gaat bezoeken. Ook  continuering van het schoolbezoek is in veel gevallen ruim voor de aanvang van  het nieuwe schooljaar bij de ouders bekend. In dergelijke gevallen bepaalt  artikel 5, tweede lid, van de verordening dat de ouders, die in aanmerking  wensen te komen voor bekostiging van de vervoerskosten, voor 1 juni voorafgaande  aan het nieuwe schooljaar een aanvraag bij de gemeente moeten indienen.  </al><al>Deze  datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de  aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het schooljaar  gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in verband met de -  in voorkomend geval - vereiste werkzaamheden van de commissie van onderzoek. </al><al>  Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het  college op grond van artikel 5, vierde lid, voor aanvang van het nieuwe  schooljaar, zijnde uiterlijk 1 september, de tijd een besluit te nemen en aan de  aanvragers af te geven. De aanvraag dient dan wel juist en volledig te zijn  ingevuld en voorzien te zijn van de noodzakelijke bijlagen. </al><al> Voor de termijn  van 1 juni plus acht weken is gekozen om de eventueel te verwachten stormloop  van aanvragen in de zomervakantie te kunnen verwerken. In dit kader wordt erop  gewezen dat gemeenten met ingang van de jaarrekening 2004 geconfronteerd zijn  met een rechtmatigheidoordeel van de accountant. Deze beoordeelt of baten,  lasten en balansmutaties in de jaarrekening in overeenstemming met relevante  wet- en regelgeving tot stand zijn gekomen.  </al><al></al><al>Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de verordening kan het voor  komen dat de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn voor de gemeente.  Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een vakantiepiek, indien  het gevraagde oordeel van de commissie van onderzoek of andere deskundigen  uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke  gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen  (artikel 5, vijfde lid, van de verordening). Uiterlijk een dag voor het  verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende  aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de  verdagingstermijn onvoldoende soelaas biedt, bijvoorbeeld als gevolg van het  uitblijven van het advies van de commissie van onderzoek, is het van belang dat  er toch een beschikking wordt afgegeven. In een dergelijk geval ligt het voor de  hand een beschikking te geven, zonder bijvoorbeeld het advies van de commissie  van onderzoek af te wachten.  Een beschikking treedt niet in werking voordat  deze bekend is gemaakt (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 5  van de verordening zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig  heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Artikel 4:13  van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te  worden gegeven in ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken  geen beschikking heeft gegeven.  Indien bovenstaande termijnen (acht weken en  een eventuele verdaging van vier weken) overschreden worden, dan kunnen de  aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep  instellen. In het onderhavige geval is het bezwaar en beroep niet aan een  termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of  beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is  ingediend (artikel 6:12, derde lid).  </al><al></al><al>Ad 2 Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht weken  </al><al></al><al>In  gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve van het nieuwe schooljaar om  welke reden dan ook niet tijdig voor 1 juni indienen, is het in de meeste  gevallen niet haalbaar de beschikking voor het begin van het nieuwe schooljaar  af te geven. Hetzelfde geldt in het geval de aanvraag - weliswaar ingediend voor  1 juni - onvolledig is of onjuist is ingevuld (tenzij de gecorrigeerde aanvraag  ook voor 1 juni bij de gemeente binnen is).  </al><al></al><al>Wanneer de aanvraag onjuist of  onvolledig is ingevuld, zullen de ouders de aanvraag moeten aanvullen of  corrigeren. In artikel 4:15 van de Awb is bepaald dat de beslistermijn wordt  opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is  aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Is er sprake  van een bovengenoemde situatie dan is artikel 5, vierde lid, van de verordening  van toepassing. Hierin wordt bepaald dat het college binnen acht weken na  ontvangst van het formulier een beslissing neemt, nadat ouders in voorkomend  geval in de gelegenheid zijn gesteld de aanvraag met ontbrekende gegevens aan te  vullen. </al><al></al><al> Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het schooljaar  een aanvraag plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien in de loop  van het schooljaar een leerling van schoolsoort wisselt (bijvoorbeeld van  basisonderwijs naar speciaal onderwijs), of wel dat het kind in de loop van het  jaar verhuist en daardoor een andere gelijksoortige school gaat bezoeken.  In  de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6  maart 1992 (R03.88.7294/83-129; zie Jur. 21.3) staan de gevolgen van een  verhuizing centraal. Ervan uitgaande dat de voormalige woongemeente de ouders  wijst op de noodzaak een aanvraag bij de nieuwe woongemeente in te dienen mag  van de ouders worden verwacht dat zij zonder uitstel - maar uiterlijk binnen een  week na de berichtgeving van de voormalige woongemeente - een aanvraag bij de  nieuwe woongemeente indienen. Bij latere indiening is de nieuwe woongemeente  niet gehouden om de kosten van vervoer in de periode vanaf een week na de  mededeling van de oude woongemeente tot aan de uiteindelijke indiening van de  aanvraag bij de nieuwe woongemeente te bekostigen. </al><al></al><al> Ook ten aanzien van de  aanvraagprocedures geldt echter dat de afwikkelingstermijnen niet haalbaar  kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor geldt dan ook de verdaging van de termijn  met vier weken. Dezelfde criteria en sancties gelden als onder ad 1 zijn  gesteld. </al><al></al><al> Indien op een aanvraag positief is beslist of indien via bezwaar of  beroep een positieve beschikking is afgedwongen, luidt de vraag met ingang van  welke datum de bekostiging wordt verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld  worden dat het college de ingangsdatum van de bekostiging bepaalt. In het geval  een aanvraag voor het nieuwe schooljaar wordt gedaan, zal de ingangsdatum van de  bekostiging in principe samenvallen met de eerste schooldag van het nieuwe  schooljaar (artikel 5, zevende lid, onder b). Hieronder dient dan de werkelijke  start van het schooljaar verstaan te worden en niet de wettelijke aanvangsdatum.  De bekostiging gaat uiteraard pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk  plaatsvindt. </al><al></al><al>Geen bekostiging met terugwerkende kracht </al><al> Indien de aanvraag gedurende  het schooljaar aan het college wordt gericht zal de ingangsdatum van de  bekostiging in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier verzochte  datum van ingang, echter niet voor de datum waarop de aanvraag wordt gedaan  (artikel 5, zevende lid, onder a) (de datum van ontvangst). Het spreekt voor  zich dat de gemeente haar burgers in algemene zin dient te informeren omtrent  eventuele rechten op bekostiging van leerlingenvervoer.  </al><al></al><al>Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag</al><al>  Zoals reeds eerder is  opgemerkt geeft artikel 4:4 van de Awb de gemeente in het algemeen de  bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren voor te schrijven. Artikel  4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop  de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde  termijn ongebruikt is verstreken.  Onder gegevens dient ook te worden  verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken). Te denken valt  hierbij bijvoorbeeld aan een medische verklaring, werkgeversverklaring,  verklaring van de rijksinspecteur der belasting, verklaring van overwegende  bezwaren en eventuele andere bewijsstukken. </al><al> Ouders zijn op grond van artikel  4:2 van de Awb verplicht deze gegevens te overleggen, indien deze gegevens van  belang zijn voor een juiste beoordeling van de aanvraag. Of gegevens  daadwerkelijk van belang zijn voor een juiste beoordeling wordt door het college  bepaald. Uiteraard dient het begrip ‘juist’ redelijk geïnterpreteerd te worden.  Criterium is: gegevens die van invloed zijn op de aanvraag dienen juist en  volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval  is.  Indien het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te  worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de  gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te  bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt  hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de  aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op  grond van artikel 4:5, vierde lid van de Awb, dient in een voorkomend geval aan  de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt  genomen. </al><al> Uit een beschikking van de voorzitter van de Afdeling  Bestuursrechtspraak van de Raad van State (9 november 1989, nr.  R03.89.5831/S6535; zie Jur. 8.1) wordt duidelijk dat gemeenten bij een  afwijzende beschikking zich niet louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel  onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling mede  moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is. De voorzitter  overweegt het volgende: ‘Wij stellen voorop dat, hoewel is gebleken dat het  aanvraagformulier voor de in geding zijnde reiskostenbekostiging onjuist dan wel  onvolledig is ingevuld, de kennelijk bedoeling van verzoeker, gezien de  aanvragen van de voorafgaande jaren, duidelijk is. Derhalve beschouwen wij de  aanvraag als zijnde correct gedaan.’ Bij het in behandeling nemen van aanvragen  zal de gemeente dus moeten letten op de kennelijke bedoeling van de aanvrager  zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is. </al><al></al><al> Verdagen </al><al>  Het vijfde lid van artikel 5 geeft het college de mogelijkheid om de  beslissing op de aanvraag met vier weken te verdagen. Een beslissing van een  bestuursorgaan om een beslissing te verdagen is een beschikking in de zin van de  Awb. Dit betekent onder andere dat het bestuursorgaan een dergelijke beslissing  dient te motiveren (artikel 4:16 van de Awb) en dat de beslissing aan de  belanghebbende bekend gemaakt dient te worden (artikel 3:41 van de Awb).  </al><al></al><al><vet>Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen</vet></al><al></al><al>Lid 1 </al><al> Artikel 6, eerste lid, van de verordening regelt dat ouders  verplicht zijn wijzigingen door te geven aan het college, die van directe  invloed zijn op de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Ouders dienen  dergelijke wijzigingen zonder uitstel mede te delen aan het college.   Gegevens die van invloed kunnen zijn op de bekostiging zijn onder andere:   </al><al>- wijziging van de reistijd, in verband met verandering in bijvoorbeeld het  openbaar vervoer;</al><al>  - wijziging in het woonadres van de leerling, door  bijvoorbeeld verhuizing;  - wijziging van de gezinssamenstelling;   </al><al>- wijziging van het adres van de school;  </al><al>- wijziging van de schooltijden  van de school;</al><al>  - wijziging van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs  naar voortgezet speciaal onderwijs); </al><al> - toekenning van bekostiging op grond  van de Wet WIA , of op grond van andere wet en regelgeving.  </al><al></al><al>Lid 2 </al><al> Indien de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de  verstrekte bekostiging in en verstrekt het college al dan niet opnieuw  bekostiging van de vervoerskosten (artikel 6, tweede lid, van de verordening).  Indien de wijziging geen invloed op de bekostiging heeft, gebeurt dit uiteraard  niet. Wijziging in het inkomen van ouders van leerlingen die een school voor  basisonderwijs of speciale school voor basisonderwijs volgen heeft in principe  geen invloed op de bekostiging van de vervoerskosten voor het desbetreffende  jaar. Indien echter sprake is van een structurele wijziging in het inkomen van  de ouders die voor hen ernstig nadelig is, kan het college vooruitlopend op het  volgende schooljaar de bekostiging aanpassen. Indien het college, zonder hiervan  door de ouders onverwijld op de hoogte te zijn gesteld, zelf wijzigingen  vaststelt die van invloed kunnen zijn op de bekostiging, kan het zijn dat ouders  ten onrechte bekostiging (hebben) ontvangen.</al><al></al><al> Lid 4 </al><al> Artikel 6, vierde lid, van de verordening biedt in dergelijke  situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen  of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging. Ook  in onderhavige gevallen geldt immers dat nadat de wijziging is vastgesteld de  bekostiging kan vervallen en eventueel opnieuw wordt verstrekt. De beslissing  dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt (artikel 3:41 Awb).  </al><al></al><al><vet>Artikel 7 Peildatum leeftijd leerling  </vet></al><al><vet></vet>Aangezien in de verordening  het leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een van de volumebeperkende  middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan niet in aanmerking te komen voor  vervoer onder begeleiding, verdient het aanbeveling een peildatum van de  leeftijd van de leerling te kiezen. Indien de leerling in aanmerking komt voor  openbaar vervoer onder begeleiding en in de verordening is geen peildatum  gekozen, zal in dat schooljaar waarin de leerling de leeftijd van elf jaar  bereikt, tweemaal een beschikking dienen te worden afgegeven, namelijk voor de  periode dat de leerling nog tien jaar is en voor de periode dat de leerling de  leeftijd van elf jaar heeft bereikt. Een dergelijke handelwijze houdt nogal wat  extra administratieve werkzaamheden in.  In de verordening (artikel 7) is dan  ook gekozen voor een peildatum die geldt voor het gehele schooljaar. Gekozen is  voor de peildatum van 1 augustus van het betreffende schooljaar, omdat deze  datum samenvalt met de wettelijke start van het schooljaar. Deze bepaling houdt  in dat indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar tien jaar is,  hij in het kader van de verordening het gehele schooljaar als tien jaar wordt  aangemerkt (ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar elf jaar). Er  hoeft dan ook maar 1 beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven.   </al><al>Ten behoeve van het (voortgezet) speciaal onderwijs is een dergelijke  leeftijdsgrens niet opgenomen. Het recht op leerlingenvervoer staat verder in  geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens. Inschrijving bij een WPO, WEC of  WVO school volstaat.  </al><al></al><al><vet>Artikel 8 Andere vergoedingen</vet></al><al>  Indien kan worden aangetoond dat een  aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de  werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag  de gemeente die vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou  hebben gekregen op basis van de Verordening Leerlingenvervoer. Dat geldt echter  niet voor vergoedingen die worden verstrekt door de IB-groep op basis van de Wet  tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, die ouders van schoolgaande  kinderen in het voortgezet onderwijs kunnen aanvragen. Deze vergoeding is  opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en  is niet puur bestemd voor reiskosten. Deze vergoeding mag daarom niet worden  afgetrokken van de bekostiging leerlingenvervoer.  </al><al></al><al><vet>Artikel 9 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale  school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband</vet>  Dit artikel is  een aanvulling op artikel 3 van de verordening. Voor alle onderwijssoorten geldt  de hoofdregel van artikel 3, eerste lid. Artikel 4 van de WPO bepaalt voor  speciale scholen voor basisonderwijs echter dat het vervoer naar de  dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband dient te worden bekostigd.  Dat zal veelal wel, maar hoeft niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school van  zijn soort te zijn omdat buiten het samenwerkingsverband een dichterbij gelegen  speciale school kan zijn. Deze regeling is door de wetgever getroffen om zo veel  mogelijk opvang binnen het eigen samenwerkingsverband te realiseren. Evenals bij  de regeling voor basisscholen wordt bij het toekennen van een voorziening voor  leerlingenvervoer rekening gehouden met de toegankelijkheid voor de leerling en  de op godsdienst of levensbeschouwing berustende keuze van de ouders. In artikel  9 wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op  grond van artikel 3 van de verordening de dichtstbijzijnde toegankelijke  basisschool. Is dit het geval, dan is artikel 9 van toepassing. Daarnaast geldt  als gevolg van de verwijzing naar artikel 3 van de modelverordening bij  toepassing van onderdeel 2. ook hier het vereiste van schriftelijke instemming  van de ouders. </al><al></al><al><vet>Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg</vet></al><al> In de WPO wordt aan  de permanente commissie leerlingenzorg (pcl) de taak opgedragen om een besluit  te nemen over de toelating van een leerling tot een speciale school voor  basisonderwijs. Het college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor  leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Daarnaast kunnen door het  samenwerkingsverband aan de pcl adviestaken worden opgedragen. Wanneer dat is  gebeurd dient het college het advies van de commissie bij de beoordeling te  betrekken. Omdat het een advies betreft, is het college daaraan echter niet  gebonden. Om de bestuurslast beperkt te houden is bepaald, dat het advies van de  pcl alleen moet worden betrokken, als het college een negatieve beschikking op  de gevraagde voorziening geeft. </al><al></al><al><vet>Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per  fiets  </vet></al><al><vet></vet>Artikel 11, lid 1 van de verordening bepaalt dat de ouders van  leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken in aanmerking kunnen  komen voor bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer dan wel  vervoer per fiets, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor  de leerling toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt. In lid 2 wordt  de afstand voor leerlingen van het speciaal basisonderwijs vastgesteld op 2 km.   Het derde lid van artikel 11 voorziet er in dat een fietsvergoeding wordt  verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan  niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij  dienen in overweging te worden genomen de leeftijd van de leerling, de eventuele  handicap van de leerling, de veiligheid van de af te leggen route en de afstand.  Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor bijvoorbeeld de maanden maart tot  en met  november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor  ander passend vervoer.  </al><al>In artikel 11 van de verordening zijn de  minimumvoorwaarden vastgelegd om ouders aanspraak te kunnen laten maken op  bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij geldt als uitgangspunt: ‘bekostiging  van de kosten van openbaar vervoer dan wel de kosten van het vervoer per fiets’.   </al><al></al><al>Afstandscriterium  </al><al>De artikelen 4 van de WPO en de WEC bepalen dat de  gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op  grond van de afstand. In de modelverordening is deze afstand nader ingevuld door  het stellen van een kilometergrens. Als afstandscriterium wordt in de  modelverordening zes kilometer gehanteerd. In artikel 4, zevende lid, van de WPO  is deze afstand als bovengrens vastgelegd. </al><al> In de uitspraak van 27 december  1989 (R03.88.7309; zie Jur. 1.4) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de  Raad van State duidelijkheid verschaft over de wijze waarop de afstand tussen  school en woning bepaald moet worden. Als er een klein verschil (minder dan  enkele honderden meters) bestaat tussen de meting van de afstand door de ouders  en de gemeente, dan kan niet volstaan worden met het meten van de afstand door  een auto-dagteller. In dit geval dient een methode gebruikt te worden waardoor  de exacte afstand kan worden bepaald, bijvoorbeeld door middel van het gebruik  van een geijkte teller, of een recente versie van een routeplanner of  navigatiesysteem. </al><al> Van belang is tevens dat de Afdeling Bestuursrechtspraak  van de Raad van State in dezelfde uitspraak heeft bepaald dat bij het meten van  de afstand niet mag worden uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg  (’s morgens) en de terugweg (’s middags). Indien de reisafstand op de heenweg  onder de in de verordening gestelde grens ligt doch de reisafstand op de  terugweg daarboven - of omgekeerd - dan ligt het naar het oordeel van de  afdeling veeleer in de rede dat een gedeeltelijke bekostiging - voor alleen de  heen- dan wel de terugreis - wordt verstrekt. </al><al> Een combinatie van  afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van de wet niet mogelijk  (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4, zevende en achtste  lid, van de WEC). Met andere woorden: een voor de hand liggend onderscheid in  afstand voor jongere en oudere kinderen is niet mogelijk.  </al><al></al><al>Het drempelbedrag en het draagkrachtbeginsel  </al><al>Voor het vervoer van  leerlingen naar scholen voor basisonderwijs heeft de gemeente naast de  vaststelling van een afstandsgrens en leeftijdsgrens nog twee andere  volumebeperkende maatregelen ter beschikking ter regulering van de  vervoerskosten, namelijk een drempelbedrag en het toepassen van het  draagkrachtbeginsel.  </al><al></al><al>Leerlingenvervoer naar dislocaties/nevenvestigingen </al><al> Artikel 11 e.v. en  artikel 15 e.v. van de modelverordening bepalen dat het college bekostiging  verstrekt in de kosten van leerlingenvervoer, indien de afstand van de woning  van de leerling naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school  voor basisonderwijs meer dan 6 km, een speciale school voor basisonderwijs meer  dan 2 km  of (voortgezet) speciaal onderwijs meer dan twee kilometer bedraagt.  </al><al> Indien de school die de leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst  de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school  in de zin van de modelverordening leerlingenvervoer dienen te worden beschouwd.  Deze vraag zal zich in de praktijk vaker voordoen door met name de  schaalvergrotingsoperatie (T en B) in het basisonderwijs. Door deze operatie is  het aantal dislocaties toegenomen en zijn zelfstandige scholen omgevormd tot  nevenvestigingen.  Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan  aansluiting worden gezocht bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiele  instandhouding in het primair onderwijs, alsmede bij artikel 2, eerste lid,  artikel 11 en artikel 15, eerste lid van de modelverordening leerlingenvervoer.  Als uitgangspunt geldt dan dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt  bezocht als school kan worden beschouwd in de zin van de verordening.  </al><al></al><al>Concreet gaat het om de volgende situaties:  </al><al>1 Nevenvestiging in het  basisonderwijs. </al><al> Een nevenvestiging wordt in termen van de WPO (artikel 1)  beschouwd als een deel van de school op de plaats waar voor de vorming van de  nevenvestiging een zelfstandige school functioneerde. De eigen wettelijke  positie van een nevenvestiging komt onder andere tot uiting in een afzonderlijke  normstelling voor de instandhouding, in een afzonderlijke regeling voor de  rijksbekostiging van de huisvesting (los van de plaatsingscapaciteit van de  hoofdvestiging) en in de verplichting om voor de nevenvestiging een  afzonderlijke leerlingadministratie bij te houden.  Gelet op het voorgaande  uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien, ligt het voor de hand een  nevenvestiging als een school in de zin van de verordening te beschouwen.  </al><al></al><al>2 Dislocaties in het primair onderwijs.</al><al>  Een dislocatie kan, gelet op het  hiervoor genoemde uitgangspunt, eveneens als een school in de zin van de  verordening worden beschouwd.  </al><al></al><al>3 Bekostiging.  </al><al>Het college verstrekt bekostiging indien de leerling de  dichtstbijzijnde toegankelijke onderwijslocatie bezoekt, indien uiteraard aan de  criteria van de verordening op het gebied van richting en kilometergrens wordt  voldaan. Met een onderwijslocatie wordt zowel de hoofdvestiging als een  nevenvestiging of dislocatie bedoeld.  Hieruit vloeit bijvoorbeeld voort dat  indien een leerling een dislocatie bezoekt die minder ver van de woning is  gelegen dan de kilometergrens van artikel 11 respectievelijk artikel 15 van de  verordening, het college niet gehouden is bekostiging te verstrekken voor de  kosten van het leerlingenvervoer. Dit gaat ook niet op indien de hoofdvestiging  van de school zich wel verder weg van de woning bevindt dan de kilometergrens.   Anderzijds is het college gehouden bekostiging van de kosten van  leerlingenvervoer te verstrekken indien de dichtstbijgelegen onderwijslocatie  van de gewenste soort en richting een nevenvestiging is die verder weg van de  woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11 respectievelijk artikel  15, terwijl de hoofdvestiging binnen deze kilometergrens is gelegen.  </al><al></al><al>4 Toegankelijkheid.  </al><al>De bekostigingsplicht van het college tot de  dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school kan van specifiek belang  zijn indien de leerling een school bezoekt met een nevenvestiging of een  dislocatie.  Indien een school een nevenvestiging of dislocatie heeft, kan  het bevoegd gezag bij de inrichting van het onderwijs bepalen dat de  hoofdvestiging en de nevenvestiging/dislocatie niet elk een volledig  onderwijscurriculum verzorgen. Indien bijvoorbeeld de dichtstbij gelegen is deze  locatie voor een leerling uit de bovenbouw niet toegankelijk en wordt de verder  gelegen dislocatie of hoofdvestiging met onderwijs voor de bovenbouw als  dichtstbijzijnde onderwijslocatie aangemerkt. Indien aan de overige voorwaarden  wordt voldaan, bekostigt het college het vervoer daarheen.  </al><al></al><al>Verbouwing van de  school </al><al> Indien een school verbouwd wordt en leerlingen op een andere locatie  opgevangen worden, dan is het niet automatisch zo dat de gemeente alle  leerlingen naar die locatie vervoert. Per leerling moet de Verordening  Leerlingenvervoer van de gemeente waar het kind woont worden toegepast. Voor  leerlingen die al in het leerlingenvervoer zitten, geldt artikel 6 van de  verordening (doorgeven van wijzigingen). Het college gaat dan opnieuw kijken of  er aanspraak bestaat op leerlingenvervoer.  Voor leerlingen die niet in het  leerlingenvervoer zitten, moet een aanvraag worden ingediend. De gemeente gaat  deze aanvraag toetsen. Hierbij wordt (onder meer) gekeken of wordt voldaan aan  de afstandsgrens en of het om de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de  soort en de richting gaat. Maken ouders geen aanspraak op leerlingenvervoer, dan  moeten zij samen met de school bekijken hoe de eventuele extra vervoerskosten  worden opgevangen. Vaak regelen scholen vervoer tussen de oude en nieuwe  locatie.  </al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 12 Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een  begeleider</vet></al><al>  In een aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling  niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan  geen andere ‘oudere’ leerlingen zijn die de leerling kunnen begeleiden, is deze  begeleiding een verantwoordelijkheid van de ouders. In artikel 12 van de  modelverordening is daaromtrent een regeling getroffen.  </al><al>Uit artikel 12  blijkt: </al><al> - dat de afstand van de woning naar de school voor basisonderwijs  dan wel de school voor speciaal basisonderwijs meer dan zes, resp. 2  kilometer  moet zijn om voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van een  begeleider in aanmerking te komen;  </al><al>- dat begeleiding slechts wordt bekostigd  aan de ouders, indien de leerling jonger dan elf jaar is. Met andere woorden: de  regeling gaat ervan uit dat een leerling van elf jaar en ouder in principe  zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Is dat in een  incidenteel geval niet zo, dan kan op grond van artikel 29 van de verordening  een uitzondering hierop gemaakt worden.  </al><al>- In dit verband is artikel 7 van de  verordening van belang. Indien de leerling op 1 augustus van het schooljaar tien  jaar is, geldt voor het hele schooljaar dat de leerling als tien jaar wordt  aangemerkt ook al wordt de leerling in de loop van het schooljaar elf jaar;  </al><al> - dat door de ouders genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling niet  in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.  - Hiervan  kan onder andere sprake zijn indien:  </al><al>o de leerling te jong is om zelfstandig  van het openbaar vervoer gebruik te maken;</al><al>  o de leerling gedurende de rit  met het openbaar vervoer een of meerdere malen moet overstappen op gevaarlijke  overstappunten en hij, gezien zijn leeftijd, te jong hiervoor is;  </al><al>o de route  van het uitstappunt van de bus naar de school gevaarlijke punten kent (en  oplossing daarvan door bijvoorbeeld verkeersbrigadiers niet mogelijk is). </al><al>  Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als mogelijk ondersteund te worden  door eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar  vervoer, psychologische verklaringen en medische verklaringen. In een aantal  gevallen kan het voorkomen dat het bewijs moeilijk te geven is. In die gevallen  dient de situatie zorgvuldig beoordeeld te worden door het college. Het college  bepaalt immers of inderdaad aangetoond wordt of zelfstandig vervoer van de  leerling niet mogelijk is.  Wie uiteindelijk als begeleider zal fungeren is  in principe niet van belang. Ongeacht wie de leerling begeleidt, vindt de  bekostiging van de kosten plaats aan de ouders van de leerling. Indien een  begeleider (al dan niet een ouder) meer dan één leerling tegelijk begeleidt,  geldt slechts bekostiging als ware er sprake van de begeleiding van één  leerling. Met andere woorden, indien bijvoorbeeld een ouder drie leerlingen  begeleidt met het openbaar vervoer, kan het niet zo zijn dat de bekostiging van  de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van de begeleider drie maal  plaatsvindt. Artikel 12, tweede lid, van de verordening bepaalt dan ook dat de  kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor bekostiging in  aanmerking komen.  In de uitspraak van 19 maart 1992 (nr. R03.89.6924/106)  van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het om de vraag  in hoeverre leerlingen zelf kunnen voorzien in de begeleiding van andere  (jongere) leerlingen. In aanscherping op de algemene lijn die de afdeling hierin  volgt, geeft de afdeling aan dat weliswaar leerlingen van elf jaar en ouder  enige begeleiding voor hun rekening kunnen nemen, maar dat van een elfjarig kind  niet kan worden verwacht dat het zelfstandig twee of meer jongere kinderen door  moeilijke verkeerssituaties kan loodsen.  </al><al></al><al><vet>Artikel 13 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</vet></al><al>  Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van de  leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor  basisonderwijs bezoekt, dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te  worden verleend. Deze uitzonderingen zijn in artikel 13 van de verordening  vastgelegd. </al><al> In veel gevallen zal het voorkomen dat het college het aangepast  vervoer zelf organiseert. Het drempelbedrag en de bijdrage op grond van de  draagkracht zullen dan door de ouders aan het college betaald moeten worden, in  feite in ruil voor het aangeboden vervoer. Overigens geldt met name voor  aangepast vervoer dat regionale samenwerking met andere gemeenten tot  belangrijke besparingen kan leiden. </al><al> De gemeente Kerkrade heeft samen met de  gemeente Landgraaf het leerlingenvervoer aanbesteed, welk sinds 1 januari 2006  gezamenlijk wordt uitgevoerd.  </al><al></al><al>Onderdeel a. Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur   </al><al></al><al>Indien de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan  anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder  van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt bekostiging  op basis van de kosten van aangepast vervoer verstrekt.  Overigens is het  niet zo dat de ouders, indien zij op basis van het criterium reistijd aanspraak  op bekostiging van aangepast vervoer maken, van het college kunnen eisen dat de  totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht (in het  geval dat het college het vervoer zelf organiseert). </al><al> Indien een schoolbusje  meer leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium overschreden worden. Slechts  van belang is dat via individuele meting de conclusie wordt getrokken, dat de  totale reisduur van die leerling met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur  bedraagt en deze met het aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per  openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Is hiervan sprake dan kunnen ouders  aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer. </al><al>  De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak  van 17 februari 1990 (nr. R03.89.5769/SP274; zie Jur. 4.2) uitgesproken dat bij  de reistijd vijf minuten wachttijd bij de bushalte per rit opgeteld moet worden.  Op grond van de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van  State van 5 oktober 1990 (R03.90.6236/86538) alsmede van 10 december 1992  (S03.92.3655.67; zie Jur. 4.4) kan voor de berekening van de reistijd per taxi  tweemaal vijf minuten worden bijgeteld. Discussie over de exacte reistijd per  openbaar vervoer kan volgens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak  van de Raad van State van 6 oktober 1992 (S03.92.3174; zie Jur. 4.1) worden  vermeden door uit te gaan van de desbetreffende dienstregelingen.  </al><al>In de  modelverordening is een reistijdcriterium opgenomen van anderhalf uur. Over een  maximale reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer stelt de Afdeling  Bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken R03.88.5039, R03.88.6089  en R03.88.6566) geen grond te zien voor het oordeel dat dit op zichzelf in  strijd is met artikel 4 van de WBO (nu WPO). Niet aannemelijk is, dat bij het  ontbreken van de mogelijkheid om bekostiging te krijgen op basis van de kosten  van aangepast vervoer, bij een reisduur tot anderhalf uur de vrijheid van ouders  om voor hun kinderen een openbare dan wel een bijzondere school van de door hen  gewenste richting te kiezen, in onaanvaardbare mate onder druk kan komen te  staan van financiële hindernissen.  </al><al>Dit neemt echter niet weg, dat van  vervoerders mag worden verwacht dat indien de omstandigheden daartoe aanleiding  geven, zij onderzoeken of onverkort aan de in artikel 13, onder a, van de  verordening weergegeven reistijd dient te worden vastgehouden. De  hardheidsclausule in de gemeentelijke verordening biedt daartoe uitdrukkelijk de  mogelijkheid.  In een aantal gevallen kan het voorkomen dat bijvoorbeeld ten  aanzien van de heenreis (woning-school) wel voldaan wordt aan het criterium van  de reistijd, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is. Dit kan het geval  zijn indien bijvoorbeeld op de heenreis een stopbus en op de terugreis een  snelbus is ingezet, of indien de heenreis qua tijd niet aansluit bij de aanvang  van de school, maar dat dit bij de terugreis wel het geval is. In dergelijke  gevallen dient het college te besluiten, dat er bekostiging wordt verstrekt wat  betreft de heenreis, op basis van aangepast vervoer, en voor wat betreft de  terugreis op basis van openbaar vervoer. </al><al> Ook kan het met name bij lange  afstanden zinvol zijn om combinatie van vervoer te overwegen. De leerling zou in  zo’n geval gebruik kunnen maken van aangepast vervoer (dat ook wordt ingezet  voor andere leerlingen) tot een centraal eindpunt, en vervolgens gebruik kunnen  maken van het openbaar vervoer om op de plaats van bestemming te komen. Een vorm  van combinatievervoer kan zijn dat de leerling eerst met de bus naar het station  gaat en vervolgens de trein neemt.  Een ander voorbeeld kan zijn dat de  schoolbus enkele centrale opstapplaatsen (zie artikel 1, onder l) kent.</al><al>  In  de uitspraak van 26 februari 1992 (R03.89.0419/83-107; zie Jur. 3.5) geeft de  Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State enige richtlijnen met  betrekking tot centrale opstapplaatsen (buurtbussen). Hierbij dienen de  leerlingen van huis naar een opstapplaats te lopen/fietsen/worden gebracht.  Indien hiermee een reistijd is gemoeid van ten hoogste dertig minuten, en indien  de vertrektijden van de bus zodanig zijn afgestemd op de aanvangs- en eindtijden  van de lessen dat er niet of nauwelijks sprake is van wachttijden, is deze  constructie in beginsel alleszins redelijk te noemen, volgens de afdeling.  Wanneer de leerling gelet op zijn leeftijd begeleiding behoeft bij het vervoer  van huis naar de opstapplaats, acht de afdeling het reëel dat de ouders zelf  voor de begeleiding zorg dragen. Hierbij dient te worden aangetekend dat in de  onderhavige casus de leerlingen die dichterbij de school woonden dan de  kilometergrens van vier kilometer gewend waren om in zijn algemeenheid  vergelijkbare afstanden af te leggen naar reguliere bushalten, aldus de  afdeling.  </al><al></al><al>Onderdeel b. Openbaar vervoer ontbreekt</al><al>  In een aantal gemeenten komt het  voor dat openbaar vervoer geheel ontbreekt of zo weinig frequent rijdt dat  leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van woning naar  school of vice versa. In principe kunnen de ouders dan aanspraak maken op  bekostiging op basis van aangepast vervoer. Hierbij kan het college de volgende  mogelijkheden overwegen:  </al><al>- is een combinatie van vervoer haalbaar;  </al><al>- de  vervoersonderneming kan verzocht worden om wijzigingen aan te brengen in de  dienstregeling of de mate van het openbaar vervoer, waardoor van deze  vervoervorm gebruik kan worden gemaakt voor het reizen van en naar de school;  </al><al> - het bevoegd gezag van de school kan verzocht worden de schooltijden af te  stemmen op de vervoertijden; </al><al> - contact kan worden opgenomen met de  rijksverkeersinspectie in het betreffende gebied; deze kan eventueel een  adviserende en bemiddelende rol spelen;  </al><al>- tevens kan nog bezien worden of  het mogelijk is andersoortig vervoer te organiseren tegen de kosten van openbaar  vervoer.  Als echter blijkt dat voorgaande en eventuele andere mogelijkheden  niet uitvoerbaar zijn, dan kan het college bekostiging verstrekken op basis van  de kosten van aangepast vervoer (of de leerling gebruik laten maken van het door  de gemeente verzorgde vervoer).  Overigens biedt artikel 13, onder lid 2, van  de verordening het college de mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in  staat mag worden geacht met de fiets naar school te gaan. Hierbij spelen de  volgende overwegingen een belangrijke rol:  </al><al>- is de leerling zelfstandig  genoeg om met de fiets naar school te gaan; </al><al> - is de route die de leerling af  moet leggen, veilig met de fiets af te leggen. Is dat het geval, dan vindt een  fietsbekostiging plaats (zie ook de toelichting op artikel 12).  </al><al>In de  uitspraak van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van  State van 4 februari 1988 (R03.87.7225/S6761) staat dat een bepaling in de  gemeentelijke verordening, die inhoudt dat alleen dan bekostiging wordt verleend  op basis van de kosten van aangepast vervoer indien openbaar vervoer ontbreekt,  in strijd is met de wet. Ook op andere gronden dan het ontbreken van openbaar  vervoer kan voor ouders aanspraak bestaan op bekostiging op basis van de kosten  van aangepast vervoer. Een zodanig geval kan zich voordoen indien de reistijd  die met het gebruik van het openbaar vervoer is gemoeid excessief lang is en het  alternatief van aangepast vervoer niet.  </al><al></al><al>Begeleiding door ouders  </al><al>Begeleiding is primair een taak van de ouders.  Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Die kan  gevonden worden door bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of anderen in te  schakelen. In noodsituaties kunnen ouders een beroep doen op de  hardheidsclausule (artikel 29 van de modelverordening). Daarbij dient rekening  te worden gehouden met de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de  Raad van State over dit onderwerp. </al><al> In de uitspraak van de Afdeling  Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 februari 1992  (R03.90.1688/62-120) staat centraal dat de aanvragende ouders aangepast vervoer  eisen, aangezien zij zichzelf niet in staat achten in de begeleiding van hun  kinderen in het openbaar vervoer te voorzien. Zij motiveren deze onmogelijkheid  naar het oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak niet voldoende. De afdeling  spreekt hierover uit dat het aan de ouders is voldoende aannemelijk te maken dat  het hun onmogelijk is hun kind te begeleiden. In dit concrete geval eist de  afdeling, gezien de cursus die de moeder volgt, lesroosters of andersoortige  verklaringen waaruit de onmogelijkheid tot begeleiden blijkt. Voorts dienen de  ouders volgens de afdeling aan te tonen dat hun kind niet (gedeeltelijk) door  anderen kan worden begeleid. </al><al> De uitspraak van de Afdeling  Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 december 1988  (R03.88.5983/S649265-29; zie Jur. 3.4) inzake het beroep van ouders tegen de  afwijzende beschikking van een gemeente om aangepast vervoer toe te staan gaat  verder op deze zaak in. De ouders stellen dat het begeleiden van hun zoon tot  gevolg heeft dat zijn negenjarig zusje tweeëneenhalf tot vier uur per dag, mede  door haar afwijkende schooltijden, zonder opvang moet doorbrengen. Opvang elders  is volgens de ouders niet mogelijk. De afdeling concludeert dat verzoeker  voorshands niet overtuigend heeft aangetoond dat de begeleiding van zijn zoon -  bijvoorbeeld door in onderling overleg met de ouders van medeleerlingen  beurtelings de kinderen naar en van school brengen - niet op een andere minder  bezwaarlijke wijze zou kunnen plaatsvinden.  </al><al>Een soortgelijke uitspraak heeft  de afdeling gedaan in een geschil waarin ouders stellen dat begeleiding door de  ouders de gezinnen voor grote problemen stelt, onder meer omdat een aantal van  hen thuis nog niet-schoolgaande kinderen heeft, die eveneens aandacht en  verzorging behoeven. De afdeling stelt in haar uitspraak d.d. 25 april 1989  (R0.3.87.3373) dat niet aannemelijk is gemaakt dat het voor appellanten  onmogelijk is een zodanige regeling te treffen dat gedurende de afwezigheid van  degenen die zorg dragen voor de begeleiding van de schoolkinderen door anderen  op de jongere kinderen wordt gepast.  Uit de uitspraak van de Voorzitter van  de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 mei 1992  (R03.89.7315/P01) inzake de begeleiding door ouders blijkt het volgende.  Appellant is van mening, dat aanspraak bestaat op aangepast vervoer in plaats  van openbaar vervoer, omdat onder meer de begeleiding van haar kind in het  openbaar vervoer tot een onaanvaardbare belasting van het gezin leidt, aangezien  enerzijds haar tweede kind telkens mee moet reizen bij gebrek aan een oppas en  anderzijds de reistijd voor de begeleider onaanvaardbaar lang is. De Voorzitter  bepaalt dat, hoewel niet kan worden ontkend dat bij gebruik van het openbaar  vervoer de begeleiding van het kind veel tijd vergt, niet aangetoond is dat  begeleiding van haar kind tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden.  Daarbij is in aanmerking genomen dat de ouder van de gemeente bekostiging ten  behoeve van begeleiding is verstrekt, zodat zij haar kind niet zelf hoeft te  begeleiden, maar hem kan laten begeleiden. Bovendien zou de ouder gedurende de  tijd dat zij haar zoon naar en van school begeleidt haar tweede kind onder de  hoede van een oppas kunnen stellen.  </al><al>Uit deze uitspraken blijkt onder meer  dat de verklaring van de ouders, dat er thuis kinderen zijn die verzorging  behoeven, en er daarom geen sprake kan zijn van begeleiding door de ouders op  zich niet voldoende is. Van ouders wordt in dit soort gevallen verwacht, dat zij  zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen en in  voorkomend geval aantonen dat die mogelijkheid niet aanwezig is. In feite zal de  gemeente moeten afwegen wat van ouders, die in aanmerking komen voor bekostiging  van het leerlingenvervoer, meer gevraagd wordt ten aanzien van de begeleiding  van hun kinderen dan van ouders die niet voor die bekostiging in aanmerking  komen.  </al><al>Een voorbeeld: ouder A woont op vijf kilometer van de school en ouder  B op zeven kilometer, de gemeente hanteert een afstandscriterium van zes  kilometer. Beide ouders hebben thuis een kind dat verzorging behoeft. Wanneer  ouder B, die in aanmerking komt voor leerlingenvervoer, zou mededelen zijn kind  niet te kunnen begeleiden in verband met de gezinssituatie dan doet zich de  vraag voor of, op grond van het feit dat er sprake is van een verschil in  afstand van twee kilometer, van ouder A wel en van ouder B niet verwacht kan  worden dat hij zijn kind zelf begeleidt, dan wel een andere oplossing zoekt.  </al><al></al><al><vet>Artikel 14 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</vet>   Artikel 14 van de verordening geeft nadere regels omtrent de bekostiging van  het eigen vervoer. Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen zelf  naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto,  bromfiets etc.), of een leerling die gebruikmaakt van fietsvervoer. </al><al> Of van  bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van het  college. Een belangrijke maatstaf hierbij kan zijn dat dit vervoer voor de  gemeente een goedkopere wijze van vervoer is. Hiervan is bijvoorbeeld geen  sprake indien voor de desbetreffende leerling nog plaats is in een aangepast  vervoermiddel (busje, taxi) waarmee de leerling anders zou kunnen reizen. Ook  kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de leerling meespelen bij de beoordeling  van het college of de leerling zelf gebruik kan maken van het vervoer per fiets.  </al><al> De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar  de ouders in principe op basis van de bepalingen in de modelverordening voor in  aanmerking komen: </al><al> a. voor openbaar vervoer;  </al><al>b. voor aangepast vervoer.  </al><al></al><al>Ad a Openbaar vervoer  </al><al>Indien ouders aanspraak maken op bekostiging op  basis van de kosten van openbaar vervoer en zij vervoeren de leerling met  toestemming van het college zelf, dan keert het college bekostiging uit op basis  van het openbaar vervoer. </al><al></al><al>Voorbeeld:  </al><al>Afstand woning-school is acht kilometer. Ouders komen in  aanmerking voor bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer maar  vervoeren de leerling zelf, met toestemming van het college. Het college dient  nu na te gaan wat voor deze afstand betaald zou moeten worden, indien de  leerling gebruik zou maken van het openbaar vervoer. Ook hiervoor geldt dat het  college het meest goedkope tarief als uitgangspunt mag nemen. Vervolgens past  het college het eigenbijdrage principe toe. De vraag, wat het openbaar vervoer  per kilometer kost, is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden en is mede  afhankelijk van het Vervoersplan en de bepalingen omtrent de zone-indeling die  gelden voor die specifieke gemeente. Nadere informatie hierover bij de  plaatselijke of regionale vervoersondernemingen is daarom noodzakelijk.  </al><al></al><al>Ad b </al><al>Aangepast vervoer  Indien ouders in aanmerking komen voor bekostiging  op basis van de kosten van aangepast vervoer en zij met toestemming van het  college de leerling zelf vervoeren, geldt een vergoeding per kilometer. De  kilometervergoeding is gebaseerd op Reisbesluit binnenland (Stb. 1993, 144) en  de Reisregeling binnenland (Stcrt. van 22 maart 1993). In artikel 14, tweede tot  en met vijfde lid en artikel 19, tweede tot en met vijfde lid van de Verordening  Leerlingenvervoer is bepaald dat onder omstandigheden bekostiging aan ouders  wordt verstrekt die bestaat uit een bedrag op basis van een kilometervergoeding  afgeleid van de Reisregeling binnenland. De kilometervergoeding betreft  enkelvoudige reizen. Dit betekent dat indien het kind per auto vervoerd wordt,  in principe aanspraak bestaat op vier maal de afstand woning-school. Indien de  gemeente echter de volledige kilometervergoeding op basis van de Reisregeling  binnenland hanteert, maken ouders aanspraak op twee maal de afstand  woning-school (de reis van de leerling).</al><al>  Geen bekostiging wordt verstrekt  voor de kosten die ontstaan indien de leerling ook tussen de middag wordt  vervoerd.  Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast  vervoer behoeven, mag uitgegaan worden van de rijafstand uitgaande van de woning  van de te vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd woont.   In artikel 14, derde lid, van de verordening is bepaald, dat ouders  aanspraak maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding, indien zij  meer dan 1 leerling tegelijk vervoeren en daarvoor van het college toestemming  hebben gekregen. Dit is ook het geval indien ouders in principe slechts  aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer.  Indien ouders bijvoorbeeld zes kinderen met een eigen busje vervoeren, kan het  college bij wijze van uitzondering op grond van de hardheidsclausule een andere  bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer  per leerling.</al><al>  Ook in een dergelijk geval is toestemming van het college  noodzakelijk. Hierbij zal uiteraard rekening gehouden moeten worden met de  kosten die daarmee gepaard gaan.  Ten slotte bepaalt artikel 14, vijfde lid,  van de verordening dat het college bekostiging verstrekt op basis van het aantal  kilometers fietsvervoer, indien de leerling gebruik maakt van het vervoer per  fiets. Hiervan kan sprake zijn:  </al><al>a. indien het college van oordeel is dat de  leerling hiertoe in staat mag worden geacht als openbaar vervoer ontbreekt;  </al><al> b. indien de ouders van de leerling dit wensen, bijvoorbeeld in het kader  van de bevordering van de zelfredzaamheid, en het college hiervoor toestemming  geeft.  </al><al></al><al><vet>Artikel 15 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per  fiets</vet></al><al></al><al> Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet)  speciaal onderwijs geldt evenals voor het vervoer van leerlingen naar scholen  voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt:  bekostiging van de kosten van openbaar vervoer. Indien het college van oordeel  is, eventueel na de commissie voor de begeleiding en andere deskundigen gehoord  te hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk is, kan een andere  wijze van vervoer voor bekostiging in aanmerking gebracht worden, namelijk: </al><al>  - openbaar vervoer onder begeleiding; </al><al> - aangepast vervoer al dan niet  verzorgd door het college; </al><al> - eigen vervoer; </al><al> - een combinatie van  bovenstaande vervoersmogelijkheden.  </al><al>In de verordening is voor het (speciaal)  onderwijs één afstandsgrens opgenomen, namelijk twee kilometer. Hierbij dient  echter rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 20 van de  verordening. Dit artikel bepaalt dat als de afstand naar de school minder  bedraagt dan twee kilometer, toch aangepast vervoer moet worden verstrekt indien  de handicap van de leerling dat vereist. </al><al> Analoog aan de regeling voor de  bekostiging van het vervoer naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen  voor basisonderwijs geldt ook ten aanzien van de bekostiging van het vervoer  naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs dat het college de voor de  gemeente goedkoopst mogelijke wijze van vervoer bekostigt (dit kan bijvoorbeeld  zijn een strippenkaart, een jaarabonnement of een maandabonnement of een  kilometervergoeding voor de (brom)fiets). </al><al> Het college kan op grond van het  tweede lid bepalen dat bekostiging voor de fiets wordt verstrekt. Het college  moet dan van oordeel zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding,  gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij dient in overweging worden  genomen: de leeftijd van de leerling, de eventuele handicap van de leerling, de  veiligheid van de af te leggen route en de afstand. Ook is het mogelijk een  fietsvergoeding voor bijvoorbeeld de maanden maart tot november te verstrekken  en voor de overige maanden bekostiging voor ander passend vervoer.  </al><al></al><al><vet>Artikel 15a Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school  cluster 4</vet></al><al> Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.  </al><al></al><al><vet>Artikel 16 Commissie voor de begeleiding  </vet></al><al><vet></vet>Het college kan advies  inwinnen bij de commissie voor de begeleiding en/of de ambulante begeleider van  een leerling. Als zij niet op de hoogte zijn van de gesteldheid van de leerling  waarvoor een aanvraag is binnengekomen, kan advies worden ingewonnen bij de  schooldirecteur. Deze moet een gemotiveerd advies geven.  </al><al>Als nadeel van een  keuze voor de directeur/commissie voor de begeleiding als adviserend orgaan  geldt de veel gehoorde klacht, dat hun adviezen nogal eens subjectief van aard  kunnen zijn. Zij zijn immers verbonden aan de ontvangende school en er kunnen  dan bepaalde belangen zijn bij het aannemen van het kind op de desbetreffende  school. Het is in dat kader van belang dat het college een gemotiveerd advies  vraagt van de directeur/commissie voor de begeleiding. Voorts is in de  verordening gekozen voor de mogelijkheid om ook andere deskundigen te  raadplegen.  Van de mogelijkheid dat het college het advies van andere  deskundigen in kan winnen, kan gebruik worden gemaakt indien bijvoorbeeld het  oordeel van het college afwijkt van het advies van genoemde commissies, of in  geval de bijzondere handicap van de leerling dit vraagt. Andere deskundigen zijn  bijvoorbeeld medische specialisten, een orthopedagoog, de huisarts van de  leerling, een kinderpsycholoog, en dergelijke. </al><al> In een dergelijk geval kan de  gemeenteraad als alternatief een onafhankelijke commissie van advies instellen,  al dan niet in samenwerking met andere gemeenten. Op deze wijze kan een  onafhankelijk advies verkregen worden; de commissie van advies is immers niet  gekoppeld aan een bepaalde school. De eventuele kosten verbonden aan een  onafhankelijke commissie van advies zullen dan wel door de (samenwerkende)  gemeenten betaald moeten worden. </al><al> Er kan ook worden gekozen voor advisering  door een schoolartsendienst of geneeskundige dienst. De kosten verbonden aan de  adviezen van een schoolartsendienst of geneeskundige dienst, zullen veelal lager  zijn dan de kosten verbonden aan een apart ingestelde onafhankelijke commissie.  Deze kosten zullen echter ook voor rekening van de gemeente komen.  Wanneer  advies nodig is over deelaspecten van het vervoer - bijvoorbeeld ‘veilige route’  -, dan kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein van het  desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de (verkeers)politie. Ook  voor deze deskundigen geldt dat zij een onafhankelijke positie innemen.  </al><al></al><al>Advisering bij negatieve beschikking  </al><al>Om de bestuurslast beperkt te  houden, is bepaald dat alleen in het geval het college een negatieve beschikking  op de gevraagde voorziening geeft, het advies van genoemde commissies daarbij  moet worden betrokken. Indien het voor een gemeente duidelijk is dat het  aangevraagde vervoer voor de leerling passend is (bijvoorbeeld omdat het een  herhalingsaanvraag betreft of omdat de handicap dat vervoer noodzakelijk maakt),  behoeft het advies niet te worden gevraagd. Uiteraard laat deze bepaling  onverlet dat het advies van genoemde commissies ook gevraagd kan worden indien  de gemeente dit wenselijk vindt.  Volgens de verordening vindt advisering  plaats indien het college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening  geeft. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om:  </al><al>- advisering aan het college over  de vraag of een leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs  bezoekt, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per  fiets (artikel 15, tweede lid);  - advisering aan het college over de vraag  of een leerling, die een school voor speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet  zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer in verband met zijn  verstandelijke of lichamelijke handicap of leeftijd, waardoor vervoer onder  begeleiding noodzakelijk is (artikel 17, eerste lid, van de modelverordening);  </al><al> - advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school  voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn verstandelijke of  lichamelijke handicap al dan niet in staat is  - ook niet onder begeleiding - van  het openbaar vervoer gebruik te maken, waardoor aangepast vervoer noodzakelijk  is (artikel 18, eerste lid, onder a, van de verordening); </al><al> - advisering aan  het college over de vraag of een leerling, die een school voor (voortgezet)  speciaal onderwijs bezoekt, waarvan de afstand van de woning van de leerling  naar de te bezoeken school minder bedraagt dan de in de verordening aangegeven  minimum km-grenzen, niet in staat is, gezien zijn lichamelijke handicap, die  school zonder aangepast vervoer te bereiken (artikel 20 van de  modelverordening);  </al><al>- advisering aan het college over de vraag of een  leerling, die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik  kan maken van de (brom)fiets, indien openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18,  eerste lid, onder c, van de verordening);  - advisering aan het college  indien het college wil afwijken van de bepalingen zoals die omschreven zijn in  titel 3 van de verordening. </al><al> In de verordening hebben de commissies slechts  adviserende taken als het gestel van de leerling betreft (verstandelijk of  lichamelijk). De commissies hebben geen adviserende taak indien het betreft: </al><al>  a. de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar vervoer  door middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of minder  (artikel 18, onder b, van de verordening);</al><al>  b. de vraag of openbaar vervoer  ontbreekt (artikel 18, onder c, van de verordening). </al><al> Het spreekt voor zich  dat de commissies het gemotiveerde advies aan het college uitbrengen binnen een  door het college te stellen termijn. Deze commissies zijn een externe adviseur  in de zin van artikel 3:5 van de Awb. Dit houdt in dat de algemene regels die in  afdeling 3:3 van de Awb zijn gegeven van toepassing zijn. Dit betekent onder  andere dat het bestuursorgaan de adviseur een termijn kan stellen waarbinnen het  advies wordt verwacht, en dat in of bij het besluit vermeld dient te worden wie  de adviseur is die het advies heeft uitgebracht.  </al><al></al><al><vet>Artikel 17 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van  een begeleider  </vet></al><al><vet></vet>Indien ouders van een leerling op grond van artikel 15  van de verordening in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten  van openbaar vervoer, en het college van oordeel is dat de leerling niet  zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, komen de  ouders tevens in aanmerking voor bekostiging van  het openbaar vervoer ten  behoeve van een begeleider (artikel 17 van de verordening). Uit artikel 17  blijkt dat: </al><al> a. de leerling een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs  moet bezoeken die is aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school,  en de afstand van de woning naar de school voor speciaal onderwijs moet meer dan  twee kilometer bedragen;  </al><al>b. de begeleiding slechts wordt bekostigd indien  door de ouders genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling door zijn  lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap dan wel door zijn leeftijd  niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te  maken.  Hiervan kan onder andere sprake zijn: </al><al> - indien de handicap dan  wel de leeftijd van de leerling begeleiding noodzakelijk maakt;  </al><al>- indien de  leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere malen over  moet stappen op te gevaarlijke overstappunten en dit gezien de leeftijd van de  leerling onverantwoord is;  </al><al>- indien de route van het uitstappunt van de bus  naar de school te gevaarlijke punten kent, en een adequate oplossing van deze  gevaarlijke punten niet mogelijk is (bijvoorbeeld verkeersbrigadiers etc.). </al><al>  Voor dit ‘genoegzaam aantonen’ geldt - analoog aan de desbetreffende  bepaling voor het openbaar vervoer onder begeleiding naar scholen voor  basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs - dat de bewijslast bij  de ouders ligt. Ouders dienen hiertoe verklaring(en) van deskundige(n) te  overleggen. Indien het college de aanvraag voor begeleiding afwijst, dient  daarbij het advies van de commissie voor de begeleiding of andere deskundigen  (bijvoorbeeld specialist, pedagoog en psycholoog) te worden betrokken. Het  advies betreft dan de vraag of de leerling, gezien zijn handicap dan wel  leeftijd, niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan  maken. </al><al> In principe is het niet van belang wie de leerling uiteindelijk  begeleidt. In de regel zullen dit de ouders zijn. Het is echter ook denkbaar dat  een ander familielid, een oppas, buren, ouders van andere leerlingen, een kennis  of een klassenassistent de leerling begeleidt. </al><al> Bij begeleiding door een  klassenassistent dienen wel afspraken gemaakt te worden met het bevoegd gezag  van de betrokken school. Ook kan begeleiding in groepsverband georganiseerd  worden of via een rooster van verschillende begeleiders. Is hiervan sprake, dan  is artikel 17, derde lid, van de verordening van toepassing; indien een  begeleider meerdere leerlingen tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van  openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor bekostiging in aanmerking  (zie tevens de toelichting op artikel 12).</al><al>  Door de Nederlandse Spoorwegen en  de stads- en streekvervoerbedrijven is een regeling getroffen betreffende  kosteloos vervoer van de begeleider van een gehandicapte. Indien een  gehandicapte hiervoor in aanmerking komt, verstrekt de NS hem een  legitimatiebewijs. Het legitimatiebewijs is bestemd voor die mensen die vanwege  een lichamelijke, geestelijke of zintuiglijke handicap niet of niet onder alle  omstandigheden zelfstandig kunnen reizen. Het legitimatiebewijs is wat het  binnenland betreft geldig op onder meer:  </al><al>a. alle lijnen van de Nederlandse  Spoorwegen;  </al><al>b. alle buslijnen in Nederland, zowel in het stads- als in het  streekvervoer;  c. alle metro- en tramlijnen.  Voorts blijkt het in de  praktijk tot de mogelijkheden te horen dat afspraken met de NS worden gemaakt  over bijvoorbeeld het uitstappen van de leerling onder begeleiding van de  conducteur.  </al><al></al><al><vet>Artikel 18 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</vet></al><al>  Ook voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt  dat bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer in principe  uitzondering is. Wel moet de toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal  onderwijs gewaarborgd blijven. Daar waar vervoer, openbaar of aangepast,  noodzakelijk is, moet dit op passende wijze kunnen plaatsvinden. In artikel 18  van de verordening zijn deze waarborgen verankerd.  </al><al></al><al>Onderdeel a  De handicap van de leerling vereist aangepast vervoer </al><al> Indien  de gehandicapte leerling niet in staat is, ook niet onder begeleiding, van het  openbaar vervoer gebruik te maken, bekostigt het college de kosten van het  aangepast vervoer. Welke wijze van aangepast vervoer bekostigd wordt, bepaalt  het college. Een belangrijk criterium hierbij is: op welke wijze kan het  aangepast vervoer zo goedkoop en efficiënt mogelijk georganiseerd worden zonder  de bereikbaarheid van de school in gevaar te brengen? In veel gevallen zal het  door het college georganiseerde vervoer het meest efficiënt zijn.  </al><al>Het  college kan ook, uit financiële en doelmatigheidsoverwegingen, in samenwerking  met buurgemeenten een vervoerregeling treffen, zodat leerlingen uit  verschillende gemeenten gebruik kunnen maken van het door het college  georganiseerde vervoer.  Ook kan het betekenen dat de taxi, schoolbus en  dergelijke in de route verschillende opstappunten kent, waar de leerlingen  kunnen opstappen. Bij een ernstige lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke  handicap van de leerling kan het college besluiten dat de leerling thuis  opgehaald wordt.  </al><al></al><al>Onderdeel b Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur </al><al> Het  college verstrekt ook bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer,  indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug  meer dan ten minste anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast  vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden  teruggebracht. Ook hierbij geldt dat het advies van de commissie voor de  begeleiding niet gevraagd hoeft te worden. Zie verder de toelichting op artikel  13 onder ad 1.  Onderdeel c Openbaar vervoer ontbreekt  </al><al>Artikel 18,  eerste lid, onder c, van de verordening geeft een derde mogelijkheid om  aanspraak te maken op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.  Dit lid bepaalt dat het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt,  indien openbaar vervoer ontbreekt. Tevens kan het voor komen dat het openbaar  vervoer zo weinig frequent rijdt dat de leerling daarvan geen gebruik kan maken.  Echter, voordat het college beslist dat bekostiging van het aangepast vervoer  verleend wordt, kan het de mogelijkheden onderzoeken zoals in de toelichting op  artikel 13 is uitgewerkt. Ook kan het college bepalen dat de leerling gebruik  kan maken van het vervoer per (brom)fiets. Het college kan het advies van de  commissie voor de begeleiding en eventueel het advies van andere deskundigen  daarover vragen.  </al><al>Als de leerling gebruik dient te maken van een aangepaste  fiets of driewieler of met behulp van een tandem naar school gaat (als er een  zogenaamde voorrijder aanwezig is), kunnen de ouders op grond van de Wet WIA bij  het UWV een tegemoetkoming in de aanschafkosten vragen. </al><al> De hoogte van de  bekostiging van aangepast vervoer is uiteraard afhankelijk van een eventueel  drempelbedrag en een bijdrage afhankelijk van het inkomen van de ouders (wat  betreft het vervoer naar een school voor speciaal voortgezet onderwijs).  </al><al></al><al> Medische begeleiding  </al><al>Gemeenten zijn niet verantwoordelijk voor de  medische begeleiding in het leerlingenvervoer. Dit blijkt uit een uitspraak van  de rechtbank Zwolle (Rechtbank Zwolle, 21 november 2007 Awb 06/1788, LJN:  BB8810). De gemeente stelde in het verweer dat vervoer iets anders is dan  (medische) zorgverlening. De rechter vindt dit geen beperkte uitleg van de  wettelijke bepalingen. De medische begeleiding hoort volgens de rechtbank thuis  in het zogenaamde 2e compartiment (tot 1 januari 2006 de Ziekenfondswet en sinds  die datum de Zorgverzekeringswet -de AWBZ).</al><al>  In het verleden is de gemeente  wel verantwoordelijk gesteld voor medische begeleiding (Uitspraak Raad van State  van 8 oktober 1990; R03.90.3061/Sp. 179). In deze uitspraak was het college  gehouden de (salaris)kosten van een begeleider in aangepast vervoer te  bekostigen, met betrekking tot een leerling die constant op de ondersteuning van  een deskundige op het gebied van speciale medische apparatuur was aangewezen.  Dit betrof echter een zeer uitzonderlijk geval.  Advisering  </al><al>Op grond van  artikel 18, tweede lid, van de verordening dient het college indien het de  gevraagde voorziening niet of slechts gedeeltelijk toekent het advies te vragen  aan de commissie voor de begeleiding. Deze zal dan moeten beoordelen of de  leerling, gezien zijn lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap,  niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik  te maken. Tevens kan het college het advies van andere deskundigen inwinnen.  </al><al></al><al><vet>Artikel 19 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer   </vet>Met name bij het bezoeken van scholen voor (voortgezet) speciaal  onderwijs kan het voor komen dat de ouders de leerlingen zelf wensen te  vervoeren of laten vervoeren per auto. In artikel 19 van de verordening zijn  hiervoor nadere voorschriften gegeven.  </al><al></al><al>a Openbaar vervoer  </al><al>Indien ouders de leerling zelf wensen te vervoeren of  laten vervoeren tegen een (kilometer)vergoeding, is toestemming van het college  noodzakelijk. Deze toestemming is opgenomen in de verordening, omdat het college  dient te bekijken of deze wijze van vervoer daadwerkelijk de goedkoopste is. Is  dat het geval, dan kan het college desgewenst toestaan dat de ouders de leerling  zelf vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging die hier dan tegenover staat  is afhankelijk van de bekostiging waarop de ouders in principe recht hebben.   Maken ouders aanspraak op bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en  wensen zij de leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, dan bekostigt  het college de kosten van het openbaar vervoer.  </al><al></al><al>Voorbeeld:  </al><al>Ouders maken aanspraak op bekostiging van de kosten van het  openbaar vervoer naar een school voor dove leerlingen. De kosten van een  jaarabonnement zijn € 500,-. Zij vervoeren de leerling echter, na toestemming  van het college, zelf. De bekostiging is dan € 500,- als ware er sprake van  bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer.  </al><al></al><al>b Aangepast vervoer  </al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging op basis van de  kosten van aangepast vervoer en vervoeren zij de leerling, na toestemming van  het college, zelf of laten zij de leerling zelf vervoeren, dan bekostigt het  college een bedrag per kilometer.  Deze bekostiging is analoog aan de  betreffende bepaling in Titel 2 van de modelverordening, namelijk een bedrag per  kilometer, afgeleid van de Reisregeling binnenland. Voor een verdere uitwerking  hiervan wordt verwezen naar de toelichting op artikel 14.  In artikel 19,  derde lid, van de verordening is tevens bepaald dat, indien het college de  ouders desgewenst heeft toegestaan meer dan een leerling zelf te vervoeren of te  laten vervoeren, bekostiging op basis van een kilometervergoeding bestaat. Dit  geldt ook indien de ouders aanspraak maken op bekostiging gebaseerd op openbaar  vervoer. </al><al> Indien de ouders of het college van oordeel zijn dat de leerling  met de fiets of de bromfiets naar school en terug kan, wordt bekostiging  verstrekt op basis van een fietsvergoeding dan wel op basis van een  bromfietsvergoeding.  </al><al>Indien het college van oordeel is dat de leerling  gebruik kan maken van het (brom)fietsvervoer kan het advies van de commissie  voor de begeleiding of andere deskundigen worden ingewonnen.  </al><al>Zeker voor  leerlingen die een school voor voortgezet speciaal onderwijs bezoeken, kan deze  vorm van vervoer nuttig zijn in het kader van de bevordering van de  zelfredzaamheid. Het college verleent dan een vergoeding per km fietsvervoer  (zie de toelichting op artikel 14) of een vergoeding per kilometer  bromfietsvervoer afgeleid van de bedragen als genoemd in de Reisregeling  binnenland.  </al><al></al><al><vet>Artikel 20 Bekostiging vervoerskosten  </vet></al><al><vet></vet>Uitgangspunt van de  modelverordening is dat in principe voldaan dient te worden aan het gestelde  criterium in artikel 15 van de modelverordening (afstandsgrens), dat is  gebaseerd op artikel 4, zevende lid, van de WEC. Hierin is bepaald dat de  gemeenteraad kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van  de afstand tussen de woning en de school. Echter, artikel 4, zevende lid, van de  WEC bepaalt tevens dat gehandicapte leerlingen, die op ander vervoer dan  openbaar vervoer zijn aangewezen, op een passende wijze dienen te worden  vervoerd. In een aantal gevallen zal het voorkomen dat een leerling, gezien zijn  handicap, ook over een afstand van minder dan twee kilometer aangepast vervoer  behoeft. Artikel 20 van de modelverordening voorziet in een dergelijke  voorziening.</al><al>  Maakt de handicap van de leerling aangepast vervoer  noodzakelijk naar de school die dichterbij is gelegen dan twee kilometer, dan  kunnen ouders toch in aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerkosten.  (Deze leerlingen vallen dus niet onder titel 6 van de verordening.) Hiervan kan  bijvoorbeeld sprake zijn, indien door de aard van de handicap aangepast vervoer  technisch de enige mogelijkheid is (bijvoorbeeld rolstoel).</al><al>  Indien het  college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het bij de beschikking het  advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen  te betrekken. </al><al> In het geval een WEC leerling gehandicapt is en recht heeft op  aangepast vervoer, kunnen de ouders ook kiezen voor de bekostiging van eigen  vervoer. Deze mogelijkheid is opgenomen in het derde lid. Artikel 19 is in dat  geval van overeenkomstige toepassing. Dit houdt onder meer in dat het college  toestemming moet geven voor het eigen vervoer.  </al><al></al><al><vet>Artikel 21 Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en  vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders  </vet></al><al>Artikel 21 van de  verordening bepaalt dat het college desgewenst de kosten van het weekeinde- en  vakantievervoer bekostigt aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling  die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal  onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. Dit artikel valt in twee  belangrijke onderdelen uiteen:</al><al>  1. Het college van de gemeente waar de ouders  wonen, bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer.  </al><al>2. Het  college bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer, indien het  verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met  het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs.  </al><al></al><al>Ad 1 </al><al> Indien de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak maken op  bekostiging van het weekeinde- en vakantievervoer, dan wordt deze bekostiging  verstrekt door het college van de gemeente waar de ouders woonachtig zijn, en  dus niet door het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of  een pleeggezin verblijft. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat  het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin  verblijft, het dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school  en terug dient te bekostigen, indien de leerling daarvoor in aanmerking komt.   Het komt wel eens voor dat ouders van een leerling die een internaat bezoekt  gescheiden zijn en dat de leerling het ene weekeinde naar zijn moeder en het  andere weekeinde naar zijn vader dient te worden vervoerd. Als de vader in een  andere gemeente woont dan de moeder dan dient iedere ouder zelfstandig een  aanvraag in te dienen bij de gemeente waar men woonachtig is. Het komt nogal  eens voor dat ouders het college vragen hun kind af en toe ook door de week naar  huis te vervoeren. Dergelijke verzoeken kunnen worden afgewezen. Het gaat hier  immers om weekeinde- en vakantievervoer. Indien daartoe aanleiding is, kan in  voorkomend geval bezien worden of toepassing gegeven dient te worden aan artikel  29 van de verordening.  </al><al></al><al>Ad 2  </al><al>Essentieel voor de regeling is dat pas bekostiging van het  weekeinde- en vakantievervoer wordt verleend als het verblijf in het internaat  of pleeggezin noodzakelijk is voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal  onderwijs. Woont de leerling niet meer bij zijn ouders om sociale of medische  redenen (denk aan uithuisplaatsing, crisisopvang), dan wordt dit vervoer niet  door de gemeente vergoed in het kader van het leerlingenvervoer.  </al><al> Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of  pleeggezin en het volgen van passend onderwijs. Dit betekent dat het college  geen bekostiging voor het weekeinde- en vakantievervoer verstrekt, als de  leerling passend onderwijs kan volgen dat met dagelijks vervoer vanuit het  ouderlijk huis bereikt kan worden. Tevens betekent dit dat het vervoer niet  wordt bekostigd van gemeentewege indien de leerling om medische of sociale  redenen in een internaat of pleeggezin verblijft.  Voorbeeld: Een leerling is  aangewezen op onderwijs voor dove kinderen. Vanuit de ouderlijke woning is dit  onderwijs niet bereikbaar met dagelijks vervoer. Verblijf in een internaat of  een pleeggezin in de buurt van een geschikte school is daarom noodzakelijk. De  ouders kunnen in de gemeente waar zij wonen een aanvraag voor weekendvervoer  indienen.  Of plaatsing op het internaat om buiten het onderwijs gelegen  redenen heeft plaatsgevonden dient door de gemeente voldoende gemotiveerd te  worden. De gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een  internaat is geplaatst (afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12  juni 1995, nr. R03.92.5415; zie Jur. 8.5). </al><al></al><al>Slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs  </al><al>Weekeinde- en  vakantievervoer geldt dus slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Met  andere woorden: voor het volgen van primair onderwijs wordt geen weekeinde- of  vakantievervoer bekostigd van en naar het internaat of pleeggezin. Een  belangrijke consequentie hiervan is dat leerlingen die in een internaat of een  pleeggezin verblijven - omdat hun ouders een trekkend bestaan leiden - niet voor  bekostiging van het weekeinde en vakantievervoer in aanmerking komen. Het  betreft hier een vijftal categorieën:  </al><al>1. rijdende scholen voor kinderen van  kermisexploitanten of van circusmedewerkers;  </al><al>2. ligplaatsscholen voor  varende kinderen;</al><al>  3. scholen voor kinderen van woonwagenbewoners;   </al><al>4. afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van woonwagenbewoners;   5. scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en  circusmedewerkers.  </al><al></al><al>Deze scholen worden aangemerkt als basisscholen. Ouders van leerlingen die in  internaten of pleeggezinnen verblijven met het oog op het volgen van  bovengenoemde basisscholen, vallen dan ook niet onder het regime van het  weekeinde- en vakantievervoer, zoals in Titel 4 van de verordening nader is  geregeld. </al><al></al><al><vet>Artikel 22 Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer</vet>  Welke  wijze van vervoer conform artikel 21 wordt bekostigd wordt weergegeven in  artikel 22. Dit artikel van de verordening bepaalt welke bekostiging maximaal  wordt verleend, namelijk ten behoeve van:  </al><al>1. de reis van het internaat of  pleeggezin naar de woning van de ouders en terug in elk weekeinde, voor zover de  weekeinden niet vallen binnen de schoolvakanties;  </al><al>2. de reis van het  internaat of het pleeggezin naar de woning van de ouders en terug in elke  vakantie van twee of meer schooldagen, voor zover deze vakantie is opgenomen in  de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.  </al><al></al><al>Welke wijze van vervoer wordt bekostigd, bepaalt het college van de gemeente  waar de ouders wonen. Artikel 22, derde lid, van de verordening geeft aan dat de  bepalingen van Titel 3 van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn op  de toekenning van bekostiging voor weekeinde- en vakantievervoer, met  uitzondering van artikel 16, artikel 17 tweede lid, artikel 18, eerste lid,  onder b, artikel 18, tweede lid en artikel 20 van de verordening. Zie verder de  toelichting bij deze artikelen.  </al><al></al><al>Analoge toepassing van Titel 3 van de verordening betekent dat:   1. bekostiging van openbaar vervoer regel is indien aan de afstandscriteria  van artikel 15 wordt voldaan.  </al><al>2. het college tevens de kosten van het  openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider kan bekostigen, in het geval  door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de  leerling, gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap of  leeftijd, niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken  (artikel 17, eerste lid). </al><al> 3. het college de kosten van het aangepast vervoer  bekostigt, indien: </al><al> a. de leerling gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke  of lichamelijke handicap niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het  openbaar vervoer gebruik te maken (artikel 18, eerste lid, onder a);  </al><al> b. openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het  college van het (brom)fietsvervoer gebruik kan maken.  Van het  (brom)fietsvervoer zal, gezien de afstanden die overbrugd moeten worden, in  principe geen gebruikgemaakt worden (artikel 18, eerste lid, onder c).   Overigens geldt met name voor het weekeinde- en vakantievervoer dat een  combinatie van vervoer in veel gevallen mogelijk is. Bijvoorbeeld een combinatie  trein-taxi, etc. </al><al> 4. het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf  vervoeren. De bekostiging is dan afhankelijk van de bekostiging van het vervoer  waarop de ouders aanspraak zouden maken (artikel 19).  </al><al></al><al>De algemene bepalingen van Titel 1 van de verordening zijn uiteraard ook van  toepassing, alsmede het bepaalde in Titel 7.  </al><al></al><al><vet>Artikel 23 Drempelbedrag  </vet></al><al>De WPO (Wet op het Primair Onderwijs)  biedt gemeenten de keuze een drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen.  Het is dus niet verplicht. In de modelverordening is wel gebruik gemaakt van  deze optie. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn  voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer; de  zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Indien  een leerling slechts een deel van het schooljaar gebruik maakt van het  leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening  gebracht.                        </al><al> Bij het drempelbedrag is de ouderlijke  bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil  zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op  leerlingenvervoer. Invoering van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van  het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders  komen. In de modelverordening is de kilometergrens voor alle onderwijssoorten op  zes kilometer gesteld (artikel 11, eerste lid, en artikel 15, eerste lid).  Gemeenten zijn vrij een andere kilometergrens vast te stellen, mits deze niet  boven de 6 kilometer uitkomt. In de wet is deze afstand als bovengrens  vastgelegd. De gemeente Kerkrade hanteert bij het basisonderwijs een  kilometergrens van 6 en bij het (voortgezet)  speciaal onderwijs een grens van 2  km.  </al><al></al><al>Indien een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de berekening  van de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een  fictief bedrag; de kosten van het openbaar vervoer dienen te worden bepaald op  basis van de zone-indeling. Dit betekent dat bij een aanvraag voor  leerlingenvervoer moet worden nagegaan hoeveel zones gereisd moet worden om de  afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen.  Het drempelbedrag bedraagt dan de kosten van een jeugdjaarkaart voor dit aantal  te reizen zones. Voor het kalenderjaar 2009 gaat het bij één zone om een bedrag  van €250,50 (de kosten van een jeugdjaarkaart met één ster) en bij twee of drie  zones om een bedrag van €417,50 (de kosten van een jeugdjaarkaart met 2  sterren). Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet  van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer.  Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer of wanneer er geen  openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar  vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf  te dragen. In dat geval dient te worden uitgegaan van de meest gangbare, voor de  leerling toegankelijke route.</al><al>  De doelgroep voor het drempelbedrag bestaat  uit leerlingen die een school voor basisonderwijs, een speciale school voor  basisonderwijs of een school voor speciaal voortgezet onderwijs bezoeken en  waarvan de ouders een gezamenlijk inkomen van meer dan € 22.050,- (geïndexeerd)  hebben.  </al><al>Voor leerlingen die onder titel 6 vallen (gehandicapte leerlingen in  het reguliere primair en voortgezet onderwijs) geldt, dat aan de ouders geen  drempelbedrag gevraagd mag worden. Ook wanneer de leerling zelf de aanvraag doet  mag geen drempelbedrag gevraagd worden.  </al><al>Het blijft mogelijk om voor elk van  de genoemde onderwijssoorten een verschillende kilometergrens te hanteren.  Bovendien staat het de gemeente vrij het drempelbedrag wel voor de ene maar niet  voor de andere schoolsoorten in te voeren.  </al><al></al><al>Toepassen hardheidsclausule of drempelbedrag maximaliseren </al><al> Met name  wanneer veel kinderen gebruikmaken van het leerlingenvervoer en het inkomen van  de ouders relatief laag is, kan voor ouders een onevenredig grote financiële  belasting ontstaan. In de modelverordening is er voor gekozen om dergelijke  uitzonderingssituaties op te lossen door het verschuldigde drempelbedrag op  grond van de hardheidsclausule van artikel 29 niet geheel in rekening te  brengen. De gemeente kan er echter ook voor kiezen om in de verordening te  bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer, bijvoorbeeld maximaal  twee keer, per gezin geheven wordt. Bovendien is het mogelijk om de  inkomensgrens in de verordening hoger te leggen dan de in de wet genoemde  ondergrens van € 22.050,-.  </al><al></al><al>De mogelijkheid om de hardheidsclausule hier te hanteren, vloeit voort uit  jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de  verplichte eigen bijdrage. De afdeling heeft op 2 april 1990 (nr. R03.87.7147;  zie Jur. 9.4) een uitspraak gedaan over de bevoegdheid van gemeenten om de  ‘hardheidsclausule’ toe te passen op de verplichte eigen bijdrage van destijds   f 200,-. De belangrijkste overweging in de uitspraak van de afdeling luidt als  volgt: ‘Naar het oordeel van de afdeling biedt noch artikel 24 van de  verordening noch artikel 4, dertiende lid, van de Interimwet enig  aanknopingspunt voor de opvatting van verweerders. Artikel 24 en artikel 4,  dertiende lid, geven een algemene afwijkingsbevoegdheid, welke niet is beperkt  tot nader aangegeven gevallen, zodat van alle bepalingen van de regeling  (verordening) kan worden afgeweken. Verweerders hebben derhalve ten onrechte  gemeend dat hun niet de bevoegdheid toekwam om ook van het bepaalde in artikel  21, eerste lid, van de verordening af te wijken.’ Deze uitspraak betekent dat de  hardheidsclausule van (nu) artikel 29 van de modelverordening ook toegepast kan  worden om in bijzondere omstandigheden de ouders geen of slechts een deel van  het drempelbedrag te laten betalen.  </al><al></al><al>Fietsvergoeding  </al><al>Ten aanzien van het heffen van een drempelbedrag voor  leerlingen die in aanmerking komen voor een fietsvergoeding het volgende. De  fietsvergoeding is in een aantal gevallen lager dan het door de ouders  verschuldigde drempelbedrag. Om te voorkomen dat leerlingen die zouden kunnen  fietsen daarvan om deze reden afzien, is het raadzaam in dergelijke gevallen op  grond van de hardheidsclausule geen of slechts een deel van het drempelbedrag in  rekening te brengen. Ook kan worden overwogen de fietsvergoeding te verhogen. In  dat geval geldt de hogere fietsvergoeding uiteraard niet alleen voor leerlingen  waarvoor een drempelbedrag verschuldigd is, maar voor alle leerlingen die  aanspraak maken op een fietsvergoeding.  </al><al></al><al>Het begrip ‘inkomen’ </al><al> Onder inkomen moet worden verstaan: het gecorrigeerd  verzamelinkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 in het  peiljaar. Als peiljaar moet op grond van de wet worden aangemerkt het tweede  kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging van de  vervoerkosten wordt gevraagd. Ouders kunnen op verschillende manieren hun  gecorrigeerd verzamelinkomen aantonen. Vanuit het oogpunt van lastenvermindering  voor de burger is het wenselijk de wijze te kiezen die de minste lasten voor de  aanvrager oplevert. Wanneer de benodigde gegevens reeds bekend zijn bij de  sociale dienst omdat er tevens een uitkering wordt ontvangen, dient gebruik te  worden gemaakt van deze informatie. Daarnaast kan een gemeente gegevens  verkrijgen van het Inlichtingenburo. Indien de gemeente zelf geen inzage kan  verkrijgen in de inkomensgegevens kan de aanvrager een kopie van zijn  belastingaanslag sturen om zijn inkomen aan te tonen. Tenslotte kunnen ouders  een IB 60-formulier opvragen bij de belastingdienst, waarop het gecorrigeerde  verzamelinkomen staat vermeld. </al><al> In de meeste gevallen zal ten behoeve van het  peiljaar het gecorrigeerd verzamelinkomen voorhanden zijn. Indien het  gecorrigeerd verzamelinkomen van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het  schooljaar waarvoor bekostiging wordt gevraagd nog niet bekend is, kan het derde  jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt  worden gehanteerd. In een later stadium, als het gecorrigeerd verzamelinkomen in  het peiljaar bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt. </al><al>  Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te  verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn  opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is  aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Vervolgens  kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De  aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.  </al><al>De hoogte van  het gecorrigeerd verzamelinkomen is voor het peiljaar 2006 (dus ten behoeve van  het schooljaar 2008-2009) vastgesteld op € 22.050,-, wat betreft het innen van  het drempelbedrag. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het  indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten  opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en afgerond op een veelvoud van  € 450,-.  </al><al></al><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het  peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt  ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het  voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de  afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de verordening. Door het kiezen van  een later peiljaar kan het voor komen dat ouders in dat latere peiljaar niet  voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen.  </al><al></al><al>Om te bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan de  regeling, zoals die opgenomen is in artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering  2000 (WSF), als leidraad gehanteerd worden. Dit artikel is niet in de  modelverordening opgenomen. Het gaat bij de toepassing van artikel 29 van de  modelverordening om een beleidsbevoegdheid van het college. Voorgaand artikel  vormt slechts een gedeeltelijke invulling van die beleidsruimte. Het betreffende  artikel van de WSF kan als richtsnoer gehanteerd worden. Het college houdt dan  zijn eigen bevoegdheid om in zeer bijzondere situaties een andere oplossing te  kiezen.  </al><al></al><al>Pleegouders  </al><al>Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de verordening  worden aangemerkt (zie de toelichting bij artikel 1, onderdeel b). Zij kunnen  dus (als zij voldoen aan de voorwaarden) een tegemoetkoming in de vervoerskosten  krijgen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (31 augustus  1993, nrs. R03.93. 1702 en R03.93.1773; zie Jur. 2.3) acht het redelijk dat als  de verzorgers pleegouders zijn, zij ook de financiële verplichtingen op zich  nemen die uit de eventuele honorering van een aanvraag tot bekostiging van  vervoerkosten naar school voortvloeien. De gemeente kan pleegouders dus een  eigen bijdrage in rekening brengen. Uiteraard hebben gemeenten de vrijheid om op  dit punt gebruik te maken van de hardheidsclausule in artikel 29.</al><al></al><al>In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij  een justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij  de natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend.  </al><al></al><al>In de bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg zit in het  algemeen geen component voor de kosten van het schoolbezoek, die door de  gemeente in mindering gebracht kan worden op de gemeentelijke bekostiging voor  het leerlingenvervoer. Pleegouders die bekostiging ontvangen op basis van de  Regeling vrijwillige pleegzorg, dienen bij een honorering van hun aanvraag tot  bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer door de gemeente ook het  drempelbedrag per schooljaar aan de gemeente te betalen, als hun inkomen boven  de inkomensgrens ligt. Tevens zullen de pleegouders de eventuele bijdrage naar  financiële draagkracht aan de gemeente moeten voldoen. Eventueel kunnen zij deze  kosten wel verhalen op de natuurlijke ouders of voogden van de leerling.  </al><al></al><al>Voogdij-instellingen kunnen ook als ‘ouder’ worden aangemerkt. Zij kunnen  tevens een aanvraag indienen. Bij hen kan echter geen drempelbedrag worden  vastgesteld, omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de  inkomstenbelasting hebben.   </al><al></al><al>Invordering drempelbedrag  </al><al>Ten aanzien van de invordering van het  drempelbedrag is het navolgende van belang:  </al><al>- In artikel 2, tweede lid, van  de verordening is onder meer bepaald: ‘Weigering tot of nalatigheid in de  betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op  bekostiging vervallen.’Indien het college zelf het vervoer verzorgt of laat  verzorgen dienen de ouders die daarvoor in aanmerking komen het drempelbedrag  aan de gemeente over te maken. Doen zij dit niet of niet geheel dan vervalt de  aanspraak.  </al><al>- Indien het college dit wenst kan het weigerachtige ouders in  gebreke stellen en de (kanton)rechter verzoeken uit te spreken dat de ouders het  drempelbedrag dienen te betalen. Vervolgens kan met inschakeling van een  deurwaarder de bijdrage worden geïnd. Aangezien deze procedure nogal omslachtig  en duur is kan het, als er sprake is van aangepast vervoer, raadzaam zijn het  vervoer te stoppen. De ouders blijven echter op grond van de Leerplichtwet  verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun kind. De praktijk leert dat een  dergelijke maatregel zeer effectief is.  </al><al></al><al>Overgangsrecht  </al><al>Inmiddels zijn er geen scholen voor speciaal voortgezet  onderwijs meer. Wel komt het voor dat leerlingen van voortgezet onderwijs die  eerst naar dit type onderwijs gingen op grond van de overgangsregeling genoemd  in artikel 31, tweede lid, aanspraak maken op leerlingenvervoer. Op hen is  artikel 23 (drempelbedrag) onverkort van toepassing.  Het drempelbedrag kan  niet in rekening worden gebracht aan ouders van sbo-leerlingen voor wie de  gemeente in het schooljaar 2001-2002 bekostiging van het Gak (tegenwoordig: UWV)  op basis van de Wet Rea ontving. Dit blijft gelden gedurende de periode dat de  leerling dezelfde school bezoekt.  </al><al></al><al><vet>Artikel 24 Financiële draagkracht</vet></al><al>  De artikel 4 van de WPO biedt  gemeenten de mogelijkheid om van ouders wier kinderen een school voor  basisonderwijs bezoeken en van wie de school ten minste twintig kilometer van de  woning is verwijderd, een van de draagkracht afhankelijke bijdrage te vragen in  de kosten van het vervoer. Deze inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin  geheven (in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening  wordt gebracht) en kan dus alleen bij het reguliere basisonderwijs worden  gevraagd.  In artikel 24 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal  inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde  draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van  de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd  vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4 van de WPO.  Indien het  inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar waar-   in het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend,  op een  structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van  de ouders een later peil-  jaar te kiezen door gebruik te maken van de  afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de  verordening. Door het kiezen  van een later peiljaar kan het voor komen dat ouders in  dat latere peiljaar  niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven  te  betalen.  </al><al></al><al><vet>Artikel 25 Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met  begeleiding</vet></al><al> In titel 6 wordt geregeld dat alleen gehandicapte leerlingen  in het regulier primair en voortgezet onderwijs, die niet of niet zelfstandig  van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, in aanmerking kunnen komen voor  leerlingenvervoer. Voor deze gehandicapte leerlingen geldt geen  afstandscriterium. Gemeenten kunnen aan de ambulante begeleider die verbonden is  aan de reguliere school voor primair of voortgezet onderwijs, advies vragen over  passend vervoer voor deze leerlingen (zie toelichting artikel 1). Mocht een  leerling geen ambulante begeleiding krijgen, dan kan de gemeente het advies van  de schooldirecteur of andere deskundigen vragen (bijvoorbeeld een GGD arts).   Voor leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder titel 6  vallen geldt, dat ze -overeenkomstig artikel 9-  recht hebben op vervoer naar de  dichtstbijzijnde toegankelijke school in het samenwerkingsverband. Dit is  geregeld in lid 1 van artikel 25.  </al><al></al><al>Structurele handicap</al><al>  Indien in de verordening gesproken wordt van een  handicap, wordt een structurele handicap bedoeld. In het leerlingenvervoer  kennen we geen tijdelijke handicap. Dit betekent dat de gemeente geen vervoer  hoeft te verzorgen om tijdelijke medische redenen, bijvoorbeeld als een leerling  een gebroken been heeft. Ouders hebben hier zelf een verantwoordelijkheid in. In  sommige gevallen vergoedt de ziektekostenverzekeraar een gedeelte.  Echter,  het kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan of een  meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of zij een  groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of krukken  vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling eventueel wel een  beroep doen op het leerlingenvervoer op basis van titel 6. De gemeente geeft dan  een beschikking af voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. Als de  noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de leerling geen recht meer op  vervoer. Het UWV/gak hield altijd een termijn van drie maanden aan, voordat er  eventueel sprake was van een vervoersvergoeding op basis van de destijds  geldende Wet Rea. Dit zou een richtlijn kunnen zijn voor de gemeente:   </al><al>- tijdelijke handicap tot drie maanden: sowieso geen aanspraak op  leerlingenvervoer  </al><al>- tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden:  de gemeente bekijkt of de leerling in aanmerking kan komen voor vervoer op basis  van titel 6. </al><al></al><al>Overgangsrecht  </al><al>Leerlingen die in het schooljaar 2001-2002 een  vervoersvoorziening kregen naar een school voor speciaal voortgezet onderwijs,  praktijkonderwijs, leerwegondersteunend onderwijs of een opdc, kunnen op basis  van de overgangsregeling (zie artikel 31) aanspraak blijven maken op die  voorziening gedurende de periode dat zij diezelfde school bezoeken. </al><al></al><al><vet>Artikel 26 Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer   </vet>Ten aanzien van gehandicapte leerlingen die zelfstandig met het openbaar  vervoer kunnen  reizen, maar die daartoe niet in staat zijn omdat het  openbaar vervoer in de regio ontbreekt, verwijzen wij naar de toelichting op  artikel 13 ad 2. Leerlingen die een handicap hebben waardoor ze niet zelfstandig  met het openbaar vervoer kunnen reizen, maken aanspraak op aangepast vervoer  indien het openbaar vervoer in de regio ontbreekt. Zij zijn dan immers niet in  staat om onder begeleiding met het openbaar vervoer te reizen, omdat het niet  aanwezig is. De gemeente heeft echter wel de plicht om passend vervoer te  verzorgen in zo’n geval, dus aangepast vervoer. Daarom is in artikel 26  opgenomen dat indien de leerling op grond van artikel 25 recht heeft op openbaar  vervoer met begeleiding, terwijl openbaar vervoer ontbreekt of te lang duurt, de  leerling aanspraak op aangepast vervoer kan maken. Zie verder de toelichting op  artikel 25.  </al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 27 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</vet>   Zie de toelichting op artikel 25. Over eigen vervoer is een uitgebreide  toelichting te vinden bij de artikelen 14 en 19. In artikel 27 wordt de  bekostiging gerelateerd aan de bekostiging waar ouders in principe op basis van  de verordening voor in aanmerking komen. Voor de leerlingen in titel 6 betekent  dit ofwel bekostiging op basis van openbaar vervoer met begeleiding (artikel 25)  ofwel aangepast vervoer (artikel 26). </al><al></al><al><vet>Artikel 28 Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet   </vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering  van het leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet. </al><al>  In de verordening zijn de hoofdlijnen van de bekostiging van het  leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een aantal concrete gevallen  voordoen, waarin de verordening niet voorziet. Te denken valt onder andere aan:  </al><al> - varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus openbaar  vervoer);  </al><al>- begeleiding tijdens groepsvervoer; </al><al> - gemeenschappelijke  afspraken met andere gemeenten;  </al><al>- varianten in het gebruik van eigen  vervoer.  </al><al>Voor dergelijke en andere situaties waarin de verordening niet  voorziet, is in artikel 28 van de verordening bepaald dat het college beslist.  Hierbij dient in redelijkheid gehandeld te worden. Uitgangspunt bij deze  besluitvorming dient te zijn dat in de geest van de wet en de verordening  gehandeld wordt.  Het komt voor dat schoolbesturen of een groep ouders een  vervoermiddel in eigen beheer  gebruiken om de leerlingen naar school te  brengen. Van belang daarbij is dat de aansprakelijkheid en het toezicht hierop  bij de gemeente blijft. Aansprakelijkheid is immers gekoppeld aan zorgplicht.  Voor het vervoer gelden dezelfde eisen als voor vervoersbedrijven.  </al><al></al><al><vet>Artikel 29 Afwijken van bepalingen</vet></al><al> Dit artikel bepaalt dat het  college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste  van de ouders kan afwijken van de bepalingen in de verordening. Dit houdt in dat  het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de  verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van  de WPO, artikel 4, zevende lid, van de WVO en artikel 4, tiende lid, van de WEC. </al><al>  Van een dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld  sprake zijn indien:  </al><al>- een leerling, die niet voor bekostiging van de  begeleiding in aanmerking komt, toch - gezien zijn verstandelijke, zintuiglijke  of lichamelijke handicap - begeleid moet worden;  </al><al>- leerlingen die naar het  oordeel van het college gebruik moeten maken van aangepast vervoer, terwijl zij,  gezien de criteria, daarvoor niet in aanmerking komen;</al><al>  - sprake is van  groepsvervoer, georganiseerd door de ouders en het college een daarop geënte  bekostiging wil betalen; </al><al> - sprake is van een voor het kind onaanvaardbare  onderwijsinhoudelijke dan wel onhoudbare praktische situatie op de dichtstbij  gelegen toegankelijke school. Indien daarvan sprake is - de bewijslast daarvan  ligt bij de ouders - kan bekostiging volgen van de kosten van vervoer naar een  verder gelegen toegankelijke school (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad  van State van 28 februari 1992, R03.89.3402/83-107; zie Jur. 9.13; zie ook  Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992,  R03.92.3306/P90 en S03.92.2460; zie Jur. 9.1).  </al><al></al><al>In haar jurisprudentie heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van  State in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven inzake de toepassing van de  hardheidsclausule te weten:</al><al>  a. Hardheidsclausules hebben tot doel  onbillijkheden van overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij een  strikte toepassing van de bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te  nemen. De toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten  en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld medische,  pedagogische en sociale factoren (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van  State van 12 mei 1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41; zie Jur. 9.3). </al><al> b. Via  toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening  worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag van artikel 23  (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 1990  R03.87.7147/58-43; zie Jur. 9.4).  </al><al>Voorts dient erop te worden toegezien dat  ter voorkoming van - ongewenste - precedentenwerking de toepassing van de  hardheidsclausule wordt onderbouwd met op de specifieke, concrete situatie van  ouders van een leerling betrekking hebbende argumenten.  </al><al>Tevens wordt in  artikel 29 van de verordening bepaald dat het college zo nodig het advies van de  commissie van onderzoek, het advies van de regionale verwijzingscommissie (RVC)  of andere deskundigen vraagt. </al><al> De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad  van State heeft in 2006 een verzoek afgewezen voor bekostiging van vervoer van  een leerling die naar een verderaf gelegen school wilde gaan. Reden van dit  verzoek was dat de leerling daar de noodzakelijk medische begeleiding kon  krijgen, waarop hij anders twee jaar moet wachten. Het betreffende college vond  dat bekostiging van vervoer bedoeld is voor schoolbezoek en niet voor medische  behandeling (LJN AZ9034). Artikel 1 van de verordening leerlingenvervoer  definieert het begrip ‘vervoer’ als ‘vervoer van en naar school’. Uit de  hardheidsclausule blijkt echter onvoldoende of een vergoeding alléén voor  schoolbezoek ten behoeve van onderwijs is bedoeld. De clausule kan beperkt  worden door beleidsregels voor de uitwerking ervan vast te stellen. Hierin kan  opgenomen worden dat de bevoegdheid tot toekenning van vervoerskosten beperkt  blijft tot schoolbezoek voor het volgen van onderwijs. Deze beperking kan  eventueel ook in de hardheidsclausule zelf worden opgenomen.  </al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 30 Reglementen</vet></al><al>  Ten behoeve van het gemeentelijk busvervoer  naar het Speciale Basisonderwijs Arcadia is door het college een reglement  vastgesteld. Het huidige vervoersbedrijf hanteert een eigen reglement voor alle  te vervoeren leerlingen van de gemeenten waarvoor het het vervoer verzorgt. Uit  praktische overwegingen is besloten het reglement van het huidige  vervoersbedrijf van toepassing te verklaren op de Kerkraadse leerlingen.  </al><al></al><al><vet>Artikel 31 Intrekking oude regeling</vet></al><al>  In artikel 30 wordt geen  tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet  nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe  verordening in werking treedt.  </al><al></al><al><vet>Artikel 32 Overgangsregeling  </vet></al><al><vet></vet>In het eerste lid wordt gesproken  over een bruikleenauto of leefvervoervoorziening. Deze voorzieningen zijn aan te  vragen bij en worden verstrekt door het UWV en niet de gemeente.  </al><al>Met een  ‘gelijkwaardige voorziening’ wordt bedoeld, dat leerlingen die in het schooljaar  2001-2002 op basis van de Wet Rea taxivervoer kregen, niet in het schooljaar  2002-2003 van de gemeente bekostiging openbaar vervoer of openbaar vervoer met  begeleiding mogen krijgen. Ook zal het vervoer in een busje door de wetgever  niet worden opgevat als gelijkwaardig aan taxivervoer. Wel mogen gemeenten in  gevallen waar dat praktisch mogelijk is, individuele taxiritten met elkaar  combineren. Dit zou bijvoorbeeld mogelijk zijn als twee leerlingen elk een  individuele taxivoorziening naar dezelfde school ontvangen en de twee ritten,  zonder dat de leerlingen daar aantoonbaar nadeel van ondervinden, kunnen worden  gecombineerd.  Tevens zal in sommige gevallen vervoer verzorgd moeten worden  naar een school die niet de dichtstbijzijnde, toegankelijke school is voor de  betreffende leerling. In de Wet Rea werd dit criterium namelijk niet gehanteerd.   In het tweede lid wordt gesproken over een vervoersvoorziening naar een  opdc. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 1, onderdel r.</al><al> De aanspraak  op leerlingenvervoer op grond van lid 2 komt te vervallen indien de leerling  binnen de afstandsgrens komt te wonen.  De gemeente kan leerlingen die op  basis van de overgangsregeling (artikel 31, lid 2) een vervoersvergoeding  krijgen naar een school voor praktijkonderwijs of leerwegondersteunend  onderwijs, een drempelbedrag of een draagkrachtafhankelijke bijdrage opleggen.  Daarom in dit artikel een verwijzing naar titel 5 ‘Eigen bijdrage en bekostiging  naar financiële draagkracht’.   </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>