<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR63607_6</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrecht (Utr)</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad van Utrecht, 2011, 81</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035385">Wet werk en bijstand.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-12-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-12-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvoorstel jaargang 2011, nr. 168</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling wordt vervangen door de gewijzigde <extref doc="1.1:CVDR131105_1">Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2004</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>(inclusief de eerste en tweede wijziging. Raadsbesluiten van 18 december
                        2003, 4 oktober 2007 en 29 april 2010).</al><al>De raad van de gemeente Utrecht gelet op het voorstel van b. en w. d.d. 10
                        december 2003</al><al>Besluit</al><al>vast te stellen de volgende</al><al>Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2004</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand</al></li><li nr="b."><al>de gehuwdennorm: de bijstandsnorm voor gehuwden zoals bedoeld in
                                    artikel 21 onder c. van de wet;</al></li><li nr="c."><al>dakloze: persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats die de
                                    nacht doorgaans buiten doorbrengt of in een instelling bedoeld
                                    voor de opvang van daklozen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsbepalingen van de wet zijn op deze verordening van toepassing
                            tenzij daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bereik</titel></kop><al>Deze verordening is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>de alleenstaande van 65 jaar of ouder;</al></li><li nr="b."><al>de alleenstaande ouder van 65 jaar of ouder;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden waarvan in ieder geval één van beide echtgenoten 65 jaar of
                                ouder is;</al></li><li nr="d."><al>de alleenstaande jonger dan 21 jaar;</al></li><li nr="e."><al>de alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar;</al></li><li nr="f."><al>jongeren tot 27 jaar die aanspraak (kunnen) maken op een
                                werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening op grond van de Wet
                                investeren in jongeren.</al></li><li nr="g."><al>gehuwden waarvan in ieder geval één van beide echtgenoten jonger is
                                dan 21 jaar is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De toeslag voor alleenstaanden van 21 jaar of ouder of alleenstaande
                            ouders van 21 jaar of ouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 % van de gehuwdennorm voor degene in wiens woning geen ander
                                    zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>20 % van de gehuwdennorm voor degene die op basis van een
                                    commerciële relatie als kostganger of onderhuurder met anderen
                                    in dezelfde woning woont;</al></li><li nr="c."><al>10 % van de gehuwdennorm voor degene die al dan niet als
                                    verhuurder of kostgever met anderen in dezelfde woning
                                    woont;</al></li><li nr="d."><al>10 % van de gehuwdennorm voor degene die inwoont bij zijn ouders
                                    of zijn kinderen van 21 jaar of ouder. Dit is niet van
                                    toepassing bij inwoning van kinderen van 21 jaar of ouder die
                                    een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het
                                    normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                                    onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering
                                    2000.;</al></li><li nr="e."><al>10 % van de gehuwdennorm voor degene bij wie diens ouders of
                                    diens kinderen van 21 jaar of ouder, inwonen. Dit is niet van
                                    toepassing bij inwoning van kinderen van 21 jaar of ouder die
                                    een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het
                                    normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                                    onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering
                                    2000.;</al></li><li nr="f."><al>0% indien artikel 24 van de wet van toepassing is;</al></li><li nr="g."><al>5% van de gehuwdennorm voor een dakloze.</al></li><li nr="h."><al>een dakloze als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder c.
                                    ontvangt eenmaal per jaar een extra toeslag. Het college stelt
                                    hiervoor nadere richtlijnen vast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag wordt op grond van artikel 27 van de wet verlaagd met
                            15%</al><al>van de gehuwdennorm als:</al><lijst><li nr="a."><al>de alleenstaande of de alleenstaande ouder een woning bewoont
                                    waaraan voor hem of haar geen woonkosten verbonden zijn, of</al></li><li nr="b."><al>de kosten die voor hem of haar aan de woning verbonden zijn,
                                    lager zijn dan 10 % van de gehuwdennorm, of</al></li><li nr="c."><al>de alleenstaande of de alleenstaande ouder niet kan aantonen dat
                                    er voor hem of haar aan de woning kosten zijn verbonden die meer
                                    dan 10 % van de gehuwdennorm bedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag, bedoeld in het eerste lid, wordt verlaagd op grond van
                            artikel 29 van de wet met een bedrag gelijk aan 15% van de gehuwdennorm
                            indien belanghebbende een alleenstaande van 21 of 22 jaar oud is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging van de norm voor gehuwden, beide partners 21 jaar of
                            ouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>10 % van de gehuwdennorm voor degenen die al dan niet als
                                    verhuurder of kostgever met anderen, niet zijnde hun eigen
                                    kinderen onder de 21 jaar, in dezelfde woning wonen;</al></li><li nr="b."><al>10 % van de gehuwdennorm voor degenen die inwonen bij hun ouders
                                    of kinderen van 21 jaar of ouder of</al></li><li nr="c."><al>10 % van de gehuwdennorm voor degenen bij wie hun ouders of
                                    kinderen van 21 jaar of ouder in wonen</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid, onderdelen b. en c., bedoelde verlaging van de
                            gehuwdennorm wordt niet toegepast bij gehuwden van wie de inwonende
                            kinderen van 21 jaar of ouder een in aanmerking te nemen inkomen hebben
                            van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor
                            hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering
                            2000.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De norm wordt op grond van artikel 27 van de wet verlaagd met 15%</al><al>van de gehuwdennorm als:</al><lijst><li nr="a."><al>de gehuwden een woning bewonen waaraan voor hen geen woonkosten
                                    verbonden zijn, of</al></li><li nr="b."><al>de kosten die voor hen aan de woning verbonden zijn, lager zijn
                                    dan 10 % van de gehuwdennorm, of</al></li><li nr="c."><al>de gehuwden niet kunnen aantonen dat er voor hen aan de woning
                                    kosten zijn verbonden die meer dan 10 % van de gehuwdennorm
                                    bedragen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Samenloop WWB en WIJ</titel></kop><al>Indien artikel 24 van de wet van toepassing is en de niet-rechthebbende
                        echtgenoot een jongere is met een inkomensvoorziening op grond van de Wet
                        investeren in jongeren, wordt op grond van artikel 27 van de wet,
                        onverminderd artikel 3 lid 1 f van deze verordening, de norm van de
                        rechthebbende echtgenoot verlaagd met 5% van de gehuwdennorm, indien: </al><al>a. de echtgenoten inwonen bij hun ouders; </al><al>b. de echtgenoten al dan niet als verhuurder of kostgever met anderen, niet
                        zijnde hun eigen kinderen onder 21 jaar, in dezelfde woning wonen; c. de
                        echtgenoten een woning bewonen waaraan voor hen geen woonkosten of
                        woonkosten lager dan 10% van de gehuwdennorm verbonden zijn, dan wel waarvan
                        de echtgenoten de woonkosten niet kunnen aantonen, dan wel indien in het
                        geheel geen woning wordt bewoond. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hulpbehoevendheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Anders dan in artikel 3 van deze verordening, bedraagt de toeslag 20 %
                            van de gehuwdennorm indien de inwoning tijdelijk, maximaal twaalf
                            maanden en noodzakelijk is vanwege hulpbehoevendheid van de inwonende of
                            de hoofdbewoner. Voorwaarde is dat de inwonende zijn of haar huisvesting
                            aanhoudt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Anders dan in artikel 4 van deze verordening, wordt de bijstandsnorm
                            niet verlaagd wanneer de inwoning tijdelijk, maximaal twaalf maanden en
                            noodzakelijk is vanwege hulpbehoevendheid van de inwonende of de
                            hoofdbewoner. Voorwaarde is dat de inwonende zijn of haar huisvesting
                            aanhoudt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening toeslagen en verlagingen
                        Wet werk en bijstand 2004.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verordening Toeslagen en Verlagingen Algemene Bijstandswet 1999</al><al>(Gemeenteblad van Utrecht 1999, nr. 14) wordt ingetrokken</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2004.</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 18
                        december 2003.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>Drs. A.A.H. Smits Mr. A.H. Brouwer-Korf</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Bekendmaking is geschied op 24 december 2003.</al><al>Deze verordening is in werking getreden op 1 januari 2004.</al><al/><al/><al>BIJLAGE BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT</al><al>2004, NR. 62; 2010, nr 44</al><al/><al><vet>1.Toelichting op wettelijke bepalingen</vet></al><al>De Wet werk en bijstand (WWB) kent een normsystematiek die bestaat uit een
                    basisnorm en een toeslag of verlaging op deze basisnorm. Voor personen van 21
                    jaar en ouder zijn er drie bijstandsnormen voor de algemeen noodzakelijke kosten
                    van het bestaan. Deze normen zijn gebaseerd op de leefvorm van de cliënt en
                    uitgedrukt in percentages van het netto minimumloon:</al><al>• voor gehuwden 100 %;</al><al>• voor alleenstaande ouders 70 %;</al><al>• voor alleenstaanden 50 % .</al><al>De bijstandsnorm voor alleenstaanden en alleenstaande ouders wordt verhoogd met
                    een toeslag, waarbij de hoogte afhankelijk is van de woonsituatie. De toeslag
                    bedraagt maximaal 20 % van de gehuwdennorm. Er bestaat recht op dit maximum, als
                    niemand anders zijn hoofdverblijf heeft in de woning van de alleenstaande of
                    alleenstaande ouder. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid om voor de maximale
                    toeslag van 20 % in aanmerking te komen indien iemand wordt aangemerkt als
                    dakloze en minimaal twaalf nachten per maand slaapt in de reguliere
                    nachtopvang.</al><al>De bijstandsnorm en de toeslag kunnen worden verlaagd in een aantal
                    situaties:</al><al>• De bijstandsnorm voor gehuwden (behalve voor 65 plussers), de toeslag van de
                    alleenstaande of de toeslag van de alleenstaande ouder, kan worden verlaagd. Dit
                    gebeurt in het geval dat de gehuwden niet alleen in een woning wonen,
                    bijvoorbeeld omdat zij een kamer verhuren, inwonend(e) kind(eren) van 21 jaar of
                    ouder hebben of zelf inwonen bij hun kind(eren) van 21 jaar of ouder of anderen.
                    Het gezin, de alleenstaande of de alleenstaande ouder kan de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan delen met de onderhuurder, inwonende
                    kind(eren) of de personen of kinderen, bij wie men inwoont.</al><al>• Het college kan de bijstandsnorm voor gehuwden verlagen of de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder lager vaststellen, indien men geen
                    woonkosten heeft.</al><al>• Het college kan de toeslag voor een 21- of 22 jarige alleenstaande lager vast
                    stellen. De hoogte kan namelijk een belemmering vormen, gelet op het
                    minimumjeugdloon, voor het aanvaarden van arbeid.</al><al/><al><vet>Anticumulatie</vet></al><al>Indien de verlaging van de toeslag hoger is dan de in eerste instantie berekende
                    toeslag, wordt het meerdere niet verrekend met de bijstandsnorm.</al><al>Dit wil zeggen dat de norm dus niet wordt verlaagd. Een uitzondering hierop
                    vormen de gehuwden. Zij ontvangen geen toeslag; bij hen wordt de norm
                    verlaagd.</al><al/><al><vet>Personen van 65 jaar en ouder</vet></al><al>Personen van 65 jaar en ouder ontvangen sinds 1 april 1998 een hogere
                    bijstandsuitkering dan andere bijstandsgerechtigden, de zogenaamde ouderennorm.
                    De ouderennorm kan niet worden verhoogd met een toeslag of worden verlaagd.
                    Inkomsten uit (onder) huur moeten wel worden gekort op de uitkering. Ook als er
                    kinderen van 21 jaar of ouder inwonen wordt dit als (onder)huur gezien.</al><al/><al><vet> (Verordening, artikel 2)</vet></al><al/><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wet investeren in jongeren (WIJ) op 1 oktober
                    2010 kunnen jongeren aanspraak maken op een werkleeraanbod. Jongeren die bij
                    inwerkingtreding van de WIJ een uitkering op grond van de WWB ontvingen behouden
                    hun aanspraken. De bepalingen in deze verordening blijven op hen van toepassing.
                    De jongeren die bij inwerkingtreding van de WIJ geen bijstand ontvingen of van
                    wie de bijstand nadien is beëindigd en die zich opnieuw melden om bijstand aan
                    te vragen, kunnen geen aanspraken doen gelden op de WWB. Zij behoren immers tot
                    de kring van rechthebbenden van de WIJ. De bepalingen in deze verordening zijn
                    derhalve op hen niet van toepassing. Met ingang 1 juli 2010 behoren alle
                    jongeren tot 27 jaar, ongeacht of zij op dat moment nog bijstand ontvangen, van
                    rechtswege tot de kring van rechthebbenden van de WIJ.</al><al/><al><vet>Jongeren</vet></al><al>De bijstandsnormen voor jongeren van 18 tot 21 jaar zijn wettelijk vastgelegd in
                    de WWB. Deze bedragen zijn gelijk aan de in 1996 vastgelegde
                    kinderbijslagbedragen verhoogd met de indexeringen van de Abw. Het college heeft
                    niet de bevoegdheid deze normen te verhogen met een gemeentelijke toeslag.
                    Wanneer de jongere noodzakelijk zelfstandig wonend is, is de norm ontoereikend
                    voor de kosten van levensonderhoud. In dit geval verstrekt de gemeente
                    aanvullende bijzondere bijstand.</al><al>Dit is vastgelegd in de Richtlijnen Bijzondere Bijstand Utrecht (RBBU).</al><al/><al><vet>(Verordening, artikel 2)</vet></al><al><vet>2.Toelichting op het Utrechtse beleid</vet></al><al>Doelstellingen van het toeslagenbeleid.</al><al>Het gemeentelijk toeslagenbeleid streeft het volgende na:</al><al>• overzicht en duidelijkheid voor cliënten, en</al><al>• eenvoud voor de uitvoeringsorganisatie</al><al/><al><vet>Uitgangspunten van het toeslagen- en verlagingenbeleid</vet></al><al>Een toeslag op de norm voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder wordt
                    verstrekt (of een verlaging niet of niet volledig toegepast op de norm voor een
                    gehuwde) als de belanghebbende aantoonbare noodzakelijke kosten van het bestaan
                    heeft die niet of niet geheel met een ander kunnen worden gedeeld.</al><al>Het gaat hierbij om alle uitgaven waarbij men schaalvoordeel kan hebben doordat
                    de woning met anderen wordt bewoond of kosten van voorzieningen met anderen
                    kunnen worden gedeeld.</al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de gemeenteraad de toeslag op de norm of de verlaging
                    van de norm op categoriale wijze vaststelt. De verscheidenheid en aard van de
                    noodzakelijke kosten van het bestaan brengen met zich mee dat, niet alleen in de
                    WWB maar ook in een gemeentelijke verordening, een concrete opsomming van alle
                    onder het begrip vallende kosten, niet mogelijk is.</al><al/><al><vet>Schaalvoordelen (artikelen 25, 26, 27 WWB)</vet></al><al>Het college kan er bij de vaststelling van de verordening voor kiezen om de
                    verlaging van de toeslag of de norm (bij gehuwden) op maximaal 20 % te stellen
                    als de kosten van het bestaan niet met een ander kunnen worden gedeeld. Voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders bedraagt de toeslag maximaal 20 % (of: er
                    vindt geen verlaging van de gehuwdennorm plaats) als men alleen een woning
                    bewoont. De ratio is dat deze bijstandsgerechtigden de noodzakelijke kosten van
                    het bestaan niet kunnen delen met anderen. Deze personen hebben dus geen
                    schaalvoordelen.</al><al>Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders bedraagt de toeslag maximaal 10 %
                    (of: de verlaging van de gehuwdennorm bedraagt 10 %) als men een woning deelt
                    met een ander. De ratio is dat deze bijstandsgerechtigden de noodzakelijke
                    kosten van het bestaan wel kunnen delen. Deze personen hebben
                    schaalvoordelen.</al><al/><al><vet>Artikel 3, eerste lid onderdeel f. Niet-rechthebbende partner</vet></al><al>Artikel 24 van de wet regelt, dat in geval van een niet-rechthebbende partner,
                    de rechthebbende echtgenoot de norm van een alleenstaande (ouder) ontvangt.
                    Volgens jurisprudentie bestaat er dan in principe recht op een toeslag, die
                    zelfs 20% zou moeten zijn indien de niet-rechthebbende partner geen of een zeer
                    laag inkomen heeft. In principe kan echter iedereen aanspraak maken op een
                    inkomen, bijvoorbeeld uit WWB of WIJ. Om die reden bestaat voor de rechthebbende
                    echtgenoot geen recht op een toeslag. Op het moment dat de niet-rechthebbende
                    partner geen of een laag inkomen ontvangt, of als in geval van niet duurzaam
                    gescheiden levende partners de niet-rechthebbende partner een inkomen heeft dat
                    de kosten van de door hem gevoerde huishouding niet te boven gaat, geldt deze
                    verlaging van de toeslag niet. De verlaging van de toeslag vindt immers een
                    grondslag in artikel 27 WWB, ofwel een verlaging wegens het kunnen delen van de
                    aan de woning verbonden kosten. Daarvan is geen sprake, als gezien de feiten
                    geen beroep kan worden gedaan op de partner.</al><al/><al><vet>(Verordening, artikel 3, eerste lid 1 en artikel 4, eerste lid)</vet></al><al><vet>Geen woonkosten (artikel 27 WWB)</vet></al><al>Woonkosten zijn kosten als huur, of zakelijke lasten als het een koopwoning
                    betreft, die aan derden zijn verschuldigd. Wanneer cliënten een woning bewonen
                    waaraan voor hen geen woonkosten zijn verbonden of waarvan zij de woonlasten
                    niet kunnen aantonen, dan wordt de toeslag bij alleenstaanden, de toeslag bij
                    alleenstaande ouders of de norm bij gehuwden verlaagd met 15% van de
                    gehuwdennorm.</al><al/><al><vet>(Verordening, artikel 3, tweede lid en artikel 4, tweede lid)</vet></al><al><vet>Inwonende kinderen en ouders</vet></al><al>Het inwonen van kinderen (21 jaar en ouder) of ouders levert een verlaging op
                    van de bijstandsnorm of de toeslag. De ouders en de kinderen die samen een
                    woning delen, kunnen de noodzakelijke kosten van het bestaan delen.</al><al/><al><vet>(Verordening, artikel 3, eerste lid en artikel 4, eerste lid)</vet></al><al><vet>Feitelijk delen van de kosten is niet relevant</vet></al><al>Bij de beoordeling of een cliënt inderdaad hogere of lagere bestaanskosten
                    heeft, is niet relevant of deze kosten ook feitelijk met een ander worden
                    gedeeld. Het is voldoende om te weten of de noodzakelijke kosten van het bestaan
                    met een ander kunnen worden gedeeld.</al><al/><al><vet>21- of 22-jarige alleenstaanden (artikel 29 WWB)</vet></al><al>Op 23 jarige leeftijd bestaat er recht op het minimumloon. Voor 21 en 22 jarigen
                    geldt het minimumjeugdloon. Voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar wordt de
                    toeslag met 15% verlaagd. Het voorkomt dat de uitkering hoger is dan het
                    minimumloon bij een fulltime dienstverband, waardoor werkaanvaarding wordt
                    gestimuleerd. De verlaging mag er niet toe leiden dat de uitkering lager wordt
                    vastgesteld dan de landelijke bijstandsnorm van 50 % . Door de anticumulatie
                    wordt voorkomen dat thuiswonende 21- of 22 jarigen onder de landelijke
                    bijstandsnorm zakken.</al><al/><al><vet>(Verordening, artikel 3, derde lid)</vet></al><al><vet>Hulpbehoevendheid (artikel 5)</vet></al><al>De gemeente Utrecht onderkent het belang van mantelzorg. Mantelzorg is de hulp-
                    of zorgverlening aan zelfstandig wonende ouderen, zieken of gehandicapten door
                    ‘naasten’ (familieleden of kennissen). De gemeente heeft aangegeven in de
                    notitie ‘Anders actief, Sociale activering in Utrecht’, mantelzorg actief te
                    willen ondersteunen.</al><al>Wanneer inwoning noodzakelijk ( dringende of onvermijdbare omstandigheid en
                    waarbij de professionele hulpverlening op dat moment geen oplossing kan bieden)
                    is vanwege hulpbehoevendheid van de inwonende of de hoofdbewoner, dan kan bij
                    wijze van uitzondering toch een toeslag van 20 % worden verstrekt (of: vindt er
                    geen verlaging op de gehuwdennorm plaats). In veel gevallen gaat het om kinderen
                    die zelfstandig wonen en (tijdelijk)</al><al>bij een ouder intrekken om deze te verzorgen. De verzorging heeft meestal een
                    tijdelijk karakter. Als de verzorging langer duurt dan is voorzien en er is
                    eigenlijk van tijdelijkheid geen sprake meer, dan is adequate beroepsmatige
                    hulpverlening aan te bevelen. Het begrip ‘tijdelijk karakter’ is moeilijk te
                    definiëren. Er wordt in deze situatie vanuit gegaan dat het ‘tijdelijke
                    karakter’ niet langer dan twaalf maanden duurt omdat binnen deze periode het
                    mogelijk moet zijn om professionele hulp te realiseren.</al><al>De normale toeslag of de geen verlaging geldt voor beiden.</al><al>Dit betekent dat zowel voor de verzorger als voor de degene die hulpbehoevend is
                    de toeslag (of: de gehuwdennorm) niet wordt gewijzigd.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Samenloop WWB en WIJ</vet></al><al>In artikel 3, eerste lid, onder f. van deze verordening is al bepaald dat de
                    gehuwde met een niet-rechthebbende partner geen recht heeft op een toeslag.
                    Artikel 5 regelt vervolgens dat indien het gaat om een niet-rechthebbende
                    partner met een inkomen op grond van de WIJ, de norm van de rechthebbende
                    WWB-cliënt wordt verlaagd in bepaalde situaties. Hetzelfde is geregeld in de
                    verordening WIJ. Wanneer er dus sprake is van samenloop WIJ en WWB, worden beide
                    uitkeringen verlaagd in die situaties, waarin, als beide partners dezelfde
                    uitkering hadden genoten, een verlaging op hun gehuwdennorm toegepast zou
                    worden. Zo wordt bereikt dat de totale gecombineerde uitkering op grond van de
                    WWB en de WIJ van gehuwden nooit meer bedraagt dan de gehuwdennorm van de WWB en
                    per saldo met 10% wordt verlaagd in geval van delen van kosten, en met 15% wordt
                    verlaagd in geval van ontbreken van kosten.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>