<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR63479_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Hilversum 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hilversum</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hilversum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Gooi en Eembode, 21-07-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Hilversum 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-06-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-05-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 1.1, 2.1.5, 8.1.1, 8.1.6, 8.1.7, 8.3.3, 12.2</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is tussentijds gewijzigd. De wijzigingen zijn integraal in de tekst opgenomen. De toelichting op de Bouwverordening is als afzonderlijke regeling opgenomen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Hilversum 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld door de raad bij besluit van 24 juni 2009</al><al>Bekendmaking op 6 augustus 2009 (Gemeenteblad III, nr. 57), alsmede in
                        de</al><al>Gooi en Eembode op 6 augustus 2009</al><al>In werking getreden op <vet>21 augustus 2009</vet></al><al>nadien gewijzigd bij zijn besluit(en) van: </al><al>·22 september 2010 - Bekendmaking op 23 september 2010 (Gemeenteblad III,
                        nr. 87), alsmede in de Gooi en Eembode op 30 september 2010. In werking
                        getreden op <vet>1 oktober 2010</vet>;</al><al><vet>Bouwverordening Hilversum 2009</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1 begripsomschrijvingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="o"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="o"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                        artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het
                                        ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit
                                        artikellid, burgemeester en wethouders; </al></li><li nr="o"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in <onderstreept>artikel 2</onderstreept> van de Woningwet;
                                    </al></li><li nr="o"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                                        van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw-
                                        en woningtoezicht; </al></li><li nr="o"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren; </al></li><li nr="o"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen
                                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li><li nr="o"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="o"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="o"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven norm;</al></li><li nr="o"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="o"><al>omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                        bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
                                        a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="o"><al>omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                        sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                        onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
                                    </al></li><li nr="o"><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct
                                                aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse
                                                van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                                                direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                                ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van
                                                de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="o"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                        openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                        gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een
                                gedeelte van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een gebouw.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="o"><al>klachtenonderhoud: het niet-geplande onderhoud van woningen
                                        en daarbij horende bouwwerken naar aanleiding van klachten
                                        van bewoners of derden waarbij de gemelde storing een
                                        inbreuk op het woongenot betekent respectievelijk hinder of
                                        gevaar oplevert;</al></li><li nr="o"><al>mutatieonderhoud: alle onderhoudswerken die worden
                                        uitgevoerd aan woningen en daarbij horende bouwwerken naar
                                        aanleiding van een bewonersmutatie en die tot doel hebben de
                                        woning op te leveren voor een volgende bewoner.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2 Termijnen </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom; </al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
                                </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen </label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                        <onderstreept>artikel 8</onderstreept>, vierde lid, van de
                                    Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                            bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009,
                                            in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt
                                            uit figuur 1;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen);</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                    Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                    verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                    voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
                                    bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toestaan
                                    voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
                                    in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                    historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                    locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                    rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                                    aanvraag om bouwvergunning </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                    bouwvergunning woonwagens en standplaatsen </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                                </label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek </label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                                    bouwvergunning </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
                            </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
                                </label></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven; </al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen is vereist; en </al></li><li nr="c."><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of </al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik
                                                niet wordt gehandhaafd. </al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
                                </label></kop><al/><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of
                                andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                                overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing
                                    van de stedenbouwkundige bepalingen </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling </label></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en </al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het vierde lid,
                                    indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich
                                    daarvoor lenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3A Brandweeringang </label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in
                                                <onderstreept>artikel 4.3</onderstreept> van het
                                            Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit;</al></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                    begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de
                                                <onderstreept>artikelen 2.39</onderstreept> en
                                                <onderstreept>2.40</onderstreept> van het
                                            Bouwbesluit.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn </label></kop><al>De voorgevelrooilijn is: </al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft; </al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een
                                        wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                        meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan
                                        10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn </label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel
                                    <onderstreept>2.5.7</onderstreept> is het verboden een bouwwerk,
                                voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist te bouwen
                                met overschrijding van de voorgevelrooilijn. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn </label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen
                                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod
                                    tot overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                            Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming
                                            op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in <onderstreept>artikel
                                                2.5.7</onderstreept>;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                    toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="o"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van
                                            een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                            rijweg; </al></li><li nr="o"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en
                                            dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van
                                            de weg niet in gevaar komt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg </label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in <onderstreept>artikel 2.5.7
                                            </onderstreept>en in die waarin de afwijking genoemd in
                                            de <onderstreept>artikelen 2.5.8</onderstreept> en
                                                <onderstreept>2.5.9</onderstreept> is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in <onderstreept>artikel
                                                2.5.13</onderstreept> en in die waarin de afwijking
                                            genoemd in <onderstreept>artikel 2.5.14</onderstreept>
                                            is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m²
                                    behoeft te zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                            artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                            woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                            afwijking is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding
                                    van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                    aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                    hoekbebouwing dit toelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn </label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                    2.5.13</onderstreept> is het verboden bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn </label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        onderdeel 7 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn </label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de <onderstreept>artikelen
                                            2.5.3</onderstreept> en
                                            <onderstreept>2.5.4</onderstreept>, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                        vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                        1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in <onderstreept>artikel
                                        2.5.13</onderstreept>;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in <onderstreept>artikel 2.5.13</onderstreept>,
                                    en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                            indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                            bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                  bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                  van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                  toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van
                                            het verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                    aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                    niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen
                                    en ondergrondse hoofdtransportleidingen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor
                                    het bouwen waarvan een bouwvergunning is vereist, worden
                                    gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                            oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de
                                    voorgevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                        2.5.24</onderstreept> bedraagt de maximale hoogte van een
                                    bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter,
                                    vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt, geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                                    achtergevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                        2.5.24</onderstreept> bedraagt de maximale hoogte van een
                                    bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter,
                                    vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                    beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                                    voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                    uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.24</onderstreept> - de
                                    maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan
                                    laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand
                                    van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                    eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                    worden bepaald als beschreven is in <onderstreept>artikel
                                        2.5.21</onderstreept>, tweede lid, voor de bepaling van de
                                    afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                    niet hoger is dan de voorgevel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                        2.5.24</onderstreept> mag een bouwwerk, voor het bouwen
                                    waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en
                                    de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die
                                    de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                    achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de
                                        <onderstreept>artikelen 2.5.20</onderstreept> en
                                        <onderstreept>2.5.21 </onderstreept>- maximale bouwhoogte en
                                    die met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de - krachtens <onderstreept>artikel
                                        2.5.22</onderstreept> - maximale bouwhoogte en dat met het
                                    horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van
                                    bouwwerken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15
                                    meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagst gelegen weg. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
                                    grenzende terreinen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge
                                        <onderstreept>artikel 2.5.3</onderstreept> of
                                        <onderstreept>artikel 2.5.14 </onderstreept>toegestane
                                    afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend
                                    terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien
                                    verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat -
                                    daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                    toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en
                                    de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                    vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
                                    bouwwerken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in
                                        <onderstreept>artikel 2.5.27</onderstreept>, onder d, en
                                        <onderstreept>artikel 2.5.28</onderstreept>, onder h, i, j
                                    en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden -
                                    buiten beschouwing worden gelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte </label></kop><al>Het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.20</onderstreept>, eerste
                                lid, <onderstreept>artikel 2.5.21</onderstreept>, eerste en derde
                                lid, <onderstreept>artikel 2.5.22</onderstreept>, eerste lid,
                                    <onderstreept>artikel 2.5.23</onderstreept> en
                                    <onderstreept>artikel 2.5.24</onderstreept> is niet van
                                toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte </label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten
                                    bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                                    beleid</label></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3.
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing bevat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer. Burgemeester en wethouders kunnen
                                    beleidsregels vaststellen met betrekking tot de wijze van
                                    bepalen van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien
                                    daarbij ten behoeve van de bruikbaarheid rekening wordt gehouden
                                    met de situatie en inrichting van de plek waar parkeerruimte
                                    wordt aangebracht en:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                            minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00
                                            m bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte – voor zover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50
                                            m bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste, het tweede en het
                                    derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen beleidsregels vaststellen met
                                    betrekking tot het verlenen van ontheffingen. Deze regels kunnen
                                    - mede - bestaan uit financiële voorwaarden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                                    brandmeldinstallaties </label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties
                                </label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties
                                </label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van
                                    ontruimingsalarminstallaties</label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
                                </label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen
                                </label></kop><al><vet>(gereserveerd)</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten </label></kop><al>(gereserveerd) </al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
                                </label></kop><al>De in <onderstreept>artikel 3.119</onderstreept> van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater
                                moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
                                </label></kop><al>De in <onderstreept>artikel 2.46 </onderstreept>van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening
                                moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor
                                elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in <onderstreept>artikel 2.68</onderstreept> van het
                                    Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen
                                    gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                    distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in
                                            dit lid op woningen, waarin voor het kunnen koken een
                                            andere energiebron dan gas aanwezig is en voor
                                            verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer
                                            nodig is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan
                                            500 m²;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                            verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                            gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                            verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                            Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke
                                    voorziening voor verwarming </label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in <onderstreept>artikel 3.31</onderstreept> van het
                                    Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen
                                    voor de afvoer van afvalwater en fecaliën moeten zijn
                                    aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is deze
                                    eis in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                    aanwezig is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                            binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                            noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                                            gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of
                                            moeten kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                            terugvloeien van afvalwater en fecaliën, ingeval de
                                            leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op
                                            het openbaar riool te lozen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al
                                    dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                                    worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of
                                    de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                    van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                    ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                    daartoe aanleiding geeft. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op
                                    een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                    lucht mogelijk is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de in <onderstreept>artikel 3.31</onderstreept> van het
                                    Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen
                                    voor de afvoer van afvalwater en fecaliën niet aan een openbaar
                                    riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                            waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                            overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                            waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een
                                            beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput
                                            met overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën,
                                            alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig
                                            lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht
                                            kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën
                                            mogen niet lozen op een rottingput. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in <onderstreept>artikel 3.41</onderstreept> van het
                                    Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten: </al><lijst><li nr="a."><al>zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem
                                            en lucht kan optreden; en</al></li><li nr="b."><al>zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte
                                            opvang- en bezinkingsvoorziening van voldoende
                                            capaciteit, welke voorziening in verband met de grootte
                                            van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid
                                            ter plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van
                                            de perceelgrenzen en de bebouwing op het perceel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking:</al><lijst><li nr="a."><al>van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op
                                            andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                            lucht mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>van het bepaalde in het tweede lid, indien de
                                            bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan
                                            wel de omvang van het perceel de infiltratie van
                                            hemelwater niet toelaten en bovendien de
                                            afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt aangesloten
                                            aan een rottingput. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                        scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                        haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                        aangewerkt.</al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen
                                        aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat
                                        de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                        zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                        aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                        rottingputten voorkomen.</al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                        geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten
                                        een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                        waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                        beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan,
                                        indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave
                                        2007. </al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een
                                        leiding voor de afvoer van afvalwater, fecaliën en
                                        hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist,
                                        een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125
                                        mm.</al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en
                                        hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op erven en
                                        terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt
                                        geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het
                                        bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
                                    van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label></kop><al>De in de <onderstreept>artikelen 2.7.1</onderstreept>,
                                    <onderstreept>2.7.2</onderstreept>,
                                    <onderstreept>2.7.3</onderstreept> en
                                    <onderstreept>2.7.4</onderstreept> bedoelde afstand moet worden
                                gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder
                                bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat
                                zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 De melding </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1 De wijze van melden</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2 Welstandscriteria</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruikneming van een bouwwerk</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                                tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                                bescheiden</label></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b
                                    van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. </al></li><li nr="e."><al>een afschrift van de eindbeoordeling als bedoeld in artikel 9,
                                    derde lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005, in het geval
                                    dat werkzaamheden in een binnenruimte van het bouwwerk of object
                                    plaatsvinden die niet eerder mogen worden verricht dan nadat
                                    wordt voldaan aan het voornoemde artikel 9, derde lid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</label></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen
                            alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig: </al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
                                (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd
                                het bepaalde in de voorwaarden van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                        daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                onderzoekingen</label></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</label></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                                hinder</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                                ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                                verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                        en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.11 Bouwafval</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL);</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m³ per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m³ per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m³, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van het gereedkomen:</al><lijst><li nr="1."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                        riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen
                                        door wanden en vloeren beneden straatpeil; </al></li><li nr="2."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede
                                        van de thermische isolatie in andere besloten constructies
                                    </al></li></lijst><al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a
                                en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht
                                tot kennisgeving van voltooiing is bepaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het
                                einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al><al/><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</label></kop><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                            nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.15 Merktekens voor brandwerend glas</label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                                    terreinen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 40 meter is verwijderd
                                    van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang
                                    en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in
                                                <onderstreept>artikel 4.3</onderstreept> van het
                                            Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit; </al></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                    begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de
                                                <onderstreept>artikelen 2.39</onderstreept> en
                                                <onderstreept>2.40</onderstreept> van het
                                            Bouwbesluit.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake
                                    brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties
                                    in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen,
                                    logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    woongebouwen van bijzondere aard </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    kantoorgebouwen </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label></kop><al>De in de <onderstreept>artikelen 3.123</onderstreept> en
                                    <onderstreept>3.124</onderstreept> van het Bouwbesluit bedoelde,
                                in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</label></kop><al>De in <onderstreept>artikel 2.52</onderstreept> van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet
                                zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label></kop><al>De in <onderstreept>artikel 2.72</onderstreept> van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn
                                aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op: </al><lijst><li nr="a."><al>woningen, waarin voor het kunnen koken een andere
                                        energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen
                                        individuele aansluiting van gastoevoer nodig is;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m²;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De in <onderstreept>artikel 3.36</onderstreept> van het
                                        Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen
                                        voor de afvoer van afvalwater en fecaliën, alsmede de
                                        eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor
                                        de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde
                                        in <onderstreept>artikel 5.3.6</onderstreept>, op een
                                        doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar
                                        riool.</al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                riolering aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m
                                                van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt
                                                geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de fecaliën voor
                                                bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                                voldoende ruime mestkelder, gier- of beerput
                                                aanwezig is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering </label></kop><al>Indien het gestelde in <onderstreept>artikel 5.3.4</onderstreept>,
                                tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de fecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                                        worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                        overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                        rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd
                                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                        optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder fecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><al><onderstreept>Artikel 2.7.6</onderstreept> en de bijbehorende
                                    <onderstreept>bijlage 7</onderstreept> zijn van overeenkomstige
                                toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
                                    van het openbare net van de nutsvoorzieningen </label></kop><al>De in de <onderstreept>artikelen 5.3.1</onderstreept>,
                                    <onderstreept>5.3.2</onderstreept>,
                                    <onderstreept>5.3.3</onderstreept> en
                                    <onderstreept>5.3.4</onderstreept> bedoelde afstand moet worden
                                gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder
                                bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat
                                zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.4.1 Preventie</label></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6 Brandveilig gebruik</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                                ongevallen bij brand</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen
                                </label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid
                                </label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Overbevolking </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</label></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m²
                                gebruiksoppervlakte. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</label></kop><al>Het is verboden een woonwagen, te bewonen met of toe te staan dat
                                een woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m²
                                gebruiksoppervlakte. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</label></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken
                                of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                                wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: </al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                        bouwwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid
                                    en gebrek aan hygiëne </label></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het
                                bouwwerk te staken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een
                                    woonwagen</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                                terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf</label></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het
                                Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 4.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.3.2 Hinder</label></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor: </al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook,
                                        roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.4.1 Preventie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Watergebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</label></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                                schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                                gebruiken. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Installaties</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</label></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het
                                Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de
                                aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren,
                                zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 7A Kamerbewoning </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7a.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a.2 Vergunning kamerbewoning</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a.3 Gebruikseisen en algemene regels</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a.4 Aanvraag vergunning kamerbewoning</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a.5 Termijn van beslissing</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a.6 Weigeren vergunning kamerbewoning</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a.7a Wijziging van de vergunning kamerbewoning</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a.7b Voorwaarden en voorschriften vergunning
                                kamerbewoning:</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a.8 Intrekken vergunning kamerbewoning</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a.9 Verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a.10 Legesheffing</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a.11 Inwerkingtreding</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 8 Slopen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken, woonwagens daaronder begrepen, te
                                    slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                    gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m³, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                    of oplegging van een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan
                                    aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde
                                    lid en, indien van toepassing, het zesde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen, onverminderd het bepaalde in het zesde lid, slechts
                                    voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden
                                            van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding
                                            in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en
                                            een fractie overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen
                                            van de gegevens als bedoeld in <onderstreept>artikel
                                                7.2</onderstreept>, onder b. van de Regeling
                                            omgevingsrecht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd
                                    gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met
                                    betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed
                                    maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de
                                    termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld
                                    over het slopen van het tijdelijke bouwwerk.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien het slopen -mede- betreft het verwijderen van asbest in
                                    het kader van mutatie- en/of klachtenonderhoud en betrekking
                                    heeft op een gespecificeerde lijst van bouwwerken, al dan niet
                                    betrekking hebbend op hetzelfde terrein of op met elkaar
                                    samenhangende terreinen, waarvan ten tijde van
                                    vergunningverlening de mogelijkheid en een tijdstip van
                                    vergunningplichtig handelen niet kan worden voorzien:</al><al>a. wordt in de omgevingsvergunnning voor het slopen
                                    bepaald:</al><lijst><li nr="1."><al>dat zij slechts geldt voor een daarin aangegeven termijn
                                            van ten hoogste drie jaar;</al></li><li nr="2."><al>dat de onder 1 bedoelde termijn op verzoek van
                                            vergunninghouder kan worden verlengd, telkens met ten
                                            hoogste drie jaar;</al></li><li nr="3."><al>dat, indien mede een vergunning krachtens andere
                                            wetgeving is vereist zoals wordt bedoeld in artikel
                                            8.1.6, aanhef en onder c en f, ten aanzien van een
                                            concrete locatie niet eerder van de omgevingsvergunning
                                            mag worden gebruik gemaakt, dan op het tijdstip waarop
                                            die vergunning in werking treedt.</al></li></lijst><al>b. kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen, onverminderd het derde lid, mede voorschriften verbinden
                                    die regelen: </al><lijst><li nr="1."><al>dat voor een te onderscheiden -en voor wat betreft te
                                            verwachten aanwezigheid van asbestmateriaal
                                            vergelijkbaar- deel van de verzameling bouwwerken op een
                                            bij de vergunning behorende gespecificeerde lijst
                                            bouwwerken waarop de vergunning betrekking heeft eerst
                                            van de vergunning mag worden gebruik gemaakt nadat het
                                            bevoegd gezag op verzoek van vergunninghouder heeft
                                            verklaard:</al><al>dat daarop betrekking hebbende verstrekte
                                            asbestinventarisatierapporten, zoals bedoeld in artikel
                                            1, eerste lid, onder b, van het
                                            Asbestverwijderingsbesluit 2005, voldoende zijn en
                                            voldoende representatief zijn om te kunnen vaststellen
                                            dat de volgens lid 3, onder a, b en c, en lid 4 aan de
                                            verstrekte vergunning verbonden voorschriften toereikend
                                            zijn om van de vergunning gebruik te kunnen maken,
                                            onverminderd het hierna gestelde onder 2.</al></li><li nr="2."><al>a. dat vergunninghouder tenminste één week voorafgaande
                                            aan de aanvang van het slopen van asbest uit/van een
                                            bouwwerk het bevoegd gezag een afschrift van het
                                            asbestinventarisatierapport van dat bouwwerk verstrekt,
                                            zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het
                                            Asbestverwijderingsbesluit 2005, onverminderd het
                                            bepaalde in artikel 8.3.3, derde lid;</al><al>b. dat ook uit het rapport onder a moet kunnen blijken
                                            dat de volgens lid 3, onder a, b en c, en lid 4 aan de
                                            verstrekte vergunning verbonden voorschriften toereikend
                                            zijn om van de vergunning gebruik te kunnen maken, zoals
                                            bedoeld onder 1.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan gedeeltelijk uitstel verlenen van de
                                    plicht tot het indienen van gegevens als bedoeld in artikel 1.3,
                                    lid 3 en artikel 7.2 van de Regeling omgevingsrecht indien
                                    sprake is van slopen als bedoeld in lid 6, aanhef, tot het
                                    moment dat deze gegevens alsnog worden ingediend ten behoeve van
                                    de toetsing die plaatsvindt om een verklaring te kunnen afgeven
                                    als bedoeld in lid 6, aanhef, onder b, sub 1 en/of om te voldoen
                                    aan de eis als bedoeld in lid 6, aanhef, onder b, sub 2.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan beleidsregels vaststellen omtrent het
                                    gestelde in: </al><lijst><li nr="a."><al>lid 3, aanhef, voor wat betreft het gestelde onder a, b,
                                            c en d;</al></li><li nr="b."><al>lid 4;</al></li><li nr="c."><al>lid 6, aanhef en onder a en b;</al></li><li nr="d."><al>lid 7.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is
                                            gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                            niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband
                                            met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door
                                            het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil
                                            kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische
                                            monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                            provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening
                                            is vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="d."><al>(vervallen);</al></li><li nr="e."><al>(vervallen);</al></li><li nr="f."><al>een vergunning als bedoeld in artikel 30 of artikel 33
                                            van de Huisvestingswet (Stb. 1992, 548) is vereist en
                                            deze niet is verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. Het bevoegd gezag kan beleidsregels vaststellen omtrent het
                                    gestelde in het eerste lid, aanhef, onder a en b.</al><al>b. Indien artikel 8.1.1, zesde lid, toepassing vindt, zijn de
                                    weigeringsgronden genoemd in lid 1, onder c en f niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</label></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                        onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                        omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de
                                        werkzaamheden is gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                        werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26
                                        weken stilliggen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een
                                omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                        omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders
                                        dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn
                                        geheel slopen van: </al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin de
                                                asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde
                                                dakleien, uit een woning of uit een op het erf van
                                                die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of
                                                het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening
                                                van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld
                                                zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van
                                                de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                                bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                                asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit
                                                een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                                                voorzover de woning of het bijgebouw niet in het
                                                kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf
                                                worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat
                                                kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                                asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels
                                                maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal
                                                perceel bedraagt; mits het voornemen tot dit slopen
                                                is gemeld bij burgemeester en wethouders en door
                                                burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de
                                                dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                                omgevingsvergunning voor het slopen is vereist.
                                            </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                        worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                        burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                        tweevoud worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                        Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                        aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                        burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst
                                        toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                                        vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid
                                        bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn
                                        hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                        bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met
                                        betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van
                                        asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of
                                        het zevende lid is verplicht het gestelde in een door de
                                        minister van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en
                                        milieubeheer uitgegeven publicatie ter zake van het slopen
                                        van asbest bevattende vloerbedekking in acht te nemen.
                                        Voorts is de houder verplicht de voorschriften, bedoeld in
                                        het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of
                                        krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                        nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                        sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het
                                        eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde
                                        eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de
                                        melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de
                                        door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te
                                        leggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    omgevingsvergunning voor het slopen </label></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor
                                zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in
                                het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of
                                gedeeltelijk verwijderen van: </al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; </al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen; </al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen; </al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren; </al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</label></kop><al>Het bepaalde in de <onderstreept>artikelen 4.8 </onderstreept>tot en
                                met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het
                                sloopterrein. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen
                                    of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van
                                    een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op
                                    verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op het sloopterrein moet, in het geval dat werkzaamheden in een
                                    binnenruimte van een bouwwerk of object plaatsvinden die niet
                                    eerder mogen worden verricht dan nadat wordt voldaan aan artikel
                                    9, derde lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005, een
                                    afschrift van de daarop betrekking hebbende eindbeoordeling
                                    aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage
                                    worden gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de
                                    omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                    slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan
                                    een deskundig bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                    afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                    bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                    uitvoeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>a. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt
                                    ten minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen,
                                    het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en
                                    tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op
                                    asbest, zal plaatsvinden.</al><al>b. indien gebruik gemaakt wordt van een omgevingsvergunning voor
                                    het slopen die is verleend met toepassing van artikel 8.1.1,
                                    zesde lid, geldt in plaats van de onder a bepaalde termijn van
                                    ten minste één week een termijn van ten minste twee werkdagen,
                                    tenzij het bevoegd gezag bij het verlenen van de vergunning
                                    anders heeft bepaald, onverminderd het bepaalde in artikel
                                    8.1.1, zesde lid, onder b, onderdeel 2.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt
                                    binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het
                                    bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de
                                    eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor
                                    het slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het
                                    slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht
                                    hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en
                                    woningtoezicht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                    aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk
                                    op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde
                                    van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                    moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                    asbest</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                                    tuinbouwkassen (gereserveerd) </label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Vrij slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens <onderstreept>artikel 8.1.1</onderstreept>,
                                    noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten
                                    minste te worden gescheiden in de navolgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 van de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 9 Welstand</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Commissie voor Welstand en Monumenten functioneert als
                                welstandscommissie als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder q van de
                                Woningwet en adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor
                                een omgevingsvergunning voor het bouwen, met inachtneming van het
                                reglement als bedoeld in lid 2.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bij deze verordening behorende Reglement van orde op de
                                Commissie voor Welstand en Monumenten bevat de regels betreffende
                                samenstelling, benoeming, taak en werkwijze van de commissie zoals
                                bedoeld in lid 1.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeenteraad kan bepaalde gebieden aanwijzen waar voor een
                                daarbij te geven termijn de welstandsadvisering is opgedragen aan
                                een stadsbouwmeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.2 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                                bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                    voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                    bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad
                                    het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al></li><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten is
                                    ingewonnen.</al></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de
                                    wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet
                                    vastgestelde verordening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een
                                ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (gereserveerd)
                            </label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.4 Overdragen mededeling </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen
                                en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                                andere voorschriften</label></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd. </al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 11 Handhaving</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
                                (gereserveerd) </label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek </label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12.1 Strafbare feiten</label></kop><al>(gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van
                                open erven en terreinen</label></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                                gebruiksvergunning</label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.6 Slotbepaling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de 15<sup>e</sup> dag na
                                    die waarop zij is afgekondigd</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                    bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 10 maart 1993
                                    en alle daarin aangebrachte wijzigingen.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening
                                    Hilversum 2009'</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Hilversum, 24 juni 2009,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>K.E. Driehuijs E.C. Bakker</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>BIJLAGEN</label></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="13*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="61*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Overzicht wijzigingen t.o.v. voorgaande bouwverordening
                                        (‘Bouwverordening Hilversum 2006’)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>Was reeds vervallen</al></entry><entry colname="col3"><al>Vanwege inwerkingtreding besluit indieningsvereisten
                                        aanvraag bouwvergunning</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 t/m 6</al></entry><entry colname="col2"><al>Vervallen</al></entry><entry colname="col3"><al>Vanwege vervallen hoofdstuk 6 betreffende brandveilig
                                        gebruik en de inwerkingtreding van het gebruiksbesluit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>Blijft</al></entry><entry colname="col3"><al>Betreft kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                                        buitenriolering; verwijzing naar NEN-norm</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>Vervalt</al></entry><entry colname="col3"><al>Vanwege inwerkingtreding asbestverwijderingsbesluit
                                        2005</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>Wordt vernummerd naar 13</al></entry><entry colname="col3"><al>Parkeernormen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>Nieuw</al></entry><entry colname="col3"><al>Reglement van orde welstand, m.i.v. volgens artikel 8
                                        Woningwet in de bouwverordening te regelen onderwerpen; in
                                        Modelbouwverordening was dit bijlagenummer hiervoor al
                                        gereserveerd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 t/m 12</al></entry><entry colname="col2"><al>Vervallen</al></entry><entry colname="col3"><al>Vanwege vervallen paragraaf 6 van hoofdstuk 2 inhoudende
                                        voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                        vluchtrouteaanduidingen en de inwerkingtreding van het
                                        gebruiksbesluit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>Vervallen</al></entry><entry colname="col3"><al>Samen met vervallen hoofdstuk 7A Kamerbewoning; betrof
                                        gegevens en bescheiden aanvraag vergunning kamerbewoning;
                                        reden is dat de vergunning voor kamerbewoning uitsluitend
                                        getoetst wordt aan eisen m.b.t. brandveiligheid en
                                        vluchtroutes; betreffende dit doel en onderwerp is nu het
                                        gebruiksbesluit inwerking getreden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>Vernummerd vanuit 9</al></entry><entry colname="col3"><al>Gereserveerd.</al><al>Beleidsregels betreffende parkeernormen zoals bedoeld in
                                        artikel 2.5.30, eerste lid. De parkeernormen zijn nu door
                                        burgemeester en wethouders als beleidsregels opnieuw vast te
                                        stellen (in voorgaande situatie betrof dit een bijlage bij
                                        de toelichting van de bouwverordening)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>Vervallen</al></entry><entry colname="col3"><al>Samen met vervallen hoofdstuk 7A Kamerbewoning; betrof
                                        algemene regels kamerbewoningpand; reden is dat de
                                        vergunning voor kamerbewoning uitsluitend getoetst wordt aan
                                        eisen m.b.t. brandveiligheid en vluchtroutes; betreffende
                                        dit doel en onderwerp is nu het gebruiksbesluit inwerking
                                        getreden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>Nieuw</al></entry><entry colname="col3"><al>Gereserveerd.</al><al>Beleidsregels inzake het verlenen van ontheffing, zoals
                                        bedoeld in het vijfde lid van artikel 2.5.30, in verband met
                                        het vierde lid. (bestaande beleidsregels daterend uit 2005
                                        worden aangepast aan de gewijzigde redactie van artikel
                                        2.5.30, vierde lid).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>Kaart; in voorgaande verordening betrof dit een ongenummerde
                                        bijlage</al></entry><entry colname="col3"><al>Kaart, waarop volgens artikel 1.3, tweede lid, het gebied
                                        binnen de bebouwde kom staat aangegeven</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Bijlage 1</vet> Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning Bijlage als
                    bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 (gereserveerd)</al><al/><al><vet>Bijlage 2</vet> Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning Bijlage
                    behorende bij artikel 6.1.2 (gereserveerd)</al><al/><al><vet>Bijlage 3 </vet> Gebruikseisen voor bouwwerken (gereserveerd)</al><al/><al><vet>Bijlage 4</vet></al><al>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                    ruimten in woonfuncties (gereserveerd)</al><al/><al><vet>Bijlage 5</vet></al><al>Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen</al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2 (gereserveerd)</al><al/><al><vet>Bijlage 6</vet></al><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.3</al><al>(gereserveerd)</al><al/><al><vet>Bijlage 7</vet></al><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en
                    terreinen Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel
                    2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: </al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen'
                            (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                            correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                            buitenrioleringen';</al></li><li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                            buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor
                            buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig);</al></li><li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                            aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3,
                            uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig);</al></li><li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                            aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en
                            monstername' (Engelstalig);</al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                            Beproevingsmethoden' (Engelstalig).</al></li></lijst><al/><al><vet>Bijlage 8</vet></al><al>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee</al><al>vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al>Bijlage behorende bij artikel 8.1.2</al><al>(gereserveerd)</al><al/><al><vet>Bijlage 9</vet></al><al>Reglement van orde op de Commissie voor Welstand en Monumenten</al><al>Bijlage behorend bij artikel 9.1, tweede lid</al><al>In dit Reglement van orde op de Commissie voor Welstand en Monumenten zijn de
                    instelling en de samenstelling en werkwijze van de Commissie voor Welstand en
                    Monumenten voor de gemeente Hilversum vastgelegd. </al><al>Dit reglement van orde behoort bij de bouwverordening (hiervoor was het
                    reglement al door de raad vastgesteld op 7 mei 2003 en laatst gewijzigd op 4
                    juli 2007).</al><al/><al><onderstreept>Tekstuele weergave</onderstreept>:</al><al><vet>Inhoud</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Advisering door de Commissie voor Welstand en Monumenten 3</al></li><li nr="2."><al>Samenstelling van de Commissie voor Welstand en Monumenten 4</al></li><li nr="3."><al>Benoeming en zittingsduur 5</al></li><li nr="4."><al>Jaarlijkse verantwoording 5</al></li><li nr="5."><al>Termijn van advisering en vooroverleg 6</al></li><li nr="6."><al>Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting 6</al></li><li nr="7."><al>Afdoening bij mandaat 7</al></li><li nr="8."><al>Vorm waarin het welstandsadvies wordt uitgebracht 8</al></li><li nr="9."><al>Ondersteuning van de commissie 9</al></li><li nr="10."><al>Vergaderorde 9</al></li><li nr="11."><al>Financiële vergoeding 10</al></li><li nr="12."><al>Slotbepaling 10</al></li></lijst><al/><al><vet>1.</vet><vet> Advisering door de Commissie voor Welstand en Monumenten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Definitie</vet></al><al>De commissie: de Commissie voor Welstand en Monumenten</al><al/><al><vet>Artikel 2 Onafhankelijkheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie is een door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
                            commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt over zaken
                            welke op de welstand van de bebouwde omgeving, op monumenten of
                            beschermde stads- en dorpsgezichten betrekking hebben.</al></li><li nr="2."><al>De commissie voert haar taken uit in onafhankelijkheid en is
                            beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid en baseert
                            haar advies uitsluitend op de in de welstandsnota genoemde
                            welstandscriteria.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3 Taakomschrijving</vet></al><al>De commissie is belast met de volgende taken:.</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie adviseert burgemeester en wethouders over de
                            welstandsaspecten van aanvragen voor regulier vergunningplichtige
                            bouwwerken als bedoeld in artikel 44 eerste lid onder d van de
                            Woningwet.</al></li><li nr="2."><al>De commissie adviseert burgemeester en wethouders over de
                            welstandsaspecten van aanvragen voor licht-vergunningplichtige
                            bouwwerken als bedoeld in artikel 44, lid 3, juncto lid 1, onder d, van
                            de Woningwet, indien dergelijke aanvragen niet door een gemandateerde
                            ambtenaar, op grond van in de welstandsnota opgenomen ambtelijke
                            toetsingscriteria, van een positief welstandsadvies kunnen worden
                            voorzien.</al></li><li nr="3."><al>De commissie is door de gemeenteraad aangewezen als commissie als
                            bedoeld in artikel 1 sub f, van de monumentenverordening Hilversum 2001
                            en adviseert burgemeester en wethouders over de toepassing van de
                            Monumentenwet 1988, over de toepassing van de voornoemde
                            monumentenverordening en over de geïnventariseerde waardevolle gebouwen
                            en over monumentale of cultuurhistorische belangen in de sfeer van de
                            ruimtelijke ordening.</al></li><li nr="4."><al>De commissie adviseert burgemeester en wethouders over de
                            welstandsaspecten van aanvragen voor een reclamevergunning, voorzover
                            deze aanvragen aan de hand van de reclamenota c.q. welstandsnota niet
                            ambtelijk kunnen worden afgedaan, wegens twijfel over de vraag of de
                            aanvraag al dan niet past binnen de nota.</al></li><li nr="5."><al>Bij aanvragen bouwvergunning en monumentenvergunning, brengt de
                            commissie een integraal advies uit, waarin echter een duidelijke
                            scheiding is aangebracht tussen het welstandsadvies en het advies ten
                            aanzien van de monumentenverordening.</al></li><li nr="6."><al>De commissie voert onder regie van de gemeente overleg met betrokkenen
                            bij de voorbereiding van bouwplannen en beoordeelt daartoe schetsplannen
                            voor bouwplannen Van de schetsplanbeoordeling en overleg daarover wordt
                            altijd verslag gemaakt, dat met de besproken bescheiden wordt opgenomen
                            in het dossier.</al></li><li nr="7."><al>De commissie brengt op verzoek van burgemeester en wethouders advies uit
                            over de welstandsaspecten c.q. monumentenaspecten van in voorbereiding
                            zijnde bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen, plannen voor de
                            inrichting van de openbare ruimte en andere relevante beleidsstukken.
                            Voor bestemmingsplannen gebeurt dit in het kader van het overleg ex
                            artikel 10 BRO.</al></li><li nr="8."><al>Na de vaststelling van het plan of de nota zoals bedoeld in het
                            voorgaande lid ontvangt de commissie een definitief exemplaar en een
                            reactie op haar eerder uitgebrachte advies</al></li><li nr="9."><al>De commissie mag ook ongevraagd advies uitbrengen over zaken die het
                            taakveld van de commissie raken.</al></li><li nr="10."><al>de commissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van
                            de door haar verrichte werkzaamheden. Voorzover leden van de commissie
                            persoonlijk betrokken zijn bij bouwplannen die voor vooroverleg of ter
                            advisering worden voorgelegd, of indien het bouwplannen betreft van het
                            bureau waar zij werkzaam zijn, vindt de advisering in afwijking van het
                            bepaald in de leden 1 en 2 niet plaats door de commissie voor welstand
                            en monumenten, maar door een commissie van de stichting Welstandszorg
                            Noord-Holland.</al></li></lijst><al/><al><vet>2. Samenstelling van de Commissie voor Welstand en Monumenten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4 Samenstelling en taakverdeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een monumentenkamer en een welstandskamer en
                            deze kamers hebben een gemeenschappelijke voorzitter.</al></li><li nr="2."><al>De welstandskamer bestaat uit een voorzitter en 4 leden en de
                            monumentenkamer bestaat uit een voorzitter en 3 leden. De raad kan een
                            plaatsvervangend lid benoemen dat als lid functioneert bij verhindering
                            van een regulier commissielid.</al></li><li nr="3."><al>De welstandskamer bestaat naast de voorzitter uit leden met een
                            achtergrond en ervaring die is toegespitst op de hoofdtaak
                            bouwplanbeoordeling en aanvullend op annexe gebieden zoals stedenbouw,
                            landschap en een burgerlid.</al></li><li nr="4."><al>De monumentenkamer bestaat naast de voorzitter uit leden uit de
                            vakgebieden architectuurhistorie, architectuur (specialiteit
                            restauratie) en/of historie (lokaal, stedenbouwkundig, algemeen, kunst)
                            .</al></li><li nr="5."><al>De welstandskamer is (gedelegeerd) verantwoordelijk voor (voor)overleg
                            in het kader van bouwplannen en de advisering inzake bouwaanvragen,
                            zoals hiervoor omschreven in de artikelen 3.1, 3.2, 3.4 en 3.6. .</al></li><li nr="6."><al>De monumentenkamer is (gedelegeerd) verantwoordelijk voor de advisering
                            over de monumentenstatus, (voor)overleg in het kader van planbegeleiding
                            en voor advisering over restauratieplannen en
                            monumentenvergunningsaanvragen, zoals hiervoor omschreven in artikel
                            3.3.</al></li><li nr="7."><al>Indien voor een bouwactiviteit zowel een monumentenvergunning als een
                            bouwvergunning benodigd is, zoals hiervoor aangeduid in artikel 3.5,
                            vindt advisering op grond van artikel 11 van de Monumentenwet
                            geïntegreerd plaats met de advisering op grond van artikel 12 van de
                            Woningwet, in de commissie (in pleno).</al></li><li nr="8."><al>De advisering over ruimtelijke plannen en beleidsnota´s, als bedoeld in
                            artikel 3.7 van dit reglement vindt eveneens plaats in de commissie,
                            voorzover het onderwerp daartoe aanleiding geeft.</al></li><li nr="9."><al>Ook in andere gevallen waarin naar het oordeel van de voorzitter
                            gezamenlijke behandeling geboden is, als zowel welstandsaspecten als
                            monumentenaspecten in het geding zijn, vindt de behandeling in de
                            commissie.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5 Profielschets van de commissieleden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leden van de commissie moeten geïnteresseerd zijn in Hilversum en de
                            gemeente kennen of willen leren kennen en bereid zijn zich te verdiepen
                            in het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de gemeente in brede zin.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de commissie moeten in staat zijn bouwplantekeningen te
                            lezen en cultureel besef en kennis hebben van de (geschiedenis van de)
                            bouwkunst.</al></li><li nr="3."><al>De leden van de commissie zijn onpartijdig, dat betekent dat zij geen
                            persoonlijk belang mogen hebben bij de door burgemeester en wethouders
                            te nemen beslissingen en dat zij hun taak niet met vooringenomenheid
                            mogen vervullen. Als een bouwplan wordt voorgelegd, of indien anderszins
                            een zaak ter advisering aan de commissie worden voorgelegd, waarbij een
                            lid is aan te merken als persoonlijk belanghebbende als bedoeld in
                            artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dient dat lid geheel
                            buiten de advisering over dat onderwerp te blijven en niet betrokken
                            worden bij de discussie en informatie-uitwisseling over dat
                            onderwerp.</al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie moeten in staat zijn hun oordeel begrijpelijk
                            te verwoorden, met respect voor allen die bij de advisering een rol
                            spelen. Dit vraagt van alle commissieleden zekere communicatieve
                            vaardigheden.</al></li><li nr="5."><al>De leden van de commissie hebben een geheimhoudingsplicht inzake de aan
                            hen voorgelegde plannen en beleidsdocumenten, niet zijnde bouwaanvragen
                            of aanvragen monumentenvergunning.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 6 Profielschets van de voorzitter</vet></al><al>De voorzitter dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 6 en moet daarnaast
                    goede voorzitterkwaliteiten bezitten en dient derhalve goede vergadertechnische,
                    meningsvormende en besluitvormingskwaliteiten te hebben. Om de voorzittersrol
                    goed te kunnen vervullen is ervaring (niet noodzakelijkerwijs vakopleiding) op
                    het werkterrein onontbeerlijk.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Taken van de leden</vet></al><al>De leden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de (vak)inhoudelijke kwaliteit
                    van de welstandsadviezen respectievelijk de monumentenadviezen.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Taken van de voorzitter</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter is verantwoordelijk voor het dagelijks functioneren van de
                            commissie en bewaakt de deugdelijkheid van de advisering en overige
                            taakuitoefening in brede zin.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang
                            van de agenda. In de discussies draagt hij of zij er zorg voor dat alle
                            commissieleden hun mening voldoende naar voren kunnen brengen. Na de
                            discussie geeft de voorzitter een korte, heldere samenvatting van het
                            uit te brengen advies, als basis voor de schriftelijke uitwerking.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter organiseert met de commissie en het commissiesecretariaat
                            een jaarlijkse, inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden en heeft
                            hiertoe tenminste eenmaal per jaar een evaluerend overleg met de
                            portefeuillehouder. De uitkomsten van het evaluatiegesprek wordt
                            opgenomen in het jaarverslag van de commissie.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 9 Vervanging</vet></al><al>Bij incidentele of langdurige verhindering van een lid kan de gemeenteraad een
                    plaatsvervanger benoemen, voor de duur van de afwezigheid van het betrokken
                    lid.</al><al/><al><vet>3. Benoeming en zittingsduur</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10 Benoemingsprocedure</vet></al><al>De voorzitter en leden van de commissie worden door de gemeenteraad benoemd en
                    ontslagen. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Zittingsduur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Benoemingen gelden voor een periode van drie jaar met een mogelijkheid
                            tot herbenoeming voor een periode van nog eens drie jaar. Omwille van de
                            continuïteit van de advisering worden de leden van de commissie in
                            beginsel benoemd en herbenoemd in een alternerend systeem.</al></li><li nr="2."><al>Door de gemeenteraad wordt een rooster van aftreden bijgehouden. De
                            gemeenteraad maakt drie maanden voor het verstrijken van een
                            benoemingstermijn zijn voornemens voor de nieuwe benoemingstermijn
                            kenbaar aan het desbetreffende lid van de commissie en aan de
                            commissie.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 12 Voortijdige beëindiging van de benoeming van
                        commissieleden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leden van de commissie kunnen te allen tijde kenbaar maken hun
                            benoeming te willen beëindigen. Zij geven hiervan schriftelijk drie
                            maanden tevoren kennis aan de gemeenteraad.</al></li><li nr="2."><al>De gemeenteraad kan in voorkomende gevallen, de benoeming van een lid of
                            van alle leden van de commissie alsmede van de plaatsvervangers bij
                            structurele afwezigheid voortijdig beëindigen, wanneer het betreffende
                            commissielid of de betreffende commissieleden of plaatsvervangers naar
                            haar oordeel niet naar behoren functioneert of functioneren.</al></li></lijst><al/><al><vet>4. Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al/><al><vet>Artikel 13 Jaarverslag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie stelt ter uitvoering van artikel 12b lid 3 van de Woningwet
                            en ter informatie over haar monumentenactiviteiten jaarlijks voor de
                            gemeenteraad een verslag op van haar werkzaamheden, genoemd het
                            ‘jaarverslag’.</al></li><li nr="2."><al>In dit jaarverslag komt ten minste aan de orde op welke wijze de
                            commissie toepassing heeft gegeven aan de in de gemeentelijke
                            welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Het jaarverslag signaleert
                            waar de welstandsnota als beleidskader voldoende dan wel onvoldoende
                            houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en geeft aan
                            waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde
                            beleid.</al></li><li nr="3."><al>In dit jaarverslag komen ook aan de orde de activiteiten die de
                            commissie heeft ontplooid op het gebied van monumentenzorg, waaronder
                            eventuele in het oog springende activiteiten of plannen.</al></li><li nr="4."><al>De commissie kan in haar verslag aanbeveling doen ten aanzien van het
                            ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en het welstandsbeleid en/of
                            monumentenbeleid in het bijzonder.</al></li><li nr="5."><al>Het verslagjaar loopt van januari tot en met december Het jaarverslag
                            wordt jaarlijks uiterlijk in april aangeboden aan de gemeenteraad.</al></li><li nr="6."><al>Bespreking van het jaarverslag in de gemeenteraad of raadscommissie
                            wordt gecombineerd met de jaarlijks op te stellen rapportage over de
                            uitvoering van het welstandstoezicht door burgemeester en
                            wethouders.</al></li></lijst><al/><al><vet>5. Termijn van advisering en vooroverleg </vet></al><al/><al><vet>Artikel 14 Termijn van advisering bij de bouwaanvraag</vet></al><al>De commissie dan wel een namens haar gemandateerd lid is bij de beoordeling van
                    lichte, reguliere of gefaseerde bouwaanvragen gebonden aan de in de
                    Bouwverordening genoemde termijnen voor het uitbrengen van advies.</al><al/><al><vet>Artikel 15 Overschrijding van de termijn</vet></al><al>Indien de commissie dan wel het namens haar gemandateerde lid bij de beoordeling
                    van een bouwaanvraag niet binnen de in de Bouwverordening gestelde termijn tot
                    een advies komt, beoordelen burgemeester en wethouders zelf of het bouwwerk
                    waarop de aanvraag betrekking heeft niet in strijd is met redelijke eisen van
                    welstand. Daarbij nemen zij de in de welstandsnota opgenomen criteria in acht.
                    De commissie wordt van deze beoordeling in kennis gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Geldigheidstermijn van een schetsplanbeoordeling</vet></al><al>Indien een schetsplan niet binnen zes maanden na de laatste beoordeling door de
                    commissie wordt gevolgd door een bouwaanvraag, wordt de welstandsbehandeling
                    gesloten en heeft het eerder uitgebrachte advies geen actualiteitswaarde
                    meer</al><al/><al><vet>6. Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting </vet></al><al/><al><vet>Artikel 17 Openbare behandeling van bouwaanvragen, aanvragen
                        monumentenvergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwaanvragen en aanvragen monumentenvergunning door
                            de commissie is openbaar tenzij burgemeester en wethouders of de
                            commissie van mening zijn dat er op grond van artikel 10 van de Wet
                            openbaarheid van bestuur klemmende redenen zijn voor geheimhouding. De
                            openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren
                            van de conclusie c.q. het welstandsadvies.</al></li><li nr="2."><al>De beoordeling van een schetsplan of vooroverleg over een bouwplan vindt
                            in principe plaats in het openbaar, tenzij burgemeester en wethouders of
                            de commissie van mening is dat openbare behandeling belangen schaadt en
                            de transparantie van het welstandstoezicht niet onevenredig geschaad
                            wordt.</al></li><li nr="3."><al>Belangstellenden kunnen de vergadering van de commissie bijwonen. op de
                            publieke tribune.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet
                            bestuursrecht kunnen voor het begin van de vergadering spreektijd
                            aanvragen bij de voorzitter. De voorzitter stelt, afhankelijk van de
                            agenda, de maximale spreektijd van eenieder vast. Spreektijd kan slechts
                            worden gebruikt voor het geven van een visie op de welstandsaspecten van
                            het plan. Een belangenafweging of beoordeling, anders dan op basis van
                            de vastgestelde welstandscriteria vindt niet plaats tijdens de
                            welstandsbeoordeling.</al></li><li nr="5."><al>Goedgekeurde notulen van de behandeling van bouwaanvragen, de
                            behandeling van schetsplannen en de advisering inzake
                            monumentenaanvragen zijn openbaar.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 18 Bekendmaking van de agenda</vet></al><al>De data, het tijdstip en de locatie van de welstandsvergaderingen worden door
                    het commissiesecretariaat vooraf gepubliceerd via de gemeentelijke website</al><al/><al><vet>Artikel 19 Plantoelichting door indiener en/of ontwerper</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als een planindiener en/of ontwerper hierom bij het indienen van het
                            plan heeft verzocht, wordt deze door het commissiesecretariaat
                            uitgenodigd voor het geven van een toelichting tijdens de vergadering
                            waarin het plan wordt behandeld.</al></li><li nr="2."><al>Als de commissie dan wel een namens haar gemandateerd lid een nadere
                            toelichting gewenst acht dan wordt de planindiener en/of de ontwerper
                            door het commissiesecretariaat uitgenodigd voor het geven van een
                            toelichting tijdens de vergadering waarin het plan wordt behandeld.</al></li><li nr="3."><al>Een plantoelichting is bedoeld voor een korte toelichting op de
                            planfilosofie en de gemaakte keuzes in relatie tot de welstandscriteria
                            c.q. de van belang zijnde monumentale aspecten, door planindiener en/of
                            ontwerper.</al></li></lijst><al/><al><vet>7. Afdoening bij mandaat </vet></al><al/><al><vet>Artikel 20 Mandaat namens de commissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie kan, in overleg met burgemeester en wethouders één of meer
                            van haar leden mandateren om bepaalde taken uit te voeren. De
                            gemandateerde voert de taak uit onder verantwoordelijkheid en namens de
                            commissie, wat moet blijken uit bijvoorbeeld de ondertekening van de
                            commissieverslagen.</al></li><li nr="2."><al>Eén van de taken die door de commissie aan één of meer van haar leden
                            kunnen worden gemandateerd is het uitbrengen van het welstandsadvies
                            voor plannen van relatief geringe ruimtelijke betekenis of van plannen
                            waar de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld. De
                            gemandateerde heeft hierbij ten aanzien van welstandsadviezen een
                            beperkt mandaat, dat wil zeggen dat alleen positieve adviezen kunnen
                            worden gegeven. Plannen waarmee het gemandateerde commissielid niet
                            akkoord kan gaan, worden alsnog in de plenaire commissie behandeld.</al></li><li nr="3."><al>Bij enige vorm van twijfel legt de gemandateerde het betreffende plan
                            alsnog voor aan de plenaire commissie</al></li><li nr="4."><al>Voor behandeling van bouwplannen onder mandaat gelden verder dezelfde
                            reglementen als voor behandeling van plannen door de plenaire
                            commissie.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 21 Ambtelijk mandaat voor licht bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen medewerkers van het
                            commissiesecretariaat mandateren om namens hen het welstandsoordeel te
                            geven voor licht-vergunningsplichtige bouwwerken waarvoor in de
                            welstandsnota ambtelijke toetsingscriteria zijn opgenomen en voor de
                            afdoening van licht -vergunningsplichtige bouwwerken die door de
                            commissie dan wel een gemandateerd lid negatief zijn beoordeeld onder
                            het geven van criteria voor aanpassing die tot een positief advies
                            kunnen leiden.</al></li><li nr="2."><al>De gemandateerde ambtenaar heeft hierbij een beperkt mandaat, dat wil
                            zeggen dat alleen positieve adviezen kunnen worden gegeven. Plannen
                            waarmee de gemandateerde ambtenaar niet akkoord kan gaan, worden alsnog
                            aan de commissie dan wel aan een namens haar gemandateerd lid
                            voorgelegd.</al></li><li nr="3."><al>Indien er sprake is van een bijzondere situatie of er gerede twijfel
                            bestaat aan de toepasbaarheid van de ambtelijke toetsingscriteria legt
                            de gemandateerde ambtenaar het plan voor advies voor aan de
                            commissie.</al></li></lijst><al/><al><vet>8. Vorm waarin het welstandsadvies wordt uitgebracht</vet></al><al/><al><vet>Artikel 22 Inhoud van het welstandsadvies op bouwaanvragen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het welstandsadvies geeft aan of het uiterlijk en de plaatsing van een
                            bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de
                            omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, al dan niet in strijd
                            is met redelijke eisen van welstand, uitsluitend te beoordelen aan de
                            hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota.</al></li><li nr="2."><al>Het welstandsadvies is niet gericht op zaken die geen betrekking hebben
                            op het welstandstoezicht.</al></li><li nr="3."><al>Het welstandsadvies kan worden gecombineerd met suggesties voor beleid
                            of procedurele zaken die naar mening van de commissie in acht genomen
                            zouden moeten worden. Deze suggesties zijn vrijblijvend en staan
                            duidelijk los van de conclusie van het welstandsadvies zelf.</al></li><li nr="4."><al>Het welstandsadvies mag nooit zodanig zijn geformuleerd dat één der
                            betrokkenen zich daardoor beledigd of in goede naam of eer aangetast kan
                            voelen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 23 Conclusie van het advies</vet></al><al>Het welstandsadvies kan de volgende conclusies hebben: </al><lijst><li nr="1."><al>Positief advies: Het plan voldoet naar mening van de commissie volgens
                            de van toepassing zijnde welstandscriteria aan redelijke eisen van
                            welstand. Dit advies kan worden gecombineerd met suggesties om het plan
                            op een (nog) hoger niveau te tillen. Deze suggesties zijn vrijblijvend
                            en staan duidelijk los van de conclusie van het welstandsadvies
                            zelf.</al></li><li nr="2."><al>Negatief advies, tenzij wordt voldaan aan de opmerkingen: Het plan
                            voldoet naar mening van de commissie volgens de van toepassing zijnde
                            welstandscriteria niet aan redelijke eisen van welstand, tenzij het op
                            ondergeschikte punten wordt aangepast. Deze punten worden ondubbelzinnig
                            genotuleerd of op de tekening aangegeven. Het commissiesecretariaat
                            nodigt daarna de planindiener uit om binnen de wettelijke
                            afhandelingtermijn een aangepast plan in te dienen dat vervolgens door
                            een gemandateerde ambtenaar (in geval van een lichte bouwvergunning) dan
                            wel een gemandateerd lid van de commissie (in geval van een reguliere
                            bouwvergunning) wordt beoordeeld.</al></li><li nr="3."><al>Negatief advies: Het plan voldoet naar mening van de commissie volgens
                            de van toepassing zijnde welstandscriteria niet aan redelijke eisen van
                            welstand.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 24 Schriftelijke motivering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Bij positieve advisering kan een expliciete motivering achterwege
                            blijven, tenzij burgemeester en wethouders daarom verzoeken.</al></li><li nr="3."><al>Een positief advies wordt altijd schriftelijk gemotiveerd als er sprake
                            is van een bijzondere situatie waarbij wordt geadviseerd om een plan, in
                            afwijking van de van toepassing zijnde gebiedsgerichte c.q.
                            objectgerichte welstandscriteria, goed te keuren.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 25 Afwijken van het welstandsadvies</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen, op basis van artikel 44, lid 1d van
                            de Woningwet, de bouwvergunning verlenen ondanks strijdigheid van dat
                            plan met redelijke eisen van welstand, indien zij van oordeel zijn dat
                            daarvoor voldoende zwaarwegende redenen zijn.</al></li><li nr="2."><al>Alvorens zij daartoe overgaan overleggen zij, teneinde tot een goede
                            afweging te komen en voor een goede informatie-uitwisseling, over de
                            voorgenomen afwijking met de voorzitter van de commissie.</al></li><li nr="3."><al>De afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning
                            gemotiveerd. De commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders zullen uiterst terughoudend zijn met het
                            gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel
                            ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke
                            belangen.</al></li></lijst><al/><al><vet>9. Ondersteuning van de commissie</vet></al><al/><al><vet>Artikel 26 Ondersteuning vanuit de gemeentelijke organisatie </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie wordt ondersteund door een secretariaat, waarvan de
                            personele invulling plaats vindt via de Dienst Stadsontwikkeling.</al></li><li nr="2."><al>Het commissiesecretariaat ondersteunt de commissie op zodanige wijze dat
                            deze optimaal kan functioneren bij de uitoefening van haar taken als
                            onafhankelijk adviesorgaan van het gemeentebestuur.</al></li><li nr="3."><al>De medewerkers van het secretariaat mogen slechts adviseren aan de
                            commissie, zij hebben geen stemrecht.</al></li><li nr="4."><al>Het commissiesecretariaat onderhoudt de contacten met de betrokken
                            medewerkers van de dienst Stadsontwikkeling, neemt de adviesaanvragen
                            voor bouwplannen en monumentenplannen in en bereidt de behandeling van
                            de bouwplannen in de commissie voor.</al></li><li nr="5."><al>De controle op volledigheid van de ingediende stukken gebeurt in
                            principe niet door het commissiesecretariaat maar door de medewerkers
                            die belast zijn met de verwerking van aanvragen om bouwvergunning
                            respectievelijk monumentenvergunning.</al></li><li nr="6."><al>Het commissiesecretariaat verzorgt (in overleg met de voorzitter) de
                            agendering en notulering en draagt er zorg voor dat de commissie kan
                            adviseren binnen de voorgeschreven beslistermijn.</al></li><li nr="7."><al>Het commissiesecretariaat maakt de afspraken tussen planindieners en/of
                            ontwerpers en de commissie.</al></li><li nr="8."><al>Het commissiesecretariaat verzamelt de kwantitatieve gegevens voor het
                            jaarverslag en neemt deel aan het evaluatieoverleg tussen het
                            gemeentebestuur en de commissie.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 27 Adviseurs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie wordt voorzover zij dat dienstig vindt op ad hoc of
                            permanente basis vanuit de gemeentelijke organisatie bijgestaan door
                            ambtelijk adviseurs met een specifieke deskundigheid; hierbij valt te
                            denken aan deskundigheid op het gebied van cultuurhistorie en
                            stedenbouw.</al></li><li nr="2."><al>De adviseur is geen lid van de commissie maar wordt voorafgaand aan de
                            beraadslaging in de gelegenheid gesteld zijn of haar visie op het plan
                            te geven. De adviseur neemt geen deel aan de beraadslaging en heeft geen
                            stem in de eindbeoordeling.</al></li><li nr="3."><al>De adviseur is op geen enkele wijze betrokken bij of verantwoordelijk
                            voor de inhoud van de beraadslagingen en de advisering door de
                            commissie</al></li><li nr="4."><al>De aanwezigheid van een adviseur wordt altijd vermeld in de
                            vergadernotulen.</al></li></lijst><al/><al><vet>10. Vergaderorde</vet></al><al/><al><vet>Artikel 28 Vergadering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie vergadert regelmatig volgens een jaarlijks vast te stellen
                            vergaderrooster waarin ook de vergaderlocatie wordt vastgelegd.</al></li><li nr="2."><al>De commissie (pleno) kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste
                            drie leden aanwezig zijn, en uit beide kamers minstens 1 lid aanwezig
                            is.</al></li><li nr="3."><al>De monumentenkamer en welstandskamer kunnen slechts (gedelegeerd) advies
                            uitbrengen indien naast de voorzitter minstens 2 leden van de commissie
                            aanwezig zijn.</al></li><li nr="4."><al>Bij afwezigheid van voldoende leden kan 1 lid van de andere kamer
                            plaatsvervangend zitting nemen in de andere kamer.</al></li><li nr="5."><al>Een lid dat verhinderd is de vergadering bij te wonen doet daarvan
                            tijdig mededeling aan het secretariaat</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 29 Stemming</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie beslist omtrent het uit te brengen advies bij meerderheid
                            van stemmen.</al></li><li nr="2."><al>Bij staking van de stemmen geeft de stem van de voorzitter de
                            doorslag</al></li><li nr="3."><al>Als minstens 1 lid daarom verzoekt wordt het minderheidsstandpunt in de
                            notulen verwoord.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 30 Onderzoek ter plaatse</vet></al><al>De commissie stelt een onderzoek ter plaatse in, indien zij bij de beoordeling
                    van een bouwplan van oordeel is dat dit onderzoek redelijkerwijs voor de
                    vervulling van haar taak nodig is. </al><al/><al><vet>11. Financiële vergoeding</vet></al><al/><al><vet>Artikel 31 Vergoeding</vet></al><al>De commissieleden ontvangen een door de gemeenteraad te bepalen en te betalen
                    uurtarief en een vergoeding van de reiskosten. </al><al/><al><vet>12. Slotbepaling</vet></al><al/><al><vet>Artikel 32</vet></al><al>In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet beslissen burgemeester en
                    wethouders.</al><al/><al><vet>Bijlage 10</vet> Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1
                    (brandmeldinstallaties) (gereserveerd)</al><al/><al><vet>Bijlage 11</vet></al><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie)
                    (gereserveerd)</al><al/><al><vet>Bijlage 12</vet></al><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)
                    (gereserveerd)</al><al/><al><vet>Bijlage 13 </vet></al><al>Parkeernormen voor het bepalen van de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen,
                    zijnde beleidsregels vastgesteld door burgemeester en wethouders, bijlage zoals
                    bedoeld in artikel 2.5.30, eerste lid.</al><al><onderstreept>Gereserveerd</onderstreept></al><al/><al><vet>Bijlage 14 </vet></al><al>Beleidsregels inzake het verlenen van ontheffing, zoals bedoeld in het vijfde
                    lid van artikel 2.5.30, in verband met het vierde lid.</al><al><onderstreept>Gereserveerd</onderstreept></al></bijlage></regeling></body></cvdr>