<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR6343_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet Inburgering gemeente Capelle aan den IJssel 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJsselpost, 22-10-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet Inburgering gemeente Capelle aan den IJssel 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 108, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 19, lid 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 23, lid 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-03-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-12-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verzameling 2007 nr. 16 / a</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1.Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet Inburgering gemeente Capelle aan den IJssel 2007:
            </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel, gelezen het voorstel van het
                        college van burgemeester en wethouders;</al><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, en 35 van de Wet
                        inburgering, Stbl 2006, 625 en gelet op artikelen 108, tweede lid, 147 van
                        de Gemeentewet, Stbl 1993, 610,</al><al>overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de
                        informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringplichtigen, het
                        aanbieden van een inburgeringvoorziening aan bijzondere groepen
                        inburgeringplichtigen en de rechten en plichten van de inburgeringplichtige
                        voor wie een inburgeringvoorziening is vastgesteld, alsmede dat de raad bij
                        verordening het bedrag dient vast te stellen van de bestuurlijke boete die
                        voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd;</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Capelle aan den IJssel;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering;</al></li><li nr="c."><al>de aflossingscapaciteit: het door het college vastgestelde
                                        percentage van de bijstandsuitkering dat voor verrekening
                                        met schulden kan worden aangewend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringplichtigen op een
                                doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun
                                rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en
                                de toegang tot inburgeringvoorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college richt ten behoeve van de informatieverstrekking aan
                                inburgeringplichtigen in ieder geval een gemeentelijk informatiepunt
                                in. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zal de (potentieel) inburgeringplichtigen actief
                                benaderen met informatie over de inburgeringplichtigheid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de twee jaren de
                                doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan
                                de inburgeringplichtigen en rapporteert daarover aan de raad. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanbod en samenstelling van de inburgeringvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanbod aan de inburgeringplichtige</titel></kop><al>Het college kan - voorzover haar bij de wet daartoe de mogelijkheden
                            worden geboden – aan de inburgeringplichtige een aanbod doen indien zij
                            van mening is dat de inburgeringplichtige de inburgeringplicht wel kan
                            vervullen, maar het voldoen aan de inburgeringplicht binnen de aanwezige
                            omstandigheden een te zwaar beroep op de eigen verantwoordelijkheid
                            inhoudt. Het college baseert zijn oordeel daarbij in hoge mate op:</al><lijst><li nr="a."><al>de mate van aanwezige taalbeheersing;</al></li><li nr="b."><al>de mate van maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="c."><al>de sociale redzaamheid van de inburgeringplichtige;</al></li><li nr="d."><al>de financiële mogelijkheden van de inburgeringplichtige; en</al></li><li nr="e."><al>de motivatie om in de Nederlandse samenleving te
                                    participeren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringvoorziening zo veel mogelijk af op
                                het startniveau alsmede de talenten, capaciteiten en ambities van de
                                inburgeringplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inburgeringvoorziening heeft tot doel dat de inburgeringplichtige
                                na het doorlopen van de voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>het inburgeringexamen heeft behaald;</al></li><li nr="-"><al>(zinvolle) sociale contacten heeft, binnen en buiten de
                                        eigen etnische groep; alsmede</al></li><li nr="-"><al>het functioneren van de Nederlandse samenleving respecteert.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in twee gelijke termijnen betaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid aangegeven vorm van inning voor de
                                inburgeringplichtige aantoonbaar problemen oplevert, kan het college
                                in afwijking daarvan de inning over meerdere termijnen
                                spreiden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt bij een inburgeringplichtige
                                die algemene bijstand ontvangt het aantal termijnen afgestemd op de
                                binnen zijn uitkering beschikbare aflossingcapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het college de eigen bijdrage verrekent met de uitkering van
                                de uitkeringgerechtigde, wordt dat in de beschikking
                                vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringplichtige voor wie een
                            inburgeringvoorziening is vastgesteld bij beschikking een of meer van de
                            volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de aangeboden en geaccepteerde
                                    inburgeringvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan door het college geïnitieerde
                                    (voortgangs-)gesprekken;</al></li><li nr="c."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringexamen op een
                                    tijdstip dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="d."><al>het melden van alle omstandigheden die gevolgen hebben of kunnen
                                    hebben voor de deelname aan de inburgeringvoorziening;
                                    alsmede</al></li><li nr="e."><al>het tijdig toestemming vragen om op vakantie te gaan. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het aanbod van een inburgeringvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeringplichtige in de gemeentelijke
                                basisadministratie is ingeschreven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                inburgeringvoorziening die wordt aangeboden en worden de rechten en
                                verplichtingen vermeld die aan de inburgeringvoorziening worden
                                verbonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringplichtige - aan wie een aanbod wordt gedaan - wordt
                                gelijktijdig met het aanbod uitgenodigd voor een gesprek. In dit
                                gesprek dient de inburgeringplichtige aan te geven of hij het aanbod
                                al dan niet aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Verschijnt de inburgeringplichtige tot tweemaal toe zonder verdere
                                opgaaf van redenen niet op het in het derde lid bedoelde gesprek,
                                dan wordt er vanuit gegaan dat hij het aanbod niet aanvaardt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de inburgeringplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen vier weken na ontvangst van deze mededeling het
                                besluit tot toekenning van de inburgeringvoorziening, overeenkomstig
                                het gedane aanbod. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een inburgeringvoorziening bevat in ieder
                            geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringplichtige; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringexamen moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijke consequenties indien het inburgeringexamen niet
                                    voor de in sub c bedoelde datum is behaald;</al></li><li nr="e."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage bedoeld
                                    in artikel 23, tweede lid van de wet; en</al></li><li nr="f."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 250,00 indien de
                                inburgeringplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringplichtig is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 500,00 indien de
                                inburgeringplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de
                                uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringvoorziening,
                                bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de
                                verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 500,00 indien de
                                inburgeringplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de
                                wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringexamen heeft behaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 1000,00 indien de inburgeringplichtige
                            niet binnen de door het college op grond van artikel 32 of 33 van de wet
                            vastgestelde termijn het inburgeringexamen heeft behaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 april 2007</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering Capelle
                            aan den IJssel.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 26 maart 2007 </ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening Wet Inburgering Capelle aan den IJssel</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>De Wet Inburgering is op 1 januari 2007 in werking getreden. Zij vervangt de Wet
                    inburgering nieuwkomers (Win) en de verschillende oudkomerregelingen. De Wet
                    Inburgering regelt de inburgeringplicht voor in beginsel alle onderdanen van
                    derdelanden (niet Nederlandse, noch EU/EER-onderdanen) van 16 tot 65 jaar die
                    duurzaam in Nederland willen en mogen verblijven. </al><al>Bij het invulling geven aan de inburgeringverplichting staat de eigen
                    verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de inburgeringplichtige
                    centraal. De inburgeringplichtige kan naar eigen inzicht bepalen hoe hij zich
                    wil voorbereiden op het inburgeringexamen. Aan de inburgeringverplichting is
                    voldaan wanneer het inburgeringexamen is behaald (een resultaatsverplichting). </al><al>Gemeenten krijgen in de Wet Inburgering een aantal belangrijke taken toebedeeld.
                    Zo hebben gemeenten de opdracht om de inburgeringplichtigen in de gemeente goed
                    te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit deze wet.
                    Daarnaast hebben gemeenten de taak aan bepaalde groepen inburgeringplichtigen
                    een inburgeringvoorziening aan te bieden. Een inburgeringvoorziening leidt
                    inburgeringplichtigen toe naar het inburgeringexamen. Ook moeten gemeenten de
                    inburgeringplicht van inburgeringplichtigen handhaven. Het college moet een
                    bestuurlijke boete opleggen als een inburgeringplichtige zich verwijtbaar niet
                    houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden. </al><al>In verband met deze taken draagt de Wet Inburgering gemeenten op om bij
                    verordening regels te stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="-"><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde
                            van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                            inburgeringvoorzieningen (artikel 8 Wet Inburgering).</al></li><li nr="-"><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringvoorzieningen aan
                            bijzondere groepen inburgeringplichtigen en over de rechten en plichten
                            van de inburgeringplichtige voor wie een inburgeringvoorziening is
                            vastgesteld (artikel 19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid, Wet
                            Inburgering).</al></li><li nr="-"><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 Wet
                            Inburgering).</al></li></lijst><tussenkop>Regels over de informatieverstrekking aan
                    inburgeringplichtigen</tussenkop><al>Artikel 8 Wet Inburgering bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                    inburgeringplichtigen. Het gaat dan om informatie over de rechten en plichten
                    uit hoofde van de Wet Inburgering en informatie over het aanbod van
                    inburgeringvoorzieningen en de toegang tot die voorzieningen. In de voorliggende
                    nota “Inburgeren in Capelle aan den IJssel” is reeds ingegaan op de dominante
                    rol die informatieverstrekking binnen het inburgeringproces in de Capelse optiek
                    dient te gaan spelen. </al><tussenkop>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                    inburgeringvoorzieningen</tussenkop><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringplichtige. Het is aan hem om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op
                    het inburgeringexamen. Voor een aantal bijzondere groepen biedt de wet extra
                    faciliteiten. Zo krijgen de gemeenten de taak om voor een tweetal groepen
                    inburgeringplichtigen zonder meer een inburgeringvoorziening aan te bieden. Het
                    gaat dan om:</al><lijst><li nr="-"><al>asielgerechtigde nieuw- en oudkomers; en</al></li><li nr="-"><al>nieuw- en oudkomers die werkzaam zijn als geestelijke bedienaar. </al></li></lijst><al>Daarnaast wordt binnen de wet de mogelijkheid aan gemeenten geboden om ook nog
                    aan twee andere groepen inburgeringplichtigen een aanbod te doen. Het gaat dan
                    om:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuw- en oudkomers die algemene bijstand of een bij AMvB aangewezen
                            uitkering ontvangen; en</al></li><li nr="-"><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk, algemene bijstand of
                            uitkering hebben. </al></li></lijst><al>Het aanbod behelst een inburgeringvoorziening die toe leidt naar het
                    inburgeringexamen en het eenmaal gratis afleggen van dat examen. Voor
                    asielgerechtigde inburgeringplichtigen bestaat een inburgeringvoorziening ook
                    uit maatschappelijke begeleiding.</al><al>De Wet Inburgering draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te
                    stellen met betrekking tot het aanbieden van inburgeringvoorzieningen aan deze
                    vier groepen. In de wet is ook vastgelegd over welke onderwerpen in ieder geval
                    regels moeten worden gesteld: </al><lijst><li nr="-"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a,
                            Wet Inburgering);</al></li><li nr="-"><al>De criteria die worden gehanteerd voor het doen van een aanbod, indien
                            het een inburgeringplichtige betreft aan wie de gemeente wel een aanbod
                            kan doen, maar zij daartoe niet wettelijk verplicht is (artikel 19,
                            vijfde lid, onderdeel a, Wet Inburgering);</al></li><li nr="-"><al>De vaststelling door het college van een passende
                            inburgeringvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en de
                            samenstelling van de inburgeringvoorziening (artikel 19, vijfde lid,
                            onderdeel b, Wet Inburgering);</al></li><li nr="-"><al>De rechten en plichten van de inburgeringplichtige voor wie een
                            inburgeringvoorziening is vastgesteld. Deze laatste regels hebben in
                            ieder geval ook betrekking op de inning van de eigen bijdrage door het
                            college en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde
                            lid, Wet Inburgering). </al></li></lijst><tussenkop>Het vaststellen van de bedrag van de bestuurlijke boete </tussenkop><al>Artikel 35 Wet Inburgering draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als
                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><al>Opgemerkt zij tenslotte dat de verordening op een aantal punten om een nadere
                    uitwerking vraagt. Deze nadere uitwerking zal vorm worden gegeven in nog op te
                    stellen richtlijnen voor de uitvoering. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking </tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>De eerste twee onderdelen van het eerste lid spreken voor zich. Daarnaast is in
                    artikel 1, eerste lid, sub c het begrip aflossingscapaciteit nader gedefinieerd.
                    Dit begrip is van belang voor de vaststelling van het aantal termijnen
                    waarbinnen de eigen bijdrage in het kader van een door de gemeente aangeboden
                    inburgeringvoorziening kan worden geïnd (zie verder artikel 5 van de
                    verordening). Met deze begripsomschrijving wordt aansluiting gezocht bij het in
                    de bijstand gehanteerde aflossingspercentage. </al><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in respectievelijk de Wet Inburgering, het Besluit inburgering en de
                    Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening. </al><tussenkop>Artikel 2 De informatieverstrekking aan inburgeringplichtigen</tussenkop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringplichtigen in haar gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet Inburgering.
                    De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de
                    informatievoorziening aan de inburgeringplichtigen wordt georganiseerd. Wel
                    bepaalt artikel 8 Wet Inburgering dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                    inburgeringplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze
                    wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot inburgeringvoorzieningen. Dit
                    artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. </al><al>In het eerste lid wordt de opdracht tot informatievoorziening bij het college
                    neergelegd. Het college is belast met de organisatie van de
                    informatieverstrekking. </al><al>In het tweede en derde lid worden daarnaast kaders gesteld met betrekking tot de
                    vorm van de informatievoorziening. Zoals reeds aangegeven in de voorliggende
                    kadernota “Inburgeren in Capelle aan den IJssel” is een herkenbaar
                    informatiepunt essentieel om op een verantwoorde wijze een beroep te doen op de
                    eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringplichtige. Bij dit informatiepunt
                    kan de inburgeringplichtige het gereedschap vinden om zijn eigen
                    inburgeringproces vorm te geven, indien een gemeentelijk aanbod niet mogelijk
                    is, dan wel door de gemeente of de inburgeringplichtige niet wordt gewenst.
                    Daarnaast is ook reeds in de kadernota aangegeven dat niet de verwachting
                    bestaat dat sec met het op aanvraag verstrekken van informatie de doelgroep
                    ((potentieel) inburgeringplichtigen) in voldoende mate wordt bereikt. De
                    gemeente zal er daarom naar streven ook via organisaties en derden die in
                    contact staan met de (potentieel) inburgeringplichtigen informatie over de uit
                    de Wet Inburgering voortvloeiende verplichtingen te verspreiden.</al><al>In het vierde lid is tenslotte gekozen voor een tweejaarlijkse
                    verantwoordingscyclus. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat de effecten
                    van een informatiebeleid in hoge mate eerst meetbaar zullen zijn na de eerste
                    met dit informatiebeleid doorlopen inburgeringprocessen. Gezien de gemiddelde te
                    verwachten looptijd van een inburgeringproces is daarom gekozen voor een cyclus
                    van twee jaar. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Aanbod en samenstelling van de
                    inburgeringvoorziening</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Aanbod aan de inburgeringplichtige</tussenkop><al>Artikel 19, eerste lid Wet Inburgering bepaalt dat het college aan twee groepen
                    inburgeringplichtigen een inburgeringvoorziening kán aanbieden:</al><lijst><li nr="1."><al>inburgeringplichtigen die algemene bijstand of een uitkering op grond
                            van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
                            socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen ontvangen;
                            en</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk of uitkering hebben.</al></li></lijst><al>Het doen van een aanbod is een taak van het college, de raad is echter wettelijk
                    verplicht om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de criteria
                    die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan deze twee groepen
                    inburgeringplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, Wet Inburgering).
                    Daarbij gaat het specifiek om kaderstelling richting college. Aan dit artikel
                    kan de inburgeringplichtige dus geen eventueel recht op een aanbod ontlenen. </al><tussenkop>Kaderstelling</tussenkop><al>Zoals reeds in de kadernota “Inburgeren in Capelle aan den IJssel” aangegeven,
                    is ervoor gekozen om – gelijk de Wet Inburgering - de eigen verantwoordelijk van
                    de inburgeringplichtige centraal te stellen. Dit houdt in dat de gemeente in
                    beginsel haar wijze van ondersteuning zal afstemmen op de mogelijkheden van de
                    betrokken inburgeringplichtige om zijn inburgeringplicht verantwoord zelf ter
                    hand te nemen. </al><al>Dit laatste heeft tot gevolg dat het college:</al><lijst><li nr="-"><al>enerzijds daar waar de inburgeringplichtige in voldoende mate
                            mogelijkheden heeft om zijn inburgeringplicht zelf succesvol vorm te
                            kunnen geven, zich zal beperken tot het verlenen van informatie;
                            terwijl</al></li><li nr="-"><al>anderzijds daar waar omstandigheden het eigen handig oppakken van die
                            inburgeringplicht bemoeilijken, het college zo mogelijk een aanbod zal
                            doen.</al></li></lijst><al>In de verordening zijn een aantal indicatoren nader gedefinieerd op basis
                    waarvan het college beoordeelt of in deze sprake is van een inburgeringplichtige
                    aan wie binnen dit kader een aanbod wenselijk is. De gekozen indicatoren spreken
                    voor het merendeel voor zich. Enige toelichting verdienen de onderdelen d en e. </al><al>Onderdeel d: de financiële mogelijkheden van de inburgeringplichtige</al><al>De inburgeringplicht houdt voor degene die geen aanbod van de zijde van de
                    gemeente krijgt of die het aanbod van gemeentezijde afslaat in dat hijzelf zijn
                    inburgeringplicht vorm moet geven. Hij kan daartoe zijn eigen inburgeringcursus
                    inkopen en krijgt daarvoor ook de mogelijkheid om een lening aan te gaan bij de
                    IBG. Wordt het examen binnen drie jaar na de start van het inburgeringproces
                    succesvol afgerond dan krijgt de inburgeringplichtige een deel van zijn kosten
                    vergoed. Dit laatste voorkomt echter niet dat de inburgeringplicht voor de
                    inburgeringplichtige zonder aanbod van gemeentezijde, een aanzienlijke
                    kostenpost vertegenwoordigd, zeker als sprake is van bijstandbehoeftigheid of
                    een inkomensniveau dat hiermee vergelijkbaar is. Het risico dreigt bij deze
                    groep dat wordt gekozen voor een invulling met een zo beperkt mogelijk
                    kostenplaatje, waardoor de kwaliteit van de invulling en daarmee ook de kans dat
                    het inburgeringexamen succesvol wordt afgerond wordt beperkt. Om dit te
                    voorkomen is deze indicator specifiek toegevoegd. </al><al>Onderdeel e: de motivatie om in de Nederlandse samenleving te participeren</al><al>Natuurlijk is het zo dat de aanwezigheid van een hoge mate van motivatie in
                    beginsel een indicatie is dat betrokkene de eigen verantwoordelijk goed ter hand
                    kan nemen en geen gemeentelijk aanbod noodzakelijk is. Dit zou dan wel betekenen
                    dat de gemotiveerde inburgeringplichtige in beginsel niet voor een aanbod in
                    aanmerking komt, terwijl een gebrek aan motivatie dan juist wel tot een aanbod
                    leidt. Om dit te voorkomen is deze laatste indicator opgenomen. De
                    inburgeringplichtige die zich gemotiveerd toont om in de Nederlandse samenleving
                    te participeren moet daarvoor, juist wanneer andere indicatoren (a t/m d) wijzen
                    op moeilijkheden om de inburgeringplicht zelfstandig ter hand te nemen, met een
                    aanbod worden ondersteund. Op deze manier kan worden voorkomen dat deze groep
                    juist door zijn motivatie met extra moeilijkheden (het volledig zelf bekostigen
                    van de inburgering) wordt geconfronteerd. </al><al>De inburgeringplichtige waarvoor juist het opnemen van deze laatste indicator
                    van belang is, is de uitkeringsgerechtigde inburgeringplichtige die gemotiveerd
                    bezig is om zijn uitstroom uit de uitkering vorm te geven. Bij hem is voldoende
                    motivatie aanwezig om in de Nederlandse samenleving te participeren, alleen
                    heeft die participatie en daarmee ook de uitstroom uit de uitkering wel tot
                    gevolg dat hem geen aanbod meer kan worden gedaan. Door echter deze vorm van
                    motivatie (motivatie tot arbeidsdeelname, participatie in de samenleving) als
                    indicator op te nemen, kan aan hem, zeker indien ook andere indicatoren spelen,
                    met voorrang een aanbod worden gedaan. Zo wordt voorkomen dat hij door zijn
                    positieve houding binnen de arbeidtoeleiding wordt geconfronteerd met een
                    tegenvaller, in de vorm van een zelf vorm te geven en te financieren
                    inburgering. </al><al>Dit laatste houdt trouwens niet in dat inburgering voor arbeidstoeleiding gaat.
                    De uitstroom uit de uitkering heeft prioriteit nummer een en vormt in die zin
                    ook het eerste deel van het aanbod. De scholing inzake taal en kennis van de
                    Nederlandse samenleving kan immers ook na de uitstroom worden ingezet, als het
                    gecombineerde aanbod van uitstroom en inburgering maar is gedaan op het moment
                    dat betrokkene nog uitkeringsgerechtigd was. </al><al>Tenslotte zij er op gewezen dat in het artikel specifiek wordt gesproken over de
                    inburgeringplichtige waarvan het college van oordeel is dat hij de
                    inburgeringplicht ook daadwerkelijk kan vervullen. Dit houdt in dat bijvoorbeeld
                    niet gealfabetiseerde inburgeringplichtigen niet voor een aanbod in aanmerking
                    kunnen komen. Aan hen kan eerst buiten het kader van de Wet Inburgering om een
                    alfabetiseringcursus worden aangeboden. Na afronding kan wederom een afweging
                    worden gemaakt op basis van de in dit artikel gegeven criteria of een aanbod van
                    gemeentezijde noodzakelijk is. </al><al>Evenzo kan de gemeente op basis van deze voorwaarde het doen van een aanbod
                    uitstellen, indien zij van mening is dat in de nabije toekomst de omstandigheden
                    voor de desbetreffende inburgeringplichtige gunstiger zijn om de
                    inburgeringplicht te vervullen. Daarbij kan worden gedacht aan de
                    inburgeringplichtige met nog niet schoolgaande kinderen, die bij directe inzet
                    van de inburgeringvoorziening kinderopvang voor de lesuren zal moeten
                    organiseren. Inzet van de voorziening op een later moment - wanneer alle
                    kinderen leerplichtig zijn - heeft dan, indien verder arbeid als doelperspectief
                    niet speelt, tot voordeel dat het volgen van de inburgeringvoorziening geen (of
                    slechts in beperkte mate) kosten in verband met kinderopvang met zich
                    meebrengt.</al><tussenkop>Artikel 4 De samenstelling van de inburgeringvoorziening</tussenkop><al>Het samenstellen van de inburgeringvoorziening ligt als taak bij het college.
                    Het is echter aan de raad om bij verordening kaders te stellen met betrekking
                    tot de samenstelling van de inburgeringvoorziening (artikel 19, vijfde lid,
                    onderdeel b, Wet Inburgering). Daarbij is voor de samenstelling van de
                    inburgeringvoorziening in hoge mate bepalend welke visie de gemeente kent op
                    integratie, alsmede de rol van inburgering daarbinnen. Capelle heeft daarbij
                    eerder reeds gekozen voor een brede visie (contourennota Visie op integratie van
                    allochtonen). Gestreefd wordt naar een volwaardige participatie. De integratie
                    in Capelle is eerst geslaagd als de allochtone burger participeert aan de
                    samenleving op een niveau dat in overeenstemming is met zijn/haar talenten,
                    capaciteiten en ambities. </al><al>Dit laatste wil niet zeggen dat de gemeente een beleid voert dat zich richt op
                    het volledig realiseren van deze situatie. De volle ontplooiing van mensen is
                    immers vooral afhankelijk van hun eigen inspanningen (lees ook: eigen
                    verantwoordelijkheid). Wel voert de gemeente een beleid dat zich richt op het
                    toerusten van mensen om zelf “het stokje over te kunnen nemen” (empowerment).
                    Daarbij zijn binnen de contourennota een viertal “toerust”-elementen
                    geformuleerd, waarover de allochtoon dient te beschikken om tot volwaardige
                    participatie te kunnen komen. Meer specifiek gaat het dan erom dat de
                    allochtoon:</al><lijst><li nr="a."><al>- in overeenstemming met zijn talenten, capaciteiten en ambities –
                            tenminste een startkwalificatie heeft om te gaan werken, een opleiding
                            te gaan volgen, sociaal redzaam te zijn of de opvoeding van zijn of haar
                            kinderen volledig ter hand te kunnen nemen;</al></li><li nr="b."><al>(zinvolle) sociale contacten heeft, binnen en buiten de eigen etnische
                            groep;</al></li><li nr="c."><al>(de normen en waarden van) het functioneren van de Nederlandse
                            samenleving respecteert; en</al></li><li nr="d."><al>tenminste de taal beheerst op het (in de Wet Inburgering) vastgestelde
                            niveau.</al></li></lijst><al>Inburgering moet binnen integratie worden beschouwd als een eerste stap binnen
                    het integratieproces. Het gaat om het verwerven van basisvaardigheden die nodig
                    zijn voor de participatie in de Nederlandse samenleving. Dit houdt in relatie
                    tot het bovenstaande in dat de genoemde vier “toerust”-elementen idealiter het
                    einddoel vormen van het inburgeringtraject. Een succesvol doorlopen
                    inburgeringtraject heeft aldus tot gevolg dat de inburgeringplichtige over al
                    het gereedschap beschikt om tijdens het verdere verblijf in Nederland zijn
                    integratie vorm te geven. Dit houdt wederom in dat daar waar een aanbod van
                    gemeentezijde wordt gedaan, de aangeboden voorziening erop is gericht voor de
                    inburgeringplichtige - voorzover zijn capaciteiten dit toestaan - het
                    bovenstaande toerustingniveau te bereiken. </al><al>Naast bovenstaande streefdoelen zijn in de wet zelf enkele extra criteria
                    opgenomen waaraan de inburgeringvoorziening dient te voldoen. Ten eerste dient
                    een inburgeringvoorziening in ieder geval te bestaan uit een cursus die toe
                    leidt naar het inburgeringexamen en het eenmaal kosteloos afleggen van dat
                    examen (artikel 19, derde lid Wet Inburgering). Daarnaast is wettelijk bepaald
                    dat de inburgeringvoorziening gecombineerd moet worden met een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling (reïntegratievoorziening) als een
                    inburgeringvoorziening wordt aangeboden aan een inburgeringplichtige die
                    bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt op basis van een andere bij
                    AMvB aangewezen wet of regeling én die verplicht is om arbeid te verkrijgen of
                    te aanvaarden (artikel 20, eerste lid Wet Inburgering). Indien in deze
                    specifieke situatie geen reïntegratievoorziening wordt aangeboden, kan de
                    gemeente derhalve geen inburgeringvoorziening aanbieden. Op gelijke wijze is
                    bepaald dat in het verplichte aanbod aan asielzoekers zonder meer een component
                    maatschappelijke begeleiding dient te zijn opgenomen (artikel 19, zesde lid Wet
                    Inburgering). Daar al deze eisen met betrekking tot de samenstelling van de
                    voorziening reeds in de wet zijn opgenomen, zijn zij niet in de verordening
                    herhaald. </al><al>Opgemerkt zij tenslotte nog dat de samenstelling van de inburgeringvoorziening
                    voor geestelijke bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten
                    hebben dus niet de mogelijkheid om de inburgeringvoorziening die zij aan
                    geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven. </al><tussenkop>Artikel 5 De inning van de eigen bijdrage</tussenkop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, Wet Inburgering).
                    De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270. Dit
                    bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23,
                    tweede lid, Wet Inburgering). Alleen de inburgeringplichtigen die een aanbod van
                    de gemeente hebben geaccepteerd zijn voor deze inburgeringvoorziening een eigen
                    bijdrage schuldig. De overige inburgeringplichtigen dienen hun inburgering
                    volledig zelf te financieren. Zij kunnen hiertoe een lening afsluiten bij de
                    Informatie Beheer Groep (IBG). Wordt het inburgeringexamen binnen drie jaren met
                    succes afgerond, dan volgt een gedeeltelijke vergoeding van de kosten.</al><al>Bij de inning van de eigen bijdrage wordt gewerkt met twee termijnen. Het is aan
                    het college om de momenten waarop de beide termijnen worden gesteld te bepalen.
                    Gedacht kan worden aan een inning bij start en bij afronding van het
                    inburgeringtraject. Het gaat dan om momenten dat het college zonder meer contact
                    met de inburgeringplichtige heeft. Deze contactmomenten geven de
                    inburgeringplichtige de gelegenheid aan te tonen dat een eenmalige invordering
                    van € 135,00 (de helft van de totale eigen bijdrage) hem voor financiële
                    problemen plaatst, waarna op basis van het tweede lid alsnog afspraken kunnen
                    worden gemaakt om in afwijking van het eerste lid betaling in meerdere termijnen
                    mogelijk te maken. Daarbij zal veelal aansluiting worden gezocht bij de voor een
                    bijstandsgerechtigde vastgestelde aflossingcapaciteit. Het college zal in de
                    reeds aangehaalde nadere richtlijnen voor de uitvoering de momenten waarop de
                    beide termijnen worden gesteld nader bepalen. </al><al>Artikel 24, eerste lid Wet Inburgering maakt het bij inburgeringplichtigen die
                    algemene bijstand ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent
                    met deze uitkering. In het derde lid is daarom in afwijking van bovenstaande
                    richtlijn bepaald dat wanneer verrekening met een WWB uitkering mogelijk is, het
                    aantal termijnen afhankelijk wordt gesteld van de aflossingcapaciteit van de
                    inburgeringplichtige. Voor de bepaling van de aflossingcapaciteit wordt verwezen
                    naar hetgeen hierover is opgenomen in artikel 1 van de verordening. </al><al>Opgemerkt zij nog dat indien de inburgeringplichtige een uitkering van het UWV
                    ontvangt, het college het UWV kan verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met
                    of in te houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, Wet
                    Inburgering). In dit geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de
                    gemeente. Deze wijze van verrekening geschiedt door het UWV en niet door de
                    gemeente, en wordt dus niet in deze verordening geregeld. </al><tussenkop>Artikel 6 Opleggen van verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, Wet Inburgering dat
                    bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en
                    plichten van de inburgeringplichtige voor wie een inburgeringvoorziening is
                    vastgesteld. De raad delegeert in dit artikel de bevoegdheid aan het college om
                    de verplichtingen die in het artikel worden genoemd aan inburgeringplichtigen in
                    het kader van een inburgeringvoorziening op te leggen. Het college legt in de
                    beschikking tot de toekenning van de inburgeringvoorziening deze verplichtingen
                    vast.</al><al>Opgemerkt zij dat de genoemde verplichtingen alleen kunnen worden opgelegd aan
                    de inburgeringplichtige die een aanbod van gemeentezijde heeft gehad en dit ook
                    heeft geaccepteerd. Aan inburgeringplichtigen die zonder aanbod van de gemeente
                    hun inburgeringplicht vorm geven, kan het college geen verplichtingen opleggen.
                    Daarnaast kan het college vanuit de Wet Inburgering ook niet de verplichting
                    opleggen om een gemeentelijk aanbod te accepteren. Het is in beginsel de vrije
                    keuze van de inburgeringplichtige. Daar waar sprake is van bijstandgerechtigheid
                    kan het weigeren van het aanbod in het kader van het WWB-verlagingen beleid wel
                    gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Het aanbod van een inburgeringvoorziening</tussenkop><tussenkop>Artikel 7 De procedure van het doen van een aanbod</tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze geschiedt. Dit is van belang omdat
                    zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een
                    besluit tot het toekennen van een inburgeringvoorziening. In het eerste lid van
                    dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van een
                    inburgeringvoorziening aan de inburgeringplichtige op schriftelijke wijze doet
                    en dat het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringplichtige
                    staat ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijkheid ontstaan
                    over het feit dat het college de inburgeringplichtige een aanbod heeft gedaan. </al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke
                    beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens
                    worden opgevat als instemming met de beschikking tot toekenning van de
                    inburgeringvoorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze
                    beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vijfde lid).
                    De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringplichtige het
                    aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit duidelijk kenbaar maakt (het derde
                    lid). In beginsel zal de inburgeringplichtige conform de huidige praktijk worden
                    verzocht het aanbod te ondertekenen zo hij er mee instemt. Het niet ondertekenen
                    houdt dan in principe in dat hij het aanbod weigert. Verschijnt de
                    inburgeringplichtige tot tweemaal toe, zonder opgaaf van redenen, niet op de
                    uitnodiging van het college om het aanbod nader te bespreken dan gaat het
                    college er vanuit dat de inburgeringplichtige het aanbod weigert (vierde lid). </al><al>Het kan verder natuurlijk voorkomen dat een inburgeringplichtige aan de gemeente
                    meldt dat hij wel een inburgeringvoorziening wil, maar dat hij gelet op zijn
                    situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de
                    gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod
                    moeten aanpassen. Een inburgeringplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren.
                    Weigert de inburgeringplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                    voorbereiden op het inburgeringexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is er geen
                    termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het inburgeringexamen moet
                    hebben behaald. Het college zal in een dergelijke situatie een handhavingbesluit
                    nemen: een besluit op grond van artikel 26 Wet Inburgering waarmee de termijn
                    van start gaat waarbinnen de inburgeringplichtige het inburgeringexamen moet
                    hebben behaald (vijf jaar na aanvang van deze termijn). Het college zal deze
                    handelwijze vastleggen in de eerder reeds aangehaalde richtlijnen voor de
                    uitvoering en dit evenzo opnemen in de brief waarin het aanbod wordt gedaan,
                    zodat tevoren voor de betrokkenen duidelijk is (of zou kunnen zijn) wat de
                    gevolgen zijn van het weigeren van een aanbod voor een
                    inburgeringvoorziening.</al><tussenkop>Artikel 8 De inhoud van de beschikking</tussenkop><al>Het besluit tot het toekennen van een inburgeringvoorziening is een beschikking.
                    Dit betekent dat de inburgeringplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit
                    in bezwaar en beroep te gaan. </al><al>In de beschikking zullen de toegekende inburgeringvoorziening en de daaraan
                    verbonden rechten en plichten van de inburgeringplichtige nauwkeurig moeten
                    worden vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringplichtige is verplicht zijn
                    medewerking te verlenen aan de uitvoering van de inburgeringvoorziening (artikel
                    23, eerste lid, Wet Inburgering). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de
                    verplichtingen van de inburgeringplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de
                    betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringplichtige het inburgeringexamen moet hebben
                    behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, Wet Inburgering). In de
                    beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding te worden gemaakt
                    (onderdeel c). </al><al>Onderdeel e bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                    termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                    plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de bijstandsuitkering).
                    Dit is geregeld in artikel 5 van de verordening.</al><al>Onderdeel f heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het college
                    een inburgeringvoorziening vaststelt voor een oudkomer, dan moet het college in
                    de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de termijn van handhaving
                    van de inburgeringplicht van start gaat (artikel 22, tweede lid, juncto artikel
                    26 Wet Inburgering). Binnen vijf jaar ná deze datum moet de betreffende oudkomer
                    het inburgeringexamen hebben behaald. Het college kan zelf bepalen wanneer de
                    termijn van handhaving van de inburgeringplicht van start gaat. Het college zal
                    daarbij - voorzover mogelijk – aansluiting zoeken bij de aanvangsdatum van de
                    inburgeringvoorziening.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. De bestuurlijke boete</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                    overtredingen</tussenkop><al>Artikel 35 Wet Inburgering draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte
                    van de bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                    overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 Wet Inburgering zijn voor de
                    verschillende overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete
                    vastgelegd. </al><al>De binnen de Wet Inburgering boetewaardig gestelde gedragingen zijn in hoge mate
                    vergelijkbaar met de verlagingwaardige gedragingen binnen de WWB. Er is voor
                    gekozen om het boete beleid in het kader van de Wet Inburgering zo veel mogelijk
                    in de pas te laten lopen met het WWB-verlagingenbeleid. Dit laatste houdt in dat
                    de wettelijk vastgestelde maxima van toepassing worden verklaard, nu deze de
                    hoogte van de maatregel het best benaderen (zie bijgevoegde tabel). </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="37*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Boetewaardige gedraging Wet Inburgering</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Max.</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Verlagingwaardige gedraging WWB</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Max.</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet dan wel in te beperkte mate verlenen van
                                        medewerking bij het onderzoek naar de
                                        inburgeringplichtigheid</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 250,00</al></entry><entry colname="col3"><al>Het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een
                                        onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, dan
                                        wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of
                                        opleiding</al></entry><entry colname="col4"><al>100%</al><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet dan wel in te beperkte mate meewerken aan de
                                        uitvoering van de inburgeringvoorziening</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 500,00</al></entry><entry colname="col3"><al>Het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door
                                        het college aangeboden voorziening, gericht op
                                        arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                        onderdeel b, en artikel 10, eerste lid van de wet, waaronder
                                        begrepen sociale activering;</al></entry><entry colname="col4"><al>100%</al><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet behalen van het inburgeringexamen binnen de
                                        gestelde termijn</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 500,00</al></entry><entry colname="col3"><al>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen en te aanvaarden</al></entry><entry colname="col4"><al>100% </al><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het bij herhaling niet behalen van het inburgeringexamen
                                        binnen de gestelde termijn</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1000,00</al></entry><entry colname="col3"><al>Het bij herhaling niet naar vermogen trachten algemeen
                                        geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden</al></entry><entry colname="col4"><al>100%</al><al>2 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De boetebedragen die in de verordening zijn opgenomen, zijn - net zoals in de
                    Afstemmingsverordening - géén gefixeerde sancties. Het college zal bij elke
                    overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de
                    overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten.
                    Bovendien moet het college daarbij ook zonodig rekening houden met de
                    omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 38, tweede lid Wet
                    Inburgering). Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te
                    leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken inburgeringplichtige. Een boete
                    hoger dan het in de verordening aangegeven bedrag is echter niet mogelijk.</al><al>Opgemerkt zij nog dat in het kader van de uitvoering van een gecombineerde
                    reïntegratie- en inburgeringvoorziening het kan voorkomen dat dezelfde gedraging
                    (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te
                    verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke
                    boete als voor het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel
                    18, tweede lid Wet werk en bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel
                    op grond van een andere socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 Wet
                    Inburgering bevat een regeling voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald
                    dat het college in dat geval géén bestuurlijke boete op grond van de Wet
                    Inburgering kan opleggen.</al><tussenkop>Artikel 10 Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                    overtreding</tussenkop><al>Als de inburgeringplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke boete
                    op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 9, derde
                    lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 Wet Inburgering moet het
                    college in de boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                    inburgeringplichtige alsnog het inburgeringexamen moet behalen. Als de
                    inburgeringplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringexamen
                    verwijtbaar niet heeft behaald, is in artikel 10 geregeld dat het college een
                    boete van maximaal € 1000,00 (artikel 34, onderdeel d, Wet Inburgering)
                    vaststelt. Daarmee loopt het boetebeleid van de Wet Inburgering wederom in de
                    pas met het WWB-verlagingenbeleid, waarin ook voor een verdubbeling van de
                    sanctie wordt gekozen zo sprake is van recidive. </al><al>In de boetebeschikking zal weer een nieuwe termijn moeten worden opgenomen
                    waarbinnen de inburgeringplichtige het inburgeringexamen moet behalen. Als de
                    inburgeringplichtige ook binnen deze (derde) termijn het inburgeringexamen niet
                    heeft behaald, kan een boete van wederom maximaal € 1000,00 worden opgelegd. Een
                    hogere boete is in deze wettelijk niet toegestaan. </al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 11 Inwerkingtreding </tussenkop><al>De Wet Inburgering is per 1 januari 2007 in werking getreden. Gemeenten hebben
                    echter – daar er slechts een zeer beperkte periode was tussen publicatie in het
                    Staatsblad en inwerkingtreding van de Wet Inburgering – tot 1 april 2007 de tijd
                    gekregen om aan de in de wet omschreven verplichtingen te voldoen. De gemeente
                    heeft ervoor gekozen om van deze “implementatie”-termijn ten volle gebruik te
                    maken. </al><tussenkop>Artikel 12 Citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>