<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR63116_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Planschadeverordening 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Son en Breugel</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-03-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Son en Breugel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Brug 7 december 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Planschadeverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">6.1.3.3 Besluit ruimtelijke ordening</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>n.v.t.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10.14344</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Planschadeverordening 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>1</nr><titel>Planschadeverordening 2010 van de gemeente Son en Breugel </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: a. aanvrager: degene die een
                            aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet
                            ruimtelijke ordening indient; b. adviseur: de door het college van
                            burgemeester en wethouders aan te wijzen per-soon als bedoeld in artikel
                            6.1.1.1, onder c, Besluit ruimtelijke ordeningc. adviescommissie:
                            schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van
                            deze verordening; d. besluit: Besluit Ruimtelijke Ordening (BRO); e.
                            college: het college van burgemeester en wethouders; f.
                            derde-belanghebbende: belanghebbende als bedoeld in artikel 6.4a van de
                            wet;g. drempelbedrag: recht als bedoeld in artikel 6.4 , lid 3 c.q. lid
                            5 van de wet; h. gemeente: gemeente Son en Breugel; i. planologische
                            maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, Wet
                            ruimtelij-ke ordening; j. planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1,
                            eerste lid, Wet ruimtelijke ordening; k. wet: Wet ruimtelijke ordening
                            (Wro). </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indiening van de aanvraag en mededeling van ontvangst</titel></kop><al>Een aanvraag om tegemoetkoming van planschade wordt bij het college
                            ingediend met ge-bruikmaking van een door het college vastgesteld
                            formulier. Het college tekent de datum van ontvangst van de aanvraag als
                            bedoeld in het eerste lid onverwijld aan op het geschrift waarbij de
                            aanvraag is ingediend. De ontvangst wordt zo spoedig mogelijk
                            schriftelijk medegedeeld aan aanvrager. Van de aanvraag wordt een
                            af-schrift toegezonden aan de derde-belanghebbende. In de mededeling van
                            ontvangst wijst het college de aanvrager erop dat voor het behandelen
                            van de aanvraag een drempelbedrag van 300,-- euro verschuldigd is, en
                            deelt hem mede dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag
                            van verzending van de medede-ling op de rekening van de gemeente dan wel
                            op een aangegeven plaats moet zijn gestort. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van de
                                aanvrager</titel></kop><al>Indien het drempelbedrag niet binnen de in artikel 2, derde lid genoemde
                            termijn is bijge-schreven of gestort, verklaart het college de aanvrager
                            niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat
                            aanvrager in verzuim is geweest.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in
                            artikel 6.1.3.1 van het besluit verstrekt het college aan één of
                            meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag
                            advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel
                            6.1.3.1 van het besluit of aan artikel 4:5 van de Algemene wet
                            bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Adviseur of adviescommissie</titel></kop><al>1. Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt
                            door het col-lege een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende
                            deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade. 2. Indien
                            het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid
                            bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op
                            planschade vanwege inkomensderving en er, gezien de complexiteit, aard
                            en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid
                            wordt door het college een tweede advi-seur aangewezen die deskundig is
                            op het gebied van accountancy of van financieel economische
                            bedrijfsvoering. 3. Indien het college, na advies te hebben ingewonnen
                            van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de
                            aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege waardevermindering van
                            een onroerende zaak en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de
                            aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het
                            college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is ter zake van de
                            waarde-ring van onroerende zaken en van waardevermindering daarvan als
                            gevolg van een planologische verslechtering.4. Indien naar het oordeel
                            van het college het tweede en het derde lid van toepassing zijn, worden
                            zowel de in het tweede als het derde lid bedoelde adviseurs aangewe-zen.
                            5. Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een
                            adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur
                            voorzitter is.6. De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur
                            aan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Deskundigheid en onafhankelijkheid</titel></kop><al>1. Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college
                            verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig
                            te zijn met betrekking tot de in artikel 5, eerste, tweede of derde lid,
                            bedoelde aspecten waarop deze per-soon de aanvraag moet beoordelen. 2.
                            Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de
                            raad. Even-eens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de
                            planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing
                                adviseur of adviescommissie</titel></kop><al>1. Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in
                            artikel 4 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere
                            betrokken bestuursorganen, alsme-de de belanghebbenden als bedoeld in
                            artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet schriftelijk op de hoogte
                            van de aanwijzing van: a. een adviseur als bedoeld in artikel 5, eerste
                            lid, of b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 5, vijfde lid. 2.
                            De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de
                            belang-hebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van
                            de wet kunnen bin-nen twee weken na de mededeling als bedoeld in het
                            eerste lid schriftelijk en vol-doende gemotiveerd een verzoek tot
                            wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen. 3. Het
                            college beslist binnen vier weken na het verstrijken van de in het
                            tweede lid be-doelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van
                            één of meerdere advi-seurs. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Werkwijze adviseur of adviescommissie</titel></kop><al>1. Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de
                            aanvraag betrek-king hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling
                            daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie
                            noodzakelijke bescheiden ter beschik-king. 2. Het college wijst uit de
                            ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de advi-seur of de
                            adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat. 3. De
                            adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of
                            meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid
                            bedoelde ambtelijke verte-genwoordiger(s) in de gelegenheid worden
                            gesteld de aanvraag toe te lichten, on-derscheidenlijk de voor de
                            advisering over de aanvraag relevante informatie te ver-schaffen, dan
                            wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de advi-seur of
                            de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken
                            be-stuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel
                            6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de gelegenheid
                            gesteld hun standpunt kenbaar te maken. 4. De adviseur of de voorzitter
                            van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de
                            adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de
                            aanvrager voor de plaatsopneming uit, tenzij uit de inhoud van de
                            aanvraag aan-stonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen.5. Ten
                            behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende
                            zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met
                            de aanvrager een afspraak gemaakt. 6. Van de in het derde lid bedoelde
                            hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde be-zichtiging wordt
                            door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de
                            voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel
                            vormt van het uit te brengen advies. 7. Alvorens een advies uit te
                            brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na
                            de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daar-van aan
                            de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken
                            bestuurs-organen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,
                            tweede en derde lid, van de wet. De adviseur of de voorzitter van de
                            adviescommissie kan deze ter-mijn onder opgaaf van redenen met een
                            daarbij aan te geven termijn met ten hoog-ste vier weken verlengen. 8.
                            De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de
                            belangheb-benden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van
                            de wet worden in de ge-legenheid gesteld om binnen vier weken na de
                            toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren. 9. In
                            het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de
                            adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het
                            achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de
                            betreffende reacties zijn betrokken. 10. In het geval geen of niet
                            tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de
                            ad-viescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het
                            achtste lid bedoel-de termijn een advies uit aan het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitbetaling</titel></kop><al>Indien het college een vergoeding van planschade vaststelt, vindt
                            uitbetaling plaats op een door aanvrager aangegeven rekening uiterlijk
                            zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van deze
                            beschikking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1
                            september 2010. </al><al>2. Deze verordening wordt aangehaald als “Planschadeverordening 2010”.
                        </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel>Toelichting Planschadeverordening</titel></kop><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al/><al>Krachtens artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan degene die in de
                    vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak
                    schade lijdt of zal lijden als gevolg van een planologische maatregel, op
                    aanvraag een tegemoetkoming in schade worden toegekend, voor zover de schade
                    redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor
                    zover de tegemoetkoming in schade niet voldoende anderszins verzekerd is. </al><al/><al>Afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) van de Wro bevat bepalingen over het
                    tijdstip waarbinnen aanvragen moeten worden ingediend (artikel 6.1, vierde en
                    vijfde lid, Wro), is uitgewerkt welke schade in ieder geval voor rekening van de
                    aanvrager dient te blijven (artikel 6.2 Wro) en wordt ingegaan op zaken die het
                    bestuursorgaan bij het nemen van een beslissing op het aanvragen om een
                    tegemoetkoming in planschade dient te betrekken (artikel 6.3 Wro). </al><al/><al>Artikel 6.1, derde lid, Wro stelt eisen aan de aanvraag om een tegemoetkoming,
                    die op grond van artikel 6.7 Wro in het Bro zijn uitgewerkt. De regels in het
                    Bro leiden tot een uniformering en standaardisering van regels omtrent de
                    inrichting en behandeling en de wijze van beoordeling van een aanvraag om
                    tegemoetkoming in schade. Onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en het
                    Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) bestond de noodzaak dat
                    iedere gemeente een regeling voor de behandeling van de planschadeverzoeken
                    moest opstellen. De regeling met betrekking tot de behandeling van de aanvragen
                    is nu terug te vinden in het Bro. </al><al/><al>In het Bro zijn in afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) de vereisten voor het
                    indienen van een aanvraag, alsmede een aantal procedurevoorschriften en de
                    regels voor het aanwijzen van een adviseur opgenomen. Artikel 6.1.3.2 Bro
                    verplicht het college een adviseur aan te wijzen die advies uitbrengt over de op
                    de aanvraag te nemen beslissing. In artikel 6.1.3.3, eerste lid, Bro wordt
                    voorgeschreven dat de gemeente een verordening moet vaststellen over de wijze
                    waarop een adviseur wordt aangewezen en de wijze waarop deze tot een advies
                    komt. In artikel 6.1.3.3, tweede lid, Bro wordt bepaald dat de verordening in
                    ieder geval betrekking moet hebben op: </al><al>a. de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur; </al><al>b. de gevallen waarin een adviescommissie wordt ingeschakeld; </al><al>c. het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld; </al><al>d. de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en
                    de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro
                    vooraf in de aanwijzing van de adviseur worden gekend, dan wel na deze
                    aanwijzing kunnen wraken; </al><al>e. de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en
                    de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro
                    onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden
                    betrokken, en de hierbij geldende termijnen. </al><al/><al><vet>De planschadeverordening 2010 in verhouding tot de procedureregeling
                        planschadevergoeding 2007 </vet></al><al>Met de inwerkingtreding van de voorliggende planschadeverordening kan de oude
                    planschaderegeling nog niet in zijn geheel door het college worden ingetrokken.
                        <cursief>De procedureregeling planschadevergoeding 2007</cursief></al><al>is nog van toepassing de volgende situaties: </al><al>- op een aanvraag ingediend vóór 1 september 2005 in het geval dat de
                    planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september 2005 is de
                    WRO van vóór 1 september 2005 van toepassing; </al><al>- op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli 2008 in
                    het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september
                    2005 is de WRO nog van toepassing (maar is geen verjaringstermijn van
                    toepassing); </al><al>- op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli 2008 in
                    het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden op of na 1
                    september 2005 en vóór 1 juli 2008 van kracht is geworden, is de WRO van
                    toepassing (met inbegrip van de verjaringstermijn); </al><al>- op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september 2010 in
                    het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september
                    2005 is de WRO nog van toepassing (maar is geen verjaringstermijn van
                    toepassing). </al><al/><al>De <cursief> Planschadeverordening 2010</cursief> is van toepassing in de
                    volgende situaties op een aanvraag waarop de Wro in alle gevallen onverkort van
                    toepassing is; aanvragen ingediend op of na 1 september 2010.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 1. Begripsbepalingen </onderstreept></al><al>Bij de definiëring van de begrippen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij
                    de Wro en het Bro en voor zover dit noodzakelijk werd geacht is een aanvulling
                    gegeven. Uitgangspunt hierbij is de tekst zoals deze op 1 september 2010 luidt.
                    Voor een juiste interpretatie van de verordening is naast raadpleging van
                    artikel 1 kennisneming van de algemene bepalingen in artikel 6.1.1.1 Bro van
                    belang: onder een adviseur wordt verstaan een persoon of commissie, die geen
                    deel uitmaakt van of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het
                    bestuurorgaan waaraan wordt geadviseerd, en die belast is met de advisering over
                    de op de aanvraag te nemen beschikking.</al><al>Het begrip gemeente is afzonderlijk gedefinieerd om te verduidelijken dat indien
                    de verordening het woord gemeente gebruikt, het de gemeente betreft waar de
                    aanvraag om tegemoetkoming in planschade is ingediend. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2: Indiening van de aanvraag en mededeling van
                        ontvangst</onderstreept></al><al>- eerste lid</al><al> Vast moet staan dat het binnengekomen schrijven een aanvraag bevat om
                    vergoeding van schade als bedoeld in <cursief>artikel 6.1 Wro</cursief> en dat
                    daarbij tevens wordt voldaan aan de vereisten van artikel 4:2 Awb: de aanvraag
                    moet worden ondertekend en tenminste bevatten: naam, adres van de aanvrager, de
                    dagtekening en de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.</al><al>Aanvrager moet daarbij gebruik maken van een door het college vastgesteld
                    formulier volgens bijgevoegd model. Daarin moet aanvrager onder meer ook
                    aangeven welke van de in artikel 6.1. tweede lid Wro genoemde planologische
                    maatregelen volgens hem oorzaak zijn van de schade.</al><al>- tweede lid</al><al>Registratie van de datum van ontvangst van de aanvraag is van belang voor de
                    bepaling van de wettelijke rente over de uit te keren schadevergoeding en voorts
                    in verband met de verjaringsregeling: een aanvraag om vergoeding van schade als
                    bedoeld in artikel 6.1 Wro moet worden ingediend binnen 5 jaar nadat de
                    desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan of het desbetreffende besluit
                    onherroepelijk is geworden.</al><al>- derde lid</al><al>Ter zake van een aanvraag om tegemoetkoming in de schade is een drempelbedrag
                    verschuldigd. De wet bepaalt dat de teruggaaf wordt verleend indien op de
                    aanvraag geheel of gedeeltelijk positief wordt beslist (artikel 6.4 lid van de
                    wet). De hoogte van het drempelbedrag of wel het ingevolge artikel 6.4, lid 3
                    Wro verschuldigde recht bedraagt 300,-- euro en kan met maximaal 2/3 verhoogd of
                    verlaagd worden. </al><al>Overigens krijgt de verzoeker het gehele bedrag terugbetaald indien de aanvraag
                    om tegemoetkoming in de schade geheel of gedeeltelijk wordt toegekend.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 3 Besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van de
                        aanvrager.</onderstreept></al><al>In uitzonderlijke gevallen kan worden geoordeeld dat de aanvrager inderdaad niet
                    in verzuim is geweest, bijvoorbeeld als het college de mededeling van ontvangst
                    per abuis verkeerd heeft geadresseerd. Als dit blijkt kan het college zijn
                    besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvrager herzien.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4. Opdrachtverstrekking </onderstreept></al><al>Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan één of
                    meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel
                    6.1.3.1 Bro of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel
                    6.1.3.1, eerste lid, Bro geeft het college de bevoegdheid een aanvraag binnen
                    vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog een termijn krijgt de
                    aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen.</al><al/><al>Zo`n afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid zal slechts in bijzonder
                    duidelijk liggende gevallen verantwoord zijn; daardoor wordt onnodig werk en
                    kosten voorkomen.</al><al>Tegen de achtergrond van bestaande jurisprudentie en voorts de in de wet
                    opgenomen verjaringstermijn kunnen de volgende voorbeelden genoemd van situaties
                    waarbij direct afwijzing van de aanvraag mogelijk aan de orde is:</al><al>- de gestelde schade, indien en voor zover al aanwezig, vloeit niet voort uit de
                    door de aanvrager vermelde planologische maatregel, en evenmin uit een andere in
                        <cursief>artikel 6.1. tweede lid Wro</cursief> genoemde planologische
                    maatregel;</al><al>- de gestelde schade kan, indien en voorzover al aanwezig, weliswaar het gevolg
                    zijn van de door de aanvrager vermelde planologische maatregel of van een andere
                    in de wet genoemde planologische maatregel, maar deze oorzakelijke planologische
                    maatregel is nog niet van kracht geworden</al><al>- de gestelde schade kan weliswaar het gevolg zijn van de dor de aanvrager
                    vermelde planologische maatregel, maar deze oorzakelijk maatregel is 5 jaar of
                    langer geleden, gerekend vanaf de indiening van de aanvraag, onherroepelijk
                    geworden.</al><al>- het is overduidelijk dat de koper ten tijde van de aankoop van de onroerende
                    zaak die in waarde zou zijn gedaald, wist of had kunnen weten dat een bepaalde
                    (negatieve) ruimtelijke ontwikkeling zich zou kunnen voordoen zodat de schade
                    veroorzakende planologische kennelijk voorzienbaar was.</al><al/><al>In deze voorbeelden wordt er vanuit gegaan dat het college een eventuele
                    vermelding door de aanvrager van de verkeerde planologische oorzaak ambtshalve
                    converteert in de vermelding van de juiste planologische oorzaak, indien
                    zodanige oorzaak tenminste aan de orde is. Een eventueel verkeerde
                    oorzaakvermelding kan in deze situatie derhalve niet direct leiden tot afwijzing
                    van de claim. Stel bijvoorbeeld dat iemand een schadeclaim indient op grond van
                    een bestemmingsplan, terwijl de gestelde schade in werkelijkheid slechts het
                    gevolg kan zijn van een projectbesluit, dan zal het college de claim als zodanig
                    ook beschouwen en behandelen.</al><al/><al> Artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel
                    4:5 Algemene wet bestuursrecht waarbij een onvolledige aanvraag verder buiten
                    behandeling moet worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro moet
                    het besluit tot het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van
                    de aanvraag aan de aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de
                    gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgt het college acht
                    weken de tijd na het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is
                    verstreken, om het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend
                    te maken. De laatstgenoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden
                    verlengd. Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten
                    behandeling wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de
                    termijnen bedoeld in artikel 6.1.3.1 Bro worden overschreden. In het laatste
                    geval dienen niettemin één of meerdere adviseurs te worden aangewezen en dient
                    een opdracht te worden verstrekt. </al><al>De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat de termijn om te wraken is
                    verstreken en er geen verzoeken tot wraking zijn ingediend, dan wel door het
                    college afwijzend is beslist over een ingediend verzoek tot wraking. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5. Adviseur of adviescommissie </onderstreept></al><al>Het college schakelt één of meerdere adviseurs gezamenlijk in voor de advisering
                    over de op de aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel is bepaald in welke
                    gevallen een adviseur of een adviescommissie dient te worden ingeschakeld en
                    over welke deskundigheid een adviseur dient te beschikken. Een adviseur kan een
                    natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze tussen een natuurlijke
                    persoon of een rechtspersoon wordt aan de gemeente overgelaten (zie de Nota van
                    Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 63). Een adviesbureau
                    gespecialiseerd in planschade kan derhalve worden aangewezen als adviseur
                    bedoeld in het eerste lid, of als één van de adviseurs (tweede of derde lid) in
                    een adviescommissie. </al><al>Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of meerdere adviseurs
                    noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg om telkens dezelfde
                    adviseur(s) aan te wijzen (vaste adviseur/vaste adviescommissie). </al><al>In het eerste lid is bepaald dat een eerste adviseur wordt aangewezen die over
                    voldoende deskundigheid op het gebied van planschadeadvisering dient te
                    beschikken. Afhankelijk van de kennelijke oorzaak van de planschade kan een
                    tweede en/of derde adviseur worden aangewezen, die over specifieke deskundigheid
                    op het gebied van planschade wegens inkomensderving onderscheidenlijk wegens
                    waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een planologische
                    verslechtering beschikt. </al><al>Het is aan het college om, na advies te hebben ingewonnen bij de (eerste)
                    adviseur, te beoordelen of deze (eerste) adviseur zelfstandig kan adviseren, of
                    dat er gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte is een
                    tweede en/of derde adviseur bij de opdracht te betrekken die beschikt over
                    specifieke deskundigheid. Het college zal de tweede en/of derde adviseur dan
                    vervolgens moeten aanwijzen; bij de aanwijzing van twee of meer adviseurs is er
                    sprake van een adviescommissie (artikel 3, vijfde lid). De adviseurs dienen de
                    in artikel 6.1.3.4 Bro genoemde zaken te betrekken. Artikel 6.1.3.5, eerste lid,
                    Bro bepaalt dat de adviseur of de adviescommissie zich door derden kan laten
                    adviseren en bijstaan. Indien hiermee kosten zijn gemoeid is instemming van het
                    college vereist. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 6. Deskundigheid en onafhankelijkheid </onderstreept></al><al>Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder a, Bro schrijft voor dat de verordening regels
                    moet bevatten over de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur. Om
                    de deskundigheid van de adviseurs te waarborgen is in het eerste lid bepaald dat
                    het college alvorens zij tot aanwijzing van een persoon als adviseur overgaat,
                    kan verlangen dat deze persoon aantoont op grond van opleiding en ervaring
                    deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3, tweede of derde lid,
                    genoemde aspecten waarop hij of zij de aanvraag dient te beoordelen. In
                    aansluiting op artikel 3:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht juncto
                    artikel 6.1.1.1 onder c, Bro waaruit voortvloeit dat een adviseur niet werkzaam
                    mag zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt
                    geadviseerd, wordt in artikel 6, tweede lid, bepaald dat die adviseur eveneens
                    niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Voorts bepaalt
                    artikel 6, tweede lid, dat een adviseur niet betrokken mag zijn bij de
                    planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit betreft
                    deskundigen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de in het geding zijnde
                    planologische maatregel. In het bijzonder kan worden gedacht aan personen
                    behorende tot de risicoanalysecommissie die optreedt in het kader van
                    planologische maatregelen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 7. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij
                        aanwijzing adviseur of adviescommissie. </onderstreept></al><al>Dit artikel bepaalt dat de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen
                    en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van
                    de Wro schriftelijk op de hoogte moeten worden gebracht van de aanwijzing van
                    een adviseur of adviescommissie. De aanwijzing van een adviseur dient
                    schriftelijk bekend te worden gemaakt. In het geval meerdere adviseurs worden
                    aangewezen, worden deze aanwijzingen gezamenlijk schriftelijk bekend gemaakt.
                    Indien de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere
                    belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro
                    zich niet kunnen verenigen met de aanwijzing van één of meerdere adviseurs is er
                    de mogelijkheid om één of meerdere adviseurs te wraken. Op verzoek van de
                    aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden
                    als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro kunnen één of
                    meerdere adviseurs worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden
                    waardoor de vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid schade zou kunnen
                    lijden. Genoemde partijen worden gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld
                    een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college kenbaar te
                    maken. Het college moet binnen vier weken na het verstrijken van de termijn tot
                    het indienen van een verzoek tot wraking beslissen. Ten aanzien van wraking kan
                    nog worden opgemerkt dat geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld wanneer het
                    verzoek om wraking niet wordt gehonoreerd.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8. Werkwijze adviseur of adviescommissie
                    </onderstreept></al><al>Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken
                    bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en
                    derde lid, van de Wro onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling
                    van het advies worden betrokken. Tevens worden de hiervoor geldende termijnen
                    vastgelegd. In het tweede en derde lid is bepaald dat vanuit de gemeente
                    bijstand wordt verleend aan de adviseur of adviescommissie, door alle voorhanden
                    zijnde informatie met betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in planschade
                    ter beschikking te stellen. Daarnaast worden alle bescheiden die naar het
                    oordeel van de adviseur of van de adviescommissie nodig zijn voor de beoordeling
                    van de aanvraag aan hen ter beschikking gesteld. </al><al>Het derde, vierde en vijfde lid bevatten regels over achtereenvolgens de
                    hoorzitting, de bezichtiging en de taxatie. Deze onderdelen behoeven niet
                    afzonderlijk te worden georganiseerd. </al><al>Het is mogelijk om de hoorzitting te combineren met de bezichtiging en/of
                    taxatie. Volgens artikel 6.1.3.5, tweede lid, Bro mag van de bezichtiging worden
                    afgezien, indien uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort
                    te worden afgewezen. </al><al>Het concept advies dient binnen zestien weken na dagtekening van de opdracht aan
                    de gemeente, aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere
                    belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro te
                    worden toegezonden. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd
                    (zevende lid). </al><al>Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder e, Bro bepaalt dat de verordening aandacht
                    moet schenken aan de wijze waarop de aanvrager, eventueel andere betrokken
                    bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en
                    derde lid, van de Wro bij de opstelling van het advies moeten worden betrokken.
                    De Nota van Toelichting bij het Bro noemt als voorbeeld dat de aanvrager in de
                    gelegenheid wordt gesteld om binnen een bepaalde periode op het concept advies
                    te reageren (zie de Nota van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 66). In
                    dit kader bepaalt het achtste lid dat de gemeente, de aanvrager, eventuele
                    andere bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,
                    tweede en derde lid, van de Wro in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier
                    weken schriftelijk op het concept advies te reageren. </al><al>Het negende en het tiende lid bepalen de termijnen voor het uitbrengen van het
                    advies aan het college. Het advies van de adviseur wordt dus alleen aan het
                    college gezonden.</al><al>In geval van een positief advies m.b.t. een tegemoetkoming in de schade, wordt
                    het advies voorzien van een separaat ondertekend deskundigenadvies met daarin
                    een motivering van de hoogte van de tegemoetkoming. Een en ander is ingegeven
                    door de overweging dat niet alleen de verzoeker edoch ook de adviseur zijn
                    advies financieel moet kunnen onderbouwen. </al><al/><al>Na ontvangst van het advies beslist het college overeenkomstig artikel 6.1.3.6
                    van het Bro binnen 8 weken op het verzoek, en maakt dit besluit bekend aan de
                    aanvrager. Het college kan de besluit onder opgaaf van reden eenmaal voor ten
                    hoogste 4 weken verdagen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9: Uitbetaling </onderstreept></al><al>Bepaalt dat de uitbetaling uiterlijk zo spoedig mogelijk na de datum van het
                    onherroepelijk worden van de beschikking dient plaats te vinden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 10: Slotbepalingen</onderstreept></al><al>Sinds 1 september 2010 zijn de bepalingen uit de Wet ruimtelijke ordening op
                    verzoeken om tegemoetkoming van schade op of na die datum onverkort van
                    toepassing. Tegen deze achtergrond en gelet op het feit dat de
                    Planschadeverordening 2010 alleen procedurebepalingen kent wordt voorgesteld de
                    verordening met terugwerkende kracht met ingang van 1 september 2010 in werking
                    te laten treden. Verzoeken om planschade daterend van voor 1 september 2010
                    zullen conform de overgangsregeling en de Procedureregeling 2007 worden
                    afgedaan.</al><al/><al>In de citeertitel van de verordening is een jaartal worden opgenomen om de
                    betrokken verordening te onderscheiden van eventuele gelijkluidende opvolgende
                    verordeningen.</al><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>