<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR63110_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zuid-Limburger 30-04-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-04-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-05-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09Rb024</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit individuele maatschappelijke voorzieningen gemeente Kerkrade 2009</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening individuele maatschappelijke voorzieningen gemeente Kerkade 2007.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING INDIVIDUELE VOORZIENINGEN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE
                KERKRADE 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning; </al><al>b. College: het college van burgemeester en wethouders van
                                    gemeente Kerkrade; </al><al>c. Aanvrager: </al><al>1. een persoon met beperkingen van 18 jaar en ouder oftewel de
                                    wettelijk vertegenwoordiger of diens gemachtigde; </al><al>2. de wettelijk vertegenwoordiger oftewel een gemachtigde van
                                    een persoon met beperkingen van jonger dan 18 jaar. </al><al>d. Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van
                                    ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of
                                    psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij
                                    de maatschappelijke participatie; </al><al>e. Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk
                                    en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die
                                    maatschappelijke participatie mogelijk maken; </al><al>f. Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                    maatschappelijk verkeer, te weten het voeren van een huishouden,
                                    het normale gebruik van de woning; het zich in en om de woning
                                    verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt
                                    gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke
                                    vervoersystemen: het ontmoeten van andere mensen en het aangaan
                                    en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te
                                    nemen aan het lokale maatschappelijke leven; </al><al>g. Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op
                                    basis van directe beschikbaarheid, een beperkte
                                    toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate
                                    oplossing biedt voor een persoon met beperkingen; </al><al>h. Individuele voorziening: een voorziening die individueel
                                    wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate
                                    oplossing biedt; </al><al>i. ICF: De International Classification of Functioning,
                                    Disability and Health (ICF) wordt gehanteerd als uniform
                                    begrippenkader, als afwegingskader en als grondslag om de
                                    behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te
                                    stellen ofwel te typeren; </al><al>j. Eigen bijdrage; een door het CAK vast te stellen bijdrage,
                                    die bij de verstrekking van een voorziening in natura of in de
                                    vorm van een persoonsgebonden budget voor rekening van de
                                    aanvrager komt; </al><al>k. Eigen aandeel in de kosten: een door het college vast te
                                    stellen eigen aandeel, dat bij de verstrekking van een
                                    financiële tegemoetkoming voor rekening van de aanvrager komt; </al><al>l. Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te
                                    verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat
                                    boven voor de persoon met beperkingen als algemeen gebruikelijk
                                    te beschouwen kosten voor een dergelijke voorziening; </al><al>m. Voorzieningen in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                    bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt; </al><al>n. Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de persoon
                                    met beperkingen een of meer aan hem te verlenen compenserende
                                    voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening en
                                    het Besluit te stellen regels van toepassing zijn; </al><al>o. Financiële tegemoetkoming: een bijdrage in de kosten van een
                                    voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                    aanvrager; </al><al>p. Inkomen: het inkomen zoals gedefinieerd in artikel 4.2 lid 1
                                    landelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning. </al><al>q. Huisgenoot: Iedere persoon, die hetzelfde hoofdverblijf heeft
                                    als de persoon met beperkingen, met uitzondering van de
                                    kamerhuurder en de kostganger. </al><al>r. Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen
                                    tot het gangbare gebruik,- dan wel bestedingspatroon van een
                                    persoon behorend; </al><al>s. Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening
                                    dan wel de voorafgaande Wmo-verordening een persoonsgebonden
                                    budget is toegekend en die aan het college verantwoording over
                                    de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is; </al><al>t. Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                    permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste
                                    woon,- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke
                                    basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan
                                    ingeschreven, dan wel het feitelijke woonadres indien de persoon
                                    met beperkingen met een briefadres is ingeschreven; </al><al>u. Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw,
                                    niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en
                                    noodzakelijk om de woning van de persoon met beperkingen vanaf
                                    de toegang tot de woning te bereiken; </al><al>v. Woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op
                                    een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden
                                    verplaatst; </al><al>w. Standplaats: een kavel bestemd voor het plaatsen van een
                                    woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het
                                    leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of
                                    van gemeenten kunnen worden aangesloten; </al><al>x. Rolstoelvoorziening: voorziening die de persoon met
                                    beperkingen in staat stelt zich in en om de woning te
                                    verplaatsen en waarvan het rijden de primaire functie is; </al><al>y. Besluit: het van toepassing zijnde Besluit individuele
                                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade; </al><al>z. Gebruikelijke zorg: gangbare, niet-professionele zorg op
                                    basis van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van
                                    huisgenoten; </al><al>aa. Mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. </al><al>bb. Voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de wet
                                    (Wmo) waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan
                                    wel een beroep kan doen, ter compensering van de ondervonden
                                    beperkingen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    wet en de Awb. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2.</nr><titel>Voorwaarden en algemene weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op een voorziening bestaat slechts voor zover: </al><al>a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                    gebied van het voeren van het huishouden, het normale gebruik
                                    van de woning, het zich verplaatsen in en om de woning, het
                                    uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen, het zich
                                    lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van
                                    medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan te
                                    compenseren en; </al><al>b. deze in overwegende mate op het individu is gericht; </al><al> c. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                    adequate voorziening kan worden aangemerkt; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op lid 1 onderdeel a geldt als uitzondering hulp bij het
                                    huishouden en collectieve vervoersvoorziening, welke voor een
                                    korte duur kunnen worden geïndiceerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen recht op een voorziening bestaat: </al><al>a. indien de voorziening voor een persoon als de persoon met
                                    beperkingen algemeen gebruikelijk is; </al><al>b. indien de persoon met beperkingen niet zijn hoofdverblijf
                                    heeft in de gemeente Kerkrade; </al><al>c. voor zover er aan de zijde van de persoon met beperkingen
                                    geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de
                                    situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen
                                    waarvoor de voorziening wordt aangevraagd; </al><al>d. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                    persoon met beperkingen voorafgaand aan het moment van
                                    beschikken heeft gemaakt; </al><al> e. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                    heeft reeds eerder krachtens deze verordening, dan wel krachtens
                                    de aan deze verordening voorafgaande Wmo-verordening of
                                    Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de
                                    normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                    verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening
                                    verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de
                                    persoon met beperkingen zijn toe te rekenen; </al><al>f. indien niet is voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen
                                    bij of krachtens de wet. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de
                                    gevraagde voorziening op grond van lid 3 onderdeel d te
                                    weigeren, indien het college uitdrukkelijke toestemming heeft
                                    gegeven tot het maken van de kosten. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele voorziening kan als volgt verstrekt worden: </al><al> a. als voorziening in natura; </al><al> b. als financiële tegemoetkoming; </al><al>c. als persoonsgebonden budget. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in lid 1 genoemde voorzieningen worden slechts verstrekt
                                    indien een algemene voorziening geen adequate en voldoende
                                    oplossing biedt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte
                                    keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden
                                    budget niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit
                                    neergelegde criteria. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Voorzieningen in natura</titel></kop><al>Toekenning van de te verstrekken voorziening in natura en de
                                omschrijving ervan worden bij beschikking vastgesteld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>De toekenning van de te verstrekken financiële tegemoetkoming en de
                                omvang ervan worden bij beschikking vastgesteld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de
                                    wet zijn de volgende voorwaarden van toepassing: </al><al>a. een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt indien
                                    hiertegen geen overwegende bezwaren bestaan; </al><al>b. de omvang van het persoonsgebonden budget is door het college
                                    vastgelegd in het Besluit. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt
                                    waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het
                                    persoonsgebonden budget aan te schaffen voorziening dient te
                                    voldoen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na aanschaf van de voorziening, waarvoor het persoonsgebonden
                                    budget is verstrekt, dan wel na afloop van de periode waarop het
                                    persoongebonden budget van toepassing is, wordt aan het college
                                    door de budgethouder voorzover van toepassing, verstrekt,
                                    volgens de voorschriften zoals door het college opgenomen in het
                                    Besluit: </al><al> a. de nota/factuur van de aangeschafte voorziening en; </al><al> b. een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening en; </al><al> c. een overzicht van de salarisadministratie. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het college te verstrekken hulp bij het huishouden, ter
                                compensatie van beperkingen die een persoon met beperkingen
                                ondervindt bij het voeren van een huishouden, kan bestaan uit;</al><al> a. een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                huishouden;</al><al>b. hulp bij het huishouden in natura; </al><al>c. hulp bij het huishouden in de vorm van een persoonsgebonden
                                budget. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Primaat van de algemene hulp bij het huishouden en recht op
                                    hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 3.1 onderdeel
                                    a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien: a.
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                    chronische psychische en/of psychosociale problemen; of b.
                                    problemen bij het uitvoeren van mantelzorg; het zelf uitvoeren
                                    van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de
                                    algemene hulp bij het huishouden dit adequaat kan oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 3.1 onderdeel
                                    b en c vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht
                                    indien; a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                    gebrek, inclusief chronische psychische en/of psychosociale
                                    problemen het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke
                                    taken onmogelijk maken; of </al><al>b. de in artikel 3.1 onderdeel a genoemde voorziening een
                                    onvoldoende oplossing biedt of niet beschikbaar is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college weigert hulp bij het huishouden: </al><al>a. indien de gevraagde voorziening betrekking heeft op een hoger
                                    niveau dan het uitrustingsniveau van voorzieningen in de sociale
                                    woningbouw; </al><al>b. indien de aanvraag betrekking heeft op hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, vakantiewoningen en tweede woningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In afwijking van artikel 3.2 komt de persoon met beperkingen,
                                    niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als een of meer
                                    huisgenoten in staat zijn de huishoudelijke taken te verrichten,
                                    zijnde gebruikelijke zorg. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Omvang van de hulp bij huishouden</titel></kop><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in
                                klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren
                                kunnen worden toegekend: </al><al>Klasse 1: van 0 tot en met 1,9 uur per week; </al><al>Klasse 2: van 2 tot en met 3,9 uur per week; </al><al>Klasse 3: van 4 tot en met 6,9 uur per week; </al><al>Klasse 4: van 7 tot en met 9,9 uur per week; </al><al>Klasse 5: van 10 tot en met 12,9 uur per week; </al><al>Klasse 6: van 13 tot en met 15,9 uur per week. </al><al/><al>Boven klasse 6 kunnen er additionele uren worden toegekend, waarvoor
                                een apart uurtarief geldt zoals nader bepaald door het college in
                                het Besluit. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Het college stelt het bedrag vast dat per klasse aan
                                persoonsgebonden budget wordt verleend voor hulp bij het huishouden
                                en legt dit bedrag vast in het Besluit. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Typen woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen die iemand
                                ondervindt bij het normale gebruik van de woning en het uitvoeren
                                van de algemene dagelijkse levensverrichtingen, te verstrekken
                                woonvoorziening kan bestaan uit; </al><al>a. algemene woonvoorziening; </al><al> b. een voorziening voor de verhuis- en herinrichtingskosten; </al><al>c. een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; </al><al> d. een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening; </al><al> e. een uitraasruimte;</al><al> f. huurderving; </al><al>g. een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie van een
                                liftinstallatie in een woning; </al><al>h. tijdelijke huisvesting. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Vorm woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorziening genoemd in artikel 4.1 onderdeel a wordt in
                                    natura verleend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 4.1 onderdeel b, f, g en h
                                    worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 4.1 onderdeel c, d en e
                                    worden in natura of in de vorm van een PGB verstrekt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Het recht op een algemene voorziening</titel></kop><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 4.1 onderdeel a
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien er bij het
                                normale gebruik van de woning als gevolg van aantoonbare beperkingen
                                op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of
                                psychosociale problemen beperkingen worden ondervonden, en de
                                algemene woonvoorziening dit adequaat kan oplossen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                                    woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 4.1 onderdeel
                                    b vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien: </al><al> a. er bij het normale gebruik van de woning als gevolg van
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                    chronische psychische en/of psychosociale problemen beperkingen
                                    worden ondervonden; en </al><al> b. de algemene woonvoorziening de ondervonden beperkingen niet
                                    adequaat kan compenseren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 4.1 onderdeel c en d in aanmerking worden gebracht
                                    wanneer:</al><al>a. er bij het normale gebruik van de woning als gevolg van
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                    chronische psychische en/of psychosociale problemen beperkingen
                                    worden ondervonden; en </al><al> b. de algemene woonvoorziening de ondervonden beperkingen niet
                                    adequaat kan compenseren; en </al><al>c. de in artikel 4.1 onderdeel b genoemde voorziening niet
                                    mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 4.1 onderdeel e in aanmerking worden gebracht
                                    wanneer: </al><al> a. er sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op
                                    grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische
                                    en/of psychosociale problemen, aanwezige gedragsstoornis met
                                    ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen
                                    afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot
                                    rust kan komen; en b. de algemene woonvoorziening de ondervonden
                                    beperkingen niet adequaat kan compenseren; en </al><al> c. de in artikel 4.1 onderdeel b genoemde voorziening niet
                                    mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de aanpassingskosten van de huidige woonruimte het bedrag
                                    zoals genoemd in het Besluit te boven gaan, wordt het primaat
                                    van verhuizen zoals bedoeld in artikel 4.1 onderdeel b
                                    toegepast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Losse woonunit</titel></kop><al>In plaats van een voorziening als bedoeld in artikel 4.1 onderdeel b
                                kan het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken, indien
                                de eigenaar van de woning niet bereid is de aangepaste woning
                                blijvend ter beschikking te stellen aan een persoon met beperkingen
                                die behoefte heeft aan een dergelijke woning. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het
                                treffen van voorzieningen aan: </al><al>· hotels/pensions; </al><al> · trekkerswoonwagens; </al><al> · AWBZ-instelling; </al><al> · kloosters; </al><al> · tweede woningen; </al><al> · vakantiewoningen; </al><al> · kamerverhuur; </al><al>· specifiek op de persoon met beperkingen en ouderen gerichte
                                woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke
                                ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder
                                noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.Het college
                                treft hieromtrent nadere regels. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend, indien de persoon
                                    met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de
                                    woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in lid 1 en artikel 1.2 lid 3
                                    onderdeel b kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt
                                    voor het bezoekbaar maken van woonruimte indien de persoon met
                                    beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een
                                    AWBZ-instelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de
                                    gemeente waar de aan te passen woning staat. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de
                                    aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan
                                    bereiken. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de
                                    in lid 4 bedoelde woonruimten met een door het college in het
                                    Besluit vast te leggen maximumbedrag. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Gemeenschappelijke ruimten</titel></kop><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming verlenen voor het
                                treffen van uitsluitend de volgende voorzieningen aan
                                gemeenschappelijke ruimten: a. het verbreden van de toegangsdeuren; </al><al> b. het aanbrengen van elektrische deuropeners; </al><al> c. de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de
                                toegangsdeur van de woning; </al><al>d. de aanleg van drempelhulpen, vlonders en/of extra trapleuning; en </al><al> e. de aanleg van een opstelplaats voor meerdere elektrische
                                rolstoelen en/of scootmobielen met een adequate stroomvoorziening en
                                gescheiden stroommeters. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk
                                wordt geweigerd indien: </al><al>a. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
                                voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; </al><al> b. de voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het
                                uitrustingsniveau van voorzieningen in de sociale woningbouw; </al><al> c. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                                van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
                                normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek,
                                inclusief een chronisch psychisch en/of psychosociaal probleem, geen
                                aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; </al><al>d. de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor zijn of
                                haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door
                                het college, waarbij de persoon met beperkingen de
                                verantwoordelijkheid heeft zich tijdig hierover te informeren; </al><al>e. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat de
                                gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening
                                noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht
                                optredende noodzaak; </al><al>f. de persoon met beperkingen verhuisd is vanuit of naar een
                                woonruimte die niet geschikt is om het gehele jaar door bewoond te
                                worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                                instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten
                                woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn
                                ondervonden; </al><al>g. er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
                                ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische
                                kenmerken van de door persoon met beperkingen bewoonde woning; </al><al>h. de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
                                toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden
                                ondervonden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Verhuis-en inrichtingskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 4.4 kan het college een financiële
                                    tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld
                                    in artikel 4.1 onderdeel b verstrekken aan een persoon zonder
                                    beperkingen die op verzoek van de gemeente de woonruimte,
                                    bestemd voor permanente bewoning, heeft ontruimd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verleent geen financiële tegemoetkoming zoals
                                    bedoeld in artikel 4.1 onderdeel b indien: a. de persoon met
                                    beperkingen voor het eerst zelfstandig gaat wonen; b. de persoon
                                    met beperkingen verhuist van een AWBZ-instelling naar een
                                    zelfstandige woning. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Aanpassingen van woonwagens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent, in afwijking van artikel 4.2 lid 3, een
                                    financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten aan woonwagens
                                    indien: a. de technische levensduur van de woonwagen nog
                                    minimaal vijf jaar is; </al><al>b. de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                    aanmerking komt; </al><al> c. de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor
                                    een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond; en </al><al> d. de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een
                                    woonvergunning als bedoeld in de Woningwet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de technische levensduur van de woonwagen ten tijde van
                                    indiening van de aanvraag minder dan vijf jaar is of de
                                    standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in
                                    aanmerking komt, wordt in tegenstelling tot lid 1 een financiële
                                    tegemoetkoming verstrekt en zijn de maximale aanpassingskosten
                                    hiervoor nader bepaald door het college in het Besluit. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Huurderving</titel></kop><al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, die voor
                                meer dan het door het college in het Besluit bepaalde bedrag is
                                aangepast, kan het college een financiële tegemoetkoming als bedoeld
                                in artikel 4.1 onderdeel f verlenen aan de eigenaar van de woning in
                                verband met derving van huurinkomsten voor de duur van maximaal 6
                                maanden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><al>Het college verleent slechts een voorziening genoemd in artikel 4.1
                                onderdeel g indien er voor de liftinstallatie in het kader van de
                                Wmo, de WVG dan wel de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting
                                Gehandicapten een geldige indicatie is verleend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Tijdelijke huisvesting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming voor tijdelijke
                                    huisvesting, zoals bedoeld in artikel 4.1 onderdeel h, verlenen
                                    voor kosten die door een persoon met beperkingen moeten worden
                                    gemaakt in verband met het aanpassen van zijn huidige woonruimte
                                    of de nog te betrekken woonruimte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een financiële tegemoetkoming voor de kosten van tijdelijke
                                    huisvesting kan slechts worden verleend: </al><al>a. als de kosten gemaakt worden in verband met het tijdelijk
                                    betrekken van een zelfstandige woonruimte, een niet-zelfstandige
                                    woonruimte of het langer moeten aanhouden van de te verlaten
                                    woonruimte; en </al><al> b. de persoon met beperkingen redelijkerwijs niet had kunnen
                                    voorkomen dat hij dubbele woonlasten zou hebben. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.15</nr><titel>Afschrijvingsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening, dan wel de
                                    aan deze verordening voorafgaande Wmo-verordening, een
                                    financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget in de
                                    kosten van het treffen van een voorziening heeft ontvangen en
                                    die binnen een periode van vijf jaar na de datum van
                                    gereedmelding van de werkzaamheden de woning verkoopt, is
                                    gehouden om binnen een week na het passeren van de akte het
                                    college hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. De als
                                    gevolg van de eerder genoemde verordeningen verstrekte
                                    financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget kan (deels)
                                    door het college worden teruggevraagd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eigenaar en/of sociale verhuurder, die krachtens deze
                                    verordening, dan wel de aan deze verordening voorafgaande
                                    Wmo-verordening, een financiële tegemoetkoming of
                                    persoonsgebonden budget in de kosten van het treffen van een
                                    voorziening heeft ontvangen en die binnen een periode van vijf
                                    jaar na de datum van gereed melding van de werkzaamheden de
                                    woning verhuurt c.q. verkoopt aan een nieuwe huurder/eigenaar
                                    zijnde een niet-Wmo-gerechtigde, is gehouden om binnen een week
                                    na de ingangsdatum van het nieuwe huurcontract of het passeren
                                    van de eigendomsakte, het college hiervan schriftelijk op de
                                    hoogte te stellen. De als gevolg van de eerder genoemde
                                    verordeningen verstrekte financiële tegemoetkoming of
                                    persoonsgebonden budget kan (deels) door het college worden
                                    teruggevraagd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De restitutie als bedoeld in lid 1 en 2 bedraagt: </al><al> - voor het eerste jaar 100% van het verstrekte persoonsgebonden
                                    budget/de verstrekte financiële tegemoetkoming;</al><al> - voor het tweede jaar 80% van het verstrekte persoonsgebonden
                                    budget/de verstrekte financiële tegemoetkoming; </al><al>- voor het derde jaar 60% van het verstrekte persoonsgebonden
                                    budget/de verstrekte financiële tegemoetkoming; </al><al>- voor het vierde jaar 40% van het verstrekte persoonsgebonden
                                    budget/de verstrekte financiële tegemoetkoming; </al><al>- voor het vijfde jaar 20% van het verstrekte persoonsgebonden
                                    budget/de verstrekte financiële tegemoetkoming. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Typen vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college te verlenen vervoersvoorziening kan bestaan uit: </al><al>a. een algemene vervoersvoorziening (waaronder het collectief
                                vervoer); </al><al>b. financiële tegemoetkoming voor het vervoer per taxi; </al><al>c. financiële tegemoetkoming voor het vervoer per rolstoeltaxi; </al><al> d. een scootmobiel; </al><al> e. een al dan niet aangepaste (bruikleen)auto;</al><al> f. een ander verplaatsingsmiddel; </al><al>g. aanpassing aan de in onderdeel d, en en f genoemde
                                vervoersvoorzieningen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Vorm vervoersvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorziening genoemd in artikel 5.1 onderdeel a wordt in
                                    natura verleend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 5.1 onderdeel b en c worden
                                    in de vorm van een financiële tegemoetkoming verleend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 5.1 onderdeel d, e, f en g
                                    worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget
                                    verleend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Het recht op een algemene voorziening</titel></kop><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1 onderdeel a
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief een
                                chronisch psychisch en/of psychosociaal probleem: </al><al>a. het gebruik van het openbaar vervoer; of </al><al>b. het bereiken van openbaar vervoer onmogelijk maken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Het primaat van de algemene voorziening en het recht op
                                    individuele voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1 onderdeel
                                    b tot en met g vermelde voorzieningen in aanmerking worden
                                    gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                    gebrek, inclusief een chronisch psychisch en/of psychosociaal
                                    probleem het gebruik en/of het bereiken van het openbaar vervoer
                                    onmogelijk maken en het gebruik van een algemene voorziening als
                                    bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a onmogelijk is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 kunnen de in artikel 5.1 onderdeel b tot
                                    en met g vermelde voorzieningen in aanvulling op de algemene
                                    vervoersvoorziening worden verstrekt, indien er sprake is van
                                    uiterst beperkte mobiliteit. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 5.1 onderdeel a, b, c, e en
                                    f worden niet verstrekt indien het inkomen, zoals gedefinieerd
                                    in artikel 1 onderdeel p, meer bedraagt dan: </al><al>· € 21.703,00 voor de ongehuwde personen jonger dan 65; </al><al>· € 14.812,00 voor de ongehuwde personen van 65 jaar of ouder; </al><al>· € 26.535,00 voor de gehuwde personen indien een van beiden
                                    jonger is dan 65 jaar of beiden jonger zijn dan 65 jaar; </al><al>· € 20.431,00 voor de gehuwde personen die beiden 65 jaar of
                                    ouder zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bedragen genoemd in lid 1 worden jaarlijks automatisch
                                    conform de aanpassingen in artikel 4.1 lid 1 Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning aangepast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Omvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van
                                    de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke
                                    participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsing
                                    in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven
                                    van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet
                                    waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend
                                    door de persoon met beperkingen zelf bezocht kan worden, terwijl
                                    bezoek voor de persoon met beperkingen noodzakelijk is om
                                    dreigende vereenzaming te voorkomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                    participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste
                                    een omvang per jaar van 1500 kilometer tot 2000 kilometer
                                    mogelijk maken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7</nr><titel>Indicatievrije verstrekkingen</titel></kop><al>Bij de aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 5.1
                                onderdeel a door personen van 75 jaar en ouder wordt in afwijking
                                van artikel 5.3 een indicatievrije verstrekking toegepast. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Rolstoelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Typen rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college ter compensatie van beperkingen bij het
                                verplaatsen in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te
                                verstrekken rolstoelvoorziening kan bestaan uit: </al><al>a. een rolstoel, dan wel een aanpassing daaraan; </al><al>b. een sportrolstoel; </al><al>c. rolstoelaccessoires. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Vorm rolstoelvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 6.1 onderdeel a en c worden
                                    in natura of in de vorm van een PGB verstrekt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorziening genoemd in artikel 6.1 onderdeel b wordt in de
                                    vorm van een financiële tegemoetkoming en eens per vier jaar
                                    verstrekt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Recht op een rolstoelvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onderdeel
                                    a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht, indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                    chronische psychische en/of psychosociale problemen, dagelijks
                                    zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onderdeel
                                    b vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht, indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                    chronische psychische en/of psychosociale problemen, het sporten
                                    zonder sportrolstoel onmogelijk maken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onderdeel
                                    c vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht, indien
                                    deze voorziening op grond van aantoonbare beperkingen op grond
                                    van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en/of
                                    psychosociale problemen, medisch noodzakelijk is en niet
                                    algemeen gebruikelijk is. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Zodra er aanspraak wordt gemaakt op een AWBZ indicatie voor
                                    verblijf in combinatie met behandeling in het kader van de AWBZ
                                    of een voorliggende voorziening in dit kader, kan er geen
                                    aanspraak (meer) worden gemaakt op een rolstoelvoorziening in
                                    het kader van de wet. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Eigen bijdrage en eigen aandeel individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Omvang van eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag dat ongehuwde personen jonger dan 65 jaar dienen te
                                    betalen bedraagt € 17,20 per vier weken, met dien verstande dat,
                                    indien het inkomen meer bedraagt dan € 21.703,00, het bedrag van
                                    €17,20 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het
                                    verschil tussen het inkomen en € 21.703,00. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag dat ongehuwde personen van 65 jaar of ouder dienen te
                                    betalen bedraagt € 17,20 per vier weken, met dien verstande dat,
                                    indien het inkomen meer bedraagt dan € 14.812,00, het bedrag van
                                    € 17,20 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het
                                    verschil tussen het inkomen en € 14.812,00. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bedrag per vier weken dat gehuwde personen indien een van
                                    beiden jonger is dan 65 jaar of beiden jonger zijn dan 65 jaar
                                    dienen te betalen bedraagt € 24,60 per vier weken, met dien
                                    verstande dat, indien het gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan
                                    € 26.535,00, het bedrag van € 24,60 wordt verhoogd met een
                                    dertiende deel van 15% van het verschil tussen het gezamenlijke
                                    inkomen en € 26.535,00. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bedrag per vier weken dat gehuwde personen die beiden 65
                                    jaar of ouder zijn dienen te betalen bedraagt € 24,60 per vier
                                    weken, met dien verstande dat, indien het gezamenlijke inkomen
                                    meer bedraagt dan € 20.431,00, het bedrag van € 24,60 wordt
                                    verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen
                                    het gezamenlijke inkomen en € 20.431,00. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het fiscaal partnerschap wordt door zowel de gemeente voor de
                                    berekening van het eigen aandeel alsmede door het CAK voor de
                                    berekening van de eigen bijdragen gelijkwaardig aangemerkt als
                                    de burgerlijke staat “gehuwd”, ongeacht seksuele voorkeur of
                                    vorm van het gezamenlijke huishouden. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De eigen bijdrage of het eigen aandeel mag niet meer bedragen
                                    dan de kostprijs. Onder kostprijs wordt verstaan de vastgestelde
                                    dagwaarde van de voorziening. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De bedragen genoemd in lid 1 t/m 4 worden jaarlijks automatisch
                                    conform de aanpassingen in artikel 4.1 lid 1 Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning aangepast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>(Geen) eigen bijdrage of eigen aandeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij alle individuele voorzieningen wordt een eigen bijdrage of
                                    eigen aandeel gevraagd, met uitzondering van de hieronder in lid
                                    2 en 3 genoemde voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de volgende voorzieningen wordt geen eigen bijdrage
                                    gevraagd: </al><al>a. een voorziening als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a; </al><al> b. een voorziening als bedoeld in artikel 6.1 onderdeel a.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de volgende voorzieningen wordt geen eigen aandeel gevraagd: </al><al> a. een voorziening als bedoeld in artikel 4.1 onderdeel b en g; </al><al> b. een voorziening als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel b; </al><al> c. een voorziening als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel c; </al><al> d. een voorziening als bedoeld in artikel 6.1 onderdeel b.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Negenendertig perioden van vier weken</titel></kop><al>Indien een voorziening bestaat uit een roerende zaak die in eigendom
                                of bruikleen wordt verstrekt of een bouwkundige of woontechnische
                                aanpassing van een woning die eigendom of in huur is van de
                                aanvrager, wordt gedurende een periode van 39 maal vier weken een
                                eigen bijdrage in rekening gebracht, dan wel bij de vaststelling van
                                de hoogte van de financiële tegemoetkoming een met toepassing van
                                het in artikel 7.1 vastgesteld bedrag in mindering gebracht. </al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>II</nr><titel>Procedure</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>De aanvraag en de besluitvorming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door
                                    het college ter beschikking gesteld aanvraagformulier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij een van de sociale
                                    wijkteams of op het stadskantoor. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn
                                    voor de beoordeling van het recht op een voorziening, de
                                    aanvrager en/of persoon met beperkingen: </al><al> a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                    college te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen; </al><al> b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                    een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen
                                    en/of onderzoeken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt een door haar daartoe aangewezen
                                    adviesinstantie om advies indien:</al><al>a. de gevraagde voorziening om medische redenen wordt afgewezen; </al><al>b. het college dat overigens gewenst vindt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvrager en/of persoon met beperkingen is verplicht aan het
                                    college of de door hem aangewezen adviesinstantie die gegevens
                                    te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor
                                    de beoordeling van de aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de advisering zoals genoemd in het tweede lid wordt door de
                                    adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in
                                    ICF classificatie. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking
                                    bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid
                                    en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                                    beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met
                                    een psychosociaal probleem. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                                stemmen op de situatie van de persoon met beperkingen laat het
                                college onderzoek verrichten naar de situatie van de persoon met
                                beperkingen. Bij het onderzoek wordt onder andere gekeken naar: </al><al>a. de algemene gezondheidstoestand van de persoon met beperkingen; </al><al>b. de beperkingen die de persoon met beperkingen in zijn of haar
                                functioneren ondervindt als gevolg van ziekte of gebrek, inclusief
                                chronische psychische en/of psychosociale problemen; </al><al>c. de woning en woonomgeving van de persoon met beperkingen; </al><al>d. het psychisch en sociaal functioneren van de persoon met
                                beperkingen; e. de sociale omstandigheden van de persoon met
                                beperkingen. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Wijzigingen, intrekking en terugvordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening, dan wel de aan deze
                                verordening voorafgaande Wmo-verordening, een voorziening is
                                verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van
                                feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn
                                dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze
                                    verordening, dan wel de aan deze verordening voorafgaande
                                    Wmo-verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien; </al><al>a. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                    deze verordening; </al><al> b. op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                    gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                    bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een beschikking tot verlening van een financiële tegemoetkoming
                                    of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken, indien
                                    blijkt dat de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden
                                    budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor
                                    de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft
                                    plaatsgevonden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beschikking op grond van artikel 9.2 geheel of
                                    gedeeltelijk is ingetrokken, kan de reeds uitbetaalde financiële
                                    tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget geheel of ten dele
                                    als zijnde onverschuldigde betaling worden teruggevorderd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking, inhoudende een in natura verstrekte
                                    voorziening, is ingetrokken op grond van artikel 9.2 kan deze
                                    voorziening worden teruggevorderd, dan wel de aanschafwaarde van
                                    deze voorziening uitgedrukt in een geldbedrag worden
                                    teruggevorderd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Terugvordering kan plaatsvinden voor zover na de dag waarop de
                                    beschikking, inhoudend toekenning van een voorziening op grond
                                    van deze verordening, is genomen, dan wel waarop de handeling
                                    als bedoeld in artikel 9.2 lid 2 heeft plaatsgevonden, nog geen
                                    vijf jaren zijn verstreken. </al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>III</nr><titel>Slot</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>Overgangsbepaling hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belanghebbenden die op 31 december 2006 huishoudelijke
                                    verzorging op grond van de AWBZ ontvingen, en bij wie de
                                    indicatie doorloopt tot na 1 januari 2007, blijven minimaal
                                    hetzelfde niveau (klasse en product) van hulp bij het huishouden
                                    ontvangen als zij vóór 1 januari 2007 daadwerkelijk ontvingen,
                                    ongeacht de verstrekkingvorm, zijnde hulp bij het huishouden in
                                    natura. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Lid 1 is alleen van toepassing indien uit de indicatie blijkt
                                    dat bij de belanghebbende sprake is van een minimaal
                                    gelijkblijvend, danwel verslechterd niveau van de medische
                                    beperkingen en er geen sprake is van een wijziging in of van de
                                    leefeenheid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er sprake is van een niet aan de persoon met beperkingen
                                    verwijtbare tekortkoming in de voorafgaande indicatiestelling,
                                    uitgevoerd onder de AWBZ vóór 1 januari 2007, welke blijkt bij
                                    de gemeentelijke indicatie nà 1 januari 2007, dan wordt het
                                    niveau van hulp bij huishouden, zoals bedoeld onder lid 1, aan
                                    de persoon met beperkingen niet naar beneden aangepast, indien
                                    de resultaten van de indicatie zouden leiden tot voor de klant
                                    onredelijke en onbillijke gevolgen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het blijven ontvangen van hetzelfde niveau van hulp bij het
                                    huishouden, zoals bedoeld in lid 1, geldt zolang onderhavige
                                    verordening van toepassing is met inachtneming van lid 3. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>Overgangsbepaling vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De belanghebbende die op 31 december 2008 een forfaitaire vergoeding
                                als genoemd in artikel 10 lid 6 Besluit individuele voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2007 ontvingen,
                                blijven deze forfaitaire vergoeding ontvangen voor de duur van de
                                indicatie op grond van de Wmo. Voor nieuwe aanvragen wordt de
                                voorziening met de inwerkingtreding van deze verordening beëindigd.
                            </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon met
                                beperkingen of de woningeigenaar afwijken van hetgeen bij of
                                krachtens deze verordening is bepaald, indien strikte toepassing
                                daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                    voorziet</titel></kop><al>In gevallen, welke de uitvoering van deze verordening betreffen,
                                waarin deze verordening niet voorziet, kan het college beslissen.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                                verordening en het op deze verordening berustende Besluit geldende
                                bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkeling van de
                                prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het college gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar
                                geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                                verordening aangepast. Het college zendt hiertoe jaarlijks, met
                                ingang van 1 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening, aan
                                de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de
                                effectiviteit van de verordening in de praktijk. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.5</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als de “Verordening individuele
                                voorzieningen maatschappelijk ondersteuning gemeente Kerkrade 2009”.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 15 mei 2009.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Kerkrade op 22 april 2009. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter van de raad, De griffier, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening> J.J.M. Som mr. drs. H.J.W. van Dongen </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>AFDELING I ALGEMEEN</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsbepalingen </vet></al><al/><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verklaard. </al><al/><al>a. Wet </al><al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet. </al><al/><al>b. College </al><al>De begripsomschrijving spreekt voor zich. </al><al/><al>c. Aanvrager </al><al>Een individuele voorziening kan worden aangevraagd door een persoon met
                    beperkingen van 18 jaar of ouder c.q de wettelijk vertegenwoordiger van deze
                    persoon (ingeval van curatele) of diens gemachtigde. Is de individuele
                    voorziening ten behoeve van een persoon jonger dan 18 jaar, dan wordt de
                    wettelijk vertegenwoordiger aangemerkt als de aanvrager. </al><al/><al>d. Persoon met beperkingen </al><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare
                    beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de
                    begrenzing van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn.
                    Hierdoor blijft waarschijnlijk de jurisprudentie op grond van de vervallen Wet
                    voorzieningen gehandicapten ten aanzien van dit onderdeel op dit begrip van
                    toepassing. </al><al/><al>e. Zelfredzaamheid </al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting van het amendement-Miltenburg
                    c.s. (TK 2005-2006, 30 131, nr. 65), dat het compensatiebeginsel aan de wet
                    heeft toegevoegd. </al><al/><al>f. Maatschappelijke participatie </al><al> Ook deze begripsomschrijving is, evenals het onder e genoemde, ontleend aan de
                    toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan
                    de wet heeft toegevoegd. </al><al/><al>g. Algemene voorziening </al><al>Met een algemene voorziening wordt bedoeld: een direct of uit voorraad
                    beschikbare voorziening, die met een minimum aan bureaucratie kan worden
                    verstrekt. Daarbij valt te denken aan een scala van reeds bestaande of nog te
                    ontwikkelen voorzieningen, zoals het collectief vervoer. De
                    verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling en geen eigen bijdragen. In de regel gaat het om
                    eenvoudige en veel voorkomende voorzieningen. Kenmerk van algemene voorzieningen
                    is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële
                    tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. </al><al/><al>h. Individuele voorziening </al><al> Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op
                    individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                    worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt.
                    Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt
                    uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het
                    college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal
                    een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang
                    zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat,
                    kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze
                    verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen
                    worden tot de groep voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en
                    personenalarmering. </al><al/><al>i. ICF</al><al> De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification
                    of Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties). Het onder de toelichting op onderdeel e van dit artikel genoemde
                    amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen.”</al><al/><al>j. Eigen bijdrage </al><al> Uit artikel 15 lid 1 van de wet vloeit de bevoegdheid voort voor het vragen van
                    een eigen bijdrage. Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat op
                    grond van artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere
                    regels worden gesteld. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning is bepaald
                    wat de ruimte is die het college heeft voor het vaststellen van eigen bijdragen,
                    als ze daartoe willen overgaan. Een eigen bijdrage is alleen mogelijk bij een
                    voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, en dus niet bij een
                    financiële tegemoetkoming.</al><al/><al>k. Eigen aandeel in de kosten </al><al>Artikel 19 lid 1 van de wet bepaalt dat de hoogte van de financiële
                    tegemoetkoming afhankelijk kan worden gesteld van het inkomen van degene aan wie
                    maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot. Hierbij wordt
                    in de toelichting op artikel 19 van de wet gesproken over een “eigen aandeel in
                    de kosten van een voorziening”(TK 2004-2005, 30 131, nr. 3). Op grond van
                    artikel 19 lid 2 van de wet zijn in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    nadere regels gesteld met betrekking tot de financiële tegemoetkomingen. In het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning is bepaald wat de ruimte is die gemeenten
                    hebben voor het vaststellen van een eigen aandeel. </al><al/><al>l. Meerkosten </al><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1 lid
                    1,onder g. de achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager
                    vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft
                    deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen
                    noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor
                    een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht. </al><al/><al>m. Voorziening in natura </al><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van een financiële
                    tegemoetkoming of een pgb worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening. </al><al/><al>n. Persoonsgebonden budget </al><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het college
                    bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn
                    keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende
                    voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in
                    het Besluit.</al><al/><al>o. Financiële tegemoetkoming </al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet perse een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </al><al/><al>p. Inkomen </al><al>Voor het inkomensbegrip wordt aansluiting gezocht bij artikel 4.2 lid 1 Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning. Als inkomen wordt het verzamelinkomen danwel het
                    belastbaar loon genomen. </al><al/><al>q. Huisgenoot </al><al>Iedereen met hetzelfde hoofdverblijf kan als huisgenoot worden aangemerkt. </al><al/><al>r. Algemeen gebruikelijk </al><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder
                    de wet niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn
                    handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als
                    algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen
                    gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen
                    van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is
                    geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip
                    heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    soms wel specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun
                    algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. </al><al>Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de
                    begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het
                    gaat daarbij om voorzieningen: </al><al>- die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al><al> - die niet speciaal voor persoon met beperkingen bedoeld zijn;</al><al> - die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde
                    doel; </al><al> - de aan te schaffen voorziening kan voor een persoon zonder beperkingen in een
                    financieel vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon worden
                    gerekend. </al><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt in artikel
                    3.3 lid 2 terug. </al><al/><al>s. Budgethouder </al><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het persoonsgebonden budget en over de besteding daarvan ook
                    verantwoording af dient te leggen. </al><al/><al>t. Hoofdverblijf </al><al> In de begripsomschrijving van woonvoorziening is tot uitdrukking gebracht dat
                    het gaat om een woonruimte die bedoeld is om permanent bewoond te worden en daar
                    ook geschikt voor is. Woonruimten die niet aan deze criteria voldoen komen niet
                    voor aanpassing in aanmerking, ook al dienen zij voor een persoon met
                    beperkingen tot woonverblijf. Vaak zal hier sprake zijn van niet-toegestane
                    permanente bewoning van recreatieverblijven. In eerste instantie geeft de
                    gemeentelijke bevolkingsadministratie hierover uitsluitsel. Voor bepaalde
                    gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen
                    aanhouden. De gemeente waar de persoon met beperkingen daadwerkelijk verblijft
                    heeft een zorgplicht voor het verlenen van voorzieningen. In die gevallen waarin
                    personen met beperkingen een briefadres elders hebben, kunnen gemeenten de
                    betreffende instellingen op grond van artikel 75 van de Wet GBA aanwijzen op
                    bepaalde, door de gemeente vast te stellen tijdstippen een overzicht te
                    verstrekken van personen welke naar redelijke verwachting voor onbepaalde tijd
                    verblijven in de instelling, dan wel gedurende drie maanden ten minste tweederde
                    van de tijd in de instelling zullen verblijven. De zinsnede 'dan wel zal staan
                    ingeschreven' is opgenomen voor situaties waarin de persoon met een beperking
                    naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten
                    aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken. In die gevallen dat de
                    persoon met beperkingen naar een andere gemeente wil verhuizen moet duidelijk
                    zijn waar de aanvraag ingediend moet worden. De Wmo zelf geeft hierover geen
                    uitsluitsel. Artikel 4 van de Wmo stelt dat het college voorzieningen treft op
                    het gebied van maatschappelijke ondersteuning die de belanghebbende in staat
                    stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich
                    lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis
                    daarvan sociale verbanden aan te gaan. De verordening beoogt met de zinsnede 'en
                    op welk adres de persoon met beperkingen in de gemeentelijke basisadministratie
                    staat ingeschreven, dan wel zal staan ingeschreven' een mogelijkheid te openen
                    aanvragen in te dienen bij gemeenten waar men nog niet woonachtig is. Beoogd
                    wordt aan te geven dat de aanvraag voor een aan te passen en te betrekken woning
                    ingediend moet worden in de gemeente waar de aan te passen woning staat. Deze
                    gemeente kan immers beter overwegen of het aanpassen van de woning de
                    goedkoopste, adequate oplossing is of dat een reeds geschikte woning beschikbaar
                    is. De gemeente waaruit de persoon met beperkingen vertrekt, heeft hier geen
                    zicht op. Van belang is wel dat er in voorkomende gevallen zekerheid bestaat dat
                    de persoon met beperkingen ook daadwerkelijk naar de andere gemeente zal
                    verhuizen en ook recht heeft op een woningaanpassing. Er dient dus een medische
                    indicatie plaats te vinden. In die gevallen dat een aanvraag wordt gedaan voor
                    het bezoekbaar maken van een woonruimte is bovenstaande formulering van belang.
                    Een verhuiskostenvergoeding moet overigens aangevraagd worden bij de te verlaten
                    gemeente. </al><al/><al>u. Gemeenschappelijke ruimten </al><al>Het begrip gemeenschappelijke ruimte wordt in de verordening omschreven als de
                    ruimten die niet tot de onderscheiden woning behoren, zoals gangen en portalen
                    en trappenhuizen die toegang verschaffen tot de woonruimte. </al><al/><al>v. Woonwagen </al><al>De begripsomschrijving van woonwagen komt overeen met de begripsomschrijving
                    zoals opgenomen in de Woningwet. </al><al/><al>w. Standplaats </al><al>De begripsomschrijving van standplaats is in overeenstemming met de
                    begripsomschrijving van standplaats in de Woningwet. </al><al/><al>x. Rolstoelvoorziening </al><al>De begripsomschrijving spreekt voor zich. </al><al/><al>y. Besluit </al><al> De begripsomschrijving spreekt voor zich. </al><al/><al>z. Gebruikelijke zorg </al><al>Deze term wordt nader uitgewerkt in de Beleidsregels. </al><al/><al>aa. Mantelzorg </al><al>De begripsomschrijving is in overeenstemming met artikel 1 lid 1 onderdeel b van
                    de wet. </al><al/><al>bb. Voorliggende voorziening </al><al>Indien belanghebbende ter compensatie van de ondervonden beperkingen aanspraak
                    kan maken op een al dan niet wettelijke voorziening, hoeft er geen voorziening
                    op grond van de wet te worden verstrekt. </al><al/><al><vet>Artikel 1.2 Voorwaarden en algemene weigeringsgronden</vet></al><al> Artikel 1.2 lid 1 geeft de voorwaarden aan, die betrekking hebben op het
                    toekennen van een voorziening. </al><al/><al>1.2 lid 1 onderdeel a Langdurig noodzakelijk </al><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de vervallen Verordening Wet
                    voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk
                    is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan
                    om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium
                    verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking
                    bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde
                    situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap
                    op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen
                    verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de
                    prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd
                    zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan
                    mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij
                    verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan
                    worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord
                    op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de
                    betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder
                    geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk,
                    terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een
                    voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan
                    een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die
                    opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie
                    maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het
                    dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en
                    langdurig ligt zal van situatie tot situatie verschillen. </al><al/><al>1.2 lid 1 onderdeel b </al><al>Individueel gericht </al><al/><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de
                    aanvraag voor een voorziening op grond van de wet. Bij het verstrekken van
                    voorzieningen wordt met uitzondering van een verzoek tot Hulp bij het Huishouden
                    in principe alleen rekening gehouden met de aanvrager. Huisgenoten en anderen
                    vallen buiten de voorziening. Een enkele keer zal hier een uitzondering op
                    gemaakt moeten worden. Dat kan aan de hand van de hardheidsclausule. </al><al/><al>1.2 lid 1 onderdeel c Goedkoopst adequaat </al><al/><al>Voorzieningen, die in het kader van deze verordening worden verstrekt, dienen
                    naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope
                    voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip
                    adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel
                    datgene wat de aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de
                    beoordeling van het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van
                    het goedkoop zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de
                    uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening.
                    Het gaat immers om gemeenschapsgeld. De goedkoopste voorziening wordt beschouwd
                    vanuit het gezichtspunt van de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de
                    gemeente het goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met
                    zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de
                    consequenties betreffen. Collectief vervoer ontleent zijn besparingen vanuit de
                    mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden
                    kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem zo veel mogelijk
                    gebruikers te hebben. Dat mag meetellen: dus ook al is een individuele aanvrager
                    wellicht goedkoper met een andere voorziening dan collectief vervoer, mee mag
                    tellen dat als er uitzonderingen gemaakt worden de basis onder het collectief
                    vervoer in gevaar zou kunnen komen. Eigenschappen die kostenverhogend werken
                    zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor
                    vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de
                    bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele
                    aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is
                    dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is.
                    Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het
                    duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient
                    te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te
                    verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de
                    aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip
                    goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het
                    beleid.</al><al/><al>1.2 lid 2 </al><al> Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden, en een collectieve
                    vervoersvoorziening. </al><al/><al>1.2 lid 3 onderdeel a Algemeen gebruikelijk </al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                    aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                    beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel
                    wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO,
                    voormalige Wet-Rea, Wet voorziening gehandicapten) en heeft tot een omvangrijke
                    jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals
                    die is opgenomen in artikel 1.1 onderdeel r van deze verordening. Wat in een
                    concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard
                    van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de financiële situatie van de
                    aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het
                    moment van de aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan
                    leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt
                    immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de
                    aanvrager – mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn
                    beperking, onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te
                    geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling
                    optredende handicap moeten vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven;
                    dat zou zonder die handicap immers ook niet gebeuren.</al><al/><al>1.2 lid 3 onderdeel b Woonachtig in gemeente </al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de vervallen Wet
                    voorzieningen gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt
                    dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen.
                    De staatssecretaris heeft wel aangegeven dat het voor de hand ligt ervan uit te
                    gaan dat de zorgplicht [red. compensatieplicht] zich in beginsel uitstrekt tot
                    inwonenden in de gemeente en dat deze "doorloopt" als die persoon tijdelijk niet
                    in de gemeente verblijft. Voor de vraag wanneer iemand in een gemeente woont, is
                    zowel de inschrijving in de GBA als het feitelijk verblijf van belang (TK
                    2006-2007, 29 538, nr. 39). Dit artikel moet opgenomen worden om te voorkomen
                    dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waarbinnen de aanvrager niet zijn
                    hoofdverblijf heeft. </al><al/><al>1.2 lid 3 onderdeel c Meerkosten </al><al> In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na
                    het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen
                    leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met
                    zich meebrengt. Daarvoor is dit onderdeel c bedoeld. </al><al/><al>1.2 lid 3 onderdeel d Kosten voor moment van beschikken </al><al>In onderdeel d wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een voorziening
                    aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of aangekocht is.
                    Volgens de CRvB is het doel van een bepaling zoals lid 3 onderdeel d van de
                    Verordening de gemeente niet in de positie te brengen dat de noodzaak,
                    adequaatheid en passendheid van aangevraagde voorziening niet meer kan worden
                    beoordeeld. Dit is niet zondermeer het geval als er in verband met een aanvraag
                    kosten zijn gemaakt al voordat een beslissing is genomen (CRvB 08-10-2003,nr
                    02/1128 WVG). Indien deze beoordeling ondanks de reeds gemaakte kosten toch
                    plaatsvinden, mag zeker niet op grond van een dergelijke (imperatieve) bepaling
                    worden afgegeven. Uit deze jurisprudentie valt op te maken dat afwijzing op
                    grond dat reeds kosten zijn gemaakt voordat het college een beslissing heeft
                    genomen slechts houdbaar is wanneer de gemeente niet meer kan achterhalen of een
                    voorziening noodzakelijk, adequaat en passend is om een aantoonbare beperking op
                    het gebied van het wonen of het zich binnen of buiten de woning verplaatsen op
                    te heffen of te verminderen. </al><al/><al>In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet
                    beslissen omdat de woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen.
                    In deze of andere urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het
                    college ook voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan
                    de verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Dit
                    is bepaald in artikel 1.2 lid 4 Verordening. Het hoeft hier uiteraard niet te
                    gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde
                    onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een verhuizing,
                    zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake de te
                    betrekken woning.</al><al/><al>1.2 lid 3 onderdeel e afschrijving </al><al> In onderdeel e wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan
                    worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgevonden, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren
                    is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus
                    niet indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is
                    voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde
                    door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten
                    te kunnen verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere
                    dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde
                    van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. </al><al/><al>1.2 lid 3 onderdeel f niet voldaan aan voorwaarden of verplichtingen</al><al> In dit onderdeel is aangegeven dat geen recht op een voorziening bestaat indien
                    niet is voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen bij of krachtens de wet. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Vormen van te verstrekken individuele voorzieningen
                    </vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1 Keuzevrijheid </vet></al><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op
                    een individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden
                    budget en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende
                    bezwaren bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden
                    budget of een voorziening in natura. Het college kan regels stellen om af te
                    wegen in welke gevallen er sprake is van overwegende bezwaren, die reden zijn om
                    geen persoonsgebonden budget of voorziening in natura te verstrekken. Dit wordt
                    geregeld in het Besluit. Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm
                    van keuzevrijheid: namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen
                    uit meerdere aanbieders. </al><al/><al><vet>Artikel 2.2 Voorziening in natura</vet></al><al> In dit artikel is bepaald dat in de beschikking wordt aangegeven welke
                    voorziening wordt verstrekt. </al><al/><al><vet>Artikel 2.3 Financiële tegemoetkoming</vet></al><al> Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een financiële tegemoetkoming op grond van de wet. Deze
                    bepaling, die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 8
                    van deze verordening, biedt daartoe de mogelijkheid. </al><al/><al><vet>Artikel 2.4 Persoonsgebonden budget</vet></al><al>Lid 1 </al><al> Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De in lid 1 onderdeel a van dit artikel
                    genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling in
                    artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van
                    individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een persoonsgebonden budget
                    of een voorziening in natura moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen
                    niet onder deze eis. Lid 1 onderdeel b bepaalt dat het college de omvang van een
                    persoonsgebonden budget bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van
                    verschillende persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen
                    waarbij er een onderscheid bestaat tussen de persoonsgebonden budgetten voor
                    hulp bij de huishouding en de overige individuele voorzieningen. Daarbij zullen,
                    ter bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk
                    zijn. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit. </al><al/><al>Lid 2 </al><al> Hierin is de algemene eis neergelegd dat er een program van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden
                    budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het programma van eisen is dus een
                    belangrijk document. Als niet aan het programma van eisen wordt voldaan kan dat
                    gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende persoonsgebonden budget. </al><al/><al>Lid 3</al><al> Lid 3 regelt dat elke budgethouder verantwoording dient af te leggen over de
                    besteding van het persoonsgebonden budget. Daartoe dienen periodiek
                    bewijsstukken te worden overlegd. De in onderdeel a bedoelde factuur is nodig in
                    situaties waarin voorzieningen zijn aangeschaft bij een leverancier,
                    bijvoorbeeld een rolstoel of een scootmobiel. In onderdeel b is een
                    betalingsbewijs genoemd, dat kan van belang zijn in situaties waarin er geen
                    nota is, bijvoorbeeld bij een tweedehands-aankoop bij een particulier of
                    uitbetaling aan een dienstverlener, bijvoorbeeld iemand die hulp bij het
                    huishouden heeft verleend. In onderdeel c is genoemd een salarisadministratie;
                    die kan noodzakelijk zijn in situaties waarin men iemand in dienst heeft genomen
                    voor het verrichten van hulp bij het huishouden. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3.1 Vormen van hulp bij het huishouden.</vet></al><al> In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3
                    van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”, in
                    hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip
                    “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan
                    hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                    geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de voormalige WVG bestaande
                    woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht. </al><al> Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan
                    te geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze
                    verordening het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd. Hulp bij het
                    huishouden kan in drie vormen als voorziening worden aangeboden. In onderdeel a
                    wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en eenvoudige
                    dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en
                    aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het
                    huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt. met name voor eenvoudige
                    werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte (vb.
                    klussendienst).</al><al> In onderdeel b wordt de hulp bij het huishouden in natura genoemd. Ook hier
                    gaat het om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de in
                    onderdeel a genoemde vorm. Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure,
                    die meer op de persoon is afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor
                    de wat grotere en langduriger behoefte aan hulp. </al><al> In onderdeel c is het persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het
                    huishouden genoemd. Met dit pgb moet de persoon met beperkingen zelf hulp
                    inkopen/inhuren. </al><al/><al><vet>Artikel 3.2 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden en recht op
                        hulp bij het huishouden</vet></al><al/><al>Lid 1 </al><al> In artikel 3.2 lid 1 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden de persoon met
                    beperkingen gebruik kan maken van een algemene voorziening voor hulp bij het
                    huishouden, indien deze in de gemeente voorhanden is. In aanmerking komen
                    personen met een beperking. Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de
                    vorm van een primaat in deze verordening neergelegd. Dat houdt in dat in eerste
                    instantie wordt bezien of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op
                    adequate wijze kan oplossen. </al><al/><al>Lid 2 </al><al> Als de in lid 1 genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat is of niet
                    aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het huishouden aan de
                    orde. De individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in natura of
                    uit een persoongebonden budget. Het college bepaalt wanneer iemand niet voor een
                    persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen. Deze criteria zijn vastgelegd
                    in het Besluit. </al><al/><al><vet>Artikel 3.3 Weigeringsgronden </vet></al><al/><al>In dit artikel zijn de weigeringsgronden voor de hulp bij het huishouden
                    opgenomen. </al><al>Lid 1 </al><al> Onderdeel a </al><al> Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft zal een groter huis
                    kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch
                    hiermee bij de toekenning van voorzieningen (zowel woonvoorzieningen als hulp
                    bij het huishouden) rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij het
                    huishouden toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in
                    principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt
                    moet worden als stalling voor een scootmobiel. Maar alle extra of duurdere
                    voorzieningen worden door deze regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale
                    woningbouw. En dat niveau biedt geen ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet
                    voor garages. </al><al/><al>Onderdeel b </al><al>In dit onderdeel is aangegeven dat geen hulp bij het huishouden wordt verstrekt
                    indien de aanvraag betrekking heeft op hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                    vakantiewoningen en tweede woningen. </al><al/><al>Lid 2 </al><al> Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt
                    allereerst bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de
                    leefeenheid zelf de problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de
                    AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de
                    vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen door middel van dergelijke
                    gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het
                    huishouden. In de door het college vastgestelde beleidsregels wordt bepaald hoe
                    er rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van een
                    aanspraak op een voorziening voor hulp bij het huishouden.</al><al/><al><vet>Artikel 3.5 Omvang van de hulp bij het huishouden.</vet></al><al> In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen
                    zijn te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan minimaal
                    en een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Indien de
                    persoon met beperkingen bijvoorbeeld een indicatie heeft voor 1,5 uur hulp bij
                    het huishouden, wordt deze persoon ingedeeld in klasse 1. Mocht de behoefte aan
                    hulp bij het huishouden van de persoon met beperkingen enigszins stijgen of
                    dalen binnen de bandbreedte van de toegekende klasse, dan hoeft daarvoor niet
                    opnieuw geïndiceerd en beschikt te worden. Voor de gemeente is dat een
                    administratief voordeel, voor de persoon met beperkingen ook. Materieel kan het
                    voor aanvragers binnen de speelruimte van de klasse echter enigszins negatief of
                    positief uitpakken, afhankelijk van de daadwerkelijk noodzakelijke uren zorg.
                    Als die zorgbehoefte, uitgedrukt in uren, zich onderaan de bandbreedte bevindt,
                    is men voordelig uit; is de behoefte aan uren gelegen vlak onder het plafond van
                    de klasse, is het voordeel minder. Zolang de objectief vastgestelde behoefte
                    echter binnen de bandbreedte blijft, is er sprake van een toereikende
                    voorziening. Voor zover hulp bij het huishouden nodig is die klasse 6 overstijgt
                    is het mogelijk additionele uren aan deze hoogste klasse toe te voegen. Dit
                    houdt in dat voor de uren boven 16 uur per week een extra bedrag per uur wordt
                    toegekend bovenop het bedrag van klasse 6. In het Besluit wordt door het college
                    jaarlijks het daarbij passende uurbedrag vastgelegd. </al><al/><al><vet>Artikel 3.6 Omvang van het persoonsgebonden budget </vet></al><al>Het pgb voor hulp bij het huishouden wordt vastgesteld in klassen. De
                    tarieven voor hulp bij het huishouden, die wordt ingekocht bij particulieren
                    zijn aanzienlijk lager dan tarieven voor professionele hulp. Dit komt onder meer
                    door het ontbreken van overheadkosten en kapitaallasten bij particulieren. In de
                    AWBZ ging men ervan uit, dat de kosten voor de hulp bij huishouden, die de
                    budgethouder zelf inkoopt, niet meer dan 75% van de kosten voor hulp bij
                    professionele dienstverleners bedraagt ( Dit geldt zowel voor HV1 en HV2 ). Een
                    PGB voor hulp bij het huishouden dient dan ook overeen te komen met 75% van de
                    kosten van de geïndiceerde hulp. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen </vet></al><al/><al><vet>Artikel 4.1 Typen woonvoorzieningen</vet></al><al> In dit artikel zijn de typen woonvoorzieningen die op grond van de verordening
                    verstrekt kunnen worden. </al><al/><al>a. </al><al> Onder een algemene woonvoorziening wordt verstaan een algemeen, snel
                    toegankelijke oplossing voor minder complexe woonproblemen. Voorbeelden zijn
                    klussendiensten voor kleine woningaanpassingen zoals het aanbrengen van een
                    wandsteun aan de voordeur of reparaties en het verstrekken van zaken zoals
                    roerende woonvoorzieningen uit een depot. </al><al/><al>b. </al><al> Het college kan besluiten om een financiële tegemoetkoming te verstrekken in de
                    verhuis- en herinrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of
                    een goedkoper aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het college
                    maakt de afweging tussen verstrekking van een financiële tegemoetkoming in de
                    verhuiskosten en een woningvoorziening. Een woonvoorziening, en dus ook een
                    verhuiskostenvergoeding is, volgens de Wet voorzieningen
                    gehandicaptenjurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor
                    situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan
                    met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf.
                    Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast etcetera
                    zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo
                    goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de
                    gemeente.</al><al/><al>c en d. </al><al> Een bouwkundige of woontechnische woningvoorziening is een aanpassing van de
                    woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de persoon met beperkingen. Ook kan onder deze categorie worden
                    begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen welke niet nagelvast aan de
                    woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Onder een
                    woonvoorziening waarbij geen sprake is van een ingreep van bouw- of
                    woontechnische aard zal in de praktijk met name de woningsanering i.v.m. COPD
                    verstaan worden. </al><al/><al>e. </al><al>Omdat met de wet niet wordt beoogd om het inhoudelijke beleidsterrein ten
                    opzichte van de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden, noch om
                    dat te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een
                    uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen artikel 1 lid 1
                    onderdeel e van de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten kan worden
                    gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een
                    beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag
                    vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke
                    voorziening derhalve, die alleen op basis van een specifieke noodzaak en op
                    basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel
                    gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte. </al><al/><al><vet>Artikel 4.2 Vorm woonvoorzieningen</vet></al><al> In dit artikel is aangegeven in welke vorm de woonvoorzieningen worden
                    verstrekt. </al><al/><al><vet>Artikel 4.3 Het recht op een algemene voorziening </vet></al><al>In dit artikel is aangegeven wanneer de belanghebbende in aanmerking kan
                    komen voor een algemene woonvoorziening. </al><al/><al><vet>Artikel 4.4 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                        woonvoorzieningen.</vet></al><al> In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden opgelost
                    met een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij het zoeken
                    naar een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem, dus een probleem
                    bij het normale gebruik van de woning, zie de toelichting op het amendement dat
                    leidde tot artikel 4 van de wet (TK 2005-2006, 30 131, nr. 65 - amendement
                    Miltenburg c.s.). Als een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel
                    niet aanwezig is in de gemeente, moet het probleem middels een individuele
                    voorziening worden opgelost. In dit artikel zijn de voorwaarden voor de diverse
                    typen woonvoorzieningen opgenomen.</al><al/><al>Primaat van de verhuizing </al><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag
                    voor een woningvoorziening eerst werd bezien of verhuizing naar een andere
                    woning een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de
                    verhuizing. In feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel
                    wordt gekozen voor de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot het
                    hanteren van het primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke
                    voorwaarden zijn gesteld. </al><al/><al>Het college kan besluiten om een financiële tegemoetkoming te verstrekken in de
                    verhuis- en herinrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of
                    een goedkoper dan de reeds bewoonde woonruimte aan te passen woning. Het college
                    maakt de afweging of zij een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten
                    willen geven of dat de woning van persoon met beperkingen aangepast moet worden.
                    Indien aangepaste of aanpasbare woningen beschikbaar zijn kan uit
                    doelmatigheidsoverwegingen de voorkeur gegeven worden aan verhuizen boven
                    aanpassen van de huidige woonruimte van de persoon met beperkingen. </al><al/><al>Bij de uiteindelijke keuze van de te verstrekken voorziening wordt een afweging
                    gemaakt tussen de kosten van het verhuizen versus het aanpassen van de huidige
                    woonruimte. Doorgaans wordt het verhuisprimaat niet opgelegd indien de
                    woningaanpassing minder kost dan €10.000,-. Per individuele situatie dient
                    daarbij te worden afgewogen of er nog woningaanpassingen noodzakelijk zijn in de
                    nabije toekomst, om een totaalbeeld te verkrijgen. Een situatie kan tijdelijk
                    opgelost worden door middel van een woningaanpassing, maar op termijn kan een
                    verhuizing de meest adequate oplossing zijn. In dit geval moet de tijdelijkheid
                    van een (kleine) woningaanpassing en het vooruitzicht op verhuizing in de nabije
                    toekomst in gezamenlijkheid met de cliënt worden afgestemd. Daarbij wordt
                    uitgegaan van een totaalbedrag ad €10.000,- aan woningaanpassingen, waaronder
                    het verhuisprimaat in principe niet wordt opgelegd. Een ander aspect dat hierbij
                    in acht moet worden genomen is dat het primaat van de verhuizing praktisch en in
                    relatie tot de sociale omgeving wordt beperkt tot de eigen wijk, conform de
                    wijkindeling van de gemeente Kerkrade. Dat wil zeggen dat in principe het
                    primaat van verhuizing alleen wordt toegepast wanneer iemand ook binnen zijn
                    eigen wijk kan verhuizen, tenzij betrokkene expliciet geen bezwaar heeft om te
                    verhuizen naar een andere wijk. </al><al/><al>Daarnaast moeten de financiële gevolgen van de verhuizing voor de woonlasten
                    binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen. Tevens moet bij de afweging
                    verhuizen of aanpassen rekening gehouden worden met de sociale omstandigheden
                    waarin de persoon met beperkingen zich bevindt zoals de aanwezigheid van
                    mantelzorg. Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een
                    verhuizing kan worden gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch
                    verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de
                    woningvoorraad om een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om binnen
                    die medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte
                    aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere relevante
                    aspecten, nader uitgewerkt in de gemeentelijke beleidsregels, kunnen,
                    afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de afweging omtrent het toepassen
                    van het primaat van de verhuizing in een concreet geval. </al><al/><al>Het moge duidelijk zijn dat wanneer een woning wordt vrijgemaakt, er twee maal
                    een financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting kan worden
                    verstrekt: allereerst aan degene die de woning vrijmaakt en vervolgens aan de
                    persoon met beperkingen die naar de vrijgemaakte woning verhuist. De
                    totaalkosten hiervan zullen een onderdeel uitmaken van de afweging of er een
                    financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten verstrekt zal worden dan wel een
                    woning aangepast moet worden. </al><al/><al><vet>Artikel 4.5 Losse woonunit. </vet></al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten konden gemeenten woningaanpassingen
                    duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie
                    van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de wet is deze mogelijkheid
                    vervallen en komen de kosten voor rekening van de gemeenten. Als de woning
                    beschikbaar blijft voor personen met beperkingen, kan de investering over een
                    langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat niet speelt, kan een
                    losse woonunit worden verstrekt. </al><al/><al><vet>Artikel 4.6 Uitsluitingen </vet></al><al>Een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget of een financiële
                    tegemoetkoming voor het treffen van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het
                    woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op
                    de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Onder vakantiewoning wordt
                    verstaan de vakantiewoning, die niet als het hoofdverblijf van de persoon met
                    beperkingen kan worden aangemerkt. </al><al/><al><vet>Artikel 4.7 Hoofdverblijf </vet></al><al>In tegenstelling tot de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de
                    wet niet expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt
                    voor de inwoners van de gemeente. De staatssecretaris heeft wel aangegeven dat
                    het voor de hand ligt ervan uit te gaan dat de zorgplicht zich in beginsel
                    uitstrekt tot inwonenden in de gemeente en dat deze "doorloopt" als die persoon
                    tijdelijk niet in de gemeente verblijft. Voor de vraag wanneer iemand in een
                    gemeente woont, is zowel de inschrijving in de GBA als het feitelijk verblijf
                    van belang (TK 2006-2007, 29 538, nr. 39). </al><al/><al> In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel. Voor
                    bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders
                    kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk
                    verblijft heeft de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval
                    van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen betrekking op de
                    woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of zal hebben' op te nemen
                    voor situaties waarin de aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen en in
                    die gemeente een woning wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk
                    wordt betrokken, zie ook artikel 4.9 onderdeel d. </al><al/><al><vet>Artikel 4.8 Gemeenschappelijke ruimten </vet></al><al>De genoemde voorzieningen betreffen een limitatieve opsomming. Er worden geen
                    andere woonvoorzieningen verstrekt ten behoeve van gemeenschappelijke ruimten.
                    Het college kan overigens niet besluiten geen enkele woonvoorziening te treffen,
                    omdat de medisch noodzakelijke voorziening in de gemeenschappelijke ruimte niet
                    op deze limitatieve lijst voorkomt. Er rust namelijk op het college een
                    compensatieplicht. Het college kan echter wel het primaat van verhuizen
                    toepassen bij voorzieningen voor gemeenschappelijke ruimten (CRvB 10-03-2004,
                    nr. 02/4460 WVG). </al><al/><al><vet>Artikel 4.9 Weigeringsgronden</vet></al><al/><al>a.</al><al> Indien de ondervonden beperkingen voorvloeien uit de aard van de gebruikte
                    materialen dan wordt geen woonvoorziening verstrekt. Problemen die betrekking
                    hebben op, of het gevolg zijn van vocht en tocht in de woning zijn voor
                    verantwoording van de eigenaar. </al><al/><al>b. </al><al> Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft zal naar verwachting
                    een groter huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet
                    realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen (zowel woonvoorzieningen
                    als hulp bij het huishouden) rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij
                    het huishouden toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in
                    principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt
                    moet worden als stalling voor een scootmobiel. Maar alle extra of duurdere
                    voorzieningen worden door deze regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale
                    woningbouw. En dat niveau biedt geen ruimte voor de toegankelijkheid tot
                    bijvoorbeeld privé sauna’s, het aanbrengen van inpandige zwembaden, ook niet
                    voor aanpassingen die betrekking hebben op garages. </al><al/><al>c. </al><al> In onderdeel c wordt de verhuizing vanuit een adequate woning naar een
                    inadequate woning genoemd als weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de
                    ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan
                    de oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk
                    betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar
                    gewoon omdat men daar zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de
                    zogeheten “belangrijke reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing
                    vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. </al><al/><al>d. </al><al> Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat een persoon met beperkingen zo maar een ongeschikte woning kiest
                    en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Het zoeken
                    of werven van een geschikte woning, ook in het kader van een Wmo aanvraag, is
                    primair een verantwoordelijkheid van de persoon in kwestie waarbij hij ook een
                    informatieplicht kent met betrekking tot het beoordelen van de geschiktheid van
                    een woning. Van de persoon met beperkingen wordt verlangd dat hij zijn
                    inspanningen richt op het verkrijgen van een woning, die zoveel mogelijk is
                    aangepast aan de ondervonden beperkingen en dat hij of zij zich in verband
                    hiermee in een zo vroeg mogelijk stadium in verbinding stelt met de gemeente om
                    te bezien wat de goedkoopst adequate oplossing is (CRvB 20-02-2002, nr. 00/5063
                    WVG). Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke
                    verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken
                    voorafgaan aan een verhuizing, zoals het tekenen van een koop-, huur- of
                    erfpachtcontract, zie ook artikel 4.7 lid 1, waarin wordt bepaald dat het gaat
                    om een situatie waarin men in de betreffende woning “zijn hoofdverblijf heeft of
                    zal hebben”. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de
                    gemeente ervoor zal moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk
                    aan te passen woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de
                    vrije sector en zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar
                    burgers goed moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort
                    verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is
                    verhuisd naar de voor zijn situatie meest geschikte woning. </al><al/><al>e.</al><al> In onderdeel e wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen; veel
                    verhuizingen zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de
                    beperking die men heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk huis
                    naar een zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar een kleinere
                    woning, omdat de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds
                    zelfstandig wonen. Naast en in samenhang met de leeftijd zijn aspecten zoals de
                    soort woning, de aanwezigheid van voorzieningen in de directe omgeving, alsook
                    het bestaan van een sociaal netwerk van wezenlijke invloed op de vraag of het
                    gaat om een verhuizing die te voorzien is, te verwachten valt (zie Rechtbank
                    Roermond 22-08-2008, nr. AWB 08/127). </al><al/><al>f. </al><al> Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de
                    aanvrager buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet
                    meer zelfstandig participeren, en hebben dus geen aanspraak op
                    woonvoorzieningen, ook al omdat ze die onder de Wet voorzieningen gehandicapten
                    ook al niet hadden. Als er in de te verlaten woning geen problemen bij het
                    normale gebruik van de woning werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe
                    woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men verhuisd naar een
                    inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten geen aanspraak op woonvoorzieningen, hetgeen al
                    meermaals door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd. </al><al/><al>g. en h.</al><al> Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke
                    samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men
                    heeft. </al><al/><al><vet>Artikel 4.10 Verhuis,- en inrichtingskosten</vet></al><al> Uitgangspunt is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad
                    aangepaste en geschikte woningen in de gemeente. Om zo doelmatig mogelijk met de
                    aangepaste en geschikte voorraad woningen om te kunnen gaan, kan het wenselijk
                    zijn dat indien de band tussen persoon met beperkingen en woning is verbroken (
                    bijvoorbeeld door overlijden van de persoon met beperkingen ) deze woning
                    opnieuw aan een andere persoon met beperkingen wordt toegewezen. In dat geval
                    zullen de achterblijvende huurders naar een andere woonruimte moeten verhuizen.
                    Het verlenen van een verhuiskostenvergoeding kan als stimuleringsmaatregel
                    gezien worden. Het college kan besluiten om een financiële tegemoetkoming te
                    verstrekken ten behoeve van het vrijmaken van een aangepaste woning. Als het
                    college de achterblijvende gezinsleden verzoekt om de woning vrij te maken
                    kunnen zij in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. </al><al/><al>Er kunnen verschillende redenen zijn op grond waarvan het college besluit om het
                    vrijkomen van een woning te stimuleren door het verstrekken van een
                    verhuiskostenvergoeding. Hierbij kan gedacht worden aan de hoogte van eerder
                    gemaakte investeringskosten van de vrij te maken woning. Een andere reden voor
                    het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding kan zijn dat daarmee voorkomen
                    wordt dat een woning voor meer dan een soortgelijk bedrag dient te worden
                    aangepast. Afhankelijk van de situatie kan het college in uitzonderlijke
                    gevallen de hoogte van de financiële tegemoetkoming laten afhangen van de
                    concrete situatie. Het instrument wordt immers als stimulans aangewend om de
                    medewerking van huurders te krijgen bij het vrijmaken van de woning voor een
                    persoon met beperkingen. Aan de vaststelling van de hoogte van de bedragen moet
                    een goede motivatie ten grondslag liggen om te voorkomen dat bepaalde bedragen
                    verworden tot ( hoge ) standaardbedragen. Een kanttekening die gemaakt moet
                    worden bij het bieden van een verhuiskostenvergoeding om een woning vrij te
                    maken, is dat dit middel alleen een stimulans is en geen garantie biedt dat de
                    woning daadwerkelijk vrij komt. </al><al/><al><vet>Artikel 4.11 Aanpassingen van woonwagens</vet></al><al> De uitgangspunten en de gevallen waarin een voorziening aan een woonwagen, kan
                    worden aangebracht zijn in principe gelijk aan die bij woningen. Vanwege de
                    kenmerken van deze woonruimten zijn nadere voorwaarden gesteld. Aanpassingen
                    moeten passen in het karakter van woonwagens. Aanvragen voor een overdekte gang
                    van de woonwagen naar het douche,-/wc-gebouw komen bijvoorbeeld niet voor een
                    vergoeding in aanmerking, omdat één van de kenmerken van het wonen in een
                    woonwagen is dat de wc zich buiten de wagen bevindt.</al><al> Indien niet aan de eisen zoals vermeld in artikel 4.11 kan worden voldaan,
                    wordt geen uitgebreide aanpassing meer gerealiseerd. Om de beschikbare middelen
                    zo doelmatig mogelijk aan te wenden wordt er een bovengrens vastgesteld voor de
                    hoogte van de in deze gevallen te verlenen financiële tegemoetkoming.</al><al/><al><vet>Artikel 4.12 Huurderving </vet></al><al>Dit instrument kan ingezet worden om te bewerkstelligen dat een vrijgekomen,
                    aangepaste woning wederom voor een persoon met beperkingen wordt ingezet. Een
                    financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving wordt verstrekt aan de
                    eigenaar van een aangepaste woning in afwachting van een kandidaat huurder. Ook
                    kan een financiële tegemoetkoming verstrekt worden omdat een geschikte kandidaat
                    bezwaar heeft gemaakt tegen de toekenning van een verhuiskostenvergoeding, omdat
                    hij of zij bijvoorbeeld de voorkeur geeft aan het aanpassen van de woning in
                    plaats van verhuizen naar een aangepaste woning. </al><al/><al><vet>Artikel 4.13 Onderhoud, keuring en reparatie </vet></al><al>In dit artikel is bepaald dat het college slechts een voorziening genoemd
                    in artikel 4.1 onderdeel g verleent indien de liftinstallatie in het kader van
                    de Wmo, de WVG dan wel de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapt is
                    verleend. </al><al/><al><vet>Artikel 4.14 Tijdelijke huisvesting</vet></al><al> In dit artikel is bepaald wanneer de persoon met beperkingen in aanmerking komt
                    voor een financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting. </al><al/><al><vet>Artikel 4.15 Afschrijvingsregeling</vet></al><al> Voor het berekenen van het terug te storten bedrag wordt als uitgangspunt
                    genomen de ingevolge de wet verstrekt persoonsgebonden budget of financiële
                    tegemoetkoming. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoersmiddel</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.1 Typen van vervoersvoorzieningen</vet></al><al> In dit artikel is aangegeven welke vervoersvoorzieningen in het kader van de
                    Verordening verstrekt kunnen worden. In onderdeel a is de collectieve
                    vervoersvoorziening genoemd. De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in
                    de vorm van het collectief vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten heeft ontwikkeld. </al><al/><al><vet>Artikel 5.2 Vorm vervoersvoorzieningen</vet></al><al> In dit artikel is aangegeven in welke vorm de vervoersvoorzieningen worden
                    verstrekt. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan
                    worden opgemaakt waar de ondergrens ligt van de door de gemeente te treffen
                    voorzieningen. Als iemand 800 meter kan lopen dan wordt hij in staat geacht de
                    dichtstbijzijnde halte van het openbaar vervoer te kunnen bereiken. Is de
                    loopafstand 200 meter of meer dan is collectief vervoer in beginsel toereikend.
                    Uit andere uitspraken blijkt dat van een zeer beperkte mobiliteit sprake is
                    indien iemand tussen de honderd en tweehonderd meter kan lopen. Dit betekent dat
                    als de gehandicapte zelfstandig tussen de 200 en 800 meter kan lopen, collectief
                    vervoer in principe afdoende is. Veel mensen willen niet van het collectief
                    vervoer gebruik maken omdat het onpraktisch is. Dat mag waar zijn, de gemeente
                    behoeft daar geen rekening mee te houden. Van de gehandicapte kan immers
                    verwacht worden dat hij zich beperkingen getroost. Het enkele feit dat het
                    systeem niet (altijd) op tijd rijdt, maakt het volgens de Raad van Beroep nog
                    niet tot een inadequate voorziening. Indien de gehandicapte minder dan 100 meter
                    kan lopen, stelt de Raad van Beroep dat de voorziening die daarvoor moet worden
                    verstrekt mede afhankelijk is van het geregelde in de verordening en de
                    omstandigheden van het individuele geval. Een scootmobiel biedt dan in veel
                    gevallen een passende oplossing. </al><al/><al><vet>Artikel 5.3 Het recht op een algemene voorziening</vet></al><al> Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de
                    persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend
                    zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor
                    een voorziening terzake. </al><al/><al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is
                    het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar
                    vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten
                    voorafgaande AAW, en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de
                    loopafstand van een aanvrager ( de bekende 800-metergrens ). Doordat de
                    streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking niet
                    toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Bij psychische
                    problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) wordt
                    eerst gekeken of er een andere adequate voorziening, buiten de wet, getroffen
                    kan worden. Deze kan wellicht beter gevonden worden door middel van een therapie
                    waardoor de blokkade opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek
                    op te lossen, dan hoeft er geen vervoersvoorziening te worden verstrekt. Indien
                    het psychische probleem niet therapeutisch opgelost kan worden, zou er een
                    vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden. </al><al/><al><vet>Artikel 5.4 Het primaat van de algemene voorziening en het recht op
                        individuele voorzieningen</vet></al><al> Artikel 5.4 geeft het primaat van de algemene vervoersvoorziening aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genoemd in artikel 5.1 onderdeel b tot en met
                    g. </al><al/><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt worden. Dit is het geval wanneer het collectief
                    systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft niet
                    volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten van bijzonder belang bij
                    mensen die slechts zeer beperkt mobiel zijn ( mensen met een loopafstand van
                    maximaal circa 100 meter ). Alleen collectief vervoer is voor deze categorie
                    mensen geen adequate voorziening (zie CRvB 05-04-2000, nr. 98/1930 WVG, CRvB
                    31-10-2001, nr. 00/4978 WVG en CRvB 10-12-2003, nr. 01/4097 WVG). </al><al/><al><vet>Artikel 5.5 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen </vet></al><al>In dit artikel is aangegeven dat bepaalde vervoersvoorzieningen niet worden
                    verstrekt indien belanghebbende een inkomen heeft boven een bepaalde
                    inkomensgrens. </al><al/><al><vet>Artikel 5.6 Omvang</vet></al><al> Onder de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten was de zorgplicht voor
                    vervoer beperkt tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de
                    directe woon,- of leefomgeving; de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1 onderdeel c
                    over “het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt nog beperkter te
                    zijn dan de zorgplicht onder de Wet voorzieningen gehandicapten, maar aangezien
                    met de wet niet is beoogd de reikwijdte van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    te beperken of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat alleen de
                    letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in
                    artikel 5.6, conform de onder de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten
                    gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon,- of leefomgeving,
                    met als uitzondering de bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de
                    WVG-jurisprudentie is omschreven. </al><al/><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten in dat een
                    vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet
                    bieden om op jaarbasis minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen (CRvB
                    12-03-2002, 00/3220 WVG). Deze jurisprudentie wordt hier vastgelegd, aangezien
                    met de wet niet wordt beoogd de werkingssfeer van de vervallen Wet voorzieningen
                    gehandicapten uit te breiden. </al><al/><al><vet>Artikel 5.7 Indicatievrije verstrekkingen</vet></al><al> In dit artikel wordt vanuit de invalshoek het vereenvoudigen van procedures en
                    werkwijzen een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer
                    voor personen van 75 jaar en ouder indicatievrij verstrekt. </al><al> Het buiten werking stellen van de medische indicatie voor collectief vervoer
                    voor personen van 75 jaar en ouder betekent een versnelde afhandeling van
                    verzoeken voor deze categorie. Uit ervaringsgegevens valt af te leiden dat
                    zelden een aanvraag collectieve vervoersverzoening bij deze leeftijdscategorie
                    om medische redenen wordt afgewezen. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 Rolstoelen </vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.1 Typen rolstoelvoorzieningen </vet></al><al>In dit artikel staan de verschillende typen rolstoelvoorzieningen die
                    worden verstrekt. Een rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven
                    zijn. Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor
                    binnen als voor buiten. De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening
                    onder het begrip rolstoel. </al><al/><al>De financiële tegemoetkoming is afgestemd op de verstrekking van een handbewogen
                    sportrolstoel. </al><al/><al><vet>Artikel 6.2 Vorm rolstoelvoorzieningen</vet></al><al> In dit artikel is aangegeven in welke vorm de rolstoelvoorzieningen
                    worden verstrekt. De rolstoel dan wel aanpassing daaraan wordt in natura of in
                    de vorm van een PGB verstrekt. </al><al/><al>De sportrolstoel wordt in de vorm van een financiële tegemoetkoming waartoe een
                    persoon met beperking eens per vier jaar een aanvraag kan indienen. Onder de
                    vervallen Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal
                    verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een
                    bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                    verstrekt. Ditzelfde geldt in het kader van de Wmo. Dit houdt in dat de
                    financiële tegemoetkoming niet kostendekkend hoeft te zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 6.3 Recht op een rolstoelvoorziening</vet></al><al> In dit artikel zijn de voorwaarden voor de toekenning van een (sport)rolstoel
                    en rolstoelaccessoires opgenomen. Onder de vervallen Wet voorzieningen
                    gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als aparte categorie voorzieningen
                    opgenomen. In de huidige wet is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet
                    niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande vervallen
                    Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel
                    gehandhaafd als de enige voorziening waarmee beperkingen bij het rijdend
                    verplaatsen in en rond de woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen
                    worden. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat lopend
                    verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken voorzieningen
                    als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of onvoldoende mogelijk
                    is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder de
                    wet. Een (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt
                    niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de
                    Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. </al><al/><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                    therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij
                    valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en
                    andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch
                    noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken. </al><al/><al>De mogelijkheid van een rolstoelpool voor incidenteel te gebruiken rolstoelen is
                    hier weggelaten. De verstrekking betreft dan verstrekking in natura en in de
                    vorm van een persoonsgebonden budget voor rolstoelen voor dagelijks zittend
                    gebruik. Gevolg hiervan is, dat rolstoelen voor incidenteel gebruik in principe
                    niet worden verstrekt, omdat niet voldaan wordt aan het criterium “voor
                    dagelijks zittend verplaatsen”. Hiermee wordt aangesloten op het
                    verstrekkingencriterium, zoals dat onder de vervallen Wet voorzieningen
                    gehandicapten gold. </al><al/><al>Lid 4 is een nadere uitwerking van artikel 2 Wmo. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7 Eigen bijdrage en eigen aandeel individuele voorzieningen
                    </vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.1 Omvang van eigen bijdragen en eigen aandeel </vet></al><al>Dit artikel regelt de (maximale) inkomensafhankelijke eigen bijdrage of eigen
                    aandeel dat door een aanvrager mogelijk betaald moet worden bij een verstrekking
                    en de wijze waarop dit berekend wordt. Van een eigen bijdrage is sprake bij een
                    voorziening in natura en/of een pgb en kan gedurende een langere periode in
                    rekening wordt gebracht, met een maximum per vier weken. De eigen bijdrage wordt
                    voor de gemeente geïnd door het Centraal Administratie Kantoor in Den Haag; dit
                    is wettelijk bepaald. Van een eigen aandeel is sprake bij een voorziening in de
                    vorm van een financiële tegemoetkoming.</al><al/><al>Bij de berekening van een eigen bijdrage of eigen aandeel voor de Wmo geldt er
                    een anti cumulatiebeding met de AWBZ. Dat betekent dat een persoon die zowel
                    voorzieningen afneemt van de Wmo alsmede de AWBZ nooit meer kan betalen aan
                    eigen bijdragen of eigen aandeel dan het wettelijk vastgelegde maximum, en
                    waarbij de inning van de eigen bijdragen en het eigen aandeel voor de Wmo
                    voorrang hebben op de inning van de eigen bijdragen voor de AWBZ. Hierop is een
                    uitzondering: Indien belanghebbende of diens partner een eigen bijdrage voor
                    verblijf in AWBZ-instelling verschuldigd is, kan geen eigen bijdrage of eigen
                    aandeel worden opgelegd (artikel 4.1 lid 5 onderdeel a landelijk Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning). </al><al/><al>Voorbeeld berekening Betreft: persoon jonger dan 65 jaar, ongehuwd Inkomen: €
                    24.000,00 bruto Aanvraag: Hulp bij het huishouden, maximaal aantal uren p.w. </al><al/><al>De hulp bij het huishouden wordt toegekend op basis van een indicatie. Omdat het
                    inkomen van de aanvrager hoger is dan de relevante inkomensgrens, betaalt deze
                    persoon per 4 weken naast een absoluut bedrag additioneel ook 15% over het
                    inkomen dat meer bedraagt dan de inkomensgrens, zoals genoemd in de Verordening,
                    arrtikel 7.1. </al><al/><al>Berekening eigen bijdrage: </al><al>Nominaal deel eigen bijdrage: € 17,20 </al><al/><al>Inkomensafhankelijk deel: (24.000 – 21.703) x 1/13 x 15% € 26,50+ </al><al/><al>Te innen eigen bijdrage per vier weken: € 43,70 </al><al/><al>In lid 5 worden fiscaal partnerschap gelijkgesteld aan gehuwden. Het begrip
                    “gehuwd” is wettelijk bepaald. Partner registratie wordt op grond van artikel 1
                    lid 2 onderdeel b van de wet gelijkgesteld aan gehuwd zijn. Kerkrade legt
                    partnerregistratie/fiscaal partnerschap eveneens uit als een gezamenlijke
                    huishouding, ongeacht seksuele voorkeur of samenlevingssituatie. Dit is van
                    belang bij de bepaling van de eigen bijdrage/eigen aandeel. Dat betekent ook dat
                    er nagegaan moet worden of er bij de bepaling van het verzamelinkomen sprake is
                    van een fiscaal partnerschap. </al><al/><al><vet>Artikel 7.2 (Geen) eigen bijdrage of eigen aandeel</vet></al><al>Bij alle individuele voorzieningen wordt een eigen bijdrage of eigen aandeel
                    gevraagd. Er wordt echter geen eigen bijdrage gevraagd bij het collectief
                    vervoer en een rolstoel. Daarnaast wordt geen eigen aandeel gevraagd bij een
                    verhuiskostenvergoeding, een financiële tegemoetkoming in de kosten van het
                    gebruik van een (eigen) auto, taxi of rolstoeltaxi en voor een sportrolstoel en
                    voor het onderhoud, keuring en reparatie van een liftinstallatie in een
                    woning.</al><al/><al><vet>Artikel 7.3 Negenendertig perioden van vier weken</vet></al><al>Dit artikel regelt dat de eigen bijdrage of het eigen aandeel voor het
                    verschaffen in eigendom of bruikleen van een roerende zaak of een bouwkundige of
                    woontechnische aanpassing van een woning die in eigendom of huur is van de
                    aanvrager gedurende maximaal 39 perioden van 4 weken in rekening kan worden
                    gebracht. Dit is gebaseerd op artikel 4.1 lid 3 landelijke Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning. De periode geldt eveneens voor
                    vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel waarvoor een eigen bijdrage/eigen
                    aandeel wordt gevraagd. </al><al/><al><vet>AFDELING II PROCEDURE </vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 8 De aanvraag en de besluitvorming </vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.1 Aanvraag </vet></al><al/><al>Lid 1 </al><al> In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag
                    tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij
                    wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste
                    handeling van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een
                    aanvraag worden ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus
                    niet verwachten dat vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar
                    richting wordt ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats
                    dient te vinden op een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De
                    aanvraag in het kader van de wet die niet op het beschikbaar gestelde
                    aanvraagformulier is ingediend, kan echter niet zonder meer buiten behandeling
                    worden gelaten. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvraag in
                    ieder geval naam en adres van de aanvrager en een aanduiding van de beschikking
                    die gevraagd wordt, dient te bevatten en verder ondertekend moet zijn.
                    Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier, dat overigens niet is
                    ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de overige benodigde bescheiden
                    daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een dergelijke situatie te
                    verzoeken om aanvulling van de gegevens. </al><al/><al>Lid 2 </al><al> Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (TK 2005-2006, 30 131, nr. 54) is in
                    artikel 5 lid 2 onderdeel a van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                    individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen
                    en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld. </al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2 onderdeel
                    a ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang van
                    toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen
                    krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is
                    geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling en
                    toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling
                    “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten” gebundeld ( als vallend onder de AWBZ ) worden genoemd,
                    terwijl in de toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd
                    onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ
                    en toegang tot voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals
                    hierboven al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen
                    raad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien zal de
                    concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en de werking ervan een
                    typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard vallen onder de
                    verantwoordelijkheid van het college. De door de gemeenteraad vast te stellen
                    verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket, waarbij de
                    nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moeten worden. </al><al/><al><vet>Artikel 8.2 Inlichtingen, onderzoek, advies</vet></al><al/><al>Lid 1</al><al> Lid 1 van dit artikel in de Verordening bepaalt dat het college bevoegd is de
                    aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen op een door
                    het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of
                    ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de
                    beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag. Dit biedt de basis
                    voor een zorgvuldig onderzoek om te bepalen of er al dan niet sprake is van
                    medische noodzaak. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen
                    medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de
                    onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder
                    dit onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd
                    beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de medische noodzaak vastgesteld
                    kan worden. </al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over ( externe ) advisering. Artikel 3:5 lid 1
                    Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur
                    verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift
                    belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en
                    niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In
                    tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de vervallen Wet voorzieningen
                    gehandicapten is in de wet niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet
                    worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter
                    onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in
                    het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet
                    opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende,
                    zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een eenduidige vermelding onmogelijk
                    maakt. </al><al/><al>Lid 2 </al><al> Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer de kosten van de voorzieningen het
                    bedrag genoemd in het Besluit overtreffen. Dit om te kunnen beoordelen of de
                    voorziening medisch noodzakelijk is en wat de goedkoopst adequate voorziening is
                    en of het wellicht om een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op
                    dit proces reeds eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan
                    op het moment van de aanvraag nodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf
                    het begin duidelijk geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de
                    betrokken aanvrager. Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld in
                    onderdeel b, kan uiteraard alleen maar op basis van een medisch advies. Met name
                    wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                    onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom
                    van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij
                    verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de
                    aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het
                    bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare
                    aandoeningen (moa’s). Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens
                    gewenst wordt geacht. Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten
                    op te voeren valt. Door deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om
                    advies te vragen. Het is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies
                    gevraagd wordt, met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een
                    rol zou kunnen spelen. </al><al/><al>Lid 3 </al><al> Deze bepaling spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de
                    medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens
                    noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Er is een
                    duidelijke praktische samenhang met artikel 8.1 lid 1 van deze verordening,
                    inzake het gebruik van een door het college te verstrekken formulier. Door
                    middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures inzake de
                    gegevensverstrekking worden gestroomlijnd. Uiteraard moet er niet meer worden
                    opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen van een besluit op de aanvraag,
                    zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet bestuursrecht. Weigert de aanvrager
                    echter de voor het nemen van het besluit noodzakelijke gegevens te verstrekken,
                    dan rest het college niets anders dan de aanvraag volgens de procedure van
                    artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling te laten. </al><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                    gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                    bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al><al/><al>Lid 4 </al><al> Dit lid geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling
                    is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op TK
                    2005-2006, 30 131, nr. 65, waarin staat “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen.” Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse
                    functies in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze
                    classificatie gebruik wordt gemaakt kan het gebruik van de ICF-classificatie
                    afstemming tussen de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en deze wet
                    vergemakkelijken. </al><al/><al>Lid 5 </al><al>Dit lid is opgenomen om te benadrukken dat er een dubbele motiveringsplicht van
                    toepassing is. </al><al/><al><vet>Artikel 8.3 Samenhangende afstemming.</vet></al><al>In artikel 5 lid 2 onderdeel b van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                    verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen
                    samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is
                    bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke
                    zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit
                    cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Evenals het genoemde in de
                    toelichting op artikel 8.2 van deze verordening, gaat het hier naar zijn aard om
                    uitvoeringsbeleid. Daarvoor is een specifieke onderzoeksverplichting aan het
                    college opgelegd. </al><al/><al>Bij de besluitvorming en de motivering van het besluit, voorafgaande aan de
                    beschikking, wordt door het college bij de bevindingen van het onderzoek
                    aangesloten. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 9 Wijziging, intrekking en terugvordering </vet></al><al/><al><vet>Artikel 9.1 Wijzigingen in de situatie</vet></al><al> Ingevolge dit artikel is de persoon met beperkingen die een voorziening heeft
                    ontvangen verplicht wijzigingen die relevant (kunnen) zijn voor de beoordeling
                    van het (voortduren van het) recht op een voorziening, uit eigen beweging het
                    college door te geven. Het gaat hier om alle gegevens en feitelijkheden waarvan
                    redelijkerwijs verondersteld kan worden dat zij van belang zijn, zoals
                    verandering van de hoogte van het inkomen als het gaat om inkomensafhankelijke
                    bijdragen, de staat van een in huur verstrekt voorwerp, gewijzigde burgerlijke
                    staat, verhuizing en dergelijke. </al><al/><al><vet>Artikel 9.2 Intrekking van een voorziening</vet></al><al> Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage “waarvan
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een
                    voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te
                    vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te
                    wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met zich medebrengen.
                    Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de
                    verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht
                    er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                    voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking
                    een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening ,
                    omdat de belanghebbende zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de
                    feiten. </al><al/><al><vet>Artikel 9.3 Terugvordering </vet></al><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat
                    reden is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders
                    geen juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar
                    later blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is,
                    kan het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit
                    tot herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde
                    terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de
                    Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een
                    civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het
                    Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de
                    gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de
                    vordering hoger is dan € 5.000,00 en dus een procedure met procureurstelling bij
                    de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                    dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte
                    procureurstelling. Het is raadzaam vooraf een inschatting te maken van de kosten
                    en te verwachten baten, gezien de mogelijke kosten van een civielrechtelijke
                    procedure. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de kosten van
                    inschakeling van een procureur, maar ook naar mogelijke invorderingskosten,
                    zoals de kosten van inschakeling van een deurwaarder. De gemeente Kerkrade
                    hanteert in beginsel het uitgangspunt dat er altijd zal worden teruggevorderd,
                    tenzij er sprake is van onbillijkheden van overwegende aard. </al><al/><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget
                    binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van
                    de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden
                    teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de
                    financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget aan de aanschaf van de
                    voorziening voorafgaat. Bij bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen zal
                    dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de
                    bouwkundige of woontechnische aanpassing is uitgevoerd. Artikel 9.2 lid 2 juncto
                    artikel 9.3 lid 1 van de Verordening is dus niet van toepassing op bouwkundige
                    of woontechnische woonvoorzieningen. </al><al/><al><vet>AFDELING III SLOT </vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 10 Overgangsrecht </vet></al><al/><al><vet>Artikel 10.1 Overgangsbepaling hulp bij het huishouden </vet></al><al>In de wet zijn twee overgangsartikelen opgenomen, namelijk artikel 40
                    (Wvg) en artikel 41 (AWBZ). Deze bepalingen regelen het overgangsrecht voor
                    cliënten die op 31 december 2006 rechten op grond van de Wvg genieten of een
                    indicatiebesluit op grond van de AWBZ hebben voor huishoudelijke verzorging. Het
                    overgangsrecht houdt in dat zij nog gedurende de looptijd van het
                    indicatiebesluit, maar ten hoogste één jaar na de inwerkingtreding van de Wmo
                    hun oude rechten en plichten behouden, aldus tot 1 januari 2008. </al><al>Met overgangscliënten worden personen bedoeld die reeds voor de inwerkingtreding
                    van de Wmo (1 januari 2007) een indicatiebesluit hebben voor de duur van het
                    besluit, doch maximaal 1 jaar (tot 1 januari 2008) na de inwerkingtreding van de
                    Wmo hun rechten en plichten blijven behouden, zij het dat de Wmo de rechten en
                    plichten overneemt. Onder “overgangscliënten” wordt verstaan: cliënten met een
                    AWBZ-indicatie voor huishoudelijke verzorging die bij de inwerkingtreding van de
                    Wmo nog van toepassing is (conform artikel 41, lid 3 van de Wmo). Voor deze
                    overgangscliënten, met een indicatiebesluit hulp bij het huishouden dat
                    doorloopt tot een datum na de invoeringsdatum van de Wmo, is in artikel 41 lid 3
                    Wmo het volgende aangegeven: “de rechten en verplichtingen die gelden op het
                    tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot huishoudelijke
                    verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektenkosten een
                    indicatie is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet,..., blijven gelden
                    gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na de
                    inwerkingtreding van deze wet,...” </al><al>Uitgangspunt is aldus dat deze “overgangscliënten” hun rechten en verplichtingen
                    blijven behouden tijdens de looptijd van het indicatiebesluit tot maximaal één
                    jaar na inwerkingtreding van de Wmo. De toelichting op deze omschrijving (TK
                    2005-2006, 30, 131 p. 107-108) zegt dat de termijn van 1 jaar een redelijk
                    termijn is en dat het niet de bedoeling is langer dan twee regimes naast elkaar
                    te laten bestaan (AWBZ-Wmo). Na dat jaar is relevant wat in de verordening is
                    bepaald. </al><al/><al>In de praktijk blijkt uit de verhouding tussen de geleverde zorg van HV1 en HV2
                    en de geïndiceerde zorg, zoals deze was, dat tot 1 januari 2007 onder de AWBZ de
                    meeste zorg in de vorm van HV plus werd verstrekt, ondanks een indicatie tot HV
                    basis. Onder de Wmo is dit na 1 januari 2007 niet meer mogelijk. De gemeente
                    dient die zorg te verstrekken die door het CIZ of de gemeente zelf is
                    geïndiceerd. Dit heeft als gevolg dat de overgangsklanten mogelijk na een
                    herindicatie onder de Wmo na 1 januari 2007 een “lager niveau” voorziening HbH
                    ontvangen, terwijl in de medische beperkingen van de klant niets is veranderd. </al><al/><al>Om de overgangscliënten AWBZ te vrijwaren van bovenstaand negatieve gevolgen
                    heeft de gemeenteraad van de gemeente Kerkrade er voor gekozen een
                    overgangsrechtbepaling in de verordening op te nemen welke afwijkt van het
                    bepaalde in artikel 41 lid 3 van de wet (het overgangsregime huishoudelijke
                    verzorging). In artikel 10.1 is bepaald dat de overgangscliënten AWBZ ook na
                    herindicatie in het kader van de Wmo, minimaal hetzelfde niveau van hulp bij het
                    huishouden ontvangen als zij daadwerkelijk ontvingen, voor de duur van 1 jaar
                    maximaal tot 1 januari 2008, maar zolang er sprake is van een minimaal
                    gelijkblijvend of verslechterde niveau van de medische beperkingen en er geen
                    sprake is van wijziging in of van de leefeenheid. </al><al/><al><vet>Artikel 10.2 Overgangsbepaling vervoersvoorzieningen</vet></al><al> In dit artikel is een overgangsbepaling neergelegd voor de belanghebbende die
                    naar aanleiding van een heronderzoek geen aanspraak meer hebben op een
                    financiële tegemoetkoming voor vervoer buiten het door de gemeente Kerkrade
                    vastgestelde CVV vervoersgebied en/of buiten de openingstijden van het CVV.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 11 Slotbepalingen </vet></al><al/><al><vet>Artikel 11.1 Hardheidsclausule </vet></al><al>Artikel 11.1 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van
                    de aanvrager kan afwijken van hetgeen bij of krachtens deze verordening is
                    bepaald, en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt
                    hierbij advies ingewonnen. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten
                    nadele van de betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de
                    woonruimte. Bij de woningeigenaar, bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht
                    worden aan een situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer dan
                    zes maanden leeg staat, omdat bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met
                    beperkingen voor wie de aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt
                    staat om uit een revalidatiecentrum te worden ontslagen. In die gevallen kan het
                    doelmatiger zijn om een langere periode een tegemoetkoming in de huurderving te
                    verstrekken. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik
                    maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en
                    niet als een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook
                    duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken. </al><al/><al><vet>Artikel 11.3 Indexering</vet></al><al> Deze bepaling, maakt het mogelijk de bedragen, genoemd in het op de verordening
                    gebaseerde Besluit, te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze
                    verordening gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het
                    CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. Het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning bepaalt in artikel 4.5 lid 1 dat ook de bedragen van de eigen
                    bijdragen en eigen aandeel jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de
                    gezinsconsumptie worden gewijzigd bij ministeriële regeling. Het ligt voor de
                    hand wijzigingen in bedragen in deze verordening en Besluit tegelijkertijd
                    hiermee door te voeren. </al><al/><al><vet>Artikel 11.4 Evaluatie </vet></al><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid en-of beleidsregels
                    periodiek geëvalueerd te worden. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid,
                    zoals door de gemeenteraad neergelegd in de verordening, als het
                    uitvoeringsbeleid, dat onder de bevoegdheid van het college is neergelegd in
                    beleidsregels. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat
                    het voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te
                    leiden tot aanpassing van de verordening of van de beleidsregels. </al><al/><al><vet>Artikelen 11.5 en 11.6 Citeertitel; inwerkingtreding</vet></al><al> Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht. </al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>