<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR63095_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Heumen 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Verbinding, 21-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet Kinderopvang (VWk) gemeente Heumen 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Kinderopvang, art. 24</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-09-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-05-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Heumen 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: Verordening Kinderopvang gemeente Heumen 2005</al><al>24 augustus 2004</al><al>Besluitnr</al><al/><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24 augustus
                        2004;</al><al>gelet op artikel 25 van de Wet Kinderopvang en artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Heumen 2005</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet Kinderopvang</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND VAN
                                SOCIAAL-MEDISCHE INDICATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang
                                    op grond van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in
                                    artikel 23 van de wet bevat in ieder geval de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en, indien de partner een
                                            ander adres heeft dan de ouder, het adres van de
                                            partner;</al></li><li nr="c."><al>naam en geboortedatum van het kind of kinderen waarop de
                                            aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                            besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming,
                                            opgenomen in het aanvraagformulier.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt voor de aanvraag een aanvraagformulier
                                    beschikbaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft wordt de aanvraag mede
                                    ondertekend door de partner.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na
                                    ontvangst van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen.
                                    Het college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op
                                grond van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de geldigheidsduur van de indicatie</al></li><li nr="b."><al>de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt
                                        geacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                                sociaal-medische indicatie vast te stellen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten
                                        van kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; of</al></li><li nr="b."><al>de ouder of de partner niet behoort tot de personen als
                                        bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l van de
                                        wet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam, adres en sofi-nummer van de
                                            partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de
                                            kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                            gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen
                                            waarin in ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren
                                            kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de
                                            aanvangsdatum van de opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt
                                            dat de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld
                                            in artikel 22 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                            besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt dat de aanvraag geschiedt met behulp van het
                                    door het college vastgestelde en beschikbaar gestelde
                                    aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft wordt de aanvraag mede
                                    ondertekend door de partner.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na
                                    ontvangst van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen.
                                    Het stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort
                                tot de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop
                                    de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst
                                    is genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                    tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                    kinderopvang zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                    tegemoetkomingsjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de
                                    tegemoetkoming voor een ander periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                    kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een
                                    ouder als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a. of
                                    tweede lid, onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het
                                    aantal uren kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs
                                    noodzakelijk is voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van de
                                kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen
                                        de ouder behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                        de tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau
                                        waar de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak
                                        waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt
                                        bepaald en het bedrag dat op basis hiervan wordt
                                        verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in
                                    maandelijkse termijnen uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                    bevoorschotting.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5.</nr><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een
                                    overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                    periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na
                                    ontvangst van de overzichten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier
                                weken betaald, onder verrekening van de voorschotten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>6.</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het
                                    bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling
                                    van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                                    vaststelling van een lagere tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college,
                                    binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle
                                    gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de
                                    aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente
                                    van belang zijn.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet
                                treedt deze verordening in werking 3 dagen na bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt na inwerkingtreding aangehaald als Verordening
                                Wet kinderopvang (VWk) gemeente Heumen 2005.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><tussenkop>Nota- Toelichting:</tussenkop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><al>In deze verordening zijn de hoofdlijnen neergelegd van het proces van
                    verstrekking van de tegemoetkomingen kinderopvang. Dit vanuit de volgende
                    uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitvoeringslasten voor gemeente en aanvragers moet beperkt gehouden
                            worden;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke uitgaven aan de verstrekkingen van de tegemoetkomingen
                            moeten zo goed mogelijk beheersbaar zijn.</al></li></lijst><tussenkop>Tegemoetkomingen voor de duur van een kalenderjaar</tussenkop><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor één kalenderjaar. We sluiten
                    daarmee aan bij de wijze waarop de betalingen door de Belastingdienst worden
                    verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming elk jaar opnieuw moet worden
                    aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen waarin bij de aanvraag
                    reeds duidelijk is dat de aanspraak op de tegemoetkoming beperkt is tot een
                    bepaalde periode. (Bijvoorbeeld de duur van een reïntegratietraject die in het
                    trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het kind naar de basisschool gaat
                    of de basisschool verlaat.)</al><tussenkop>Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappen</tussenkop><al>De verstrekking van de tegemoetkoming volgt het proces van de Awb voor wat
                    betreft subsidies en vindt plaats in twee stappen. De eerste stap is de
                    beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming. Dit geeft de ontvanger een
                    voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming. Voorwaardelijk, omdat het moment
                    van de beschikking nog onzeker is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik gaat
                    maken van kinderopvang én zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Het is wel
                    rechtens afdwingbaar.</al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen. Vastgesteld wordt in
                    hoeverre de ontvanger aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het
                    uiteindelijke bedrag is. Met de vaststelling wordt de tegemoetkoming
                    definitief.</al><al>Daarvoor kan de gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid door gegevens van
                    de ouder/partner te controleren en inlichtingen bij de houders van het
                    kindercentrum of gastouderbureau op te vragen.</al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJS</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>De begripsbepaling in artikel 1 en 2 Wet kinderopvang zijn ook van toepassing.
                    Alleen de in deze artikelen niet gedefinieerde begrippen zijn in de verordening
                    aangevuld.</al><tussenkop>Artikel 2 Te verstrekken gegevens</tussenkop><al>Een aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie moet worden
                    ingediend bij het college. Deze is in principe voorafgaand aan de aanvraag voor
                    een tegemoetkoming, maar zal in de praktijk gelijktijdig daarmee verlopen. Ook
                    het besluit deze indicatie te verlenen mag in dezelfde beschikking als het
                    besluit tot verlenen van de tegemoetkoming. Het besluit over de indicatie staat
                    dan wel als eerste genoemd in de beschikking, ze is de grondslag van de
                    verlening van de tegemoetkoming die daarna komt.</al><tussenkop>Artikel 3 Beslistermijn</tussenkop><al>We hebben daarin rekening gehouden met de tijd die gemoeid is met het uitbrengen
                    van advies door een onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate
                    deskundigheid ad artikel 23, derde lid, Wet Kinderopvang.</al><tussenkop>Artikel 4 Inhoud van de beschikking</tussenkop><al>Dit is een beschikking in de zin van titel 4.1 Awb. Hiertegen kan bezwaar en
                    beroep worden ingesteld. Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                    sociaal-medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de beschikking aangegeven
                    hoeveel uren kinderopvang noodzakelijk wordt geacht.</al><al>Het besluit over de noodzakelijke omvang van de kinderopvang in de beschikking
                    omtrent de toekenning van de sociaal-medische indicatie vormt de grondslag voor
                    de aanvraag van een tegemoetkoming. Bovendien moet de geldigheidsduur van de
                    indicatie worden vermeld. Het college neemt dit besluit op basis van het
                    indicatieadvies. Dit advies is niet bindend. Bij afwijken zal het college dit
                    wel in de beschikking moeten motiveren.</al><tussenkop>Artikel 5 Weigeringsgronden</tussenkop><al>Onder a wordt ingegaan op het feit dat de gemeentelijke tegemoetkoming op grond
                    van een sociaal-medische indicatie een vangnetvoorziening is. Alleen wanneer
                    ouders niet op grond van een andere bepaling in de Wet aanspraak kunnen laten
                    gelden op een tegemoetkoming in de kosten kinderopvang, kunnen zij aanspraak
                    maken op een tegemoetkoming in de kosten wegens een sociaal-medische
                    noodzaak.</al><tussenkop>Artikel 6 Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</tussenkop><al>De aanvraag moet schriftelijk worden ingediend bij het college van de gemeente
                    waar de ouder woont.</al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingsjaar wordt
                    verstrekt moet deze elk jaar worden aangevraagd. De gemeente zal het
                    aanvraagformulier voor de vervolgaanvraag aan de ouders toesturen, waarbij op
                    het formulier de gegevens die bij de gemeente bekend zijn reeds ingevuld zijn.
                    Ouders hoeven slechts mutaties aan te geven.</al><al>Een tussentijdse verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging
                    van het aantal uren of dagdelen kinderopvang, zal door de ouder/partner ook
                    tussentijds moeten worden aangevraagd. Een verlaging van de behoefte aan
                    tegemoetkoming hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel
                    onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid Wet
                    kinderopvang en artikel 16, eerste lid).</al><al>De aanvraag kan pas worden gedaan als de ouder over een offerte of contract van
                    de opvanginstelling beschikt. Dit moet zijn aangevraagd bij een kindercentrum of
                    gastouderbureau dat in een gemeentelijk register is ingeschreven (artikel 5,
                    eerste lid, Wet kinderopvang).</al><al>Onderdeel e van het eerste lid:</al><al>De ouder moet gegevens toevoegen waaruit blijkt dat hij of zij behoort tot de
                    gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan met een
                    verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente er zelf over beschikt:</al><lijst><li nr="-"><al>de ouder of partner ontvangt een uitkering bij de gemeente ihkv de WWB,
                            IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende
                            geregistreerd bij het CWI én maakt gebruik van een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt;</al></li><li nr="-"><al>het college heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld.</al></li></lijst><al>In andere gevallen moeten extra gegevens door de ouder aan de aanvraag worden
                    toegevoegd:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van de
                                        wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK)</al></entry><entry colname="col2"><al>gegevens van de uitkerende instantie;</al><al>(indien de uitkering wordt verkregen in een andere gemeente
                                        wordt verkregen: naam van deze gemeente)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt,
                                        volgt scholing of een opleiding en ontvangt algemene
                                        bijstand op grond van de WWB of kan zo’n uitkering
                                        ontvangen</al></entry><entry colname="col2"><al>bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij een school
                                        of instelling als bedoeld in par. 2.2 of 2.4 van de Wet
                                        tegemoetkoming onderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot
                                        en met 2.11 van de Wet Studiefinanciering 2000</al></entry><entry colname="col2"><al>bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>De ouder of diens partner ontvangt een WW-uitkering en maakt
                                        gebruik van een voorzieing gericht op
                                        arbeidsinschakeling</al></entry><entry colname="col2"><al>Trajectplan van het UWV</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>De ouder of diens partneris arbeidsgehandicapte en maakt
                                        gebruik van een voorzieing gericht op
                                        arbeidsinschakeling</al></entry><entry colname="col2"><al>Trajectplan van het UWV</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze
                    partner de aanvraag mede ondertekent. Deze verplichting staat reeds opgenomen in
                    artikel 26, derde lid, Wet kinderopvang, maar is volledigheidshalve in de
                    verordening opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 7 Het besluit tot verlenen van een tegemoetkoming</tussenkop><al>De termijn van vier weken is een maximale termijn. We streven er naar ze zo kort
                    mogelijk te houden. In de interne procesvoering is afgesproken te streven naar
                    een kortere periode waar het gaat om personen in een reïntegratietraject waar
                    kinderopvang eerste voorwaarde is voor de voortgang van het traject.</al><al>De termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die
                    betrekking hebben op voortzetting van een tegemoetkoming of verhoging van de
                    tegemoetkoming in verband met uitbreiding van de omvang van kinderopvang.
                    Gekozen is conform het model van de VNG voor vier weken. </al><al>De termijn is van invloed op de aanvraag. Willen ouders dat de tegemoetkoming na
                    1 januari kan worden voortgezet, moeten zij de aanvraag minimaal vier weken voor
                    1 januari bij de gemeente indienen.</al><tussenkop>Artikel 8 Weigeringsgrond</tussenkop><al>Naast de genoemde in dit artikel kent de Awb ook nog gronden om
                    subsidieverlening te weigeren. Artikel 4:35 is van toepassing: Subsidie kan
                    worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
                            zal afleggen omtrent verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de
                            subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al>En volgens hetzelfde artikel, tweede lid, kan vervolgens worden geweigerd
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige
                            gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een
                            onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is
                            verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
                            personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de
                            rechtbank is ingediend.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 9 Ingangsdatum van de tegemoetkoming</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming. Er
                    zijn twee ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>de datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in
                            ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder op het
                            moment dat hij de aanvraag indient reeds kinderopvang hebben.</al></li><li nr="2."><al>de datum waarop de kinderopvang van start gaat; het tweede lid bepaalt
                            dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er kinderopvang
                            plaatsvindt.</al></li></lijst><al>Er wordt geen tegemoetkoming met terugwerkende kracht verstrekt. Dus voor kosten
                    voor kinderopvang die plaatsvindt voordat de aanvraag voor een tegemoetkoming
                    bij de gemeente is ingediend.</al><al>Een aanvraag wordt pas in ontvangst genomen als zij compleet is (artikel 4.1 en
                    4.2 Awb):</al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijk ingediend</al></li><li nr="-"><al>moet zijn ondertekend</al></li><li nr="-"><al>de naam en adres van de aanvrager bevat</al></li><li nr="-"><al>een aanduiding geeft van de beschikking die wordt gevraagd.</al></li></lijst><al>De uitbetaling vindt pas plaats op het moment dat het besluit is genomen. De
                    betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats tot de ingangsdatum van de
                    tegemoetkoming. De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het
                    moment waarop de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat.</al><al>De ingangsdatum van de verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing
                    op aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde
                    tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor door
                    het college in ontvangst is genomen.</al><tussenkop>Artikel 10 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt
                    verleend</tussenkop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend.</al><al>Voor aanvragen dus die in de loop van het jaar worden toegekend, geldt dat de
                    tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van dat betreffende jaar. Een
                    ouder moet elk jaar (minimaal vier weken voor 1 januari van het komende jaar)
                    opnieuw een aanvraag indienen.</al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht heeft op
                    de tegemoetkoming, bijvoorbeeld bij het volgen van een reïntegratietraject voor
                    een bepaalde periode. Een kortere periode vaststellen voorkomt dat de ouder
                    actie moet ondernemen om de verstrekking stop te zetten en de gemeente hoeft
                    geen eventueel ten onrechte bedragen terug te vorderen.</al><tussenkop>Artikel 11 Omvang van de kinderopvang</tussenkop><al>De wet regelt uitsluitend de aanspraak op tegemoetkoming, niet de omvang van die
                    aanspraak. De ouder bepaalt zelf hoeveel kinderopvang noodzakelijk is. Zij
                    betalen daarvoor ook de inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor. De hoogte van
                    de eigen bijdrage weegt mee in de omvang van de vraag naar kinderopvang.</al><al>Dit geldt niet voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen die de eigen bijdrage
                    niet hoeven te betalen, maar deze door de gemeente krijgen gecompenseerd,
                    artikel 24, eerste lid onderdeel a en tweede lid onderdeel a Wet Kinderopvang.
                    Bij deze personen heeft het college de bevoegdheid om per geval te beoordelen
                    hoeveel kinderopvang een ouder redelijkerwijs nodig heeft om arbeid te kunnen
                    combineren met zorgtaken. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met een
                    handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of een beperking die de huiselijke
                    situatie meebrengt voor de goede en gezonde ontwikkeling van het kind. (Dit
                    lijkt op een sociaal-medische indicatie, maar hiervoor hoeft door het college
                    geen advies te worden gevraagd.)</al><tussenkop>Artikel 12 Inhoud van de beschikking</tussenkop><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangegeven hoe het bedrag van de
                    tegemoetkoming wordt vastgesteld. De wijze van uitbetaling van de tegemoetkoming
                    moet worden vermeld (zie artikel 13: maandelijkse voorschotten). Onderdeel g
                    schrijft voor dat in de beschikking de verplichtingen van de ouder worden
                    opgenomen.</al><al>Verplichtingen voor de ouder kunnen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is
                            verleend moeten ouders een overzicht verstrekken van de feitelijke
                            kosten;</al></li><li nr="b."><al>de informatieplicht welke is opgenomen in artikel 28, eerste tot en met
                            derde lid, Wet Kinderopvang.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 13 De bevoorschotting van de tegemoetkoming</tussenkop><al>Bij een aanvraag voor een geheel tegemoetkomingsjaar wordt het bedrag van de
                    tegemoetkoming in twaalf gelijke delen verdeeld.</al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan de gemeente
                    machtigen om betalingen rechtstreeks te doen aan het kindercentrum of
                    gastouderbureau. Er blijft juridisch gezien sprake van een tegemoetkoming aan de
                    ouder.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                    stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Het college kan
                    (in gevallen) bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op basis van een
                    factuur van het kindercentrum/gastouderbureau.</al><tussenkop>Artikel 14 Het besluit tot het vaststellen van de
                    tegemoetkoming</tussenkop><al>Op grond van artikel 4:47 Awb kan het college een subsidie ambtshalve
                    vaststellen. Dit wil zeggen zonder dat de ouders daarvoor een aanvraag hebben
                    ingediend. De ouders zijn dan wel verplicht binnen vier weken na afloop van de
                    periode waarvoor de tegemoetkoming (subsidie) is verleend aan het college een
                    overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang in deze periode te
                    verstrekken. Als een tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend, dienthet
                    overzicht van de kosten uiterlijk vier weken na 31 december bij het college te
                    worden ingediend.</al><al>Dat overzicht kan zijn: jaaroverzicht van het kindercentrum/gastouderbureau of
                    verzameling van maandoverzichten door de ouder zelf samengesteld. Het college
                    heeft dan acht weken de tijd deze tegemoetkoming ook vast te stellen.</al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat het
                    bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd recht op
                    heeft.</al><al>De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot verlening is
                    uitgangspunt voor het vaststellen van de tegemoetkoming. Het aantal uren dat in
                    de beschikking tot verlening staat is het maximum aantal uren. In de beschikking
                    tot vaststelling kan wel worden uitgegaan van een lager aantal uren, maar niet
                    van een hoger aantal.</al><lijst><li nr="-"><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                            tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager kan ook betekenen
                            op nul vaststellen. Deze bevoegdheid heeft het college op grond van
                            artikel 4:46, tweede en derde lid Awb. Op grond van het tweede lid kan
                            de subsidie lager worden vastgesteld indien:</al></li><li nr="-"><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                            plaatsgevonden;</al></li><li nr="-"><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="-"><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                            de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="-"><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                            wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: ‘Voor zover het bedrag van de subsidie
                    afhankelijk is van de werkelijke activiteiten waarvoor subsidie is verleend,
                    worden kosten die redelijkerwijs niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd
                    bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen’.</al><tussenkop>Artikel 15 Verrekening met de voorschotten</tussenkop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel
                    van de tegemoetkoming.</al><al>Als de gemeente een hoger bedrag heeft uitgekeerd dan waarop de ouder recht
                    heeft, kan dat teveel betaalde bedrag worden teruggevorderd; artikel 38 Wet
                    Kinderopvang (en de toelichting bij artikel 16).</al><tussenkop>Artikel 16 Inlichtingenplicht</tussenkop><al>In artikel 28 van de Wet kinderopvang wordt geregeld dat een houder van een
                    kindercentrum of gastouderbureau een inlichtingenplicht aan het college heeft:
                    ‘De houder verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders
                    alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de
                    tegemoetkoming van belang zijn’.</al><al>Er zijn twee vormen van schending van de inlichtingenplicht:</al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik gemaakt van kinderopvang maar de ouder behoort niet
                            tot de gemeentelijke doelgroep.</al></li></lijst><al>Wanneer een ouder als gevolg hiervan een te hoog of onterecht een tegemoetkoming
                    heeft ontvangen, kan het college de beschikking tot verlening of tot het
                    vaststellen intrekken of wijzigen en het teveel betaald terugvorderen. Ook is
                    mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke boete aan de ouder op te
                    leggen.</al><tussenkop>Intrekking beschikking en terugvorderen tegemoetkoming</tussenkop><al>Verschil moet worden gemaakt tussen intrekking of wijzigen van de beschikking
                    tot verlenen van de tegemoetkoming (artikel 4:48 Awb) en van de beschikking tot
                    vaststelling (4:49 Awb).</al><tussenkop>ad a de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld</tussenkop><al>Artikel 4:48 Awb</al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de beschikking
                    tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van de ontvanger van
                    de tegemoetkoming wijzigen. Dit is mogelijk als:</al><lijst><li nr="a."><al>activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet geheel
                            hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens
                            heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                            een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid</al></li><li nr="d."><al>de verlening anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde
                            te weten.</al></li></lijst><al>Intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip van verlening,
                    tenzij bij de intrekking/wijziging anders is bepaald.</al><al>Verder is het overigens mogelijk de bevoorschotting op te schorten (4:56
                    Awb).</al><al>Opschorting kan met ingang van de dag dat het college aan de ouder schriftelijke
                    kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat tot intrekking of
                    wijziging van de beschikking tot verlening. Opschorting duurt tot en met de dag
                    waarop de beschikking omtrent intrekking/wijziging bekend is gemaakt of de dag
                    waarop sedert de kennisgeving van het ernstig vermoeden dertien weken zijn
                    verstreken.</al><tussenkop>ad b de tegemoetkoming is al wel vastgesteld</tussenkop><al>Artikel 4:49 Awb</al><al>Ook al is de tegemoetkoming vastgesteld, is het college in bepaalde gevallen
                    bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in te trekken
                    of ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen.</al><al>Intrekken/wijzigen van beschikking tot vaststelling kan als:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                            vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon
                            zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de
                            verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld.;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te
                            weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger na de vaststelling niet heeft voldaan de aan de
                            tegemoetkoming verbonden verplichtingen.</al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of gewijzigd indien
                    vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt.</al><tussenkop>Terugvordering</tussenkop><al>Artikel 38 Wet kinderopvang. Na intrekking of wijziging op grond van artikel
                    4:48 of 4:49 kan de gemeente het reeds betaalde bedrag van de ouder
                    terugvorderen. De bepalingen in de WWB over terugvorderen van bijstand zijn
                    overeenkomstig van toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat het bedrag dat
                    wordt teruggevorderd kan worden verrekend met de tegemoetkoming die aan de ouder
                    wordt verstrekt. In het besluit tot terugvordering moet de wijze waarop zal
                    worden teruggevorderd worden vermeld.</al><tussenkop>Bestuurlijke boete</tussenkop><al>Hoofdstuk 5 Wet Kinderopvang. Een bestuurlijke boete is een bestuurlijke
                    sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een
                    geldsom, die gericht is op bestraffing van de overtreder.</al><al>Een bestuurlijke boete kan worden opgelegd als de ouder verplichtingen schendt
                    zoals daar zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                            inlichtingen van hem of haar en de partner die voor de aanspraak op de
                            tegemoetkoming van belang zijn;</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen de door het
                            college gestelde redelijke termijn;</al></li><li nr="-"><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken van gegevens
                            die kunnen leiden tot de vaststelling van een lagere
                            tegemoetkoming.</al></li></lijst><al>De bestuurlijke boete is maximaal € 2269,00. De hoogte wordt afgestemd op de
                    ernst van het feit, de verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de persoon
                    verkeert.</al><al>In de Wet Kinderopvang is ook geregeld wanneer deze boete niet mag worden
                    opgelegd, bijvoorbeeld wanneer de overtreder is overleden. (Artikelen 77 tot en
                    met 84 Wet Kinderopvang.)</al><al>Van een bestuurlijke boete wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt.</al><tussenkop>Artikel 17 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Door vertraging in het wetgevingstraject is de oorspronkelijke planning van het
                    implementatietraject door gemeenten onder groeiende tijdsdruk komen te staan. </al><al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke Referendumwet laten wij de
                    inwerkingtreding van de verordening niet vooraf gaan door de door die wet
                    vereiste termijn van 6 weken. De inwerkingtreding van deze verordening kan dit
                    uitstel niet leiden, omdat de uitvoering van deze wet als start per 1 september
                    2004 en mensen derhalve zo snel mogelijk de verordening als rechtsgrond dienen
                    te kunnen inzien en ontvangen. Burgers kunnen tijdig aanvragen indienen op deze
                    wijze. </al><tussenkop>Artikel 18 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>