<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR63075_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Inburgering 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Verbinding, 08-06-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Inburgering 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Inburgering, art. 8, 19 lid 5, 23 lid 3, 24a lid 5, 24f, 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit Inburgering, art. 4:27, lid 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-06-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING INBURGERING 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Heumen,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 april 2010;</al><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, 24a, vijfde lid, 24f
                        en 35 van de Wet Inburgering en artikel 4.27, derde lid, van het Besluit
                        Inburgering;</al><al>overwegende dat: </al><lijst><li nr="-"><al>de raad bij verordening regels dient te stellen over de
                                informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen
                                en vrijwillige inburgeraars, het aanbieden van een
                                inburgeringsvoorziening aan bijzondere groepen
                                inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars;</al></li><li nr="-"><al>de raad bij verordening de rechten en plichten van de
                                inburgeringsplichtige en vrijwillige inburgeraar voor wie een
                                voorziening is vastgesteld, dient vast te stellen;</al></li><li nr="-"><al>de raad bij verordening de hoogte van de bestuurlijke boete dient
                                vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan worden
                                opgelegd;</al></li></lijst><al>besluit:</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>VERORDENING INBURGERING 2010 </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Heumen;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet Inburgering;</al></li><li nr="c."><al>voorziening: een (duale) inburgeringsvoorziening of een
                                        taalkennisvoorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen en
                                    vrijwillige inburgeraars op een doeltreffende en doelmatige
                                    wijze worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit
                                    hoofde van de wet en over het aanbod van en de toegang tot
                                    inburgeringsvoorzieningen. </al></li><li nr="2."><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars in ieder
                                    geval gebruik van de volgende middelen: </al><lijst><li nr="a."><al>het verstrekken van schriftelijk
                                            voorlichtingsmateriaal;</al></li><li nr="b."><al>het inrichten van een informatie- en adviesfunctie bij
                                            de afdeling Sociale Zaken;</al></li><li nr="c."><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de
                                            gemeentelijke website.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de twee jaren de
                                    doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking
                                    aan de inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars en
                                    rapporteert daarover aan de raad. De raad ontvangt expliciet
                                    over de hoogte en motivering van het bestuurlijk boetebeleid en
                                    consequenties daarvan voor verblijfsvergunningen, integraal alle
                                    informatie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de voorziening aan
                            inburgeringsplichtigen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de volgende groepen inburgeringsplichtigen aan wie hij
                            bij voorrang een voorziening kan aanbieden:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwkomers en oudkomers die een uitkering ontvangen op grond
                                    van een sociale zekerheidswet of een sociale
                                    verzekeringsregeling;</al></li><li nr="b."><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit arbeid hebben, noch een
                                    uitkering ontvangen op grond van een sociale zekerheidswet of
                                    een sociale verzekeringsregeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de voorziening, met uitzondering van de
                                    voorziening aan geestelijk bedienaren, af op het startniveau en
                                    de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                    maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.</al></li><li nr="2."><al>Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg
                                    voor dat de voorziening wordt afgestemd op de voorziening
                                    gericht op arbeidsinschakeling. </al></li><li nr="3."><al>Een voorziening kan, naast datgene wat in de wet is geregeld,
                                    een of meer van</al><al> de volgende onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzieningen zoals bedoeld in de artikelen 11, 12, 13,
                                            14, 15, 16, 17 en 18 van de
                                            reïntegratieverordening;</al></li><li nr="b."><al>overige voorzieningen die toeleiden naar arbeid;</al></li><li nr="c."><al>overige voorzieningen die bijdragen aan een volwaardige
                                            integratie en participatie;</al></li><li nr="d."><al>overige voorzieningen zoals genoemd in de nota
                                            Minimabeleid;</al></li><li nr="e."><al>reiskosten op basis van openbaar vervoer, te vergoeden
                                            vanaf thuis tot de inburgeringsvoorziening,
                                            onafhankelijk van de afstand.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                    wordt in ten hoogste 10 termijnen betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van een
                                    voorziening de termijnen van betaling vast. Indien het college
                                    de eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand, wordt dat
                                    in de beschikking vastgelegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking één of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan;</al></li><li nr="f."><al>overige verplichtingen die het bereiken van het doel van de
                                    voorziening kunnen ondersteunen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>HET AANBOD VAN EEN VOORZIENING AAN INBURGERINGSPLICHTIGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure bij het doen van een aanbod</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of
                                    tweede lid van de wet, schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden
                                    naar het adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke
                                    basisadministratie is ingeschreven. </al></li><li nr="2."><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de voorziening
                                    die wordt aangeboden en worden de rechten en verplichtingen
                                    vermeld die aan de voorziening worden verbonden. </al></li><li nr="3."><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                    binnen vier weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod
                                    al dan niet aanvaardt. Indien de inburgeringsplichtige niet
                                    accoord kan gaan of onafhankelijk advies wil inwinnen over het
                                    aanbod, kan de inburgeringsplichtige terecht bij Vluchtelingen
                                    &amp; Nieuwkomers Zuid Gelderland, afdeling Heumen. De
                                    inburgeringsplichtige krijgt voor deze periode van extern advies
                                    vier weken extra de tijd.</al></li><li nr="4."><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                    college binnen 4 weken na ontvangst van deze mededeling het
                                    besluit tot toekenning van de voorziening, overeenkomstig het
                                    gedane aanbod. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een voorziening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of het staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage;</al></li><li nr="e."><al>in geval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>DE BESTUURLIJKE BOETE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 100,- indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 200,- indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde voorziening, bedoeld in
                                artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de verplichtingen, bedoeld
                                in artikel 6 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 200,- indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I
                                of II heeft behaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, bedraagt € 100,- indien de inburgeringsplichtige zich
                                binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte
                                overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                tweede lid, bedraagt € 200,- indien de inburgeringsplichtige zich
                                binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte
                                overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 400,- indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen of
                                het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II heeft behaald.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 600,- indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen of
                                het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II heeft behaald.
                            </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>de voorziening aan vrijwillige inburgeraars</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de volgende groepen vrijwillige inburgeraars aan aan
                            wie hij bij voorrang een voorziening kan aanbieden:</al><lijst><li nr="1."><al>oudkomers die een uitkering ontvangen op grond van een sociale
                                    zekerheidswet of een sociale verzekeringsregeling;</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit arbeid hebben, noch een
                                    uitkering ontvangen op grond van een sociale zekerheidswet of
                                    een sociale verzekeringsregeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de voorziening af op het startniveau en de
                                    vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                    maatschappelijke positie van de vrijwillige inburgeraar.</al></li><li nr="2."><al>Indien de vrijwillige inburgeraar een voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg
                                    voor dat de voorziening wordt afgestemd op de voorziening
                                    gericht op arbeidsinschakeling. </al></li><li nr="3."><al>Een voorziening kan, naast datgene wat in de wet is geregeld,
                                    één of meer van de volgende onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzieningen zoals bedoeld in de artikelen 11, 12, 13,
                                            14, 15, 16, 17 en 18 van de
                                            reïntegratieverordening;</al></li><li nr="b."><al>overige voorzieningen die toeleiden naar arbeid;</al></li><li nr="c."><al>overige voorzieningen die bijdragen aan een volwaardige
                                            integratie en participatie;</al></li><li nr="d."><al>overige voorzieningen zoals genoemd in de nota
                                            Minimabeleid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste 10 termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van een
                                voorziening de termijnen van betaling vast. Indien het college de
                                eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand, wordt dat in de
                                beschikking vastgelegd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de vrijwillige inburgeraar een gecombineerde voorziening, dat
                                wil zeggen inburgering gecombineerd met een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling, krijgt aangeboden, dan is op grond van artikel
                                24e, derde lid, geen eigen bijdrage verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan in de overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar,
                            bedoeld in artikel 24d, tweede lid, van de wet, één of meer van de
                            volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al> het deelnemen aan de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="b."><al> het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al> het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al> voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat in de overeenkomst wordt vastgelegd;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de overeenkomst kan
                                    worden voldaan;</al></li><li nr="f."><al>overige verplichtingen die het bereiken van het doel van de
                                    voorziening ondersteunen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>De inhoud van de overeenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar, bedoeld in artikel 24d,
                            tweede lid, van de wet bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de vrijwillige
                                    inburgeraar; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of het staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Sancties bij niet-nakoming van de overeenkomst</titel></kop><al>Indien de vrijwillige inburgeraar de verplichtingen die zijn opgenomen
                            in de overeenkomst niet of onvoldoende nakomt, kan het college hem de
                            volgende sancties opleggen:</al><lijst><li nr="a."><al>een boete van € 100,- indien de vrijwillige inburgeraar geen of
                                    onvoldoende medewerking verleent aan het
                                    inburgeringsonderzoek;</al></li><li nr="b."><al>een boete van € 200,- indien de vrijwillige inburgeraar geen of
                                    onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor
                                    hem vastgestelde voorziening, bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                                inburgeraar</titel></kop><al>Het college stelt de identiteit van de vrijwillige inburgeraar vast aan
                            de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            identificatieplicht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan bij besluit nadere regels vaststellen omtrent de
                            uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Inburgering 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Intrekking Boeteverordening Wet Inburgering Nieuwkomers,</titel></kop><al><vet>intrekking Verordening Inburgering 2007 en </vet></al><al><vet>inwerkingtreding Verordening Inburgering 2010</vet></al><al>De Boeteverordening Wet Inburgering Nieuwkomers en de Verordening
                            Inburgering 2007 vervallen per datum inwerkintreding van de Verordening
                            Inburgering 2010.</al><al>De Verordening Inburgering 2010 treedt in werking één dag na publicatie
                            in de Regiodiek ( .. juni 2010).</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 3 juni 2010,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>BL</ondertekening><ondertekening>Malden, 3 juni 2010</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>drs. J. van Zomeren.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><titel>bij Verordening Inburgering 2010</titel></kop><tussenkop><vet>Derdelanden (zie algemene toelichting, pag. 7, 1e alinea)</vet></tussenkop><al> De Raad van State acht de inburgeringsplicht mogelijk voor vreemdelingen uit
                    zogeheten ‘derdelanden’: landen <cursief>buiten</cursief> de Europese Unie (EU)
                    en <cursief>buiten</cursief> de Europees Economische Ruimte (EER).</al><al>De volgende landen behoren tot de EU: België, Bulgarije, Denemarken, Duitsland,
                    Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland,
                    Litouwen, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië,
                    Slowakije, Spanje, Tsjechië, Cyprus, Malta, het Verenigd Koninkrijk en
                    Zweden.</al><al>De volgende landen behoren tot de EER: de hierboven genoemde EU-landen,
                    aangevuld met IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.</al></bijlage><nota-toelichting><al>Nota-toelichting</al><al/><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>De Wet Inburgering (WI) regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel alle
                    onderdanen van Derdelanden (zie bijlage, pag.16) van 18 tot 65 jaar die duurzaam
                    in Nederland willen en mogen verblijven. </al><al>Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting staat de eigen
                    verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de inburgeringsplichtige
                    centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen inzicht bepalen hoe hij zich
                    wil voorbereiden op het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede
                    taal I of II (verder te noemen: staatsexamen). Aan de inburgeringsverplichting
                    is voldaan wanneer het inburgeringsexamen of het staatsexamen is behaald (een
                    resultaatsverplichting). </al><al>Daarnaast is in de WI ook de vrijwillige inburgering geregeld. De bepalingen in
                    de wet over vrijwillige inburgering zijn zoveel mogelijk geformuleerd
                    overeenkomstig de bepalingen die gelden voor inburgeringsplichtigen.</al><al>Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. Zo hebben
                    gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen in de gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de wet. </al><al>Daarnaast hebben gemeenten de taak aan bepaalde groepen inburgeringsplichtigen
                    en vrijwillige inburgeraars een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening
                    aan te bieden. Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen
                    of het staatsexamen. In plaats van een inburgeringsvoorziening mogen gemeenten
                    aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars die een MBO-opleiding op
                    niveau 1 of 2 (gaan) volgen, een taalkennisvoorziening aanbieden. Een
                    taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving van de kennis van de
                    Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een
                    MBO-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid WI).</al><al>In de verordening wordt gesproken over ‘voorziening’. Hieronder valt zowel de
                    inburgeringsvoorziening als de taalkennisvoorziening.</al><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven.
                    Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een inburgeringplichtige
                    zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden. Het ligt
                    voor de hand dat het college ook toezicht houdt of de overeenkomst door de
                    vrijwillige inburgeraar wordt nagekomen.</al><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening regels te
                    stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars, ter zake van hun
                            rechten en plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod van
                            en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 en 24f WI).</al></li><li nr="2."><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van voorzieningen aan bijzondere
                            groepen inburgeringsplichtigen en over de rechten en plichten van de
                            inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is vastgesteld (artikel
                            19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid, WI).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 WI).</al></li><li nr="4."><al>Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige inburgeraars (art. 24a
                            tot en met</al><al> 24 f WI).</al></li></lijst><al><onderstreept>Ad 1. Regels over de informatieverstrekking aan
                        inburgeringsplichtigen</onderstreept></al><al>Artikel 8 en artikel 24 f WI bepalen dat de raad bij verordening regels
                    vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. Het gaat dan om informatie
                    over de rechten en plichten uit hoofde van de WI en informatie over het aanbod
                    van voorzieningen en de toegang tot die voorzieningen. </al><al><onderstreept>Ad 2. Regels met betrekking tot het aanbieden van
                        voorzieningen</onderstreept></al><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                    inburgeringsexamen. Voor een aantal bijzondere groepen biedt de wet extra
                    faciliteiten. Gemeenten krijgen de taak om voor deze groepen
                    inburgeringsplichtigen een voorziening aan te bieden. Het gaat om de volgende
                    vier groepen inburgeringsplichtigen:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuw- en oudkomers die algemene bijstand of een uitkering ontvangen
                            conform het Besluit inburgering;</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die geen inkomsten uit werk, algemene bijstand of uitkering
                            hebben;</al></li><li nr="3."><al>asielgerechtigde nieuw- en oudkomers;</al></li><li nr="4."><al>nieuw- en oudkomers die werkzaam zijn als geestelijk bedienaar.</al></li></lijst><al>Aan inburgeringsplichtigen die behoren tot de eerste twee groepen (nieuw- en
                    oudkomers die algemene bijstand of een nader aangeduide uitkering ontvangen en
                    oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk of uitkering hebben) <cursief>kán
                    </cursief>het college een voorziening aanbieden (artikel 19, eerste lid, WI). De
                    raad wil gebruik maken van de bevoegdheid die de wet geeft om aan bijzondere
                    groepen (genoemd onder 1 en 2) een voorziening aan te bieden. Dit, omdat hier
                    veelal sprake is van groepen die in een achterstandssituatie verkeren en niet in
                    staat zijn hun eigen inburgering te organiseren. Het past bovendien in ons
                    reïntegratiebeleid voor al dan niet uitkeringsgerechtigde werkzoekenden: kennis
                    van de Nederlandse taal en samenleving zijn onontbeerlijk om daadwerkelijk te
                    kunnen participeren op de Nederlandse arbeidsmarkt.</al><al>Het college is <cursief>verplicht </cursief>een voorziening aan te bieden aan de
                    laatste twee groepen: alle asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- en
                    nieuwkomers) en aan nieuw- en oudkomers die werkzaam zijn als geestelijk
                    bedienaar (artikel 19, tweede lid, WI). De samenstelling van de voorziening voor
                    geestelijk bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben
                    dus niet de mogelijkheid om de voorziening naar eigen inzicht vorm te geven.
                    Deze laatste groep is overigens, voor zover thans bekend, niet aanwezig in de
                    gemeente Heumen.</al><al>Het aanbod behelst een voorziening die toeleidt naar het inburgeringsexamen of
                    het staatsexamen Nederlands en het eenmaal gratis afleggen van dat examen. Voor
                    asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een voorziening ook uit
                    maatschappelijke begeleiding.</al><al>De WI draagt de raad op om bij verordening regels vast te stellen met betrekking
                    tot het aanbieden van voorzieningen aan deze vier groepen. In de wet is ook
                    vastgelegd over welke onderwerpen in ieder geval regels moeten worden gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a,
                            WI).</al></li><li nr="b."><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                            inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI).</al></li><li nr="c."><al>De vaststelling door het college van een passende voorziening, met
                            inbegrip van de totstandkoming en de samenstelling van devoorziening
                            (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI).</al></li><li nr="d."><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            voorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in ieder geval betrekking
                            op de inning van de eigen bijdrage door het college en de mogelijkheid
                            van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI).</al></li></lijst><al><onderstreept>Ad 3. Het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete
                    </onderstreept></al><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op om bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als
                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd. </al><al>De raad heeft vanwege het rechtsgelijkheidsbeginsel gekozen voor regionale
                    afstemming hierin met de gemeenten Beuningen, Groesbeek, Wijchen en Nijmegen
                    zodat gelijke boetes worden opgelegd. Met deze boetes zullen voornamelijk mensen
                    worden getroffen in de lagere inkomensgroepen; vandaar dat niet gekozen is voor
                    de maximale boetes.</al><al><onderstreept>Ad 4. Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige
                        inburgeraars</onderstreept></al><al>De bepalingen in de wet over vrijwillige inburgering zijn zoveel mogelijk
                    geformuleerd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de
                    inburgeringsplichtigen. In artikel 24a van de WI wordt geregeld dat het college
                    aan de vrijwillige inburgeraar een aanbod kan doen voor een
                    inburgeringsvoorziening die toe leidt naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands of een taalkennisvoorziening. </al><al>Artikel 24d van de wet regelt dat indien een vrijwillige inburgeraar in
                    aanmerking komt voor een voorziening, het college een aanbod doet aan de
                    vrijwillige inburgeraar. Als de vrijwillige inburgeraar het aanbod voor een
                    voorziening aanvaardt, sluit het college met hem een overeenkomst. </al><al>In nieuw hoofdstuk 5 van de verordening zijn de doelgroepen vrijwillige
                    inburgeraars, de samenstelling van de voorziening de eigen bijdrage,
                    verplichtingen e.d. opgenomen.</al><al>Op grond van artikel 24e WI is de vrijwillige inburgeraar met wie een
                    voorziening is overeengekomen de in artikel 23, tweede lid vastgestelde eigen
                    bijdrage verschuldigd. Vrijwillige inburgeraars die een gecombineerde
                    voorziening als bedoeld in artikel 24b, eerste lid, van de wet, moeten volgen,
                    hoeven geen eigen bijdrage te betalen (artikel 24 e, derde lid, WI). </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Lid 1, onderdeel c is ter wille van de leesbaarheid toegevoegd: het begrip
                        ‘voorziening’ wordt gebruikt om aan te geven dat zowel een
                        inburgeringsvoorziening als een taalkennisvoorziening aangeboden kan
                        worden.</al><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                        gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en
                        de Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                            inburgeraars</titel></kop><al>Het college heeft als taak de inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                        inburgeraars in haar gemeente goed te informeren over de rechten en plichten
                        die voortvloeien uit de Wet inburgering. De wet laat de gemeente vrij om
                        zelf te bepalen op welke wijze de informatievoorziening aan de
                        inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. Wel bepaalt artikel 8 WI dat de
                        raad bij verordening regels vaststelt over de informatieverstrekking door de
                        gemeente aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars, ter zake
                        van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod
                        van en de toegang tot voorzieningen.</al><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. De
                        raad kiest er voor om niet alleen kaders vast te stellen voor een adequate
                        informatievoorziening door het college aan de inburgeringsplichtigen. Er
                        wordt (tweede lid) ook vastgelegd welke middelen het college (in ieder
                        geval) moet aanwenden om de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen
                        te organiseren. Daarbij worden in ieder geval de volgende middelen
                        gebruikt:</al><lijst><li nr="a."><al>het verstrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal;</al></li><li nr="b."><al>het inrichten van de informatie- en adviesfunctie bij de afdeling
                                Sociale Zaken;</al></li><li nr="c."><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de gemeentelijke
                                website.</al></li></lijst><al>Daarnaast zijn andere middelen mogelijk. Zo is het mogelijk om
                        Vluchtelingenwerk Heumen voor bepaalde doelgroepen een rol te geven.</al><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit
                        artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                        inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. Het college is belast
                        met de organisatie van de informatieverstrekking. </al><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren over de
                        doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                        inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. Ook gegevens over het
                        gevoerde bestuurlijk boetebeleid maken deel uit van de periodieke
                        informatieplicht aan de raad.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Artikel 19, eerste lid, WI bepaalt dat het college aan twee groepen
                        inburgeringsplichtigen een voorziening <cursief>kán</cursief>
                        aanbieden:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuw- en oudkomers die een uitkering op grond van een sociale
                                zekerheidswet of een sociale verzekeringswet ontvangen;</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit arbeid hebben, noch een
                                uitkering op grond van een sociale zekerheidswet of een sociale
                                verzekeringswet.</al></li></lijst><al>De raad kiest ervoor om deze mogelijkheid te benutten en in de verordening
                        de gemeentelijke doelgroepen te benoemen.</al><al>Dit artikel regelt dat de groepen die het college aanwijst <cursief>bij
                            voorrang </cursief>een voorziening krijgen aangeboden. Het betekent dat
                        het college de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook een voorziening aan
                        te bieden aan inburgeringsplichtigen die niet behoren tot de groep of
                        groepen die hij heeft aangewezen (maar wel behoren tot de doelgroepen,
                        bedoeld in artikel 19, eerste lid, WI). Om te voorkomen dat
                        inburgeringsplichtigen die behoren tot de groep of groepen die het college
                        heeft aangewezen aan deze aanwijzing een recht gaan ontlenen op het krijgen
                        van een aanbod, bepaalt dit artikel dat het college aan de groepen die hij
                        aanwijst een inburgeringsvoorziening <cursief>kan</cursief> aanbieden. </al><al>Belangrijkste criterium daarbij is of de betrokkene
                            inburgerings<cursief>behoeftig </cursief>is, d.w.z. nog niet beschikt
                        over diploma’s, certificaten of andere documenten als bedoeld in artikel 5,
                        1<sup>e</sup> lid, onder c van de WI. Concreet: nog niet het gewenste
                        kennisniveau heeft weten te behalen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                        vaststelling door het college van een passende voorziening, met inbegrip van
                        de totstandkoming en samenstelling van de voorziening (artikel 19, vijfde
                        lid, onderdeel b, WI). In dit artikel worden de kaders vastgesteld
                        waarbinnen het college de opdracht heeft voor iedere inburgeringsplichtige
                        die daarvoor in aanmerking komt, een op de persoon toegesneden voorziening
                        samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                        voorziening moet vaststellen. Bij het bepalen van de passendheid van een
                        inburgeringsvoorziening, kunnen de volgende factoren een rol spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                                Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit.</al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat
                                vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht
                                aan het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden van
                                kinderen.</al></li><li nr="-"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan
                                bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                                inburgeringsplichtige moet vervullen.</al></li></lijst><al>De samenstelling van de voorziening voor geestelijk bedienaren wordt
                        geregeld bij ministeriële regeling. De gemeente heeft dus niet de
                        mogelijkheid om de voorziening die zij aan geestelijke bedienaren aanbiedt
                        naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een
                        voorziening gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen
                        opleveren de voorziening gericht op inburgering daarmee te combineren.
                        Uitgangspunt is wel, zo blijkt uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat
                        een aanbod van een voorziening aan een uitkeringsgerechtigde
                        inburgeringsplichtige niet wordt gedaan, indien dat diens
                        arbeidsinschakeling belemmert. </al><al>De Wet Inburgering bepaalt dat de voorziening gericht op inburgering
                        gecombineerd <onderstreept>moet</onderstreept> worden met een voorziening
                        gericht op arbeidsinschakeling (reïntegratievoorziening), als een
                        voorziening wordt aangeboden aan een inburgeringsplichtige die
                        bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt op grond van een andere
                        sociale zekerheidswet of -regeling <onderstreept>èn</onderstreept> die
                        verplicht is om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste
                        lid, WI). Indien in deze specifieke situatie geen reïntegratievoorziening
                        wordt aangeboden, kan de gemeente derhalve geen voorziening gericht op
                        inburgering aanbieden. </al><al>Het college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                        inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid, WI). Het tweede lid van
                        artikel 4 van de verordening draagt het college op om ervoor te zorgen dat
                        de voorziening gericht op inburgering wordt afgestemd op de
                        reïntegratievoorziening. Aangezien deze voorzieningen in het kader van de
                        uitkeringsverstrekking op grond van sociale zekerheidswetten of –regelingen
                        ook door andere partijen dan het college (kunnen) worden verstrekt, zal het
                        college afspraken moeten maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de
                        sociale zekerheidswet of –regeling: het Uitvoeringsinstituut
                        Werknemersverzekeringen (UWV), eigen risicodragers of overheidswerkgevers
                        (artikel 21 WI). Dit is echter aan de orde wanneer deze groep bij Algemene
                        Maatregel van Bestuur is aangewezen.</al><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als
                        onderdeel van de inburgeringsvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan
                        aanbieden. In de wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in
                        ieder geval moet bestaan: een cursus die toeleidt naar het inburgerings- of
                        staatsexamen en het eenmaal kosteloos afleggen van dat examen (artikel 19,
                        derde lid, WI). Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- èn
                        nieuwkomers) maakt ook maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel
                        uit van de inburgeringsvoorziening (artikel 19, zesde lid, WI). Wat betreft
                        de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel van de
                        inburgeringsvoorziening kan aanbieden, kan worden gedacht aan de inzet van
                        reïntegratie-instrumenten (variërend van diagnosestellingen/assessments tot
                        arbeidsbemiddeling; in de reïntegratieverordening opgenomen in de artikelen
                        11 tot en met 18) of het (periodiek) houden van voortgangsgesprekken met de
                        inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht aan een uitbreiding van de
                        opleiding bijvoorbeeld in de vorm van een maatschappelijke stage, een aparte
                        module die gericht is op het verwerven van kennis van de Nederlandse
                        samenleving of een gerichte cursus opvoedingsondersteuning. Flankerende
                        vergoedingen voor kinderopvang, reiskosten en overige voorzieningen conform
                        het Minimabeleid, kunnen eveneens ingezet worden tijdens het
                        inburgeringstraject.</al><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral van
                        belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen voorziening gericht op
                        inburgeren krijgen aangeboden in combinatie met een voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling. Bij voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling vormen
                        dergelijke faciliteiten reeds een vast onderdeel. </al><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook een
                        praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden worden
                        getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van devoorziening
                        ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van deze vaardigheden.
                        Daarbij zal de inzet van duale trajecten (‘maatjes-project’, taalstages,
                        etc.) een belangrijke rol vervullen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270.
                        Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel
                        23, tweede lid, WI). In de verordening wordt de keuze gemaakt voor een
                        aflossing in maximaal 10 termijnen; dit om de financiële last niet al te
                        groot te laten zijn.</al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de
                        inburgeringsplichtige het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal
                        termijnen te betalen. Artikel 24, eerste lid, WI maakt het bij
                        inburgeringsplichtigen die algemene bijstand ontvangen mogelijk, dat het
                        college de eigen bijdrage verrekent met deze uitkering. Het besluit tot
                        verrekening wordt vastgelegd in de beschikking tot toekenning van de
                        inburgeringsvoorziening. </al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het
                        college het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te
                        houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit
                        geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze
                        van verrekening geschiedt door het UWV en niet door de gemeente, en wordt
                        dus niet in deze verordening geregeld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt
                        dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten
                        van de inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is vastgesteld. Dit
                        artikel mandateert de bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die
                        in het artikel worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van
                        een voorziening op te leggen. Het college legt in de beschikking tot de
                        toekenning van de voorziening deze verplichtingen vast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure bij het doen van een aanbod</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die ervoor moeten zorgen dat
                        het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang
                        omdat zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is –
                        leidt tot een besluit tot het toekennen van eenvoorziening. In het eerste
                        lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van een
                        voorziening aan de inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat
                        het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige
                        staat ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijkheid
                        ontstaan over het feit dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod
                        heeft gedaan. </al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de
                        uiteindelijke beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met
                        het aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking tot de
                        toekenning van de voorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt
                        opgelegd). Deze beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het
                        aanbod (het vierde lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige
                        het aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                        meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                        mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                        inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is opgesteld.
                        De inburgeraar heeft vier weken de tijd om het aanbod al dan niet te
                        aanvaarden. Als de inburgeringsplichtige extern advies over het aanbod wil
                        inwinnen, kan hij of zij daarvoor terecht bij Vluchtelingen &amp;
                        Nieuwkomers Zuid Gelderland, afdeling Heumen. De extra tijd die daarmee
                        gemoeid is, mag nogmaals vier weken zijn.</al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente
                        meldt dat hij wel eenvoorziening wenst, maar dat hij gelet op zijn situatie
                        bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de
                        gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal de gemeente het
                        gedane aanbod moeten aanpassen. </al><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                        inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                        voorbereiden op het inburgeringsexamen of het staatsexamen. Gaat het om een
                        oudkomer, dan is er geen termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende
                        persoon het inburgeringsexamen of het staatsexamen moet hebben behaald. Het
                        ligt voor de hand dat het college in een dergelijke situatie een
                        handhavingsbeschikking neemt: een besluit op grond van artikel 26 WI waarmee
                        de termijn van start gaat waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                        inburgeringsexamen of staatsexamen moeten hebben behaald. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot het toekennen van een voorziening is een beschikking. Dit
                        betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit
                        besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke
                        onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten worden neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden
                        rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden
                        vermeld (onderdeel a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                        medewerking te verlenen aan de uitvoering van de voorziening (artikel 23,
                        eerste lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen
                        van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de betrokkene
                        (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen of
                        het staatsexamen moet hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste
                        lid, WI). Deze termijn is drieënhalf jaar. In de beschikking hoeft (en kan)
                        van deze termijn alleen melding worden gemaakt (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in de beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                        termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                        plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
                        bijstandsuitkering). </al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het
                        college een voorziening vaststelt voor een oudkomer, dan moet het college in
                        de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de termijn van
                        handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22, tweede lid,
                        juncto artikel 26 WI). Binnen drieënhalf jaar ná deze datum moet de
                        betreffende oudkomer het inburgerings- of het staatsexamen hebben behaald.
                        Het college kan zelf bepalen wanneer de termijn van handhaving van de
                        inburgeringsplicht van start gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn
                        direct te laten ingaan (en bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop
                        de voorziening van start gaat). De precieze datum waarop devoorziening van
                        start gaat, zal niet altijd bekend zijn op het moment dat deze wordt
                        toegekend. Bovendien past het vaststellen van een datum van aanvang van
                        handhaving van de inburgeringsplicht, onafhankelijk van het moment waarop
                        met de voorziening kan worden begonnen, bij het uitgangspunt van de wet dat
                        de betreffende persoon als oudkomer inburgeringsplichtig is en in beginsel
                        zelf verantwoordelijk is voor het behalen van het inburgerings- of
                        staatsexamen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                            overtredingen</titel></kop><al>Artikel 35 WI draagt de raad op bij verordening de hoogte van de
                        bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen
                        kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende
                        overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De
                        raad heeft er voor gekozen om lagere boetebedragen in haar verordening vast
                        te leggen. Daarbij is aansluiting gezocht met de gemeente Nijmegen en de
                        regiogemeenten. Anders dan in de Wwb bestaat in de WI geen systematiek van
                        normering naar verschillende leefvormen (alleenstaand, alleenstaande ouder,
                        samenwonend/gehuwd). Daarom worden gemiddelden genomen en bedragen de boetes
                        van lid 1 van artikel 9 en 10: € 100,- en die van lid 2 en 3 van artikel 9
                        (en lid 2 van artikel 10): € 200,-. </al><al>Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen
                        op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze de overtreder kan
                        worden verweten. Bovendien moet het college daarbij zonodig ook rekening
                        houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel
                        38, tweede lid, WI). Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij
                        elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend
                        is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                        inburgeringsplichtige. Dit kan in individuele gevallen tot verlaging en
                        verhoging van de boete leiden, afhankelijk van de individuele
                        omstandigheden. Uiteraard kan de verhoogde boete nooit hoger zijn dan de in
                        de wet genoemde maxima. </al><al>Bij het opleggen van boetes gelden de in de wet opgenomen
                        rechtwaarborgen:</al><lijst><li nr="-"><al>de cautieplicht voor de gemeente (artikel 36; ‘U bent niet tot
                                antwoorden verplicht’);</al></li><li nr="-"><al>inzagerecht (artikel 40);</al></li><li nr="-"><al>het recht om zienswijze naar voren te brengen (artikel 42 lid
                                1);</al></li><li nr="-"><al>het recht op bijstand door een tolk (artikel 42 lid 3).</al></li></lijst><al>In het kader van de uitvoering van een gecombineerde reïntegratievoorziening
                        en eenvoorziening gericht op inburgering kan het voorkomen dat dezelfde
                        gedraging (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en
                        gegevens te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een
                        bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een maatregel op
                        grond van artikel 18, tweede lid, Wet werk en bijstand) of het opleggen van
                        een boete of maatregel op grond van een andere sociale zekerheidswet of
                        -regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling voor deze samenloop. In dit
                        artikel wordt bepaald dat het college in dat geval géén bestuurlijke boete
                        kan opleggen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                            overtreding</titel></kop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                        overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 9
                        mogelijk is. </al><al>Het eerste en tweede lid zijn in deze verordening opgenomen omdat in artikel
                        9, eerste en tweede lid, lagere boetebedragen zijn opgenomen dan de
                        maximumbedragen in de wet. De verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling
                        van de overtreding mogen uiteraard niet hoger zijn dan de maximumbedragen
                        die in artikel 34 WI worden genoemd. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                        overtredingen zich wel binnen de tijdspanne van 12 maanden voordoen
                        (recidivetermijn). </al><al>Artikel 34, onderdeel d, WI biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                        bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500,- naar maximaal € 1000,-
                        in het geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan de
                        verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen.
                        Dit is geregeld in het derde en vierde lid van artikel 10. </al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                        inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                        boete op. De boete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 9,
                        derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 WI moet het college
                        in de boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                        inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen. Als de
                        inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen
                        niet heeft behaald, maakt het derde lid van artikel 10 het mogelijk dat het
                        college een hogere boete vaststelt. Het maximum bedraagt € 400,-. Ook in dat
                        geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn moeten worden opgenomen
                        waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet behalen. </al><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het
                        inburgeringsexamen niet heeft behaald, regelt het vierde lid dat het college
                        wederom een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De maximumboete in het
                        vierde lid geldt ook voor alle hierop volgende overschrijdingen van
                        termijnen door de inburgeringsplichtige. </al><al>Het vierde lid is in de verordening opgenomen omdat in het derde lid niet
                        het wettelijk maximum van € 1000,- is gekozen. Er is in dat geval ruimte
                        voor het verhogen van het maximumbedrag van de bestuurlijke boete (tot €
                        1000,-, het wettelijk maximum). </al><al/><al><vet>Artikel 11 Aanwijzen van de doelgroepen</vet></al><al>In dit artikel worden de criteria genoemd op grond waarvan het college
                        categorieën vrijwillige inburgeraars kan aanwijzen die bij voorrang in
                        aanmerking komen voor een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening.
                        Het ligt voor de hand om bij vrijwillige inburgeraars dezelfde criteria te
                        hanteren als bij inburgeringsplichtigen (artikel 3 van de verordening).
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><al>Zie de toelichting bij artikel 4 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>Zie de toelichting op artikel 5 van de verordening. Hier is aangesloten bij
                        de wettelijke eigen bijdrage die inburgeringsplichtingen betalen: ook
                        vrijwillige inburgeraars wordt een eigen bijdrage opgelegd (wettelijk
                        vastgesteld op € 270). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>In dit artikel zijn de verplichtingen voor een vrijwillige inburgeraar
                        neergelegd die het college kan opnemen in de overeenkomst met een
                        vrijwillige inburgeraar. Het gaat om dezelfde verplichtingen als de
                        verplichtingen die het college kan opnemen in de beschikking waarmee een
                        voorziening voor een inburgeringsplichtige wordt vastgesteld (zie artikel 6
                        van de verordening). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>De inhoud van de overeenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar over het toekennen van een
                        voorziening bevat dezelfde onderwerpen als de beschikking tot het
                        vaststellen van een voorziening voor inburgeringsplichtigen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Sancties bij niet-nakoming van de overeenkomst</titel></kop><al>In dit artikel legt de raad op grond van artikel 24f de sancties vast die
                        het college kan toepassen als de vrijwillige inburgeraar de verplichtingen
                        die zijn neergelegd in de overeenkomst niet nakomt. </al><al>De (hoogte van de) boetes die in geval van bepaalde gedragingen opgelegd
                        worden aan inburgeringsplichtigen (artikel 9) gelden ook voor diezelfde
                        gedragingen van vrijwillige inburgeraars.</al><al>Zij krijgen immers gelijke voorzieningen aangeboden, waarbij de eigen
                        bijdrage en bepaalde verplichtingen ook voor hen gelden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                            inburgeraar</titel></kop><al>Artikel 24f draagt de gemeenteraad op om bij verordening regels te stellen
                        over het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige inburgeraar. Dit
                        artikel van de verordening is een uitwerking van deze verplichting. Dit
                        artikel is gelijk aan artikel 27 WI, waarin is geregeld op welke wijze het
                        college de identiteit van een inburgeringsplichtige vaststelt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Intrekking Boeteverordening WIN, intrekking Verordening Inburgering
                            2007 en inwerkingtreding Verordening Inburgering 2010</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Boeteverordening Wet
                        Inburgering Nieuwkomers (WIN) 2004 ingetrokken, omdat deelnemers die onder
                        de WIN zijn gestart hun trajecten onder de regelgeving van de WIN inmiddels
                        hebben afgerond.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Verordening Inburgering 2010 vervalt de
                        Verordening Inburgering 2007.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>