<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR62989_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Persoonsgebonden Budget Begeleid Werken Wet Sociale Werkvoorziening Gemeente Kerkrade 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zuid-Limburger 16-12-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Persoonsgebonden Budget Begeleid Werken Wet Sociale Werkvoorziening Gemeente Kerkrade 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet sociale werkvoorziening, artikel 7, tiende lid onder b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-11-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09Rb048</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING PERSOONSGEBONDEN BUDGET BEGELEID WERKEN WET SOCIALE WERKVOORZIENING GEMEENTE KERKRADE 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Algemeen </vet></al><al>De uitvoering van deze Verordening wordt opgedragen aan het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap OZL binnen de daarin door de wet gestelde randvoorwaarden. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al> a: het DB: het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid Limburg; </al><al>b: de wet: de Wet sociale werkvoorziening; </al><al> c: periodieke subsidie: de loonkostensubsidie en overige aan de werkgever te verstrekken vergoedingen voor structurele kosten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten</titel></kop><al>Het DB stelt elk jaar vóór 31 december de hoogte vast van de rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten voor elk te verstrekken persoonsgebonden budget voor het daarop volgende kalenderjaar. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Invulling voorwaarden adequate werkplek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB verstrekt op aanvraag aan iedere Wsw-geïndiceerde die daar recht op heeft een persoonsgebonden budget begeleid werken Wsw, indien werkgever en begeleidingsorganisatie er zorg voor dragen dat de arbeidsplaats voor de Wsw-geïndiceerde adequaat wordt ingevuld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkgever voldoet minimaal aan de volgende vereisten: </al><al>1 Zijn onderneming staat, indien het geen overheidsinstelling betreft, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; </al><al>2 De aangeboden arbeidsplaats en de omvang daarvan zijn, gelet op de indicatiestelling en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde, als passend aan te merken; </al><al>3 De duur van het dienstverband bedraagt ten minste zes maanden aaneengesloten, met een mogelijkheid tot verlenging; </al><al>4 De omvang van de functie bedraagt niet minder dan 18 uur per week. 5 De werkplek en werkomstandigheden voldoen aan Arbo-normen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De begeleidingsorganisatie voldoet minimaal aan de volgende vereisten: </al><al> 1 De begeleidingsorganisatie is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; </al><al>2 De begeleidingsorganisatie en/of haar medewerkers zijn gekwalificeerd voor het begeleiden van de doelgroep, c.q. de Wsw-geïndiceerde voor wie het Persoonsgebonden budget is bestemd; </al><al>3 De begeleidingsorganisatie heeft aantoonbare kennis en ervaring in het werkveld; </al><al>4 De financiële bepalingen betreffende risico-uitsluiting en faillissement, zoals verwoord in de aanbestedingsvoorwaarden van WOZL voor de begeleidingsorganisaties zijn van toepassing: De organisatie dient verder een gezonde financiële en economische draagkracht te hebben, aan te tonen aan de hand van omzetcijfers, aantal opdrachten in portefeuille en eventueel voorgenomen fusies dan wel reorganisaties. Er dient geen sprake te zijn van een uitsluitingsgrond, zoals surseance van betaling, faillissement, niet voldaan hebben aan betalingsverplichtingen van sociale verzekeringswetten of belastingen, veroordeling wegens delict dat de beroepsmodaliteit in het gedrang brengt en dergelijke. </al><al> 5 Voor begeleidingsorganisaties met wie OZL een gunningsovereenkomst heeft in het kader van de aanbesteding Begeleid Werken gelden de in het kader van deze gunning overeengekomen voorwaarden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De wijze van vaststelling van de periodieke subsidie aan de werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB stelt op voorstel van de Wsw-geïndiceerde de hoogte van de subsidie aan de werkgever vast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval een voorgestelde loonkostensubsidie niet hoger is dan 40% van het bruto loon van de Wsw-geïndiceerde, wordt de loonkostensubsidie door het DB op dat bedrag vastgesteld; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien bij toepassing van het vorige lid het DB gerede twijfel heeft aan de juiste hoogte van de loonkostensubsidie vindt, in afwijking van het vorige lid, een loonwaardeonderzoek plaats, op basis waarvan de hoogte van de loonkostensubsidie wordt vastgesteld. Daarbij kan een externe deskundige worden ingeschakeld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In ieder geval vindt een loonwaardeonderzoek plaats als de voorgestelde hoogte voor een loonkostensubsidie hoger is dan het percentage genoemd in lid 2. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 10 van deze verordening vindt één maal per jaar een toets op de loonwaardebepaling plaats in geval er sprake is van een dienstverband voor onbepaalde tijd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Herziening van de loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek van de werkgever kan een loonkostensubsidie worden herzien als hier, gelet op de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit van de werknemer, aanleiding voor is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De loonkostensubsidie kan ambtshalve worden gewijzigd als hier gerede aanleiding toe is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De vergoeding aan de begeleidingsorganisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aantal uren aan begeleiding dat door het DB wordt vergoed bedraagt maximaal 15% van het aantal uren dat door de Wsw-geïndiceerde bij de werkgever wordt gewerkt, zulks uitgedrukt als een gemiddelde op jaarbasis. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kosten van een begeleidingsorganisatie in verband met het zoeken van een Begeleid Werkenplaats komen alleen voor vergoeding in aanmerking nadat een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Vergoeding voor eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB kan een vergoeding verstrekken voor de eenmalige kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht als uit een deskundigenrapport blijkt dat aanpassingen op de werkplek noodzakelijk zijn, deze persoonsgerelateerd zijn, niet langs andere wegen vergoed worden en het niet redelijk is dat deze kosten volledig door de werkgever worden gedragen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kosten voor aanschaf van apparatuur, kosten voor de werkplek en kosten voortvloeiend uit Arbo-wetgeving die de werkgever uit hoofde van normaal en goed werkgeverschap voor iedere werknemer zou moeten maken komen niet in aanmerking voor vergoeding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergoeding wordt alleen verstrekt indien er sprake is van een dienstverband van minimaal twaalf aaneengesloten maanden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Maximaal komt niet meer dan € 10.000 voor een vergoeding in aanmerking. Bij een verzoek tot een hogere bijdrage wordt de arbeidsplaats door het DB niet als passend beschouwd. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het DB regelt de wijze van uitbetaling van de vergoeding. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Het indienen van de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB stelt ten behoeve van de aanvraag een aanvraagformulier vast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag voor een persoonsgebonden budget wordt ingediend door middel van een volledig ingevulde aanvraag. De aanvraag wordt mede ondertekend door de werkgever en de begeleidingsorganisatie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB besluit over de aanvraag binnen een redelijke termijn, doch in elk geval binnen acht weken, na ontvangst van de aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een besluit als bedoeld in artikel 9.1 niet binnen acht weken kan worden gegeven, stelt het DB de aanvrager daarvan in kennis en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen het besluit wel tegemoet kan worden gezien. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de periodieke subsidie</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een periodieke subsidie bevat in ieder geval: </al><al>a. de hoogte van de periodieke subsidie en de wijze waarop deze kan worden aangepast; </al><al>b. wijze van bevoorschotting van de subsidie; </al><al>c. de verplichtingen van de werkgever. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Het vaststellen van de periodieke subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De werkgever verstrekt binnen vier weken na afloop van het kalenderjaar aan het DB een schriftelijke opgave van het door hem in het voorgaande jaar betaalde bruto CAO-loon van de Wsw-geïndiceerde, vermeerderd met alle werkgeverslasten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB stelt de periodieke subsidie binnen vier weken na ontvangst van deze opgave vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De subsidie wordt overeenkomstig de vaststelling, zoals bepaald in artikel 11 lid 2, binnen vier weken betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verplichtingen van de werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werkgever doet onmiddellijk schriftelijke mededeling aan het DB van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de verstrekking van de subsidie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkgever bewaart alle bewijsstukken die aan de subsidieverstrekking ten grondslag liggen ten minste drie jaren na de vaststelling van de subsidie en stelt deze op verzoek ter beschikking aan het DB voor controledoeleinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening persoonsgebonden budget Gemeente Kerkrade 2009.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2010, doch niet eerder dan op de dag van inwerkingtreding van de wijziging van de gemeenschappelijke regeling "Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg", door welke wijziging de bevoegdheid om deze verordening vast te stellen bij de raad komt te berusten, wanneer de wijziging van deze gemeenschappelijke regeling later dan 1 januari 2010 in werking zal treden. </al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering d.d. 18 november 2009. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter van de raad, De griffier, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening> J.J.M. Som. mr.drs. H.J.W. Jacobs-van Dongen. </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel>Artikelgewijze toelichting </titel></kop><al><vet>Algemeen  </vet></al><al>Omdat de  uitvoering van Begeleid Werken geschiedt uit middelen welke door de Raad in het  kader van de (gewijzigde) Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap OZL  integraal zijn overgedragen aan het schap dient de uitvoering van deze regeling  te worden opgedragen aan het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap OZL    </al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>  In artikel 1 is een beperkt aantal begrippen  opgenomen, omdat de wet voldoende duidelijk is over gehanteerde termen en  begrippen. Een uitgebreide(re) begrippenlijst is derhalve overbodig.    </al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al> Artikel 7, tiende lid, onderdeel b, Wsw bepaalt dat  de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de hoogte van de voor het DB  rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten omgerekend op  jaarbasis. </al><al> Artikel 2 van deze verordening vormt de uitwerking van deze  verplichting. In dit artikel wordt bepaald dat het schap elk jaar de hoogte van  de gemeentelijke uitvoeringskosten van begeleid werken met een PGB vaststelt.  Het DB kan zelf bepalen welke uitvoeringskosten het toekennen van een PGB aan  een Wsw-geïndiceerde voor het schap met zich meebrengt.  </al><al>De wet geeft niet  aan wat precies onder uitvoeringskosten moet worden verstaan. Het moet in ieder  geval gaan om kosten die rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden zijn  (artikel 7, tweede lid, onderdeel b, Wsw). Daarbij kan worden gedacht aan kosten  in verband met de volgende activiteiten: </al><al> - het beoordelen van aanvragen voor  een PGB;  </al><al>- de administratieve handelingen in verband met het verstrekken van  subsidies en  vergoedingen in het kader van het PGB; </al><al> - het monitoren van  het begeleid werken met een PGB;</al><al>  - het tussentijds bepalen van loonwaarde; </al><al>  - het voeren van (tussentijdse) gesprekken met begeleidingsorganisatie en  werkgever. </al><al> De uitvoeringskosten worden afgetrokken van het bedrag dat de  gemeenten (gemiddeld) per Wsw-geïndiceerde van het rijk ontvangen. Het bedrag  dat de gemeente (gemiddeld) per Wsw-geïndiceerde van het rijk ontvangt minus de  (gemiddelde) uitvoeringskosten per Wswgeïndiceerde levert vervolgens het bedrag  op dat het schap beginsel beschikbaar heeft voor een PGB.   </al><al/><al><vet>Artikel  3</vet></al><al> Het DB zal bij elke aanvraag van een PGB moeten beoordelen of de  inpassing in de arbeid van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op zijn  werkplek adequaat door de werkgever wordt verzorgd (artikel 7, eerste lid, Wsw).  In verband hiermee kan het schap eisen stellen aan de werkgever en de door hem  aangeboden werkplek. In artikel 7, tiende lid, Wsw dient de Raad in zijn  verordening de voorwaarden te regelen waaronder het DB een  begeleidingsorganisatie inschakelt die door de Wsw-geïndiceerde is aangewezen.  </al><al> Het ligt voor de hand dat bij het stellen van eisen aan werkgevers en  begeleidingsorganisaties in het kader van begeleid werken met een PGB zoveel  mogelijk probeert aan te sluiten bij de wijze waarop zij op dit moment begeleid  werken organiseert.  Als het gaat om voorwaarden waaraan werkgevers moeten  voldoen, kan worden gedacht aan:</al><al>  - inschrijving van zijn onderneming bij de  Kamer van Koophandel (een dergelijke bepaling kan overigens niet worden  opgenomen voor overheidsorganisaties of daaraan gelieerde instellingen, omdat  die niet bij de KvK zijn of kunnen worden ingeschreven);  </al><al>- de duur van het  dienstverband;  </al><al>- de aangeboden arbeidsplaats is passend in het licht van de  indicatiestelling door het CWI en de mogelijkheden en beperkingen van de  Wsw-geïndiceerde;  </al><al>- de salariëring is gebaseerd op de voor het bedrijf of de  betreffende branche geldende CAO of arbeidsvoorwaarden;   </al><al>- situatie met  betrekking tot arbeidsomstandigheden, veiligheid en de aanwezigheid van  risico-analyses.  Wat betreft de voorwaarden waaraan begeleidingsorganisaties  moeten voldoen kan worden  gedacht aan: </al><al> - inschrijving bij de Kamer van  Koophandel (mits de betreffende organisatie inschrijvingsplichtig is); </al><al> -  taakvervulling met inachtneming van de stand van de wetenschap en die van de  arbeidsen organisatiekunde;  - beschikking over voldoende opgeleide  deskundigen die de arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding op de  werkplek adequaat kunnen verzorgen; </al><al> - (gespecialiseerde) kennis met  betrekking tot specifieke kenmerken (van delen) van de doelgroep;  -  transparantie en marktconforme prijsstelling;</al><al>  - liquiditeits- en  solvabiliteitspositie. </al><al> Punt van aandacht is hier wèl dat bij het stellen van  (kwaliteits-)eisen aan begeleidingsorganisaties zich de vraag voordoet of, en in  hoeverre (stringente) eisen aan de begeleidingsorganisatie zijn te verenigen met  het, in beginsel, vrije keuzerecht van een swgeïndiceerde voor een dergelijke  organisatie. Een efficiënte en effectieve inzet van overheidsmiddelen en het  karakter van een PGB vereisen een zorgvuldige afweging om hier een juiste keuze  te maken.   </al><al/><al><vet>Artikel 4  </vet></al><al>De Raad dient bij verordening nadere  regels te stellen met betrekking tot de wijze waarop de hoogte van de periodieke  subsidie aan de werkgever dient te worden vastgesteld (artikel 7, tiende lid,  onderdeel a, Wsw). De periodieke subsidie bestaat uit een loonkostensubsidie en  eventueel ook uit een vergoeding voor structurele kosten van de werkgever die  verband houden met het in dienst hebben van een Wsw-geïndiceerde (bijvoorbeeld  reiskosten of terugkerende kosten voor intermediaire activiteiten).  Het doel  van de loonkostensubsidie is het verstrekken van een tegemoetkoming in de  loonkosten in verband met de geringere arbeidsproductiviteit van de  Wsw-geïndiceerde. Om te kunnen bepalen wat de hoogte van de loonkostensubsidie  moet zijn, is inzicht nodig in de verdiencapaciteit (loonwaarde) van de  betrokken Wsw-geïndiceerde. In de praktijk kan de hoogte van de  loonkostensubsidie worden bepaald in onderhandeling. Daarbij wordt in veel  gevallen overigens gebruik gemaakt van bestaande methodieken voor inschatting  van de loonwaarde. Ook het functieprofiel van de te vervullen functie en het  daarbij behorende  (CAO-)loon maken vaak deel uit van dit proces. </al><al> In het  model is gekozen voor een methode waarbij een percentage van het bruto loon als  loonkostensubsidie wordt verstrekt. Vanuit een oogpunt van administratieve  lastenverlichting is deze methode te verkiezen. Bovendien blijkt uit  ervaringsgegevens in de praktijk dat dit een werkbare manier is. De hoogte van  het betreffende percentage stelt het schap zelf vast.  Om te voorkomen dat  ook in gevallen waarbij gerede twijfel is of de werkgever het betreffende  (generiek vastgestelde) percentage loonkosten wel nodig heeft, dus in het geval  de verdiencapaciteit van de Wsw-geïndiceerde door het schap hoger wordt  ingeschat dan het bedrag aan loonkostensubsidie rechtvaardigt, vindt alsnog  vooraf een loonwaardebepaling plaats. Ook vindt die plaats als het voorstel voor  de loonkostensubsidie hoger is dan het bedrag dat volgt uit lid 2. Dit wordt  geregeld in lid 4.  Ingeval er sprake is van een dienstverband voor  onbepaalde tijd kan het wenselijk zijn om periodiek onderzoek te doen naar de  loonwaarde, om op die manier een actueel beeld te krijgen en zo mogelijk het  subsidie bij te stellen. In lid 5 is daartoe een voorbeeldbepaling opgenomen.   </al><al>Het verstrekken van subsidies aan werkgevers kan onder bepaalde  omstandigheden vallen onder staatssteun (die op grond van Europese regelgeving  verboden is). Voor het verstrekken van loonkostensubsidies aan werkgevers die  Wsw-geïndiceerden in dienst hebben is de Europese Vrijstellingsverordening  werkgelegenheidssteun van belang. Deze Europese verordening staat toe dat  maximaal 60% van de loonkosten wordt gesubsidieerd zonder dat daaraan een  individuele loonwaardebepaling ten grondslag ligt.   </al><al/><al><vet>Artikel 5   </vet></al><al>De productiviteit van een Wsw-geïndiceerde kan wijzigen, als deze  persoon langer op een begeleid werkenplek werkzaam is. Als dat het geval is, kan  de loonkostensubsidie worden aangepast. De werkgever kan dan, als de  productiviteit, c.q. verdiencapaciteit van de werknemer minder wordt, met  instemming van de werknemer, een verzoek indienen om de loonkostensubsidie te  herzien. De werkgever moet zijn verzoek om herziening met redenen omkleden. Ook  ambtshalve kan het DB, als er een gerede aanleiding is voor een (tussentijdse)  aanpassing van het subsidie, een hernieuwde beoordeling voor de hoogte van het  subsidie doen. Dit zal zich overigens alleen in uitzonderlijke gevallen  voordoen, bijvoorbeeld als er sprake is van kennelijke onredelijkheid bij  handhaving van een bestaande situatie.   </al><al/><al><vet>Artikel 6</vet></al><al> Omdat de  behoefte aan begeleiding van een sw-geïndiceerde op de werkplek van geval tot  geval kan verschillen, en mede afhankelijk is van de aard van de handicap, zal  in de praktijk de beoordeling van de omvang van de begeleiding gebaseerd moeten  zijn op maatwerk. Op basis van in de praktijk gehanteerde indicatiecriteria  bestaat overigens de richtlijn dat een  begeleidingspercentage op de werkplek  van meer dan 15% van de werktijd reden kan zijn een herindicatie aan te vragen  vanwege de z.g. “ondergrensproblematiek”. Hiermee kan het DB rekening houden bij  gesprekken over de omvang van begeleiding door de begeleidingsorganisatie.   </al><al>In het tweede lid is vastgesteld het zoeken naar een werkplek pas te  honoreren als dit ook daadwerkelijk leidt tot een arbeidsovereenkomst (no cure,  no pay). Het stelsel van de PGB gaat uit van de veronderstelling dat een  Wsw-geïndiceerde zelf met een werkgever aankomt. In de praktijk komt het echter  voor dat de begeleidingsorganisatie, c.q. het reïntegratiebedrijf, eerst een  werkplek moet gaan zoeken, omdat die op voorhand niet beschikbaar is. Art. 7 lid  4 van de wet geeft dit ook aan. Lukt het zoeken van een werkplek niet, of niet  tijdig, en er zou toch voor die dienst moeten worden betaald, dan kan dit vanuit  financieel oogpunt ongewenst zijn. Vandaar de “no cure, no pay” bepaling in lid  2.   </al><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><al> De verordening dient regels te bevatten die  betrekking hebben op de voorwaarden waaronder het DB aan de werkgever een  vergoeding (subsidie) verstrekt voor de eenmalige noodzakelijke kosten van  aanpassing van de omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht (artikel 7,  tiende lid, Wsw). Dit artikel vormt de uitwerking van deze verplichting.  Het  eerste lid bepaalt dat een eenmalige vergoeding kan worden verstrekt. Opgenomen  is dat daar een deskundigenrapport voor nodig is. Het derde lid stelt een  minimale duur aan het dienstverband dat de werkgever met de betrokken  Wsw-geïndiceerde moet aangaan, alvorens tot investeringen wordt overgegaan.   </al><al>In het vierde lid wordt, facultatief, een maximum gesteld aan de hoogte van  de vergoeding. De gedachte hierachter is dat als de kosten boven dit bedrag  uitgaan de aangeboden arbeidsplaats als niet passend moet worden beschouwd. In  de praktijk zullen hierbij van geval tot geval kosten en baten tegen elkaar  moeten worden afgewogen.  Het vijfde lid bepaalt dat het DB de wijze van  uitbetaling van de vergoeding regelt. Daarbij kan worden gedacht aan de  termijnen van betaling.   </al><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><al> De Wsw-geïndiceerde zal het  PGB moeten aanvragen. Omdat begeleid werken met een PGB leidt tot een  subsidierelatie met de werkgever (in verband met het verstrekken van een  periodieke subsidie) en een contractrelatie met de begeleidingsorganisatie (in  verband met het verstrekken van een periodieke vergoeding), zullen ook de  werkgever en de begeleidingsorganisatie van de Wsw-geïndiceerde de aanvraag  moeten ondertekenen.  </al><al> Op basis van de aanvraag beslist het DB vervolgens of  een periodieke subsidie aan de werkgever en een periodieke vergoeding aan de  begeleidingsorganisatie worden verstrekt en voor welke bedragen. Vervolgens  vindt de verstrekking van de periodieke subsidie aan de werkgever plaats op  basis van een beschikking en de verstrekking van een periodieke vergoeding aan  de begeleidingsorganisatie op basis van een overeenkomst.   </al><al/><al><vet>A</vet><vet>rtikel  9</vet></al><al> Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.   </al><al/><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>  Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.   </al><al/><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>  Met het vaststellen van de subsidie wordt de subsidieverstrekking voor het  betreffende kalenderjaar afgerond. De hoogte van het subsidiebedrag voor dat  jaar wordt definitief vastgesteld. Om de subsidie te kunnen vaststellen, dient  de werkgever een schriftelijke opgave te doen van het door hem in het voorgaande  jaar betaalde bruto CAO-loon van de Wsw-geïndiceerde, vermeerderd met alle  werkgeverslasten.   </al><al/><al><vet>Artikel 12  </vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere  toelichting.   </al><al/><al><vet>Artikel 13</vet></al><al> Dit artikel behoeft geen nadere  toelichting.   </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>