<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR62828_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Particpatiewet, IOAW en IOAZ 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.officielebekendmakingen.nl, 18-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Particpatiewet, IOAW en IOAZ 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8a, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8a, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art 10b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAW, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAZ, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R2014.0079-B</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>overig</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 wordt gelijktijdig ingetrokken met inwerkingtreding Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 de dag na publicatie</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>RE-INTEGRATIEVERORDENING PARTICIPATIEWET, IOAW EN IOAZ 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>wet: Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="c."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="d."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="e."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>lange afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs nog niet mogelijk, waardoor een
                                    re-integratietraject bij IJmond Werkt! niet is ingezet;</al></li><li nr="g."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs mogelijk, waardoor een re-integratietraject
                                    bij IJmond Werkt! is ingezet en de loonwaarde is hoger dan 30%
                                    van het wettelijk minimumloon;</al></li><li nr="h."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;</al></li><li nr="i."><al>loonwaarde: vastgesteld percentage van het rechtens geldende
                                    loon voor de door een persoon, die tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie behoort, verrichte arbeid in een functie naar
                                    evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van een
                                    gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring,
                                    die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort;</al></li><li nr="j."><al>beschut werkplek: een werkplek die is aangepast op de
                                    capaciteiten en behoeften van een persoon die door lichamelijke,
                                    verstandelijke of psychische beperkingen niet in staat is op een
                                    reguliere werkplek te functioneren.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de voorziening, bedoeld in de artikelen 4, 5, 6,
                                    7, 8, 9, 10, 11 en 12, aanbieden aan personen die behoren tot de
                                    doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in artikel 13,
                                    aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een
                                    lange afstand tot de arbeidsmarkt, indien dit bijdraagt aan de
                                    maatschappelijke participatie.</al></li><li nr="3."><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                    opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                    functionele beperkingen van een persoon. </al></li><li nr="4."><al>De omstandigheden zoals genoemd in lid 3 hebben in ieder geval
                                    betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat
                                    hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt
                                    van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder
                                    geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar;
                                            en/ of</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod van voorzieningen
                                    prioriteiten stellen vanuit financiële overwegingen of in
                                    verband met maatschappelijke, economische en/of conjuncturele
                                    ontwikkelingen.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al/><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
                                    als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13
                                    en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet
                                    nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
                                    tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                    tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, onderdeel a, onder 2°van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                    bijdraagt aan arbeidsinschakeling binnen twee jaar;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                    geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                    voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
                                    gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet
                                    aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in
                                    aanmerking te komen voor die voorziening.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Groepsgewijze begeleiding</titel></kop><al/><al>De re-integratiebegeleiding vindt zoveel mogelijk groepsgewijs plaats
                            tenzij in de persoon gelegen omstandigheden aanleiding geven om hiervan
                            af te wijken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                    leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></li><li nr="2."><al>Een werkstage vindt bij voorkeur plaats bij een reguliere
                                    werkgever en is gericht op indiensttreding.</al></li><li nr="3."><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></li><li nr="4."><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                    vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college stelt in beleidsregels vast wat de maximale duur is
                                    van de werkstage.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die
                                    behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een
                                    werkgever, gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd
                                    bij een inlenende organisatie. De detachering wordt vastgelegd
                                    in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en
                                    inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende
                                    organisatie.</al></li><li nr="3."><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><al/><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                            scholingstraject aanbieden mits dit bijdraagt aan het vinden van
                            werk.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                    persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                    verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                    begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                                    verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt.</al></li><li nr="2."><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                    voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of zij
                                    uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Bij
                                    de voorselectie wordt gebruik gemaakt van de bestaande gegevens
                                    omtrent het verdienvermogen.</al></li><li nr="3."><al>Om de voorziening beschut werk mogelijk te maken zet het college
                                    de volgende ondersteunende voorzieningen in: </al><lijst><li nr="a."><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                                            werkomgeving;</al></li><li nr="b."><al>uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van
                                            werkbegeleiding;</al></li><li nr="c."><al>werktempo of arbeidsduur.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en
                                    legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente
                                    beschikbaar stelt. In verband hiermee overlegt het college met
                                    de partners in het Werkbedrijf.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Ondersteuning bij leerwerktraject</titel></kop><al/><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon van wie het
                            college van oordeel is dat een leerwerktraject nodig is, voor zover deze
                            ondersteuning nodig is voor het volgen van een leerwerktraject en het
                            een persoon betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie heeft
                                    behaald.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al/><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke
                                    kosten bij arbeidsinschakeling voor zover daarvoor geen beroep
                                    gedaan kan worden op een voorliggende voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Voor arbeidsinschakeling wordt geen vergoeding in de vorm van
                                    een uitstroompremie verstrekt.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het college kan werkgevers de kosten van een no-riskpolis
                                    vergoeden als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                            arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer; </al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                            behoort tot de doelgroep; </al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere
                                            beperking heeft of de werkgever ten behoeve van de
                                            werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel
                                            10d van de wet ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is,
                                            en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de
                                            gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor vergoeding komt uitsluitend in aanmerking een no-riskpolis
                                    die ten hoogste vergoedt: </al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot 100% van het minimumloon,
                                            en</al></li><li nr="b."><al>15% boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot en met de periode van
                                    24 maanden na indiensttreding van de werknemer bij de
                                    werkgever.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het doel van sociale activering is de maatschappelijke
                                    participatie van een persoon te bevorderen.</al></li><li nr="2."><al>Het college stemt de duur van de activiteit in het kader van
                                    sociale activering af op de mogelijkheden en capaciteiten van
                                    die persoon.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al/><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening een bijzondere hardheid zou betekenen voor de
                            belanghebbende. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 wordt
                                    ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van de Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 ,
                                    behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de
                                    voorwaarden uit de Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ
                                    2012 </al></li><li nr="3."><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van de Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 ,
                                    die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt
                                    deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit
                                    de Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 voor de
                                    duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van een periode van zes maanden, gerekend vanaf de
                                            inwerkingtreding van deze verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode
                                            als bedoeld in onderdeel a.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan na afloop van de in het derde lid, onderdeel a,
                                    bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                    voortgezet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 .</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>Algemeen</al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al/><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><al>- scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                    Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel
                    c, van de Participatiewet);</al><al>- de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet);</al><al>- participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                    Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde lid, van
                    de Participatiewet), en</al><al>- no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><al/><al>Artikel 1. Begrippen</al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al/><al>Doelgroep</al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                    onder a, van de Participatiewet. Het betreft: </al><al>- die algemene bijstand ontvangen; </al><al>- personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde
                    lid, onderdeel b, en </al><al>36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                    (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking
                    gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten
                    behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in
                    artikel 10d is verleend; </al><al>- personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; </al><al>- personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene
                    nabestaandenwet (hierna: ANW); </al><al>- personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW); </al><al>- personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ); </al><al>-personen zonder uitkering; </al><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                    aangeboden voorziening. </al><al/><al/><al>Lange afstand tot de arbeidsmarkt</al><al>Uitkeringsgerechtigden met een lange afstand tot de arbeidsmarkt behoren tot de
                    groep die (nog) niet via een traject bij IJmond Werkt! naar een betaalde baan
                    begeleid kan worden. Dit begrip is van belang in verband met de mogelijkheid tot
                    het opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 2 van deze
                    verordening. </al><al>Om te bepalen of iemand een lange of korte afstand tot de arbeidsmarkt heeft en
                    voor wie dus wel of niet een traject bij IJmond kan worden ingezet, kan gebruik
                    worden gemaakt van de Participatieladder (zie de afbeelding). Dit is een
                    instrument waarbij een uitkeringsgerechtigde wordt ingedeeld op één van de zes
                    treden van de ladder. Trede 1 staat voor een zeer lange afstand tot de
                    arbeidsmarkt, op trede zes is men klaar om aan het werk te gaan. Doorgaans
                    vallen personen op de treden 1 tot en met 3 onder de doelgroep met een lange
                    afstand tot de arbeidsmarkt en personen op de treden 5 en 6 onder de doelgroep
                    met een korte afstand. Trede 4 kan zowel mensen met een korte als een lange
                    afstand betreffen en is gevoeliger voor trends zoals conjuncturele
                    ontwikkelingen.</al><al/><al/><al>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</al><al>Uitkeringsgerechtigden met een korte afstand tot de arbeidsmarkt behoren tot de
                    groep die wel via een traject bij IJmond Werkt! naar een betaalde baan begeleid
                    kan worden en een verdienvermogen hoger dan 30% heeft. Zie verder de toelichting
                    bij artikel 2 van deze verordening.</al><al/><al>Mantelzorg </al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze
                    begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige
                    zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                    hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van
                    huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat
                    artikel 5 van deze verordening bepaalt dat mantelzorg wordt aangemerkt als
                    tegenprestatie. </al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd in
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste kenmerken
                    van mantelzorg zijn: </al><al>- er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                    zorgverlener;</al><al>- mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband;</al><al>- het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;</al><al>- het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30
                    169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr. C.
                    Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van
                    huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                    Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen of
                    sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke
                    zorg kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke zorg in het
                    protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat Protocol als volgt
                    omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende
                    kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een
                    gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke
                    verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. </al><al/><al>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering </al><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen,
                    waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook
                    rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met
                    een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                    personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen,
                    beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een
                    handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid
                    en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit
                    artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al><al/><al>Korte afstand tot arbeidsmarkt</al><al>Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in artikel 4, 5, 6, 7, 8, 9 10,
                    11 en 12 aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand
                    tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1.</al><al/><al>Lange afstand tot arbeidsmarkt</al><al>Het college biedt voorzieningen als bedoeld in artikel 13 aan, aan personen die
                    behoren tot de doelgroep met een lange afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep
                    is gedefinieerd in artikel 1.</al><al/><al>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</al><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, vierde
                    lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.</al><al/><al>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</al><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). </al><al/><al>Beëindigingsgronden</al><al>In het artikel wordt aangegeven wanneer het college een voorziening kan
                    beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij
                    ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen
                    van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al/><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde
                    lid, onderdeel b, en </al><al>36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                    in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het </al><al>minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie </al><al>als bedoeld in artikel 10d is verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het
                    college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat
                    het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren
                    ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee
                    jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet
                    is verstrekt. </al><al/><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.1
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><al/><al>Artikel 4. Groepsgewijze begeleiding</al><al>Gezien het grote beroep op de re-integratiedienstverlening als gevolg van de
                    economische crisis in combinatie met de afnemende re-integratiebudgetten vindt
                    de re-integratiebegeleiding conform de uitgangspunten van de Kadernota Naar één
                    organisatie voor werk zoveel mogelijk groepsgewijs plaats. Dit is bijvoorbeeld
                    het geval bij de re-integratie intake en de sollicitatietraining. Indien
                    persoonlijke omstandigheden daar aanleiding toe geven is het echter mogelijk
                    hiervan af te wijken.</al><al/><al>Artikel 5. Werkstage</al><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al/><al>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring</al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                    persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                    uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het
                    verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan
                    wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van
                    een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al/><al>Doelgroep aanbieden werkstage</al><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden
                    voor zover hij een korte afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist
                    dat een persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot
                    de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. Van langdurige werkloosheid
                    is sprake als een persoon gedurende zes aaneengesloten maanden of langer is
                    aangewezen geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van
                    een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn.
                    Heeft een persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan
                    kan worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat
                    geval is het college bevoegd hem een werkstage aan te bieden.</al><al/><al>Doel van de werkstage</al><al>Het eerste lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen
                    aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.
                    Om dit te bewerkstelligen is in het tweede lid vastgelegd dat de werkstage
                    zoveel mogelijk plaats vindt bij reguliere werkgevers</al><al/><al>Geen verdringing</al><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><al>- eigen initiatief van de werknemer;</al><al>- handicap;</al><al>- ouderdomspensioen;</al><al>- vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al><al>- gewettigd ontslag om dringende redenen.</al><al/><al>Opstellen schriftelijke overeenkomst</al><al>In het vierde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden
                    opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke
                    overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat
                    om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al/><al>Artikel 6. Detacheringsbaan</al><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden. </al><al/><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.
                    In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.</al><al/><al>Voor derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5, lid 3.</al><al/><al>Artikel 7. Scholing</al><al>Startkwalificatie</al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. </al><al/><al>Jongeren</al><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks
                    kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die
                    hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a,
                    van de Participatiewet). </al><al/><al>Scholing</al><al>De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn vergroting van de kansen op de
                    arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of
                    opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel
                    de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn
                    oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op
                    inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. </al><al/><al>Artikel 8. Participatievoorziening beschut werk</al><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                    persoon in dienst neemt/ dat hij uitsluitend in een beschutte omgeving
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft/ dat voorzieningen in de eerder
                    genoemde artikelen niet geschikt zijn voor deze persoon.</al><al/><al>Stap 1: voorselectie</al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening
                    moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. Het college kan
                    ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving
                    onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft
                    (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag
                    van een persoon nodig. Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een
                    voorselectie. Het college moet bij het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde
                    personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><al>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><al/><al>Stap 3: besluit gemeente</al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen. </al><al/><al>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken. </al><al/><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het
                    werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf
                    zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere
                    werkgevers in het Werkbedrijf over de voorwaarden waarop zij deze mensen een
                    dergelijke dienstbetrekking aanbieden. </al><al/><al>Omvang beschut werk</al><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.
                    Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod
                    te kunnen bepalen (vierde lid).</al><al/><al/><al/><al>Artikel 9. Ondersteuning bij leerwerktraject</al><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leerwerktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leerwerktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leerwerktraject. Dit is geregeld in artikel 9 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al/><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leerwerktraject kan aanbieden aan personen:</al><al>- van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht,
                    bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of</al><al>- van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.</al><al/><al>De voorziening ondersteuning bij leerwerktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leerwerktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al/><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader
                    van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het
                    college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                    volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al/><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                    omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en
                    aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                    behaald en voor wie een leerwerktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het
                    mogelijk is een leerwerktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het
                    bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</al><al/><al>Artikel 10. Persoonlijke ondersteuning</al><al>In artikel 10 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. </al><al/><al>Artikel 11. Vergoeding</al><al>Aan het vinden en verrichten van werk zijn kosten verbonden, zoals bijvoorbeeld
                    reiskosten, werkkleding en verklaringen omtrent het gedrag. Voor mensen met een
                    beperking geldt daarnaast dat er extra kosten verbonden kunnen zijn aan
                    aanpassing van de werkplek of meeneembare voorzieningen zoals een
                    spraakcomputer. Deze kosten worden vergoed als er geen aanspraak gemaakt kan
                    worden op een voorliggende voorziening. Voor het vinden van werk wordt geen
                    vergoeding in de vorm van een uitstrooompremie meer verstrekt. Dit omdat dit
                    geen noodzakelijke kosten zijn.</al><al/><al/><al>Artikel 12. No-riskpolis</al><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). Het college kan
                    de kosten van de no-riskpolis voor werkgevers vergoeden (eerste lid). De
                    no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te
                    nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt
                    ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een
                    werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in
                    aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van
                    toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). </al><al/><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de
                    no-riskpolis.</al><al/><al>Voorwaarden</al><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-risk polis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal zes maanden
                    duren. </al><al>Voorts is voor inzet van de no-risk polis vereist dat de werknemer behoort tot
                    de doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt.
                    Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de
                    gemeente.</al><al/><al>Hoogte vergoeding</al><al>Het college kan de kosten van de no-riskpolis vergoeden voor werkgevers. Niet
                    elke verzekering komt voor vergoeding in aanmerking. Hiervoor zijn regels
                    gesteld in het tweede lid. Voor vergoeding komt uitsluitend een no-riskpolis in
                    aanmerking die ten hoogste vergoedt: </al><al>- het loon van de werknemer tot 100% van het minimumloon;</al><al>- 15% boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al><al/><al>Het college zal voor toekeninning van de vergoeding moeten toetsen of de door de
                    werkgever gekozen verzekering voldoet aan deze voorwaarden.</al><al/><al>Werkgever sluit verzekering af</al><al>De werkgever moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                    verzekering afsluiten. De werkgever treedt op als verzekeringsnemer. Het college
                    vergoedt uitsluitend de kosten van de no-riskpolis.</al><al/><al>Duur vergoeding no-riskpolis</al><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot 24 maanden na indiensttreding van de
                    werknemer bij de werkgever (derde lid).</al><al/><al>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    verantwoordelijk</al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn.</al><al/><al>Artikel 13. Sociale activering</al><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. </al><al/><al/><al>Begrip sociale activering</al><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt. </al><al/><al/><al>Doelgroep sociale activering</al><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten
                    aanbieden in het kader van sociale activering indien dit bijdraagt aan de
                    maatschappelijke participatie.</al><al/><al>College stemt duur activiteiten af op de persoon</al><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn.</al><al/><al>Artikel 15. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</al><al>In artikel 15 is onder andere het overgangsrecht geregeld. </al><al>Het kan voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op
                    grond van de oude re-integratieverordening. In artikel 15, tweede lid is
                    geregeld dat deze voorziening behouden kan worden indien nog steeds wordt
                    voldaan aan de voorwaarden uit de oude verordening. Het kan ook voorkomen dat
                    personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, van deze verordening
                    moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 15, derde lid,
                    geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een bepaalde duur.
                    Een dergelijke voorziening wordt behouden voor ten hoogste de duur van zes
                    maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit
                    uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                    Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 . Wordt niet meer aan die
                    voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als
                    een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. De periode van zes maanden begint te lopen vanaf het moment
                    van inwerkingtreding van deze verordening.</al><al/><al>Voortzetten toegekende voorzieningen</al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening WWB, IOAW en
                    IOAZ 2012 gemeente [gemeente naam] worden dus in beginsel behouden. Na afloop
                    kan het college besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 15,
                    vierde lid). Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten
                    overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand
                    als het college is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te voldoen,
                    ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende
                    re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze
                    verordening worden afgerond conform de overeenkomst.</al><al/><al>Voortzetting is niet mogelijk</al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na zes maanden is niet mogelijk als
                    de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan
                    de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Re-integratieverordening
                    WWB, IOAW en IOAZ 2012 of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur
                    dan zes maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient
                    immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke
                    toekenning. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>