<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR62827_5</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 na eerste wijziging</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">officielebekendmakingen.nl 18-06-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 na eerste wijziging</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet art. 8a, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAW art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAZ art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-05-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>gewijzigde regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R2015.0024</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>overig</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 worden gelijktijdig ingetrokken met inwerkingtreding Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 na eerste wijziging de dag na publicatie</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 na eerste
            wijziging</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Uitgeest; </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 mei 2015 nr.
                        R2015.0024;</al><al>gehoord de beraadslagingen in de commissie Samenlevingszaken d.d. 11 mei
                        2015;</al><al/><al>gelet op Art. 8 eerste lid, aanhef en onderdeel a en e van de
                        Participatiewet, art. 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en art. 35 Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen (IOAZ),\</al><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><al>in te trekken de op 8 december 2014 vastgestelde “maatregelenverordening
                        Participatiewet. IOAW en IOAZ 2015”</al><al/><al>en</al><al/><al>vast te stellen de “Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ
                        2015 na eerste wijziging” </al><al/><al>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 na eerste
                        wijziging</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Velsen;</al></li><li nr="b."><al>wet: Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>bijstandsnorm;</al><al>1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                    onderdeel c, van de wet, of</al><al>2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of artikel 5 van
                                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) voor zover er
                                    sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de
                                    IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of
                                    een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>bijzondere bijstand: bijzondere bijstand met toepassing van
                                    artikel 12 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>belanghebbende: persoon die een uitkering aanvraagt of
                                    ontvangt;</al></li><li nr="g."><al>maatregel: verlagen van de bijstand als bedoeld in artikel 18,
                                    tweede, vijfde en zesde lid van de wet, artikel 20 en artikel
                                    38, twaalfde lid van de IOAW en artikel 20 en artikel 38,
                                    twaalfde lid van de IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>geüniformeerde arbeidsverplichtingen: arbeidsverplichtingen als
                                    bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet,
                                    waarvoor bij schending een maatregel van 100 procent moet worden
                                    opgelegd gedurende ten minste een maand en ten hoogste drie
                                    maanden;</al></li><li nr="i."><al>niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen: overige
                                    arbeidsverplichtingen;</al></li><li nr="j."><al>plan van aanpak: het plan van aanpak zoals gemeenschappelijke
                                    regeling IJmond Werkt! dat hanteert. In dit plan staat het
                                    traject naar werk;</al></li><li nr="k."><al>voorziening: re-integratieondersteuning die direct verband houdt
                                    met het verrichten van betaald werk;</al></li><li nr="l."><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot
                                    een hoger bedrag een beroep wordt gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel wordt in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de maatregel;</al></li><li nr="c."><al>het percentage of het bedrag waarmee de uitkering wordt
                                    verlaagd; en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardmaatregel.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt een belanghebbende
                                    in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: </al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien
                                            geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid; of</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                            maken.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien of matigen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van een maatregel als: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 12 maanden geleden heeft
                                            plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Daarnaast kan het college afzien van een maatregel of deze
                                    matigen als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht als
                                    bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de wet. Het college maakt
                                    hierin een afweging.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van een maatregel of deze matigt op
                                    grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan
                                    schriftelijk op de hoogte gesteld.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</titel></kop><al>Een maatregel wordt toegepast op de uitkering of op de bijzondere
                            bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de
                            Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het
                            besluit tot het opleggen van de maatregel aan een belanghebbende is
                            bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor de
                            belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een maatregel wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden
                                    berekend over de bijzondere bijstand als er aan belanghebbende
                                    bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12
                                    van de Participatiewet.</al></li><li nr="3."><al>Bij toepassing van het tweede lid moet in deze verordening het
                                    begrip ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm
                                    inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet
                                    verleende bijzondere bijstand’.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9 of artikel 9a van de wet niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="1."><al>Het zich niet of niet tijdig laten registreren als
                                            werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                            werknemersverzekeringen of de registratie niet of niet
                                            tijdig laten verlengen;</al></li><li nr="2."><al>Het niet meewerken aan de uitvoering van de
                                            Participatiewet zoals bedoeld in artikel 17 lid 2 van de
                                            wet. Hieronder valt in ieder geval het niet verschijnen
                                            op een oproep in verband met arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>Het niet of onvoldoende naar vermogen verrichten van een
                                            door het college opgedragen tegenprestatie als bedoeld
                                            in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet;</al></li><li nr="2."><al>Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="1."><al>Het niet nakomen van de verplichtingen als bedoeld in
                                            artikel 9, eerste lid, van de wet onvoldoende nakomen,
                                            voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27
                                            jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in
                                            artikel 43, vierde en vijfde lid, van de wet;</al></li><li nr="2."><al>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen arbeidsverplichtingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen, of een arbeidsverplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en artikel 38 van de
                            IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>Eerste categorie: </al></li><li nr="1."><al>Het zich niet of niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                    bij het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen of de
                                    registratie niet of niet tijdig laten verlengen;</al></li><li nr="2."><al>Geen meewerking verlenen aan de uitvoering van de wet zoals
                                    omschreven in artikel 13 lid 2 IOAW en 13 lid 2 IOAZ. </al></li><li nr="b."><al>Tweede categorie: </al></li><li nr="1."><al>Het niet of onvoldoende naar vermogen verrichten van een door
                                    het college opgedragen tegenprestatie als bedoeld in artikel 37,
                                    eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid,
                                    onderdeel f, van de IOAZ verrichten;</al></li><li nr="2."><al>Het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college
                                    aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste
                                    lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen
                                    36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ,
                                    voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                    voortijdige beëindiging van die voorziening.</al></li><li nr="c."><al>Derde categorie: </al></li><li nr="1."><al>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="2."><al>Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of het
                                    door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid;</al></li><li nr="3."><al>Inschakeling in de arbeid belemmeren.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en
                                    8, wordt vastgesteld op : </al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Alvorens het college overgaat tot het toepassen van de maatregel
                                    voor de gedraging als bedoeld in artikel 7 en 8, eerste
                                    categorie, van deze verordening, wordt een belanghebbende in de
                                    gelegenheid gesteld om binnen twee weken na verzending van een
                                    daartoe strekkend verzoek, zich als werkzoekende bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te registreren of
                                    de registratie te laten verlengen.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur maatregel bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de wet, niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de
                            maatregel 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verrekenen maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel als bedoeld in artikel 10, wordt toegepast over de
                                    maand van oplegging.</al></li><li nr="2."><al>Als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de
                                    maatregel worden toegepast over de maand van oplegging en de
                                    daarop volgende twee maanden.</al></li><li nr="3."><al>Bij toepassing van lid 2 wordt over de eerste maand ten minste
                                    1/3 van het bedrag van de maatregel verrekend.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als
                                    bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt afgestemd
                                    op het benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                            een benadelingsbedrag tot 1000 euro;</al></li><li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                            een benadelingsbedrag vanaf 1000 euro tot 2000
                                            euro;</al></li><li nr="c."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                            een benadelingsbedrag vanaf 2000 euro.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                    college, zijn ambtenaren, personen of instanties die zijn belast
                                    met de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 9, zesde
                                    lid, van de wet, wordt er een maatregel opgelegd van 100 procent
                                    van de bijstandsnorm gedurende een maand, of </al></li><li nr="2."><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                    college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die
                                    rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of
                                    IOAZ, wordt er een maatregel opgelegd van 100 procent van de
                                    bijstandsnorm gedurende een maand.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
                            bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt,
                            wordt er een maatregel toegepast. De maatregel wordt vastgesteld
                            op:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet
                                    of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met
                                    de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet
                                    of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="c."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    beëindiging van de bijstand.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als er sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                    wet genoemde verplichtingen, dan wordt er één maatregel
                                    opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                                    maatregel wordt er uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste
                                    maatregel is gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Als er sprake is van meerdere gedragingen die schending
                                    opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18,
                                    vierde lid, van de wet genoemde verplichtingen, dan wordt er
                                    voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze
                                    maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit, gezien de
                                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende
                                    niet verantwoord is.</al></li><li nr="3."><al>Als er sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                    zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                    wet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van
                                    de wet, genoemde verplichting, dan beoordeelt het college welke
                                    sanctie er wordt opgelegd. Er wordt geen maatregel opgelegd,
                                    voor zover er voor die schending een bestuurlijke boete wordt
                                    opgelegd.</al></li><li nr="4."><al>Als er sprake is van meerdere gedragingen die schending
                                    opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18,
                                    vierde lid van de wet genoemde verplichting, waarvoor een
                                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt er voor iedere
                                    gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd, tenzij dit
                                    gelegd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid
                                    en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord
                                    is.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                    een besluit waarmee een maatregel is toegepast, vanwege een
                                    gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                    Participatiewet, zich opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
                                    verwijtbare gedraging, dan bedraagt de maatregel 100 procent van
                                    de uitkering gedurende twee maanden.</al></li><li nr="2."><al>Als een belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                    een besluit waarmee een maatregel is toegepast, vanwege een
                                    gedraging als bedoeld in artikel 7, 8, 12, 13 of 14 van deze
                                    verordening, zich opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
                                    verwijtbare gedraging, dan wordt telkens de duur van de
                                    oorspronkelijke maatregel verdubbeld.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Blijvende of tijdelijke samenloop bij weigeren IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, tweede lid, van de
                            IOAW of artikel 20, eerste lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk
                            weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op
                            grond van deze verordening tot een maatregel zou kunnen leiden, blijft
                            een maatregel ter zake van die gedraging achterwege.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 vastgesteld
                            door de gemeenteraad op 8 december 2014 wordt ingetrokken.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Het regime van deze verordening is van toepassing op maatregelwaardige
                            gedragingen van vóór datum publicatie , tenzij de op te leggen maatregel
                            zwaarder is dan die op basis van de oude verordening.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking de dag na publicatie </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 na eerste wijziging”</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>1. Algemeen</al><al/><al>1.1. Rechten en plichten in de Participatiewet</al><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid voor de invulling van de rechten en
                    plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een
                    bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een
                    verordening. Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op
                    algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk te worden van de uitkering.</al><al/><al>Afstemming</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet, spreekt over het afstemmen van
                    de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet, legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen.</al><al/><al>Verplichting</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke maatregel. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    maatregel rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een maatregel afzien of
                    deze matigen als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al/><al>Geüniformeerde arbeidsverplichtingen</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet, geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichtingen, geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd
                    met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening moet de
                    duur van de maatregel worden vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al>Recidive</al><al>Is er afgezien van een maatregel wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij recidive de gedraging mee te
                    tellen. Is er vanwege afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de
                    Participatiewet, of vanwege dringende redenen op grond van artikel 18, tiende
                    lid, van de Participatiewet, van een maatregel afgezien, dan is er bij recidive
                    geen reden om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten.</al><al/><al>Herbeoordeling</al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat volgt uit
                    artikel 18, derde lid, van de Participatiewet. Bij een dergelijke herbeoordeling
                    hoeft er niet opnieuw een besluit te worden genomen waarbij alle feiten en
                    omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. </al><al>Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de maatregel zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat er sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat er aanleiding bestaat de eerder opgelegde maatregel in
                    zwaarte of duur bij te stellen (zie CBvB 19-04-2011, nr. 10/4882 WWB).</al><al/><al>Inkeerbepaling</al><al>Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet, is naar het oordeel van het
                    ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als er
                    sprake is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen.
                    Voor de geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de
                    Participatiewet van toepassing. Dit betreft de zogenaamde inkeerbepaling. Deze
                    houdt in dat, zodra uit de houding en gedraging van een belanghebbende
                    ondubbelzinnig is gebleken dat hij een geüniformeerde arbeidsverplichting weer
                    nakomt, de maatregel een einde neemt, ook als de periode waarin de maatregel is
                    opgelegd nog niet is verstreken. Het verschil tussen artikel 18, derde lid, en
                    artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet, is dat artikel 18, elfde lid, pas
                    wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.</al><al/><al>Strafbaar feit</al><al>Een maatregel krachtens de maatregelenverordening is een reparatoire sanctie.
                    Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, bijvoorbeeld als
                    een belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet, dan kan een belanghebbende hier
                    strafrechtelijk voor worden vervolgd. Ondanks het feit dat de maatregel geen
                    strafrechtelijke sanctie is, kunnen de maatregel en de strafvervolging niet
                    naast elkaar bestaan als er sprake is van hetzelfde rechtsfeit. Het ‘ne bis in
                    idem’ staat daaraan in de weg.</al><al/><al>1.2 Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid om op grond van artikel 20
                    van de IOAW en artikel van de 20 IOAZ een IOAW- IOAZ-uitkering te verlagen of te
                    weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Het gemeentelijk beleid daaromtrent
                    moet op grond van artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ worden
                    vastgelegd in een verordening. </al><al/><al>2. Artikelsgewijze toelichting</al><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><al/><al>Artikel 1. Begrippen</al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening. </al><al/><al>Plan van aanpak en voorziening</al><al>De begrippen plan van aanpak en voorziening zijn in deze verordening nader
                    gedefinieerd. Voor het plan van aanpak geldt dat dit begrip van toepassing is
                    het op het plan van aanpak dat door gemeenschappelijke regeling IJmond Werkt!
                    wordt gebruikt om het traject naar werk in vast te leggen. Voor het begrip
                    voorziening geldt dat hieronder de re-integratieondersteuning valt die direct
                    verband houdt met het verrichten van betaald werk.</al><al/><al>Bijstandsnorm</al><al>Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening verstaan de in de situatie
                    van belanghebbende geldende bijstandsnorm inclusief vakantiegeld. Voor zover er
                    sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ, wordt onder
                    bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van
                    de IOAW en artikel 5 van de IOAZ.</al><al/><al>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een maatregel</al><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat er in het besluit in ieder
                    geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene
                    wet bestuursrecht en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het
                    motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een
                    deugdelijke motivering is voorzien.</al><al/><al>Artikel 3. Horen van de belanghebbende</al><al>Het horen bedoeld in dit artikel ziet het college in het licht van een goede
                    voorbereiding van het besluit. De betekenis die het horen kan hebben in het
                    kader van rechtsbescherming van de belanghebbende staat hier niet voorop. Daar
                    is voldoende ruimte voor in de bezwaarprocedure.</al><al>Horen kan op verschillende wijzen plaatsvinden. Naast de mogelijkheid om
                    schriftelijk zijn zienswijze bekend te maken, kan de belanghebbende eventueel
                    ook telefonisch of mondeling gehoord worden. De zienswijze van belanghebbende
                    wordt vastgelegd in de rapportage.</al><al>Er kan van horen worden afgezien indien de belanghebbende eerder in de
                    gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. Ook bij
                    onverwijlde spoed kan er worden besloten om de belanghebbende niet te horen. Er
                    moet dan wel sprake zijn van objectiveerbare spoed. Bijvoorbeeld wanneer de
                    belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt en (verdere) schade moet worden
                    voorkomen. Tot slot kan er van horen worden afgezien wanneer het naar het
                    oordeel van het college niets toevoegt aan de bepaling van de ernst van de
                    gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al><al/><al>Artikel 4. Afzien of matigen van een maatregel</al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel
                    20, derde lid, van de IOAZ. Indien er sprake is van gedeeltelijke
                    verwijtbaarheid kan de maatregel gematigd worden, bijvoorbeeld naar 50%. </al><al/><al>Afzien of matigen van verlagen wegens dringende redenen</al><al>In het tweede lid is geregeld dat er kan worden afgezien van het opleggen van
                    een maatregel als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt
                    een algemene verplichting tot het opleggen van een maatregel voorop.
                    Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als er voor de belanghebbende
                    onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt
                    dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een
                    afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen
                    zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin of latere gedragingen.
                    Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen
                    reden zijn om van een maatregel af te zien, omdat dit inherent is aan het
                    verlagen van een uitkering. </al><al/><al>De bijzondere omstandigheden die tot dringende redenen leiden, kunnen gelegen
                    zijn in maatschappelijk belang (marginalisering van mensen, vergroting
                    schuldenproblematiek, huis-uitzetting) en de zorgplicht overheid in relatie tot
                    individuele omstandigheden en kinderen in het gezin. Voor wat betreft het
                    laatste wordt ook verwezen naar verdragen inzake de rechten van ouders en
                    kinderen op een passende sociale en economische bescherming.</al><al/><al>Weging</al><al>Dringende redenen om van de maatregel af te zien of deze te matigen, zo staat in
                    de toelichting op de Participatiewet, kan zijn dat er sprake was van overmacht,
                    waardoor belanghebbende zijn verplichtingen niet na kon komen. Daarnaast dient
                    ook afgewogen te worden in hoeverre de belanghebbende in staat is zijn eigen
                    gedrag te sturen en dit gedrag dus verwijtbaar is. Het college vergewist zich er
                    daarom van of er sprake is van een fysieke, verstandelijke of psychische
                    beperking, waardoor er sprake kan zijn van een verminderde aansprakelijkheid
                    voor het eigen gedrag. Het college maakt hierin een afweging en licht
                    belanghebbende daarover in.</al><al/><al>Recidive</al><al>Het is aan het college om te beoordelen in hoeverre de verwijtbaarheid
                    ontbreekt. Is er vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een maatregel, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). Is
                    er vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste of tiende lid, van de
                    Participatiewet van een maatregel afgezien, dan is dat geen reden om de
                    betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al/><al>Afzien van verlagen wegens verjaring</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd.</al><al>Om deze reden regelt artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening
                    dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan 12
                    maanden geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een
                    uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag
                    of het college overgaat tot het opleggen van een maatregel.</al><al/><al>Afzien van verlagen bij geüniformeerde arbeidsverplichtingen</al><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een
                    afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie
                    maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het
                    college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de
                    omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe aanleiding
                    geven, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere
                    omstandigheden kan het college besluiten de maatregel op een lager niveau vast
                    te stellen. </al><al/><al>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college
                    afziet van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang
                    in verband met eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een
                    maatregel bij recidive is geregeld in artikel 16.</al><al/><al>Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</al><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een maatregel. Dan hoeft er niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een maatregel
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. </al><al>Voor de berekening van de hoogte van de maatregel moet er worden uitgegaan van
                    de voor die maand geldende bijstandsnorm. Er is voor gekozen om uitsluitend een
                    maatregel in de toekomst op te leggen.</al><al/><al>Artikel 6. Berekeningsgrondslag</al><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt er
                    gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk
                    van de IOAZ.</al><al/><al>Bijzondere bijstand</al><al>In het tweede lid is bepaald dat een maatregel ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als er aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen
                    de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die, indien noodzakelijk,
                    wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een maatregel uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, dan zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de
                    21-jarigen. Daarom is er in het derde lid geregeld dat de berekeningsgrondslag
                    in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm, inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al><al/><al>Artikel 7. Gedragingen niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen </al><al>Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde vóór 1 januari 2015, bepaalt
                    dat het college moet afstemmen als een belanghebbende de verplichtingen "niet of
                    onvoldoende nakomt". Met het huidige artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van de verplichtingen".
                    Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee
                    echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen
                    als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid
                    hierover te voorkomen is daarom in artikel 7 bepaald dat er sprake is van een
                    verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen. </al><al/><al>In dit artikel staat onder welke categorie de schending van niet-geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen valt. </al><al>1. Onder de eerste categorie vallen de verplichtingen om ingeschreven te staan
                    als werkzoekende en medewerking te verlenen aan de uitvoering van de wet. Onder
                    deze laatste verplichting valt ook het verschijnen op een oproep in verband met
                    arbeidsinschakeling.</al><al>2. Onder de tweede categorie valt het verrichten van de tegenprestatie en het
                    meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak
                    zoals IJmond Werkt! dat hanteert. Onder het meewerken aan het plan van aanpak
                    wordt een serie van handelingen in tijd verstaan. Enkel het eenmalig niet
                    verschijnen op een afspraak valt niet onder deze categorie.</al><al>3. Onder de derde categorie vallen de inspanningsverplichting voor
                    belanghebbenden jonger dan 27 jaar in de eerste vier weken na de
                    uitkeringsaanvraag en de verplichting om naar vermogen proberen algemeen
                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen. De plicht tot arbeidsinschakeling geldt
                    vanaf datum melding (zie artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op
                    hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en
                    vijfde lid, van de Participatiewet). Is er geen enkele inspanning verricht, dan
                    bestaat er op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de
                    Participatiewet, geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar
                    naar het oordeel van het college onvoldoende, dan verlaagt het college de
                    uitkering.</al><al/><al>Artikel 8. Gedragingen arbeidsverplichtingen IOAW en IOAZ</al><al>In dit artikel staat onder welke categorie de schending van de
                    arbeidsverplichtingen IOAW en IOAZ valt. De indeling komt overeen met artikel
                    7.</al><al/><al>Artikel 9. Hoogte en duur van de maatregel</al><al>Dit artikel bepaalt de hoogte en duur van de maatregel bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen op grond van
                    artikel 9 en 55 van de Participatiewet en het niet of onvoldoende nakomen van
                    arbeidsverplichtingen op grond van artikel 37 van de IOAW en artikel 37 van de
                    IOAZ . Als een belanghebbende zich niet of niet tijdig laat registreren als
                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de
                    registratie niet of niet tijdig laat verlengen, biedt het college eerst een
                    hersteltermijn van twee weken alvorens over te gaan tot het opleggen van de
                    maatregel. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel 9.</al><al/><al>Artikel 10. Hoogte en duur maatregel bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</al><al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet-naleven van een
                    geüniformeerde arbeids-verplichting vaststelt, bedraagt de maatregel honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een maand (artikel 18, vijfde lid, eerste
                    volzin, van de Participatiewet). </al><al/><al>Het gaat om de onderstaande verplichtingen van artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet:</al><al>a. het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al>b. het uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om
                    ingeschreven te staan bij een uitzendbureau;</al><al>c. het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere
                    dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te
                    verhuizen;</al><al>d. bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur
                    per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het
                    aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al>e. bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen
                    andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het
                    behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een
                    arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning
                    die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm,
                    kan aangaan;</al><al>f. het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het
                    naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid;</al><al>g. het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke
                    verzorging of gedrag;</al><al>h. het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder
                    begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan
                    onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al><al/><al>Artikel 11. Verrekenen maatregel</al><al>Het college heeft de mogelijkheid bij een maatregel wegens schending van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting de maatregel te verrekenen als er sprake is
                    van bijzondere omstandigheden. Dit is geregeld in het tweede lid. Verrekening
                    geschiedt over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de
                    twee daaropvolgende maanden. Artikel 18, vijfde lid, van de wet, bepaalt dat bij
                    verrekening van de maatregel over de eerste maand minimaal een derde van het
                    bedrag van de maatregel moet worden verrekend. De raad heeft ervoor gekozen
                    gebruik te maken van de mogelijkheid tot verrekening over drie maanden, omdat
                    bij verrekening van 100 procent in één maand het risico groot is dat
                    belanghebbende in financiële problemen zal raken. Bij schending van
                    niet-geüniformeerde, of overige verplichtingen is verrekening niet mogelijk.
                    Verrekening is evenmin mogelijk bij recidive. Dit volgt uit artikel 18, zesde
                    zevende en achtste lid, van de wet. </al><al>Wanneer een belanghebbende tot inkeer komt, dan kan de maatregel worden
                    stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering. Dit is bepaald
                    in artikel 18, elfde lid, van de wet. Het gaat hier om een facultatieve
                    bepaling.</al><al/><al>Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</al><al>Aan de wet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in
                    zijn eigen bestaanskosten dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is,
                    kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal
                    moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een
                    gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is
                    aangewezen op bijstand, dan is er veelal sprake van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen:</al><al>- ¬ het te snel interen van vermogen;</al><al>- ¬ het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al><al>- ¬ het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                    voorziening.</al><al>Op grond van artikel 12 van deze verordening kan er een maatregel worden
                    opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                    voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot
                    uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het gedeelte van de
                    uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt
                    gedaan.</al><al>Bij een benadelingsbedrag tot 1000 euro bedraagt de maatregel een percentage van
                    10, bij een benadelingsbedrag van 1000 tot 2000 euro een percentage van 20, en
                    bij een benadelingsbedrag van 2000 euro of meer een percentage van 100 van de
                    bijstandsnorm.</al><al/><al>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen</al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte, zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.</al><al/><al>Instanties</al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college,
                    Sociale Verzekeringsbank, IJmond Werkt! en re-integratiebedrijven) tijdens het
                    verrichten van hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de
                    werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het
                    kader van de uitvoering van de Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen
                    elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van
                    toepassing.</al><al/><al>Zelfstandige verplichting</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf.
                    Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest er
                    sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet
                    nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeiden uit de toenmalige WWB,
                    IOAW of IOAZ.</al><al/><al>IOAW en IOAZ</al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'. Het college kan alleen een maatregel opleggen als er een verband
                    bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het
                    vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten immers geen
                    afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het recht
                    op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer ernstig
                    misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere)
                    aan de uitkering verbonden verplichting. Vandaar dat er in het tweede lid wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van IOAW of
                    IOAZ. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een
                    (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit
                    eigen beweging stennis maken - dan is er binnen de IOAW en IOAZ tegen deze
                    gedraging geen sanctie mogelijk.</al><al/><al>Artikel 14. Niet nakomen van overige verplichtingen</al><al>De wet geeft het college in artikel 55 de bevoegdheid om personen verplichtingen
                    op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Het gaat onder meer om:</al><al>-¬ verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde
                    vorm van bijstand, bijvoorbeeld het zich, op advies van een arts, onderwerpen
                    aan een noodzakelijke behandeling van medische aard (voorbeeld bij a);</al><al>-verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, bijvoorbeeld het
                    aanvragen van heffingskortingen of alimentatie (voorbeeld bij b);</al><al>-¬ verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand, bijvoorbeeld het
                    aanvragen van een voorliggende voorziening, zoals een (toeslag op een) uitkering
                    bij het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen of bij de Sociale
                    Verzekeringsbank (voorbeeld bij c).</al><al>Is er sprake van schending van een van de bovengenoemde verplichtingen, dan moet
                    de bijstand worden verlaagd op grond van artikel 18 lid 2 van de wet en artikel
                    14 van deze verordening.</al><al>In hoeverre er een beroep op bijstand moet worden gedaan, komt tot uitdrukking
                    in percentages. Bij algemene verplichtingen bedraagt de maatregel 10 procent,
                    bij verplichtingen waarbij het beroep op bijstand minder wordt 20 procent en bij
                    verplichtingen waarbij het beroep op bijstand komt te vervallen 100 procent van
                    de bijstandsnorm.</al><al/><al/><al>Individualiseren</al><al>Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van de wet kan
                    opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de
                    verordening vastgestelde maatregel niet is afgestemd op de individuele
                    omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom altijd rekening
                    moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van
                    de wet. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te stemmen op de
                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele
                    gevallen kan er dus worden afgeweken van de in de verordening artikel
                    vastgestelde maatregel.</al><al/><al>Artikel 15. Samenloop van gedragingen</al><al>Samenloop bij één gedraging waardoor er meerdere verplichtingen worden
                    geschonden. Het eerste lid regelt samenloop als er sprake is van één gedraging
                    die schending oplevert van meerdere verplichtingen die zijn genoemd in deze
                    verordening, in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, of in beide
                    regelingen. In dat geval wordt er één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van
                    de hoogte en de duur van de maatregel wordt er uitgegaan van de gedraging waarop
                    de hoogste maatregel is gesteld. </al><al/><al>Samenloop meerdere gedragingen</al><al>Het tweede lid regelt samenloop als er sprake is van meerdere gedragingen die
                    schending opleveren van één of meerdere verplichtingen die zijn genoemd in deze
                    verordening, in artikel 18, vierde lid, van de wet, of in beide regelingen. In
                    dat geval wordt er voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd.
                    Deze maatregelen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Hiervan kan worden
                    afgeweken als dit niet verantwoord is, gezien de omstandigheden, mogelijkheden
                    en middelen van de belanghebbende. Afstemming dient dan plaats te vinden op
                    grond van artikel 18, eerste of tiende lid, van de wet.</al><al/><al>Samenloop met een bestuurlijke boete</al><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre er een maatregel moet worden
                    opgelegd, als er sprake is van een maatregelwaardige gedraging die tevens een
                    boetewaardige gedraging is. Het college moet beoordelen welke sanctie er wordt
                    opgelegd. Wordt er een boete wordt opgelegd, dan wordt er geen maatregel meer
                    opgelegd. Indien er sprake is van één gedraging die zowel schending van een in
                    deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht
                    oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden
                    afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in
                    de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat
                    er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het
                    college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie er wordt
                    opgelegd.</al><al>Bij samenloop door één gedraging ligt het voor de hand één sanctie op te leggen,
                    waarbij de zwaarste sanctie wordt opgelegd, ongeacht of dit een boete of
                    afstemming is. Bij samenloop door meerdere gedragingen ligt het voor de hand de
                    gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor
                    zover er sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit.
                    Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen (op grond van
                    de afstemmingsverordening) opleggen, waarbij er bij de hoogte van de afstemming
                    zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere
                    maatregelen.</al><al/><al>Samenloop met een bestuurlijke boete</al><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre er een maatregel moet worden
                    opgelegd, als er sprake is van een maatregelwaardige gedraging die tevens een
                    boetewaardige gedraging is. Het college moet beoordelen welke sanctie er wordt
                    opgelegd. Wordt er een boete wordt opgelegd, dan wordt er geen maatregel meer
                    opgelegd. Indien er sprake is van één gedraging die zowel schending van een in
                    deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht
                    oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden
                    afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in
                    de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat
                    er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het
                    college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie er wordt
                    opgelegd.</al><al>Bij samenloop door één gedraging ligt het voor de hand één sanctie op te leggen,
                    waarbij de zwaarste sanctie wordt opgelegd, ongeacht of dit een boete of
                    afstemming is. Bij samenloop door meerdere gedragingen ligt het voor de hand de
                    gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor
                    zover er sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit.
                    Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen (op grond van
                    de afstemmingsverordening) opleggen, waarbij er bij de hoogte van de afstemming
                    zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere
                    maatregelen.</al><al/><al>Artikel 16. Recidive</al><al>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting (eerste lid van deze
                    verordening)</al><al>Is er sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat er aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de maatregel op grond van artikel 18, zesde
                    lid, van de wet, honderd procent gedurende twee maanden. Bij een derde, vierde
                    en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen
                    twaalf maanden na oplegging van de vorige maatregel, bedraagt de maatregel op
                    grond van artikel 18, zevende en achtste lid van de wet, honderd procent
                    gedurende drie maanden.</al><al/><al>Recidive overige verwijtbare gedragingen </al><al>Als er binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake
                    is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    dan wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de duur van de maatregel.</al><al>Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die
                    aanleiding is geweest tot een maatregel, ook als er wegens dringende redenen op
                    grond van artikel 4, tweede lid, van deze verordening of op grond van artikel
                    18, eerste of tiende lid, van de wet is afgezien van het opleggen van een
                    maatregel. Is er vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een maatregel, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    maatregel is opgelegd, is verzonden.</al><al/><al>Telkens wordt de duur van de oorspronkelijke maatregel verdubbeld. Dit is de
                    maatregel die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is
                    expliciet niet voor gekozen om de duur van de vorige maatregel te verdubbelen.
                    Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke
                    maatregel. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de maatregel
                    voorkomen.</al><al/><al>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</al><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat er sprake
                    moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de
                    eerste maatregel is opgelegd. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare
                    gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting.</al><al/><al>Artikel 17. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</al><al>Het college is op grond van artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20,
                    tweede lid, van de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren
                    als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven,
                    maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag
                    of er een maatregel moet worden opgelegd, zal pas aan de orde komen als het
                    college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de
                    uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college
                    concludeert dat er van een weigering geen sprake is, kan er op grond van deze
                    verordening een maatregel worden opgelegd. Artikel 17 van deze verordening is
                    bedoeld om samenloop van weigeren en maatregel te voorkomen.</al><al/><al>Artikel 18 t/m 20. Slotbepalingen</al><al>Deze artikelen behoeven geen verdere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>