<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR62804_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit maatschappelijke ondersteuning Uitgeest 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Uitgeester, 23-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Besluit maatschappelijke ondersteuning Uitgeest 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wmo, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuw besluit</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B2012.1540</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>overig</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt Besluit maatschappelijke ondersteuning Uitgeest 2010, B2010.0196 dd 30-03-2010</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Besluit maatschappelijke ondersteuning Uitgeest 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Besluit maatschappelijke ondersteuning Uitgeest 2013</al><al/><al>Vastgesteld bij besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 18 december
                        2012, nummer B2012.1540, gepubliceerd 18 december 2012, in werking getreden
                        met ingang van 1 januari 2013; per 1 januari 2013 is het Besluit
                        Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Uitgeest 2010, ingetrokken. Het
                        besluit is ter kennis gebracht aan de Gemeenteraad. </al><al/><al>Het besluit is gebaseerd op de Verordening voorzieningen maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Uitgeest 2013.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In dit besluit wordt verstaan onder:</al><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al><al>verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Uitgeest 2013</al><al>hoofdverblijf: - de woonruimte waar de persoon met beperkingen zijn
                                vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke
                                basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven
                                dan wel </al><al>- het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een
                                briefadres is dan wel zal staan ingeschreven in de gemeentelijke
                                basisadministratie;</al></li><li nr="2."><al>Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen zoals genoemd in
                                dit besluit dezelfde betekenis als in artikel 1 van de
                                verordening.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Regels rond verstrekking en verantwoording</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager geeft bij de aanvraag aan of hij de individuele
                                voorziening wil ontvangen in de vorm van:</al><lijst><li nr="a."><al>een voorziening in natura:</al></li><li nr="b."><al>een financiële tegemoetkoming;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien op
                                grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn
                                geworden er sprake is van schulden, schuldsanering of
                                verslavingsproblematiek.</al></li><li nr="3."><al>Een verstrekking voor verhuis- en herinrichtingskosten vindt plaats
                                in de vorm van een financiële tegemoetkoming.</al></li><li nr="4."><al>De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de
                                budgethouder aan het college vindt steekproefsgewijs plaats na
                                afloop van de verstrekking dan wel na afloop van het
                                kalenderjaar.</al></li><li nr="5."><al>Ten behoeve van de verantwoording dient belanghebbende de
                                bewijsstukken van de gemaakte kosten te overleggen ofwel een
                                zorgvuldige administratie over de bestedingen uit het
                                persoonsgebonden budget bij te houden.</al></li><li nr="6."><al>Een voorziening aangeschaft met een persoonsgebonden budget kan,
                                zodra deze voorziening niet meer wordt gebruikt voor het doel
                                waarvoor deze is bestemd, onder verrekening van eventueel
                                ingebrachte eigen middelen, door het college worden ingenomen en
                                voor herverstrekking beschikbaar worden gesteld. </al></li><li nr="7."><al>Niet-bestede persoonsgebonden budgetgelden kunnen door de gemeente
                                worden teruggevorderd.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget hulp bij het
                            huishouden</titel></kop><al>Het persoonsgebonden budget bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor diensten op het niveau van hulp bij het huishouden categorie 1,
                                te weten huishoudelijke werkzaamheden, € 14,91 per uur;</al></li><li nr="b."><al>voor diensten op het niveau van hulp bij het huishouden categorie 2,
                                te weten huishoudelijke werkzaamheden, aangevuld met de organisatie
                                van het huishouden en hulp bij een ontregeld huishouden, € 19,79 per
                                uur.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget overige
                            voorzieningen</titel></kop><al>Het persoonsgebonden budget voor overige voorzieningen is gelijk aan de
                        waarde van de goedkoopst compenserende voorziening, indien nodig verhoogd
                        met een bedrag voor onderhoud, reparatie en verzekering voor de periode van
                        de gemiddelde economische levensduur. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Financiële tegemoetkoming woonvoorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een woonvoorziening kan alleen worden verstrekt voor de woning
                                waarin de aanvrager zijn/haar hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                woonvoorziening is gelijk aan het bedrag van de door het college
                                geaccepteerde offerte.</al></li><li nr="3."><al>De tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten bedraagt €
                                2.325,18</al></li><li nr="4."><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens de verordening een
                                woonvoorziening heeft ontvangen van meer dan € 10.000,-- en die
                                leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze
                                woning binnen een periode van 5 jaar na gereedmelding van de
                                voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college
                                te melden. De berekening van de meerwaarde van de woning en de wijze
                                van terugbetalen van de meerwaarde worden geregeld in het
                                Besluit.</al></li><li nr="5."><al>Voor de toepassing van dit besluit wordt de meerwaarde van de
                                woning, als bedoeld in het vierde lid gelijkgesteld aan 80% van de
                                verleende financiële tegemoetkoming. </al></li><li nr="6."><al>De terugbetaling, als bedoeld in het vierde lid bedraagt:</al></li><li nr="•"><al>gedurende het eerste jaar 100 % van de meerwaarde;</al></li><li nr="•"><al>gedurende het tweede jaar 80% van de meerwaarde;</al></li><li nr="•"><al>gedurende het derde jaar 60% van de meerwaarde;</al></li><li nr="•"><al>gedurende het vierde jaar 40% van de meerwaarde;</al></li><li nr="•"><al>gedurende het vijfde jaar 20% van de meerwaarde.</al></li><li nr="7."><al>Het college kan afwijken van het in het vierde lid gestelde, indien
                                de eigenaar/bewoner aantoont dat de meerwaarde niet kon worden
                                gehaald bij de verkoop van de woning. </al></li><li nr="8."><al>Voor de aan de toepassing van het onder het zevende lid gestelde kan
                                het college extern advies vragen.</al></li><li nr="9."><al>Het persoonsgebonden budget en de financiële tegemoetkoming bedragen
                                maximaal € 45.000,- en worden alleen verstrekt onder de voorwaarde
                                dat door belanghebbende in de financiering van het niet door
                                subsidie gedekte deel van de aanpassingskosten is voorzien.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Financiële tegemoetkoming vervoersvoorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bedrag dat verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto
                                bedraagt maximaal € 1.373,97 per jaar. </al></li><li nr="2."><al>Het bedrag dat verstrekt wordt voor gebruik van een taxi bedraagt
                                eveneens maximaal € 1.373,97 per jaar. </al></li><li nr="3."><al>Het bedrag dat verstrekt wordt voor gebruik van een rolstoeltaxi
                                bedraagt maximaal € 2.060,96 per jaar. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Financiële tegemoetkoming sportrolstoel</titel></kop><al>Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt in de vorm van een bijdrage
                        ineens. Deze bijdrage ineens bedraagt € 2.642,25, welk bedrag bedoeld is als
                        tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel voor een
                        periode van drie jaar.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bezoekbaar maken woning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een woonvoorziening treffen voor het bezoekbaar
                                maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf
                                heeft in een AWBZ-instelling.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></li><li nr="3."><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het eerste lid bedoelde woonruimte.</al></li><li nr="4."><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het middels een
                                woonvoorziening bewerkstelligen dat de aanvrager de woonruimte, de
                                woonkamer en een toilet kan bereiken.</al></li><li nr="5."><al>De financiële tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken als bedoeld
                                in het eerste lid is gelijk aan de kosten van de goedkoopst
                                compenserende oplossing.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Eigen bijdrage en eigen aandeel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen in natura of in de
                                vorm van een persoonsgebonden budget is de aanvrager een eigen
                                bijdrage verschuldigd.</al></li><li nr="2."><al>Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van
                                een financiële tegemoetkoming is een eigen aandeel verschuldigd.
                            </al></li><li nr="3."><al>Voor de volgende voorzieningen is geen eigen bijdrage/eigen aandeel
                                verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>rolstoelen of een sportrolstoel;</al></li><li nr="b."><al>financiële tegemoetkoming voor individueel vervoer per auto
                                        of taxi;</al></li><li nr="c."><al>vergoeding voor tijdelijke huisvesting en huurderving;</al></li><li nr="d."><al>tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten;</al></li><li nr="e."><al>een voorziening bedoeld voor een belanghebbende jonger dan
                                        18 jaar.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De hoogte van de eigen bijdrage en het eigen aandeel wordt
                                vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.1 lid 1 van het
                                van het landelijke Besluit maatschappelijke ondersteuning en
                                bedraagt nooit meer dan :</al><lijst><li nr="a."><al>de kostprijs van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>de hoogte van het verstrekte persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="c."><al>de hoogte van de verstrekte financiële tegemoetkoming.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De termijn van de inning van de eigen bijdrage en/of eigen aandeel
                                is:</al><lijst><li nr="a."><al>39 periodes van 4 weken bij de verstrekking van een
                                        bouwkundige of woontechnische voorziening;</al></li><li nr="b."><al>39 periodes van 4 weken bij de verstrekking van een
                                        voorziening in eigendom;</al></li><li nr="c."><al>gelijk aan de verstrekkingsduur van een voorziening in
                                        natura;</al></li><li nr="d."><al>gelijk aan de verstrekkingsduur van een periodiek
                                        persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="e."><al>gelijk aan de afschrijvingstermijn die in de
                                        toekenningbeschikking van het persoonsgebonden budget voor
                                        een voorziening is vermeld;</al></li><li nr="f."><al>de inning van de eigen bijdrage stopt bij overlijden van
                                        belanghebbende.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Vaststelling en inning van de eigen bijdrage en het eigen aandeel
                                wordt gedaan door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Eigen bijdrage en eigen aandeel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager heeft geen recht op een voorziening als bedoeld in
                                artikel 10 van de verordening indien hij eigenaar is van de aan te
                                passen woning en het in de woning gebonden vermogen hoger is dan 1,5
                                maal de vermogensdrempel zoals genoemd in artikel 34 lid 2 onderdeel
                                d van de Wet werk en bijstand (Wwb).</al></li><li nr="2."><al>Het in de woning gebonden vermogen bedoeld in lid 1 (ook wel
                                overwaarde genoemd) is gelijk aan de waarde van de woning in het
                                economisch verkeer bij vrije verkoop, minus de openstaande hoofdsom
                                van de geldlening in verband met op de woning gevestigde recht van
                                hypotheek.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in lid 1 blijft buiten toepassing indien :</al><lijst><li nr="a."><al>de totale kosten van de noodzakelijk geachte
                                        woningaanpassing in lid 1 niet hoger is dan €
                                        10.000,00.</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager blijkens de schriftelijke afwijzing van een
                                        tweetal erkende kredietverstrekkers niet in staat is middels
                                        het geven van een recht van hypotheek het vermogen als
                                        bedoeld in lid 2 te gelde te maken tot tenminste het bedrag
                                        dat nodig is om de woonvoorziening te realiseren.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van dit Besluit
                        geldende bedragen verhogen of verlagen conform het CBS prijsindexcijfer voor
                        de gezinsconsumptie.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Uitgeest 2010 wordt
                        ingetrokken per 1 januari 2013.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning
                        Uitgeest 2013.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het college van de gemeente</ondertekening><ondertekening>Uitgeest in haar openbare vergadering van 18 december 2012.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>Algemeen</al><al>Dit besluit is gebaseerd op artikel 17 van de verordening.</al><al>De systematiek van de verordening is dat steeds algemene voorzieningen het
                        primaat hebben. Bij algemene voorzieningen is geen persoonsgebonden budget
                        mogelijk, waar tegenover staat dat de algemene voorziening een snel te
                        realiseren oplossing biedt en er bij algemene voorzieningen een eenvoudige
                        en lichte toelatingstoets geldt.</al><al/><al/><al>Artikelsgewijs</al><al/><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al>Dit spreekt voor zich.</al><al/><al>Artikel 2 Regels rond verstrekking en verantwoording</al><al>Verstrekking van een voorziening vindt plaats op verzoek van de aanvrager.
                        De aanvrager kan bij de aanvraag aangeven in welke vorm hij de voorziening
                        wil ontvangen. </al><al/><al>Niet in alle situaties is het mogelijk een persoonsgebonden budget te
                        ontvangen. In het geval van schulden, schuldsanering of
                        verslavingsproblematiek is de kans dusdanig groot dat het geld voor andere
                        doeleinden wordt gebruikt, dat daarom geen persoonsgebonden budget zal
                        worden verstrekt.</al><al/><al>Het is mogelijk het persoonsgebonden budget op rekening van een hiertoe
                        gemachtigde derde te storten, zulks ter beoordeling van de
                        indicatieadviseur. </al><al/><al>De gemeente heeft gekozen voor een volledige verantwoording na afloop van
                        het kalenderjaar.</al><al/><al>De gemeente legt aan de budgethouder de verplichting op om een zorgvuldige
                        administratie bij te houden over de bestedingen uit het persoonsgebonden
                        budget. Bij langdurige verstrekkingen, zoals hulp bij het huishouden, zal
                        die administratie gebaseerd moeten zijn op schriftelijke overeenkomsten. Bij
                        eenmalige verstrekkingen is het niet nodig om te vragen om schriftelijke
                        overeenkomsten en kan volstaan worden met het overleggen van facturen van
                        leveranciers binnen een vooraf vastgestelde termijn. Die facturen dienen
                        zodanig te worden opgesteld, dat de leveranciers ook voor de belastingdienst
                        te achterhalen zijn. Bij de verantwoording en controle zal de gemeente
                        onderscheid moeten maken tussen langlopende verstrekkingen (bijvoorbeeld van
                        hulp bij het huishouden) en eenmalige verstrekkingen (bijvoorbeeld van
                        rolstoelen, scootmobielen of hulpmiddelen en aanpassingen in en om de
                        woning). Langlopende verstrekkingen zullen per vooraf vastgestelde periode
                        verantwoord moeten worden, eenmalige verstrekkingen kunnen ook eenmalig
                        worden verantwoord.</al><al/><al>Zodra een voorziening, aangeschaft met een persoonsgebonden budget, niet
                        meer gebruikt wordt, bijv. omdat de betrokkene overlijdt, kan deze
                        voorziening worden ingenomen door het college. </al><al/><al>Het persoonsgebonden budget dient te worden besteed aan waar het voor is
                        bestemd. Geld dat niet wordt gegeven aan de geïndiceerde zorg of daar bij
                        komende overhead kan worden teruggevorderd door de gemeente. </al><al/><al/><al>Artikel 3 Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget hulp bij het
                        huishouden</al><al>In dit artikel wordt aangegeven hoe het persoonsgebonden budget voor de hulp
                        bij het huishouden wordt vastgesteld.</al><al/><al>Hulp bij het huishouden categorie 1 bestaat uit huishoudelijke
                        werkzaamheden. </al><al/><al>Hulp bij het huishouden categorie 2 bestaat uit huishoudelijke
                        werkzaamheden, aangevuld met organisatie van het huishouden. </al><al/><al>Bij de vaststelling van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het
                        huishouden is door de gemeente gekozen voor vaststelling op basis van het
                        aantal geïndiceerde uren. </al><al>Artikel 6 van de Wmo gaat uit van een voorziening in natura of het ontvangen
                        van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget. Omdat het
                        persoonsgebonden budget bestaat uit een geldbedrag, mag uit de wettekst
                        worden afgeleid dat dit geldbedrag vergelijkbaar moet zijn met het bedrag
                        dat de gemeente betaalt voor de voorziening in natura. De gemeente heeft
                        onder de bestaande budgethouders onderzoek gedaan. De budgethouders moeten
                        met het geldbedrag in staat worden geacht dezelfde hulp in te kopen als de
                        gemeente doet. </al><al/><al>Artikel 4 Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget overige
                        voorzieningen</al><al>Artikel 4 regelt de wijze waarop een persoonsgebonden budget voor overige
                        voorzieningen wordt vastgesteld. Hierbij wordt uitgegaan, conform de
                        Verordening, van de goedkoopst adequate voorziening. Als daar sprake van is
                        kan verhoging plaatsvinden met een bedrag noodzakelijk voor onderhoud,
                        reparatie en verzekering. Het persoonsgebonden budget wordt aangegaan voor
                        de periode van de gemiddelde economische levensduur. </al><al/><al>Artikel 5 Financiële tegemoetkomingen woonvoorzieningen </al><al>In artikel 5, lid 2, is geregeld hoe de financiële tegemoetkoming voor een
                        woonvoorziening wordt vastgesteld.</al><al>Het gaat daarbij om de kosten van de door het college goedgekeurde offerte.
                        Daarin kan een aantal kosten teruggevonden worden. Te denken valt hierbij
                        aan de kosten van bouw, maar ook aan eventuele kosten architect, kosten van
                        vergunningen en kosten van toezicht.</al><al>Door uit te gaan van de kosten van de goedgekeurde offerte is het mogelijk
                        per offerte andere kosten mee te nemen. Zo zullen toezichtkosten bij een
                        kleine verbouwing geen rol spelen. </al><al/><al>Artikel 5, lid 6 geeft het afschrijvingsschema aan volgens welk schema bij
                        verkoop binnen 5 jaar een eventueel bedrag, dat het gevolg is van de
                        meerwaarde van de woning door de aanpassing, aan het college moet worden
                        terugbetaald.</al><al/><al>Artikel 6 Financiële tegemoetkoming vervoersvoorzieningen</al><al>Artikel 6 tenslotte legt een aantal bedragen vast voor de
                        autokostenvergoeding, de taxikostenvergoeding en de vergoeding van de
                        rolstoeltaxi. </al><al/><al>Artikel 7 Financiële tegemoetkoming sportrolstoel</al><al>Deze bijdrage dient beschouwd te worden als tegemoetkoming in de kosten van
                        aanschaf en onderhoud voor een periode van drie jaar. Na drie jaar kan
                        opnieuw een bijdrage ineens worden toegekend.</al><al/><al>Artikel 8 Bezoekbaar maken woning</al><al>Het betreft hier een bovenwettelijke uitzondering voor het bezoekbaar maken
                        van een woonruimte voor bezoek aan ouders of andere familieleden. Omdat met
                        de wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten geregelde zorgplicht (in de Wvg was bezoekbaar maken
                        opgenomen) in te krimpen is deze bovenwettelijke voorziening opgenomen. </al><al>“Bezoekbaar maken” wordt gelimiteerd tot het bereikbaar maken van de
                        woonruimte zelf en enkele essentiële ruimten daarin, en kan bovendien in
                        financiële zin worden gemaximeerd. </al><al/><al>Artikel 9, 10, 11, 12, 13 en 14</al><al>Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>