<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR62787_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening leerlingenvervoer Gemeente Uitgeest 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uitgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">officielebekendmakingen.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer Gemeente Uitgeest 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet passend onderwijs art. 4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-06-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling De Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertise centra en de Wet op het voortgezet onderwijs verplichten gemeenten om onder bepaalde voorwaarden de kosten van het vervoer van leerlingen te vergoeden, die worden gemaakt om een school te kunnen bezoeken. De gemeenteraad heeft de wettelijke taak om daarvoor een regeling (verordening) vast te stellen, waarin het leerlingenvervoer nader wordt geregeld. Gezien de invoering van Passend onderwijs zijn de hiervoor genoemde wetten gewijzigd. Dit maakt ook dat de wettelijke bepalingen voor het leerlingenvervoer zijn gewijzigd en daarom een nieuwe verordening leerlingenvervoer moet worden vastgesteld. Wijzigingen zijn: - VSO-leerlingen: met name het feit dat de VSO-doelgroep, die de mogelijkheid heeft zelfstandig (of onder begeleiding) te reizen, volledig uit de modelverordening is gelaten is besproken en afgewogen. Op 20 oktober 2014 is hierover opiniërend gesproken tussen de portefeuillehouders BUCH. De afweging heeft geleid tot het opnemen van een afstandscriterium voor VSO-leerlingen (verruiming van de verordening) met artikel 17 lid 2: indien de leerling een school voor voortgezet speciaal onderwijs bezoekt en zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken verstrekt het college bekostiging indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan 12 km bedraagt. De andere gemeenten in de regio Alkmaar hanteren ook deze verruiming. - Opnemen psychische handicap als toekenningsgrond. - Opnemen van artikel 24 ‘aanvullende voorwaarden’. De verordening moet rekening houden met van ouders te vergen inzet. Om hieraan invulling te kunnen geven is artikel 24 aan de verordening toegevoegd. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid aanvullende voorwaarden te stellen aan ouders die een beroep willen doen op deze verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R2014.0090</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>subsidie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening leerlingenvervoer Gemeente Uitgeest 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Verordening leerlingenvervoer Gemeente Uitgeest 2015 </al><al/><al>De raad van de gemeente Uitgeest:</al><al/><al>Gelezen het voorstel van het college van 28 oktober 2014;</al><al/><al>Gezien het advies van de commissie Samenlevingszaken van 17 november 2014 </al><al/><al>Gelet op artikel 149 Gemeentewet, artikelen 4 van de Wet op het primair
                        onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet
                        onderwijs, de Wet passend onderwijs;</al><al/><al>besluit vast te stellen de Verordening leerlingenvervoer Gemeente Uitgeest
                        2015</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>§</nr><titel>1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer,
                                    taxi, taxibus of bustaxi;</al></li><li nr="-"><al>afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de
                                    kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige
                                    weg;</al></li><li nr="-"><al>begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om
                                    de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;</al></li><li nr="-"><al>commissie van onderzoek: commissie als bedoeld in artikel 41,
                                    tweede lid, van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="-"><al>commissie voor de begeleiding: commissie als bedoeld in artikel
                                    40b van de Wet op de expertisecentra; </al></li><li nr="-"><al>eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets;</al></li><li nr="-"><al>inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en
                                    onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het
                                    peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het
                                    primair onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>leerling: leerling van een school als bedoeld in dit
                                    artikel;</al></li><li nr="-"><al>ondersteuningsplan:</al></li><li nr="1."><al>voor het primair onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in
                                    artikel 18a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het
                                    primair onderwijs; of</al></li><li nr="2."><al>voor het voortgezet onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in
                                    artikel 17a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in
                                    artikel 17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer per
                                    bus, trein, metro, tram, veerdienst of auto;</al></li><li nr="-"><al>opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer;</al></li><li nr="-"><al>ouders: ouders, voogden of verzorgers van de leerling;</al></li><li nr="-"><al>regionale verwijzingscommissie: commissie als bedoeld in artikel
                                    10g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de
                                    woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids,
                                    minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het
                                    schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt
                                    dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt
                                    tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de
                                    aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het
                                    openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van
                                    aangepast vervoer;</al></li><li nr="-"><al>samenwerkingsverband:</al></li><li nr="1."><al>voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in
                                    artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair
                                    onderwijs; of</al></li><li nr="2."><al>voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld
                                    in artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>school: </al></li><li nr="1."><al>basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld
                                    in de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="2."><al>school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet
                                    speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld
                                    in de Wet op de expertisecentra; of</al></li><li nr="3."><al>school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen
                                    van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting
                                    dan wel de openbare school;</al></li><li nr="-"><al>vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer
                                    tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat
                                    plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de
                                    schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap
                                    van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk
                                    maakt;</al></li><li nr="-"><al>vervoersvoorziening: </al></li><li nr="1."><al>bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar
                                    vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; </al></li><li nr="2."><al>aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of
                                    doet verzorgen; of</al></li><li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college
                                    noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig
                                    diens begeleider;</al></li><li nr="-"><al>woning: plaats waar de leerling structureel en feitelijk
                                    verblijft.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De door het college noodzakelijk te achten
                                vervoersvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders
                                    van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een
                                    vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in
                                    deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt
                                    zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging
                                    van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten
                                    hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze
                                    verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer.
                                    Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige
                                    volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de
                                    vervoersvoorziening vervallen.</al></li><li nr="3."><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                                    verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                                    kinderen.</al></li><li nr="4."><al>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt
                                    de vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de
                                    leerling.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                school</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen
                                    de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de
                                    leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder
                                    weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee
                                    zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school
                                    schriftelijk instemmen.</al></li><li nr="2."><al>Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het
                                    bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is
                                    gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort,
                                    ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar
                                    eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt
                                    verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar
                                    onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle
                                    bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is
                                    aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.</al></li><li nr="3."><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een
                                    vervoersvoorziening het ondersteuningsplan, zoals dat is
                                    vastgesteld door het samenwerkingsverband na overleg met het
                                    college.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening</titel></kop><al>Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de
                            wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling,
                            alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door
                                    indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de
                                    ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier
                                    vermelde gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag
                                    noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende
                                    gegevens te verstrekken.</al></li><li nr="3."><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na
                                    ontvangst van alle benodigde gegevens.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                    hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="5."><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de
                                            door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat
                                            de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de
                                            aanvraag;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het de aanbieding van aangepast vervoer betreft,
                                            met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de
                                            door de ouders verzochte datum.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen
                                    zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van
                                    de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen
                                    aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de
                                    toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en
                                    kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening
                                    toe.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste
                                    lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid
                                    vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een
                                    vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de
                                    vervoersvoorziening terstond en kent het college al dan niet
                                    opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college deelt zijn
                                    besluit schriftelijk mee aan de ouders.</al></li><li nr="4."><al>Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                                    teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw
                                    verstrekte vervoersvoorziening.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het toekennen van een vervoersvoorziening op basis van artikel 11
                            is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar
                            waarop de voorziening betrekking heeft.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling
                            betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering
                            gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht. </al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>§</nr><titel>2 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                            primair onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van
                                scholen voor primair onderwijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder school:</al><lijst><li nr="a."><al>een basisschool of speciale school voor basisonderwijs
                                            als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; of</al></li><li nr="b."><al>een school voor speciaal onderwijs of een school voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            de Wet op de expertisecentra. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Deze paragraaf is niet van toepassing op leerlingen van scholen
                                    voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs die voortgezet
                                    onderwijs volgen.</al></li><li nr="3."><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt een
                                    vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning
                                    dan wel de opstapplaats en:</al><lijst><li nr="a."><al>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke
                                            speciale school voor basisonderwijs in het
                                            samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de
                                            leerling afkomstig is, of</al></li><li nr="b."><al>een andere speciale school voor basisonderwijs in het
                                            onder a bedoelde samenwerkingsverband, indien het
                                            vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten
                                            met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de
                                            speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder
                                            a.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                    leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen
                                    die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een
                                    school zoals bedoeld onder artikel 9 bezoekt bekostiging op
                                    basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand
                                    van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke
                                    school meer dan zes km bedraagt.</al></li><li nr="2."><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het
                                    eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al
                                    dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer
                                    per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis
                                    van de kosten van het vervoer per fiets.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per
                                fiets ten behoeve van een begeleider</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een
                                    school zoals bedoeld onder artikel 9 bezoekt bekostiging op
                                    basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per
                                    fiets van de leerling en een begeleider indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                            artikel 10 en de leerling jonger dan negen jaar is, en
                                            door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam
                                            wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is
                                            zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik
                                            te maken, of</al></li><li nr="b."><al>de leerling door een structurele lichamelijke,
                                            verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet
                                            zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik
                                            kan maken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                    komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                    begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van
                                    aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school
                                    zoals bedoeld onder artikel 9 bezoekt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de
                                            artikelen 10 of 11 en de leerling met gebruikmaking van
                                            openbaar vervoer naar school of terug, meer dan
                                            anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast
                                            vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                            vervoer kan worden teruggebracht;</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de
                                            artikelen 10 of 11 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij
                                            de leerling naar het oordeel van het college al dan niet
                                            onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per
                                            fiets;</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                            artikel 11 en door de ouders ten behoeve van het college
                                            genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de
                                            leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel
                                            tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een
                                            andere oplossing niet mogelijk is; of</al></li><li nr="d."><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op
                                            zijn structurele lichamelijke, verstandelijke,
                                            zintuiglijke, of psychische handicap niet in staat is –
                                            ook niet onder begeleiding –van openbaar vervoer gebruik
                                            te maken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, vergoedt
                                    het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke
                                    verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het
                                    aangepast vervoer.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het
                                    college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                    zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></li><li nr="2."><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling
                                    zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar
                                            vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op
                                            basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens
                                            het bepaalde in het vijfde lid; of</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                            auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                            aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van
                                            aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                            lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een
                                    leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                    bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto
                                    afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde
                                    in het vierde lid.</al></li><li nr="4."><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door
                                    andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of
                                    meer leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de
                                    Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging
                                    verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het
                                    college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt
                                    het college aan de ouders een bedrag op basis van een
                                    kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling
                                    binnenland.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor
                                    basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs, zoals
                                    bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het
                                    inkomen tezamen meer bedraagt dan € 24.300,- wordt slechts
                                    bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van
                                    die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in
                                    artikel 10 bepaalde afstand te boven gaan.</al></li><li nr="2."><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te
                                    kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen
                                    de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of
                                    een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling
                                    per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten
                                    van het openbaar vervoer over de in artikel 10 bepaalde afstand,
                                    indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan €
                                    24.300,-</al></li><li nr="3."><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede
                                    lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik
                                    van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende
                                    OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 10 bepaalde afstand
                                    redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid
                                    van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het
                                    bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen
                                    die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.</al></li><li nr="4."><al>Het bedrag van € 24.300,- genoemd in het eerste en tweede lid,
                                    wordt met ingang van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de
                                    wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van
                                    volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het
                                    voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van €
                                    450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het
                                    eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 24.300,-.</al></li><li nr="5."><al>Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens
                                    hun structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of
                                    psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
                                    aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet
                                    zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                    toegankelijke school voor basisonderwijs (zoals bedoeld in de
                                    Wet op het primair onderwijs) meer dan 20 km bedraagt, wordt de
                                    vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële
                                    draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.</al></li><li nr="2."><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te
                                    kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de
                                    afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                    school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de
                                    ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage
                                    tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                    bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin
                                    en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de
                                    ouders.</al><al>Zij bedragen: </al><al/><al>Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s</al><al>0-32.500 Nihil</al><al>32.500-39.500 135</al><al>39.500-45.500 570</al><al>45.500-51.500 1060</al><al>51.500-58.500 1545</al><al>58.500-65.000 2040</al><al>65.000 en verder Voor elke extra € 5.000: € 500 erbij </al><al/></li><li nr="4."><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang
                                    van 1 januari 2015 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                    indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                                    ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar,
                                    en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.</al></li><li nr="5."><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid,
                                    worden met ingang van 1 januari 2015 jaarlijks aangepast aan de
                                    wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle
                                    huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan
                                    ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en
                                    rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.</al></li><li nr="6."><al>Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens
                                    hun structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of
                                    psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
                                    aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet
                                    zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>§</nr><titel>3 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                            voortgezet onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van
                                scholen voor voortgezet onderwijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder school:</al><lijst><li nr="a."><al>een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de
                                            Wet op het voortgezet onderwijs; of</al></li><li nr="b."><al>een school voor speciaal onderwijs of een school voor
                                            voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op
                                            de expertisecentra.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                    leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen
                                    die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer (met begeleiding)
                                en vervoer per fiets</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een
                                    school zoals bedoeld onder artikel 16 bezoekt bekostiging op
                                    basis van de kosten van het openbaar vervoer van de leerling en
                                    een begeleider, indien de leerling door een structurele
                                    lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, of psychische
                                    handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets
                                    gebruik kan maken.</al></li><li nr="2."><al>indien de leerling een school voor voortgezet speciaal onderwijs
                                    bezoekt en zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets
                                    gebruik kan maken verstrekt het college bekostiging indien de
                                    afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem
                                    toegankelijke school meer dan 12 km bedraagt.</al></li><li nr="3."><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                    komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                    begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het
                                    openbaar vervoer, zoals bedoeld in het eerste lid, verstrekt het
                                    college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het
                                    vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het
                                    college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per
                                    fiets.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van
                                    aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school
                                    zoals bedoeld onder artikel 16 bezoekt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                            artikel 17 en de leerling met gebruikmaking van openbaar
                                            vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur
                                            onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50%
                                            of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                                            worden teruggebracht;</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                            artikel 17 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de
                                            leerling naar het oordeel van het college onder
                                            begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per
                                            fiets;</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                            artikel 17 en door de ouders ten behoeve van het college
                                            genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de
                                            leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel
                                            tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een
                                            andere oplossing niet mogelijk is; of</al></li><li nr="d."><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op
                                            zijn structurele lichamelijke, verstandelijke,
                                            zintuiglijke, of psychische handicap niet in staat is –
                                            ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer
                                            gebruik te maken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien begeleiding in het aangepaste vervoer vereist is,
                                    vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten
                                    welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het
                                    aangepaste vervoer.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het
                                    college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                    zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></li><li nr="2."><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling
                                    zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar
                                            vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op
                                            basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens
                                            het bepaalde in het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                            auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                            aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van
                                            aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                            lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een
                                    leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                    bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto
                                    afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde
                                    in het vierde lid.</al></li><li nr="4."><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door
                                    andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of
                                    meer leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de
                                    Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging
                                    verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het
                                    college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt
                                    het college aan de ouders een bedrag op basis van een
                                    kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling
                                    binnenland.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>§</nr><titel>4 Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie
                                aan in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Met inachtneming van artikel 3 kent het college desgewenst een
                            vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in
                            de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het
                            volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een
                            internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze
                            paragraaf.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor
                                    het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per
                                    weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin
                                    waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en
                                    terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het
                                    tweede lid bedoelde schoolvakanties.</al></li><li nr="2."><al>Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor
                                    het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per
                                    schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het
                                    internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de
                                    woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt
                                    in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.</al></li><li nr="3."><al>Paragraaf 2 en 3 van deze verordening zijn van overeenkomstige
                                    toepassing, met uitzondering van artikel 12, eerste lid, aanhef
                                    en onder a, en artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>§</nr><titel>5 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs
                            aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze
                            verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Aanvullende voorwaarden</titel></kop><al>Het college kan aanvullende voorwaarden stellen aan ouders die een
                            beroep willen doen op deze verordening.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening leerlingenvervoer Gemeente Uitgeest 2009 wordt
                            ingetrokken.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het
                                    verstrijken van een termijn van zes weken na de datum van
                                    publicatie in de Uitgeester. Deze verordening wordt aangehaald
                                    als: Verordening leerlingenvervoer Gemeente Uitgeest 2015. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 december
                        2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>De griffier, </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>Verordening leerlingenvervoer gemeente Uitgeest</titel></kop><al>Algemeen</al><al/><al>Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen
                                    is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn
                                    structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen
                                    dan een beroep doen op de verordening leerlingenvervoer.</al><al/><al>Wettelijke plicht</al><al>De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te
                                    stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid,
                                    van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4,
                                    eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO)
                                    en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra
                                    (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de door het college
                                    noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het
                                    schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor
                                    basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten
                                    bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als
                                    om instellingen voor cluster 1 en cluster 2.</al><al>De modelverordening geeft uitvoering aan de taakstelling van de
                                    gemeentebesturen.</al><al/><al>Inhoud en indeling modelverordening</al><al>Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag
                                    kunnen indienen, bevat deze modelverordening criteria aan de
                                    hand waarvan ouders aanspraak kunnen maken op een
                                    vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de
                                    verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij
                                    de ouders blijft.</al><al>De modelverordening volgt de indeling van de
                                    samenwerkingsverbanden passend onderwijs: primair onderwijs en
                                    voortgezet onderwijs.</al><al/><al>Vervoersvoorziening</al><al>In de modelverordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’
                                    gehanteerd. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een
                                    kostendekkende betaling. Zo is ook een voorziening mogelijk in
                                    de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet
                                    verzorgen. </al><al>Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt
                                    verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te
                                    zijn. </al><al/><al>Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van het openbaar
                                    vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen
                                    gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met
                                    begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer.</al><al>Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze
                                    hiervoor toestemming te vragen aan het college. De bekostiging
                                    van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de
                                    vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het
                                    college kan toestemming weigeren op grond van de kosten.</al><al/><al/><al/><al>Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage </al><al>De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor
                                    basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                                    bezoekt een drempelbedrag in rekening brengen. De ouderlijke
                                    bijdrage is hierbij gekoppeld aan de door de gemeente
                                    vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de
                                    woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op
                                    leerlingenvervoer. In de modelverordening is deze grens
                                    vastgesteld op zes kilometer. De ouderlijke bijdrage is dan
                                    gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand.
                                    Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht.</al><al>Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van
                                    leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer
                                    dan 20 kilometer van de woning is gelegen. Deze bijdrage is
                                    afhankelijk van de draagkracht en wordt per gezin geheven.</al><al/><al>Voorwaarden toekenning leerlingenvervoer</al><al>Zie het ‘Schema voorwaarden toekenning leerlingenvervoer’: </al><al>Modelverordening leerlingenvervoer_Schema voorwaarden toekenning
                                    leerlingenvervoer.pdf.</al><al/><al>Artikelsgewijze toelichting </al><al/><al>§ 1 Algemene bepalingen </al><al/><al>Artikel 1. Begripsomschrijving</al><al>- afstand</al><al>De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor
                                    elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd.
                                    Het verdient aanbeveling de ouders bij de aanvraag te informeren
                                    over de wijze waarop de afstand wordt gemeten.</al><al/><al>De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te
                                    zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de
                                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna:
                                    ABRvS) 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en
                                    daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de
                                    terugweg, volgens een uitspraak van de ABRvS (27 december 1989,
                                    nr. R03.88.7309). </al><al/><al>- inkomen</al><al>Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel
                                    4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar
                                    voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor
                                    bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint.</al><al/><al>- leerling</al><al>Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt
                                    dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om
                                    als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van
                                    de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald
                                    dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf
                                    dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken.
                                    Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet,
                                    en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een
                                    vervoersvoorziening.</al><al/><al>Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat
                                    ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs
                                    aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt
                                    voldaan aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening
                                    leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet
                                    van belang.</al><al/><al>Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende
                                    scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van
                                    circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking
                                    WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen
                                    geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor
                                    noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het
                                    schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding
                                    van die scholen.</al><al/><al>- ondersteuningsplan</al><al>Het ondersteuningsplan speelt in het passend onderwijs een
                                    belangrijke rol. Het plan dient te verwezenlijken dat leerlingen
                                    een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken, en dat
                                    leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend
                                    mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Ook wordt het
                                    basisondersteuningsniveau aangegeven, dat voor elke school
                                    geldt. </al><al>Het ondersteuningsplan omvat onder meer de procedure en criteria
                                    voor de verdeling, besteding en toewijzing van de
                                    ondersteuningsmiddelen en – voorzieningen aan de scholen. Ook
                                    moeten de procedure en de criteria voor de plaatsing van
                                    leerlingen op speciale scholen voor basisonderwijs in het
                                    samenwerkingsverband en op scholen voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs in het plan worden opgenomen, evenals de procedure en
                                    criteria voor terug- of overplaatsing naar reguliere
                                    scholen.</al><al/><al>Het samenwerkingsverband stelt het ondersteuningsplan vast, maar
                                    de gemeente heeft een belangrijke rol: over het concept van het
                                    plan dient eerst op overeenstemming gericht overleg (hierna:
                                    OOGO) te hebben plaatsgevonden met het college van de gemeenten
                                    die binnen het gebied van het samenwerkingsverband zijn gelegen
                                    (artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende
                                    lid, van de WVO).</al><al/><al>- opdc</al><al>Een orthopedagogisch-didactisch centrum kan worden aangemerkt
                                    als ‘school’, wanneer het gaat om het geven van onderwijs.</al><al/><al>- openbaar vervoer</al><al>Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is
                                    aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd
                                    in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering
                                    van de zinsnede ‘volgens een dienstregeling’; zodoende kan ook
                                    de regiotaxi desgewenst als een vorm van openbaar vervoer worden
                                    beschouwd. </al><al>In de verordening is de begripsomschrijving uitgebreid met
                                    ‘veerdienst’.</al><al/><al>- opstapplaats</al><al>Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor
                                    goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale
                                    opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden
                                    vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet
                                    thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet
                                    onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de
                                    gemeente aangewezen opstapplaats.</al><al>Een reistijd naar de opstapplaats van dertig minuten achtte de
                                    ABRvS alleszins redelijk (26 februari 1992, nr.
                                    R03.89.0419/83-107).</al><al/><al>- ouders</al><al>De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de
                                    WEC.</al><al>Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen
                                    daarmee onder het begrip ‘ouders’.</al><al/><al>- reistijd</al><al>De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de
                                    tijd die een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te
                                    kunnen vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde
                                    leerling met aangepast vervoer naar en van school te vervoeren.
                                    Immers, wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar
                                    vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is
                                    en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                    reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, komt de
                                    leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 12,
                                    eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 18, eerste lid, aanhef
                                    en onder a).</al><al/><al>De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij
                                    de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten voor de
                                    aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor
                                    de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele
                                    wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de
                                    schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met
                                    aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te
                                    verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan
                                    ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de
                                    berekende duur van de rit. Deze periode vond ook de ABRvS
                                    redelijk (5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538).</al><al/><al>- samenwerkingsverband</al><al>Onder 1°: Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat
                                    volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald
                                    aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen,
                                    speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal
                                    onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal
                                    onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd,
                                    behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen
                                    vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij
                                    een landelijk samenwerkingsverband. </al><al>Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en
                                    voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster
                                    4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het
                                    samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit
                                    samenwerkingsverband.</al><al>Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet
                                    tot het samenwerkingsverband.</al><al/><al>Onder 2°: Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat
                                    volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een bepaald
                                    aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor
                                    voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs
                                    en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor
                                    zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd,
                                    behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen
                                    vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij
                                    een landelijk samenwerkingsverband. </al><al>Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor
                                    speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster
                                    3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van
                                    het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit
                                    samenwerkingsverband.</al><al>Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet
                                    tot het samenwerkingsverband.</al><al/><al>- school</al><al>Speciaal onderwijs: In de WEC gaat het om onderwijs aan dove
                                    kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige
                                    spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk
                                    gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk
                                    lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig
                                    gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan
                                    pedologische instituten.</al><al/><al>De WEC onderscheidt de volgende clusters:</al><al/><al>Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel
                                    meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap,</al><al/><al>Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen
                                    en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig
                                    gehandicapte kinderen met een van deze handicaps,</al><al/><al>Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een
                                    lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer
                                    moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte
                                    kinderen met een van deze handicaps en</al><al/><al>Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met
                                    een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en
                                    kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.</al><al/><al>Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in
                                    instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip
                                    ‘school’.</al><al/><al>Voortgezet onderwijs: In de WVO gaat het om scholen voor
                                    voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger
                                    algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend
                                    middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en praktijkonderwijs
                                    (hierna: pro). </al><al>Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar
                                    betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo.</al><al/><al>- stage</al><al>Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van
                                    scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal
                                    onderwijs. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het
                                    voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar
                                    minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs
                                    verplicht (artikel 17, eerste lid, van de WEC).</al><al>Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres
                                    aan te merken als ‘school’. </al><al/><al>- toegankelijke school</al><al>Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of geestelijke
                                    toestand zijn aangewezen op een bepaalde school.</al><al>In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair
                                    onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een
                                    speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband
                                    of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4
                                    (artikel 18a, zesde lid, van de WPO). Het samenwerkingsverband
                                    laat zich daarbij adviseren door deskundigen.</al><al/><al>De WVO kent een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband
                                    voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is
                                    tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17a, zesde lid,
                                    van de WVO). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich
                                    daarbij laat adviseren door deskundigen.</al><al/><al>Vooralsnog bepaalt de regionale verwijzingscommissie de
                                    toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs (artikel 10g van de
                                    WVO) en beslist of een leerling op leerwegondersteunend
                                    onderwijs is aangewezen (artikel 10e van de WVO). Met ingang van
                                    1 augustus 2015 wordt het praktijkonderwijs en het
                                    leerwegondersteunend onderwijs in het passend onderwijs
                                    geïntegreerd; dan beslist het samenwerkingsverband of een
                                    leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of is
                                    aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.</al><al/><al>Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een
                                    afwijkende procedure. In de WEC is bepaald dat de commissie van
                                    onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het
                                    onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de
                                    instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een
                                    andere school (artikel 41, tweede lid, van de WEC).</al><al/><al>- vervoer</al><al>Indien de gemeente opstapplaatsen hanteert, is dit in de
                                    verordening opgenomen. Zie ook de toelichting op artikel 1 onder
                                    ‘opstapplaats’.</al><al/><al>Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde
                                    van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Alleen
                                    wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap
                                    slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in
                                    een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden.
                                    Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke
                                    aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens
                                    schooltijd.</al><al/><al>Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet
                                    onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De
                                    vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg
                                    met leerlingen, ouders en de school, bepaalde
                                    vervoersarrangementen en -combinaties mogelijk, waarbij dan de
                                    leerlingen beurtelings een bepaalde tijd moeten wachten op het
                                    vervoer.</al><al/><al>- vervoersvoorziening</al><al>De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen
                                    verzorgen, dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling
                                    ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt. </al><al/><al>- woning</al><al>Onder ‘woning’ wordt in de modelverordening verstaan: de plaats
                                    waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is
                                    het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind
                                    staan ingeschreven.</al><al/><al>Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft,
                                    bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een
                                    aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend
                                    te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden
                                    voor noodzakelijke opvang van de leerling elders.</al><al/><al>Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na
                                    afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse
                                    opvang) valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’.</al><al/><al>Artikel 2. De door het college noodzakelijk te achten
                                    vervoersvoorziening</al><al>Ook als het college het vervoer zelf verzorgt of laat verzorgen,
                                    kan het van ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging
                                    van de vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te
                                    betalen voor het vervoer van hun leerlingen (artikel 2, tweede
                                    lid). </al><al>De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is
                                    op ouders van leerlingen die scholen voor basisonderwijs of
                                    speciale scholen voor basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk
                                    van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de woning en
                                    de te bezoeken school (zie artikelen 14 en 15). Indien de ouders
                                    weigeren de bijdrage te betalen of nalatig hierin zijn leidt dit
                                    tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel,
                                    indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje),
                                    tot stopzetting van het vervoer. </al><al/><al>In het tweede lid van artikel 2 komt ook tot uitdrukking dat het
                                    drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit
                                    hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer. </al><al/><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge
                                    de Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In het
                                    derde lid van artikel 2 is deze verantwoordelijkheid nog eens
                                    expliciet vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de
                                    ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De
                                    wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt
                                    deze verantwoordelijkheid van de ouders.</al><al/><al>Het vierde lid van artikel 2 bepaalt dat een leerling die
                                    meerderjarig en handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor
                                    leerlingenvervoer kan indienen, in plaats van de
                                    ouders/verzorgers. </al><al/><al>Artikel 3. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde
                                    toegankelijke school</al><al>In de artikelen 4 van de WPO, de WEC en de WVO is bepaald dat de
                                    gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening de “op
                                    godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van
                                    een school dient te eerbiedigen”. Tevens is in genoemde
                                    artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt
                                    gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Als
                                    toegankelijke school is dan aan te merken de school van de
                                    verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                                    de openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk
                                    de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond
                                    van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. In de verordening
                                    zijn deze bepalingen verankerd in artikel 3.</al><al>Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die
                                    naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste
                                    voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg. </al><al/><al>Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van
                                    een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder
                                    van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak
                                    in principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer naar
                                    en van de dichtst bij de woning gelegen school. Het college is
                                    echter niet verplicht in dat geval deze kosten te vergoeden. Het
                                    college kan besluiten om in het geheel geen bekostiging te
                                    verstrekken, als vervoer aanwezig is waarvan de kosten voor de
                                    gemeente gelijk blijven, ongeacht het feit of de leerling van
                                    dat vervoer gebruik maakt. Bijvoorbeeld in het geval de gemeente
                                    busjes laat rijden naar de dichtstbij gelegen school.</al><al/><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder
                                    van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde
                                    richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer
                                    kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders vragen
                                    ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt
                                    vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde.</al><al/><al>RICHTING </al><al>Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het
                                    (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs
                                    (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de
                                    Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en
                                    het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs,
                                    (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten
                                    slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en
                                    het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen).</al><al/><al>Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip
                                    ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld:
                                    Jenaplanscholen, Montessorischolen, Iederwijsscholen etc.</al><al/><al>Verklaring van bezwaar</al><al>Op grond van artikel 3, tweede lid, dienen ouders van een
                                    leerling die een school bezoekt die op grote afstand is gelegen,
                                    terwijl zich dichterbij andere, ook voor de leerling passende
                                    scholen bevinden, bij de aanvraag van een vervoersvoorziening
                                    schriftelijk te verklaren dat zij overwegende bezwaren hebben
                                    tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van de
                                    dichterbij gelegen bijzondere scholen. Deze verklaring van
                                    bezwaar dient zich te richten tegen de richting van het
                                    bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs, en
                                    niet tegen de onderwijskundige methode die op de school
                                    gehanteerd wordt.</al><al>Het college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een
                                    bepaalde richting inhoudelijk te verifiëren.</al><al/><al>PASSEND ONDERWIJS </al><al>Rol samenwerkingsverband</al><al>De zorgplicht van de school waar de leerling wordt aangemeld is
                                    een van de kernpunten van het passend onderwijs. Wanneer de
                                    school waar de leerling is aangemeld niet zelf in de benodigde
                                    onderwijsondersteuning kan voorzien, is het de
                                    verantwoordelijkheid van deze school om een andere school te
                                    vinden die wel een passende onderwijsplek kan bieden. Is het
                                    niet haalbaar om de leerling binnen het regulier onderwijs te
                                    plaatsen, dan kan een aanbod op het (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs worden gedaan.</al><al>Bij de beoordeling of een school zelf in de benodigde
                                    ondersteuning kan voorzien vormt het schoolondersteuningsprofiel
                                    het uitgangspunt. In dit profiel wordt aangegeven welke
                                    ondersteuning deze school kan bieden. </al><al/><al>Het samenwerkingsverband stelt een ondersteuningsplan op waarin
                                    - onder meer – wordt aangegeven welk niveau van
                                    basisondersteuning voor elke school geldt, hoe de scholen met
                                    elkaar een samenhangend geheel aan ondersteuningsvoorzieningen
                                    hebben gecreëerd, op welke wijze verwijzing naar het
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs plaatsvindt en hoe zij ouders
                                    informeren. Uit het ondersteuningsplan blijkt welke scholen
                                    bepaalde ondersteuning kunnen bieden. </al><al/><al>Op overeenstemming gericht overleg met gemeenten</al><al>In de wet is bepaald dat samenwerkingsverbanden over het concept
                                    van het ondersteuningsplan OOGO voeren met de gemeente(n).
                                    Immers, het beleid van samenwerkingsverbanden en dat van
                                    gemeenten kan over en weer gevolgen hebben. Zo is de gemeente,
                                    behalve voor het leerlingenvervoer, ook verantwoordelijk voor
                                    het toezicht op de naleving van de leerplicht, de
                                    onderwijshuisvesting en het achterstandenbeleid. Bovendien wordt
                                    de gemeente per 1 januari 2015 verantwoordelijk voor de zorg
                                    voor jeugd.</al><al/><al>Het leerlingenvervoer is een van de thema’s die bij het OOGO ter
                                    sprake kunnen komen. In het ondersteuningsplan wordt aangegeven
                                    op welke scholen extra ondersteuning wordt geboden en welke
                                    tussenvoorzieningen er zullen worden gecreëerd. Hiervan is een
                                    helder overzicht nodig, waaruit duidelijk valt op te maken wat
                                    de gevolgen zijn voor het vervoer van leerlingen.</al><al/><al>Gemeenten zijn bij het op overeenstemming gerichte overleg én
                                    bij de voorbereiding daarvan met de scholen in gesprek. De
                                    partijen zijn zodoende van elkaars inspanningen en beleid op de
                                    hoogte. Uit het bovenstaande volgt logischerwijs dat de gemeente
                                    bij de beoordeling van een aanvraag van een vervoersvoorziening
                                    het ondersteuningsplan betrekt, zoals is vastgelegd in het derde
                                    lid van artikel 3.</al><al/><al>Zorg voor jeugd</al><al>De decentralisatie in het jeugddomein vindt plaats op 1 januari
                                    2015. In de concept wettekst is, spiegelbeeldig aan de
                                    betreffende tekst in de onderwijswetten, opgenomen dat gemeenten
                                    verplicht worden om OOGO te voeren met het samenwerkingsverband
                                    over het beleidsplan van de gemeenten - voor zover het de
                                    aansluiting en samenwerking met het onderwijs betreft. Ook bij
                                    dit overleg is het vervoer van leerlingen een thema dat ter
                                    sprake kan komen. </al><al/><al>Instellingen voor cluster 1 en cluster 2</al><al>Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt het
                                    volgende: De instelling of de reguliere school waar de leerling
                                    is aangemeld of staat ingeschreven vraagt de toelaatbaarheid tot
                                    een instelling aan bij de commissie van onderzoek. Deze
                                    commissie beoordeelt aan de hand van criteria of een leerling is
                                    aangewezen op onderwijs op de instelling of op begeleiding
                                    vanuit de instelling.</al><al>Als de leerling niet toelaatbaar is tot de instelling, kunnen
                                    ouders hun kind inschrijven bij een reguliere school of, als
                                    daar reden voor is, bij een school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs. De ouders kiezen zelf voor een school, maar kunnen
                                    daarbij advies krijgen van de commissie van onderzoek van de
                                    instelling. Bepaalt deze commissie dat de leerling extra
                                    ondersteuning nodig heeft op een reguliere school, dan krijgt de
                                    leerling begeleiding vanuit de instelling.</al><al/><al>De school is vol</al><al>Het spreekt voor zich dat op een voor de leerling geschikte
                                    school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling
                                    moet zijn/worden toegelaten. Een school die vol is heeft geen
                                    zorgplicht voor de leerling.</al><al>Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een
                                    leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening
                                    toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke
                                    school. De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen
                                    school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de
                                    dichtstbijzijnde school.</al><al>Als de wachtlijst is opgelost en de leerling kan worden
                                    geplaatst op de dichtstbijzijnde school - de gemeente dient naar
                                    de duur van de wachtlijst te informeren - kan de
                                    vervoersvoorziening beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde
                                    school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit
                                    ongeacht het feit of de leerling vanaf dat moment ook
                                    daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders
                                    zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten
                                    gaan, maar in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts
                                    een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke
                                    school te worden verstrekt.</al><al/><al>Dislocaties en nevenvestigingen</al><al>Als een school die een leerling bezoekt meer dan een locatie
                                    heeft, rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle
                                    onderwijslocaties als school in de zin van de modelverordening
                                    moeten worden beschouwd. Aansluitend bij de regelgeving inzake
                                    de huisvesting en materiele instandhouding geldt dat de
                                    feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht kan worden
                                    aangemerkt als ‘school’. </al><al/><al>Stage </al><al>Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van
                                    scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal
                                    onderwijs. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het
                                    voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar
                                    minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs
                                    verplicht (artikel 17, eerste lid, van de WEC).</al><al>Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres
                                    aan te merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor
                                    een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat
                                    ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op
                                    leerlingenvervoer naar het stageadres.</al><al>De gemeente kan tijdens het overleg scholen er op attenderen dat
                                    stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben voor gemeenten.
                                    Scholen kunnen dit aspect dan mee laten wegen door een stageplek
                                    te zoeken zo dicht mogelijk bij huis, of op de route van het
                                    leerlingenvervoer. </al><al/><al>Symbiose</al><al>Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs
                                    volgt op een basisschool, een speciale school voor
                                    basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, is er
                                    sprake van symbiose (artikel 24 van de WEC en Titel IV van het
                                    Onderwijskundig besluit WEC). Daarvoor moet wel een overeenkomst
                                    tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval
                                    onderwijs op twee verschillende locaties. Komt de leerling in
                                    aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij
                                    staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op
                                    leerlingenvervoer naar de school waar een symbiose-overeenkomst
                                    mee gesloten is, voor zover deze reis voldoet aan de voorwaarden
                                    van de verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op
                                    het begin en einde van de schooldag.</al><al/><al>Artikel 4. Toekenning vervoersvoorziening</al><al>Om enige beleidsruimte te creëren is in artikel 4 bepaald, dat
                                    het college bij de toekenning van de vervoersvoorziening tevens
                                    de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking dient
                                    deze termijn aangegeven te worden. De gekozen formulering van
                                    artikel 4 geeft de ruimte om per geval de termijn te bepalen.
                                    Stelt de gemeenteraad zich echter op het standpunt dat de
                                    vervoersvoorziening te allen tijde tot het einde van het
                                    aangevraagde schooljaar dient te lopen, verdient het aanbeveling
                                    om de verordening in die zin aan te passen.</al><al/><al>Tevens dient het college, wanneer er bekostiging plaatsvindt, de
                                    wijze en het tijdstip van uitbetaling te bepalen. Zo zal moeten
                                    worden bepaald of:</al><al>- de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar
                                    geschiedt;</al><al>- de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op
                                    declaratiebasis, dan wel via een vast termijnbedrag achteraf
                                    geschiedt.</al><al>Aangezien de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en
                                    het tijdstip van betalen veel verschillende varianten laat zien,
                                    is in de modelverordening geen expliciete keuze gemaakt.
                                    Afhankelijk van de lokale gewoonte of de lokale wensen kan
                                    hieraan invulling worden gegeven.</al><al/><al>Aanvragen en termijn van de vervoersvoorziening</al><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting voor de burger is het
                                    wenselijk dat het aantal aanvragen zo veel mogelijk wordt
                                    beperkt. In dat kader verdient het aanbeveling om als gemeente
                                    te bezien of het mogelijk is om voor een langere periode dan één
                                    schooljaar de vervoersvoorziening toe te kennen. Wanneer te
                                    verwachten valt dat er geen verandering zal optreden in de
                                    lichamelijk of geestelijke toestand van de leerling en deze dus
                                    aan de geldende criteria blijft voldoen, is het wenselijk te
                                    kiezen voor een periode van enkele jaren, of zelfs voor de hele
                                    schoolperiode.</al><al>Als er in de situatie van de leerling echter verandering valt te
                                    verwachten, bijvoorbeeld een verbetering in de lichamelijke of
                                    geestelijke toestand, dient te worden gekozen voor een
                                    verstrekking over een termijn van één schooljaar.</al><al/><al>De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor
                                    dient de aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen,
                                    ook al wordt de vervoersvoorziening voor een langere periode
                                    verstrekt.</al><al/><al>Aanvragers dienen wijzigingen die van invloed zijn op de
                                    toegekende vervoersvoorziening direct door te geven aan het
                                    college. Het is raadzaam aanvragers nadrukkelijk te wijzen op
                                    het feit dat ten onrechte genoten bekostiging kan worden
                                    teruggevorderd, dan wel kan worden verrekend (zie ook artikel
                                    6).</al><al/><al>Artikel 5. Aanvraagprocedure</al><al>Indien ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind
                                    in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het
                                    college. De gemeente stelt hiervoor een (digitaal)
                                    aanvraagformulier beschikbaar. Het is wenselijk om de aanvraag
                                    zo eenvoudig mogelijk te maken. Hierbij kan worden gedacht aan
                                    een voorgedrukt, dan wel deels ingevuld aanvraagformulier
                                    waarbij gebruik kan worden gemaakt van gegevens, die reeds
                                    bekend zijn bij de gemeente.</al><al/><al>Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag</al><al>Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van
                                    verklaringen (bewijsstukken), bijv. een medische verklaring,
                                    werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der
                                    belasting of een verklaring van overwegende bezwaren.</al><al/><al>Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze gegevens te
                                    overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de
                                    aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn.
                                    Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is.</al><al/><al>Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd
                                    dient te worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug.
                                    Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde
                                    gegevens binnen een door het college te bepalen termijn
                                    (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt
                                    hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging
                                    te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel
                                    4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde
                                    lid, van de Awb dient in een voorkomend geval aan de aanvrager
                                    bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling
                                    wordt genomen.</al><al/><al>Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten zich bij een afwijzende
                                    beschikking niet louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel
                                    onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun
                                    beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling
                                    van de aanvrager is, zoals die uit aanvragen van de voorafgaande
                                    jaren gebleken is. Zie hiervoor een uitspraak van de ABRvS (9
                                    november 1989, nr. R03.89.5831/S6535).</al><al/><al>Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt
                                    opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende
                                    gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt
                                    is verstreken. In artikel 5, derde lid, is daarom bepaald dat
                                    het college binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde
                                    gegevens een beslissing neemt.</al><al/><al>Beslistermijn</al><al>Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn
                                    waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in ieder
                                    geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen
                                    beschikking heeft gegeven, of aan de aanvrager een bericht van
                                    verdaging heeft gezonden.</al><al>Voor de modelverordening is gekozen voor de wettelijk toegestane
                                    beslistermijn van acht weken.</al><al/><al>Verdaging</al><al>Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet
                                    haalbaar is voor de gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake
                                    zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of
                                    indien er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke
                                    gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste vier
                                    weken verdagen (artikel 5, vierde lid). </al><al>Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn
                                    dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het college
                                    te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verdagingstermijn
                                    onvoldoende is, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van
                                    het advies van deskundigen, dient er toch een beschikking te
                                    worden afgegeven.</al><al/><al>Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is
                                    gemaakt (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 5
                                    zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig
                                    heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te
                                    maken.</al><al/><al>Bezwaar en beroep</al><al>Als bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele
                                    verdaging van vier weken) overschreden worden, kunnen de
                                    aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar
                                    maken en beroep instellen. In dit geval is het bezwaar en beroep
                                    niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de
                                    Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk
                                    verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12,
                                    derde lid, van de Awb).</al><al/><al>Ingangsdatum</al><al>Een toegekende vervoersvoorziening kan bestaan uit een
                                    bekostiging aan de ouders, óf aanbieding van aangepast vervoer
                                    dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen, in de vorm van
                                    busvervoer of een taxi(busje).</al><al>In het geval van een bekostiging zal de ingangsdatum van deze
                                    bekostiging in principe samenvallen met de in het
                                    aanvraagformulier verzochte datum van ingang, maar niet zijn
                                    gelegen vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd
                                    ontvangen (artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder a). Er vindt
                                    dus geen bekostiging met terugwerkende kracht plaats.</al><al>Wanneer de leerling aangepast vervoer krijgt aangeboden dat
                                    verzorgd wordt door de gemeente zal de datum van ingang zo veel
                                    mogelijk aansluiten bij de door de ouders verzochte datum. Deze
                                    ligt dan uiteraard niet vóór de datum waarop de aanvraag door de
                                    gemeente werd ontvangen. Bovendien dient rekening te worden
                                    gehouden met het feit dat het inschakelen of contracteren van
                                    een vervoerder enige tijd kan kosten (artikel 5, vijfde lid,
                                    aanhef en onder b).</al><al/><al>Datum van aanvraag voor het nieuwe schooljaar</al><al>In de modelverordening wordt geen datum genoemd waarvóór een
                                    aanvraag die het eerstvolgende schooljaar betreft moet zijn
                                    ingediend. Het vaststellen van een datum zou er toe kunnen
                                    leiden dat aanvragen die later worden ingediend als onrechtmatig
                                    worden beoordeeld door de accountant. Er kunnen echter gegronde
                                    redenen zijn voor het laat indienen van een aanvraag,
                                    bijvoorbeeld wanneer het nog niet vaststaat of een leerling op
                                    een bepaalde school wordt toegelaten. </al><al>De gemeente kan bij de voorlichting de ouders uiteraard wijzen
                                    op het belang van het indienen van een aanvraag zodra bekend is
                                    welke school de leerling gaat bezoeken.</al><al/><al>Artikel 6. Doorgeven van wijzigingen</al><al>Ouders zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed zijn
                                    op de toegekende vervoersvoorziening door te geven aan het
                                    college. Ouders dienen dit zo snel mogelijk te doen.</al><al/><al>Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere:</al><al>- wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door
                                    verhuizing;</al><al>- verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs
                                    naar voortgezet speciaal onderwijs);</al><al>- wijziging van het adres van de school;</al><al>- wijziging van de schooltijden;</al><al>- verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging
                                    in het openbaar vervoer;</al><al>- wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet
                                    kunnen begeleiden van leerlingen.</al><al/><al>Als de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de
                                    verstrekte vervoersvoorziening in, en kent het college al dan
                                    niet opnieuw een vervoersvoorziening toe (artikel 6, tweede
                                    lid). </al><al/><al>Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of
                                    een speciale school voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde
                                    gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden
                                    gevraagd; zie artikelen 14 en 15. Deze bijdrage kan worden
                                    verrekend met de eventuele bekostiging. Een wijziging in het
                                    inkomen van deze ouders heeft in principe geen invloed op de
                                    bekostiging van de vervoerskosten voor datzelfde jaar. Indien
                                    echter sprake is van een structurele daling in het inkomen van
                                    de ouders kan het college, vooruitlopend op een komend
                                    schooljaar, de bekostiging aanpassen.</al><al/><al>Het college kan, zonder dat ouders iets hebben doorgegeven, zelf
                                    wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de
                                    vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ouders ten onrechte
                                    bekostiging (hebben) ontvangen. Artikel 6, vierde lid, biedt in
                                    dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde
                                    bekostiging terug te vorderen of in mindering te brengen bij
                                    eventueel nieuw te verstrekken bekostiging.</al><al/><al>Artikel 7. Peildatum leeftijd leerling</al><al>In artikel 11 is het leeftijdscriterium in het basisonderwijs
                                    als een van de – wettelijk toegestane – volumebeperkende
                                    middelen opgenomen om al dan niet in aanmerking te komen voor
                                    vervoer onder begeleiding. Dan verdient het aanbeveling een
                                    peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen. Om
                                    administratieve lasten te beperken is een peildatum gewenst die
                                    geldt voor het gehele schooljaar. Aangezien 1 augustus de
                                    wettelijke start is van het schooljaar, is deze datum als
                                    peildatum gekozen.</al><al/><al>De bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van
                                    een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de
                                    modelverordening het gehele schooljaar als acht jaar wordt
                                    aangemerkt, ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar
                                    negen jaar. Er hoeft dan ook maar één beschikking voor het
                                    gehele schooljaar te worden afgegeven.</al><al/><al>Het recht op leerlingenvervoer staat overigens in geen relatie
                                    tot een bepaalde leeftijdgrens. Toelating en inschrijving bij
                                    een school volstaat.</al><al/><al>Artikel 8. Andere vergoedingen</al><al>Als kan worden aangetoond dat een aanvrager van
                                    leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de
                                    werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer
                                    naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de
                                    bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de
                                    verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze
                                    vergoeding als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om
                                    aangepast vervoer gaat dat de gemeente verzorgt of doet
                                    verzorgen. </al><al/><al>Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op
                                    aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het
                                    voortgezet onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet
                                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze
                                    vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals
                                    lesgeld, en is zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten.
                                    Daarom wordt deze vergoeding niet verrekend met de
                                    vervoersvoorziening.</al><al/><al>§ 2 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen
                                    voor primair onderwijs</al><al/><al>Artikel 9. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van
                                    leerlingen van scholen voor primair onderwijs</al><al>Paragraaf 2 betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten
                                    bij een samenwerkingsverband primair onderwijs, en leerlingen
                                    van instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die primair
                                    onderwijs volgen.</al><al/><al>Dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs in het
                                    samenwerkingsverband </al><al>Het derde lid van artikel 9 is een aanvulling op artikel 3. Voor
                                    alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 3, eerste
                                    lid: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de
                                    dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens
                                    artikel 4, vijfde lid, van de WPO moet echter, wanneer het gaat
                                    om speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de
                                    dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband worden
                                    bekostigd. Dat hoeft niet per se de dichtstbijzijnde
                                    toegankelijke school van zijn soort te zijn. Het is mogelijk dat
                                    er een speciale school voor basisonderwijs buiten het
                                    samenwerkingsverband, maar dichterbij de woning is gelegen.</al><al/><al>Na invoering van het passend onderwijs beoordeelt het
                                    samenwerkingsverband of leerlingen toelaatbaar zijn tot het
                                    onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het
                                    samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid, aanhef en onder c,
                                    van de WPO). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale
                                    school voor basisonderwijs, afgegeven door het
                                    samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat
                                    samenwerkingsverband (artikel 40, achtste lid, van de WPO). Een
                                    ander samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een
                                    hoger of lager niveau van basisondersteuningsvoorzieningen, die
                                    op elke school aanwezig zijn.</al><al/><al>In het derde lid van artikel 9 wordt gesproken van de
                                    basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond
                                    van artikel 3 de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. In
                                    dat geval is artikel 9 van toepassing. Daarnaast geldt, als
                                    gevolg van de verwijzing naar artikel 3, bij toepassing van
                                    artikel 9, derde lid, aanhef en onderdeel b, ook hier het
                                    vereiste van schriftelijke instemming van de ouders.</al><al/><al>Adviezen van deskundigen</al><al>Om te kunnen beoordelen of een leerling in aanmerking komt voor
                                    een vervoersvoorziening en, als dat het geval is, voor welk type
                                    voorziening de leerling dan in aanmerking komt, is in een aantal
                                    gevallen advies van deskundigen ter zake nodig. Het zal dan
                                    veelal gaan om de vraag of een leerling door zijn handicap in
                                    het geheel niet van openbaar vervoer gebruik kan maken, of
                                    alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan maken, of wellicht
                                    – al dan niet onder begeleiding – naar school kan fietsen.</al><al/><al>Adviezen kunnen worden gegeven door:</al><al> - de commissie voor de begeleiding, ingesteld door een of meer
                                    scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs van cluster 3 en
                                    cluster 4;</al><al>- de commissie van onderzoek, ingesteld door een of meer
                                    instellingen van cluster 1 en cluster 2;</al><al>- de ambulante begeleider van de leerling;</al><al>- de directeur van de school;</al><al>- het samenwerkingsverband. </al><al>Deze instanties staan immers, na de ouders, het dichtst bij de
                                    leerling.</al><al>Om een zo objectief mogelijk advies te verkrijgen is het van
                                    belang gerichte vragen te stellen en te verzoeken de antwoorden
                                    te motiveren.</al><al/><al>Wanneer de specifieke handicap van de leerling daarom vraagt kan
                                    advies worden ingewonnen van deskundigen als de huisarts van de
                                    leerling, de jeugdgezondheidsdienst, de geneeskundige dienst,
                                    een sociaal-medische adviesdienst, een medicus gespecialiseerd
                                    in de betreffende handicap, een orthopedagoog, kinderpsycholoog
                                    en dergelijke.</al><al/><al>Een onafhankelijk onderzoek is soms noodzakelijk. De kosten
                                    hiervan komen voor rekening van de gemeente.</al><al/><al>De gemeenteraad kan een commissie van advies instellen, al dan
                                    niet in samenwerking met andere gemeenten. Een onafhankelijk
                                    advies is op deze wijze gegarandeerd. De kosten verbonden aan
                                    een dergelijke commissie worden uiteraard door de
                                    (samenwerkende) gemeenten gedragen.</al><al>Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer –
                                    bijvoorbeeld over de vraag of de route veilig is - kan dit
                                    worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein van het
                                    desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld de
                                    (verkeers)politie.</al><al/><al>Artikel 10. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                                    vervoer per fiets</al><al>In artikel 10 zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd waaronder
                                    ouders van leerlingen die scholen bezoeken die onder paragraaf 2
                                    vallen, aanspraak kunnen maken op bekostiging van de
                                    vervoerkosten. Hierbij geldt als uitgangspunt: bekostiging van
                                    de kosten van openbaar vervoer dan wel de kosten van het vervoer
                                    per fiets.</al><al/><al>Afstandscriterium</al><al>Artikel 4, achtste lid, van de WPO en artikel 4, zevende lid,
                                    van de WEC stellen dat de gemeentelijke regeling kan bepalen dat
                                    geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand.
                                    Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van zes
                                    kilometer als bovengrens. Deze afstand wordt in de
                                    modelverordening als criterium aangehouden. De afstand moet per
                                    route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden
                                    bepaald.</al><al/><al>Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op
                                    grond van de wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende
                                    lid, van de WPO en artikel 4, zevende en achtste lid, van de
                                    WEC). Met andere woorden: een voor de hand liggend onderscheid
                                    in afstand tussen jongere en oudere kinderen is niet
                                    toegestaan.</al><al/><al>Kosten openbaar vervoer</al><al>De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar
                                    vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart
                                    (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende
                                    betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met
                                    kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen
                                    gelden.</al><al/><al>Fietsvergoeding </al><al>Het tweede lid van artikel 10 bepaalt dat een fietsvergoeding
                                    kan worden verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn
                                    dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan
                                    maken van het vervoer per fiets. Hierbij worden dan factoren als
                                    leeftijd, eventuele handicap, de veiligheid van de route en de
                                    afstand in overweging genomen. Het is mogelijk een
                                    fietsvergoeding voor de zomermaanden te verstrekken en een
                                    andere vervoersvoorziening voor de overige maanden toe te
                                    kennen.|</al><al/><al>Artikel 11. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of
                                    vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider</al><al>In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling
                                    niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. </al><al/><al>Leerling is jonger dan negen jaar</al><al>In artikel 10 is bepaald dat ouders van leerlingen van het
                                    primair onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van de
                                    vervoerskosten, als de afstand van de woning naar de school meer
                                    dan zes kilometer is. Als daarbij de leerling jonger dan negen
                                    jaar is, en de ouders op een voor het college bevredigende wijze
                                    kunnen aantonen dat het kind niet in staat is zelfstandig van
                                    het openbaar vervoer gebruik te maken, komen de ouders in
                                    aanmerking voor de bekostiging van de vervoerskosten voor een
                                    begeleider. Hierbij kan men denken aan de volgende
                                    situaties:</al><al>- de leerling moet een of meerdere malen overstappen;</al><al>- de route van het uitstappunt van de bus naar de school kent
                                    gevaarlijke punten.</al><al/><al>In dit verband is artikel 7 van belang. Indien de leerling op 1
                                    augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt voor het hele
                                    schooljaar dat de leerling als acht jaar wordt aangemerkt, ook
                                    al wordt de leerling in de loop van het schooljaar negen
                                    jaar.</al><al>De grens van negen jaar is gebaseerd op onderzoek (2001). Over
                                    het algemeen, zo bleek, kan een kind van negen jaar zonder
                                    begeleiding alleen met de fiets over straat.</al><al/><al>Structurele handicap</al><al>Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap niet
                                    zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in
                                    aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de
                                    leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning
                                    naar de school.</al><al/><al>De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te
                                    merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de
                                    leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het
                                    openbaar vervoer gebruik kan maken. </al><al>Zo zijn er situaties denkbaar waarbij een leerling met een
                                    bepaalde structurele handicap wel degelijk zelfstandig met het
                                    openbaar vervoer kan reizen. Een gewenningsperiode zal dan
                                    meestal noodzakelijk zijn, waarbij de leerling de gelegenheid
                                    krijgt de weg te leren kennen, om leert gaan met de OV-chipkaart
                                    en dergelijke.</al><al>Bij de aanvraag dienen ouders verklaringen van deskundigen te
                                    overleggen. Het college kan ook advies van onafhankelijke
                                    deskundigen inwinnen. Zie de toelichting op artikel 9.</al><al/><al>Wanneer er sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld
                                    een gebroken been) valt het vervoer van de leerling onder de
                                    verantwoordelijkheid van de ouders. Echter, wanneer de leerling
                                    een groot gedeelte van het schooljaar in verband met –
                                    bijvoorbeeld - herstel van een operatie en/of revalidatie niet
                                    of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, kunnen
                                    ouders een aanvraag voor een vervoersvoorziening indienen. Als
                                    criterium kan een termijn van drie maanden worden aangehouden.
                                    Toen de Wet Rea nog van kracht was werd ook een termijn van drie
                                    maanden aangehouden vóórdat er sprake kon zijn van een
                                    vervoersvergoeding.</al><al/><al>Begeleiding</al><al>Begeleiding in het vervoer is primair een taak van de ouders.
                                    Als zij niet in staat zijn hun kind te begeleiden, dienen zij
                                    zelf voor een oplossing te zorgen Zo kan ook een familielid, een
                                    kennis, een oppas, een van de buren, een ouder van een andere
                                    leerling of een klassenassistent de leerling begeleiden. Met de
                                    begeleiding van een jongere leerling door een oudere leerling
                                    moet uiteraard heel omzichtig worden omgegaan. Een en ander
                                    hangt af van factoren als leeftijd, verkeerssituaties en
                                    dergelijke.</al><al/><al>Wie de leerling ook begeleidt, de bekostiging vindt plaats aan
                                    de ouders van de leerling. Als een begeleider meer dan een
                                    leerling tegelijk begeleidt, wordt de begeleider slechts één
                                    maal bekostigd.</al><al/><al>Artikel 12. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast
                                    vervoer</al><al>Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient
                                    in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden
                                    versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 12
                                    vastgelegd.</al><al/><al>Eerste lid, onderdeel a: Reistijd met openbaar vervoer is meer
                                    dan anderhalf uur en kan met aangepast vervoer tot 50% of minder
                                    worden teruggebracht</al><al>Bij een reisduur tot anderhalf uur met het openbaar vervoer komt
                                    de vrijheid van de ouders om voor een bepaalde school te kiezen
                                    niet in de knel, zo oordeelde de ABRvS.</al><al/><al>Van belang is hier de omschrijving van het begrip reistijd; zie
                                    ook de toelichting op artikel 1.</al><al>De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij
                                    de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten vóór de
                                    aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor
                                    de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele
                                    wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de
                                    schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met
                                    aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te
                                    verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan
                                    ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de
                                    berekende duur van de rit. Zo oordeelde ook de ABRvS (5 oktober
                                    1990, nr. R03.90.6236/86538).</al><al/><al>Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de
                                    reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer overschreden
                                    wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice
                                    versa). In een dergelijk geval wordt er voor de heenreis
                                    aangepast vervoer toegekend, en voor de terugreis bekostiging op
                                    basis van openbaar vervoer.</al><al/><al>Overigens kunnen ouders, als zij op basis van het criterium
                                    reistijd aanspraak op aangepast vervoer maken, niet van het
                                    college eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50%
                                    of minder wordt teruggebracht.</al><al/><al>Eerste lid, onderdeel b: Openbaar vervoer ontbreekt</al><al>In een aantal gemeenten ontbreekt openbaar vervoer geheel of
                                    rijdt zo weinig frequent dat leerlingen daar geen gebruik van
                                    kunnen maken voor het vervoer van de woning naar de school of
                                    terug.</al><al>In dat geval kan het college allereerst het volgende
                                    overwegen:</al><al>- de vervoersonderneming verzoeken om wijzigingen aan te brengen
                                    in de dienstregeling, zodat het openbaar vervoer bruikbaar wordt
                                    voor het reizen naar de school en terug; </al><al>- het bevoegd gezag van de school verzoeken de schooltijden
                                    (beter) af te stemmen op de dienstregeling van het openbaar
                                    vervoer.</al><al>Overigens biedt artikel 12, het eerste lid, aanhef en onderdeel
                                    b, het college de mogelijkheid om te beoordelen of de leerling
                                    in staat mag worden geacht met de fiets naar school te gaan; zie
                                    ook de toelichting op artikel 10.</al><al/><al>Eerste lid, onderdeel c: Begeleiding van de leerling in het
                                    openbaar vervoer is niet mogelijk</al><al>De ouders dienen op een voor de gemeente bevredigende wijze aan
                                    te tonen dat het hun onmogelijk is hun kind in het openbaar
                                    vervoer te begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige
                                    benadeling van het gezin zou leiden. Van ouders wordt ook
                                    verwacht dat zij allereerst zelf een oplossing zoeken voor het
                                    (laten) begeleiden van hun kinderen, wanneer dit nodig is. Zie
                                    ook de toelichting op artikel 11, onder het kopje
                                    ‘Begeleiding’.</al><al/><al>In de toelichting op het amendement van de Kamerleden Dijkgraaf
                                    en Ferrier van 5 maart 2012, dat tot een wetswijziging heeft
                                    geleid, staat een en ander als volgt omschreven: “De inzet die
                                    van ouders wordt gevraagd moet redelijk zijn. Van ouders mag
                                    uiteraard een bepaalde mate van inzet verwacht worden, maar die
                                    inzet mag niet zover gaan dat de mogelijkheid van
                                    leerlingenvervoer illusoir wordt.”</al><al>Met de term ‘leerlingenvervoer’ zal overigens ‘aangepast
                                    vervoer’ bedoeld zijn.</al><al>Per ouder(paar) en per aanvraag zal het college moeten
                                    beoordelen of de gevraagde inzet redelijk is.</al><al/><al>Eerste lid, onderdeel d: Leerling kan door zijn handicap niet
                                    van het openbaar vervoer gebruik maken Als de leerling door zijn
                                    structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder
                                    begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken,
                                    verstrekt het college een voorziening in de vorm van aangepast
                                    vervoer. De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt
                                    valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de
                                    vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet
                                    zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zie
                                    verder de toelichting op artikel 11, onder het kopje
                                    ‘Structurele handicap’.</al><al/><al>Tweede lid: Kosten van de begeleiding</al><al>Soms is begeleiding in het aangepast vervoer noodzakelijk,
                                    bijvoorbeeld wanneer een leerling verzorging nodig heeft, of in
                                    het geval een leerling bepaald ongewenst gedrag vertoont. In dit
                                    geval worden alleen de kosten van het vervoer die aan deze
                                    begeleiding verbonden zijn vergoed. Ook kan de gemeente een
                                    plaats beschikbaar stellen in het aangepast vervoer.
                                    Salariskosten worden niet vergoed.</al><al>Voor medische begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente
                                    niet verantwoordelijk.</al><al/><al>Artikel 13. Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                                    vervoer</al><al>Artikel 13 geeft nadere regels voor de bekostiging van het eigen
                                    vervoer. Hiervan is sprake wanneer ouders de leerlingen zelf
                                    naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen
                                    vervoermiddel (auto, bromfiets, etc.), of wanneer een leerling
                                    gebruikmaakt van de fiets.</al><al/><al>Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is
                                    toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke
                                    maatstaf voor toestemming kan zijn dat de bekostiging van het
                                    vervoer door de ouders voor de gemeente goedkoper is. Daarvan is
                                    in ieder geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt
                                    voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, en er is
                                    plaats in een busje dat toch al rijdt.</al><al/><al>De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de
                                    voorziening waar de ouders in principe op basis van de
                                    bepalingen in de modelverordening voor in aanmerking komen:</al><al/><al>a. Openbaar vervoer</al><al>Als ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten
                                    van openbaar vervoer en zij de leerling, met toestemming van het
                                    college, zelf vervoeren, dan keert het college bekostiging uit
                                    op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Het college
                                    gaat na wat voor de te overbruggen afstand betaald zou moeten
                                    worden, wanneer de leerling gebruik zou maken van het openbaar
                                    vervoer. Hierbij wordt het meest goedkope tarief als
                                    uitgangspunt genomen.</al><al/><al>b. Aangepast vervoer</al><al>Als ouders in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening in
                                    de vorm van aangepast vervoer en zij met toestemming van het
                                    college de leerling zelf vervoeren, wordt een vergoeding per
                                    kilometer verstrekt. De hoogte van deze kilometervergoeding is
                                    afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al><al>Het volledige bedrag wordt uitgekeerd voor de kilometers die de
                                    leerling aflegt. Wanneer zowel de heen- als de terugreis
                                    tweemaal worden vergoed kunnen gemeenten rekenen met het
                                    gehalveerde bedrag. In het geval gemeenten het zogenaamde
                                    schijvenmodel hanteren wordt de heen- en terugreis tweemaal
                                    vergoed.</al><al/><al>Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen
                                    de middag wordt vervoerd.</al><al/><al>Ouders vervoeren meer dan één leerling</al><al>Artikel 13, derde lid, bepaalt dat ouders aanspraak maken op
                                    bekostiging op basis van een kilometervergoeding als zij – na
                                    toestemming van het college – meer dan één leerling tegelijk
                                    vervoeren. Dit geldt ook wanneer ouders in principe slechts
                                    aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van
                                    openbaar vervoer. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en
                                    wordt niet per leerling verstrekt.</al><al>Wanneer ouders toestemming vragen meerdere kinderen met een
                                    eigen busje te vervoeren, kan het college bij wijze van
                                    uitzondering op grond van artikel 23 (de zogenaamde
                                    hardheidsclausule) een andere bekostiging vaststellen. Dit
                                    vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per
                                    leerling.</al><al/><al>Vervoer per fiets</al><al>Ouders van een leerling kunnen het wenselijk vinden dat hun kind
                                    gebruik maakt van de fiets, bijvoorbeeld ter bevordering van de
                                    zelfredzaamheid. Wanneer de ouders op basis van de bepalingen in
                                    de modelverordening voor een vervoersvoorziening in aanmerking
                                    komen, kan het college – na toestemming te hebben gegeven – een
                                    kilometervergoeding voor de fiets toekennen. De hoogte van deze
                                    kilometervergoeding is afgeleid van de Reisregeling
                                    binnenland.</al><al/><al/><al/><al>Artikel 14. Drempelbedrag</al><al>Artikel 4, zevende lid, van de WPO biedt gemeenten de
                                    mogelijkheid een drempelbedrag bij ouders in rekening te
                                    brengen. In de modelverordening is gebruik gemaakt van deze
                                    optie. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te
                                    laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte)
                                    kosten van het vervoer, de zogenaamde drempel. </al><al>Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Als een
                                    leerling slechts voor een deel van het schooljaar een
                                    vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag
                                    naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer
                                    alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt
                                    toegekend, of voor enkele dagen per week.</al><al/><al>Kilometergrens</al><al>Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de
                                    door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de
                                    afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan
                                    bestaan op een vervoersvoorziening. Invoering van het
                                    drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer
                                    tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen.
                                    Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van zes
                                    kilometer als bovengrens. Deze afstand wordt in de
                                    modelverordening aangehouden.</al><al/><al>Doelgroep</al><al>Doelgroep voor het drempelbedrag zijn de ouders van leerlingen
                                    van scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor
                                    basisonderwijs, die een gezamenlijk inkomen hebben dat boven een
                                    bepaalde grens uitkomt. Een uitzondering geldt voor leerlingen
                                    die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan
                                    openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige
                                    handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen
                                    maken. Aan hun ouders mag geen drempelbedrag gevraagd worden. </al><al>Voor deze leerlingen geldt ook geen kilometergrens als
                                    voorwaarde voor een vervoersvoorziening. </al><al>Aan ouders van leerlingen die een school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs bezoeken kan geen drempelbedrag worden
                                    opgelegd, aangezien de WEC deze mogelijkheid niet biedt.</al><al/><al>Inkomen</al><al>Onder inkomen moet worden verstaan: het inkomensgegeven, zoals
                                    bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet
                                    inzake rijksbelastingen in het peiljaar.</al><al>De inkomensgrens voor het drempelbedrag en de wijze van
                                    indexering zijn bepaald in artikel 4, zevende lid, van de WPO. </al><al>Als peiljaar moet worden aangemerkt het tweede kalenderjaar
                                    voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor
                                    bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint (zie
                                    artikel 1). Als grenswaarde wordt in de wet een gezamenlijk
                                    inkomen genoemd van € 17.700,- voor het school jaar 1998-1999;
                                    dit bedrag moet per 1 januari 1999 jaarlijks worden geïndexeerd
                                    op een voorgeschreven wijze.</al><al>In de modelverordening is de grenswaarde van het gezamenlijk
                                    inkomen voor het heffen van een drempelbedrag voor het
                                    schooljaar 2013-2014 (dus voor het peiljaar 2011) vastgesteld op
                                    € 24.300,-.</al><al/><al>Hoogte drempelbedrag</al><al>Als een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de
                                    berekening van de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan
                                    niet worden gewerkt met een fictief bedrag. Het gaat om de
                                    kosten van het openbaar vervoer die zouden worden gemaakt om de
                                    afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens
                                    te overbruggen. De kosten van het openbaar vervoer worden
                                    berekend, die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere,
                                    binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) zouden
                                    worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de
                                    leerling binnen het systeem kunnen gelden.</al><al/><al>Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het
                                    niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van
                                    het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van
                                    aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig
                                    is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de
                                    afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf
                                    te dragen. In dat geval wordt uitgegaan van de meest gangbare,
                                    voor de leerling toegankelijke route, en gerekend met een
                                    OV-prijs die geldt binnen het betreffende vervoersgebied.</al><al/><al>Afwijkende bepalingen</al><al>Het is mogelijk om voor scholen voor speciaal basisonderwijs een
                                    andere kilometergrens te hanteren dan voor reguliere
                                    basisscholen. Ook kan de gemeente het drempelbedrag wel voor het
                                    ene maar niet voor het andere schooltype invoeren.</al><al/><al>Wanneer aan meerdere kinderen van een gezin een
                                    vervoersvoorziening is toegekend, en daarbij het inkomen van de
                                    ouders relatief laag is, kan het drempelbedrag een grote
                                    financiële belasting betekenen. De gemeente kan bepalen dat het
                                    drempelbedrag een beperkt aantal keer per gezin geheven
                                    wordt.</al><al/><al>Aantonen van het inkomen</al><al>Als de gemeente zelf geen inzage kan verkrijgen in de
                                    inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie van de
                                    belastingaanslag sturen om het inkomen aan te tonen. Ouders
                                    kunnen ook een IB 60-formulier opvragen bij de
                                    belastingdienst.</al><al/><al>Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen
                                    te verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de
                                    beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de
                                    ontbrekende gegevens is aangevuld, of de daarvoor gestelde
                                    termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het
                                    college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De
                                    aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte
                                    gesteld.</al><al>Zie ook de toelichting op artikel 5, onder het kopje ‘Overleggen
                                    gegevens ten behoeve van de aanvraag’.</al><al/><al>Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is,
                                    kan het derde jaar voorafgaande aan het desbetreffende
                                    schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een
                                    later stadium, als het inkomen van het peiljaar wel bekend is,
                                    kan een definitieve berekening worden gemaakt.</al><al/><al>Structurele daling van inkomen</al><al>Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die
                                    ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt
                                    ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk
                                    om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen
                                    door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel
                                    23. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum
                                    af te wijken, kan artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als
                                    richtsnoer dienen.</al><al/><al>Pleegouders</al><al>Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de verordening
                                    worden aangemerkt (zie de toelichting op artikel 1). Zij kunnen
                                    dus, als zij voldoen aan de voorwaarden, in aanmerking komen
                                    voor een vervoervoorziening. Volgens een uitspraak van de ABRvS
                                    (31 augustus 1993, nrs. R03.93. 1702 en R03.93.1773) is het
                                    redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn, hun ook het
                                    drempelbedrag in rekening gebracht kan worden.</al><al/><al>Invordering drempelbedrag</al><al>Artikel 2 geeft de regels voor de invordering van het
                                    drempelbedrag. </al><al>Wanneer het college zelf het vervoer verzorgt of laat verzorgen
                                    dienen de ouders die daarvoor in aanmerking komen het
                                    drempelbedrag aan de gemeente over te maken. Wanneer de ouders
                                    in gebreke blijven vervalt de aanspraak en wordt het vervoer
                                    stopgezet.</al><al/><al>Artikel 15. Financiële draagkracht</al><al>Artikel 4, elfde lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid
                                    een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de
                                    afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan
                                    20 kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer
                                    het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage
                                    is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders. </al><al>Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen
                                    die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan
                                    openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige
                                    handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen
                                    maken. </al><al>De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in
                                    tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening
                                    wordt gebracht.</al><al/><al>In artikel 15 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal
                                    inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde
                                    draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel
                                    de bedragen van de inkomensblokken als van de verschuldigde
                                    bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die
                                    aansluit bij artikel 4 van de WPO.</al><al/><al>Voor het aantonen van het inkomen, hoe om te gaan met een
                                    structurele daling van het inkomen, een aanvraag door
                                    pleegouders en de invordering wordt verwezen naar de betreffende
                                    kopjes van de toelichting op artikel 14.</al><al/><al>§ 3 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen
                                    voor voortgezet onderwijs </al><al/><al>Artikel 16. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van
                                    leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs</al><al>Paragraaf 3 betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten
                                    bij een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs, en leerlingen
                                    van instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die voortgezet
                                    onderwijs volgen.</al><al>Volgens artikel 4, het vierde lid, van de WEC en artikel 4,
                                    eerste lid, van de WVO komen leerlingen slechts voor een
                                    vervoersvoorziening in aanmerking als zij wegens hun handicap op
                                    ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel
                                    vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer
                                    gebruik kunnen maken.</al><al/><al>Adviezen van deskundigen</al><al>Artikel 16, tweede lid,is identiek aan artikel 9, vierde lid.
                                    Zie voor een toelichting daarom de toelichting op artikel 9
                                    onder het kopje ‘Adviezen van deskundigen’.</al><al/><al>Artikel 17. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met
                                    begeleiding en vervoer per fiets </al><al>Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap niet
                                    zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in
                                    aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de
                                    leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning
                                    naar de school.</al><al/><al>Structurele handicap</al><al>De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te
                                    merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de
                                    leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het
                                    openbaar vervoer gebruik kan maken. Zie voor verdere toelichting
                                    de toelichting op artikel 11 onder het kopje ‘Structurele
                                    handicap’.</al><al/><al>Begeleiding</al><al>Begeleiding in het vervoer is primair een taak van de ouders.
                                    Als zij niet in staat zijn hun kind te begeleiden, dienen zij
                                    zelf voor een oplossing te zorgen Zo kan ook een familielid, een
                                    kennis, een oppas, een van de buren, een ouder van een andere
                                    leerling of een klassenassistent de leerling begeleiden. Zie
                                    voor verdere toelichting de toelichting op artikel 11 onder het
                                    kopje ‘Begeleiding’.</al><al/><al>Artikel 18. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast
                                    vervoer</al><al>Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient
                                    in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden
                                    versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 18
                                    vastgelegd.</al><al>Artikel 18 is identiek aan artikel 12, dat geldt voor leerlingen
                                    van scholen voor primair onderwijs. Zie voor een toelichting op
                                    artikel 18 daarom de toelichting op artikel 12. Wanneer daar
                                    ‘artikel 12’ staat dient er in dit geval ‘artikel 18’ te worden
                                    gelezen.</al><al/><al>Artikel 19. Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                                    vervoer</al><al>Artikel 19 is identiek aan artikel 13, dat geldt voor leerlingen
                                    van scholen voor primair onderwijs. Zie voor een toelichting op
                                    artikel 19 daarom de toelichting op artikel 13. Wanneer daar
                                    ‘artikel 13’ staat dient er in dit geval ‘artikel 19’ te worden
                                    gelezen.</al><al/><al>§ 4 Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer </al><al/><al>Artikel 20. Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en
                                    de vakantie aan in de gemeente wonende ouders</al><al>Artikel 4, zesde lid, van de WEC geeft aan in de verordening
                                    bepalingen op te nemen voor het weekeinde- en vakantievervoer.
                                    In paragraaf 4 van de modelverordening wordt hier invulling aan
                                    gegeven.</al><al/><al>Artikel 20 bevat twee belangrijke componenten:</al><al/><al>1. Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie
                                    wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een
                                    internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het
                                    volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het
                                    bepaald in de WEC.</al><al/><al>Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een
                                    internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op
                                    een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat
                                    het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de
                                    vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen
                                    op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit
                                    het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er
                                    geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders
                                    wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen
                                    in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt
                                    een school bezoekt. De gemeente dient na te gaan op welke
                                    gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is
                                    geplaatst.</al><al/><al>Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal
                                    basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs komen
                                    niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het
                                    weekeinde of de vakantie.</al><al/><al>2. Het college van de gemeente waar de ouders wonen verstrekt de
                                    vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als
                                    de ouders daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de
                                    Wec. Het college van de gemeente waar de leerling in een
                                    internaat of een pleeggezin verblijft heeft hierin geen
                                    rol.</al><al/><al>Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer
                                    van het internaat of pleeggezin naar de school en terug,
                                    verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het
                                    internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening.</al><al/><al>Artikel 21. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie</al><al>Artikel 21 bepaalt dat een vervoersvoorziening kan worden
                                    toegekend voor de reizen van het internaat of pleeggezin naar de
                                    woning van de ouders en terug in het weekeinde en in de
                                    vakanties. Het college van de gemeente waar de ouders wonen
                                    bepaalt welke vervoersvoorziening wordt toegekend.</al><al/><al>Artikel 21, derde lid, geeft aan dat de bepalingen van paragraaf
                                    2 en 3 van de modelverordening van overeenkomstige toepassing
                                    zijn op de toekenning van een vervoersvoorziening voor het
                                    weekeinde en de vakantie, op enkele uitzonderingen na.</al><al>Dit houdt het volgende in:</al><al/><al>- Alleen die leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs
                                    komen in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het
                                    weekeinde en de vakantie, die wegens hun structurele handicap op
                                    ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel niet
                                    zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.</al><al/><al>- Voor de toekenning is bekostiging van de kosten van openbaar
                                    vervoer het uitgangspunt.</al><al/><al>- Het college bekostigt ook de kosten van het openbaar vervoer
                                    voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele
                                    handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het
                                    openbaar vervoer gebruik te maken. Zie artikelen 11 en 17.</al><al/><al>- Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van
                                    aangepast vervoer als:</al><al>a. openbaar vervoer ontbreekt;</al><al>b. begeleiding in het openbaar vervoer niet mogelijk is;</al><al>c. de leerling wegens zijn structurele handicap niet in staat is
                                    - ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik
                                    te maken.</al><al>Zie artikelen 12 en 18.</al><al>Nota bene: Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast
                                    vervoer wordt in dit geval niet verstrekt als de leerling met
                                    gebruikmaking van openbaar vervoer meer dan anderhalf uur
                                    onderweg is.</al><al/><al>- Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf
                                    vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging is dan afhankelijk
                                    van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden
                                    maken. Zie artikelen 13 en 19.</al><al/><al>De algemene bepalingen van paragraaf 1 van de modelverordening
                                    zijn uiteraard ook van toepassing, evenals de slotbepalingen van
                                    paragraaf 5.</al><al/><al>§ 5 Slotbepalingen</al><al/><al>Artikel 22. Beslissing college in gevallen waarin de regeling
                                    niet voorziet</al><al>In de modelverordening zijn de hoofdlijnen voor de bekostiging
                                    van het leerlingenvervoer vastgelegd. Er kunnen zich echter
                                    concrete gevallen voordoen waarin de modelverordening niet
                                    voorziet. Te denken valt hierbij aan gemeenschappelijke
                                    afspraken met andere gemeenten, combinaties van openbaar vervoer
                                    met aangepast vervoer, varianten in het gebruik van eigen
                                    vervoer etc. Artikel 22 bepaalt dat het college in dergelijke
                                    situaties beslist. Redelijkheid is hierbij het uitgangspunt. Bij
                                    de besluitvorming dient in de geest van de wet en de
                                    modelverordening gehandeld te worden.</al><al/><al>Artikel 23. Afwijken van bepalingen</al><al>Artikel 23 stelt dat het college slechts in voor ouders
                                    voordelige zin kan afwijken van de verordening. Met deze
                                    bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid, van de
                                    WPO, artikel 4, tiende lid, van de WEC en artikel 4, zevende
                                    lid, van de WVO.</al><al>Van een afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld
                                    sprake zijn bij toekenning van bekostiging van openbaar vervoer
                                    voor een begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening in
                                    de vorm van aangepast vervoer, bekostiging van groepsvervoer dat
                                    is georganiseerd door de ouders, of toekenning van een
                                    vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school. De
                                    ouders dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere
                                    situatie.</al><al>Nota bene: Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor
                                    schoolbezoek ten behoeve van onderwijs, niet voor schoolbezoek
                                    ten behoeve van een medische behandeling bijvoorbeeld.</al><al/><al>De ABRvS heeft in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven voor
                                    de toepassing van de hardheidsclausule:</al><al/><al>- Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van
                                    overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij een
                                    strikte toepassing van de bepalingen van de verordening zouden
                                    voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan enige
                                    beperking gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan
                                    rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld medische,
                                    pedagogische en sociale factoren (12 mei 1989, nr.
                                    R03.88.7057/Sp347/26-41).</al><al/><al>- Door middel van toepassing van de hardheidsclausule kan van
                                    alle bepalingen van de verordening worden afgeweken, inclusief
                                    het heffen van het drempelbedrag (2 april 1990
                                    R03.87.7147/58-43).</al><al/><al>Advies van deskundigen</al><al>In artikel 23 wordt bepaald dat het college zo nodig advies
                                    vraagt van deskundigen ter zake. Zie hiervoor de toelichting op
                                    artikel 9, onder het kopje ‘Adviezen van deskundigen’.</al><al/><al>Precedentwerking</al><al>Ter voorkoming van - ongewenste - precedentwerking moet de
                                    toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd met
                                    argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders
                                    en/of de leerling betrekking hebben.</al><al/><al>Artikel 24. Aanvullende voorwaarden</al><al>De verordening moet rekening houden met de van ouders te vergen
                                    inzet. Om hieraan invulling te kunnen geven is artikel 24 aan de
                                    verordening toegevoegd. Dit artikel geeft het college de
                                    bevoegdheid aanvullende voorwaarden te stellen aan ouders die
                                    een beroep willen doen op deze verordening. </al><al/><al>Artikel 25. Intrekking oude regeling</al><al>In artikel 25 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude
                                    verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum
                                    waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe
                                    verordening in werking treedt. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>