<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR6278_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening Capelle aan den IJssel 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJsselpost, 28-02-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening Capelle aan den IJssel 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet, art. 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet, art. 14</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet, art. 15</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-02-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verzameling 2007, nr. 5 / a</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.1. Het Reglement Monumentencommissie</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1.Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening Capelle aan den IJssel 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14 en 15 van de
                        Monumentenwet 1988;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al>b e s l u i t :</al><lijst><li nr="I."><al>artikel 4, lid 1, van de Verordening op de Monumentencommissie
                                Capelle aan den IJssel in te trekken per 15 maart 2006; </al></li><li nr="II."><al>voor het overige de Verordening op de Monumentencommissie Capelle
                                aan den IJssel in te trekken met onmiddellijke ingang; </al></li><li nr="III."><al>de Monumentenverordening Capelle aan den IJssel 2003 in te trekken;
                            </al></li><li nr="IV."><al>de volgende verordening vast te stellen: Monumentenverordening
                                Capelle aan den IJssel 2007.</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder: </al><lijst><li nr="a."><al>monument:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde; </al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak als bedoeld onder 1; </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijk archeologisch monument: monument, bedoeld in
                                    onderdeel a, onder 2; </al></li><li nr="c."><al>gemeentelijk monument: onroerend monument, dat overeenkomstig de
                                    bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk
                                    monument is aangewezen; </al></li><li nr="d."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken; </al></li><li nr="e."><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven
                                    in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers;
                                </al></li><li nr="f."><al>kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een
                                    kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een
                                    kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend
                                    deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst; </al></li><li nr="g."><al>bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                                    onderzoek naar de bouw-geschiedenis en de bouwhistorische
                                    kwaliteit van een monument;</al></li><li nr="h."><al>stads- of dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van
                                    algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge
                                    ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun
                                    wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke
                                    groepen zich één of meer monumenten bevinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Monumentencommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een Monumentencommissie in de zin van artikel 15, lid 1 van de
                                Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Monumentencommissie heeft als taak het college op verzoek of uit
                                eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet
                                1998, de verordening en het monumentenbeleid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het uitbrengen van haar adviezen laat de monumentencommissie
                                zich uitsluitend leiden door overwegingen van geschiedkundig,
                                architectonisch, volkskundig en wetenschappelijk belang dan wel door
                                overwegingen verband houdende met de uiterlijke
                                    verschijningsvormen<cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college regelt de samenstelling en werkwijze van de
                                commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                hetadvies aan de Monumentencommissie. In spoedeisende gevallen
                                kan het vragen van dit advies achterwege blijven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een gemeentelijk
                                monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de
                                aanwijzing van een gemeentelijk monument. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voordat het college een kerkelijk monument als gemeentelijk monument
                                aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                                kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd
                                gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de registratie als
                                bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                                niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van
                                overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                                van de Monumentencommissie, maar in ieder geval binnen twintig weken
                                na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt meegedeeld aan
                            degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de
                                tenaamstelling en een beschrijving van het gemeentelijke monument.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                                belanghebbende wijzigen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4, tweede tot en met vijfde lid, alsmede artikel 5 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van
                                artikel 4, tweede tot en met vijfde lid, alsmede artikel 5, eerste
                                lid, achterwege. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 4, tweede,
                                vierde en vijfde lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al>Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te
                            vernielen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vergunning</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college of in strijd met bij
                            zodanige vergunning gestelde voorschriften: </al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te
                                    verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; </al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te
                                    laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                    of in gevaar gebracht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college vraagt advies aan de Monumentencommissie voordat het
                                beslist op de aanvraag op grond van artikel 11. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen acht weken na de adviesaanvraag brengt de Monumentencommissie
                                schriftelijk advies uit aan het college. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van het advies
                                van de Monumentencommissie, maar in ieder geval binnen zestien weken
                                na ontvangst van de aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan de in het derde lid genoemde termijn van zestien
                                weken met ten hoogste tien weken verlengen, mits zij de aanvrager
                                daarvan kennis geeft binnen de in het derde lid genoemde termijn.
                            </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het college niet voldoet aan het derde of vierde lid, wordt
                                de vergunning geacht te zijn verleend. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een vergunning ingevolge deze verordening blijft buiten werking
                                gedurende zes weken na de datum waarop zij is verleend of van
                                rechtswege is verleend. Indien gedurende deze termijn bezwaar wordt
                                gemaakt op grond van de Algemene wet bestuursrecht, blijft de
                                vergunning buiten werking totdat op het bezwaar is beslist. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Kerkelijk monument</titel></kop><al>Het college verleent met betrekking tot een kerkelijk monument geen
                            vergunning ingevolge de bepalingen van artikel 11 dan in
                            overeenstemmingmet de eigenaar, indien en voorzover het een
                            vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                            godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                        onvolledige opgave is verleend; </al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld
                                        in artikel 11 niet naleeft; </al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                        zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                        zwaarder dient te wegen; </al></li><li nr="d."><al>niet binnen twee jaar van de vergunning gebruik wordt
                                        gemaakt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de
                                Monumentencommissie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3 RIJKSMONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15 Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd
                                    rijksmonument aan de Monumentencommissie. </al></li><li nr="2."><al>De Monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                    binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.
                                </al></li><li nr="3."><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn
                                    wordt de Monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4 GEMEENTELIJKE DORPSGEZICHTEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16 De aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als
                                    beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    het advies aan de Monumentencommissie. In spoedeisende gevallen
                                    kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de
                                    aanwijzing van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.</al></li><li nr="4."><al>De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is
                                    aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet
                                    1988.</al></li><li nr="5."><al>De Monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken
                                    na ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="6."><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het
                                    advies van de Monumentencommissie maar in elk geval binnen
                                    twintig weken na de adviesaanvraag.</al></li><li nr="7."><al>Het college van burgemeester en wethouders registreert het
                                    beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezicht op de lijst van
                                    beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten.</al></li><li nr="8."><al>De lijst van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten
                                    bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de
                                    gebiedsaanwijzing van het beschermde stads- of dorpsgezicht en
                                    een beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische
                                    waarden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 De wijziging en intrekking van de aanwijzing</titel></kop><al>De artikelen 8 en 9 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
                            verstande dat aan artikel 9, tweede lid, nog wordt toegevoegd artikel 35
                            van de Monumentenwet 1988.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Beschermend bestemmingsplan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd stads-
                                    of dorpsgezicht een bestemmingsplan een bestemmingsplan vast als
                                    bedoelt in de Wet op de ruimtelijke ordening. </al></li><li nr="2."><al>Bij een besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of
                                    dorpsgezicht wordt door het college bepaald in hoeverre geldende
                                    bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het eerste
                                    lid kunnen worden aangemerkt.</al></li><li nr="3."><al>Alvorens burgemeester en wethouders de gemeenteraad terzake een
                                    voorstel doen, wordt de Monumentencommissie gehoord.</al></li><li nr="4."><al>De Monumentencommissie adviseert binnen veertien weken na
                                    ontvangst van het verzoek van het college van burgemeester en
                                    wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In beschermde stads- of dorpsgezichten is het verboden een
                                    bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in
                                    afwijking van een vergunning van het college.</al></li><li nr="2."><al>Geen sloopvergunning is vereist voor het afbreken ingevolge een
                                    aanschrijving van het college.</al></li><li nr="3."><al>Op het verlenen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                    zijn, totdat een beschermend bestemmingsplan onherroepelijk is
                                    geworden, de artikelen 11 tot en met 14 van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5 SCHADEVERGOEDING</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20 Schadevergoeding</titel></kop><al>1.Indien en voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 11 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>voorschriften door het college verbonden aan een vergunning als
                                    bedoeld in artikel 11;</al></li></lijst><al>schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te
                            zijnen laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag
                            een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. </al><al>2.Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                            verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van artikel 49
                            van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6 SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21 Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met de artikelen 10, 11 en 19 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Toezichthouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                    krachtens deze verordening zijn belast: de medewerkers van de
                                    unit Handhaving en Vergunningen.</al></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                                    of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het
                                    college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voorzover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke
                                    monumenten treedt zij in werking op de dag na bekendmaking.
                                </al></li><li nr="2."><al>De Monumentenverordening Capelle aan den IJssel 2003, voorzover
                                    het betreft bepalingen over gemeentelijke monumenten en
                                    gemeentelijke stads- en dorpsgezichten, vervalt op de datum
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Voorzover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                    rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het
                                    bepaalde in artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet 1988.
                                </al></li><li nr="4."><al>De Monumentenverordening Capelle aan den IJssel 2003, voor zover
                                    het betreft bepalingen over beschermde rijksmonumenten, vervalt
                                    op de datum waarop het derde lid toepassing vindt. </al></li><li nr="5."><al>De gemeentelijke monumenten en stads- en dorpsgezichten,
                                    geregistreerd ingevolge de in het tweede lid genoemde vervallen
                                    verordening, worden geacht geregistreerd te zijn overeenkomstig
                                    de bepalingen van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Overgangsrecht</titel></kop><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van
                            deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de
                            Monumentenverordening Capelle aan den IJssel 2003.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Monumentenverordening
                            Capelle aan den IJssel 2007'. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 12 februari 2007,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Monumentenverordening Capelle aan den IJssel 2007</titel></kop><al><vet>ToelichtingA. Algemene toelichting</vet> Bij het opstellen van deze
                    verordening zijn de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving' in aanmerking
                    genomen. De bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen
                    systematiek vormen een belangrijke basis voor de bepalingen van de verordening.
                    Drie hoofdpunten zijn in de verordening geregeld: </al><al>de aanwijzing van zaken tot gemeentelijk monument. Dit betreft ook
                    archeologische monumenten; </al><al>de aanwijzing van gebieden tot gemeentelijk stads- of dorpsgezicht;</al><al>het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke monumenten en gemeentelijke stads-
                    en dorpsgezichten; </al><al>de verwijzing naar het vergunningenstelsel voor beschermde rijksmonumenten in de
                    Monumentenwet 1988. </al><al>Daarnaast is beoogd het bouwhistorisch onderzoek een nadrukkelijke rol te laten
                    spelen bij de bepaling van het gemeentelijk monumentenbeleid. </al><al><vet>B. Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al><vet><cursief>Sub a</cursief></vet> Bij de omschrijving van het begrip
                    'monument' is aansluiting gezocht bij de omschrijving in de Monumentenwet 1988.
                    Cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een
                    bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan
                    en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of
                    dat gebied heeft gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    waarde. De onder 2 bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een
                    perceel met een of meer bomen zijn. Het is niet vereist dat op het terrein ook
                    een bouwkundig monument voorkomt teneinde over een monument te kunnen spreken.
                    Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip. De vijftig-jaargrens die voor
                    rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke monumenten overgenomen.
                    Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog) niet
                    op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn, reeds op de gemeentelijke
                    monumentenlijst te plaatsen. </al><al><vet><cursief>Sub b</cursief></vet> De term 'gemeentelijk archeologisch
                    monument' wordt apart gedefinieerd in verband met de enigszins afwijkende
                    positie die een archeologisch monument inneemt ten aanzien van de
                    vergunningverlening. </al><al>Ten eerste is er verschil in behandeling tussen een rijks- of gemeentelijk
                    archeologisch monument bij een vergunningaanvraag. De vergunningverlening voor
                    het verstoren of in enig opzicht wijzigen van een gemeentelijk monument is een
                    bevoegdheid van het college. Als er echter sprake is van een archeologisch
                    rijksmonument beslist de minister op de vergunningaanvraag. Ten tweede regelt de
                    Monumentenwet 1988 dat het doen van een opgraving alleen plaats mag vinden met
                    vergunning van de minister. Deze verplichting geldt in zijn algemeenheid voor
                    alle archeologische monumenten. Het maakt dus niet uit of er sprake is van
                    rijks- of gemeentelijke bescherming, het doen van opgravingen is
                    vergunningplichtig. </al><al>Deze vergunning tot het doen van opgravingen kan onder bepaalde voorwaarden
                    alleen worden toegekend aan de rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk
                    onderwijs of een gemeente. Vanwege deze twee aspecten wordt in deze verordening
                    een onderscheid gemaakt tussen een 'normaal' en een (gemeentelijk)
                    'archeologisch' monument. In het geval van een opgraving regelt de Monumentenwet
                    1988 (artikelen 42 tot en met 49) de eigendom van roerende monumenten die men
                    daarbij aantreft. Deze regels gelden in alle gevallen dat opgravingen worden
                    gedaan of men bij toeval op een vondst stuit waarvan men kan vermoeden dat het
                    om een monument gaat. Er wordt geen onderscheid gehanteerd tussen rijks- en
                    gemeentelijke monumenten. </al><al><vet><cursief>Sub c, e en f</cursief></vet> Hier wordt gesproken over onroerende
                    monumenten. Roerende monumenten worden derhalve niet beschermd. Reden hiervoor
                    is dat het effectueren van de bescherming een probleem vormt. Roerende
                    monumenten kunnen meestal eenvoudig worden verplaatst en daardoor ongemerkt over
                    de gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening worden
                    gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld schepen, voertuigen, schilderijen,
                    kerkschatten en gebruiksvoorwerpen. Zaken die naar hun aard onroerend zijn,
                    zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van de
                    redengevende omschrijving. <vet><cursief>Sub d</cursief></vet> Dit betreft de
                    lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening aangewezen monumenten
                    registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het
                    betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op
                    de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt.
                    Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te
                    trekken. Zie ook de toelichting op artikel 4, lid 1, en artikel 7.
                            <vet><cursief>Sub e</cursief></vet> Het is nodig om een
                    begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de gemeentelijke
                    monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk een voorwaarde
                    voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om vergunningen voor de
                    wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de vergunningverlening
                    voor rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en met 21 van de
                    Monumentenwet 1988 van toepassing. <vet><cursief>Sub f</cursief></vet> Ingeval
                    van aanwijzing van een kerkelijk monument tot gemeentelijk monument is overleg
                    tussen eigenaar en gemeente nodig (zie artikel 4, lid 5). Is er sprake van een
                    vergunning voor het gemeentelijke of rijksbeschermde kerkelijke monument, dan
                    kan overeenstemming tussen eigenaar en vergunningverlener nodig zijn (zie
                    artikel 13). Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                    godsdienstuitoefening in het kerkelijke monument. </al><al>Voor bijvoorbeeld een pastorie, een catechesatieruimte of verblijven van
                    kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel
                    dan ook niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de andere monumenten
                    gelden. </al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al><vet>Artikel 2</vet> De taken van de Monumentencommissie strekken zich uit over
                    de Monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de Monumentencommissie
                    in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de
                    Monumentenwet 1988 te adviseren aan het college, </al><al>is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15, lid 1 van de Monumentenwet
                    1988. In het gedualiseerde bestel is een belangrijke vernieuwing dat elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instelt. </al><al>De Monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college. Het is
                    dan ook het college die deze commissie instelt op grond van artikel 84
                    Gemeentewet. De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit te
                    werken. In een dualistisch stelsel is het normaal gesproken niet mogelijk dat de
                    raad in haar verordening bepaalt dat er een commissie is ingesteld welke
                    adviseert aan het college. Het is immers aan het college om te bepalen of zij
                    een adviescommissie willen. Deze redenatie gaat niet op voor wat betreft de
                    Monumentencommissie. In de Monumentenverordening wordt door de raad bepaald dat
                    er een Monumentencommissie is die advies uitbrengt aan het college. </al><al>Dit vloeit voort uit de Monumentenwet. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat
                    de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen
                    die adviseert aan het college over aanvragen van vergunningen als bedoeld in
                    artikel 11 van de Monumentenwet. De wetgever geeft hier dus aan dat het college
                    in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een
                    commissie. Door het ontbreken van deze keuzevrijheid is er geen strijdigheid met
                    het duale uitgangspunt als de raad in haar verordening bepaalt dat er een
                    commissie is die adviseert aan het college. Het instellen van de
                    Monumentencommissie door het college moet middels een apart collegebesluit.</al><al>Op grond van artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 83, tweede lid van
                    de Gemeentewet mogen raadsleden geen deel uitmaken van collegecommissies. In het
                    vierde lid van artikel 84 Gemeentewet is bepaald dat de instelling van een
                    commissie op dezelfde wijze moet worden bekendgemaakt als algemeen verbindende
                    voorschriften. </al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Het een
                    en ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand. Dit artikel is
                    van belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de
                    vergunningverlening. <vet>Artikel 4</vet></al><al><vet><cursief>Lid 1</cursief></vet> De aanwijzing tot gemeentelijk monument en
                    het plaatsen op de monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend
                    rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de
                    gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve handeling. Het
                    besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het gebruik van het
                    monument. <vet><cursief>Lid 2</cursief></vet> Het college moet het advies
                    inwinnen van de monumentencommissie. De verordening bindt het advies niet aan
                    bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en
                    werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.
                    De verordening bevat geen voorschriften voor de bescherming van het monument
                    gedurende de tijd dat de aanwijzingsprocedure loopt, zoals de Monumentenwet 1988
                    dat doet. De spoedprocedure kan in situaties die ernstige gevolgen voor het aan
                    te wijzen monument hebben, bewerkstelligen dat binnen korte tijd de
                    verbodsbepalingen van de verordening van toepassing zijn. Er moeten dan gegronde
                    redenen aanwezig zijn om de spoedprocedure te kunnen gebruiken. Indien de
                    gemeente wil zekerstellen dat de potentieel aan te wijzen monumenten tijdens de
                    aanwijzingsprocedure ook zijn beschermd, moet een voorbescherming als in de
                    Monumentenwet 1988 worden opgenomen. Er wordt niet bepaald dat de aanvrager en
                    andere belanghebbenden worden gehoord voordat het college over een aanwijzing
                    een besluit neemt, omdat dit is geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al><al><vet><cursief>Lid 3</cursief></vet> Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw
                    geeft meer inzicht in de historische geschiedenis van een gebouw. In de
                    Monumentenwet 1988 is geen bepaling over bouwhistorisch onderzoek opgenomen. </al><al>Het laten verrichten van bouwhistorisch onderzoek behoort daarmee tot de
                    beleidsvrijheid van de gemeente. Er is een tweetal momenten te onderscheiden
                    wanneer een gemeente bouwhistorisch onderzoek kan vragen. Ten eerste bij een
                    (aanvraag tot) aanwijzing als gemeentelijk monument. De informatie over de
                    bouwhistorische waarde van een gebouw kan van invloed zijn op de beslissing van
                    het college om het pand al dan niet als gemeentelijk monument aan te wijzen en
                    op de wijze waarop het pand in de registers wordt ingeschreven. Ten tweede bij
                    aanvragen voor vergunning tot wijziging van een gemeentelijk monument. </al><al>De bouwhistorische waarde die door een verbouwing of andere wijziging aangetast
                    wordt is van invloed op de beslissing van het college. Alhoewel het er in beide
                    gevallen om gaat om informatie te krijgen over de bouwhistorische waarde van een
                    pand zijn de mogelijkheden om het bouwhistorisch onderzoek te kunnen uitvoeren
                    verschillend. Dit vindt zijn oorzaak in wiens belang de aanvraag tot aanwijzing
                    als gemeentelijk monument of de vergunningaanvraag wordt gedaan. Daarnaast is
                    van belang of het al dan niet een woning betreft. Dit heeft te maken met de
                    mogelijkheden om een gebouw als gemeente binnen te kunnen treden. </al><al>De aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk monument is in veel gevallen niet
                    afkomstig van de eigenaar van het pand. Veelal dient een belangenvereniging voor
                    monumenten een aanvraag tot aanwijzing in. In die gevallen dat een ander dan de
                    eigenaar van een pand een aanvraag tot aanwijzing indient, dan wel de gemeente
                    ambtshalve aanwijzingsvoorstellen doet, kan de gemeente de eigenaar moeilijk
                    verplichten bouwhistorisch onderzoek uit te voeren. Indien de eigenaar of
                    gebruiker een aanvraag voor vergunning tot wijziging van het gebouw indient, kan
                    de gemeente hieraan de voorwaarde verbinden dat bouwhistorisch onderzoek wordt
                    verricht. In dat geval zullen (een deel van) de kosten van het bouwhistorisch
                    onderzoek ten laste van de eigenaar kunnen worden gebracht, gezien het belang
                    dat deze bij de vergunningverlening heeft (zie verder bij 'Vergunning tot
                    wijziging van een monument'). Om het bouwhistorisch onderzoek uit te voeren moet
                    men het gebouw betreden. Voor het binnentreden is toestemming van de eigenaar
                    nodig. Deze toestemming vormt naast de kosten van het onderzoek het tweede
                    mogelijke knelpunt voor het bouwhistorisch onderzoek. Bij het binnentreden moet
                    onderscheid worden gemaakt tussen woningen en gebouwen anders dan woningen. Het
                    binnentreden van woningen is in verband met het huisvrederecht aan strengere
                    voorwaarden gebonden dan het binnentreden van andere gebouwen. Op grond van de
                    Gemeentewet kan de gemeente zich niet de toegang tot een woning verschaffen ten
                    behoeve van het verrichten van bouwhistorisch onderzoek. Het binnentreden van
                    een woning zonder toestemming van de bewoners is slechts toegestaan in die
                    gevallen dat het binnentreden tot doel heeft het handhaven van de openbare orde
                    of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    Bouwhistorisch onderzoek heeft dit niet tot doel. Bij woningen is de gemeente
                    dus afhankelijk van de bereidheid van de woningeigenaar om bouwhistorisch
                    onderzoek uit te laten voeren. Argumenten die de gemeente kan gebruiken zijn het
                    verkrijgen van zicht op de cultuurhistorische waarde van een gebouw en het feit
                    dat mogelijk anders bij een wijzigingsvergunning bouwhistorisch onderzoek als
                    voorwaarde kan worden gesteld. De situatie is anders in die gevallen dat het
                    andere gebouwen dan woningen betreft. </al><al>In de verordening is in artikel 22 opgenomen dat door het bevoegd gezag
                    aangewezen personen in het kader van het toezicht op de naleving van de
                    verordening ruimten binnen kunnen treden. Dit geldt ook voor het doen van
                    bouwhistorisch onderzoek op grond van de verordening. De gemeente kan voordat
                    zij een besluit neemt over de vergunningverlening tot wijziging van een monument
                    bepalen dat informatie over de bouwhistorische waarde van het gebouw nodig is. </al><al>Het is niet noodzakelijk om het vragen van bouwhistorisch onderzoek in de
                    verordening vast te leggen. </al><al>De voorwaarden die de gemeente omtrent de afhandeling van aanvragen om een
                    beschikking op grond van de Awb (artikel 4:5) kan stellen bieden voldoende
                    houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een
                    gebouw bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van
                    belang is. De gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch
                    onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de
                    aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid. De gemeente
                    kan de aanvrager bijvoorbeeld niet verplichten om voor het gehele pand
                    bouwhistorisch onderzoek uit te voeren als slechts voor een deel van het pand
                    een wijzigingsvergunning wordt aangevraagd. Daarnaast moet de gemeente bij het
                    stellen van voorwaarden rekening houden met de kosten die met het bouwhistorisch
                    onderzoek zijn gemoeid. Deze kosten moeten in redelijke verhouding tot de kosten
                    van de verbouwing staan. Er zijn binnen het bouwhistorisch onderzoek
                    verschillende gradaties aan te geven (mate van gedetailleerdheid). De VNG
                    adviseert om in het aanvraagformulier op te nemen dat bouwhistorisch onderzoek
                    mogelijk nodig is om tot een beoordeling op de aanvraag te komen. Op deze manier
                    is de aanvrager op het moment van aanvragen op de hoogte van wat er van hem
                    wordt verlangd. In de toelichting op het aanvraagformulier kan de gemeente
                    aangeven dat het bouwhistorisch onderzoek door terzake deskundigen moet worden
                    uitgevoerd. De gemeente kan hierbij aangeven welke personen of instanties in
                    haar ogen voldoende gekwalificeerd zijn. Als de gemeente besluit om het
                    bouwhistorisch onderzoek te subsidiëren, kunnen meer verplichtend kwalitatieve
                    eisen aan het onderzoek of onderzoekers worden gesteld. Het feit dat het
                    binnentreden van een woning niet afgedwongen kan worden is bij een aanvraag tot
                    vergunningverlening geen probleem. Indien de eigenaar weigert om de personen die
                    het bouwhistorisch onderzoek moeten verrichten binnen te laten, dan kan hij niet
                    aan de verplichting van de vereiste bescheiden voldoen. In die gevallen zal het
                    college de aanvraag, na herhaald verzoek de verlangde gegevens te leveren, niet
                    in behandeling nemen. </al><al>Bij de verlening van de vergunning kan de gemeente in de vergunningvoorwaarden
                    het doen van onderzoek en het verstrekken van documentatie tijdens de
                    bouwwerkzaamheden regelen, net als het veilig stellen van de afkomende
                    bouwhistorische elementen. </al><al><vet><cursief>Lid 4</cursief></vet> Dit lid geeft de gemeenteraad een rol bij de
                    besluiten tot aanwijzing voor een gemeentelijk monument. </al><al>Door middel van dit lid kan de gemeenteraad haar controlerende functie
                    gemakkelijker uitvoeren. </al><al>De aanwijzings- en of wijzigingsbesluiten voor de gemeentelijke monumenten
                    kunnen daardoor door de raad worden getoetst aan het beleidskader monumenten. </al><al><vet><cursief>Lid 5</cursief></vet> Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in de
                    Awb dat belanghebbenden zienswijzen naar voren kunnen brengen (artikel 4:8).
                    Overleg is immers meer dan het naar voren kunnen brengen van zienswijzen.
                            <vet><cursief>Lid 6</cursief></vet> Dit lid regelt de voorbescherming
                    voor toekomstige gemeentelijke monumenten zoals die ook voor rijksmonumenten
                    geldt. Dat betekent dat in de periode van kennisgeving van het voornemen van het
                    college om een monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het
                    daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn) artikel 10
                    tot en met 14 van deze verordening van toepassing zijn.</al><al>Dat betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot
                    beschermd gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaats
                    (et cetera) zonder een gemeentelijke monumentenvergunning. </al><al><vet><cursief>Lid 7</cursief></vet> Monumenten die al op een rijkslijst of een
                    provinciale lijst staan, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in
                    aanmerking. </al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de Monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten de aanvrager, eigenaar en andere
                    belanghebbenden beter waar ze aan toe zijn. De redactie van lid 2 heeft tot
                    gevolg dat, wanneer de Monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de
                    volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om
                    het (te laat uitgebrachte advies, maar binnen de termijn voor het college) toch
                    in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op
                    grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat
                    voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open
                    die ook tegen een reëel besluit open zou staan. Het artikel bevat geen
                    bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt
                    (afdeling 3.6). </al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>De mededeling van het college is voor de eigenaar en de anderszins zakelijk
                    gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat de mededeling door
                    de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de mededeling bij aangetekend
                    schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich er dan niet op beroepen van
                    niets te weten. Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt
                    aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb zulks bepaalt (afdeling 3.6). Is
                    artikel 4:8 toegepast (het horen van geadresseerde en van derde belanghebbenden)
                    en is van de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen de
                    betrokkenen op grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb een mededeling te
                    ontvangen. </al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het
                    interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich
                    op het perceel van het monument bevinden, zoals bijgebouwen, tuininrichting en
                    bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de werking van de
                    verordening vallen. Voor elke wijziging van het monument is dus een vergunning
                    nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met kadastrale
                    vernummering, kan ook een plattegrond worden aangehecht. De registratie van de
                    aanwijzing is een administratieve handeling (en geen besluit). De bedoeling van
                    de aldus bij te houden monumentenlijst is om eenieder snel inzicht te geven in
                    welke zaken om welke reden als gemeentelijk monument zijn aangewezen. Het kan
                    beleid zijn van een gemeente dat alleen de buitenkant van gemeentelijk monument
                    beschermd wordt. </al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te
                    wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure (advies van
                    Monumentencommissie of eventueel archeologische begeleidingscommissie of
                    eigenaar van een kerkelijk monument) als voor de aanwijzing (lid 2), tenzij de
                    wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing
                    worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4). </al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in
                    te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt dat het advies van de Monumentencommissie
                    nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende gevallen (lid 2). Monumenten op de
                    gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze
                    zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van
                    de monumentenlijst gehaald. Lid 3 regelt dat monumenten die na aanwijzing als
                    gemeentelijk monument worden geregistreerd als rijksmonument, vanaf dat tijdstip
                    geacht worden niet meer te zijn aangewezen. Het kan zinvol zijn om voor een
                    gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van de aanwijzing loopt een
                    (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging
                    van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop
                    voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd. <vet>Artikel 10</vet></al><al>De verbodsbepaling van artikel 10 vertoont gelijkenis met artikel 11, lid 1 van
                    de Monumentenwet 1988. <vet>Artikel 11</vet></al><al>De verordening legt de vergunningverlening ten aanzien van rijksmonumenten op
                    basis van de Monumentenwet 1988 in handen van het college. De Monumentenwet 1988
                    regelt de vergunningverlening voor de wijziging van rijksmonumenten door het
                    college in de artikelen 11 tot en met 21 juncto artikel 15 van de
                    Monumentenverordening. In dit artikel gaat het derhalve alleen over
                    gemeentelijke monumenten. Artikel 11 regelt dat een vergunning nodig is om een
                    monument te verstoren. Dit geldt ook voor archeologische monumenten. Over
                    opgravingen en vondsten is niets in de verordening geregeld. </al><al>Reden hiervoor is dat deze aspecten uitputtend in de Monumentenwet 1988 zijn
                    geregeld. De Monumentenwet 1988 regelt: </al><lijst><li nr="-"><al>dat voor opgravingen een vergunning nodig is; </al></li><li nr="-"><al>dat een rechthebbende van een terrein moet dulden dat de
                            opgravingsbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen
                            verricht; </al></li><li nr="-"><al>de eigendomskwestie van vondsten; </al></li><li nr="-"><al>een schaderegeling. </al></li></lijst><al>Als de gemeente zelf archeologische monumenten beschermt, kan zij in de
                    toelichting van de verordening aangeven wat zij onder verstoren verstaat. In de
                    Monumentenwet 1988 wordt hierover geen uitspraak gedaan. Ingrepen die de
                    bestemming van de grond veranderen en waardoor het grondwaterpeil verandert of
                    waarbij bijvoorbeeld graafwerk dieper dan 0,50 m wordt verricht kunnen worden
                    aangemerkt als het verstoren van een archeologisch monument in de zin van
                    artikel 11. </al><al>Ten aanzien van de de vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van
                    belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de
                    Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een aanvraagformulier voor de
                    vergunning kan de gemeente aangeven welke gegevens zijn vereist.</al><al>Wat de eventueel benodigde gegevens voor bouwhistorisch onderzoek betreft wordt
                    verwezen naar de toelichting van artikel 4, lid 3. <vet>Artikel 12</vet></al><al>Als het college de aanvraag in behandeling neemt, moet door hem op grond van de
                    verordening advies gevraagd worden aan de Monumentencommissie. Nadat dit advies
                    aan het college is uitgebracht moet hij ermee rekening houden dat artikel 4:7 of
                    artikel 4:8 Awb van toepassing kan zijn. Over het voornemen de beschikking af te
                    geven, dan wel geheel of gedeeltelijk af te wijzen moeten de aanvrager en de
                    belanghebbenden worden gehoord. </al><al>Deze kunnen naar keuze hun zienswijzen schriftelijk of mondeling naar voren
                    brengen op grond van </al><al>artikel 4:9 Awb. </al><al>De redactie van lid 3 heeft tot gevolg dat, wanneer de Monumentencommissie niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen of besluiten om het (te laat uitgebrachte advies) toch in zijn
                    overwegingen te betrekken</al><al>De totale termijn kan worden verlengd, mits de aanvrager tijdig van het uitstel
                    op de hoogte wordt gesteld (lid 4). </al><al>Als het college niet tijdig beslist, wordt de monumentenvergunning geacht te
                    zijn verleend (lid 5). </al><al>Hierbij is niet aangesloten bij de Awb (die kent immers de fictieve weigering),
                    maar bij de bouwvergunning en rijksmonumentenvergunning. Deze kennen namelijk
                    ook een fictieve vergunningverlening bij overschrijding van de fatale termijnen.
                    Er kan ook worden gekozen voor een fictieve weigering, de in de Awb geregelde
                    systematiek. Een voordeel hiervan is dat er dan nog niets onherroepelijks kan
                    gebeuren. De bepaling van lid 6 komt overeen met die in de Monumentenwet 1988,
                    maar niet met hetgeen geregeld is voor de bouwvergunning en de Awb. Het is niet
                    nodig om te regelen dat het college aan een vergunning voorschriften kan
                    verbinden in het belang van de monumentenzorg of dat de vergunning voor bepaalde
                    tijd kan worden verleend. Het verbinden van voorschriften aan een vergunning en
                    het verlenen van een vergunning voor bepaalde tijd is namelijk een ongeschreven
                    regel van het bestuursrecht. Dat kan dus ook zonder het in de verordening te
                    regelen. Indien de aanvraag een verstoring van een gemeentelijk archeologisch
                    monument betreft kan de gemeente bij het afgeven van een vergunning bepalen dat
                    de belangen waardoor het terrein is aangewezen voldoende moeten zijn beschermd.
                    Dit kan zij regelen door in de vergunningvoorwaarden op te nemen dat de
                    rechthebbende op het terrein toestemming moet verlenen aan door het college aan
                    te wijzen personen om het terrein te betreden en om graafwerk of
                    documentatiewerkzaamheden op het terrein te laten verrichten. Het een en ander
                    kan ook nodig zijn in verband met het verkrijgen van voldoende gegevens om op de
                    vergunningaanvraag te kunnen beschikken. Het een en ander geldt ook voor
                    bovengrondse monumenten. Zowel in de sloopvergunning als bij de intrekking van
                    de aanwijzing kunnen voorafgaand aan de sloop voorwaarden worden gesteld ter
                    documentatie van het monument voor de lokale geschiedenis en om afkomende
                    bouwhistorische elementen veilig te stellen. </al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding, dan
                    is overeenstemming niet vereist. Zie de toelichting op artikel 2.</al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al><vet><cursief>Lid 1</cursief></vet> Dit artikellid bevat de mogelijke
                    intrekkingsgronden. De bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de
                    omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen,
                    dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen
                    plaatsvinden, de belangen van het monument behoren voor te gaan. In dat geval
                    moet de vergunningverlener (het college) de mogelijkheden hebben om de
                    vergunning in te trekken. </al><al><vet><cursief>Lid 2</cursief></vet> Gelet op de taak van de Monumentencommissie,
                    ligt het voor de hand dat een afschrift van de intrekking aan die commissie
                    wordt gezonden. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling
                    verdient om de Monumentencommissie om advies te vragen. De commissie kan ook
                    ongevraagd adviseren. De inkennisstelling van de vergunninghouder en het met
                    redenen omkleed moeten zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat artikel 3:41
                    Awb dit regelt. </al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al><vet><cursief>Lid 1</cursief></vet> De procedure voor de afgifte door het
                    college van burgemeester en wethouders van de vergunning voor rijksmonumenten
                    staat in hoofdstuk 2, paragraaf 2 van de Monumentenwet 1988 en afdeling 3.4 van
                    de Awb. De RDMZ en, buiten de bebouwde kom, ook Gedeputeerde Staten moeten
                    binnen twee maanden na verzending van de adviesaanvraag adviseren (Monumentenwet
                    1988, artikel 16.2). Het definitieve besluit moet binnen vier maanden na
                    ontvangst van het laatste van de adviezen van RDMZ en GS plaatsvinden
                    (Monumentenwet 1988, artikel 16.3). Op het definitieve besluit is alleen nog
                    maar beroep mogelijk, en wel alleen door de RDMZ, GS, </al><al>de aanvrager, belanghebbenden die tijdig een zienswijze naar voren hebben
                    gebracht (Awb 3:41 en 3:43) en belanghebbenden die een goede reden hebben geen
                    zienswijzen te hebben ingebracht (Awb artikel 6:13). De procedure voor de
                    afgifte door het college van de vergunning voor rijksmonumenten staat in de
                    artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988. <vet><cursief>Leden 2 en
                            3</cursief></vet> De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de
                    monumentencommissie bij de aanvragen om vergunning voor rijksmonumenten wordt
                    ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit wettelijke vereiste door het ontbreken van
                    het advies van de monumentencommissie tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van
                    de vergunning, is in lid 3 bepaald dat de monumentencommissie geacht wordt te
                    hebben geadviseerd na het verstrijken van de in lid 2 gestelde adviestermijn.
                        <vet>Artikel 20</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). </al><al>Dit artikel is dus niet verplicht. Alternatief voor een
                    schadevergoedingsregeling is de civielrechtelijke jurisprudentie over
                    schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad, Boek 6, artikel 126 BW). Ten
                    opzichte van de (on)rechtmatige-daadprocedure, heeft een
                    schadevergoedingsregeling de volgende voordelen: </al><lijst><li nr="-"><al>een lage drempel voor de burger en meer mogelijkheden voor overleg
                            (administratieve voorprocedure); </al></li><li nr="-"><al>samenhang tussen monumenten en ruimtelijke ordening (artikel 49 WRO);
                            vandaar dat in lid 2 voor de behandeling van de aanvragen de bepalingen
                            van de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van
                            artikel 49 van de WRO van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
                        </al></li></lijst><al>Ten opzichte van de (on)rechtmatige-daadprocedure, heeft de
                    schadevergoedingsregeling de volgende nadelen: </al><al>zoals vermeld is de regeling geen wettelijke verplichting; </al><al>de regeling kan een aanzuigende werking hebben; </al><al>er is een (civielrechtelijk) alternatief. </al><al>Het aanwijzen, wijzigen of intrekken van de aanwijzing als gemeentelijk monument
                    is uit het schadevergoedingsartikel weggelaten. Dit heeft als reden dat
                    eventuele schade pas optreedt als voor bepaalde activiteiten geen of niet de
                    gewenste vergunning is verleend. <vet>Artikel 21</vet></al><al>Artikel 154, lid 1 van de Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de
                    keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete te stellen
                    van de tweede of de eerste categorie. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 225,-- (februari 2004); in
                    de tweede categorie maximaal € 2250,-- (februari 2004). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. </al><al>In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het verbod om een
                    monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld aan een
                    geldboete van de vijfde categorie (€ 45.000,-- (februari 2004)). Op gemeentelijk
                    niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de strafmaat voor
                    rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te bereiken, de keuze
                    voor de geldboete van de tweede categorie voor de hand liggend. </al><al>In de verordening hoeft niet de mogelijke straf opgenomen te worden om bij
                    overtreding de rechterlijke uitspraak openbaar te maken. Een dergelijke
                    strafbepaling is overbodig, omdat iedere rechterlijke uitspraak openbaar is. </al><al><vet>Artikel 22</vet></al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr). De basis voor
                    deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn
                    algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit
                    hoofdstuk geeft regels voor het toezicht. Toezichthouders zijn personen die bij
                    of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de
                    naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift </al><al>(artikel 5:11 Awb). De aanwijzing van toezichthouders kan derhalve in de
                    Monumentenverordening plaatsvinden. Een deel van de toezichthouders wordt in de
                    verordening zelf aangewezen (dit is noodzakelijk indien een toezichthouder
                    tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen, zie ook verderop). Hiernaast
                    kunnen toezichthouders door het college dan wel de burgemeester worden
                    aangewezen. De bevoegdheid hiertoe vloeit voort uit de artikelen 160 (nieuw) en
                    174 van de Gemeentewet waarin het college respectievelijk de burgemeester belast
                    is met de uitvoering van gemeentelijke verordeningen. </al><al> Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren. Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te
                    kunnen legitimeren (artikel 5:12 Awb). </al><al>Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                    verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. Het in artikel 5:12,
                    derde lid van de Awb genoemde model van het legitimatiebewijs is vastgesteld bij
                    de Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131). Deze
                    regeling bevat geen echt model, maar een opsomming van alle elementen die in
                    ieder geval op het legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld van
                    een legitimatiebewijs. In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel
                    neergelegd. Een toezichthouder mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voorzover
                    dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien. Op basis van
                    artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met
                    uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaatsen' is
                    daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook
                    gebouwen en woningen. Dat de Awb een uitzondering maakt voor het betreden van
                    een woning zonder toestemming van de bewoner vloeit voort uit het in artikel 12
                    van de Grondwet vastgelegde 'huisrecht'. Op grond hiervan is voor het
                    binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner steeds een grondslag
                    in een bijzondere wet vereist. </al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. </al><al>Het kenmerkende onderscheid tussen beide is dat bij toezicht op de naleving geen
                    sprake hoeft te zijn van enig vermoeden van overtreding van een wettelijk
                    voorschrift en bij opsporing wel. Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de
                    taak na te gaan of bijvoorbeeld de voorschriften van een vergunning in acht
                    worden genomen. Indien mocht blijken dat in strijd met het voorschrift wordt
                    gehandeld, hoeft dit ook niet automatisch te leiden tot een strafrechtelijke
                    vervolging. Het hanteren van bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken
                    van de vergunning of het toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een
                    meer passende reactie.</al><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden
                    kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden
                    die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de
                    opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht
                    overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                    die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden
                    genomen. </al><al> De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de volgende. </al><al>Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot burgers en
                    bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking. Opsporing dient
                    gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening. </al><al>Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd door de
                    Awb. De opsporing wordt geregeld in het Wetboek van Strafvordering (WvSv). </al><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    regiopolitie. </al><al>Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de regel een
                    opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten (beperkte
                    opsporingsbevoegdheid). Daarnaast kan in een bijzondere wet, bijvoorbeeld de
                    Monumentenwet, opsporingsambtenaren aangewezen worden. </al><al><vet>Artikel 22</vet></al><al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening is
                    allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten (de leden 1 en 2) en daarna
                    voor rijksmonumenten (de leden 3 en 4). Vervolgens wordt bepaald dat de op grond
                    van de oude verordening op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomende
                    monumenten geacht worden te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze
                    nieuwe verordening (lid 5). Het eerste lid is gebaseerd op artikel 139 van de
                    Gemeentewet. Hierin wordt de bekendmaking van verordeningen geregeld. </al><al><vet>Artikel 23</vet></al><al>In dit artikel is geregeld dat aanvragen om vergunning voor gemeentelijke
                    monumenten die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening,
                    worden afgehandeld op grond van de oude verordening. In dit artikel is geen
                    overgangsbepaling opgenomen ten aanzien van rijksmonumenten, omdat artikel 15
                    van de Monumentenverordening, noch artikel 12 van de Monumentenwet 1988 is
                    gewijzigd. Evenmin is een regeling getroffen inzake het toepasselijk recht ten
                    aanzien van bezwaarschriften die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze
                    verordening. Dit betekent dat het nieuwe recht op deze bezwaarschriften van
                    toepassing is. </al><al><vet>Artikel 24</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>