<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR6263_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJsselpost, 24-10-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-10-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-10-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verzameling 2007, nr. 53 / a</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1.Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op de dag van afkondiging.</al><al>Gelet op de datum van publicatie is de datum van inwerkingtreding 25 oktober 2007.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;</vet></al><al/><al>Gezien de ledenbrief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten,
                        kenmerk ECGR/U200700406, gedateerd 27 maart 2007;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;</al><al>gelet op artikel 8 van de Woningwet;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende verordening tot (twaalfde) wijziging van de
                        Bouwverordening:</al><al><vet>BOUWVERORDENING</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>INLEIDENDE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>asbest</vet>: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                            artikel 1, letter a, van het </al><al> Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li><li nr="b."><al><vet>Besluit indieningsvereisten</vet>: het Besluit
                                            indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning </al><al>als bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57,
                                            tweede en derde lid van de Woningwet; </al></li><li nr="c."><al><vet>Besluit bouwwerken</vet>: het Besluit
                                            bouwvergunningsvrije en licht-</al><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in
                                            artikel 43, eerste lid onder c en </al><al> artikel 44, tweede lid van de Woningwet; </al></li><li nr="d."><al><vet>bouwbesluit</vet>: de algemene maatregel van
                                            bestuur als bedoeld in artikel 2 van de </al><al>Woningwet; </al></li><li nr="e."><al><vet>bouwtoezicht</vet>: degenen, die ingevolge artikel
                                            100 van de Woningwet belast zijn met het </al><al>bouw- en woningtoezicht; </al></li><li nr="f."><al><vet>bouwwerk</vet>: elke constructie van enige omvang
                                            van hout, steen, metaal of ander </al><al>materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij
                                            direct hetzij indirect met de grond </al><al> verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                            of op de grond, bedoeld om ter plaatse</al><al> te functioneren; </al></li><li nr="g."><al><vet>deskundig bedrijf</vet> als bedoeld in hoofdstuk 8:
                                            hetgeen daaronder wordt verstaan in</al><al> artikel 6, eerste lid, van het
                                            Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li><li nr="h."><al><vet>gebruiksoppervlakte</vet>: de gebruiksoppervlakte
                                            als bedoeld in het Bouwbesluit. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:
                                        <vet>bouwwerk</vet>: een gedeelte van een bouwwerk;
                                        <vet>gebouw</vet>: een gedeelte van een gebouw. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt het gehele gebied binnen
                            de gemeentegrenzen als bebouwde kom.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>DE AANVRAAG BOUWVERGUNNING</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek
                                            verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999,
                                            waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het
                                            onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de
                                            resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde
                                            protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU,
                                            uitgave oktober 1993);</al></li><li nr="b."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens
                                            het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994)
                                            of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave
                                            1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend
                                            onderzoek uitwijzen dat sprake is van
                                            bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst
                                            van deze verontreiniging een nader onderzoek, als
                                            bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU,
                                            uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1
                                            (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in paragraaf 1.2.5, onder e, van de Bijlage bij het Besluit
                                    indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking
                                    heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                    bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing
                                    geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    bouwwerken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                    ontheffing van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de
                                    Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de
                                    toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare
                                    recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing
                                    verlenen van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5, onder e van de
                                    Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk
                                    met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel
                                    45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het in NVN 5725,
                                    uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik
                                    en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is
                                    dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek
                                    volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                    woonwagens en standplaatsen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel></kop><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                                bouwvergunning, als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet, wordt
                                aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het
                                        bouwwerk;</al></li><li nr="c."><al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd
                                        wordt;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop bezwaar ingevolge de Wet administratieve
                                        rechtspraak overheidsbeschikkingen kan worden
                                        ingesteld.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al><al>voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist;
                                en</al><lijst><li nr="a."><al>dat de grond raakt, of</al></li><li nr="b."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden bouwvergunning</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter
                                e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage,
                                kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de
                                bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit
                                indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                                bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig
                                het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van
                                die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                                beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt
                                kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedebouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedebouwkundige bepalingen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking
                                moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                                bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden
                                genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer</titel></kop><al><vet><cursief>Brandblusvoorzieningen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                        mensen is bestemd, meer dan 10 m is verwijderd van een
                                        openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en
                                        het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                        verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's
                                        en het overige te verwachten verkeer.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid
                                        moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in
                                        een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                        voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                                breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een
                                                vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                                ten minste 4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600
                                                kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken;
                                                en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                        bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het
                                        Besluit bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot
                                        bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                        dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                        bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                        aanwezig zijn dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                        auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                        bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                        doeltreffende nietopenbare bluswatervoorziening.</al></li><li nr="6."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de
                                        aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich
                                        daarvoor lenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een automatische doormelding van brand naar de
                                    alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het
                                    gebouw over meerdere toegangen beschikt, in overleg met de
                                    brandweer ten minste één van de toegangen als brandweeringang
                                    aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een
                                    brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem dat in
                                    overleg met de brandweer is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een
                                        woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit;</al></li></lijst></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn..</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                        en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van
                                        het Bouwbesluit.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een
                                        wegbreedte van ten minste 10 m, de lijn gelegen op 15 m uit
                                        de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 m, de
                                        lijn gelegen op 10 m uit de as van de weg.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                        die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                        werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                        bouwwerken, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van het
                                    bepaalde in het tweede lid ontheffing verlenen van het verbod
                                    tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 3, eerste lid, onder i, en derde lid, van het
                                            Besluit bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op
                                            een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument, als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke Monumentenverordening, voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historischesthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden
                                    verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="_"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van
                                            een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                            rijweg;</al></li><li nr="_"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg, en
                                            dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van
                                            de weg niet in gevaar komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het
                                bouwen op de weg van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                        eerste lid, onder h, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard
                                        en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            ontheffing, genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de ontheffing, genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 m bevinden,
                                    moet de bebouwing op de hoeken over een hoogte op een dergelijke
                                    hoek van niet meer dan 4,2 m boven straatpeil worden afgerond of
                                    afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd
                                    blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m² behoeft te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van
                                            het Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbij
                                            behorende woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de
                                            ontheffing is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging van de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 m. Indien meer dan één
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 m;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 m;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 m;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d,
                                            doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                            dan 15 m.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing in het belang van de toetreding
                                    van daglicht over een afstand van ten minste 5 m ter weerszijden
                                    van bedoeld snijpunt ten minste 2 m terugliggen ten opzichte van
                                    beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en
                                    het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit
                                    toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van
                                de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        een aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van
                                        het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in de artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                        die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                        werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                        bouwwerken, te weten:</al><lijst><li nr="_"><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="_"><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
                                        e en f, van het Besluit bouwwerken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Ontheffing voor overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="b."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is
                                        verzekerd;</al></li><li nr="e."><al>bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2,
                                        onder b, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="f."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="g."><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;</al></li><li nr="h."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="i."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen,
                                        bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit
                                        bouwwerken;</al></li><li nr="j."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="k."><al>bouwwerken aan of bij een monument, als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke Monumentenverordening voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historischesthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste 5 m.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                    buiten beschouwing blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                            indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                            bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="_"><al>een gunstige, andere indeling van het erf
                                                  aanwezig is;</al></li><li nr="_"><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht;</al></li><li nr="_"><al>bij het vergroten van een gebouw, dat niet aan
                                                  de bepalingen voor te bouwen woningen en
                                                  woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                                                  bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 m achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het
                                            verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 m daarboven minder
                                            dan 1 m breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li><li nr="c."><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                            aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing
                                            gelaten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                    aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                    ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onder e, van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden
                                    erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 m ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken
                                    van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet
                                    rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                    gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                    artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning
                                    van 1000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 m ter weerszijden van een ondergrondse
                                    hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige
                                    bouwwerken worden gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 m, indien de elektrische spanning van de
                                            hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 m, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de voorgevelrooilijn 1 m, vermeerderd met éénmaal de afstand
                                    tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 m.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtstbij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verstverwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de achtergevelrooilijn 1 m, vermeerderd met éénmaal de afstand
                                    tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                    beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                                    voor elke 5 m breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                    uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 m
                                    van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan het
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt onverminderd het
                                    bepaalde in artikel 2.5.24 de maximale hoogte van de zijgevel
                                    van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten
                                    hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan
                                    de voorgevel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                    bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor en de
                                    achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                    verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                    achtergevelrooilijn snijden op de krachtens de artikelen 2.5.20
                                    en 2.5.21 maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak
                                    een hoek vormen van 45 graden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de krachtens artikel 2.5.22 maximale bouwhoogte
                                    en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer
                                    bedragen dan 15 m.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagstgelegen weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 m met dien verstande dat uitgaande van een goothoogte van
                                    genoemde maat daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                                    omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    het straatpeil.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden buiten
                                    beschouwing worden gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                        onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 m en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        produkt van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                                derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon, kantoor of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
                                        k, van het Besluit bouwwerken, en indien:</al><lijst><li nr="_"><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                verlenen van de ontheffing is gebaat;</al></li><li nr="_"><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                        derde lid, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 m en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        m;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 m, de hoogte niet meer dan 1,5 m, de onderlinge
                                        afstand niet minder dan 3 m en de afstand tot de afscheiding
                                        niet minder dan 1,5 m bedraagt. Deze laatste voorwaarde
                                        geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot
                                        verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988, dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        Monumentenverordening voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historischesthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en
                                van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                                ruimtelijk beleid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14
                                        en 2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing
                                        verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod
                                        tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                        bouwhoogte.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door
                                        burgemeester en wethouders worden verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in
                                                artikel 20 Bro;</al></li><li nr="b."><al>de desbetreffende bouwactiviteit valt onder
                                                  het beleid van de provincie inzake artikel 19, lid
                                                  2 WRO;</al></li><li nr="c."><al>het desbetreffende bouwplan in overeenstemming
                                                  is met in voorbereiding zijnd toekomstig
                                                  ruimtelijk beleid;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op de voorbereiding van het besluit omtrent een
                                                ontheffing, als bedoeld in het eerste lid, is de in
                                                afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
                                                geregelde procedure van toepassing, met dien
                                                verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging
                                                  eenieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de
                                                  aanvraag kan inbrengen;</al></li><li nr="b."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht
                                                  burgemeester en wethouders de beslissing over de
                                                  aanvraag om reguliere bouwvergunning met ten
                                                  hoogste zes weken kunnen verdagen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad en
                                            losmogelijkheden bij of in gebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw
                                                daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het
                                                parkeren of stallen van auto's in voldoende mate
                                                ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw,
                                                dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij
                                                dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten
                                                zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het
                                                gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de
                                                eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het
                                                parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn
                                                afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis
                                                wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde
                                                  parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten
                                                  hoogste 2,50 m bij 6,00 m bedragen.</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde
                                                  parkeerruimte voor een gehandicapte voor zover die
                                                  ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir
                                                  grenst ten minste 2,95 m bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft
                                                tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het
                                                laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte
                                                in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat
                                                gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                                dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                                                verlenen van het bepaalde in het eerste en het derde
                                                lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door
                                                  bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren
                                                  stuit, of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige
                                                  parkeer of stallingruimte, dan wel laad of
                                                  losruimte wordt voorzien.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de
                                    ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk
                                    kan worden ontdekt en gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage
                                    10 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksfunctie:</al><lijst><li nr="a."><al>waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen
                                        op een in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening
                                        aangegeven waarde boven het meetniveau als bedoeld in het
                                        Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de
                                        in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening
                                        aangegeven grenswaarden;</al></li><li nr="c."><al>waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers
                                        meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze
                                        verordening aangegeven grenswaarde;</al></li><li nr="d."><al>die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer
                                        bouwlagen dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn
                                        aangegeven,</al></li></lijst><al>is voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535,
                                uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een
                                woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts in
                                één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte waardoor dient te
                                worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de betreffende
                                vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd, voorzien te
                                zijn van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking, indien er
                                sprake is van één of meer van de volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte en
                                        een punt vanwaar in meerdere richtingen kan worden gevlucht,
                                        bedraagt meer dan 10 meter;</al></li><li nr="b."><al>Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte waardoor
                                        slechts in één richting kan worden gevlucht alsmede de op
                                        dit gedeelte aangewezen verblijfsruimten is groter dan 200
                                        m2;</al></li><li nr="c."><al>Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de
                                        betreffende ruimte bedraagt meer dan 2.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie
                                            als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1,
                                            uitgave 2002, is uitgevoerd als: </al><lijst><li nr="a."><al>niet-automatische bewaking; of </al></li><li nr="b."><al>gedeeltelijke bewaking; of </al></li><li nr="c."><al>volledige bewaking; zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van
                                            bijlage 10 van deze verordening, of </al></li><li nr="d."><al>ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende
                                            vluchtroutes en risicoruimten. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, a, b en c, in een
                                    bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door
                                    naar de alarmcentrale van de brandweer, voor zover dit voor een
                                    gebruiksfunctie staat aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10
                                    van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535,
                                    uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig
                                    een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma
                                    van eisen als bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN
                                    2535/A1 uitgave 2002.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2
                                    rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van de
                                    brandweer, is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in
                                    de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor
                                    Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel
                                    een certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders
                                    erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling
                                    in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit
                                    certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als
                                    bedoeld in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties
                                    2002.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                            alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke
                                            tijd uit het bouwwerk kunnen vluchten.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van
                                            bijlage 11 van deze verordening voorschriften zijn
                                            aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het
                                            eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                                            voorschriften.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien
                                            de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie
                                            daartoe aanleiding geeft</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van
                                        ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is
                                            voorzien van een brandmeldinstallatie, is voorzien van
                                            een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575,
                                            uitgave 2004.</al></li><li nr="2."><al>In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel
                                            2.6.2, tweede lid, van toepassing is, dienen de
                                            betreffende verblijfsruimten te zijn voorzien van een
                                            automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in
                                            NEN 2575, uitgave 2004.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van
                                        ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk
                                            aanwezige ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het
                                            gestelde in NEN 2575, uitgave 2004.</al></li><li nr="2."><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk
                                            aanwezige ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en
                                            aangelegd overeenkomstig een door of namens burgemeester
                                            en wethouders aanvaard programma van eisen, als bedoeld
                                            in NEN 2575, uitgave 2004<vet>.</vet></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van
                                            vluchtroutes dat gebruikers op veilige wijze uit het
                                            bouwwerk kunnen vluchten.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van
                                            bijlage 12 van deze verordening voorschriften zijn
                                            aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het
                                            eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                                            voorschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van
                                        vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van
                                    deze verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als
                                    bedoeld in NEN 6088, uitgave 2002.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                                    vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088,
                                    uitgave 2002.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende
                                    herkenbaar aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor
                                    wat betreft de zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2
                                    tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een
                                    gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in geval
                                    van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                    brandmeldinstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.4 van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                    ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.7
                                    van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding
                                    aanwezig is artikel 2.6.10 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</titel></kop><al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het
                                goed kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een
                                calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het
                                publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een installatie die
                                mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners binnen en buiten dat
                                bouwwerk mogelijk maakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting op de waterleiding</titel></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten op
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen,
                                        of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting op het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten op het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen,
                                        of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand is gelegen dan
                                        100 m van de dichtstbijzijnde leiding van dat
                                        distributienet, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting op het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                    openbare distributienet voor aardgas: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in
                                            dit lid op woningen voor bejaarden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan
                                            500 m2; </al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                            verhuurd; </al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                            gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                            verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                            Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3A</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                                    verwarming</titel></kop><al>Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor
                                verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                Bouwbesluit (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te
                                bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting op de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit
                                    bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor
                                    de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een
                                    openbaar riool. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid: </al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is; </al></li><li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater betreft en dit niet
                                            kan worden geloosd op een schoonwaterriolering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze, op welke plaats, op welke hoogte en met
                                            welke binnenmiddellijn de voor het maken van de
                                            aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel
                                            van het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein
                                            moet of moeten kruisen; </al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                            terugvloeien van afvalwater, faecaliën en hemelwater,
                                            ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke
                                            wijze op het openbaar riool te lozen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                    milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen
                                    in de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld
                                    ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het
                                    openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere
                                    aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of
                                    de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze
                                    zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk
                                    is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan op de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                    Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet op een openbaar
                                    riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                            waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                            overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                            waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder
                                            overstort, een gierput of een rottingsput met
                                            overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                                            overstorten van rottingsputten moeten zodanig lozen dat
                                            geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                            optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen
                                            op een rottingsput.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op
                                    andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht
                                    mogelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden.</al><al>a.De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen op de
                                    buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de
                                    aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                    bouwwerk of de buitenriolering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting op een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingsputten voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                    beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                    wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1991.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                    moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NENnormen
                                    die zijn opgenomen in de bij deze verordening behorende bijlage
                                    7.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, tot en met 2.7.4 bedoelde afstand moet
                                worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ INGEBRUIKNEMING
                            VAN EEN BOUWWERK</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niettijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel
                            59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken,
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                    bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is
                                    gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                                    werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                    stilliggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="b."><al>andere vergunningen en ontheffingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit
                                    tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                    dwangsom.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag
                            onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde niet
                            worden begonnen, alvorens door of namens burgemeester en wethouders voor
                            zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de
                                voorwaarden van de bouwvergunning ten minste twee dagen voor de
                                aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces
                                in kennis te worden gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingswerkzaamheden
                                        daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringswerkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken</titel></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt rustpauzes tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen :</al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingspompen, indien de omstandigheden vereisen dat
                                de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat
                                schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                veroorzaken, verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een
                                werk te gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                        en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de navolgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m³ per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m³ per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het overige afval, bedoeld in voorgaand lid onder d, bestaat
                                uit meer dan één afvalstof, moet dit overig afval worden afgevoerd
                                naar een inrichting die bevoegd is deze afvalstoffen ongesorteerd te
                                ontvangen. Overig afval dat uit één afvalstof bestaat, evenals de
                                fractie bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten worden
                                afgevoerd naar een bewerkingsinrichting of verwerkingsinrichting,
                                dan wel een inzamelaar die bevoegd is deze afvalstoffen te
                                ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m³, dan mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Van het gereedkomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                    riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door
                                    wanden en vloeren beneden straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van
                                    de thermische isolatie in andere besloten constructies moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                            bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking
                                    heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan
                                    het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip
                                    van kennisgeving.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing
                                    op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                    bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving
                                    van voltooiing is bepaald.</al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop
                                    de bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die
                                    werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                    bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton, metsel of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>STAAT VAN OPEN ERVEN EN TERREINEN, BRANDVEILIGHEIDS-INSTALLATIES,
                            AANSLUITING OP DE NUTSVOORZIENINGEN EN WEREN VAN SCHADELIJK EN
                            HINDERLIJK GEDIERTE</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</titel></kop><al><vet>Brandblusvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 40 m is verwijderd
                                        van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die
                                        toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn, dat geschikt
                                        is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's,
                                        brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer, tenzij
                                        de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                        vereisen.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid
                                        moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in
                                        een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                        voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                                breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een
                                                vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                                ten minste 4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600
                                                kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken;
                                                en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                        bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het
                                        Besluit bouwwerken, voor zover dit niet voor bewoning is
                                        bestemd, maar wel tot een hoofdgebouw behoort, dat op
                                        hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                        brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende
                                        verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan
                                        worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                        het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                        bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                        doeltreffende nietopenbare bluswatervoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                        het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit;</al></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; </al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; </al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van
                                        het Bouwbesluit.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12
                                van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen,
                                    niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                    logiesgebouwen of kantoorgebouwen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen
                                    van bijzondere aard</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                                    kantoorgebouwen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting op de waterleiding</titel></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten op het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen;
                                        of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten op het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen;
                                        of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen dan 100 m
                                        van de dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet, maar
                                        de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk
                                        niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting op het aardgasnet</titel></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten op het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen;
                                        of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen dan 40 m
                                        van de dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet, maar
                                        de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk
                                        niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen voor bejaarden;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m²;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het
                                        stadsverwarmingsnet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting op de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn
                                    aangesloten aan een openbaar riool;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente, waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven, waarin de fecaliën voor
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                            voldoende ruime gier of beerput aanwezig is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan op de openbare riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende rottingsput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                                        worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende beerput zonder
                                        overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                        rottingsput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd
                                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                        optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingsputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingsput.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>Artikel 2.7.6 en de van de bij deze verordening behorende bijlage 7,
                                zijn van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, tot en met 5.3.4 bedoelde afstand moet
                                worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtstbij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Reinheid</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dien zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in een zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>BRANDVEILIG GEBRUIK</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik bouwwerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                    gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk
                                    in gebruik te hebben of te houden, waarin: </al><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn,
                                            anders dan in een één- of meergezinshuis; </al></li><li nr="b."><al>aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader
                                            van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft; </al></li><li nr="c."><al>aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of
                                            aan meer dan tien lichamelijk en/of verstandelijk
                                            gehandicapten dagverblijf zal worden verschaft. </al></li><li nr="d."><al>een systeem voor beheersbaarheid van brand gelijkwaardig
                                            is geacht aan de in het Bouwbesluit voorgeschreven
                                            bouwkundige voorzieningen op basis waarvan aan de in het
                                            Bouwbesluit opgenomen brandveiligheidseisen moet worden
                                            voldaan</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning
                                    slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen,
                                    beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar
                                    en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                    op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                    van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na
                                    het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en
                                    wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en
                                    gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.2</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden
                                    overgelegd als genoemd in bij deze verordening behorende bijlage
                                    2 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken
                                    van de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde
                                    formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en
                                    bescheiden moeten voldoen aan de eisen van de in het eerste lid
                                    genoemde bijlage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                    tweevoud worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                    betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met
                                    elkaar samenhangende terreinen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bij de aanvraag behorende bescheiden moeten door de aanvrager
                                    of diens gemachtigde worden ondertekend, dan wel worden
                                    gewaarmerkt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een
                                    bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbij
                                    behorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand
                                    duidelijk blijken.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst uitgereikt, waarin de datum van
                                    ontvangst is vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens gestelde eisen, alsmede
                                aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de
                                Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de
                                aanvrager in de gelegenheid om de door hen aan te geven ontbrekende
                                gegevens over te leggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een
                                    gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten
                                    hoogste zes weken verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                    burgemeester en wethouders de beslissing aan indien:</al><lijst><li nr="a."><al>voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en
                                            zij over die vergunning nog niet hebben beslist;</al></li><li nr="b."><al>voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot toepassing van
                                            bestuurdwang of opleggen van een last onder dwangsom dan
                                            wel een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet is
                                            genomen wegens strijd met de voorschriften van het
                                            Bouwbesluit, als bedoeld in artikel 1b van de Woningwet,
                                            en deze binnen de in het eerste lid vermelde termijn is
                                            verzonden, doch aan dit besluit nog niet is
                                            voldaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat
                                    is beslist op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder
                                    letter a van het derde lid, dan wel nadat is voldaan aan het
                                    besluit als bedoeld onder letter b van het derde lid en
                                    burgemeester en wethouders hiervan in kennis zijn gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning</titel></kop><al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de
                                volgende omstandigheden zich voordoet:</al><lijst><li nr="a."><al>de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het
                                        bouwwerk kan in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet
                                        geacht worden een brandveilig gebruik te zijn en door het
                                        stellen van voorwaarden kan geen voldoende brandveilig
                                        gebruik worden bereikt;</al></li><li nr="b."><al>de bouwvergunning is geweigerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.6</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning intrekken
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                        onvolledige gegevens hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan
                                        aan een voorwaarde van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen
                                        zesentwintig weken na het onherroepelijk worden van de
                                        vergunning;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van zesentwintig
                                        weken of langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op
                                        grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                        van de omstandigheden, gelegen buiten het bouwwerk,
                                        opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet
                                        mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorwaarden
                                        dat belang voldoende te beschermen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.7</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                gebruiksvergunning betrekking heeft, moet deze vergunning aanwezig
                                zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor
                                de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bij deze
                                    verordening behorende bijlage 3.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een
                                    bouwwerk, met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                                    ruimten in woonfuncties, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bij deze
                                    verordening behorende bijlage 4.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.2</nr><titel>Verbod stoffen aanwezig te hebben</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen
                                    brandgevaarlijke stof aanwezig. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de
                                            betreffende stoffen niet wordt overschreden, met dien
                                            verstande dat de totale toegestane hoeveelheid van de
                                            eerste zes rijen honderd kilogram of liter is, </al></li><li nr="b."><al>de betreffende stof zodanig is verpakt </al><lijst><li nr="-"><al>dat de verpakking tegen normale behandeling
                                                  bestand is, en </al></li><li nr="-"><al>van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking
                                                  kan ontsnappen, en </al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van
                                            de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduiding (R- en
                                            S-zinnen). </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>de brandstof in het reservoir bij een verbandingsmotor;
                                        </al></li><li nr="b."><al>de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of
                                            een ander warmteontwikkelend toestel; </al></li><li nr="c."><al>voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken, en
                                        </al></li><li nr="d."><al>het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5
                                            aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stof
                                            voor zover dat bij of krachtens de Wet Milieubeheer is
                                            toegestaan. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid
                                    onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van
                                    vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof die in
                                    bijlage 5 als brandgevaarlijk is aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de
                                zichtbaarheid wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="a."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                        bestrijding van brand;</al></li><li nr="b."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                        personen en dieren bij brand.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4.1</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en
                                met 6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open
                                erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te
                                hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te
                                gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook,
                                        roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>brandgevaar wordt veroorzaakt;</al></li><li nr="c."><al>het vluchten wordt belemmerd.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft hinder, terzake waarvan de Wet milieubeheer of enige in deze
                                wet genoemde wet van toepassing is. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m²
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens en woonketen</titel></kop><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een
                                woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m²
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is
                                in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                        bouwwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en
                                    hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                                voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën, het kunnen
                                beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik
                                van het bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al>Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is
                                bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een
                                standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële
                                voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten
                                gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het
                                gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                voorzieningen niet functioneren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="b."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het is verboden drink en werkwater, waarvan door burgemeester en
                                wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt
                                geacht, te gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of
                                de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een
                                goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan
                                worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>SLOPEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                    daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                    vergunning van burgemeester en wethouders
                                    (sloopvergunning).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                    of oplegging van een last onder dwangsom. Burgemeester en
                                    wethouders kunnen aan hun besluit voorwaarden verbinden als
                                    bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning
                                    slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden
                                            van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding
                                            in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en
                                            een fractie overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen
                                            van de gegevens als bedoeld in , tweede lid, letter c,
                                            voor zover deze gegevens niet reeds zijn
                                            overgelegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester
                                    en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking
                                    tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                                    daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn
                                    waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden
                                    bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het
                                    tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45
                                    van de Woningwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager
                                        gebruikmaken van een door of vanwege burgemeester en
                                        wethouders vastgesteld formulier. </al></li><li nr="2."><al>De aanvraag moet inhouden: </al><lijst><li nr="a."><al>correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;
                                            </al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                                adres; </al></li><li nr="c."><al>naam en adres van degene, die met het slopen zal
                                                worden belast; </al></li><li nr="d."><al>de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop
                                                zich het te slopen bouwwerk bevindt en het
                                                huisnummer van het bouwwerk. Indien de
                                                sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering
                                                van meer dan één bouwwerk in het kader van hetzelfde
                                                project, wordt een lijst met bedoelde kadastrale
                                                aanduidingen en huisnummers van de desbetreffende
                                                bouwwerken bijgevoegd, welke lijst ingevolge het
                                                negende lid is gewaarmerkt; </al></li><li nr="e."><al>een exacte aanduiding van het gedeelte van een
                                                bouwwerk waarop de sloopwerkzaamheden betrekking
                                                hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt
                                                gesloopt; </al></li><li nr="f."><al>het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen
                                                gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd;
                                            </al></li><li nr="g."><al>mededeling of een bouwvergunning is of zal worden
                                                aangevraagd voor een op het perceel van het te
                                                slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het
                                                bouwwerk op te richten of te veranderen of uit te
                                                breiden bouwwerk; </al></li><li nr="h."><al>een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal
                                                plaatsvinden; en voorts, indien van toepassing:
                                            </al></li><li nr="i."><al>het sloopveiligheidsplan. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                        bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te
                                        zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens
                                        wordt overgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>een afschrift van het asbestinventarisatierapport,
                                                uitgevoerd door een deskundig
                                                asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich
                                                geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt; </al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 16 april
                                                1998 dat voldoet aan de eisen in BRL 5052, uitgave
                                                1998, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het
                                                te slopen bouwwerk bevindt; indien het bedoelde
                                                asbestonderzoeksrapport is opgesteld vóór 1 juli
                                                1993, dient tevens een schriftelijke verklaring van
                                                de aanvrager te worden overgelegd dat er geen
                                                veranderingen van het te slopen bouwwerk hebben
                                                plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen
                                                zijn toegepast; </al></li><li nr="c."><al>een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen
                                                bouwwerk is gebouwd na 1 januari 1994; </al></li><li nr="d."><al>bij woningen of naar bouwconstructie of
                                                materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot bewoning
                                                bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een
                                                schriftelijke verklaring van de bouwer van het te
                                                slopen bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft
                                                toegepast, alsmede een schriftelijke verklaring van
                                                de aanvrager dat er sinds het tijdstip van de bouw
                                                geen veranderingen hebben plaatsgevonden, waarbij
                                                asbesthoudende materialen zijn toegepast; </al></li><li nr="e."><al>bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke
                                                verklaring van de fabrikant of de leverancier dat
                                                het te slopen materiaal geen asbest bevat, alsmede
                                                een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat
                                                het materiaal van deze fabrikant of leverancier
                                                afkomstig is. </al></li></lijst></li></lijst><al>Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt
                                overgelegd, wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij de
                                aanvrager in vergelijkbare situaties andere gegevens verstrekt die
                                dit vermoeden naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                voldoende weerleggen. </al><lijst><li nr="4."><al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het
                                        bouwwerk asbest bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs
                                        kan weten dat zich in het bouwwerk asbest bevindt wordt met
                                        een asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf
                                        aangetoond of dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich
                                        bevindt. Indien geen asbestinventarisatierapport van een
                                        deskundig bedrijf wordt overgelegd, moeten bij de aanvraag
                                        andere gegevens worden overgelegd waaruit blijkt of asbest
                                        aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Aan
                                        deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien </al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking
                                                heeft op het verwijderen van asbest op in de
                                                aanvraag aangeduide plaatsen, of </al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3,
                                                onder b bij de aanvraag is gevoegd. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten
                                        valt dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte
                                        van een bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk
                                        aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de
                                        Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 159,
                                        blz. 9), dient een onderzoek te worden ingesteld naar de
                                        vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de
                                        uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning
                                        worden gevoegd. </al></li><li nr="6."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in
                                        drievoud worden ingediend. </al></li><li nr="7."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                        Nederlands zijn gesteld. </al></li><li nr="8."><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                        betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op
                                        met elkaar samenhangende terreinen dan wel indien zij
                                        betrekking heeft op asbestverwijdering van meer dan één
                                        bouwwerk in het kader van hetzelfde project. </al></li><li nr="9."><al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden
                                        moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend
                                        dan wel gewaarmerkt worden. </al></li><li nr="10."><al>Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk
                                        betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende
                                        bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk
                                        blijken. </al></li><li nr="11."><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en
                                        wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                        uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld. </al></li><li nr="12."><al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van
                                        het voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking
                                        heeft op asbest. </al></li><li nr="13."><al>Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor
                                        geen sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen
                                        betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als
                                        bedoeld in artikel 8.2.1.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of
                                    krachtens gestelde eisen, alsmede de eisen die gelden ingevolge
                                    de artikel 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen
                                    burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid de
                                    door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen binnen
                                    een door hen te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als
                                    bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om
                                    sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes
                                    weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging
                                    zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen
                                    burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning
                                    binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om een
                                    sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend is
                                    bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk
                                    te verwijderen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                    burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een
                                    vergunning krachtens artikel 11 of artikel 37 van de
                                    Monumentenwet 1988, een provinciale of een gemeentelijke
                                    monumentenverordening, een leefmilieuverordening op grond van de
                                    Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning
                                    voor het slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog
                                    niet is beslist. De aanhouding eindigt zes weken na bedoelde
                                    beslissing. Bij samenloop van vergunningen wordt uitgegaan van
                                    de datum van de laatst genomen beslissing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het
                                    kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van
                                    een bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd,
                                    kan bij de aanvraag om sloopvergunning voor zover voor beide
                                    aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd worden
                                    verwezen naar die bescheiden en gegevens die zijn ingediend bij
                                    de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde bescheiden
                                    niet nogmaals te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de
                                    beslissing op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de
                                    beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat
                                    beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren sloopvergunning</titel></kop><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="c."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd
                                        en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                        voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met
                                        het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                        worden gewaarborgd;</al></li><li nr="e."><al>een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                        provinciale of een gemeentelijke Monumentenverordening is
                                        vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="f."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads en dorpsvernieuwing is vereist en
                                        deze niet is verleend;</al></li><li nr="g."><al>een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op
                                        grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet
                                        is verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                            onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen zesentwintig weken na het onherroepelijk worden
                                            van deze vergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                            gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden
                                            deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode
                                            van zesentwintig weken stilliggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                sloopvergunning vereist voor het anders dan in de uitoefening van
                                een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                        hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of
                                        uit een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                                        voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van
                                        de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                                        bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van
                                        de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                        vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                        bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                        vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die
                                        woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het
                                        bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een
                                        beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                        gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                        asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                        vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                        bedraagt;</al></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na
                                de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen sloopvergunning
                                is vereist.</al><al>Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of
                                logiesverblijf.</al><lijst><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                        worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                        burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                        ..voud worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                        Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                        aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                        burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst
                                        toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                                        vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid
                                        bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn
                                        hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                        bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met
                                        betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van
                                        asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of
                                        het zevende lid is verplicht het gestelde in een door de
                                        minister van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en
                                        milieubeheer uitgegeven publicatie ter zake van het slopen
                                        van asbest bevattende vloerbedekking in acht te nemen.
                                        Voorts is de houder verplicht de voorschriften, bedoeld in
                                        het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of
                                        krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                        nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                        sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het
                                        eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde
                                        eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de
                                        melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de
                                        door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te
                                        leggen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning</titel></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader
                                van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk
                                verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot
                                toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het
                                bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                                    betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                    vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het
                                    slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week
                                    voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en
                                    wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                    waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                    plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de
                                    uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een
                                    afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                    artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit
                                    2005.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend
                                voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                                ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te
                                doen aan het bouw- en woningtoezicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1, is vereist, dient ten minste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                            2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het sloopafval, bedoeld in het voorgaande lid, moet worden
                                    afgevoerd:</al><lijst><li nr="a."><al>naar een inrichting die bevoegd is deze afvalstoffen ter
                                            sortering of ter verwerking te ontvangen; of</al></li><li nr="b."><al>naar een depot voor tijdelijke opslag dat bevoegd is
                                            deze afvalstoffen te ontvangen; of</al></li><li nr="c."><al>naar een stortplaats, voorzover het niet-herbruikbaar
                                            materiaal betreft en voorzover de ontdoener gerechtigd
                                            is een merkteken te voeren op grond van de Regeling
                                            merkteken niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval (Stcrt.
                                            246, 19 december 1996).</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>HET WELSTANDSTOEZICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld
                                in artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet. De
                                welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beoordelen zonder advies van de
                                welstandscommissie of licht-vergunningplichtige bouwwerken niet in
                                strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Burgemeester en
                                wethouders baseren hun standpunt op de in de welstandsnota genoemde
                                welstandscriteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><al>De samenstelling van de Welstandscommissie als bedoeld in artikel 8, lid
                            6 van de Woningwet, is vastgelegd in de “Verordening
                            welstandscommissie”.</al><al>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</al><al>De benoeming en zittingsduur van de Welstandscommissie als bedoeld in
                            artikel 8, lid 6 van de Woningwet, is vastgelegd in de “Verordening
                            welstandscommissie”.</al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al>De jaarlijkse verantwoording van de Welstandscommissie als bedoeld in
                            artikel 8, lid 6 van de Woningwet, is vastgelegd in de “Verordening
                            welstandscommissie”.</al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><al>De termijn van advisering van de Welstandscommissie als bedoeld in
                            artikel 8, lid 6 van de Woningwet, is vastgelegd in de “Verordening
                            welstandscommissie”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><tussenkop>BIJLAGE 1, ALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 2.1.1 EN 3.1</tussenkop><tussenkop>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden, als
                    bedoeld in artikel 2.1.3 van de Bouwverordening</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                    bescheiden, als bedoeld in artikel 2.1.6 van de Bouwverordening</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 3 Funderingsplan</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>BIJLAGE 2, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 6.1.2</tussenkop><al>2.<vet>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de
                    volgende gegevens bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het correspondentieadres in Nederland van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                            correspondentie-adres in Nederland, en een door de aanvrager
                            ondertekende machtiging;</al></li><li nr="c."><al>een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het
                            bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de
                            energiebron;</al></li><li nr="e."><al>het maximum aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal
                            verblijven.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>De aanvraag om vergunning, bedoeld in artikel 6.1.1. moet zijn voorzien van de
                    volgende tekeningen en overige bescheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo
                            mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk, dan wel de
                            bouwwerken, op een schaal van 1:1000;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk, dan wel de
                            bouwwerken op een schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling,
                            de bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen
                            brandveiligheidsvoorzieningen, waarop voor de in artikel 6.1.1, eerste
                            lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de opstelling van de
                            bedden moet zijn aangegeven;</al></li><li nr="c."><al>voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                            daarenboven: een plattegrond op een schaal van ten minste 1:100,
                            aangevende de vrij te houden gang en looppaden en de overige voor het
                            publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte;</al></li><li nr="d."><al>voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                            voor zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen
                            worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van
                            ten minste 1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij
                            te houden gang en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare
                            vrije vloeroppervlakte.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander
                    overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit
                    indieningsvereisten.</al><tussenkop>BIJLAGE 3 Gebruikseisen voor bouwwerken</tussenkop><al>behorende bij artikel 6.2.1</al><tussenkop>Algemene toelichting bij bijlage 3 </tussenkop><al>Deze gebruikseisen gelden voor alle bouwwerken met inbegrip van woonfuncties en
                    woonwagens. </al><al>De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren. De
                    voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de
                    gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig
                    gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op
                    een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen
                    (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke
                    gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op
                    het instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en
                    brandveiligheid.</al><tussenkop>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen
                            moeten voldoende worden vrijgehouden, en wel zodanig dat hiervan
                            onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste en tweede lid,
                            en 5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende opstelplaatsen voor
                            brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en ter breedte van de
                            verharding worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingswegen en
                            opstelplaatsen afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden
                            geopend.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting bij artikel 1</tussenkop><al><cursief>Lid </cursief>1</al><al>De term ‘voldoende vrij’ kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de
                    publicatie ‘Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ of de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ uitgave Nederlandse Vereniging voor
                    Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA ARNHEM,
                    telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl .</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het snel kunnen openen betekent dat de vertraging als gevolg van het moeten
                    openen van het hekwerk maximaal 30 seconden bedraagt.</al><tussenkop>Artikel 2 Elektrische installaties en toestellen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                            te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die
                            installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van
                            brand.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                            op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die
                            installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert
                            voor het ontstaan van brand.</al></li><li nr="3."><al>De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste
                            noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een
                            ter zake kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud
                            wordt verricht.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting bij artikel 2 </tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen indien de eigenschappen van de
                    verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling
                    Bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het is niet toegestaan een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                    aan te brengen in de omgeving van brandgevaarlijke materialen. De stoffering en
                    versiering moet vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende
                    apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 90<sup>o</sup> C bedraagt
                    (zie ook Bijlage 4, artikel 2).</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Er wordt geacht te zijn voldaan aan de eis wanneer de inspectie en het onderhoud
                    is verricht volgens de publicatie 79 ‘Inspectie en onderhoud van
                    noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI, juni 2004. De resultaten
                    van de inspectie en onderhoud dienen opgenomen te worden in het logboek. De
                    publicatie is verkrijgbaar bij Instituut voor Studie en Stimulering van
                    onderzoek op het gebied van gebouwinstallaties (ISSO), Postbus 1819, 3000 BV
                    ROTTERDAM, telefoon (010) 206 59 69, www.isso.nl. </al><al>1..</al><tussenkop>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden
                            opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn
                            opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare goederen.</al></li><li nr="2."><al>Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op grond
                            van enige regeling geëist, wordt niet afgesloten.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                            gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie
                            of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</al></li></lijst><al>Het bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig
                    te zijn bij het gebruik van:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>centraleverwarmingsinstallaties die voldoen aan de
                                    veiligheidseisen voor centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen
                                    in NEN 3028, uitgave 2004;</al></li><li nr="b."><al>centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat
                                    wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke
                                    installaties bovendien voldoen aan de
                                    gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave
                                    1999;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het
                            stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave
                            1999.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                            gebruiken, indien dat gebruik door de wijze waarop die installatie of
                            dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het
                            ontstaan van brand. </al></li><li nr="5."><al>Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te functioneren
                            met een rookgasafvoer te gebruiken zonder een doeltreffende voorziening
                            voor de afvoer van rook.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting bij artikel 3</tussenkop><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>Met brandbare goederen wordt bedoeld goederen die zijn opgenomen in de Regeling
                    Bouwbesluit 2003. In de stookruimte mogen dergelijke goederen niet worden
                    opgeslagen of opgesteld. </al><al>De straling rondom een stooktoestel buiten een stookruimte mag geen pyrofore
                    verbranding veroorzaken. Dit betekent dat het gebied rondom het stooktoestel
                    waar een temperatuur van 90 graden Celsius kan optreden, moet worden
                    vrijgehouden van brandbare materialen. </al><al>Dit artikel ligt in de lijn van artikel 6.4.1 waarin onder andere wordt gesteld
                    dat het verboden is brand en/of brandgevaar te veroorzaken. </al><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>Wanneer de toevoer van een gesloten verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal
                    het verbrandingstoestel op den duur niet meer functioneren. Wanneer de toevoer
                    van een open verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal er in het
                    verbrandingstoestel een tekort aan zuurstof ontstaan. Als gevolg hiervan zal er
                    een onvolledige verbranding plaatsvinden. Bij een onvolledige verbranding komt
                    het zeer giftige koolmonoxide vrij. De koolmonoxide zal naar binnen stromen en
                    vormt hiermee een gevaar voor mensen. </al><al>Werkzaamheden, waaronder die voor onderhoud, herstel en sloop, dienen zodanig te
                    worden uitgevoerd dat de goede werking van de luchttoevoer daardoor niet wordt
                    verstoord. </al><tussenkop>Lid 3 </tussenkop><al>De genoemde normbladen bevatten eisen die mede verband houden met de
                    brandveiligheid. </al><tussenkop>Lid 4 </tussenkop><al>Een installatie voor verwarming en kooldoeleinden in de omgeving van
                    brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. Er dienen zodanige maatregelen
                    getroffen te worden, bijvoorbeeld door het verplaatsen van de
                    verwarmingsinstallatie of het aanbrengen van een isolerende laag, dat de
                    brandbare materialen niet hun eigen ontbrandingstemperatuur zullen bereiken.
                    Wanneer de temperatuur van de materialen nabij een rookafvoerkanaal hoger kan
                    worden dan 90o C dienen deze materialen onbrandbaar te zijn volgens NEN 6064,
                    uitgave 1991 en NEN 6064/2, uitgave 2001 ‘Bepaling van de onbrandbaarheid van
                    bouwmaterialen’. </al><tussenkop>Lid 5 </tussenkop><al>De voorzieningen die op grond van enig voorschrift uit het Bouwbesluit zijn
                    vereist, dienen te voldoen aan de aansluitvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken dat
                            niet doeltreffend is gereinigd.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te
                            branden.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken,
                            indien dit gebruik door de toestand waarin de voorziening voor afvoer
                            van rook zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van
                            personen.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook waarin brand heeft
                            gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting bij artikel 4 </tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Met een doeltreffende reiniging wordt in geval van vaste en vloeibare
                    brandstoffen bedoeld dat een voorziening voor de afvoer van rook afhankelijk van
                    het gebruik gemiddeld eenmaal per jaar wordt gereinigd. </al><al>Voor een afvoerkanaal voor gasvormige brandstoffen is eenmaal per jaar een
                    controle en indien noodzakelijk een reiniging noodzakelijk.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het is niet toegestaan de omgeving overlast te bezorgen door een voorziening
                    voor de afvoer van rook uit te branden. Daarnaast is er een aanzienlijk risico
                    op het ontstaan van beschadigingen aan de voorziening voor de afvoer van rook
                    als gevolg van het uitbranden. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken, die
                    niet deugdelijk is geconstrueerd, of die scheurvorming vertoont. De omgeving van
                    een dergelijke voorziening voor de afvoer van rook mag geen gevaar lopen.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken die
                    niet is gereinigd en zonodig hersteld nadat er een brand heeft gewoed. De
                    voorziening voor de afvoer van rook kan dan namelijk scheurvorming vertonen en
                    daarmee loopt de omgeving gevaar.</al><tussenkop>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben</al><lijst><li nr="a."><al>in een ruimte bestemd voor de opslag van een of meer der stoffen
                                    genoemd in de Regeling Bouwbesluit 2003;</al></li><li nr="b."><al>bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van
                                    brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken;</al></li><li nr="c."><al>bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare
                                    vloeistof of een brandbaar gas.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig
                            verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk
                            voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is
                            aangegeven.</al></li><li nr="3."><al>Het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen
                            duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift ‘VERBODEN
                            TE ROKEN’ of ‘VERBODEN VOOR OPEN VUUR’, dan wel door middel van een
                            gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN
                            3011, uitgave 2004.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting bij artikel 5 </tussenkop><al><cursief>Lid </cursief>1</al><al>Vanwege de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen mag in een opslagruimte
                    niet worden gerookt of open vuur aanwezig zijn. Niemand mag roken of vuur bij
                    zich dragen op plaatsen waar een dergelijke verbod is afgekondigd. Er dient in
                    de desbetreffende ruimte duidelijk en zichtbaar een bord met het opschrift
                    ‘verboden te roken’ aangebracht te worden.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijk verbod
                    is afgekondigd. Op de betreffende plaatsen dient duidelijk zichtbaar met
                    pictogrammen aangeduid te zijn dat roken en het bij zich dragen van vuur
                    verboden is. Het verbod kan zijn opgesteld in de Woningwet, de Wet milieubeheer,
                    de Brandweerwet of de Arbeidsomstandighedenwet of de bij deze wetten behorende
                    besluiten en maatregelen.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>In het derde lid van artikel 5 wordt geregeld hoe aan de mensen kenbaar gemaakt
                    moet worden dat er sprake is van een rookverbod.</al><tussenkop>Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid
                            en goede werking van blusleidingen en de eventueel bijbehorende
                            pompinstallaties.</al></li><li nr="2."><al>Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar wordt
                            de droge blusleiding getest conform NEN 1594, uitgave 1991 en NEN
                            1594/A1, uitgave 1997. .</al></li><li nr="3."><al>De pompinstallatie voor de blusleiding moet ten minste eenmaal per maand
                            worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
                            gerepareerd.</al></li><li nr="4."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede
                            werking van de blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting bij artikel 6 </tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties dienen eenmaal per jaar
                    visueel geïnspecteerd te worden op gebreken door de gebouweigenaar. De
                    resultaten van de inspectie dienen te worden vastgelegd in het logboek. Indien
                    gebreken zijn geconstateerd, dienen deze verholpen te worden door een
                    installateur.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De droge blusleiding dient eenmaal per vijf jaar gecontroleerd en zonodig
                    gerepareerd te worden door een installateur. De droge blusleiding moet, na
                    geheel met water te zijn gevuld, worden onderworpen aan een druk van 1600 kPa
                    gemeten op de hoogte van het maaiveld. Deze druk moet zich zonder bijpompen
                    gedurende vijf minuten handhaven. Boven de zeventig meter moet voor elke tien
                    meter de druk met 100 kPa worden verhoogd. </al><al>De resultaten van deze test moeten, in de vorm van een testrapport, opgenomen
                    worden in het logboek.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Het toepassingsgebied van de in artikel 6, tweede lid genoemde norm NEN 1594,
                    uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997 ‘Droge blusleidingen in en aan
                    gebouwen’ beperkt zich tot gebouwen die niet hoger zijn dan zeventig meter. Dit
                    houdt verband met de beschikbare opvoerdruk van een blusvoertuig van de
                    brandweer die vanaf deze hoogte problematisch wordt. Bij gebouwen hoger dan
                    zeventig meter dient een zelfstandige pompinstallatie te worden geïnstalleerd. </al><al>De pompinstallatie dient minimaal eenmaal per vierentwintig uur gedurende vijf
                    minuten proef te draaien. Dit dient automatisch te gebeuren. Bij brandmelding
                    moet de testprocedure worden overbrugd. Het functioneren hiervan moet buiten de
                    pompruimte, bijvoorbeeld in de portiersloge, receptie en/of een commandoruimte,
                    optisch worden gesignaleerd. (Ontleend aan de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR) Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl)</al><al>Ten minste eenmaal per maand dienen de resultaten van het automatische
                    proefdraaien vastgelegd te worden in het logboek.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>De installatie dient gecontroleerd te worden door een installateur die indien
                    noodzakelijk herstelwerkzaamheden uitvoert. De resultaten van de inspectie
                    dienen opgenomen te worden in het logboek. </al><tussenkop>Artikel 7 Brandweerlift</tussenkop><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud
                    worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid, veiligheid en
                    goede werking van brandweerliften.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 7 </tussenkop><al>Wanneer een lift regelmatig wordt getest volgens het Warenwetbesluit Liften
                    wordt niet volledig voldaan aan dit artikel. Bij een vervolgkeuring worden door
                    het Liftinstituut de volgende zaken gecontroleerd:</al><lijst><li nr="-"><al>Oproep hoofdstopplaats;</al></li><li nr="-"><al>Alle overige oproepen vervallen;</al></li><li nr="-"><al>Alleen kooiopdrachten;</al></li><li nr="-"><al>Parkeren met geopende deuren;</al></li><li nr="-"><al>Fotocellen uitgeschakeld.</al></li></lijst><al>Een lift dient ook getest te worden op de volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="-"><al>De schachtventilatie;</al></li><li nr="-"><al>De plaatsing van de schakelaar voor de liftvoeding in de
                            laagspanningsruimte;</al></li><li nr="-"><al>De ligging van de voedingskabel naar de hoofdschakelaar van de lift in
                            de machinekamer.</al></li></lijst><al>Een vervolgkeuring vindt de eerste keer plaats na uiterlijk twaalf maanden en
                    vervolgens iedere keer na uiterlijk achttien maanden. De resultaten van de test
                    dienen opgenomen te worden in het logboek. Indien nodig, dienen onmiddellijk
                    herstelwerkzaamheden uitgevoerd te worden.</al><al>Het onderhoud van liften wordt geregeld in NEN-EN 13015, uitgave 2001 ‘Onderhoud
                    van liften en roltrappen – Regels voor onderhoudsinstructies’.</al><tussenkop>Artikel 8 Brandmeldinstallatie</tussenkop><al>Met betrekking tot het gebruik van de bij of krachtens hoofdstuk 2 vereiste
                    brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer moet te allen
                    tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, als bedoeld in de
                    Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie
                    en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door
                    burgemeester en wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke
                    onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit
                    certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de
                    vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002. </al><tussenkop>Toelichting bij artikel 8</tussenkop><al>Deze eis is bedoeld om ongewenste en onechte meldingen op een adequate manier te
                    voorkomen. Om dit te bereiken is het onder andere noodzakelijk dat er een
                    opgeleid beheerder brandmeldinstallatie beschikbaar is, zoals bedoeld in NEN
                    2654-1, uitgave 2002 ‘Beheer, controle en onderhoud van
                    brandbeveiligingsinstallaties’. Het certificaat dient te worden opgenomen in het
                    logboek. </al><al>Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders
                    bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd.</al><tussenkop>Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk
                            gebruik beschikbaar zijn. Het beheer, de controle en het onderhoud van
                            de ontruimingsalarminstallatie wordt geregeld conform NEN 2654-2,
                            uitgave 2004. </al></li><li nr="2."><al>De gebruiker van het bouwwerk waarin bij of krachtens enig wettelijk
                            voorschrift een ontruimingsalarminstallatie is geëist, stelt een
                            ontruimingsplan op ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige
                            personen. Het ontruimingsplan wordt opgesteld volgens de relevante delen
                            van de NTA 8112. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 9 </al><al>Toelichting bij artikel 9</al><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>Om in een calamiteit alle aanwezigen te kunnen alarmeren, stelt hoofdstuk 2
                    eisen aan de aanwezigheid van een ontruimingsalarminstallatie. Uiteraard moet de
                    werking van een aanwezige ontruimingsalarminstallatie (ook wanneer deze niet
                    geëist wordt in bedoeld hoofdstuk 2, maar wel in een gebouw aanwezig is)
                    gegarandeerd zijn. Gebruikers van een gebouw moeten namelijk kunnen vertrouwen
                    op de goede werking van de ontruimingsalarminstallatie. </al><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>Het ontruimingsplan wordt opgenomen in het logboek. Daarnaast worden de
                    verslagen van de ontruimingsoefeningen bijgehouden in het logboek. Voor de
                    opstelling van het ontruimingsplan wordt de aanbeveling voor het opstellen van
                    ontruimingsplannen gevolgd. Deze NTA 8112 ‘Leidraad voor een ontruimingsplan’
                    wordt uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut. Voor veel
                    gebruiksfuncties is een apart deel beschikbaar. </al><al>De totale reeks ziet er als volgt uit. Op dit moment zijn nog niet alle delen
                    beschikbaar. De actuele stand van zaken vindt u op www.nen.nl. </al><al>Deel 1: Kantoorgebouwen </al><al>Deel 2: Onderwijsgebouwen </al><al>Deel 3: Kinderopvanggebouwen </al><al>Deel 4: Gebouwen met een publieksfunctie </al><al>Deel 5: Logiesgebouwen </al><al>Deel 6: Gezondheidszorggebouwen </al><al>Deel 7: Industriegebouwen </al><al>Deel 8: Cellen en celgebouwen </al><al>Deel 9: Ontruimingshandleiding en ontruimingskaart voor
                    niet-vergunningsplichtige bouwwerken </al><al>Wanneer het door u benodigde deel nog niet beschikbaar is, kunt u gebruik maken
                    van de publicatie ‘Ontruimingsplannen en –oefeningen’ van het Nederlands
                    Instituut voor Bedrijfshulpverlening. Deze publicatie is verkrijgbaar via het
                    Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening (NIBHV), Postbus 8714, 3009 AS
                    Rotterdam. www.nibhv.nl. </al><al>De aanwezigheid van een ontruimingsplan wordt eveneens vereist op grond van
                    artikel 6.1.1, tweede lid, MBV, artikel 9 van bijlage 3 MBV, artikel 15 Arbowet
                    en afdeling 4 van het Arbobesluit.</al><tussenkop>Artikel 10 Automatische brandblusinstallatie </tussenkop><al>Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te
                    allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat door
                    burgemeester en wethouders wordt aanvaard. Burgemeester en wethouders aanvaarden
                    altijd een geldig certificaat indien dit certificaat afkomstig is van een
                    certificeringsinstelling die terzake is erkend door de Raad voor Accreditatie. </al><tussenkop>Toelichting bij artikel 10</tussenkop><al>Dit artikel heeft als doel dat de werking van een automatische
                    brandblusinstallatie in een gebouw altijd gegarandeerd is. Een automatische
                    brandblusinstallatie kan toegepast worden in een gebouw in het kader van
                    ‘gelijkwaardigheid’ of in het kader van ‘gelijkwaardige veiligheid’. We spreken
                    over ‘gelijkwaardigheid’ wanneer er sprake is van een situatie die past binnen
                    het toepassingsgebied van het Bouwbesluit waarbij de eigenaar van het gebouw de
                    automatische brandblusinstallatie toepast als alternatief voor bouwkundige
                    brandwerende voorzieningen. We spreken over ‘gelijkwaardige veiligheid’ wanneer
                    er sprake is van een situatie die buiten het toepassingsgebied van het
                    Bouwbesluit valt. Een voorbeeld hiervan is een gebouw dat hoger is dan zeventig
                    meter. </al><al>Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt bovendien met zich mee dat
                    certificaten van instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede
                    Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke
                    certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in
                    Nederland worden afgegeven. </al><al>De onderhavige eis in de bouwverordening geldt uitsluitend voor een
                    certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de automatische
                    brandblusinstallatie, dat wil zeggen een – niet verlopen - kwaliteitsverklaring
                    betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van onderhoud, het
                    gebruiksgereed zijn en de goede werking. </al><al>Uiterlijk één maand na de aanleg van de installaties, en vervolgens iedere
                    twaalf maanden daarna, worden de installaties geïnspecteerd door een EN 45004,
                    type A, inspectie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor
                    Accreditatie. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen beleid voeren op dit onderdeel en daarin
                    bepalen van welke certificeringsinstellingen die niet terzake erkend zijn door
                    de Raad voor Accreditatie geldige certificaten worden aanvaard. </al><al>Een installatie is voorzien van een geldige kwaliteitsverklaring (certificaat)
                    die is afgegeven door een certificatie-instelling die geaccrediteerd is door de
                    Stichting Raad voor Accreditatie.</al><tussenkop>Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende
                    pompinstallatie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De pompinstallatie van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
                            aanwezige brandslanghaspel moet ten minste eenmaal per maand worden
                            gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd. </al></li><li nr="2."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid
                            en goede werking van de brandslanghaspel en de daarbij behorende
                            pompinstallaties conform NEN-EN 671-3, uitgave 2000. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 11 </al><al>De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek. </al><al>De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 671-3, uitgave 2000
                    ‘Vaste brandblusinstallaties – brandslangsystemen – deel 3: Onderhoud van
                    brandslanghaspels met vormvaste slang en brandslanginstallaties met plat
                    opgerolde slang’ geeft eisen voor de inspectie en het onderhoud van
                    brandslanghaspels en brandslangsystemen, waardoor de werking van het product in
                    overeenstemming blijft met het doel waarvoor ze zijn geproduceerd, geleverd of
                    geïnstalleerd. Brandslanghaspels en brandslangsystemen zijn bedoeld als eerste
                    interventiemiddel bij het blussen van een brand totdat er krachtiger blusacties
                    door de brandweer worden ingezet.</al><al>Artikel 12 Automatisch werkende deuren</al><lijst><li nr="1."><al>Automatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen de ontvluchting
                            niet belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Bij aanwezigheid van een sluisconstructie worden voorzieningen
                            getroffen, zodat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt
                            gedaan.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 12</al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Automatisch werkende deuren in een vluchtroute moeten bij het wegvallen van de
                    netspanning automatisch opengaan of gemakkelijk met de hand kunnen worden
                    geopend en vervolgens in geopende stand blijven staan. Op handmatig te openen
                    schuifdeuren moet duidelijk kenbaar worden gemaakt hoe de deur moet worden
                    geopend.</al><al>Dit artikel geldt niet voor automatisch werkende schuifdeuren waarvoor een
                    brandwerendheidseis of een rookwerendheidseis geldt op grond van enig wettelijk
                    voorschrift. De betreffende deuren moeten zelfsluitend zijn en handmatig geopend
                    kunnen worden.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Bij aanwezigheid van een sluisconstructie dienen voorzieningen te zijn getroffen
                    dat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.</al><al>De voorzieningen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl.</al><al>Voorbeelden van sluisconstructies die in dit artikellid bedoeld worden, zijn
                    tochtsluizen en bewakingssluizen. Dit artikellid is niet van toepassing op
                    rooksluizen zoals bedoeld in artikel 2.135 van het Bouwbesluit.</al><al>Artikel 12A Deuren van overdruktrappenhuizen</al><al>De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een
                    overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, uitgave 1995, moeten op ooghoogte
                    zijn voorzien van een herkenbaar opschrift waaruit blijkt dat het een
                    overdruktrappenhuis is.</al><al>Toelichting bij artikel 12A </al><al>Wanneer een trappenhuis op overdruk staat, kunnen vluchtende mensen denken dat
                    de toegang tot het trappenhuis op slot zit. De weerstand van een deur waarbij
                    het trappenhuis op overdruk staat, is groter dan de weerstand van een normale
                    deur. Een voorbeeld van een opschrift is: ‘HARD DUWEN, trappenhuis kan op
                    overdruk staan’.</al><al>Artikel 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding</al><lijst><li nr="1."><al>De vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk
                            voorschrift is vereist, dient altijd goed zichtbaar te zijn.</al></li><li nr="2."><al>De vluchtrouteaanduiding die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
                            is vereist, wordt tenminste eenmaal per jaar gecontroleerd en zo nodig
                            gerepareerd.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 13 </al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De vluchtrouteaanduiding dient te voldoen aan het gestelde in artikel 2.6.8 tot
                    en met 2.6.10 van de bouwverordening. Vluchtrouteaanduidingen moeten te allen
                    tijde zichtbaar zijn. Hiermee wordt bedoeld dat er geen gordijnen voor de
                    vluchtrouteaanduiding mogen hangen.</al><al>Voor de staat van vluchtrouteaanduidingen in bestaande bouwwerken en als
                    grondslag voor een besluit op grond van artikel 13 Woningwet, dan wel het
                    toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom wordt
                    het hiervoor bedoelde voorschrift in artikel 2.6.9, eerste lid van
                    overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 5.2.1 van de
                    bouwverordening.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De resultaten van de controle dienen opgenomen te worden in het logboek.</al><tussenkop>Artikel 14 Flessengasinstallatie</tussenkop><al>1.Vervallen</al><al>Toelichting bij artikel 14</al><tussenkop>Vervallen</tussenkop><al>Artikel 15 Rookbeheersingssystemen</al><al>Met betrekking tot het gebruik, het onderhoud en de controle van het bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste rookbeheersingssysteem moet te
                    allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend
                    door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 15 </tussenkop><al>Er bestaan diverse rookbeheersingssystemen. Voorbeelden zijn: rook- en
                    warmteafvoerinstallaties, overdrukinstallaties en stuwkrachtventilatie. Van het
                    gebruik, het onderhoud en de controle van rookbeheersingssystemen moet te allen
                    tijde een certificaat kunnen worden overlegd.</al><al>De rookbeheersinssystemen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl .</al><tussenkop>Artikel 16 Overdrukinstallatie</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een
                            rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste
                            eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig
                            gerepareerd.</al></li><li nr="2."><al>Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud verricht en een controle gehouden op de goede werking van de
                            voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een
                            rookwerendheidseis en/of een brandwerendheidseis geldt.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting bij artikel 17 </tussenkop><al>Alle voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis
                    en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand
                    gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd. Voorbeelden van de
                    bedoelde voorzieningen zijn brandkleppen en brandmanchetten. Deze voorzieningen
                    kunnen getroffen zijn in luchtbehandelingskanalen, maar ook kabelgoten,
                    transportsystemen en buizenpost zijn voorbeelden van doorvoeren die door wanden
                    kunnen lopen waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis
                    geldt.</al><al>De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.</al><tussenkop>Artikel 18 Brandweeringang</tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop>Artikel 19 Logboek</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De historie van de brandbeveiligingsvoorzieningen, de werkzaamheden en
                            het onderhoud bij of krachtens enig voorschrift uit deze verordening
                            inclusief bijlagen vereist, worden in een logboek vermeld.</al></li><li nr="2."><al>Het logboek ligt in het bouwwerk ter inzage en wordt onmiddellijk aan de
                            met toezicht belaste personen getoond.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting bij artikel 19 </tussenkop><al>Met de historie van de installatie wordt bedoeld: alle technisch relevante
                    informatie voor een correcte aanleg van de installatie, de werkzaamheden die
                    verricht zijn aan de installatie, de verslagen van de maandelijkse controles, de
                    certificaten etc. Eveneens dienen de resultaten van de ontruimingsoefeningen in
                    het logboek vastgelegd te worden.</al><al>Het logboek moet onmiddellijk beschikbaar zijn, zodat handhavers en
                    toezichthouders het kunnen raadplegen.</al><tussenkop>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorende tot de normale
                    bedrijfsuitoefening</tussenkop><al>Voordat er onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden worden
                    uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of
                    gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een bouwwerk of installatie van
                    een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk
                    belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, wordt dit door de
                    rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester en wethouders gemeld.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 20 </tussenkop><al>Burgemeester en wethouders dienen op de hoogte te worden gesteld van
                    werkzaamheden die worden verricht aan bijzondere gebouwen. Het betreft hier
                    onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden waarbij stoffen
                    als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 of gereedschappen worden gebruikt.
                    Bijzondere gebouwen zijn gebouwen die kunstwaarde hebben of van wetenschappelijk
                    of maatschappelijk belang zijn. Per gemeente wordt bepaald voor welke gebouwen
                    deze eis van toepassing is.</al><tussenkop>Artikel 21 Rookmelders in woningen</tussenkop><al>De op grond van artikel 2.146, lid 7, van het Bouwbesluit 2003 aanwezige
                    rookmelders moeten adequaat functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 21 </tussenkop><al>Met dit artikel wordt bedoeld dat de rookmelders in woningen die op grond van
                    artikel 2.146, lid 7 van het Bouwbesluit vereist zijn, adequaat moeten
                    functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002, ‘Brandveiligheid van gebouwen –
                    rookmelders voor woonfuncties’. De op grond van enig ander wettelijk voorschrift
                    noodzakelijke rookmelders vallen buiten dit artikel.</al><al>Rookmelders hebben een beperkte levensduur. De werking van de rookmelder dient
                    te allen tijde gegarandeerd te zijn.</al><tussenkop>Artikel 22 Roltrap</tussenkop><al>Een terugloopruimte van een roltrap wordt ter voorkoming van brand vrijgehouden
                    van vuil en stof. Deze ruimte wordt daartoe overeenkomstig NEN-EN 13015, uitgave
                    2001, ten minste eenmaal per kwartaal onderhouden en gereinigd.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 22 </tussenkop><al>Wanneer de terugloopruimte van een roltrap niet deugdelijk onderhouden en
                    gereinigd is, bestaat er een verhoogd risico op het ontstaan van brand.</al><tussenkop>Artikel 23 Garantiecertificaat</tussenkop><al>Constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de
                    benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn voorzien van een geldig
                    certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het logboek.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 23 </tussenkop><al>Voorbeelden van constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende
                    behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Rieten daken; na behandeling kan een rieten dak niet-brandgevaarlijk
                            zijn.</al></li><li nr="-"><al>Stalen draagconstructies; na behandeling met een verfsysteem kan de
                            draagconstructie brandwerend zijn.</al></li><li nr="-"><al>Houten gevelbekleding; na behandeling met een impregneermiddel kan de
                            gevelbekleding voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van
                            brandvoortplanting.</al></li></lijst><al>Aangezien de benodigde behandeling van de constructie veroudert, bestaat er een
                    risico op een vermindering van de kwaliteit. Deze kwaliteit dient gegarandeerd
                    te worden doordat een geldig certificaat beschikbaar is.</al><al>Er wordt vanuit gegaan dat de benodigde voorzieningen in beginsel goed zijn
                    aangebracht en dat ze in stand worden gehouden.</al><tussenkop>Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes</tussenkop><al>De opslag van goederen is niet toegestaan in: </al><lijst><li nr="a"><al>rookvrije vluchtroutes van slaapgebouwen (woonfunctie, logiesfunctie,
                            celfunctie, gezondheidszorgfunctie); </al></li><li nr="b"><al>brand- en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen
                            (bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie,
                            sportfunctie, winkelfunctie, overige gebruiksfunctie). </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 24 </al><al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich
                    snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te
                    worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende
                    mensen beperkt wordt. </al><al>In ruimten waardoor gevlucht wordt, stelt het Bouwbesluit over het algemeen
                    hogere eisen aan het materiaalgedrag in relatie tot de ontwikkeling van brand en
                    de beperking van het ontstaan van rook. In deze ruimten is de opslag van
                    goederen daarom niet toegestaan. De opslag van bijvoorbeeld papier, stoelen,
                    etc. heeft immers niet dezelfde kwaliteit als de bouwconstructies waarvoor die
                    hogere eisen aan brandvoortplanting en rookdichtheid geldt. De bedoelde
                    vluchtroutes waarin opslag niet is toegestaan, zijn bijvoorbeeld gangen en
                    trappenhuizen in gebouwen met woonfuncties, logiesfuncties en
                    gezondheidszorgfuncties (slaapgebouwen) of de brand- en rookvrije vluchtroutes
                    (meestal trappenhuizen) in gebouwen met een kantoorfunctie, onderwijsfunctie,
                    bijeenkomstfunctie, winkelfunctie (niet-slaapgebouwen). Wanneer volgens het
                    Bouwbesluit in de vluchtroute verhoogde eisen gelden aan de mate van
                    brandvoortplanting en rookdichtheid (brandvoortplantingsklasse 3, 2 of 1 / T2 of
                    T1 en/of rookdichtheid 5,4 of 2,2 m-1) is de opslag van goederen in deze ruimten
                    niet toegestaan.</al><al>Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein</al><al>De rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats
                    aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen
                    tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt.</al><al>Na artikel 25 wordt een toelichting bij dit artikel ingevoegd, die luidt als
                    volgt:</al><al>Toelichting bij artikel 25 </al><al>Een bluswaterwinplaats op eigen terrein moet altijd beschikbaar zijn. De
                    eigenaar van het bouwwerk ten behoeve waarvan de bluswaterwinplaats aanwezig is,
                    moet ervoor zorgen dat de bluswaterwinplaats zodanig is onderhouden dat er
                    altijd voldoende bluswater beschikbaar is.</al><al>Het bedoelde onderhoud omvat ten minste een periodieke test op het leveren van
                    voldoende capaciteit en een adequate bereikbaarheid. Deze test dient in de
                    frequentie te worden uitgevoerd die gebruikelijk is voor de publieke brandkranen
                    in de gemeente. Op verzoek van of namens burgemeester en wethouders dient van de
                    test een bewijs (testrapport) te worden overlegd</al><tussenkop>BIJLAGE 4, Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                    niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties</tussenkop><al>behorende bij artikel 6.2.1</al><tussenkop>Algemene toelichting bij bijlage 4</tussenkop><al>De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren. De
                    voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de
                    gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig
                    gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op
                    een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen
                    (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke
                    gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op
                    het instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en
                    brandveiligheid.</al><al>Artikel 1 Uitgangen en vluchtroutes </al><lijst><li nr="1"><al>Een deur in de vluchtroute wordt, bij aanwezigheid van personen in het
                            bouwwerk, zodanig gesloten, dat de deur in geval van calamiteit ten
                            behoeve van deze personen van binnen uit onmiddellijk over de minimaal
                            vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet
                            worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. Deze eis geldt
                            niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie, een celfunctie of een
                            vergelijkbare gebruiksfunctie als de celfunctie. </al></li><li nr="2"><al>Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben,
                            worden niet langer in geopende stand gehouden dan voor het verkeer van
                            personen of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel
                            van automatische inrichtingen die de deuren, respectievelijk luiken,
                            loslaten zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of
                            rookwering moeten dienen. </al></li><li nr="3"><al>Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan 100
                            personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of uitgang
                            bestemd voor ontvluchting van meer dan 100 personen wordt niet anders
                            gesloten dan door middel van: </al><lijst><li nr="-"><al>een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk
                                    tegen de deur, in de vluchtrichting gezien; </al></li><li nr="-"><al>een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op
                                    de deur, in de vluchtrichting gezien, aangebrachte voorziening,
                                    waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen deze
                                    voorziening (panieksluiting). </al></li></lijst></li><li nr="4"><al>Aan de tegen de vluchtrichting in gekeerde zijde van een nooddeur in een
                            uitwendige scheidingsconstructie wordt een opschrift aangebracht volgens
                            NEN 3011, uitgave 2004. Het opschrift luidt: “NOODDEUR VRIJHOUDEN”.
                        </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 1 </al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Deuren in een vluchtroute moeten bij de aanwezigheid van personen in een
                    bouwwerk onmiddellijk geopend kunnen worden, zonder dat hiervoor een sleutel
                    noodzakelijk is. De eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie en
                    een celfunctie. </al><al>Een woonfunctie moet namelijk in verband met inbraakwerendheid met een sleutel
                    afgesloten kunnen worden en een celfunctie moet vanwege de aard van de functie
                    met een sleutel afgesloten kunnen worden. </al><al>In het artikel is expliciet vermeld dat van deze eis de toegangsdeur van een
                    woonfunctie en een celfunctie zijn uitgesloten, omdat in gebouwen met meerdere
                    woonfuncties en celfuncties ook veelal deuren in rookvrije vluchtroutes
                    voorkomen. Om een veilige ontvluchting mogelijk te maken, moeten deze deuren in
                    rookvrije vluchtroutes wel zonder sleutel geopend kunnen worden. </al><al>Bij een celfunctie worden in veel gevallen ten aanzien van deze eis specifieke
                    afspraken gemaakt met de gebouweigenaar. De interne organisatie van gebouwen met
                    een celfunctie kan bepaalde brandweertaken overnemen en de coördinatie houden
                    over de ontruiming. </al><al>In de portiersloge/centraalpost dient voor het geval het cellengedeelte onder de
                    rook staat en betreden ervan zonder gebruik van adembeschermende apparatuur niet
                    verantwoord is een speciale kast aanwezig te zijn, die toegankelijk is voor de
                    brandweer en waarin zich een voldoende aantal moedersleutels bevindt waarmee
                    alle deuren in het cellencomplex kunnen worden geopend. Het aantal dient in
                    overleg met de plaatselijke brandweer te worden vastgesteld. </al><al>In het artikel wordt tevens bepaald dat deze eis niet geldt voor een
                    vergelijkbare functie als de celfunctie. Hiermee worden bijzondere situaties
                    bedoeld, zoals psychiatrische instellingen e.d. Bij dergelijke situaties moeten
                    specifieke afspraken gemaakt worden met de gebouweigenaar. In het reguliere
                    gebruik mogen deuren afgesloten zijn, mits de deuren automatisch worden
                    ontgrendeld in geval van een calamiteit. Projectspecifiek moeten hier passende
                    elektrotechnische oplossingen voor worden gezocht. </al><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>De automatische inrichtingen voor het loslaten van deuren, respectievelijk
                    luiken zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering
                    dienen, voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 10 van de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding. </al><tussenkop>Lid 3 </tussenkop><al>De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6810 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl. </al><al>Prestatie-eisen aan de bedieningsinrichting worden tevens gegeven in NEN-EN
                    1125, uitgave 2003 Ontw. En ‘Hang- en sluitwerk – panieksluitingen voor
                    vluchtdeuren met een horizontale bedieningsstang voor het gebruik van
                    vluchtroutes – Eisen en beproevingsmethoden’. </al><al>Belangrijk aandachtspunt voor de uitvoeringspraktijk is dat een in onderdeel a
                    en b bedoelde deursluiting in het concrete geval daadwerkelijk overeenkomstig de
                    instructies van de fabrikant/leverancier van de betreffende sluiting wordt
                    aangebracht. Verkeerd aanbrengen van de sluiting kan de beoogde werking daarvan
                    namelijk teniet doen of bemoeilijken, met alle veiligheidsrisico’s van dien. </al><al>De bedieningsinrichting moet op een hoogte tussen 0,9 – 1,1 meter gemeten vanaf
                    de vloer worden aangebracht. Wanneer er aanwijsbare redenen zijn om hiervan af
                    te wijken (bijvoorbeeld in een kinderdagverblijf) kan dit overlegd worden met de
                    brandweer. Hierbij wordt aan de basiseis voldaan, dat de deur opengaat door een
                    lichte druk tegen de voorziening. Met andere woorden: als je tegen de deur
                    aanloopt, moet deze open gaan. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Nooddeuren zijn te allen tijde bruikbaar en ook de route achter de deur is vrij.
                    Dit geldt ook voor situaties waarbij de nooddeur uitkomt in de buitenlucht. Op
                    maaiveld worden geen auto’s, fietsen of andere obstakels geplaatst die de
                    vluchtroute belemmeren. </al><al>Het opschrift voldoet aan NEN 3011:2004 ‘Veiligheidskleuren en -tekens in de
                    werkomgeving en in de openbare ruimte’. </al><al>Een nooddeur is een deur die uitsluitend bestemd is om het bouwwerk te
                    ontvluchten. Bij de overige deuren van het gebouw is een dergelijk opschrift
                    niet noodzakelijk, omdat deze deuren ook als toegang gebruikt kunnen worden. De
                    beschikbaarheid en bereikbaarheid van toegangsdeuren is over het algemeen
                    goed.</al><tussenkop>Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm
                            wordende apparatuur. De temperatuur ter plaatse van de versiering is
                            niet hoger dan 90 °C.</al></li><li nr="2."><al>Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering
                            blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter.</al></li><li nr="3."><al>De versiering als bedoeld in het vorige lid is in geval van brand niet
                            gemakkelijk ontvlambaar, in geval van brand vindt geen druppelvorming
                            plaats.</al></li><li nr="4."><al>Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn binnen een bouwwerk niet
                            aanwezig.</al></li><li nr="5."><al>De toe te passen materialen en aankledingsproducten hebben in
                            vluchtroutes een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een
                            nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.</al></li><li nr="6."><al>De toegepaste bekleding, stoffering en versiering voldoen ten minste aan
                            de eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld in
                            afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden
                            voor constructieonderdelen.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting bij artikel 2</tussenkop><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>Bij stoffering en versiering moet naast de inrichting van een gebouw ook gedacht
                    worden aan tijdelijke versiering. </al><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>Een vrije hoogte van 2,5 meter is noodzakelijk in verband met de menselijke
                    maat. </al><tussenkop>Lid 3 </tussenkop><al>In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de
                    materiaaleigenschappen van versieringen voor wat betreft ‘makkelijk ontvlambaar’
                    en ‘druppelvorming’. Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl , informatie
                    beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van
                    versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als
                    te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite. </al><al>Er is geen relatie tussen de mate van brandvoortplanting of rookdichtheid van
                    een materiaal en de mate van druppelvorming. Om druppelvorming te kunnen bepalen
                    is dus een vastgelegde testmethode noodzakelijk. Daarna kunnen prestatie-eisen
                    geformuleerd worden. Zolang er geen testmethode is, is het stellen van
                    prestatie-eisen niet mogelijk. </al><al>De voorwaarde dat versiering, bekleding en bijvoorbeeld tentzeilen bij brand
                    geen druppelvorming mogen vertonen, is dus niet terug te leiden naar enige norm.
                    De gemeenten die deze voorwaarden hanteren, doen dat op basis van de
                    gemeentelijke beleidsvrijheid. Dit neemt niet weg dat het stellen van een
                    dergelijke voorwaarde duidelijk gemotiveerd moet kunnen worden. </al><al>Op onderdelen zou gebruik gemaakt kunnen worden van de NTA 8007 ‘Brandgedrag
                    versieringsmaterialen’. </al><al>Bij de toelichting op artikel 2, zesde lid wordt na de tweede alinea een tekst
                    ingevoegd, luidende: In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling
                    van de materiaaleigenschappen van stoffering en bekleding voor wat betreft
                    ‘brand- en rookklassen’. Voor versiering is in Nederland de NTA 8007
                    ‘Brandgedrag versieringsmaterialen’ opgesteld. Deze norm geeft geen
                    classificatie van brand- en rookklassen (of een vergelijkbaar systeem met een
                    transponeringstabel) zoals dat in het Bouwbesluit wordt gebruikt. </al><al>Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl informatie beschikbaar waarin een handvat
                    wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt dit
                    document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand
                    op genoemde internetsite. </al><tussenkop>Lid 4 </tussenkop><al>Wanneer er in een bouwwerk met gas gevulde ballonnen aanwezig zijn, is er een
                    verhoogde kans op het ontstaan van een ontploffing en als gevolg daarvan
                    branduitbreiding. </al><tussenkop>Lid 5 </tussenkop><al>Voor textielproducten dienen de navlamduur en de nagloeiduur bepaald te zijn
                    volgens NEN-EN-ISO 6940, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – bepaling van de
                    ontvlambaarheid van verticaal geplaatste proefstukken’ en NEN-EN-ISO 6941,
                    uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – meting van de
                    vlamverspreidingseigenschappen van verticaal geplaatste proefstukken’. Voor
                    kunststofproducten zijn nog geen normen beschikbaar. </al><tussenkop>Lid 6 </tussenkop><al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich
                    snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te
                    worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende
                    mensen beperkt wordt. </al><al>Aan bekleding, stoffering en versiering in een bouwwerk worden dezelfde eisen
                    gesteld als aan constructieonderdelen zoals beschreven in afdeling 2.12 en 2.15
                    van het Bouwbesluit.</al><tussenkop>Artikel 3 Elektrische verlichting</tussenkop><al>Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de
                    aanwezigheid van personen wordt verduisterd, is in die ruimte, indien er meer
                    dan vijftig personen gelijktijdig verblijven, elektrische verlichting aanwezig
                    van zodanige sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk is.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 3</tussenkop><al>Met dit artikel wordt gewaarborgd dat in ruimten die mogelijk verduisterd zijn
                    tijdens de aanwezigheid van personen altijd elektrische verlichting aanwezig is.
                    Er moet een elektrische verlichtingsinstallatie met een dusdanige sterkte
                    aanwezig zijn dat oriëntatie mogelijk is. Mensen moeten daar altijd over kunnen
                    beschikken.</al><tussenkop>Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen</tussenkop><al>Een blusmiddel dat bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezig is, is
                    voldoende herkenbaar of zichtbaar aangegeven.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 4 </tussenkop><al>Wanneer er sprake is van een ingebouwd blusmiddel, is het blusmiddel onvoldoende
                    herkenbaar. Dit betekent dat in deze gevallen een pictogram aangebracht moet
                    worden, zodat aan de buitenzijde van de kast zichtbaar is, dat er een blusmiddel
                    in de kast aanwezig is. </al><al>Wanneer er sprake is van een blusmiddel in bijvoorbeeld een stellingenmagazijn
                    of in een winkel met schappen of andere belemmeringen, is het blusmiddel
                    onvoldoende zichtbaar. Een platte sticker op of boven het blusmiddel is in de
                    omgeving onvoldoende zichtbaar.</al><al>In deze gevallen moet een pictogram aangebracht worden, zodat in de omgeving
                    zichtbaar wordt dat er een blusmiddel aanwezig is. </al><al>De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl. </al><tussenkop>Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw</tussenkop><al>Voor het afsteken van vuurwerk in bouwwerken wordt veertien dagen van tevoren
                    een overzicht bij burgemeester en wethouders ingediend, waaruit blijkt dat die
                    activiteit op veilige wijze zal plaatsvinden.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 5</tussenkop><al>Om de veiligheid bij het ontsteken van vuurwerk in bouwwerken te waarborgen, is
                    het van belang dat burgemeester en wethouders inzicht hebben in de wijze waarop
                    de activiteit wordt uitgevoerd. Het aspect veiligheid verdient bijzondere
                    aandacht.</al><al>Degene die het vuurwerk afsteekt in bouwwerken moet veertien dagen van tevoren
                    een overzicht bij burgemeester en wethouders indienen waaruit blijkt dat die
                    activiteit op een veilige wijze plaatsvindt. De beoordeling vindt plaats op
                    grond van artikel 6.4.1.</al><tussenkop>Artikel 6 Opstelling van inventaris</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije
                            ruimte aanwezig zijn van ten minste 0.40 m, gemeten tussen de loodlijnen
                            door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Indien in een
                            rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de genoemde vrije
                            ruimte ter plaatse van de tafeltjes doorlopen.</al></li><li nr="2."><al>In rijen opgestelde zitplaatsen, waarbij sprake is van</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 4 stoelen in een rij, en</al></li><li nr="b."><al>meer dan 4 rijen, en</al></li><li nr="c."><al>een ruimte waarin meer dan 100 stoelen aanwezig zullen
                                    zijn,</al></li></lijst></li></lijst><al>zijn zo gekoppeld dan wel aan de vloer bevestigd dat deze ten gevolge van
                    gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.</al><lijst><li nr="3."><al>Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang
                            uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.</al></li><li nr="4."><al>Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang
                            uitkomt, mag ten hoogste bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner
                                    is dan 0,45 m;</al></li><li nr="b."><al>32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is
                                    dan 0,45 m;</al></li><li nr="c."><al>50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is
                                    dan 0,45 m en er bovendien aan beide einden van de rijen per 4
                                    rijen een uitgang met een breedte van ten minste 1,10 m aanwezig
                                    is.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De inrichting van een ruimte, met inbegrip van door personen bezette
                            stoelen, neemt tot een hoogte van 2,5 meter slechts zodanige
                            oppervlakten in beslag –gemeten in loodrechte projectie op de vloer- dat
                            ten minste</al><lijst><li nr="a."><al>0,25 m<sup>2</sup> vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor
                                    iedere persoon waarvoor geen zitplaats aanwezig is, </al></li><li nr="b."><al>0,30 m<sup>2</sup> vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor
                                    iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is
                                    of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan
                                    verschuiven of omvallen,</al></li><li nr="c."><al>0,50 m<sup>2</sup> vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor
                                    iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet
                                    zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang
                                    niet kan verschuiven of omvallen.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Inrichtingen in een ruimte waarin personen verblijven, zijn, indien de
                            vrije vloeroppervlakte minder dan 0,5 m<sup>2</sup><sup/>per persoon
                            bedraagt, zodanig aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet
                            kunnen verschuiven of omvallen.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting bij artikel 6 </tussenkop><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>Hiermee wordt een voldoende doorstroomcapaciteit tussen in rijen opgestelde
                    stoelen gewaarborgd. </al><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>Het onderling koppelen van stoelen dient zodanig gerealiseerd te worden dat deze
                    als gevolg van gedrang niet ontkoppeld kunnen worden. </al><al>Er wordt geacht voldaan te worden aan de gestelde eis wanneer de
                    stoelkoppelingen voldoen aan NEN-EN 14703:2005 Ontw. En ‘Meubelen – verbindingen
                    voor gekoppelde zitmeubelen – sterkte en veiligheidseisen en
                    beproevingsmethoden’. </al><al>Hiermee wordt gewaarborgd dat slechts een beperkt aantal mensen op een
                    ‘doodlopend eind’ zitten. Wanneer doodlopende rijen zitplaatsen te lang worden,
                    ontstaat het gevaar dat mensen over stoelen klauteren waardoor paniek en chaos
                    ontstaat. Dit gevaar moet worden voorkomen. Een voldoende uitstroomcapaciteit
                    van een doodlopende rij stoelen moet gegarandeerd zijn. </al><tussenkop>Lid 4 </tussenkop><al>Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt.
                    Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van stoelen verdient de
                    doorstroomcapaciteit van de looppaden tussen de stoelen bijzondere aandacht. </al><al>Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt.
                    Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van meubelen en objecten in een
                    ruimte verdient de doorstroomcapaciteit van de verkeersgebieden nadere aandacht. </al><al>Om een veilige ontvluchting te kunnen garanderen in een ruimte waarin veel
                    mensen samenkomen, moet de inrichting hiervan niet kunnen verschuiven of
                    omvallen. Wanneer de inrichting omvalt of verschuift zal dit namelijk de
                    ontvluchting belemmeren en leiden tot ongewenste paniek.</al><tussenkop>Artikel 7 Afval</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 8 Periodieke controle van draagbare blustoestellen</tussenkop><al>Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige onderhoud
                    verricht conform NEN 2559, uitgave 2001 en een controle gehouden op de reinheid
                    en de goede werking van draagbare blustoestellen. Indien nodig worden deze
                    gerepareerd.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 8</tussenkop><al>De aanwezigheid van draagbare blustoestellen wordt bij of krachtens wettelijke
                    voorschriften gesteld. In sommige situaties zijn draagbare blustoestellen in een
                    gebouw aanwezig op vrijwillige basis of op verzoek van verzekeraars. Aangezien
                    het gebruik van draagbare blustoestellen eenvoudig is, moeten gebruikers van het
                    gebouw ervan uit kunnen gaan dat de werking van de draagbare blustoestellen
                    gegarandeerd is. Alle draagbare blustoestellen, dus ook degene die op
                    vrijwillige basis worden opgehangen, moeten worden gecontroleerd op reinheid en
                    een goede werking en indien nodig gerepareerd.</al><al>Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal</al><al>Hout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in
                    buitenwanden, scheidingswanden of plafonds van stands, podia, kramen etc. die in
                    gebouwen zijn gelegen, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat</al><lijst><li nr="a."><al>het materiaal ten minste 3,5 mm dik is en</al></li><li nr="b."><al>het materiaal kan worden ingedeeld in klasse 4 als bedoeld in NEN 6065,
                            uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997.</al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 9</al><al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich
                    snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens dient voorkomen te worden dat als
                    gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt
                    wordt.</al><al>Met ingang van 13 mei 2003 is het gebruik van de Euroklassen voor het
                    brandgedrag van bouwmaterialen en -producten in het Bouwbesluit geïntroduceerd.
                    In de Ministeriële Regeling Bouwbesluit is een tabel gepubliceerd waarmee de in
                    het Bouwbesluit vereiste brandvoortplantingsklasse en rookdichtheid (NEN 6065,
                    NEN 1775 en NEN 6066) kan worden vertaald naar een Europese brandklasse. De
                    Ministeriële Regeling kunt u vinden via www.vrom.nl. </al><al>Artikel 10 Glas</al><al>Glas als versiering en/of bekleding aan plafonds en wanden dan wel in plafonds
                    van stands podia, kramen etc. of in buitenwanden en scheidingswanden tussen
                    stands podia, kramen etc.</al><al>wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat het glas als veiligheidsglas
                    wordt aangemerkt of dat het glas is voorzien van een ingegoten kruiswapening met
                    een maximale maaswijdte van 16 mm.</al><al>Toelichting bij artikel 10</al><al>In de praktijk is gebleken dat het toepassen van glas als versiering aan
                    plafonds een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. In geval van
                    brand moet voorkomen worden dat bij het bezwijken van glas grote stukken naar
                    beneden vallen en die stukken daarmee een gevaar vormen voor de vluchtende
                    mensen en/of hulpdiensten. In dit artikel wordt dit gevaar gereduceerd.</al><al>Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing</al><al>Textiel in horizontale toepassing bij stands, podia, kramen etc. wordt
                    uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het textiel onderspannen is met
                    metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 meter of dat het
                    textiel onderspannen is met metaaldraad in twee richtingen met een maaswijdte
                    van ten hoogste 0,70 meter</al><al>Toelichting bij artikel 11</al><al>In de praktijk is gebleken dat het toepassen van textiel in horizontale
                    toepassing een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. Tevens dient
                    te worden voorkomen dat textiel dat in horizontale toepassing is aangebracht,
                    naar beneden valt en daarmee vluchtende personen hindert. Met dit voorschrift
                    wordt dit gevaar gereduceerd.</al><al>Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier of
                    fotopapier</al><al>Kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands,
                    podia, kramen etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal,
                    board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas en verwerkt volgens het
                    gestelde in artikel 9 en 10 van bijlage 4 van de bouwverordening.</al><al>Toelichting bij artikel 12</al><al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen wordt voorkomen dat een beginnende brand zich snel
                    uitbreidt langs een oppervlak. Tevens wordt voorkomen dat als gevolg van een
                    hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</al><tussenkop>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen</tussenkop><tussenkop>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2</tussenkop><al>Tabel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="38*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>ADR-klasse</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Omschrijving</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Verpakkinggroep</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Toegestane maximum hoeveelheid in kg of
                                        l</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al><al> UN 1950 Spuitbussen &amp; UN 2037 Houders, klein, gas</al></entry><entry colname="col2"><al>gassen zoals propaan, zuurstof, stikstof, argon,
                                        kooldioxide, acyteleen, aerosolen (spuitbussen)</al></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t.</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en
                                        aceton</al></entry><entry colname="col3"><al>II</al></entry><entry colname="col4"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al><al>excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een
                                        vlampunt tussen 61°C en 100°C</al></entry><entry colname="col2"><al>brandbare vloeistoffen zoals terpetine en bepaalde
                                        inkten</al></entry><entry colname="col3"><al>III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4.1, 4.2, 4.3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen
                                        en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand
                                        zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders</al><al>4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit
                                        of geel) en diethylzink</al><al>4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen
                                        ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en
                                        calciumcarbonaat</al></entry><entry colname="col3"><al>II en III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5.1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide</al></entry><entry colname="col3"><al>II en III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5.2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en di-propionyl
                                        peroxide</al></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t.</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al><al>gasflessen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t</al></entry><entry colname="col4"><al>115 </al><al>liter waterinhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al><al>dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt
                                        tussen 61°C en 100°C</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>III</al></entry><entry colname="col4"><al>1.000 liter</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Eenheid bepaald overeenkomstig het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer.</al><al>Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof die in bijlage 5
                    is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden
                    echter uitzonderingen gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze
                    stoffen in beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan
                    ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn
                    afgestemd op de ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden gesteld.</al><tussenkop>BIJLAGE 6, BEHOREND BIJ ARTIKEL 6.2.3</tussenkop><tussenkop>Vervallen</tussenkop><tussenkop>BIJLAGE 7, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 2.7.6</tussenkop><tussenkop>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
                    erven en terreinen</tussenkop><al>De NENnormen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen'
                            correctieblad van december 1979);</al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' met
                            correctieblad van december 1979);</al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen en
                            buitenrioleringen';</al></li><li nr="d."><al>NEN 7045, uitgave 1977, 'Buizen van ongeplastificeerd PVC voor binnen en
                            buitenrioleringen' (met correctieblad van februari 1984);</al></li><li nr="e."><al>NEN 7046, uitgave 1978, 'Hulpstukken van ongeplastificeerd PVC voor
                            binnen en buitenrioleringen' (met correctieblad van februari 1979);</al></li><li nr="f."><al>Aanv. NEN 7046, uitgave 1984, 'Aanvulling op NEN 7046 Hulpstukken van
                            ongeplastificeerd PVC voor binnen en buitenrioleringen';</al></li><li nr="g."><al>NENEN 2951, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval Deel 1. Eisen
                            (Engelstalig)';</al></li><li nr="h."><al>NENEN 2952, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval Deel 2.
                            Kwaliteitscontrole en monstername (Engelstalig);</al></li><li nr="i."><al>NENEN 2953, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval Deel 3.
                            Beproevingsmethoden (Engelstalig).</al></li></lijst><tussenkop>Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                    vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</tussenkop><tussenkop>Bijlage behorende bij artikel 8.1.2</tussenkop><tussenkop>Vervallen</tussenkop><tussenkop>Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie</tussenkop><al>Het reglement van orde van de Welstandscommissie als bedoeld in artikel 8, lid 6
                    van de Woningwet, is vastgelegd in de “Verordening welstandscommissie”.</al><tussenkop>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1
                    Brandmeldinstallaties</tussenkop><table><tgroup cols="13"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="3*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="6*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="6*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="5*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="7*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="5*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="6*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="6*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="5*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="5*"/><colspec colname="col12" colnum="12" colwidth="5*"/><colspec colname="col13" colnum="13" colwidth="6*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Leden van</al><al> Toepassing</al></entry><entry colname="col6" nameend="col9" namest="col6"><al>Grenswaarden</al></entry><entry colname="col10" nameend="col13" namest="col10"><al>Omvang van bewaking</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col4"><al>Omvang van de bewaking</al></entry><entry colname="col5"><al>Kwaliteit</al></entry><entry colname="col6"><al>Hoogte hoogste vloer (m)</al></entry><entry colname="col7"><al>Gebruiksoppervlakte (m2)</al></entry><entry colname="col8"><al>Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers</al></entry><entry colname="col9"><al>Aantal bouwlagen</al></entry><entry colname="col10"><al>Niet automatisch</al></entry><entry colname="col11"><al>Gedeeltelijk</al></entry><entry colname="col12"><al>Volledig</al></entry><entry colname="col13"><al>Doormelding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col5"><al>2.6.4</al></entry><entry colname="col6"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col7"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col8"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col9"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col10"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col11"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col12"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col13"><al>2.6.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>1a</al></entry><entry colname="col7"><al>1b</al></entry><entry colname="col8"><al>1c</al></entry><entry colname="col9"><al>1d</al></entry><entry colname="col10"><al>1a</al></entry><entry colname="col11"><al>1b</al></entry><entry colname="col12"><al>1c</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie niet van een woonwagen</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al><vet>*</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen in
                                        combinatie met permanent toezicht</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen zonder
                                        permanent toezicht</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overig woonfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4
                                        jaar.</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>200</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>2,4</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="7"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="7"><al>Overige bijeenkomstfunctie</al></entry><entry colname="col3" morerows="7"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="7"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="7"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>5000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>5<onderstreept>&lt;</onderstreept>13</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>13<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50<onderstreept>&lt;</onderstreept>70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Gezondheidszorgfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten </al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="4"><al>Overige gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col3" morerows="4"><al> *</al></entry><entry colname="col4" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50<onderstreept>&lt;</onderstreept>70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lichte industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="3"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="3"><al>Overige industriefunctie</al></entry><entry colname="col3" morerows="3"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="3"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="3"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="4"><al><vet>Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="4"><al> *</al></entry><entry colname="col4" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50<onderstreept>&lt;</onderstreept>70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="2"><al>Logiesgebouw </al></entry><entry colname="col3" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>5</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige logiesfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="17"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="3*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="0*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="6*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="0*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="6*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="0*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="6*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="0*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="7*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="7*"/><colspec colname="col12" colnum="12" colwidth="6*"/><colspec colname="col13" colnum="13" colwidth="6*"/><colspec colname="col14" colnum="14" colwidth="6*"/><colspec colname="col15" colnum="15" colwidth="6*"/><colspec colname="col16" colnum="16" colwidth="6*"/><colspec colname="col17" colnum="17" colwidth="6*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col8" namest="col3"><al>Leden van toepassing</al></entry><entry colname="col9" nameend="col13" namest="col9"><al>Grenswaarden</al></entry><entry colname="col14" nameend="col17" namest="col14"><al>Omvang van bewaking</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al>Omvang van de bewaking</al></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al>Kwaliteit</al></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al>Hoogte hoogste vloer (m)</al></entry><entry colname="col11"><al>Gebruiksoppervlakte (m2)</al></entry><entry colname="col12"><al>Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers</al></entry><entry colname="col13"><al>Aantal bouwlagen</al></entry><entry colname="col14"><al>Niet automatisch</al></entry><entry colname="col15"><al>Gedeeltelijk</al></entry><entry colname="col16"><al>Volledig</al></entry><entry colname="col17"><al>Doormelding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al>2.6.4</al></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col11"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col12"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col13"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col14"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col15"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col16"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col17"><al>2.6.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al/></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al/></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al>1a</al></entry><entry colname="col11"><al>1b</al></entry><entry colname="col12"><al>1c</al></entry><entry colname="col13"><al>1d</al></entry><entry colname="col14"><al>1a</al></entry><entry colname="col15"><al>1b</al></entry><entry colname="col16"><al>1c</al></entry><entry colname="col17"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="4" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Onderwijsfunctie </vet></al></entry><entry colname="col4" morerows="4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" morerows="4" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" morerows="4" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>250</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>20<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>50<onderstreept>&lt;</onderstreept>70</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="4" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Sportfunctie</vet></al></entry><entry colname="col4" morerows="4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" morerows="4" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" morerows="4" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>20<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>50<onderstreept>&lt;</onderstreept>70</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="8"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="8" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Winkelfunctie </vet></al></entry><entry colname="col4" morerows="8" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" morerows="8" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" morerows="8" nameend="col9" namest="col8"><al> *</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>&lt;13</al></entry><entry colname="col11"><al>5000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>&lt;13</al></entry><entry colname="col11"><al>10000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>13&lt;50</al></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>13<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col11"><al>5000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>13<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col11"><al>10000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>50<onderstreept>&lt;</onderstreept>70</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Overige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="2" nameend="col3" namest="col2"><al>Besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorvoertuigen</al></entry><entry colname="col4" morerows="2" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" morerows="2" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" morerows="2" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>* </al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>2500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>2500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10"><al>13</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Andere overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>F</al></entry><entry colname="col11"><al>F</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>F</al></entry><entry colname="col11"><al>F</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4. Bij de toepassing van de in
                    de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften
                    wordt in tabel 2.6.1 verstaan onder:</al><al>-: dit lid is niet van toepassing</al><al>* : het hele artikel is van toepassing</al><al>&gt; : alle waarden groter dan de achter dit teken aangegeven waarde</al><al>= : alle waarden kleiner of gelijk aan de achter dit teken aangegeven
                    waarde</al><al>F : in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel
                    2.6.1, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere
                    criteria</al><al>a : zonder doormelding naar een brandweeralarmcentrale</al><al>1: indien in combinatie met een grenswaarde in m<sup>2</sup>: deze voorziening
                    dient altijd aanwezig te zijn, ongeacht de grootte van het vloeroppervlak</al><al>Wanneer in de tabel twee grenswaarden of prestatie-eisen in dezelfde rij van de
                    tabel worden gegeven, moet aan beide criteria worden voldaan. </al><al>Voorbeeld:</al><al>Bij de winkelfunctie komt in tabel 2.6.1 van bijlage 10 het meest duidelijk tot
                    uitdrukking dat aan het vereiste van twee criteria moet worden voldaan voordat
                    een brandmeldinstallatie nodig is.</al><al>Bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van
                    sport – wanneer het gebruiksoppervlak groter is dan 1.000 m<sup>2</sup> en er
                    meer dan 1 verblijfsruimte bestemd voor bezoekers is, dan is gedeeltelijke
                    bewaking en doormelding noodzakelijk.</al><al>Wanneer in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in verschillende regels van
                    de tabel worden gegeven, moet aan één van de criteria worden voldaan.</al><al>Voorbeeld:</al><al>Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar – wanneer het
                    gebruiksoppervlak groter is dan 200 m<sup>2</sup> of er een vloer op een hoogte
                    ligt van meer dan 2,4 meter ten opzichte van het meetniveau, dan is volledige
                    bewaking en doormelding vereist.</al><tussenkop>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                    (ontruimingsinstallaties)</tussenkop><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="61*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="0*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Artikelen van toepassing</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.6</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>woonfunctie niet van een woonwagen bestemd voor minder
                                        zelfredzame personen</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Gezondheidszorgfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Onderwijsfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Sportfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Winkelfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Overige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorvoertuigen</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>andere overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.6 en 2.6.7. Voor de toepassing van de in de
                    artikelen 2.6.5 tot en met 2.6.7 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt
                    in tabel 2.6.5 verstaan onder:</al><al>-: dit lid is niet van toepassing;</al><al>*: het hele artikel is van toepassing;</al><tussenkop>BIJLAGE 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8
                    (vluchtrouteaanduiding)</tussenkop><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="61*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="0*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Artikelen van toepassing</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.9</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woongebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Cellengebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Gezondheidszorgfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Onderwijsfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Sportfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Winkelfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Overige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer</al></entry><entry colname="col3"><al>F</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Ander bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.9 en 2.6.10. Voor de toepassing van de in de
                    artikelen 2.6.8 tot en met 2.6.10 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt
                    in tabel 2.6.8 verstaan onder:</al><al>-: dit lid is niet van toepassing;</al><al>*: het hele artikel is van toepassing;</al></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondeling
                    toelichting</tussenkop><al>De openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting aan de
                    Welstandscommissie als bedoeld in artikel 8, lid 6 van de Woningwet, is
                    vastgelegd in de “Verordening welstandscommissie”.</al><al>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</al><al>De afdoening bij mandaat van de Welstandscommissie als bedoeld in artikel 8, lid
                    6 van de Woningwet, is vastgelegd in de “Verordening welstandscommissie”.</al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al>De vorm waarin het advies van de Welstandscommissie, als bedoeld in artikel 8,
                    lid 6 van de Woningwet, wordt uitgebracht is vastgelegd in de “Verordening
                    welstandscommissie”.</al><tussenkop>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                    standplaatsen</tussenkop><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft een
                    gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of standplaatsen uit te
                    sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet
                    dan nadat:</al><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in
                    de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 10 OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</tussenkop><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet
                    moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en het doel waarvoor
                    het laatstelijk is gebruikt.</al><tussenkop>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                    onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</tussenkop><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                    woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de gebruiksvergunning
                    als bedoeld in dan wel de sloopvergunning als bedoeld in op aanvraag van degene
                    op wiens naam de vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn rechtverkrijgende
                    overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is
                    gesteld.</al><tussenkop>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                    woonwagens, alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening
                    en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                    voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                    behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken
                    norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen
                    en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 11 HANDHAVING</tussenkop><tussenkop>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>HOOFDSTUK 12 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 12.1 Strafbare feiten</tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</tussenkop><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig
                    ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is
                    verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde
                    verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn
                    dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                    gezien.</al><tussenkop>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven
                    en terreinen</tussenkop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                    gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis
                    van een bouwvergunning, als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet
                    van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van
                    de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</al><tussenkop>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                    gebruiksvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26 van de
                            brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 10
                            december 1990, geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel
                            6.1.1. </al></li><li nr="2."><al>Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking - hoe ook genaamd
                            - verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij
                            raadsbesluit d.d. 10 december 1990, blijft van kracht totdat de termijn
                            waarvoor zij is verleend, is verstreken of totdat zij is
                            ingetrokken.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop>Artikel 12.6 Slotbepaling</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgende op die
                            waarop deze verordening is afgekondigd.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Bouwverordening,
                            vastgesteld bij raadsbesluit van 6 juli 1987.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Bouwverordening".</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>