<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR6252_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJsselpost, 28-12-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 148, 149a, 150, 151b, 154, 154a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verzameling 2005, nr. 60 / a 06092005</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1.Deze verordening vervangt de Algemene Plaatselijke Verordening 2001.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel; </al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; </al><al>gelet op artikel 149, 149a, 150, 151a, 154, 154a van de Gemeentewet; </al><al>b e s l u i t : </al><al>I. in te trekken de Algemene Plaatselijke Verordening 2001 met ingang van 1
                        januari 2006; </al><al>II. vast te stellen <vet>de Algemene Plaatselijke Verordening
                        2006:</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al><vet><cursief>a</cursief>. <cursief>bouwerk:</cursief></vet></al><al>elke constructie van enige omvang van hout en steen, metaal of ander
                            materiaal, welke op de</al><al>plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden
                            is, hetzij direct of indirect</al><al>steun vindt in of op de grond.</al><al><vet><cursief>b. handelsreclame:</cursief></vet></al><al>iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
                            beoogd wordt een</al><al>commercieel belang te dienen.</al><al><vet><cursief>c. voertuigen:</cursief></vet></al><al>alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al (aa el),
                            van het Reglement</al><al>verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="b."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al></li></lijst><al><vet><cursief>d. weg:</cursief></vet></al><al>1.de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                            Wegenverkeerswet 1994,</al><al>alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide
                            parkeerterreinen;</al><al>2.de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke
                            pleinen en open</al><al>plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
                            natuurterreinen, ijsvlakten</al><al>en aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al><al>3.de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen,
                            passages en</al><al>galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte
                            toegang geven en niet</al><al>afsluitbaar zijn;</al><al>4.andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare
                            stoepen, trappen, portieken,</al><al>gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd
                            dat zij niet door of</al><al>vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn
                            afgesloten;</al><al>5.alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                            bevaarbaar of</al><al>anderszins toegankelijk zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het</al></li></lijst><al>verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat
                            intrekking of wijziging</al><al>wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan
                            de vergunning of</al><al>ontheffing is vereist;</al><al>c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of</al><al>worden nagekomen;</al><lijst><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke
                                    van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>Voorzover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening
                            van een tijdstip of gebeurtenis,</al><al>en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag
                            of een algemeen erkende</al><al>feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de
                            voorgelegen dag, die geen</al><al>zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Samenkomsten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een
                                        samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                        gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></li><li nr="2."><al>Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval,
                                        waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan
                                        of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende
                                        gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen
                                        te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                        samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel
                                        van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich
                                        in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen,
                                        wegen of weggedeelten, wanneer</al></li></lijst><al>deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare
                                veiligheid of ter</al><al>voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.</al><lijst><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                        betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester op of aan de
                                weg een optocht,</al><al>niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.3, te doen
                                plaatsvinden;</al><lijst><li nr="2."><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of
                                                goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><al>1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten
                                minste 4 x 24 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk
                                kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen
                                in</al><al>artikel 2.1.4, eerste lid hierover is bepaald.</al><al>2.Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in
                                artikel 1, eerste lid, juncto</al><al>tweede lid van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats
                                die krachtens bestemming of</al><al>vast gebruik openstaat voor het publiek, met uitzondering van een
                                gebouw of besloten plaats als</al><al>bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Grondwet.</al><al>3.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste
                                lid genoemde termijn</al><al>verkorten en een mondelinge kennisgeving ontvankelijk
                                verklaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen
                                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                                tijdstip van aanvang en van</al></li></lijst></li></lijst><al>beëindiging;</al><lijst><li nr="d."><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de
                                        plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt, zal treffen om
                                        een regelmatig verloop te</al></li></lijst><al>bevorderen.</al><al>2.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                waarin het tijdstip van de</al><al>kennisgeving is vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onder straatartiest wordt verstaan: een artiest die al dan
                                        niet beroepshalve aan, op, boven de weg zonder mechanische
                                        versterking zijn vertoning en/of muziek voor publiek ten
                                        gehore brengt.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest op
                                        te treden op of aan door de</al></li></lijst><al>burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al><lijst><li nr="3."><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                        bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Bruikbaarheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Voorwerpen of stoffen op, in, aan of boven de weg</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een
                                weggedeelte anders te</al><al>gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.</al><al>2.Is het gebruik van de weg of een weggedeelte daarvan
                                overeenkomstig de publieke functie en</al><al>betreft het gemeentegrond dan is het privaatrecht op de weg van
                                toepassing.</al><lijst><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen
                                                gevaar of hinder kunnen opleveren</al></li></lijst></li></lijst><al>voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden
                                gebruikt;</al><al>b.zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers
                                bestemde gedeelte van</al><al>de weg en mits:</al><al>-?geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte
                                bevindt;</al><al>-?geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich
                                op minder dan 0,5 meter</al><al>van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg
                                bevindt;</al><al>-?geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel
                                reikt;</al><al>c.de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op
                                de weg gebracht worden in</al><al>verband met laden of lossen ervan en mits degene die de
                                werkzaamheden verricht of doet</al><al>verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan,
                                in elk geval voor</al><al>zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn
                                en de weg daarvan</al><al>gereinigd is;</al><lijst><li nr="d."><al>voertuigen;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                        geopenbaard;</al></li><li nr="f."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2.3.1;</al></li><li nr="g."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2.11.10, vijfde lid;</al></li><li nr="h."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.2.</al><lijst><li nr="4."><al>Het is verboden op, aan, over of boven de weg een
                                                voorwerp of stof waarop gedachten of</al></li></lijst></li></lijst><al>gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te
                                hebben, indien:</al><al>a.deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                bevestiging schade toebrengt</al><al>aan de weg,</al><al>b.gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                doelmatig en veilig gebruik van</al><al>de weg of</al><lijst><li nr="c."><al>een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud
                                        van de weg.</al><lijst><li nr="5."><al>Voor de toepassing van het derde lid, onder c, wordt
                                                onder weg verstaan wat artikel 1 van de</al></li></lijst></li></lijst><al>Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al><lijst><li nr="6."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                                                weg, gevaar oplevert voor de</al></li></lijst></li></lijst><al>bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                daarvan, dan wel een</al><al>belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de
                                weg;</al><al>b.indien het beoogde gebruik, hetzij op zichzelf, hetzij in verband
                                met de omgeving niet voldoet</al><al>aan redelijke eisen van welstand;</al><al>c.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                gebruikers van de in de</al><al>nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><al>7 a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt</al><al>voorzien door de Wetbeheer rijkswaterstaatswerken of het
                                Rijkswegenreglement of het</al><al>Provinciaal wegenverkeersreglement Zuid-Holland.</al><al>b.De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet
                                voorzover in het daarin geregelde</al><al>onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                Wegenverkeerswet.</al><lijst><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het zesde lid, onder b, geldt niet
                                        voor bouwwerken;</al></li><li nr="d."><al>De weigeringsgrond van het zesde lid, onder c, geldt niet
                                        voorzover in het geregelde</al></li></lijst><al>onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college:</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                                uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar
                                                de weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan wat artikel 1 van de</al></li></lijst><al>Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al><lijst><li nr="3."><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                                omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                                gemeente.</al></li></lijst></li></lijst><al>4 Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien</al><al>door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het
                                Provinciaal</al><al>wegenverkeersreglement Zuid-Holland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>1.De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend
                                publiek winkelwagentjes ter</al><al>beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren
                                over de weg, is verplicht</al><al>deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander
                                herkenningsteken en de in de</al><al>omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg
                                achtergelaten winkelwagentjes</al><al>terstond te verwijderen of te doen verwijderen.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek
                                toegankelijke verrichting van</al><al>vermaak, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en
                                        Horecawetgelegenheid geven tot dansen</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                        Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.2. van deze
                                        verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                            goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><al>1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat
                                vanaf de weg zichtbaar is te</al><al>(doen) bekrassen of te (doen) bekladden.</al><al>2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                rechthebbende op de weg of op dat</al><al>gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:</al><al>a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan
                                te plakken, te doen</al><al>aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen
                                aanbrengen;</al><al>b.met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding,
                                letter, cijfer of teken aan te</al><al>brengen of te doen aanbrengen.</al><al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien gehandeld wordt krachtens</al><al>wettelijk voorschrift.</al><al>4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen.</al><al>5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                gebruiken voor het aanbrengen</al><al>van handelsreclame.</al><al>6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de
                                meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen.</al><al>7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                toestemming is verplicht die aan een</al><al>opsporingsambtenaar op diens eerste vordering ter stond ter inzage
                                af te geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Vervoer plakgereedschap en dergelijke</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen des avonds 10.00 uur en des morgens
                                        6.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben enig
                                        aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof
                                        of verfgereedschap.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                        toepassing, indien de in dat lid bedoelde</al></li></lijst><al>materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd
                                voor handelingen als</al><al>verboden in artikel 2.4.1.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden tussen des avonds 10.00 uur en des morgens 6.00
                                uur lopers, valse sleutels,</al><al>touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of
                                middel, dat ertoe kan dienen zich</al><al>onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,
                                onrechtmatig sluitingen te openen</al><al>of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken
                                of het maken van sporen te</al><al>voorkomen, op de weg te vervoeren of bij zich te hebben.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien de in dat lid bedoelde</al><al>gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn
                                voor de in dat lid bedoelde handelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op
                                                een beeld, monument, overkapping,</al></li></lijst></li></lijst><al>constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of
                                andere afsluiting,</al><al>verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al><al>b.zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers
                                of aan bewoners van</al><al>nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt
                                wordt.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover
                                artikelen 424, 426 bis, 431 van het</al><al>Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet van
                                toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te
                                        nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de
                                        openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten
                                        of anderszins overlast veroorzaken.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op de weg, die deel uit maakt van een door
                                        de burgemeester aangewezen</al></li></lijst><al>gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen,
                                blikjes en dergelijke met</al><al>alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al><lijst><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat deel uit maakt van een inrichting,
                                                als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en</al></li></lijst></li></lijst><al>Horecawet;</al><al>b.de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a,
                                waarvoor een ontheffing geldt</al><al>krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op
                                                te houden;</al></li><li nr="b."><al>in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van
                                                een gebouw te zitten of te liggen;</al></li></lijst></li></lijst><al>indien en voorzover dit gedrag hinder veroorzaakt voor de bewoners
                                of gebruikers van het</al><al>betreffende gebouw.</al><al>2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                appartementsgebouwen en</al><al>soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek
                                toegankelijk zijn, verboden</al><al>zich zonder redelijk doel, op een voor de bewoners of gebruikers
                                hinderlijke wijze, te bevinden in</al><al>een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig
                                gebouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, overdekt winkelcentrum, parkeergarage,
                                rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek
                                toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te
                                bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is
                                bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke overdekte
                                    en</titel></kop><al><vet>overkapte plaatsen</vet></al><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in, op of onder een voor het publiek
                                toegankelijke overdekte en overkapte plaatsen, zoals viaducten,
                                tunnels en bruggen of een andere soortgelijke, voor het publiek
                                toegankelijke plek dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor
                                een ander doel dan waarvoor de desbetreffende plek is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Overlast van fiets, bromfiets en dergelijke</titel></kop><al>Het is verboden zich met een fiets of bromfiets, op rollerskates of
                                een skateboard, of iets dergelijke te bevinden in overdekte
                                winkelcentra, dan wel op overige door de burgemeester aangewezen
                                plaatsen op de daarin aangegeven uren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond
                                        te laten verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>op de weg, zonder dat die hond aangelijnd is, op de
                                                door het college van burgemeester en</al></li></lijst></li></lijst><al>wethouders aangewezen plaatsen;</al><al>b.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinderspeelplaats,</al><al>zandbak of speelweide of op een andere door het college van
                                burgemeester en wethouders</al><al>aangewezen plaats;</al><al>c.op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband die de eigenaar
                                of houder duidelijk doet</al><al>kennen, of een identificatiekenmerk als bedoeld in het tweede lid
                                van artikel 2.4.12.</al><al>2.Het verbod geldt niet voorzover de eigenaar of houder van een hond
                                zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en
                                de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een
                                eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd
                                opleidt tot geleidehond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><al>1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                dat die hond zich niet van</al><al>uitwerpselen ontdoet:</al><al>a.op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor
                                het verkeer van</al><al>voetgangers met uitzondering van door het college van burgemeester
                                en wethouders</al><al>aangewezen plaatsen;</al><al>b.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinderspeelplaats,</al><al>zandbak of speelweide;</al><lijst><li nr="c."><al>op een andere door het college van burgemeester en
                                        wethouders aangewezen plaats.</al><lijst><li nr="2."><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het
                                                eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de
                                                eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt
                                                dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                                verwijderd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.12</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond
                                        te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op
                                        het terrein van een ander:</al><lijst><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd, nadat het college van
                                                burgemeester en wethouders aan de</al></li></lijst></li></lijst><al>eigenaar of de houder heeft bekend gemaakt dat zij die hond
                                gevaarlijk of hinderlijk achten</al><al>en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond
                                noodzakelijk vinden;</al><al>b.anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het
                                college van</al><al>burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder heeft bekend
                                gemaakt dat zij die</al><al>hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijn- en
                                muilkorfgebod in verband met het</al><al>gedrag van die hond noodzakelijk vindt.</al><al>2.Voor het bepaalde in het eerste lid geldt bovendien dat de hond
                                moet zijn voorzien van een</al><al>optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor
                                of in de buikwand ofwel van</al><al>een identificatietransponder.</al><al>3.In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al><vet><cursief>a. muilkorf:</cursief></vet></al><al>een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d van de Regeling
                                agressieve dieren;</al><al><vet><cursief>b. kort aanlijnen:</cursief></vet></al><al>aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand
                                tot halsband, die niet</al><al>langer is dan 1,50 meter;</al><al><vet><cursief>c. identificatietransponder:</cursief></vet></al><al>het identificatiekenmerk als bedoeld in artikel 2, letter d van het
                                Ingrepenbesluit.</al><al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                voorzover de Regeling agressieve</al><al>dieren van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw (winkels
                                daaronder begrepen) te bedelen om geld of andere zaken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder
                                        <vet><cursief>vuurwerk</cursief></vet>:</al><al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met</al><al>betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                                (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Afleveren van vuurwerk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                        nevenbedrijf vuurwerk af te leveren, dan wel ter aflevering
                                        aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college
                                        van burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd in het belang van de</al></li></lijst><al>openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van
                                overlast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bezigen van vuurwerk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden vuurwerk op of aan de weg of op een voor
                                        publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar,
                                        schade of overlast kan veroorzaken.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden vuurwerk te bezigen op een door het college
                                        van burgemeester en wethouders in het belang van de
                                        voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen
                                        plaats.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                        voorzover artikel 429, aanhef en</al></li></lijst><al>onder 1 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al><al>4.Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen
                                van het in het tweede lid</al><al>gestelde verbod.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Coffeeshopverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, in het belang van de
                                    openbare orde en het woon- en leefklimaat, is het verboden om in
                                    de gemeente een coffeeshop te vestigen en/of te
                                    exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder <vet><cursief>coffeeshop </cursief></vet>wordt verstaan
                                    een ‘inrichting waar handel plaatsvindt in middelen als bedoeld
                                    in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet’.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154 van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in de artikelen 2.1.1, 2.1.2, 2.2.1, 2.4.4,
                                2.4.5, 2.4.6, 2.4.7, 2.4.8 of 2.5.3 van deze verordening
                                groepsgewijs niet naleven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de</al><al>openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige
                                vrees voor het ontstaan</al><al>daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het
                                publiek openstaande gebouwen en daarbijbehorende erven, aanwijzen
                                als veiligheidsrisicogebied.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>9</nr><titel>Verblijfsontzeggingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9.1</nr><titel>Verblijfsontzegging</titel></kop><al>1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
                                die zich gedraagt in strijd met artikel 2.1.1, 2.2.4, 2.4.5, 2.4.6,
                                2.4.7, 2.4.8, 2.6.2 of 3.2.4 een verbod opleggen om zich</al><al>gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 24 uur te bevinden
                                op in dat verbod</al><al>aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde
                                gedragingen hebben</al><al>plaatsgehad (verblijfsontzegging).</al><al>2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
                                aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd
                                en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit
                                verbod wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd
                                met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om
                                zich gedurende een in dat verbod</al><al>genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat
                                verbod aangewezen</al><al>plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen
                                hebben plaatsgehad.</al><al>3.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
                                aan wie eerder een</al><al>verblijfsontzegging voor de duur van veertien dagen is opgelegd en
                                ten aanzien van wie binnen</al><al>zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat
                                hij zich opnieuw gedraagt</al><al>in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod
                                opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten
                                hoogste veertien dagen te bevinden op in dat verbod</al><al>aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde
                                gedragingen hebben</al><al>plaatsgehad.</al><lijst><li nr="4."><al>De burgemeester beperkt de in het eerste, tweede of derde
                                        lid genoemde verboden, indien dat in verband met de
                                        persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk
                                        is.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                        burgemeester opgelegd verbod.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>10</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10.1</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al>1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                Gemeentewet, indien dat in het belang van de handhaving van de
                                openbare orde noodzakelijk is, besluiten tot plaatsing van vaste
                                camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een
                                openbare plaats als</al><al>bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties</al><al>2.De burgemeester is bevoegd, indien dat in het belang van de
                                handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, andere plaatsen die
                                voor een ieder toegankelijk dan als bedoelt in het eerste lid aan te
                                wijzen voor de plaatsing van vaste camera’s. Het bepaalde in het
                                eerste lid is van</al><al>overeenkomstige toepassing.</al><al>3.Dit artikel treedt in werking met ingang van de dag waarop bij
                                Koninklijk Besluit wordt bepaald dat de Wet van 30 juni 2005 tot
                                wijziging van de Gemeentewet en de Wet politieregisters in verband
                                met de invoering van regels omtrent het gebruik van camera’s ten
                                behoeve van toezicht op openbare plaatsen (cameratoezicht op
                                openbare plaatsen) in werking treedt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>11</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt begrepen onder:</al><al><vet><cursief>A. Inrichting:</cursief></vet></al><al>a.een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank-
                                en Horecawet waarin het</al><al>horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daar bijhorende
                                terrassen;</al><al>b.alle voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen
                                of gedeelten daarvan,</al><al>zomede de daarbijbehorende terrassen en de daarmee gemeenschap
                                hebbende vertrekken</al><al>die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede
                                de niet voor publiek</al><al>toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg
                                bereikbaar zijn - uitgezonderd</al><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.2, voorzover daar
                                regelmatig of op gezette tijden:</al><al>1.gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of
                                drinkwaren te verkrijgen,</al><al>af te halen of te verbruiken, dan wel</al><lijst><li nr="2."><al>amusement of ontspanning wordt aangeboden, dan wel</al></li><li nr="3."><al>voorstellingen of vertoningen van porno-erotische aard
                                        worden gegeven dan wel door</al></li></lijst><al>middel van automaten dergelijke voorstellingen of vertoningen kunnen
                                worden gegeven;</al><al>c.buurt- of winkelondersteunende inrichting: een inrichting als
                                bedoeld in lid A, onder a en b,</al><al>sub 1, die zich heeft gevestigd na 1 februari 2002 waarvan de
                                activiteiten als genoemd onder</al><al>b, sub 1, zich echter beperken tot eetwaren die geen maaltijd vormen
                                en niet- of</al><al>zwakalcoholhoudende drank.</al><al><vet><cursief>B. Bezoeker: </cursief></vet>een ieder, die zich in
                                een inrichting bevindt, met uitzondering van:</al><al>a.de levenspartner en kinderen van de exploitant van de inrichting,
                                alsmede diens elders</al><al>wonende bloed- of aanverwanten of die van zijn levenspartner;</al><al>b.de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel
                                438 van het Wetboek van</al><al>Strafrecht;</al><al>c.de personen wier tegenwoordigheid in de inrichting wegens
                                dringende omstandigheden</al><al>vereist wordt.</al><al><vet><cursief>C. Exploitant: </cursief></vet>de natuurlijke persoon
                                of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een</al><al>inrichting exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging
                                van die rechtspersoon of</al><al>rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen.</al><al><vet><cursief>D. Beheerder: </cursief></vet>de natuurlijke persoon
                                of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of
                                uitoefenen in een inrichting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.2</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><al>1.Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2.11.5, verboden zonder
                                voorlopige vergunning of</al><al>vergunning van de burgemeester een inrichting als bedoeld in deze
                                paragraaf te exploiteren</al><al>(exploitatievergunning).</al><al>2.Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat
                                of wordt voldaan aan de</al><al>criteria, gesteld in artikel 2.11.9 tweede lid, of in artikel
                                2.11.10, kan door de burgemeester een</al><al>vergunning worden afgegeven voor een proefperiode van ten hoogste
                                een jaar (proefvergunning).</al><lijst><li nr="3."><al>Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede
                                        lid blijkt dat niet voldaan wordt aan de criteria, gesteld
                                        in artikel 2.11.9 tweede lid, of in artikel 2.11.10, kunnen
                                        door de burgemeester nadere voorschriften worden gesteld of
                                        kan de burgemeester de proefvergunning intrekken.</al></li><li nr="4."><al>Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is
                                        gebleken, deelt de burgemeester de exploitant schriftelijk
                                        mede, dat de proefvergunning met ingang van een nader door
                                        hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een
                                        vergunning, als bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="5."><al>Bij het onherroepelijk worden van een verleende nieuwe
                                        vergunning vervalt de oude vergunning van rechtswege.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.3</nr><titel>Eisen exploitant en beheerder</titel></kop><al>De exploitant en de beheerder(s):</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="c."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;</al></li><li nr="d."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.4</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al>1.Het is verboden een inrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                                zonder dat de ingevolge</al><al>artikel 2.11.6 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in
                                de inrichting aanwezig is.</al><al>2.De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe
                                te zien dat in de inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden,
                                waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV</al><al>(misdrijven tegen zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                                (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de
                                Opiumwet en in de Wet wapens en munitie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.5</nr><titel>Categorale vrijstelling</titel></kop><al>De burgemeester kan bij openbare bekendmaking:</al><al>a.bepalen dat het exploiteren van categorieën inrichtingen, genoemd
                                in artikel 2.11.1, onder A, al</al><al>dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van
                                vergunningplicht is vrijgesteld;</al><al>b.voorschriften stellen aan de onder a genoemde vrijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.6</nr><titel>Vergunningaanvraag</titel></kop><al>1.De burgemeester stelt nadere regels vast omtrent de gegevens en
                                bescheiden die bij de</al><al>vergunningaanvraag moeten worden overgelegd.</al><lijst><li nr="2."><al>Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag tegelijk in
                                        behandeling genomen.</al></li><li nr="3."><al>De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant
                                        en op naam gezet van de exploitant en de beheerder van de
                                        inrichting; de vergunning is niet overdraagbaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.7</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop hij
                                de aanvraag met de</al><al>bijbehorende gegevens en bescheiden heeft ontvangen.</al><al>2.De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste twaalf weken worden
                                verdaagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.8</nr><titel>Weigerings- en intrekkingsgronden</titel></kop><al>1.De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of de
                                exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend
                                bestemmingsplan of met een stadsvernieuwingsplan of een</al><al>leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en
                                dorpsvernieuwing.</al><al>2.De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren,
                                als naar zijn oordeel de</al><al>openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de
                                omgeving van de inrichting door de</al><al>aanwezigheid van de inrichting nadelig wordt beïnvloed.</al><al>3.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde
                                weigeringsgrond houdt de burgemeester</al><al>rekening met:</al><al>a.het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is
                                gelegen of zal komen te</al><al>liggen;</al><lijst><li nr="b."><al>de aard van de inrichting;</al></li><li nr="c."><al>de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                                        blootstaat of bloot zal komen te staan</al></li></lijst><al>door de exploitatie van de inrichting;</al><al>d.de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de
                                inrichting in deze of in</al><al>andere inrichtingen;</al><lijst><li nr="e."><al>de intrekkingsgronden als bedoeld in artikel 2.11.9, vierde
                                        lid, onder b tot en met i.</al><lijst><li nr="4."><al>De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor
                                                onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk</al></li></lijst></li></lijst><al>intrekken of wijzigen:</al><al>a.indien blijkt, dat de vergunning tengevolge van onjuiste of
                                onvolledige gegevens en</al><al>bescheiden is verleend;</al><al>b.indien de exploitant of de beheerder de bepalingen in deze
                                paragraaf, dan wel de</al><al>voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt;</al><al>c.indien aannemelijk is, dat de exploitant of beheerder betrokken
                                is, of hem ernstige nalatigheid</al><al>kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die
                                een gevaar opleveren voor</al><al>de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of
                                leefklimaat in de omgeving van</al><al>de inrichting;</al><al>d.indien de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de
                                inrichting, dan wel toestaat of</al><al>gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden
                                gepleegd;</al><al>e.indien de exploitant of beheerder zich schuldig maakt aan
                                discriminatie naar ras, geslacht of</al><al>seksuele geaardheid;</al><al>f.indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben
                                voorgedaan, die de vrees</al><al>wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert
                                voor de openbare orde of</al><al>een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving
                                van de inrichting;</al><al>g.indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen
                                nieuwe vergunning is</al><al>aangevraagd;</al><al>h.indien op grond van verandering van de omstandigheden of
                                inzichten, opgetreden na het</al><al>verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking
                                wordt gevorderd door</al><al>de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;</al><al>i.indien de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                2.11.3 gestelde eisen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.9</nr><titel>Sluiting van inrichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan een inrichting - al dan niet voor een
                                        bepaalde duur - gesloten verklaren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien die inrichting wordt geëxploiteerd zonder
                                                geldige vergunning;</al></li><li nr="b."><al>indien die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd
                                                met de aan de vergunning verbonden</al></li></lijst></li></lijst><al>voorschriften;</al><al>c.indien de burgemeester oordeelt, dat een van de in artikel 2.11.9,
                                vierde lid, genoemde</al><al>situaties waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich
                                voordoet.</al><lijst><li nr="2."><al>De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn
                                        gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de
                                        toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
                                        belanghebbende(n) door de</al></li></lijst><al>burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten
                                en omstandigheden</al><al>hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
                                aanwezig zijn, dat geen</al><al>herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal
                                plaatsvinden.</al><al>4.Het is de exploitant of beheerder van de inrichting verboden na
                                het van kracht worden van de</al><al>sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de inrichting
                                toe te laten of daarin te laten</al><al>verblijven.</al><al>5.Het is eenieder verboden in een bij besluit van de burgemeester
                                gesloten inrichting als bezoeker te verblijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.10</nr><titel>Terrassen</titel></kop><al>1.Bij vergunningaanvragen voor een of meer bij de inrichting
                                behorende terrassen, beslist de</al><al>burgemeester - gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse -
                                tevens over de</al><al>ingebruikneming van de openbare weg.</al><lijst><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.11.9, tweede lid, kan
                                        de burgemeester de in het eerste lid bedoelde
                                        ingebruikneming van de openbare weg weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg
                                                dan wel gevaar oplevert voor de</al></li></lijst></li></lijst><al>bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                daarvan;</al><al>b.als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig
                                beheer en onderhoud van de</al><al>weg;</al><al>c.als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de
                                openbare ruimte, inclusief</al><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.</al><al>3.Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere
                                reden verwijdering van het</al><al>terras noodzakelijk is, is de houder van de inrichting verplicht dit
                                terstond of binnen de door het</al><al>bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, te verwijderen.</al><lijst><li nr="4."><al>Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken
                                        of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik
                                                ingevolge het bepaalde in het eerste lid is</al></li></lijst></li></lijst><al>toegestaan;</al><lijst><li nr="b."><al>aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras
                                        aanwezige zitplaatsen.</al><lijst><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is verplicht te zorgen
                                                dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de
                                                inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste
                                                aanzegging van een ambtenaar, belast met het
                                                toezicht op de naleving van het bepaalde in dit
                                                artikel, in de nabijheid van het terras op de weg
                                                achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover
                                                kennelijk uit of van dat terras afkomstig, worden
                                                verwijderd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.11</nr><titel>Openings- en sluitingstijden</titel></kop><al>1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het
                                woon- of leefklimaat voor een of meer inrichtingen of de daarbij
                                behorende terrassen de in het eerste en tweede lid genoemde</al><al>openings- en sluitingstijden - al dan niet tijdelijk - beperken, dan
                                wel andere openings- en</al><al>sluitingstijden vaststellen.</al><lijst><li nr="2."><al>Het is verboden zich als bezoeker in een inrichting te
                                        bevinden op tijden waarop de inrichting voor het publiek
                                        gesloten moet zijn.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor
                                        zover op de Wet milieubeheer</al></li></lijst><al>gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.12</nr><titel>Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</titel></kop><al>1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere
                                omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer</al><al>horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.11.11
                                geldende sluitingstijden</al><al>vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt</al><al>voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.13</nr><titel>Geldigheidsduur vergunning</titel></kop><al>1.Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in
                                artikel 2.11.2, eerste lid, heeft</al><al>een geldigheidsduur van drie jaren.</al><al>2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het
                                woon- en leefklimaat voor</al><al>bepaalde categorieën van inrichtingen een andere geldigheidsduur
                                vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van
                                        de inrichting feitelijk heeft beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Uiterlijk binnen een week na de feitelijke beëindiging van
                                        de exploitatie, geeft de exploitant</al></li></lijst><al>daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 2.11.1, onder D, het
                                beheer in de inrichting feitelijk</al><al>heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                feitelijke beëindiging van het</al><al>beheer schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al><al>2.Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
                                beheerder, indien de burgemeester op aanvraag van de exploitant
                                heeft besloten een nieuwe vergunning te verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>De exploitant die voor de vaststelling van deze verordening een
                                inrichting exploiteert wordt geacht in het bezit te zijn van een
                                voorlopige vergunning van twee jaar, voor zover er geen wijziging in
                                de exploitatie plaatsvindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>PROSTITUTIE C.A.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen en nadere regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>a.<vet><cursief>prostitutie:</cursief></vet></al><al>het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele
                                handelingen met een ander tegen</al><al>vergoeding;</al><al>b.<vet><cursief>prostituee:</cursief></vet></al><al>degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele
                                handelingen met een ander</al><al>tegen vergoeding;</al><al>c.<vet><cursief>seksinrichting:</cursief></vet></al><al>de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij</al><al>bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of
                                vertoningen van erotischpornografische</al><al>aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval
                                verstaan:</al><al>een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of
                                een prostitutiebedrijf</al><al>waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al><al>d.<vet><cursief>escortbedrijf:</cursief></vet></al><al>de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die
                                bedrijfsmatig of in een omvang</al><al>alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere
                                plaats dan in de bedrijfsruimte</al><al>wordt uitgeoefend;</al><al>e.<vet><cursief>exploitant:</cursief></vet></al><al>de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                                rechtspersonen die een seksinrichting of</al><al>escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot
                                vertegenwoordiging van die rechtspersoon of</al><al>rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al><al>f.<vet><cursief>beheerder:</cursief></vet></al><al>de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke
                                leiding uitoefent in een</al><al>seksinrichting of escortbedrijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het
                                college van burgemeester en</al><al>wethouders over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk
                                nadere regels vaststellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straat- en raamprostitutie en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                        exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het college
                                        van burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning worden in
                                        ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder;</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het
                                                escortbedrijf;</al></li><li nr="d."><al>het aantal m2 bedrijfsruimte;</al></li><li nr="e."><al>de vergunning wordt uitsluitend verleend aan de
                                                exploitant en op naam gesteld van de</al></li></lijst></li></lijst><al>exploitant en de beheerder(s); de vergunning is niet
                                overdraagbaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de
                                                voogdij;</al></li><li nr="c."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht
                                                levensgedrag;</al></li><li nr="d."><al>en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar
                                                bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de
                                        exploitant en de beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van
                                                Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis</al></li></lijst></li></lijst><al>geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                Strafrecht ter beschikking</al><al>gesteld;</al><al>b.binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                onvoorwaardelijke vrijheidsstraf</al><al>van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse
                                Antillen of Aruba,</al><al>dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar
                                Nederlands recht een</al><al>bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van
                                het Wetboek van</al><al>Strafvordering is toegelaten;</al><al>c.binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke
                                uitspraken onherroepelijk veroordeeld</al><al>tot een onvoorwaardelijke geldboete van vierhonderdvierenvijftig
                                euro of meer of tot een</al><al>andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van
                                het Wetboek van Strafrecht,</al><al>wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><al>1.bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                Opiumwet,</al><al>de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;</al><al>2.de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249,
                                250a, 252, 300 tot en</al><al>met 303, 416, 417, 417 bis, 426, 429 quarter en 453 van het Wetboek
                                van Strafrecht;</al><al>3.de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6, juncto
                                artikel 8 of juncto artikel 163 van</al><al>de Wegenverkeerswet 1994;</al><lijst><li nr="4."><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de
                                        Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="5."><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet particuliere
                                        beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;</al></li><li nr="6."><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li><li nr="3."><al>Met de veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                        gelijk gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                                artikel 74, tweede lid onder a van het</al></li></lijst></li></lijst><al>Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                Algemene wet inzake</al><al>rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan driehonderdveertig
                                euro bedraagt;</al><al>b.een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                straf.</al><al>4 De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><al>a.bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                van beslissing op de</al><al>aanvraag van de vergunning;</al><al>b.bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                van de intrekking van</al><al>deze vergunning.</al><al>5 De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen
                                exploitant of beheerder geweest</al><al>van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één
                                maand door een college van</al><al>burgemeester en wethouders is gesloten, of waarvan de vergunning,
                                bedoeld in artikel 3.2.1,</al><al>eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat de exploitant
                                of de beheerder terzake geen</al><al>verwijt treft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                        hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                        vergunning vermelde exploitant of beheerder in de
                                        seksinrichting aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat
                                        in de seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in
                                                ieder geval de feiten genoemd in de titels</al></li></lijst></li></lijst><al>XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal),
                                en XXX (heling) van het</al><al>Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de
                                Wet wapens en</al><al>munitie en</al><al>b.geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het
                                bij of krachtens de</al><al>Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Straat- en raamprostitutie</titel></kop><al>Het is verboden, door woorden, houding, gebaren of andere feitelijke
                                gedragingen, op of aan de weg, op of in voor het publiek
                                toegankelijke plaatsen (winkels daaronder begrepen), in
                                deuropeningen, dan wel zich binnenshuis bevindende zichtbaar voor
                                het publiek, zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen betaling, dan wel op deze
                                uitnodiging of uitlokking in te gaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch</titel></kop><al><vet>pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
                                        daarin, daarop of daaraan, goederen, opschriften,
                                        aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                        afbeeldingen van erotischpornografische aard openlijk ten
                                        toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het college van burgemeester en wethouders
                                                aan de rechthebbende heeft bekend</al></li></lijst></li></lijst><al>gemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen
                                daarvan, de openbare</al><al>orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;</al><al>b.anders dan overeenkomstig de door het college van burgemeester en
                                wethouders in het</al><al>belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                regels.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                het tentoonstellen, aanbieden of</al><al>aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het
                                openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7,
                                eerste lid van de Grondwet.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn en weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college van burgemeester en wethouders neemt het besluit
                                        op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1,
                                        eerst lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag
                                        ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan zijn besluit
                                        voor ten hoogste twaalf weken</al></li></lijst><al>verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                        geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                                artikel 3.2.2 gestelde eisen;</al></li></lijst></li></lijst><al>b de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf in strijd is met een</al><al>geldend bestemmingsplan, Bouwbesluit, gemeentelijke bouw- en of
                                stadsvernieuwingsplan;</al><al>c.er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                personen werkzaam zijn of</al><al>zullen zijn in strijd met artikel 250a van het Wetboek van
                                Strafrecht of met het bij of krachtens</al><al>de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al><lijst><li nr="2."><al>De vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, kan
                                        worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                aantasting van woon- en leefklimaat;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de veiligheid van personen of
                                                goederen;</al></li><li nr="e."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of
                                                -veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>in het belang van de gezondheid of
                                                zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>in het belang van arbeidsomstandigheden van de
                                                prostituee.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie, wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al>1.De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                vergunning vermelde exploitant,</al><al>de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk
                                heeft beëindigd.</al><al>2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                geeft de exploitant daarvan</al><al>schriftelijk kennis aan het college van burgemeester en
                                wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid,
                                onder b, het beheer in de</al><al>seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft
                                de exploitant daarvan binnen</al><al>één week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk
                                kennis aan het college van</al><al>burgemeester en wethouders.</al><al>2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder indien
                                het college van</al><al>burgemeester en wethouders op aanvraag van de exploitant heeft
                                besloten de verleende</al><al>vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen.
                                Het bepaalde in artikel 3.3.2,</al><al>eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al>3.In afwachting van het besluit als bedoeld in het tweede lid, kan
                                het beheer worden uitgeoefend</al><al>door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als
                                bedoeld in het tweede lid heeft</al><al>ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE
                            GEMEENTE</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>a.<vet><cursief>besluit:</cursief></vet></al><al>het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
                                milieubeheer;</al><al>b.<vet><cursief>inrichting:</cursief></vet></al><al>een inrichting als bedoeld in het Besluit;</al><al>c.<vet><cursief>houder van een inrichting:</cursief></vet></al><al>degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een
                                inrichting drijft;</al><al>d.<vet><cursief>incidentele festiviteit:</cursief></vet></al><al>festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein
                                aantal inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><al>1.Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te</al><al>houden waarbij de voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 uit de
                                bijlage onder B van het Besluit</al><al>niet van toepassing zijn mits de houder van den inrichting tenminste
                                twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college van
                                burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld.</al><al>2.Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te</al><al>houden, waarbij het voorschrift 1.5.1 uit de Bijlage onder B van het
                                Besluit niet van toepassing is</al><al>mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de
                                aanvang van de festiviteit het</al><al>college van burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft
                                gesteld.</al><al>3.Het college van burgemeester en wethouders stelt een formulier
                                vast voor het doen van de</al><al>kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid.</al><al>4.De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het
                                in het derde lid bedoelde</al><al>formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd
                                op de plaats op dat formulier</al><al>vermeld.</al><al>5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                college van burgemeester en</al><al>wethouders op verzoek van de houder van een inrichting een
                                incidentele festiviteit, die</al><al>redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de
                                burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit
                                verboden heeft, wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie
                                in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op
                                ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te
                                        hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze
                                        dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving
                                        geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan van het in
                                        het eerste lid bepaalde ontheffing</al></li></lijst><al>verlenen.</al><al>3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet, voorzover de op de Wet
                                milieubeheer gebaseerde</al><al>voorschriften, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek
                                van Strafrecht,</al><al>de Luchtvaartwet, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                1990 of het Vuurwerkbesluit</al><al>Wet milieugevaarlijke stoffen van toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Geluidhinder door dieren</titel></kop><al>Degene die zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een
                                omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder
                                veroorzaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Ontsierende reclame</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1</nr><titel>Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en
                                    dergelijke</titel></kop><al>1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak alsmede de
                                hoofdgebruiker van die zaak</al><al>verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en
                                wethouders deze zaak of een</al><al>daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te
                                laten voor het maken van</al><al>handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding in welke vorm dan ook,</al><al>die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke
                                plaats zichtbaar is.</al><lijst><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte:</al><lijst><li nr="a."><al>opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het
                                                inwendig gedeelte van een onroerende</al></li></lijst></li></lijst><al>zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de
                                weg;</al><al>b.opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe
                                aangewezen door de</al><al>overheid;</al><al>c.opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste
                                zijde korter dan 1 meter die</al><al>betrekking hebben op:</al><al>-?een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of
                                verpachting van een</al><al>onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                hebben;</al><al>-?het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende
                                zaak wordt uitgeoefend of</al><al>waarvoor die zaak is bestemd;</al><al>d.opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in
                                uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het
                                ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn,</al><al>mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in
                                uitvoering zijnde bouwwerken</al><al>zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;</al><al>e.opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken
                                dienstbaar aan het openbaar vervoer,</al><al>indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.</al><al>3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of
                                aankondigingen van kennelijk tijdelijke</al><al>aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits:</al><lijst><li nr="b."><al>van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving
                                        is gedaan aan het college;</al></li><li nr="c."><al>het college niet binnen twee weken na ontvangst van die
                                        kennisgeving van enig bezwaar</al></li></lijst><al>heeft doen blijken;</al><al>d.deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op
                                de onroerende zaak</al><al>aanwezig zijn.</al><al>4.Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als
                                bedoeld in het tweede en</al><al>derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of
                                ernstige hinder voor de omgeving</al><al>te veroorzaken.</al><lijst><li nr="5."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd:</al><lijst><li nr="b."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij
                                                in verband met de omgeving niet voldoet</al></li></lijst></li></lijst><al>aan redelijke eisen van welstand;</al><lijst><li nr="c."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                        voor gebruikers van een in de</al></li></lijst><al>nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><al>6. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt</al><al>voorzien door de Provinciale landschapsverordening.</al><lijst><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet
                                        voor bouwwerken.</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet
                                        voorzover in het daarin geregelde</al></li></lijst><al>onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2</nr><titel>Aanschrijving</titel></kop><al>Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in
                                het tweede lid van artikel 4.2.1, dan wel aangebracht voor een ander
                                doel dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar
                                wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt
                                veroorzaakt, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd
                                de rechthebbende onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van de
                                onroerende zaak aan te schrijven tot het treffen van maatregelen ter
                                voorkoming, ter beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze
                                hinder. Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens
                                rechtsopvolger, is verplicht deze aanschrijving op te volgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3</nr><titel>Aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte
                                    stukken</titel></kop><al><vet>of afbeeldingen ten behoeve van handelsreclame</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college van
                                        burgemeester en wethouders ten behoeve van handelsreclame
                                        gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen op de
                                        weg onder publiek op welke wijze dan ook te (laten)
                                        verspreiden dan wel openlijk aan te (laten) bieden, aan te
                                        (laten) bevelen of bekend te (laten) maken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot
                                        bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor het huis aan huis verspreiden of
                                        het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                        afbeeldingen ten behoeve van handelsreclame.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.2</nr><titel>Wegwerpen van reclame- of strooibiljetten</titel></kop><al>Degene die op de weg reclame- of strooibiljetten of dergelijke
                                geschriften onder het publiek verspreidt, is verplicht deze, indien
                                zij in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een
                                andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden
                                weggeworpen, terstond daarvan te verwijderen of te doen
                                verwijderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3</nr><titel>Verlies (vloei)stoffen uit of van voorwerpen van
                                    voertuigen</titel></kop><al>Degene die op de weg vanuit of vanaf zijn voertuig (vloei)stoffen of
                                voorwerpen verliest, is verplicht deze terstond daarvan te
                                verwijderen of te doen verwijderen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, stoffen, enzovoorts</titel></kop><al>1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen, anders dan op
                                een door het college van burgemeester en wethouders</al><al>aangewezen, plaatsen, de hierna geduide voorwerpen of stoffen op te
                                slaan, te plaatsen of</al><al>aanwezig te hebben:</al><al>a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer-
                                of vaartuigen of</al><al>onderdelen daarvan;</al><al>b.caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                gewoonlijk voor recreatieve</al><al>doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig
                                hebben daarvan</al><al>geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel
                                doel;</al><lijst><li nr="c."><al>een verzameling afbraakmaterialen en oude metalen;</al><lijst><li nr="2."><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen
                                                daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de
                                                Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="3."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in
                                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                                de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale
                                                landsverordening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar
                                te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of
                                terreinen daarvan hinder of overlast kunnen</al><al>ondervinden.</al><al>2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de Wet</al><al>milieubeheer.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al><vet><cursief>a. weg</cursief></vet>;</al><al>de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                Wegenverkeerswet 1994;</al><al><vet><cursief>b. voertuigen:</cursief></vet></al><al>alle voertuigen met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement
                                        verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen,
                                        rolstoelen;</al></li></lijst><al><vet><cursief>c. parkeren:</cursief></vet></al><al>het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd
                                die nodig is voor en gebruikt</al><al>wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor
                                het onmiddellijk laden of lossen</al><al>van goederen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke</titel></kop><al>1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                gewoonte van maakt voertuigen te</al><al>stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen,
                                verboden:</al><al>a.drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                op de weg te parkeren</al><al>binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt
                                een dezer voertuigen,</al><al>dan wel</al><lijst><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al><lijst><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt
                                                mede verstaan:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                        lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                        personen tegen betaling.</al><lijst><li nr="3."><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden
                                                niet gerekend:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                        worden verricht die in totaal niet</al></li></lijst><al>meer dan één uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor
                                en gebruikt wordt voor</al><al>deze werkzaamheden;</al><lijst><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het
                                        eerste lid genoemde persoon.</al><lijst><li nr="4."><al>Het is verboden een voertuig, waarvan redelijkerwijs
                                                is aan te nemen dat het te koop wordt</al></li></lijst></li></lijst><al>aangeboden, op de weg te parkeren, ingeval in de nabijheid van dit
                                voertuig één of meer</al><al>voertuigen staan geparkeerd waarvan redelijkerwijs is aan te nemen
                                dat zij met hetzelfde doel</al><al>geparkeerd staan.</al><al>5.Het college van burgemeester en wethouders kan van de in het
                                eerste en het vierde lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
                                        rijtechnisch in onvoldoende staat van</al></li></lijst><al>onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                verkeert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Caravans en dergelijke</titel></kop><al>1.Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan,
                                magazijnwagen, aanhangwagen,</al><al>keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel
                                anderszins uitsluitend of</al><al>mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd langer dan op
                                vier achtereenvolgende</al><al>dagen te doen of laten staan, anders dan op een door het college van
                                burgemeester en</al><al>wethouders aangewezen weg of plaats.</al><al>2.Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen
                                van het in het eerste lid,</al><al>gestelde verbod.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover de
                                Provinciale caravan- en</al><al>tentenverordening, het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale
                                landsverordening van</al><al>toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
                                        aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het
                                        kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</al></li><li nr="2."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan van het in
                                        het eerste lid gestelde verbod</al></li></lijst><al>ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan</al><al>6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter op de weg te parkeren,
                                anders dan op een door</al><al>het college van burgemeester en wethouders aangewezen weg of
                                plaats.</al><al>2.Het college van burgemeester en wethouders kan bij de aanwijzing
                                nadere regels stellen met</al><al>betrekking tot het gebruik van de in het eerste lid bedoelde
                                aangewezen wegen of plaatsen.</al><al>3.Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het
                                eerste lid gestelde verbod</al><al>ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren (brom)fietsen en dergelijke</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan op de weg gelegen
                                plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien
                                van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel
                                ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is
                                (brom)fietsen en dergelijke, onbeheerd buiten de daarvoor bestemde
                                ruimten of plaatsen te laten staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door
                                dan wel deze te doen of te laten</al><al>staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde
                                beplanting of groenstrook.</al><lijst><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder
                                                a;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                                uitvoering van werkzaamheden door of</al></li></lijst></li></lijst><al>vanwege de overheid;</al><al>c.op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                terreinen die mede of</al><al>uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</al><al>3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, standplaatsen en venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Inzameling van geld of goed</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester
                                en wethouders een</al><al>openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                intekenlijst aan te bieden.</al><al>2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het
                                bij het aanbieden van</al><al>goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden
                                gerekend, dan wel bij het</al><al>aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien
                                daarbij te kennen wordt</al><al>gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten
                                dele voor een liefdadig of</al><al>ideëel doel is bestemd.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                inzameling die in besloten kring</al><al>gehouden wordt.</al><lijst><li nr="4."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan onder door
                                        het college te stellen voorschriften vrijstelling verlenen
                                        van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen
                                        die gehouden worden door daarbij aangewezen
                                        instellingen.</al></li><li nr="5."><al>Het eerste lid is niet van toepassing voorzover een andere
                                        verordening dit onderwerp regelt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Standplaatsen: uitstallingen op de weg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college van
                                        burgemeester en wethouders op of aan de weg, dan wel op een
                                        andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek
                                        toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander
                                                middel een standplaats in te nemen of</al></li></lijst></li></lijst><al>te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop
                                aan te bieden,</al><al>te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden;</al><al>b.anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze
                                te koop aan te bieden,</al><al>te verkopen of te verstrekken aan publiek.</al><al>2.Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat
                                daarop zonder vergunning</al><al>van het college van burgemeester en wethouders standplaats wordt of
                                is ingenomen of goederen</al><al>worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid.</al><al>3.Het in het eerste lid, onder b gestelde verbod geldt niet ten
                                aanzien van het uitgestald hebben</al><al>van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens
                                worden geopenbaard als</al><al>bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Alsdan geldt ook
                                het in het tweede lid gestelde</al><al>verbod niet.</al><al>4.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de
                                plaats die is aangewezen</al><al>voor het houden van een door de gemeenteraad ingestelde markt, zulks
                                gedurende de tijden dat</al><al>de markt gehouden wordt, of voor een evenement als bedoeld in
                                artikel 2.3.1.</al><lijst><li nr="5."><al>Een vergunning kan worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast;</al></li><li nr="c."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in
                                                verband met de omgeving niet voldoet aan</al></li></lijst></li></lijst><al>redelijke eisen van welstand;</al><lijst><li nr="d."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                        gemeente of in een deel der</al></li></lijst><al>gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van
                                de vergunning een</al><al>redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar
                                komt;</al><al>f.vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.</al><al>6. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt</al><al>voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het
                                Provinciaal</al><al>wegenverkeersreglement Zuid-Holland.</al><al>b.De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet
                                voorzover in het daarin geregelde</al><al>onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer;</al><lijst><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet
                                        voor bouwwerken.</al><lijst><li nr="7."><al>Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor
                                                een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag
                                                een activiteit betreft waarvoor tevens een
                                                vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet
                                                milieubeheer is vereist en indien geen toepassing
                                                kan worden gegeven aan het vijfde lid,</al></li></lijst></li></lijst><al>tot de dag waarop de beslissing over de
                                Wet-milieubeheervergunningaanvraag is genomen.</al><al>8.Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd nadere
                                regels te stellen, waarbij het</al><al>verbod van het eerste lid niet geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Venten en dergelijke</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester
                                en wethouders in de</al><al>uitoefening van de handel op of aan de weg, aan een huis dan wel op
                                een andere - al dan niet</al><al>met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de
                                openlucht gelegen plaats goederen</al><al>te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven dan wel diensten
                                aan te bieden.</al><lijst><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of
                                                afleveren van gedrukte of geschreven</al></li></lijst></li></lijst><al>stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld
                                in artikel 7, eerste</al><al>lid van de Grondwet;</al><al>b.voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van goederen
                                door - of door</al><al>huisgenoten of personeel van - hem die dit mede doet ter exploitatie
                                van zijn winkel, bedoeld</al><al>in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al><al>c.voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats
                                die is aangewezen voor</al><al>het houden van een door de gemeenteraad ingestelde markt, zulks
                                gedurende de tijden</al><al>waarop die markt gehouden wordt;</al><al>d.voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op
                                een standplaats</al><al>bedoeld in artikel 5.2.2.</al><al>3.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd op
                                de gronden als genoemd in</al><al>artikel 5.2.2, lid 5 onder de letters a, b, d en e.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><al>1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                                inrichtingen in de zin van de</al><al>Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te
                                hebben.</al><lijst><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                                dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                                geen afvastoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat
                                                geen gevaar, overlast of hinder voor de</al></li></lijst></li></lijst><al>omgeving oplevert.</al><al>3 Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al><al>4 De ontheffing kan worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde en veiligheid;</al></li><li nr="b."><al>ter bescherming van de woon- en leefomgeving;</al></li><li nr="c."><al>ter bescherming van de flora en de fauna.</al></li></lijst><al>5 Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                voorzien door artikel 429,</al><al>aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de
                                Provinciale milieuverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een daartoe door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek</al><al>buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.2</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><lijst><li nr="a."><al>(gemeentelijke) begraafplaatsen en
                                            crematoriumterreinen;</al></li><li nr="b."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="c."><al>overige door het college van burgemeester en wethouders
                                            aangewezen wegen en plaatsen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een besluit nemen
                                    waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere
                                    plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing
                                    plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan op verzoek van de
                                    nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere
                                    omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste
                                    lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                                    crematoriumterreinen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.3</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt door</al><al>derden.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>1.Overtreding van de artikelen van deze verordening en de krachtens deze
                            artikelen gegeven</al><al>voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden of</al><al>geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met
                            openbaarmaking van</al><al>de rechterlijke uitspraak.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet ten aanzien van
                            overtredingen van bij of krachtens de</al><al>artikelen 2.4.1, 2.4.2, 2.4.3, 2.4.4, 2.4.5, 2.4.6, 2.4.7, 2.4.8, 2.4.9.
                            2.4.10, 4.1.4 en 5.1.7 van deze</al><al>verordening gegeven voorschriften en beperkingen.</al><al>Overtreding van het bij of krachtens deze artikelen bepaalde wordt
                            gestraft met een geldboete</al><al>van de eerste categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college van burgemeester
                            en wethouders of de burgemeester aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2006.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend
                                    krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening 2001 blijven -
                                    indien en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of
                                    ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening
                                    en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog
                                    gedurende één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening
                                    van kracht.</al></li><li nr="2."><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de Algemene
                                    Plaatselijke Verordening 2001</al></li></lijst><al>blijven - indien en voorzover de bepalingen - ingevolge welke deze
                            voorschriften en bepalingen</al><al>zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voorzover zij niet
                            eerder zijn vervallen of</al><al>ingetrokken - nog gedurende één jaar na de inwerkingtreding van deze
                            verordening van kracht.</al><al>3.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om een</al><al>vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van de Algemene
                            Plaatselijke</al><al>Verordening 2001 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding
                            van deze verordening nog niet op die aanvrage is beslist, wordt daarop
                            de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening
                            toegepast.</al><lijst><li nr="4."><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
                                    vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid dan wel een
                                    voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of
                                    na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4 is ingekomen binnen de
                                    voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing
                                    van de Algemene Plaatselijke Verordening 2001.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                    vergunning of ontheffing - hoe ook</al></li></lijst><al>genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag
                            voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen
                            gebod of verbod vereiste, vergunning of</al><al>ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van
                            de in het eerste lid</al><al>genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al><al>6.Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing
                            vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in de Algemene
                            Plaatselijke Verordening 2001 zijn niet van</al><al>toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende zes maanden na het inwerking treden van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="b."><al>ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de
                                    vergunning of ontheffing</al></li></lijst><al>nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat
                            onherroepelijk op deze</al><al>aanvraag is beslist.</al><al>7.De intrekking van de de Algemene Plaatselijke Verordening 2001 heeft
                            geen gevolgen voor de</al><al>geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels en
                            aanwijzingsbesluiten,</al><al>indien en voorzover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn
                            gebaseerd ook vervat is</al><al>in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel "Algemene
                            Plaatselijke Verordening 2006".</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 19 december 2005,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING ALGEMEEN PLAATSELIJKE VERORDENING 2006</titel></kop><al><vet>Inleiding</vet></al><al><vet>APV 1998 en APV 2001</vet></al><al>In 1998 zijn in het voorstel tot vaststelling van de Algemene Plaatselijke
                    Verordening 1998 criteria</al><al>neergelegd als toets waaraan regels moeten voldoen, willen zij worden opgenomen
                    in de APV.</al><al>Deze criteria zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>de regeling heeft verband met het ordentelijk verloop van het moderne
                            maatschappelijke verkeer;</al></li><li nr="b."><al>de regeling is niet elders op vergelijkbare wijze gereguleerd;</al></li><li nr="c."><al>de regeling behoort niet tot de privaatrechtelijke verantwoordelijkheid
                            en bevoegdheid van de</al></li></lijst><al>burger;</al><lijst><li nr="d."><al>de regeling heeft niet – in hoofdzaak – een ondersteunende functie voor
                            opsporing van strafbare feiten;</al></li><li nr="e."><al>de regeling heeft niet alleen een symbolische waarde, maar ook
                            inhoudelijke betekenis;</al></li><li nr="f."><al>zogenaamde "vangnetartikelen"alleen opnemen waar niet regelen in
                            voorkomend (incidenteel)</al></li></lijst><al>geval ernstige gevolgen kan hebben;</al><lijst><li nr="g."><al>de regeling moet uitvoerbaar zijn: hierbij wordt gekeken naar de
                            hiervoor beschikbare capaciteit en bijbehorende kostenplaatje;</al></li><li nr="h."><al>de regeling moet toepasbaar/handhaafbaar zijn: hierbij is een
                            onderscheid gemaakt tussen</al></li></lijst><al>regelingen die vooral op het bestuurlijke vlak liggen en regelingen die met name
                    liggen op het</al><al>terrein van de politie.</al><al>Deze criteria zijn blijven gelden voor de Algemene Plaatselijke Verordening
                    2001.</al><al>Op 27 juni 2005 heeft van de gemeenteraad de motie "Versterking APV" aangenomen
                    waarbij het college wordt opgedragen met een voorstel te komen om de APV 2001
                    aan te passen en minimaal de door de heer Hoogeveen, voormalig hoofd
                    wijkpolitie, genoemde onderwerpen daarbij te betrekken.</al><al>Het college is hiertoe met een voorstel gekomen. Dit voorstel is in de
                    raadscommissie Algemene en Bestuurszaken d.d. 29 augustus 2005 behandeld. De
                    raadscommissie heeft ingestemd met het voorstel. Hierbij is geconstateerd dat de
                    motie wel tot gevolg heeft dat de hiervoor genoemde</al><al>uitgangspunten impliciet worden losgelaten.</al><al><vet>Vervanging APV 2001</vet></al><al>Een aantal ontwikkelingen heeft ertoe bij gedragen dat een aanpassing APV 2001
                    wenselijk c.q.</al><al>noodzakelijk was geworden. Ten eerste waren in de praktijk de "mazen" van de APV
                    2001 zichtbaar geworden. Ten tweede was de jurisprudentie aanleiding om op
                    verschillende terreinen een aantal artikelen van de APV 2001 aan te passen. Ten
                    derde stonden er redactionele omissies in de APV 2001. Ten vierde gaf de
                    voornoemde motie d.d. 27 juni 2005 van de gemeenteraad aanleiding een aantal
                    onderwerpen in de APV 2001 te regelen. Ten vijfde was in september 2005 uit het
                    Bestuurlijk Justitiëel Overleg (BJO) een verzoek gekomen tot wijziging van de
                    APV 2001.</al><al>De aard van de aanpassingen en wijzigingen bracht met zich mee dat artikelen in
                    de APV 2001</al><al>moesten worden toegevoegd, waardoor er met A en B nummers bij artikelen
                    (bijvoorbeeld 2.2.2.A en 2.2.2.B) zou moeten worden gewerkt. Ter wille van de
                    overzichtelijkheid en ter vermijding van verschrijvingen respectievelijk
                    versprekingen waardoor besluiten onjuist zouden zijn respectievelijk
                    misverstanden zouden ontstaan is er voor gekozen de APV 2001 te vervangen door
                    de APV 2006.</al><al>De technische en/of inhoudelijke wijzigingen in de APV 2006 ten opzichte van de
                    APV 2001 zijn</al><al>hieronder puntsgewijs vermeld.</al><al><cursief>Technische wijzigingen</cursief></al><al>8?Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg;</al><al>8?Straatartiest;</al><al>8?Evenementen;</al><al>8?Plak- en kladverbod;</al><al>8?Collectevergunning en textiel;</al><al>8?Begripsomschrijvingen vuurwerk;</al><al>8?Loslopende honden;</al><al>8?Overgangsbepaling sexinrichtingen;</al><al>8?Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en dergelijke;</al><al>8?Caravans en dergelijke;</al><al>8?Standplaatsen: uitstallingen op de weg;</al><al>8?Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te
                    stoken.</al><al><cursief>Nieuwe onderwerpen</cursief></al><al>8?Exploitatiestelsel horeca;</al><al>8?Terrassen;</al><al>8?Verbod bedelarij;</al><al>8?Drugshandel op straat;</al><al>8?Cameratoezicht op openbare plaatsen;</al><al>8?Verbod hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke overdekte en overkapte
                    plaatsen;</al><al>8?Verbod aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen ten
                    behoeve van</al><al>handelsreclame;</al><al>8?Gebod wegwerpen van reclame- of strooibiljetten;</al><al>8?Verbod verlies (vloei)stoffen uit of van voorwerpen van voertuigen;</al><al>8?Opslagverbod voertuigen, vaartuigen, stoffen enz.;</al><al>8?Verbod stankoverlast door voertuigen;</al><al>8?Verbod aantasting groenvoorzieningen door voertuigen;</al><al>8?Maken, veranderen van een uiteg;</al><al>8?Verblijfsontzeggingen.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Algemeen APV 2006</tussenkop><tussenkop>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</tussenkop><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt.</al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de</al><al>Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het
                    onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De
                    term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan
                    en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de
                    hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepalingen bij de artikelen in
                    de APV sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden
                    opgemerkt.</al><al>a.<cursief>Bouwwerk</cursief></al><al>Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de Bouwverordening van de
                    Gemeente Capelle</al><al>aan den IJssel.</al><al>b.<cursief>Handelsreclame</cursief></al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt</al><al>handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van
                    dit artikel</al><al>geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in artikel 7,
                    eerste lid, van de</al><al>Grondwet dat zich volgens constante jurisprudentie verzet tegen een
                    vergunningsstelsel voor de</al><al>verspreiding van gedrukte stukken e.d.</al><al>Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet
                    in de weg. Onder het begrip "reclame" dient te worden verstaan: iedere vorm van
                    openbare aanprijzing van</al><al>goederen en diensten. Door dit te beperken tot "handelsreclame" heeft de in het
                    vierde lid</al><al>geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële
                    doeleinden in de</al><al>ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten maar is
                    zij niet van</al><al>toepassing op reclame voor ideële doeleinden.</al><al>Bij handelsreclame staat dus een materiële doelstelling voorop. Uiteraard zal de
                    grens tussen</al><al>handelsreclame en reclame voor ideële doeleinden niet altijd even scherp zijn.
                    Het vorenstaande</al><al>betekent overigens niet dat handelsreclame niet beschermd wordt. Voorschriften
                    betreffende</al><al>handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten
                    kunnen doorstaan.</al><al>Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een
                    vergunningsstelsel.</al><al>Onder een "commercieel belang te dienen" moet mede worden begrepen: dienstig te
                    zijn tot koop</al><al>en verkoop. HR 11-05-1982, NJ 1983, 68</al><al>c.<cursief>Voertuigen</cursief></al><al>De verwijzing naar artikel 1, onder a en onder al (aa el), van het RVV 1990
                    voorkomt verwarring</al><al>over de inhoud van het begrip voertuigen. In artikel 1, onder a, worden
                    aanhangwagens</al><al>gedefinieerd als: voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of
                    kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers. In
                    artikel 1, onder al, worden als</al><al>voertuigen genoemd:, fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen,
                    trams en</al><al>wagens. De APV zondert van deze voertuigen uit: a. treinen en trams en b.
                    kruiwagens,</al><al>kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al><al>d.<cursief>Weg</cursief></al><al>De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op
                    (verboden)</al><al>gedragingen "op of aan de weg". De in artikel 1.1 gegeven omschrijving van "weg"
                    is ruimer dan</al><al>die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de
                    verschillende</al><al>provinciale wegenreglementen).</al><al>Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg":</al><al>a.de "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever
                    heeft gecreëerd</al><al>in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet
                    is dat</al><al>het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar
                    recht van</al><al>vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna);</al><al>b.de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor
                    het</al><al>openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak
                    om met</al><al>betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te
                    grijpen;</al><al>c.de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder
                    uiteenlopende</al><al>formuleringen - voorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van
                    Strafrecht en in de</al><al>algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim:
                    "openbare</al><al>wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar verkeer open staan", maar niet alle
                    voor het</al><al>openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de "voor het publiek
                    toegankelijke</al><al>plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige "voor het openbaar
                    verkeer</al><al>openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput.
                    Onder</al><al>"weg" in de APV vallen ook portieken.</al><al>Over de vier onderdelen van de omschrijving van het begrip "weg" in artikel 1.1
                    kan het volgende</al><al>worden opgemerkt:</al><tussenkop>Onderdeel 1</tussenkop><al>Teneinde verwarring te voorkomen wordt door de verwijzing de letterlijke tekst
                    van artikel 1 WVW</al><al>1994 overgenomen. In artikel 1, eerste lid, onder B, zijn wegen gedefinieerd
                    als: alle voor het</al><al>openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende
                    bruggen en</al><al>duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Ook de
                    daaraan liggende</al><al>en als zodanig aangeduide parkeerterreinen worden daaronder begrepen geacht. Om
                    iedere</al><al>twijfel weg te nemen is een expliciete verwijzing naar parkeerterreinen
                    gehandhaafd. Hiermee</al><al>worden bedoeld: alle als zodanig herkenbare parkeerterreinen die - al dan niet
                    tegen betaling -</al><al>toegankelijk zijn voor het publiek.</al><tussenkop>Onderdeel 2</tussenkop><al>Door opneming van de woorden "al dan niet met enige beperking" is buiten kijf
                    gesteld, dat</al><al>bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling van entreegeld,
                    er niet aan af</al><al>doen dat gesproken kan worden van "weg", indien de desbetreffende plaats in
                    feite voor het</al><al>publiek toegankelijk is.</al><tussenkop>Onderdelen 3 en 4</tussenkop><al>In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen,
                    portieken enz.,</al><al>die "uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven"
                    (onder 3) en andere</al><al>stoepen en trappen enz. (onder 4). De eerstbedoelde categorie valt alleen onder
                    het begrip "weg"</al><al>indien deze niet afsluitbaar zijn. Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen
                    enz. uitgezonderd</al><al>gehouden van het begrip "weg", óók indien het hek of de deur niet is afgesloten
                    ("afsluitbaar").</al><al>Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van afsluiting op zich
                    geen rol; het</al><al>feitelijk voor het publiek toegankelijk zijn, bepaalt of de APV van toepassing
                    is.</al><al>Bij deze categorie moet gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. In
                    recentelijk gebouwde</al><al>winkelcentra vindt men steeds meer kleine, veelal overdekte straatjes die voor
                    het doorgaande</al><al>verkeer nauwelijks een functie hebben. Sommige van deze bewust smal gehouden
                    doorgangen of "passages" worden gedurende de avond- en nachtelijke uren
                    afgesloten, omdat het uitoefenen</al><al>van toezicht alsdan onmogelijk is.</al><al>Ter verklaring van de zinsnede "die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is"
                    wordt het volgende</al><al>vermeld. Op de wegen in de zin van de Wegenwet kan het publiek vrijelijk
                    vertoeven omdat het</al><al>rechtens daartoe bevoegd is. In het bijzonder heeft de zakelijk gerechtigde op
                    de betrokken weg</al><al>niet de mogelijkheid hierin verandering te brengen. Bij andere wegen heeft de
                    term "openbaar"</al><al>slechts de betekenis van "feitelijk voor het publiek toegankelijk". Het publiek
                    heeft toegang tot</al><al>deze wegen krachtens gedogen van de zakelijk gerechtigde. Mits hij zich niet bij
                    overeenkomst</al><al>terzake heeft gebonden, is de zakelijk gerechtigde naar burgerlijk recht te
                    allen tijde bevoegd in</al><al>het gebruik van de weg door het publiek wijziging te brengen dan wel dit gebruik
                    te beëindigen.</al><al>Het mag duidelijk zijn dat in het geval de zakelijk gerechtigde het publiek de
                    toegang ontzegt, op</al><al>de desbetreffende weg de APV niet (meer) van toepassing is.</al><tussenkop>Op of aan de weg</tussenkop><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden)
                    gedragingen "op</al><al>of aan de weg". De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een zekere nabijheid
                    ten opzichte</al><al>van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open
                    ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich
                    binnenshuis bevindt of afspeelt.</al><al>Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de
                    Spoorwegwet en de</al><al>daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake
                    veiligheid,</al><al>orde en rust op en om stations.</al><tussenkop>Artikel 1.2 Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>Ofschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt wordt gehuldigd
                    dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is
                    in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing
                    ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan, verdient het uit een
                    oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel aanbeveling deze
                    bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in de regeling, ter uitvoering waarvan
                    vergunning of ontheffing wordt verleend. Daarbij dient tevens - ten overvloede -
                    te worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter
                    bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of
                    ontheffing is gesteld.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond</al><al>opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor
                    toepassing van andere</al><al>administratieve sancties. In artikel 1.4 is deze intrekkingsbevoegdheid
                    vastgelegd.</al><al>De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften een
                    bestuursrechtelijke sanctie kan</al><al>worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het
                    tweede lid van</al><al>artikel 1.2 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting,
                    wordt hierover alle</al><al>onzekerheid weggenomen.</al><al>Uiteraard is bestuursrechtelijke sanctie niet mogelijk, wanneer alleen
                    voorschriften zijn overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving
                    van de vergunning of ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden
                    met de bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de
                    vergunning of ontheffing is vereist.</al><al>In de in deze APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6.1) wordt
                    overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf
                    bedreigd. Daardoor is ook het overtreden van aan een vergunning of ontheffing
                    verbonden voorschriften met straf bedreigd.</al><tussenkop>Artikel 1.3 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</tussenkop><al>De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een
                    rechtsopvolger,</al><al>hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of
                    ontheffing.</al><al>Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging
                    uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager
                    (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs
                    van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet
                    overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend
                    hiertoe de mogelijkheid biedt.</al><al>Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het
                    object waarop zij</al><al>betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen
                    rol spelen. Anders</al><al>gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de
                    hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. Het kan ook een
                    andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De
                    zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder
                    algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar,
                    zakelijk gerechtigde, ondernemer enz.</al><al>Persoonlijke werking zal eerder aanwezig moeten worden geacht bij de ontheffing
                    dan bij de</al><al>vergunning. Indien in een regeling de ontheffingsfiguur gebruikt is, geeft dit
                    aan dat het de bedoeling van de wetgever is geweest slechts voor bijzondere
                    gevallen de mogelijkheid te creëren een uitzondering te maken op de algemene
                    regel.</al><al>Zou een ontheffing bij rechtsopvolging zonder meer "mee overgaan" op de
                    rechtsopvolger, dan zou daarmee aan de ontheffingsmogelijkheid het karakter van
                    uitzonderingsbepaling ontnomen worden.</al><al>Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld
                    in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Dit hangt samen met de omstandigheid
                    dat ingevolge deze wet voor het verkrijgen van een vergunning de nodige
                    diploma's moeten zijn gehaald.</al><al>Als een persoonlijke vergunning kunnen ook de standplaatsvergunning en de
                    ventvergunning worden beschouwd. Dit hangt samen zowel met het - persoonlijke -
                    karakter van de ambulante handel als met de omstandigheid dat het aantal
                    aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen veelal verre
                    overtreft, wat het bestuur noodzaakt een restrictief beleid te voeren. Het zou
                    onredelijk zijn als een standplaats- of ventvergunning zonder meer kan worden
                    overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst
                    staat.</al><al>Een zuiver voorbeeld van een zakelijke vergunning is de vergunning op grond van
                    de Wet</al><al>milieubeheer. Deze vergunning is van de persoon van de aanvrager of
                    vergunninghouder</al><al>onafhankelijk.</al><al>Indien in de verordening of in de vergunning is bepaald dat deze vergunning
                    persoonsgebonden is,</al><al>terwijl deze vergunning toch vooral verband houdt met de aard van het object
                    waarop zij betrekking heeft, zal deze vergunning weliswaar niet automatisch
                    overgaan op de rechtsopvolger doch aan hem in vele gevallen ook niet licht
                    geweigerd kunnen worden.</al><al>Zo is aan de exploitatievergunning voor horecabedrijven als bedoeld in artikel
                    2.7.2 een persoonlijk karakter toegekend. Bij het besluit tot weigeren van een
                    dergelijke vergunning i.v.m. aantasting van het woon- en leefklimaat zal niet
                    zonder meer voorbij gegaan kunnen worden aan het feit dat voorheen wel
                    vergunning aan een ander was verleend.</al><al>In de APV is in artikel 1.3 gekozen voor de persoonsgebondenheid van de
                    vergunning of ontheffing.</al><al>Hiervan kan worden afgeweken door toevoeging van de zinsnede "tenzij bij of
                    krachtens deze</al><al>verordening anders is bepaald" en expliciete vermelding van het zakelijk
                    karakter in de desbetreffende APV-bepaling of de vergunning of ontheffing.</al><al>Indien de vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                    rechtverkrijgende geldt,</al><al>verdient het aanbeveling het voorschrift op te nemen dat de houder ervan in
                    geval van rechtsovergang verplicht is hiervan binnen twee weken schriftelijk
                    mededeling te doen aan het bevoegde orgaan, met vermelding van de naam en het
                    adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.</al><al>Aldus blijft het bevoegde orgaan op de hoogte van de feitelijke houder van de
                    vergunning of</al><al>ontheffing.</al><tussenkop>Artikel 1.4 Intrekking of wijziging van vergunning of
                    ontheffing</tussenkop><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter</al><al>("kan").</al><al>Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt
                    overgegaan.</al><al>Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot
                    toepassing van de</al><al>administratieve sanctie van intrekking van de vergunning.</al><al>In de APV is in artikel 1.3 gekozen voor de persoonsgebondenheid van de
                    vergunning of ontheffing.</al><al>Indien de vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                    rechtverkrijgende geldt,</al><al>verdient het aanbeveling om onder e na 'houder' toe te voegen: of zijn
                    rechtverkrijgende.</al><tussenkop>Artikel 1.5 Termijnen</tussenkop><al>In artikel 145 van de Gemeentewet is bepaald dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                    tenzij in de verordening anders is bepaald.</al><al>Voorzover de APV termijnen bevat die in uren worden uitgedrukt, bepaald door
                    terugrekening vanaf een tijdstip of een gebeurtenis, is de Algemene termijnenwet
                    niet van toepassing. Artikel 1.5 bevat daartoe een terugrekeningsregeling die
                    voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende
                    feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan
                    om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te
                    beschikken.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Openbare orde en veiligheid</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Samenkomsten</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het begrip 'samenscholing' is ontleend aan artikel 186 WvSr: "Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt,
                    als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."</al><al>Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft
                    van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties (WOM)
                    moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd
                    worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde 'bevoegdheid' (tot het geven
                    van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor
                    regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden
                    ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden
                    toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde
                    voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het
                    strafbare feit.</al><al>De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van het bewezene. Indien de
                    rechter van oordeel is dat de politieambtenaar in zijn waardering van de
                    gedraging heeft misgetast, laat hij de</al><al>desbetreffende strafbepaling buiten toepassing. Het gaat hier om reeds
                    bestaande</al><al>politiebevoegdheden. Deze bevoegdheid kan gestoeld worden op de artikelen 2 en
                    12 Politiewet.</al><al>Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde
                    op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving der openbare orde begrepen is.
                    Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling
                    een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element
                    vormt.</al><al>De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en
                    186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De
                    sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling gegeven
                    politiebevel vindt plaats op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond
                    van artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk
                    bevel levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen
                    van artikel 186 WvSr.</al><tussenkop>Artikel 2.1.2 Optochten</tussenkop><al>Het houden van optochten, zoals carnavals en Sinterklaasoptochten,
                    bloemencorso's enz, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten
                    van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de
                    Grondwet of het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en
                    de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de
                    vrijheid</al><al>van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties
                    van toepassing.</al><al>In het belang van de openbare orde, bijvoorbeeld de verkeersveiligheid, is het
                    derhalve mogelijk om een regeling krachtens artikel 149 Gemeentewet in de APV op
                    te nemen.</al><tussenkop>Artikel 2.1.3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</tussenkop><al>Dit artikel vormt een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM). Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en
                    samenkomsten voor zover die op "openbare plaatsen" gehouden worden. Kortom,
                    bijeenkomsten waarbij het uiten van meningen, gedachten of gevoelens zoals is
                    bedoeld in de Grondwet centraal staat.</al><tussenkop>Collectieve uitingen</tussenkop><al>De WOM heeft betrekking op "collectieve uitingen". Individuele uitingsvormen
                    zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 van de Grondwet
                    maken het mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever achtte
                    daartoe geen behoefte aanwezig. Overigens genieten deze individuele uitingen wel
                    de bescherming van artikel 7 van de Grondwet. Van een collectieve uiting kan
                    volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen
                    deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8).</al><al>Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent
                    de WOM</al><al>uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 WOM).
                    Voor deze</al><al>activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.</al><tussenkop>Openbare plaats</tussenkop><al>In de WOM wordt “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens
                    bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid van
                    artikel 1 WOM is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten
                    plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet
                    (Godsdienstvrijheid).</al><al>Het betreft hier een algemene toegankelijkheid van de plaats zonder
                    belemmeringen. Iedereen moet er zonder meer kunnen komen. In dit verband kunnen
                    bijvoorbeeld stadions, postkantoren,</al><al>warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken niet als "openbare
                    plaatsen" worden</al><al>aangemerkt. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip "openbare
                    plaats".</al><al>Het openstaan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of vast
                    gebruik. De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de
                    plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de
                    plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat
                    wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die
                    bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogd. Voorbeelden
                    van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare
                    wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en de voor een ieder vrij
                    toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van
                    stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><tussenkop>Betoging</tussenkop><al>Het begrip betoging behoeft enige nadere toelichting. Blijkens de jurisprudentie
                    van de Hoge Raad kan van een "betoging" worden gesproken als:</al><lijst><li nr="-"><al>een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet
                            in beweging, en</al></li><li nr="-"><al>de groep er op uit is een mening uit te dragen.</al></li></lijst><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij een betoging gaat om
                    het uitdragen van gemeenschappelijke beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied (TK 1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie eisen
                    gesteld: meningsuiting, openheid en groepsverband.</al><al>Slechts een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                    bescherming. Bij de</al><al>parlementaire behandeling van artikel 9 van de Grondwet heeft de regering erop
                    gewezen, dat de</al><al>door haar gegeven karakterisering van het begrip "betoging" meebrengt dat
                    acties, waarvan de</al><al>hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt
                    en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens
                    derden, geen betogingen in de zin van artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het
                    geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen.</al><al>Een kennisgeving kan in principe elke dag worden gedaan. Echter het sturen van
                    bijvoorbeeld een fax op zaterdagochtend, wanneer het gemeentehuis gesloten is,
                    is niet voldoende. Artikel 2.1.4, tweede lid, geeft immers aan dat er vanwege de
                    burgemeester een bewijs van kennisgeving verstrekt moet worden, waarmee de
                    organisator (bijvoorbeeld ten opzichte van de politie) kan aantonen, dat
                    kennisgeving is gedaan. Bovendien moet de burgemeester in de gelegenheid zijn om
                    de kennisgeving te beoordelen. Hij zal bijvoorbeeld overleg moeten kunnen plegen
                    met de politie.</al><tussenkop>Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging</tussenkop><al>Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie
                    over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan
                    een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet
                    zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</al><tussenkop>Gemeentelijke bevoegdheden</tussenkop><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot
                    optreden</al><al>krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. Bij betogingen waarbij ernstige
                    vrees voor</al><al>verstoring van de openbare orde bestaat of de verstoring daadwerkelijk
                    plaatsvindt, kan de</al><al>burgemeester derhalve bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de
                    noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou
                    in het uiterste geval zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen
                    inhouden. Op de strekking en reikwijdte van artikel 175 en 176 Gemeentewet is
                    tijdens de parlementaire behandeling en in de literatuur uitgebreid ingegaan.
                    Door de staatssecretaris is tijdens de mondelinge behandeling van dit
                    wetsontwerp in de Eerste Kamer opgemerkt: 'De gevallen waarin de
                    noodbevoegdheden van de burgemeester kunnen worden toegepast, staan in een
                    logisch verband met de gronden krachtens welke grondrechten als hier aan de orde
                    mogen worden beperkt. De burgemeester heeft dus in de noodsituaties, bedoeld in
                    de artikelen 175 en 176, grondwettelijk de bevoegdheid om grondrechtbeperkende
                    bevelen te geven ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het
                    verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.'</al><al>Een voorschrift, verbod of beperking van de burgemeester mag geen betrekking
                    hebben op de inhoud van hetgeen wordt betoogd of beleden.</al><al>Een betoging mag slechts in dwingende situaties preventief worden verboden. Zo’n
                    beperking van het recht van demonstraties kan in beginsel niet gelegen zijn in
                    de overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover deelnemers aan een
                    betoging de verstoring van de openbare orde tot gevolg zullen hebben.</al><al>Verder wordt aangegeven dat ook uit de toepassingshistorie van de artikelen 219
                    en 220 van de oude gemeentewet volgt dat de noodbevoegdheden passen in het kader
                    van de beperkingsregelingen van grondrechten.</al><tussenkop>Artikel 2.1.4 Te verstrekken gegevens</tussenkop><al>De onder a tot en met f genoemde onderdelen van de kennisgeving zijn essentieel
                    voor de</al><al>beoordeling door de burgemeester. Eventueel kan hiervoor een formulier worden
                    vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 2.1.5 Straatartiest</tussenkop><al>De activiteiten van de straatartiest, vallen onder de werking van artikel 7,
                    derde lid, Grondwet. De</al><al>betekenis van het begrip 'openbaren van gedachten of gevoelens' moet blijkens de
                    jurisprudentie en blijkens de toelichting op artikel 7 Grondwet haast
                    grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen,
                    ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7
                    Grondwet beschermd. Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door zijn formulering
                    (niemand heeft voorafgaand verlof nodig op basis van de inhoud) een verbod toe
                    voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de
                    verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden
                    tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een
                    straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud
                    van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de
                    beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het
                    best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid,
                    Grondwet zijn toegelaten.</al><al>De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de
                    Gemeentewet.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Bruikbaarheid van de weg</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.2.1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    kan gedacht worden aan het plaatsen van reclameborden of containers.</al><tussenkop>Eerste en tweede lid</tussenkop><al>Bij de term ‘overeenkomstig de publieke functie’ gaat het er niet om welke
                    bestemming er op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan geldt, maar
                    om welke functie de weg of het</al><al>weggedeelte heeft. Plaatst iemand voorwerpen op de weg, zoals bijvoorbeeld
                    goederen, kisten, afval, bouwmaterialen of meubilair, dan wordt daardoor een
                    gebruik van de (openbare) weg gemaakt dat de algemene gebruikswaarde als
                    verkeersbaan aantast. Hierdoor is een vorm van gebruik aanwezig welk beslag legt
                    op de weg als object ten nadele van het algemeen openstaand gebruik. Dit raakt
                    wel de bruikbaarheid van de weg zelf, waarvoor de beheerder (de gemeente) van de
                    weg heeft te verzorgen.</al><al>Waar de weg wordt gebruikt dat inherent is aan zijn andere functie dan
                    verkeersbaan (ter plaatse) geldt dat dit gebruik aanvaardt dient te worden. Het
                    gaat hier normaliter om een veelheid van gebruikers, die vanuit een bepaalde
                    kwaliteit in relatie tot de functie de mogelijkheid hebben om dat (functionele)
                    gebruik van die weg te maken. Zo kan bijvoorbeeld zonder APV-vergunning door
                    winkeliers op de weg die tevens de functie van winkelstraat heeft beperkte
                    uitstallingen worden neergezet, voor zover deze uitstallingen niet worden
                    bestreken door artikel 5.2.2 van de APV (standplaatsen). Dit laat onverlet dat
                    aan gemeentelijk grondgebruik door gemeente een</al><al>overeenkomst met voorwaarden onder andere ten behoeve van de veiligheid van de
                    weg wordt</al><al>geëist. Het spreekt voor zich dat er geen privaatrechtelijke gevolgen verbonden
                    mogen zijn aan de ingevolge de verordening toegestane gebruiksmogelijkheden. Met
                    andere woorden het gebruik mag niet worden geweigerd. Het kan wel worden
                    gereguleerd.</al><al>Waar de weg wordt gebruikt dat inherent is aan zijn andere functie dan
                    verkeersbaan (ter plaatse) geldt niet dat dit gebruik aanvaardt dient te worden
                    als het gebruik weliswaar verbonden is met de functie van de weg, doch de wijze
                    waarop dat gebruik gestalte krijgt een belangrijke invloed heeft op het object
                    weg (het weglichaam) zelf en de gerechtigheid tot dat gebruik aan een bepaalde
                    (rechts)persoon toekomt, zoals bij gas, water- en electriciteitsleidingen het
                    geval is. Ook hier geldt het privaatrecht ten volle naast het publiekrecht.</al><tussenkop>Derde lid, onder e</tussenkop><al>Dit artikel is niet van toepassing op handelsreclame op een onroerende zaak. Op
                    deze</al><al>handelsreclame is artikel 4.2.1. van toepassing. Artikel 2.2.1 is van toepassing
                    op roerende zaken waarop handelsreclame is aangebracht.</al><al>Tevens is het artikel van toepassing op reclame-uitingen waarbij gedachten en
                    gevoelens worden</al><al>geopenbaard. Aan een vergunningenstelsel voor reclame voor ideële doeleinden
                    staat echter artikel 7 van de Grondwet, regelende de vrijheid van meningsuiting,
                    in de weg. In artikel 2.2.1, tweede lid, onder e, wordt dan ook een uitzondering
                    gemaakt voor ideële reclame op de verbodsbepaling van het eerste lid. Wel kan
                    het verboden worden om de ideële reclame op bepaalde plaatsen, zoals beschreven
                    in het derde lid, aan te brengen.</al><tussenkop>Derde lid, onder f</tussenkop><al>Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van
                    artikel 2.3.2, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel
                    2.2.1. Het tweede lid, onder f coördineert het voorkomen van een samenloop van
                    beide vergunningen. In het kader van een vergunning voor een evenement kan
                    immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd. Dit laat echter onverlet
                    dat voor het plaatsen van aankondigingsborden voor het evenement wel een
                    vergunning op basis van artikel 2.2.1 is vereist.</al><tussenkop>Derde lid, onder g</tussenkop><al>Het in artikel 2.2.1 bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor
                    terrassen behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester
                    vergunning is verleend op grond van artikel 2.11.2.</al><al>Een dergelijk terras maakt blijkens de definitie in artikel 2.11.1 deel uit van
                    dat bedrijf. Daarom is in het tweede lid, onder g een afbakeningsbepaling
                    opgenomen. In de APV is voor een terras behorend bij een horecabedrijf
                    aansluiting gezocht bij het exploitatievergunningenstelsel, overeenkomstig de
                    vergunning op grond van de Drank- en Horecawet voor het schenken van
                    alcoholische dranken.</al><al>In de gevallen van terrassen die niet vallen onder het
                    exploitatievergunningenstelsel, maar wel</al><al>behoren bij een voor het publiek openstaande gebouw, zal de toetsing van een
                    vergunningsaanvraag, rechtstreeks gebaseerd moeten zijn op art. 174 Gemeentewet.
                    Bestaat de wens om toch een vergunning te geven op grond van art. 2.2.1 dan moet
                    men attent zijn op het feit dat het in dit artikel niet gaat om openbare
                    orde-aangelegenheden, maar om hinder, gevaar of ontsiering door voorwerpen of
                    stoffen op, aan of boven de weg of een weggedeelte. Dit houdt in dat op grond
                    van deze bepaling geen voorwaarden kunnen worden gesteld i.v.m. de openbare
                    orde. Dit zal dan moeten gebeuren op grond van artikel 174 Gemeentewet. Op grond
                    van artikel 174 Gemeentewet blijft de burgemeester – ook bij toepassing van
                    artikel 2.2.1 – op grond van jurisprudentie het bevoegd gezag. Voor de
                    duidelijkheid: het gaat hier om een terras dat behoort bij een voor het publiek
                    openstaand gebouw.</al><al>In het geval een terras niet valt onder artikel 2.11.2. (horecabedrijf of voor
                    het publiek openstaand</al><al>gebouw ) en het terras is gelegen op de weg of een weggedeelte kunnen alleen de
                    in artikel 2.2.1</al><al>bedoelde eisen worden gesteld en is het college het bevoegd gezag.</al><al>Het doel van artikel 2.2.1 houdt in dat aan het gebruik van een terras dat niet
                    op de weg of een</al><al>weggedeelte is gelegen, geen voorwaarden kunnen worden gesteld op grond van dit
                    artikel.</al><tussenkop>Derde lid, onder h.</tussenkop><al>Het tweede lid, onder h, maakt tenslotte een uitzondering voor standplaatsen
                    waarop artikel 5.2.2 van toepassing is.</al><tussenkop>Zevende lid, onder b</tussenkop><al>Gedragingen waarop artikel 2.2.1 zien, kunnen onder de reikwijdte van artikel 5
                    van de WVW 1994 vallen. Dit artikel bepaalt dat het voor een ieder verboden is
                    zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, zoals
                    omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is dus voor zover artikel
                    2.2.1 niet van toepassing. Omdat het hier over gevaar op de weg gaat, is het
                    artikel gekoppeld aan de weigeringsgrond van artikel 5, onder b. </al><tussenkop>Zevende lid, onder c</tussenkop><tussenkop>Waarom hier van bouwwerken wordt gesproken?</tussenkop><al>Op 1 januari 2003 is het bouwvergunningstelsel van de Woningwet gewijzigd. Er
                    zijn twee soorten bouwwerken: vergunningsplichtige (lichte- en reguliere
                    bouwvergunningen) en vergunningsvrije. De meldingsplicht is verdwenen. Op de
                    vergunningsplichtige bouwwerken vindt een preventieve welstandstoets plaats.
                    Repressief welstandstoezicht rust zowel op bouwvergunningsplichtige als
                    bouwvergunningsvrije bouwwerken. De Gemeente moest een welstandsnota hebben
                    vastgesteld om na 1 juli 2004 (preventief of repressief) welstandstoezicht te
                    kunnen (blijven) uitoefenen. Alle bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn dus
                    onderhevig aan welstandstoetsing.</al><tussenkop>Zevende lid, onder d.</tussenkop><al>De Wet milieubeheer is van toepassing als een voorwerp op de weg wordt geplaatst
                    dat een inrichting in de zin van deze wet is, zoals een container. De Wet
                    milieubeheer en de daarop gebaseerde</al><al>voorschriften zijn aan het belang van voorkoming of beperking van overlast,
                    genoemd als</al><al>weigeringsgrond in artikel 6, onder c, gekoppeld.</al><tussenkop>Artikel 2.2.2 Maken, veranderen van een uitweg</tussenkop><al>Uit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat de
                    eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de
                    jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld
                    in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de
                    instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Artikel 2.2.2 beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen
                    creëert. Dat zou de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de
                    kant van de weg) te veel belemmeren.</al><al>Ten aanzien van het stellen van financiële voorwaarde aan een uitwegvergunning
                    is uit jurisprudentie op te maken dat dit op zich zelf wel toelaatbaar is,
                    indien die voorwaarde strekt ter behartiging van het belang waarvoor het
                    vergunningvereiste is gesteld, bijvoorbeeld de vrijheid van het verkeer, de
                    veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet
                    worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                    derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Een uitwegvergunning kan slechts worden geweigerd op basis van een van de
                    weigeringsgronden in de verordening.</al><al>Ten einde de bruikbaarheid van de weg te waarborgen is het toegestaan een
                    vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop wordt uitgeweegd te
                    regelen. Daarmee komt de bepaling niet in strijd met de Wegenwet. Deze wet houdt
                    o.a. een regeling in ter zake van de onderhoudsplicht van wegen en ziet niet toe
                    op de bescherming van de bruikbaarheid ervan. Als voorschrift aan de vergunning
                    kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd worden.</al><al>Een weigeringsgrond die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld,
                    strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet.</al><al>Hetzelfde geldt ten aanzien van de weigeringsgrond die in het belang van de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt gesteld.</al><al>De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld
                    gebruikt worden ter weigering van het maken van een uitweg als daarbij een
                    (gedeelte van) een gemeentelijk plantsoen moet wijken. Ook kunnen ter
                    bescherming van groenvoorzieningen aan de vergunning voorschriften worden
                    verbonden, zodat de groenvoorziening zo min mogelijk wordt aangetast.</al><tussenkop>Artikel 2.2.3 Winkelwagentjes</tussenkop><al>Deze bepaling tracht het 'zwerfkarrenprobleem' enigszins te verkleinen door de
                    winkelbedrijven te</al><al>verplichten de door de consument gebruikte en achtergelaten winkelwagentjes
                    terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te
                    brengen</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de</al><al>Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het
                    onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De
                    term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan
                    en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de
                    hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het tweede lid
                    sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Toezicht op evenementen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.3.1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>In artikel 2.3.1 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten
                    aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen
                    geldend criterium ('namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak') wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de
                    werking van de bepalingen valt.</al><lijst><li nr="a."><al>In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen. Deze
                            voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt.</al></li><li nr="b."><al>Indien het college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder
                            h, van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de
                            gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening.</al></li><li nr="c."><al>De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtsregime.</al></li><li nr="d."><al>Dansen in een Drank en Horecawet-inrichting is uitgezonderd van het
                            evenementenbegrip omdat</al></li></lijst><al>dit bezwaarlijk als een evenement kan worden gezien. Een andere, meer
                    incidenteel</al><al>plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijv. het
                    optreden van een band,</al><al>een houseparty of een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt.</al><lijst><li nr="e."><al>Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de
                            WOM.</al></li><li nr="f."><al>Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd de
                            artikelen 2.1.2.</al></li></lijst><al>(Optochten) en 2.1.5 (Straatartiest). Dit gebeurt uiteraard om dubbele
                    regelgeving te voorkomen.</al><al>Voorbeelden van evenementen die onder de omschrijving vallen, maar niet
                    expliciet in het artikel zijn genoemd omdat ze wel als vermaak kunnen worden
                    beschouwd, zijn circussen,</al><al>vuurwerkevenementen (groot vuurwerk), houseparty's, voetbalwedstrijden, enz. Ook
                    een</al><al>vechtevenement, meestal aangeduid als een kooigevecht, is aan te merken als een
                    evenement en niet als een sportwedstrijd.</al><tussenkop>Artikel 2.3.2 Evenement</tussenkop><tussenkop>Voorschriften</tussenkop><al>De vraag of de burgemeester bevoegd is voorschriften te verbinden aan het houden
                    van een</al><al>evenement moet bevestigend worden beantwoord. Wij hebben hier immers te maken
                    met een hem toekomende vrije beschikkingsbevoegdheid. Voor de toelaatbaarheid
                    van de voorschriften geldt een aantal voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>De voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke
                            regeling.</al></li><li nr="b."><al>De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het
                            voorkomen van aantasting</al></li></lijst><al>van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid.</al><al>c.De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van behoorlijk
                    bestuur.</al><al>Zie verder de toelichting bij artikel 1.2 van de APV.</al><tussenkop>Paragraaf 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.4.1 Plakken en kladden</tussenkop><al>Het verbod van het eerste en tweede lid, onder a, betreft ook het ‘doen’
                    plakken, bekrassen en</al><al>bekladden of het op andere wijze ‘doen’ aanbrengen van aanplakbiljetten. De
                    praktijk, maar ook de jurisprudentie, heeft hiertoe aanleiding gegeven. Onder
                    ‘doen’ aanplakken verstaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    het geven van opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee
                    hebben.</al><al>Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele
                    verstrekken van</al><al>aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen; het
                    alleen maar niet</al><al>tegengaan van het aanplakken; het op internet plaatsen van posters die men voor
                    eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder dat eigen gebruik mede wordt
                    verstaan het hangen van posters in de stad.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term 'bekladden' ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><tussenkop>Doen plakken of doen aanbrengen</tussenkop><al>Het is een te ruime uitleg om ‘doen’ aanbrengen zo uit te leggen dat dit mede
                    inhoudt het niet</al><al>tegengaan dat van een persoon afkomstig reclamemateriaal wordt aangeplakt. Er is
                    geen sprake van opdracht of een actieve bemoeienis van die persoon.</al><al>Als betrokkene een derde of derden opdracht heeft gegeven tot het aanbrengen van
                    aanplakbiljetten of anderszins actieve bemoeienis heeft gehad met het
                    aanplakken, is deze verantwoordelijk voor het</al><al>aanbrengen van aanplakbiljetten. Het door het enkele verstrekken van
                    aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen, is
                    onvoldoende.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Een projectie van een lichtreclame is te beschouwen als een andere wijze van
                    aanbrengen dan</al><al>aanplakken van een afbeelding of aanduiding als bedoeld in de APV. Vz.ARRS 13 12
                    1992, JG</al><al>93.0261 , Gst. 1993, 6965, 3 m.nt EB.</al><tussenkop>Artikel 2.4.2 Vervoer plakgereedschap e.d.</tussenkop><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in artikel 2.4.1 opgenomen
                    aanplakverbod vergroot.</al><al>Het tweede lid van de bepaling dient aldus te worden verstaan dat de
                    omstandigheid dat de in het</al><al>eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd of gebezigd voor
                    handelingen, welke ingevolge de voorgaande bepaling zijn verboden, een
                    rechtvaardigheidsgrond oplevert. Het bepaalde in het tweede lid strijdt niet met
                    het in artikel 6, tweede lid, EVRM neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen
                    wie een strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen
                    en dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de
                    gelegenheid is geboden zich te verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag
                    aanmerken.</al><al>Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van
                    Strafvordering en is</al><al>evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met enig tot de algemene
                    rechtsbeginselen te rekenen beginsel van strafprocesrecht.</al><al>Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk
                    gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of
                    er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 2.4.3 Vervoer inbrekerswerktuigen</tussenkop><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken.</al><tussenkop>Artikel 2.4.4 Hinderlijk gedrag op of aan de weg</tussenkop><al>Op basis van artikel 2.4.4 (en artikel 2.4.6) kan tegen vormen van onnodige
                    hinder of overlast worden opgetreden.</al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de</al><al>Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het
                    onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De
                    term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan
                    en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de
                    hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het tweede lid
                    sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt reeds 'straatschenderij'
                    strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg
                    met straf bedreigt.</al><al>Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men
                    kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat
                    men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor een ieder verboden
                    is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip weg uit artikel 2.4.4 gaat verder dan het
                    begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de toelichting
                    op artikel 1.1). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als
                    omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2.4.4 niet van
                    toepassing. Wordt dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving
                    strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><tussenkop>Artikel 2.4.5 Hinderlijk drankgebruik</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Hoewel de "gebiedsaanwijzing" een effectief middel is ter bestrijding van
                    overlast in gebieden waar zich regelmatig groepen ophouden, bestaat daarnaast
                    behoefte aan een verbodsbepaling die zich richt tegen hinderlijk drankgebruik in
                    het algemeen in de openbare ruimte. Hiermee kunnen overlastverschijnselen worden
                    bestreden die niet tot bepaalde plaatsen beperkt zijn of waarvoor het instellen
                    van een totaal verbod op het gebruik of bezit van alcohol vooralsnog als een te
                    zwaar middel moet worden beschouwd. Hierbij kan gedacht worden aan gevallen van
                    excessieve hinder van op straat drinkende personen tijdens een evenement of aan
                    overlast door verspreidingseffecten uit gebieden waar wel een alcoholverbod in
                    ingesteld. Om deze reden is in een nieuw eerste lid een generiek verbod
                    opgenomen op grond waarvan kan worden opgetreden in geval van overlast.</al><al>Het begrip weg wordt in artikel 1.1. van de APV ruim gedefinieerd. Onder dit
                    begrip vallen onder meer alle plaatsen die vrij voor publiek toegankelijk
                    zijn.</al><tussenkop>Tweede lid/derde lid</tussenkop><al>Toepassing van het tweede lid blijft beperkt tot door de burgemeester aangewezen
                    gebieden. In het tweede lid is een verbod opgenomen om in een bepaald door de
                    burgemeester aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of
                    aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit
                    verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een
                    horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van
                    artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats
                    waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><tussenkop>Omvang gebied</tussenkop><al>Er kan slechts een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het is niet
                    mogelijk het</al><al>grondgebied van de gehele gemeente aan te wijzen. Dit zou de verordenende
                    bevoegdheid te boven gaan. Er dient namelijk wel een aanleiding te zijn waarom
                    een bepaald gebied aangewezen wordt. Er dient gerechtvaardigde vrees te bestaan
                    voor aantasting van de openbare orde, of reeds sprake te zijn geweest van
                    aantasting van de openbare orde. Dit kan nooit het geval zijn voor het gehele
                    grondgebied van de gemeente. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in
                    het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast van deze aard
                    veroorzaakt wordt. Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de
                    personen in de richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de
                    gemeente zal plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg
                    waarschijnlijk zijn, omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen door
                    hun aantrekkelijke karakter mede bepalend voor het verschijnsel zijn. Wanneer
                    echter toch andere plaatsen als pleisterplaatsen worden uitverkoren, kan de
                    burgemeester alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een aanwijzingsbesluit
                    nemen.</al><tussenkop>Verstoring openbare orde</tussenkop><al>Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 2
                    en 12 van de</al><al>Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven. Niet naleving daarvan is
                    strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts zal in
                    een aantal gevallen (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden
                    stukgegooid) optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek
                    van Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de
                    praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan een rechtsgrond
                    zoals genoemd dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de
                    'voorfase' - dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt. Het
                    gaat om het verbieden van bij zich hebben van geopende flesjes alcoholhoudende
                    drank. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente te boven om
                    te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich
                    te dragen.</al><tussenkop>Artikel 2.4.6 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</tussenkop><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.4.4
                    (Hinderlijk gedrag op of aan de weg).</al><tussenkop>Artikel 2.4.7 Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</tussenkop><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten</al><al>zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar
                    vervoermiddel tegen te</al><al>gaan. In deze bepaling wordt het woord 'ruimte' gebruikt ter onderscheiding van
                    het in de APV</al><al>voorkomende begrip 'weg'. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de
                    vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft,
                    is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</al><al>Het ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede 'zonder redelijk
                    doel of op voor</al><al>anderen hinderlijke wijze' in de bepaling tot uitdrukking gebracht.</al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende.</al><al>De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het
                    belang van de</al><al>handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen,
                    mede om de eigendommen van derden te beschermen.</al><tussenkop>Artikel 2.4.8 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke overdekte
                    en overkapte plaatsen</tussenkop><al>Deze bepaling is opgesteld om overlast door misbruik van bepaalde, voor het
                    publiek toegankelijke overdekte en overkapte plaatsen zoals viaducten, tunnels
                    en bruggen tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord "plaatsen" gebruikt
                    ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip 'weg'.</al><al>Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het
                    publiek toegankelijke plaats de bepaling het oog heeft, is bij wijze van
                    voorbeeld een aantal plaatsen concreet genoemd.</al><al>Het ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede 'zonder redelijk
                    doel of op voor</al><al>anderen hinderlijke wijze' in de bepaling tot uitdrukking gebracht.</al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende.</al><al>De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het
                    belang van de</al><al>handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen,
                    mede om de eigendommen van derden te beschermen.</al><tussenkop>Artikel 2.4.9 Overlast van fiets of bromfiets en dergelijke</tussenkop><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen</al><al>worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht.</al><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    winkelcentra of andere plaatsen, als deze door het college is aangewezen als een
                    voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd.</al><al>Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar
                    gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 2.4.10 Loslopende honden</tussenkop><al>Artikel 2.4.10 beperkt in aangewezen gebieden het loslopen van honden in twee
                    situaties: op de weg (door de omschrijving van het begrip 'weg' vallen hieronder
                    ook parken en plantsoenen), zonder dat de hond aangelijnd is, en op
                    kinderspeelplaatsen e.d.</al><al>Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en
                    bestrijding van overlast ten grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de
                    volgende bedoelingen:</al><al>a.de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar
                    kan worden</al><al>gebracht;</al><lijst><li nr="b."><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al></li><li nr="c."><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al></li><li nr="d."><al>het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden,
                            zandbakken, e.d.);</al></li><li nr="e."><al>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                            loslopende honden</al></li><li nr="f."><al>andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven
                            staan.</al></li></lijst><al>Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de
                    hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten.
                    Het betreft hier onder andere de eigenaren van blinde c.q. sociale
                    geleidehonden. In de lijn van reeds bestaande jurisprudentie is voor deze
                    situatie in het tweede lid een voorziening getroffen.</al><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden
                    aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de
                    honden gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college
                    aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te
                    achterhalen is.</al><al>Men zal daarbij artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming analoog kunnen
                    toepassen. Het eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de
                    bevoegdheid honden en katten op te vangen die 's nachts elders dan op het erf
                    van de eigenaar of houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid
                    van artikel 4 bepaalt dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet
                    berichten van een en ander en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende
                    14 dagen na de datum van het bericht op te halen.</al><al>Het ter plaatse doden van loslopende honden en katten is geregeld in artikel 4,
                    eerste lid, onder b, van de Wet op de dierenbescherming. De mogelijkheid van het
                    ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt in twee opzichten
                    beperkt:</al><al>a.De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven of in
                    het veld</al><al>bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is.</al><al>b.Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste staan.</al><al>De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie en de
                    door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van
                    politie.</al><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                    vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente
                    moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging
                    van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven
                    door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de
                    kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is
                    de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                    mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken.
                    De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging
                    onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige
                    redenen is vereist.</al><al>Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier
                    niet is verloren,</al><al>bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van
                    eigenaar of erf, is er geen sprake van een 'gevonden dier'.</al><al>Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend bedoeld. De
                    gemeentelijke</al><al>wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het geheel niet
                    regelen.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Het college dient het onaangelijnd zijn van de hond te gedogen in verband met de
                    functie van de hond als signaal- of dovengeleidehond. Vz.ARRS 20-07-1993, JG
                    94.0055 , AB 1994, 454.</al><tussenkop>Artikel 2.4.11 Verontreiniging door honden</tussenkop><al>Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot
                    de zogenaamde</al><al>verontreinigingsdelicten, welke vatbaar zijn voor transactie door de politie. De
                    strafbaarheid wordt</al><al>opgeheven indien de uitwerpselen direct worden verwijderd. Al zal de handhaving
                    (betrapping op</al><al>heterdaad) moeilijkheden opleveren, men mag hopen dat er op den duur preventieve
                    invloed van</al><al>deze bepaling uit zal gaan ter inperking van het onfatsoen van
                    hondenbezitters.</al><tussenkop>Artikel 2.4.12 Gevaarlijke honden</tussenkop><al>Voorzover het gevaar van een hond voortvloeit uit een besmettelijke dierziekte
                    zoals hondsdolheid, dient de burgemeester op grond van artikel 21 Gezondheids-
                    en welzijnswet voor dieren de maatregelen te nemen die hem door of vanwege het
                    ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij worden opgedragen ter
                    voorkoming van - verdere - besmetting.</al><al>Welke maatregelen dit zijn is te vinden in artikel 22 van genoemde wet. Onder
                    meer kan worden</al><al>bevolen dat honden moeten worden voorzien van een muilkorf. De voorschriften met
                    betrekking tot muilkorven zijn geregeld in de Regeling betreffende maatregelen
                    ter voorkoming van overbrenging besmetting (Stcrt. 1996, 61). Overigens dient de
                    burgemeester zodra hij in kennis is gesteld van een verdenking van een
                    besmettelijke dierziekte hiervan terstond de inspecteur-districtshoofd
                    Veterinaire dienst en de Veterinaire Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid op
                    de hoogte te stellen. Artikel 27 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren geeft
                    de burgemeester de bevoegdheid om een bevel uit te vaardigen dat de door hem
                    aangewezen dieren moeten worden vastgelegd of opgesloten ter bestrijding van
                    besmettelijke dierziekten. Dieren die ondanks het bevel niet zijn vastgelegd of
                    opgesloten mogen op last van de burgemeester worden gedood.</al><tussenkop>Artikel 2.4.13 Bedelarij</tussenkop><al>Bij tijd en wijle ondervindt men hinder van bedelaars bij de winkelcentra.
                    Wanneer men door een</al><al>bedelaar wordt benaderd, ervaart een deel van de betrokkenen dit als bedreigend.
                    Van de bedelaars, die actief zijn, gedraagt een aantal zich hinderlijk (volgen,
                    aanklampen, de weg versperren e.d.) waardoor ergernis en overlast ontstaat bij
                    voorbijgangers.</al><al>Omdat de strafbaarstelling van bedelarij in 2000 uit het Wetboek van Strafrecht
                    is verdwenen beschikt de politie thans nauwelijks over middelen om dit probleem
                    aan te pakken.</al><al>Zolang geen strafbare feiten worden begaan, bleef het bij een waarschuwing en
                    het wegsturen van de betrokkene, wat doorgaans weinig effect sorteert. Daarbij
                    zijn veel bedelaars bekend met het afschaffen van het verbod en zij gedragen
                    zich daar ook naar. Om adequaat tegen bedelarij en de daarmee samenhangende
                    overlast te kunnen optreden, is na gebiedsaanwijzing deze gedraging alsnog in de
                    APV verboden en strafbaar gesteld.</al><al>Blijkens de toelichting op het schrappen van artikel 432 uit het Wetboek van
                    Strafrecht heeft de</al><al>wetgever de mogelijkheid hiertoe in het belang van de openbare orde
                    opengehouden. Het verbod in dit artikel heeft betrekking op bedelen om geld of
                    andere zaken. De hinder en overlast die daarmee gepaard gaat kan bijvoorbeeld
                    bestaan uit:</al><lijst><li nr="-"><al>het zich opdringen aan passanten;</al></li><li nr="-"><al>het aanklampen van passanten;</al></li><li nr="-"><al>het hinderen c.q. versperren van de doorgang van passanten;</al></li><li nr="-"><al>het volgen van passanten;</al></li><li nr="-"><al>het intimideren van passanten.</al></li></lijst><al>Deels zijn dergelijke gedragingen op zichzelf verboden in artikel 2.4.4 APV en
                    artikel 426bis Wetboek van Strafrecht. Dat geldt echter niet voor het bedelen an
                    sich terwijl dit, zoals gezegd, wel als hinderlijk en overlastgevend wordt
                    ervaren.</al><al>Het verbod heeft specifiek betrekking op het bedelen om geld of andere zaken.
                    Dit verbod heeft</al><al>nadrukkelijk geen betrekking op het voortbrengen van straatmuziek en de verkoop
                    van de Straatkrant.</al><al>In deze bepaling is gekozen voor een constructie waarin het college de
                    bevoegdheid heeft om</al><al>gebieden aan te wijzen waar het verbod van kracht is. Wanneer er naar het
                    oordeel van het college sprake is van overlast kan zij het verbod voor een
                    bepaalde tijdsduur activeren. Het verbod om te bedelen is dan ook niet
                    voortdurend of op de gehele stad van toepassing.</al><tussenkop>Paragraaf 5 Vuurwerk</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Deze paragraaf geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van
                    consumentenvuurwerk rond en</al><al>tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002,
                    houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                    (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002
                    (grotendeels) in werking getreden.</al><al>Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het Vuurwerkbesluit Wet
                    milieugevaarlijke</al><al>stoffen waarbij zowel de regelgeving voor consumentenvuurwerk als die voor
                    professioneel vuurwerk in één nieuwe algemene maatregel van bestuur wordt
                    geïntegreerd. Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan
                    wel vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en
                    afsteken van vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde
                    vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van
                    vuurwerk zijn gesteld</al><al>ter uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).</al><al>Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als
                    professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze
                    afdeling niet relevant.</al><tussenkop>Definitie consumentenvuurwerk</tussenkop><al>Voor de omschrijving van het begrip 'consumentenvuurwerk' is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1).</al><tussenkop>Artikel 2.5.2 Afleveren van vuurwerk</tussenkop><al>Het Vuurwerkbesluit geeft in artikel 2.3.2, lid 2 een wettelijke termijn van
                    drie dagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk ten behoeve van de
                    jaarwisseling. Als verkoopdagen zijn landelijk aangewezen 29, 30 en 31 december,
                    met dien verstande dat als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens
                    op die zondag geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te
                    stellen dan niet geldt op 28 december.</al><tussenkop>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</tussenkop><al>Op basis van artikel 2.5.2 van de APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf jaarlijks een</al><al>vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door
                    het</al><al>Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Deze zogenaamde verkoopvergunning kan
                    worden</al><al>geweigerd in het belang van de handhaving van de openbare orde en in het belang
                    van het</al><al>voorkomen of beperken van overlast. Aan de verkoopvergunning kunnen
                    voorschriften worden</al><al>verbonden.</al><al>De verkoopvergunning wordt door de gemeente gebruikt om een spreidingsbeleid van
                    verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten te reguleren. Een en
                    ander is vastgelegd door het college in het vuurwerkbeleid. Artikel 2.4.2 is
                    gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 2.5.3 Bezigen van vuurwerk</tussenkop><al>Het eerste lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar.</al><al>Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht
                    vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de
                    jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</al><al>Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                    zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar
                    moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met
                    rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Het tweede lid geeft het
                    college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is.</al><tussenkop>Paragraaf 6 Drugsoverlast</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.6.1 Coffeeshopverbod</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2.6.2 Drugshandel op straat</tussenkop><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage 'onverminderd het
                    bepaalde in de</al><al>Opiumwet' opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder
                    meer de</al><al>verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I ('harddrugs')
                    en II ('softdrugs') die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te
                    bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken,
                    te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed
                    aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen
                    optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen
                    van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel
                    heeft.</al><al>Artikel 2.6.2 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De
                    straathandel in drugs kan</al><al>leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het
                    noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het
                    voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In
                    praktijk gaat het met name om harddrugs. In dit artikel zijn zowel de aanbieders
                    als ontvangers en bemiddelaars ('drugsrunners') strafbaar gesteld.</al><al>Het 'kennelijk doel' kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden
                    zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</al><tussenkop>Paragraaf 7 Bestuurlijke ophouding</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.7.1 Bestuurlijke ophouding</tussenkop><al>Artikel 2.7.1 is gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a Van de
                    Gemeentewet Dit artikel</al><al>voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige
                    ordeverstoringen groepen</al><al>ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de burgemeester
                    aangewezen plaats.</al><al>Het vervoer naar de plaats van ophouding is hieronder begrepen. Bij
                    grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden aan situaties als uit de hand
                    lopende demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het
                    bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in)
                    een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij
                    groepsgewijze nietnaleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te
                    houden. Artikel 2.7.1 voorziet hierin.</al><al>De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn
                    vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede 'overeenkomstig 154a
                    van de Gemeentewet' impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden
                    voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze
                    voorwaarden zijn hiervoor beschreven.</al><al>De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van 'door hem (= de burgemeester)
                    aangewezen</al><al>groepen'. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen waarop
                    bestuurlijke</al><al>ophouding wordt toegepast.</al><tussenkop>Paragraaf 8 Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.8.1 Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de</al><al>bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie
                    de</al><al>controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en
                    munitie, kan</al><al>uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen
                    gebied:</al><lijst><li nr="-"><al>vervoermiddelen te onderzoeken;</al></li><li nr="-"><al>een ieders kleding te onderzoeken;</al></li><li nr="-"><al>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                            geopend.</al></li></lijst><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan.</al><al>De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur
                    die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk
                    voor de handhaving van de openbare orde.</al><al>Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale
                    gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de
                    volgende onderwerpen aan de orde:</al><lijst><li nr="-"><al>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al></li><li nr="-"><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy);</al></li><li nr="-"><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr="-"><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al></li></lijst><tussenkop>Paragraaf 9 Verblijfsontzeggingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.9.1 Verblijfsontzeggingen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Op grond van het eerste lid van artikel 2.9.1 kan de burgemeester een
                    verblijfsontzegging voor de duur van 24 uur opleggen aan een ieder die zich in
                    strijd met de volgende artikelen gedraagt:</al><al>Artikel 2.1.1 samenscholing en ongeregeldheden;</al><al>Artikel 2.4.4 hinderlijk gedrag op of aan de weg;</al><al>Artikel 2.4.5 hinderlijk drankgebruik;</al><al>Artikel 2.4.6 hinderlijk gedrag bij of in gebouwen;</al><al>Artikel 2.4.7 gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten;</al><al>Artikel 2.4.8 hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke overdekte en
                    overkapte plaatsen;</al><al>Artikel 2.4.13 bedelarij;</al><al>Artikel 2.6.2 drugshandel op straat;</al><al>Artikel 3.2.4 straat- en raamprostitutie.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Indien binnen zes maanden na het opleggen van een verblijfsontzegging van 24 uur
                    opnieuw wordt geconstateerd dat een gedraging plaatsvindt in strijd met de in
                    het eerste lid genoemde artikelen, kan een verblijfsontzegging van ten hoogste
                    veertien dagen opgelegd worden.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Iedere volgende keer dat binnen zes maanden na het opleggen van een
                    verblijfsontzegging van</al><al>veertien dagen wederom een gedraging plaatsvindt in strijd met de in het eerste
                    lid genoemde</al><al>artikelen, kan op grond van het derde lid van artikel 2.9.1 een nieuwe
                    verblijfsontzegging van ten</al><al>hoogste veertien dagen worden opgelegd.</al><tussenkop>Paragraaf 10 Cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.10.1 Cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><al>In de Notitie cameratoezicht van 24 november 1997 hebben de toenmalige
                    bewindslieden van Justitie en van Binnenlandse Zaken hun visie uiteengezet op
                    het gebruik van camera’s voor toezicht en beveiliging in het licht van de
                    bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Geconstateerd werd dat in de
                    samenleving een toenemende behoefte bestaat aan toezicht ter bevordering van de
                    veiligheid en dat cameratoezicht daar in beginsel een nuttige bijdrage aan kan
                    leveren. In de Notitie cameratoezicht werd het standpunt ingenomen dat het
                    gebruik van camera’s voor toezicht en beveiliging in openbare ruimten, met
                    inachtneming van de omschreven uitgangspunten en randvoorwaarden, in beginsel
                    toelaatbaar is. In de notitie is onder meer als beleidsvoornemen geformuleerd
                    dat moet worden bezien of het gebruik van camera’s in het kader van de
                    handhaving van de openbare orde steeds een voldoende grondslag heeft in de
                    bestaande bevoegdheden op dat gebied. Op 15 juni 1999 stelden de toenmalige
                    ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en van Justitie de
                    Tweede Kamer op de hoogte van het voornemen om in overleg met het veld
                    cameratoezicht in openbare ruimten wettelijk te normeren. Deze normering is
                    geschied bij de Wet van 30 juni 2005 tot wijziging van de Gemeentewet en de Wet
                    politieregisters in verband met de invoering van regels omtrent het gebruik van
                    camera’s ten behoeve van toezicht op openbare plaatsen (cameratoezicht op
                    openbare plaatsen). Deze wijziging leidt tot een nieuw artikel in de
                    Gemeentewet, namelijk artikel 151c. Dit artikel geeft de gemeenteraad de
                    bevoegdheid om bij verordening te bepalen dat de burgemeester, indien dat in het
                    belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, kan besluiten
                    besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve
                    van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                    openbare manifestaties.</al><al>De Notitie cameratoezicht gaat ervan uit dat het gebruik van camera’s voor
                    toezicht en beveiliging in het algemeen in beginsel toelaatbaar is, mits aan een
                    aantal randvoorwaarden wordt voldaan. Het gaat om de volgende voorwaarden:</al><al>– Het gebruik moet kenbaar zijn voor het publiek.</al><al>– Het doel van het cameratoezicht dient vooraf bepaald en omschreven te worden.
                    Het doel dient</al><al> voorts in verband te staan met de verantwoordelijkheid van de gebruiker ten
                    opzichte van de</al><al> ruimte of hetgebied dat in beeld wordt gebracht (bevoegd gebruik).</al><al>– De gebruiker dient een redelijk belang te hebben bij het gebruik als het gaat
                    om de private </al><al> sector.</al><al> In de (semi-)publieke sector dient het gebruik noodzakelijk te zijn voor diens
                    taak.</al><al>– De beoogde beveiliging door middel van cameratoezicht dient noodzakelijk te
                    zijn. Het doel </al><al> dient voorts niet met minder ingrijpende maatregelen te kunnen worden
                    gerealiseerd.</al><al>– Zorgvuldig dient te worden omgegaan met verwerking van verzamelde beelden. Met
                    name de</al><al> doorlevering aan derden dient in beginsel uitsluitend plaats te vinden wanneer
                    dit voortvloeit uit</al><al> het doel van de registratie, alsmede dienen de bewaartermijnen niet langer te
                    zijn dan</al><al> noodzakelijk.</al><al> Deze voorwaarden zijn nog altijd actueel en dienen in beginsel ook als leidraad
                    te worden </al><al> genomen voor de lokale besluitvorming over de toepassing van cameratoezicht.
                    Aan de </al><al> genoemde voorwaarden is in de Gemeentewet invulling gegeven. De normen hebben </al><al> betrekking op zowel de besluitvorming om tot cameratoezicht over te gaan, als
                    op de uitvoering </al><al> ervan. De onderhavige regeling heeft alleen betrekking op cameratoezicht door
                    de gemeente in </al><al> het kader van de handhaving van de openbare orde, waaronder de algemene
                    bestuurlijke </al><al> voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de
                    gemeentelijke </al><al> samenleving. De onderhavige regeling heeft voorts uitsluitend betrekking op
                    statische en</al><al> langdurige vormen van cameratoezicht op openbare plaatsen. Bij statisch
                    toezicht gaat het om de plaatsing van camera’s op één of meer vaste (permanente)
                    locaties, dit in tegenstelling tot mobiel cameratoezicht waarbij gebruik wordt
                    gemaakt van verplaatsbare camera’s die op meerdere (tijdelijke) plaatsen kunnen
                    worden ingezet.</al><al>Het artikel heeft uitsluitend betrekking hebben op cameratoezicht op openbare
                    plaatsen. Onder</al><al>openbare plaatsen wordt in aansluiting op artikel 1 van de Wet openbare
                    manifestaties (Wom)</al><al>verstaan een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het
                    publiek. Blijkens de wetsgeschiedenis van de Wom moet er aan twee criteria zijn
                    voldaan, wil er sprake zijn van een openbare plaats:</al><al>1.Vereist is dat de plaats «openstaat voor het publiek». Dat wil zeggen dat een
                    ieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan. Dit houdt in dat het
                    verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden
                    mag zijn. Allereerst valt hierbij te denken aan «de straat», «de weg» in de
                    ruime zin des woords, dat wil zeggen de wegen die voor een ieder vrij
                    toegankelijk zijn. Daarnaast omvat het begrip nog een aantal andere plaatsen die
                    een met de weg vergelijkbare functie vervullen en daarom als het «verlengde» van
                    de weg kunnen worden</al><al>aangemerkt. Als voorbeelden worden in de wetsgeschiedenis genoemd: openbare
                    plantsoenen,</al><al>speelweiden en parken, en de voor een ieder vrij toegankelijke gedeelten van
                    overdekte</al><al>passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden.</al><al>Dat de plaats «openstaat» betekent voorts dat geen beletselen in de vorm van een
                    meldingsplicht,</al><al>de eis van een voorafgaand verlof of de heffing van een toegangsbewijs of -prijs
                    gelden voor het</al><al>betreden van de plaats. Parkeergarages en parkeerterreinen in de openlucht zijn
                    geen openbare</al><al>plaatsen; zij kunnen weliswaar feitelijk voor een ieder toegankelijk zijn, maar
                    het gebruik is door</al><al>de rechthebbende aan een bepaald doel gebonden, te weten het parkeren van
                    voertuigen.</al><al>Evenmin kunnen als «openbare plaats» worden aangemerkt stadions, postkantoren,
                    warenhuizen, restaurants, ziekenhuizen en kerken. Vrij toegankelijke
                    schoolpleinen, speeltuinen en kinderboerderijen kunnen wel worden aangemerkt als
                    openbare plaatsen, tenzij het verblijf op die plaats door de rechthebbende aan
                    een bepaald doel is gebonden; dit zou bijvoorbeeld kunnen blijken uit een
                    mededeling op een bord bij de ingang («verboden voor onbevoegden»).</al><al>2.Het openstaan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of op vast
                    gebruik. Deze</al><al>bestemming kan blijken uit een besluit van de gerechtigde of uit de bedoeling
                    die spreekt uit de</al><al>inrichting van de plaats. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat
                    wanneer de plaats</al><al>gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de
                    rechthebbende deze</al><al>feitelijke toestand gedoogt. Gaat men na welke plaatsen als openbare plaatsen
                    moeten worden</al><al>aangemerkt, dan omvat dit begrip, in het algemeen gesproken, de plaatsen «waar
                    men komt en</al><al>gaat».Een incidentele openstelling van een plaats door de rechthebbende maakt de
                    plaats nog</al><al>niet tot een openbare plaats in de zin van de Wet openbare manifestaties.</al><al>Bovendien wordt de burgemeester de bevoegdheid gegeven om ook andere plaatsen
                    die voor een breed publiek gratis toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare
                    plaats die daarmee onder de reikwijdte van deze regeling komen te vallen.
                    Hierbij valt onder meer te denken aan openbare</al><al>parkeerplaatsen, waarvoor niet betaald hoeft te worden.</al><tussenkop>Paragraaf 11 Toezicht op openbare inrichtingen</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting paragraaf 11</tussenkop><al>Sinds maart 1993 valt de gehele horecabranche onder de werking van de Wet
                    milieubeheer. Onder horecabranche wordt in dit verband verstaan: hotels,
                    restaurants, pensions, cafés, cafetaria's, snackbars en discotheken, alsmede
                    aanverwante inrichtingen waar logies wordt verstrekt, tegen vergoeding dranken
                    worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.
                    Deze inrichtingen zijn ondergebracht in bijlage I, categorie 18 van het
                    Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb, Stb. 1993, 50).</al><al>Meer in het bijzonder gelden voor horeca-inrichtingen de regels van het Besluit
                    horeca-, sport- en</al><al>recreatie-inrichtingen milieubeheer, een op artikel 8.40 van de Wet milieubeheer
                    gebaseerde</al><al>algemene maatregel van bestuur. Dit besluit heeft per 1 oktober 1998 het Besluit
                    horecabedrijven</al><al>milieubeheer vervangen. Inrichtingen die in het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen</al><al>milieubeheer (hierna: het Besluit) worden genoemd zijn niet
                    milieuvergunningsplichtig, maar dienen te voldoen aan de algemene regels die het
                    Besluit stelt. Het Besluit heeft betrekking op hetgeen plaatsvindt binnen het
                    horecabedrijf, daartoe behorende terrassen en de directe omgeving.</al><al>Bij de opzet van het Besluit is getracht geen aspecten te regelen die reeds in
                    andere kaders worden gereguleerd. Vanuit dit gezichtspunt wordt in het Besluit
                    expliciet vermeld dat het voor de gemeenten ruimte overlaat om overlast
                    betreffende de openbare orde tegen te gaan met behulp van een gemeentelijke
                    verordening. In het Besluit wordt aangegeven dat daarbij gedacht wordt aan
                    overlast door bezoekers van horecabedrijven, de gebruikers en bezoekers van
                    recreatie-inrichtingen, geluidhinder door vrachtwagens, bromfietsen etc.</al><al>Door de gekozen opzet is de afbakening tussen enerzijds de Wet milieubeheer en
                    anderzijds</al><al>plaatselijke verordeningen duidelijker geworden. De direct aan de inrichting
                    gerelateerde vormen van verstoring van het milieu vallen onder het
                    toepassingsgebied van de Wet milieubeheer. De</al><al>voorschriften van het Besluit richten zich in beginsel ook op de indirecte
                    gevolgen, die de inrichting</al><al>kan veroorzaken, voor zover deze liggen in de macht van de houder van de
                    inrichting. De andere</al><al>gevolgen die een bedrijf of een collectief van bedrijven direct of indirect met
                    zich mee kan brengen en</al><al>die een aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat mogelijk
                    maken, kunnen in de</al><al>APV worden gereguleerd.</al><al>Voor wat betreft de horeca-inrichtingen die op grond van de bepalingen van de
                    Wet milieubeheer een</al><al>milieuvergunning van het college nodig hebben kan het volgende worden opgemerkt.
                    De raad kan niet</al><al>aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder ten gevolge van een
                    milieuvergunningsplichtige</al><al>inrichting tegengaan. Dat kan slechts door middel van de beslissing omtrent
                    verlening van deze</al><al>milieuvergunning. Het college is op grond van de jurisprudentie gehouden (ter
                    bestrijding van hinder</al><al>door komende en gaande bezoekers) aan die milieuvergunning een voorschrift met
                    betrekking tot de</al><al>openings- en sluitingstijden van de betreffende inrichting verbinden. Het
                    college mag daarbij - blijkens</al><al>de jurisprudentie - slechts rekening houden met "normale" hinder in de nabije
                    omgeving van de</al><al>inrichting. Alleen deze soort overlast is namelijk te beschouwen als hinder in
                    de zin van de Wet</al><al>milieubeheer. Excessieve hinder door gedrag van bezoekers en overlast op een of
                    meer straten van</al><al>de inrichting vandaan, vallen niet onder "hinder" in de zin van de Wet
                    milieubeheer, maar kunnen</al><al>worden bestreden via de APV. Dit heeft tot consequentie, dat de in artikel
                    2.11.11 van deze</al><al>verordening geregelde openings- en sluitingstijden ook van toepassing zijn op
                    inrichtingen, die</al><al>milieuvergunningsplichtig zijn. Deze bepaling is (anders dan een
                    sluitingsuurvoorschrift verbonden</al><al>aan een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer) immers niet toegespitst op de
                    specifieke situatie</al><al>in en rond een bepaalde inrichting, maar richt zich tegen de negatieve invloed
                    van de aanwezigheid</al><al>van de inrichting als zodanig op de openbare orde en het woon- en leefklimaat
                    ter plaatse: het</al><al>karakter van de straat en de wijk, de gevolgen voor het woonmilieu.</al><al>Aangezien de Wet milieubeheer en de APV van verschillende motieven uitgaan
                    hebben inrichtingen die vallen onder de milieuvergunningsplicht van de Wet
                    milieubeheer evenzeer een</al><al>exploitatievergunning op grond van de APV nodig. Het ligt daarbij voor de hand,
                    dat de opening- en sluitingstijden in de milieuvergunning door het college
                    worden afgestemd op de APV-openings- en sluitingstijden.</al><al>Naast een exploitatievergunning op grond van de APV of een milieuvergunning op
                    grond van de Wet milieubeheer kan degene die een inrichting als bedoeld in deze
                    paragraaf wil gaan drijven nog andere vergunningen nodig hebben. Met name worden
                    hier genoemd de vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (voor het
                    schenken van alcoholhoudende drank), alsmede de gebruiksvergunning, gebaseerd op
                    hoofdstuk 6 van de Bouwverordening. Deze laatste vergunning betreft het
                    brandveilig gebruik van de betreffende inrichting.</al><tussenkop>Wet BIBOB</tussenkop><al>Vanaf 1 juni 2003 is de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
                    openbaar bestuur (Wet BIBOB) van kracht. Op basis van deze wet beschikken
                    gemeenten, naast de weigerings- en</al><al>intrekkingsgronden genoemd in de APV, over een nieuwe mogelijkheid om de
                    vergunning voor een horeca-inrichting of seksinrichting te weigeren of in te
                    trekken op grond van het vermoeden van een ernstig gevaar dat door middel van de
                    vergunning voordelen uit strafbare feiten worden verkregen of strafbare feiten
                    worden gepleegd. Ook de Gemeente Capelle aan den IJssel zal deze zelfstandige
                    weigerings- en intrekkingsgrond gaan gebruiken als instrument bij de belemmering
                    van criminele activiteiten in de stad.</al><tussenkop>Artikel 2.11.1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>Artikel 2.11.1, lid A, onder b: Onder de begripsbepaling "inrichting" in deze
                    paragraaf vallen álle</al><al>inrichtingen, waar anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaren kunnen worden
                    afgehaald</al><al>(afhaalcentra).</al><al>Artikel 2.11.1, lid A, onder c: bij de begripsbepaling is zoveel mogelijk
                    aangesloten bij het hoofdbegrip ‘inrichting’ uit het artikel. Bij buurt- of
                    winkelondersteunende inrichtingen moet gedacht worden aan</al><al>horecabedrijven die zich door de aard van het gebodene richten op personen die
                    in de omgeving van de inrichting detailhandel of grootwinkelbedrijven bezoeken
                    dan wel woonachtig of werkzaam zijn in de omgeving van de inrichting. Hieronder
                    vallen bijvoorbeeld lunchrooms, broodjeszaken, snackbars,</al><al>horecavoorzieningen in warenhuizen, buurthuizen en afhaalbedrijven. Onder
                    ‘maaltijd’ wordt naar</al><al>analogie van het inmiddels vervallen Besluit Vestigingseisen Drank- en Horecawet
                    (1993, Stb. 475) verstaan: geheel van warme gerechten hetwelk tenminste bestaat
                    uit de volgende drie, niet met elkaar gemengde bestanddelen: vlees, vegetarische
                    vleesvervangers, vis, gevogelte of wild; groente;</al><al>aardappelen, rijst of meelspijzen. De hoofdactiviteit dient zich te richten op
                    de eetwaren. Inrichtingen die voornamelijk niet-of zwakalcoholhoudende drank
                    verstrekken, vallen hier buiten. Buiten de begripsomschrijving vallen ook
                    horecavoorzieningen zoals bijvoorbeeld restaurants en (eet)cafés, ook al zouden
                    deze een zekere buurt- of winkelondersteunende functie vervullen.</al><al>Aan deze categorie horeca kan ingevolge art. 2.11.11, vijfde lid, een beperkte
                    sluitingstijd worden</al><al>verbonden. Overigens heeft de burgemeester ingevolge art. 2.11.5, eerste lid, de
                    bevoegdheid</al><al>vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht.</al><al>Artikel 2.11.1, lid B, onder a: de omschrijving van "bezoekers" past op het punt
                    van "gezinsleden" bij de huidige tijd, waarin naast het gezin ook andere
                    samenlevingsvormen voorkomen.</al><al>Artikel 2.11.1, lid B, onder b: Ook personen die in de inrichting nachtverblijf
                    houden en als zodanig voorkomen op het hiertoe bestemde register als bedoeld in
                    artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, dienen van het bezoekersbegrip te
                    worden uitgezonderd. Bij controle door de politie kan een exploitant op deze
                    manier de aanwezige bezoekers, vooral na sluitingstijd van de inrichting, niet
                    ten onrechte als personen die nachtverblijf (gaan) houden, aanmerken.</al><al>Artikel 2.11.1, lid B, onder c: Bij personen wier tegenwoordigheid in de
                    inrichting wegens dringende omstandigheden vereist wordt, kan bijvoorbeeld
                    worden gedacht aan politiepersoneel en andere ambtenaren in functie, aan artsen
                    e.d.</al><al>Artikel 2.11.1, lid C en D. De omschrijving “Houder van de inrichting” gaf
                    aanleiding tot onduidelijke situaties. Hier komt bij dat het wenselijk was om
                    voor zowel de horeca-inrichtingen als de seksinrichtingen eenzelfde formulering
                    aan te houden. Om deze redenen is voor de horecainrichtingen aangesloten bij de
                    definities van “exploitant” en “beheerder”, welke definities reeds gelden voor
                    de seksinrichtingen. Onder exploitant wordt de ondernemer verstaan die de
                    inrichting drijft. Het gaat hierbij om de persoon voor wiens rekening en risico
                    het horecabedrijf wordt uitgeoefend. Om constructies van schijnbeheer tegen te
                    gaan is het te allen tijde noodzakelijk om te weten tot welke natuurlijke
                    persoon of personen een rechtspersoon of personen herleidbaar is/zijn.</al><al>De beheerder (of bedrijfsleider) is degene die de inrichting in de praktijk in
                    eigen persoon drijft. Er</al><al>dient steeds een beheerder in de inrichting aanwezig te zijn als de exploitant
                    afwezig is. Het is niet mogelijk dat rechtspersonen beheerders van inrichtingen
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 2.11.2 Vergunningplicht</tussenkop><al>In artikel 2.11.2, eerste lid, is het exploiteren van een inrichting zonder
                    exploitatievergunning expliciet strafbaar gesteld.</al><al>In het eerste lid is voor exploitanten van bestaande inrichtingen een nieuwe
                    mogelijkheid gecreëerd om een voorlopige vergunning aan te vragen. Elke (nieuwe)
                    exploitant dient een (voorlopige) vergunning aan te vragen. Automatische
                    overschrijving van de vergunning is derhalve niet mogelijk.</al><al>De voorlopige vergunning heeft een geldigheidsduur van maximaal drie maanden en
                    zal uitsluitend worden verleend onder de volgende voorwaarden:</al><al>-een voorlopige exploitatievergunning wordt alleen verstrekt wanneer een
                    ‘normale’</al><al>exploitatievergunning is aangevraagd en vervalt van rechtswege wanneer een
                    ‘normale’</al><al>exploitatievergunning is verleend dan wel geweigerd;</al><al>-de voorlopige exploitatievergunning kan worden aangevraagd door exploitanten
                    die een</al><al>bestaande horecagelegenheid overnemen of een nieuwe exploitatievergunning voor
                    hun</al><al>(bestaande) horecagelegenheid aanvragen;</al><al>-de voorlopige exploitatievergunning wordt niet verleend als de exploitant of
                    beheerder niet voldoet</al><al>aan de in artikel 2.11.3 gestelde eisen;</al><al>-de voorlopige exploitatievergunning wordt niet verleend als over de bestaande
                    exploitatie</al><al>overlastklachten zijn ontvangen bij de gemeente of de politie;</al><lijst><li nr="-"><al>de voorlopige exploitatievergunning wordt niet verleend als aan de
                            aanvrager van de vergunning reeds een exploitatievergunning is geweigerd
                            of over de bestaande exploitatie bestuurlijke procedures lopen;</al></li><li nr="-"><al>de voorlopige exploitatievergunning wordt niet verleend als voor
                            dezelfde exploitatie in de</al></li></lijst><al>afgelopen twaalf maanden een voorlopige exploitatievergunning werd
                    verleend.</al><al>Door middel van deze voorwaarden kan worden voorkomen dat de voorlopige
                    vergunning de</al><al>mogelijkheden van slechte of malafide ondernemers vergroot. Verdere voorwaarden
                    zullen worden opgenomen in de "Burgemeestersinstructie Horeca"</al><al>Op grond van het tweede lid kan de burgemeester voor een periode van een jaar
                    een proefvergunning verlenen. De term "voorlopige vergunning” is in verband met
                    het wijzigen van het eerste lid vervangen door “proefvergunning”. Het ligt
                    overigens voor de hand dat de burgemeester bij "ernstige twijfel" of een
                    exploitatievergunning zou moeten worden verleend ervoor kiest om de gevraagde
                    vergunning te weigeren.</al><al>Als er geen gegronde bezwaren - dit ter beoordeling van de burgemeester - zijn
                    binnengekomen</al><al>tegen de betreffende exploitatie van de inrichting, dient de burgemeester een
                    definitieve vergunning af te geven. Daarmee is ook de positie van de betrokken
                    ondernemer voldoende beschermd.</al><al>Door de in het vierde lid – overigens imperatief gestelde – schriftelijke
                    mededeling van de</al><al>burgemeester wordt de voorlopige vergunning omgezet in een definitieve
                    vergunning.</al><tussenkop>Artikel 2.11.3 Eisen exploitant en beheerder</tussenkop><al>Voor een goede regulering van het horecabeleid is het noodzakelijk dat er een
                    aantal eisen aan de exploitant en de beheerder worden gesteld. Derhalve vindt,
                    naar analogie van de eisen zoals deze</al><al>gesteld worden in de Drank- en Horecawet, een antecedententoets van de
                    exploitant en beheerder plaats. Artikel 15 van de Wet politieregisters biedt de
                    bevoegdheid om bij het verstrekken van vergunningen over politiegegevens te
                    beschikken en deze mee te wegen bij de te nemen beslissing.</al><al>De burgemeester moet als verantwoordelijke voor de handhaving van de openbare
                    orde en veiligheid kunnen beschikken over alle relevante informatie over
                    eventuele onveiligheid in voor publiek</al><al>toegankelijke ruimten. Op basis van artikel 15 kan deze informatie ter
                    kennisneming aan de</al><al>burgemeester worden gegeven. Het initiatief van deze informatie-uitwisseling kan
                    zowel bij de</al><al>gemeente als bij de politie liggen. Op grond van de verstrekte politiegegevens
                    kan een vergunning voor het exploiteren van een inrichting worden geweigerd dan
                    wel worden ingetrokken of een inrichting worden gesloten. Zie hiervoor de
                    artikelen 2.11.8 en 2.11.9.</al><al>Voor de reikwijdte van het begrip “niet in enig opzicht van slecht levensgedrag”
                    moet aansluiting</al><al>worden gevonden bij de terminologie van de Drank- en Horecawet. De toetsing aan
                    deze eis is niet bij voorbaat aan regels gebonden. Derhalve is de burgemeester
                    bij de beoordeling of er sprake is van slecht levensgedrag vrij in de wijze van
                    beoordeling en zijn er geen beperkingen opgelegd aan de feiten of omstandigheden
                    die mogen worden betrokken bij dit oordeel (zie ook ABRvS 26 juni 2002,
                    200106008/1). Op basis van de huidige jurisprudentie is een onherroepelijke
                    veroordeling niet noodzakelijk om in de terminologie van de APV te mogen spreken
                    van in enig opzicht slecht levensgedrag (zie ook ABRvS 12 maart 2001, GS 151
                    (2001) 7141, 2).</al><tussenkop>Artikel 2.11.4 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</tussenkop><al>De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is noodzakelijk tijdens de
                    openingsuren van de</al><al>inrichting. De exploitant is te allen tijde verantwoordelijk voor hetgeen zich
                    in en rond de inrichting</al><al>afspeelt. Deze bepaling is tevens opgenomen om effectief tegen schijnbeheer op
                    te kunnen treden. </al><al>Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, kan de inrichting door
                    de burgemeester gesloten worden of kan de verleende vergunning ingetrokken
                    worden (zie ook artikel 2.11.8 en 2.11.9.).</al><al>\</al><tussenkop>Artikel 2.11.5 Categorale vrijstelling</tussenkop><al>Onder de hier bedoelde categorieën kunnen bijvoorbeeld worden begrepen:
                    kantines, inrichtingen in winkels (koffiehoeken e.d.), inrichtingen in musea,
                    crematoria, rouwcentra. In deze inrichtingen is het horeca-element ondergeschikt
                    aan de eigenlijke doelstelling van de onderneming, waarin de inrichting is
                    opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 2.11.6 Vergunningaanvraag</tussenkop><al>Op het indienen van een aanvraag voor een exploitatievergunning zijn de
                    bepalingen van de</al><al>Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Een aanvraag voor een
                    exploitatievergunning dient</al><al>schriftelijk te worden ingediend bij de burgemeester. De aanvraag moet worden
                    ondertekend en</al><al>tenminste de naam, het adres, de dagtekening en een aanduiding van de gevraagde
                    beslissing</al><al>bevatten. Bovendien dient de aanvraag vergezeld te gaan van alle gegevens die
                    nodig zijn om de</al><al>aanvraag te kunnen beoordelen. De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent
                    deze gegevens.</al><al>Bij de toepassing van artikel 2.11.6, tweede lid, geldt als uitgangspunt, dat de
                    in de tijd eerst</al><al>ingediende vergunningaanvraag in behandeling wordt genomen. Tweede en
                    opvolgende</al><al>vergunningaanvragers voor één inrichting worden in hun aanvraag
                    niet-ontvankelijk verklaard.</al><tussenkop>Artikel 2.11.7 Beslistermijn</tussenkop><al>In artikel 2.11.7 wordt afgeweken van de "standaardbeslistermijn" van acht
                    weken. In de praktijk is gebleken dat de procedure tot verlening van
                    exploitatievergunningen in de meeste gevallen niet kan worden afgerond binnen
                    acht weken. Teneinde te voorkomen, dat dan steeds met</al><al>verdagingsbesluiten moet worden gewerkt, is gekozen voor een beslistermijn van
                    twaalf weken.</al><tussenkop>Artikel 2.11.8 Weigerings- en intrekkingsgronden</tussenkop><al>In artikel 2.11.8 staan de weigerings- en intrekkingsgronden voor
                    exploitatievergunningen. Teneinde een betere afstemming te verkrijgen tussen
                    planologische en openbare orde-eisen die aan de in deze paragraaf bedoelde
                    inrichtingen worden gesteld, is in het eerste lid van artikel 2.11.8 "strijd met
                    een geldend bestemmingsplan of met een stadsvernieuwingsplan of
                    leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing"
                    opgenomen als imperatieve weigeringsgrond voor een
                    exploitatievergunningsaanvraag. Aldus wordt voorkomen, dat de burgemeester
                    gehouden is een exploitatievergunning te verlenen voor de exploitatie van een
                    inrichting, die volgens het bestemmingsplan of een andere planologische regeling
                    verboden is. Deze koppeling van planologie en openbare orde is in
                    overeenstemming met de geldende jurisprudentie terzake. Bij het oordeel of in
                    casu sprake is van "strijd met een geldend bestemmingsplan of met een
                    stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads-
                    en dorpsvernieuwing" zal de burgemeester zich verlaten op het oordeel van het
                    college.</al><al>In het tweede lid van artikel 2.11.8 wordt in het kader van de openbare orde een
                    ruimer</al><al>omgevingsbegrip gehanteerd. De burgemeester heeft daardoor een lichtere
                    bewijslast. Overigens</al><al>leert de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State, dat
                    de burgemeester op zich aannemelijk kan maken, dat aantasting van de woon- of
                    leefsituatie in een gemeente wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van
                    het totale aantal inrichtingen in zijn gemeente. Volgens de Afdeling ontslaat
                    dat de burgemeester evenwel niet van de verplichting per inrichting aan te tonen
                    of aannemelijk te maken, dat en in hoeverre door de aanwezigheid van die
                    inrichting, dan wel door de manier van exploiteren ervan, de woon- of
                    leefsituatie in de omgeving nadelig wordt beïnvloed. Een belangrijk hulpmiddel
                    bij het motiveren van het gevoerde beleid kan een horecanota of een
                    vergelijkbaar beleidsstuk zijn. Desgewenst kunnen hierin met opgave van redenen
                    een maximumaantal te verlenen vergunningen worden vermeld alsmede
                    horecaconcentratie- en horecastiltegebieden worden aangewezen.</al><al>In het derde lid van artikel 2.11.8, onder d, staat het toetsingscriterium
                    inzake de bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de inrichting in
                    deze of in andere inrichtingen. In de praktijk is</al><al>gebleken, dat "slechte exploitanten", die bijvoorbeeld elders in een andere
                    inrichting door eigen schuld getroffen zijn door bestuurlijke strafmaatregelen
                    als bestuursdwang (sluiting van een inrichting), vrij gemakkelijk weer ergens
                    anders kunnen beginnen. De burgemeester moest dan maar aantonen, dat de
                    exploitatie van de nieuwe inrichting waarschijnlijk ook fout zou gaan lopen.
                    Teneinde meer grip te krijgen op de persoon van de exploitant of beheerder (en
                    dus op de vergunning), is "het verleden" van de betreffende exploitant of
                    beheerder in de horecabranche voor de burgemeester een extra
                    toetsingscriterium.</al><al>De in het vierde lid van artikel 2.11.8 opgenomen intrekkings- en
                    wijzigingsgronden spreken</al><al>grotendeels voor zichzelf en komen tegemoet aan de eisen van de praktijk.
                    Algemene achtergrond van deze bepalingen is de behoefte om de exploitanten of
                    beheerder meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun doen en
                    laten. Aan de exploitanten of beheerder als bedoeld in deze paragraaf dienen
                    hoge eisen te worden gesteld voor wat betreft hun levenswandel. Ook dienen zij
                    te beschikken over het nodige "gezag" om baas in eigen inrichting te kunnen
                    blijven. In die zin begrepen mag de klant geen koning zijn. Exploitanten of
                    beheerders die terzake in gebreke blijven, lopen het ernstige risico, dat hun
                    vergunning door de burgemeester wordt ingetrokken.</al><al>Met betrekking tot de onder h genoemde intrekkingsgrond (intrekking in verband
                    met gewijzigde</al><al>omstandigheden of inzichten) zij opgemerkt dat bij gebruikmaking daarvan de
                    motivering aan zware eisen dient te voldoen. Het betreft immers omstandigheden
                    waarop de betrokken vergunninghouder doorgaans geen invloed kan uitoefenen.
                    Voorts mag hij erop vertrouwen dat een aan hem verleende vergunning normaal
                    gesproken in stand blijft temeer gelet op de financiële consequenties. Met
                    betrekking tot de onder i opgenomen intrekkingsgrond wordt opgemerkt dat het
                    niet voldoen aan de in artikel 2.11.3. gestelde gedragseisen eveneens een reden
                    kan zijn om de vergunning te weigeren of in te trekken.</al><tussenkop>Artikel 2.11.9 Sluiting van inrichtingen</tussenkop><al>De in het eerste lid van artikel 2.11.9, onder c, genoemde sluitingsgrond
                    verschaft de burgemeester de mogelijkheid een inrichting (tijdelijk) te sluiten,
                    zónder dat hij vooraf dient over te gaan tot tijdelijke of voor onbepaalde tijd
                    bedoelde gehele of gedeeltelijke intrekking van de vergunning. In een dergelijke
                    situatie zouden dan theoretisch twee beroepsprocedures in dezelfde zaak naast
                    elkaar kunnen worden aangespannen, hetgeen zo mogelijk vermeden dient te worden.
                    Het kan daarnaast zo zijn, dat de burgemeester het om redenen van openbare orde
                    nodig oordeelt een bepaalde inrichting tijdelijk te sluiten, zonder dat dat
                    hoeft te leiden tot (tijdelijke) intrekking van de vergunning.</al><al>In het geval dat de exploitant de exploitatie van een inrichting feitelijk heeft
                    beëindigd, danwel dat de exploitatie wordt gewijzigd zonder (nieuwe) vergunning,
                    vervalt de verleende vergunning van</al><al>rechtswege (artikel 2.11.14). De burgemeester kan de betreffende inrichting dan
                    sluiten op grond van onderdeel a: er wordt geëxploiteerd zonder vergunning.</al><al>In het derde lid van artikel 2.11.9 wordt de mogelijkheid geboden, dat de
                    burgemeester een sluiting voor onbepaalde duur op verzoek van belanghebbende(n)
                    opheft. In de praktijk sluit de burgemeester een inrichting meestal voor een
                    bepaalde duur. Artikel 2.11.9 voorziet niet in de mogelijkheid voor
                    belanghebbende(n) om tussentijdse opheffing van een tijdelijke sluiting te
                    vragen. Een dergelijk verzoek aan de burgemeester is dus niet-ontvankelijk. In
                    zeer bijzondere gevallen (bijvoorbeeld bij wijziging van de bestemming van het
                    pand, waarin de inrichting is gevestigd) kan de burgemeester ambtshalve een
                    tijdelijke sluiting opheffen.</al><tussenkop>Artikel 2.11.10 Terrassen</tussenkop><al>De belangen, genoemd in artikel 2.11.10, tweede lid, zijn aanvullend ten
                    opzichte van voorschrift</al><al>4.1.4, aanhef en onder c, van de bijlage onder B van het Besluit horeca-, sport-
                    en recreatieinrichtingen milieubeheer, waarin met zoveel woorden is bepaald dat
                    het bevoegd gezag - in relatie met milieuhinder - een nadere eis kan stellen ten
                    aanzien van de situering van een terras. Deze bepaling geldt dus in zijn
                    algemeenheid voor alle terrassen. Bij de vergunningverlening zal de burgemeester
                    hiermee uitdrukkelijk rekening moeten houden.</al><al>Artikel 2.11.10, vierde lid, is opgenomen teneinde verkapte uitbreiding van
                    terrassen met vergunning en de daarmee samenhangende overlast tegen te
                    gaan.</al><tussenkop>Artikel 2.11.11 Openings- en sluitingstijden</tussenkop><al>De openings- en sluitingstijden van exploitatievergunningsplichtige inrichtingen
                    kunnen door de</al><al>burgemeester vastgesteld voor één of meer inrichtingen.</al><al>Op de consequenties van de invoering van de Wet milieubeheer voor de in deze
                    paragraaf bedoelde inrichtingen - met name voor wat betreft de regeling van
                    openings- en sluitingstijden - is in de algemene toelichting bij deze paragraaf
                    reeds ingegaan. Hier zij daarnaar verwezen.</al><al>In artikel 6.1 van de APV wordt het bezoek aan een inrichting die gesloten dient
                    te zijn op grond van de vastgestelde openings- en sluitingstijden strafbaar
                    gesteld. Bij overtreding van de vastgestelde openings- en sluitingstijden zijn
                    dus zowel de exploitant als zijn bezoekers strafbaar.</al><al>In het derde lid van artikel 2.11.11 wordt duidelijk gemaakt, dat dit artikel
                    niet van toepassing is, als de Wet milieubeheer of de op die wet gebaseerde
                    voorschriften van toepassing zijn. Hiermee wordt beoogd de hinder die
                    veroorzaakt wordt door komende en gaande bezoekers van de inrichting, zoveel
                    mogelijk te beperken. De Wet milieubeheer beoogt slechts rekening te houden met
                    "normale" hinder in de nabije omgeving van de inrichting. Excessieve hinder door
                    gedrag van bezoekers en overlast op een of meer straten van de inrichting
                    vandaan, valt niet onder de Wet milieubeheer.</al><tussenkop>Artikel 2.11.12 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke
                    sluiting</tussenkop><al>Artikel 174 van de Gemeentewet is de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer</al><al>horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te
                    sluiten.</al><al>Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het
                    belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft
                    een algemene bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld in
                    artikel 2.11.11, tweede lid, die een individueel karakter heeft zich niet alleen
                    kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente
                    aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich - in tegenstelling
                    tot artikel 2.11.11, tweede lid, waarbij het om een permanente afwijking kan
                    gaan - tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot
                    tijdelijke sluiting.</al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de</al><al>Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het
                    onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De
                    term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan
                    en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de
                    hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het tweede lid
                    sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><al>Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet 'Damocles' (artikel 13b van de
                    Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat
                    gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid
                    behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt
                    het raadzaam door middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te
                    stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor
                    artikel 13b Opiumwet is bedoeld.</al><al>Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348).
                    Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een
                    pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a
                    Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere
                    persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de
                    verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig
                    achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot
                    onteigening.</al><al>In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet
                    en artikel 174a</al><al>Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers. Conform artikel
                    3:16 BW.</al><al>Merkwaardig genoeg geldt deze inschrijvingsplicht niet voor de sluitingen op
                    grond van de APV.</al><tussenkop>Artikel 2.11.13 Geldigheidsduur vergunning</tussenkop><al>Dit artikel ziet op de reguliere exploitatievergunning en niet op de voorlopige
                    vergunning. Een</al><al>verleende exploitatievergunning heeft een beperkte geldigheidsduur. Met een
                    zekere regelmaat</al><al>dienen verleende vergunningen "verfrist" te worden. Dit verschaft de
                    burgemeester de mogelijkheid - alleen al in administratief opzicht - orde op
                    zaken te stellen. Ook beleidsinhoudelijk kan er reden zijn om voor bepaalde
                    bedrijven, waarover gedurende de looptijd van de vergunning veel gegronde
                    klachten zijn binnengekomen, geen nieuwe exploitatievergunning meer te geven.
                    Deze mogelijkheid komt dus bovenop de mogelijkheid, die de burgemeester op grond
                    van artikel 2.11.9 reeds heeft, om een lopende vergunning in te trekken.</al><al>Ingevolge het bepaalde in het eerste lid heeft een verleende
                    exploitatievergunning een</al><al>geldigheidsduur van drie jaar. Dit is dus de algemene regel.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat voor bepaalde categorieën van
                    vergunningsplichtige inrichtingen een andere geldigheidsduur kan worden
                    vastgesteld. Het gaat dan bijvoorbeeld om inrichtingen waarvoor een meer of
                    minder frequente toetsing van de vergunning (en de naleving van de
                    voorschriften) wenselijk wordt geacht.</al><tussenkop>Artikel 2.11.14 Beëindiging exploitatie</tussenkop><al>Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente
                    actieve</al><al>exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt
                    beëindigd of</al><al>overgedragen. De vergunning komt dan te vervallen. Ratio hiervan is gelegen in
                    het feit dat de</al><al>vergunning op grond van het bepaalde in artikel 2.11.6, derde lid, niet
                    overdraagbaar is. Consequentie hiervan is dat een rechtsopvolger van de
                    vertrekkende exploitant niet vrij is om in afwachting van de uitkomst van zijn
                    vergunningaanvraag de exploitatie voort te zetten. In de periode dat de
                    vergunningaanvraag behandeld wordt moet de inrichting gesloten zijn, tenzij
                    uiteraard de vertrekkende exploitant de exploitatie pas beëindigt nadat op de
                    nieuwe aanvraag is beslist.</al><tussenkop>Artikel 2.11.15 Wijziging beheer</tussenkop><al>Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van groot belang dat de
                    beheerders bij de</al><al>gemeente bekend zijn.</al><tussenkop>Artikel 2.11.16 Overgangsbepaling</tussenkop><al>De exploitant die voor de vaststelling van vijfde wijziging van deze verordening
                    een inrichting</al><al>exploiteert wordt geacht in het bezit te zijn van een voorlopige vergunning van
                    twee jaar.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3, Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
                    e.d.</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Prostitutie en prostituee(onder a en b)</tussenkop><al>Deze omschrijving van het begrip 'prostitutie' is afgeleid van de definitie in
                    artikel 250a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                    taalkundige redenen zijn de termen 'derde' en 'betaling' uit de definitie in het
                    Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk 'ander'
                    en 'vergoeding'.</al><tussenkop>Seksinrichting (onder c)</tussenkop><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening.
                    Seksinrichtingen zijn er in</al><al>verschillende varianten. Daarom is in deze definitie bewust gekozen voor een
                    algemene omschrijving.</al><al>Die omschrijving sluit aan bij het spraakgebruik en in diverse rechterlijke
                    uitspraken gehanteerde</al><al>definities (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338
                    GEMWT; niet</al><al>gepubliceerd). 'Seksinrichting' als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op
                    bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze
                    diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden
                    dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt.</al><al>Deze constructie (alsof het bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet
                    milieubeheer.</al><al>In de definitie is gekozen voor de term 'besloten ruimte', omdat dit meer omvat
                    dan het begrip</al><al>'gebouw'. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of een voertuig.
                    Het bijvoeglijk</al><al>naamwoord 'besloten' duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht
                    bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden
                    omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek
                    toegankelijk is.</al><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                    zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                    seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                    behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet
                    alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                    plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees
                    voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden
                    verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter de prostituee
                    tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een seksbioscoop is een
                    inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotischpornografische</al><al>aard worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking
                    van</al><al>een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische
                    aard worden</al><al>gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin deze
                    vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten -
                    met andere woorden 'live' - worden</al><al>gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als het
                    sekstheater geldt dat</al><al>daarin hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden
                    gegeven. Een café</al><al>bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient
                    derhalve niet als</al><al>'sekstheater' te worden aangemerkt. Zo'n optreden moet echter worden beschouwd
                    als een</al><al>evenement (een 'voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak'), waarvoor
                    volgens artikel 2.3.2 vergunning van de burgemeester vereist is.</al><tussenkop>Escortbedrijf (onder d)</tussenkop><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een
                    website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de
                    vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van
                    advertenties en andere reclame-uitingen.</al><al>Uiteraard kan er ook sprake zijn van een combinatie van een seksinrichting en
                    een escortservice.</al><tussenkop>Artikel 3.1.2 Nadere regels</tussenkop><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van)</al><al>seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit artikel door het
                    college worden</al><al>vastgesteld als algemeen verbindende voorschriften. Artikel 3.1.2 ziet dus op
                    delegatie van</al><al>regelgevende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de
                    Gemeentewet.</al><al>Vanzelfsprekend zijn de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende
                    voorschriften hierbij van overeenkomstige toepassing.</al><al>Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als regel op een bepaalde
                    wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen anders te kunnen besluiten,
                    ligt het dus in de rede daarover geen 'nadere regel' maar een beleidsregel vast
                    te stellen.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Seksinrichtingen, straat en raamprostitutie en
                    dergelijke</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Er is gekozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven te
                    reguleren door middel van de vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een
                    voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort.</al><al>Het wijzigen van de seksinrichting valt eveneens onder de vergunningplicht. Met
                    het wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan verandering van bouwkundige aard, het aantal
                    exploitanten, de wijze van exploitatie en de naam van een of meerdere
                    exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt met de
                    feitelijke situatie.</al><al>In deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde
                    vergunningplicht als</al><al>seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een eenduidige systematiek
                    gehanteerd. De</al><al>vergunning zal echter veel minder omvattend (kunnen) zijn, omdat de activiteiten
                    van een escortbedrijf nu eenmaal niet in een inrichting plaatsvinden. De
                    toetsing van de vergunningaanvraag zal zich derhalve veelal beperken tot de
                    toetsing van de antecedenten van de exploitant en beheerder.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht laat
                    vanzelfsprekend onverlet, dat het college zich aan de hand van een ingediende
                    vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen)</al><al>vormen over alle rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen
                    (artikel 3:4 van de Awb).</al><al>Indiening en in ontvangst name van een aanvraag staan dus nadrukkelijk in het
                    teken van het</al><al>vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken belangen, die nodig
                    is om tot een</al><al>zorgvuldige afweging te kunnen komen.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld wat
                    de aard van de</al><al>seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de beheerder
                    zijn. Voor de beoordeling</al><al>van de vergunningaanvraag en voor de ingevolge artikel 1.2 op te leggen
                    vergunningsvoorschriften of beperkingen is de aard van de seksinrichting
                    relevant. Het is van belang te weten of het om bijvoorbeeld een
                    prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie. Door wie de
                    inrichting zal worden geëxploiteerd en beheerd is relevant, omdat deze personen
                    niet van slecht levensgedrag mogen zijn en dienen te voldoen aan de eisen van
                    zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel 3.2.2. De vergunningverlening is
                    bovendien persoonsgebonden en niet overdraagbaar. Dit blijkt uit artikel
                    1.3.</al><tussenkop>Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder</tussenkop><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    'decriminaliseren' van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever,</al><al>van belang dat bij de besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een seksinrichting rekening gehouden kan worden met de
                    antecedenten van de daarbij betrokken</al><al>personen: de exploitant en de beheerder(s).</al><al>Aan het college kunnen gegevens uit de justitiële documentatieregisters worden
                    verstrekt over</al><al>personen die als exploitant of beheerder zijn vermeld in een aanvraag (art. 7,
                    vierde lid, van het</al><al>Besluit inlichtingen justitiële documentatie).</al><al>In artikel 3.2.2 wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en
                    worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en
                    Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en
                    Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een
                    vergunning krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een antecedentenonderzoek
                    kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit
                    dat inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de
                    antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag
                    Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het
                    Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav
                    opgenomen. De toevoeging van bepalingen</al><al>over misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de
                    prostituees. De</al><al>relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de
                    bestrijding van de mensenhandel.</al><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding 'in enig opzicht slecht
                    levensgedrag' in het</al><al>eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in de navolgende leden.
                    Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk geval sprake is van
                    'in enig opzicht slecht levensgedrag'. Dat het niet als een limitatieve
                    opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik van het woord 'naast'
                    aan het begin van het tweede lid.</al><al>Bij de beoordeling van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de
                    justitiële documentatie en de toetsing ervan aan het besluit, kan worden
                    aangesloten bij de daarover reeds bestaande jurisprudentie.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>‘In enig opzicht van slecht levensgedrag’ ex artikel 3.2.2, eerste lid, onder b
                    omvat meer dan de</al><al>‘onherroepelijke veroordeling’ ex tweede lid, onder b van de APV. LJN-nr.
                    AO6071, JG 04.0076 m. nt. A.L. Esveld.</al><tussenkop>Artikel 3.2.3 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet
                    slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod
                    opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in
                    verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede
                    lid.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                    verplichting tot het</al><al>uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de inrichting. Daarbij
                    zullen zij zich in ieder</al><al>geval, maar niet uitsluitend, moeten richten op het voorkomen en tegengaan van
                    onvrijwillige</al><al>prostitutie, prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel,
                    heling, geweldsdelicten en dergelijke.</al><al>In de jurisprudentie is al eerder uitgemaakt dat de exploitant - uiteraard
                    binnen redelijke grenzen -</al><al>verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de inrichting. Dat wordt door deze
                    toezichtverplichting, die ook geldt voor de beheerder(s), nog eens
                    onderstreept.</al><al>Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel
                    aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden.
                    Afhankelijk van de omstandigheden en het gestelde in het handhavingsbeleid kan
                    tot een tijdelijke beperking van de openingstijden, een tijdelijke sluiting of
                    een (tijdelijke) intrekking van de vergunning worden besloten. Om in deze zin
                    bestuursrechtelijk te kunnen optreden is niet vereist dat daaraan
                    strafrechtelijke vervolging of veroordeling is voorafgegaan:</al><al>vaststaan moet slechts dat geen of onvoldoende toezicht is uitgeoefend.</al><al>Aan het toezicht dat van de exploitant of beheerder mag worden verwacht op de
                    meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting werkzame prostituees zal
                    gestalte kunnen worden gegeven door inzage te verlangen in hun
                    identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere strafbare
                    feiten betreft, zullen de exploitant of beheerder regelmatig toezicht moeten
                    houden en zo nodig handelend moeten treden. Naarmate de exploitant aantoonbaar
                    en actief huisregels toepast en een nauwkeurige registratie bijhoudt van de
                    leeftijd en nationaliteit van de prostituees, vergemakkelijkt hij niet alleen
                    het toezicht, maar zal hij ook beter in staat zijn om aannemelijk te maken dat
                    door hem voldoende toezicht is uitgeoefend.</al><al>In de vergunning kan de toezichtsverplichting als doelvoorschrift worden
                    opgenomen, waarbij de</al><al>exploitant zelf bepaalt hoe hij en de beheerder(s) er inhoud aan geven. Ook
                    kunnen aan de</al><al>vergunning middelvoorschriften worden verbonden, waardoor (gedeeltelijk) wordt
                    voorgeschreven hoe de toezichtsplicht dient te worden ingevuld. Zo kan
                    bijvoorbeeld worden bepaald dat verplicht bepaalde huisregels moeten worden
                    gehanteerd; dat de exploitant of beheerder verplicht is om na te gaan of de
                    prostituee over voor de verrichten van arbeid geldige verblijfspapieren beschikt
                    en dat hiervan een interne registratie wordt bijgehouden.</al><al>Een andere zinvol vergunningvoorschrift in dit verband, dat met name het
                    toezicht door de</al><al>toezichthouders kan vergemakkelijken, is bijvoorbeeld het expliciet in de
                    vergunning opnemen van de verplichting van (vooral) de exploitant en
                    beheerder(s) om alle medewerking te verlenen aan de toezichthouder, waaronder in
                    elk geval de onmiddellijke en onbelemmerde toegang moet worden verstaan (artikel
                    5:20 Awb). Dit schept geen bevoegdheden of verplichtingen, maar duidelijkheid
                    voor de vergunninghouder. Ook kan het nuttig zijn om in een
                    vergunningvoorschrift op te nemen dat het verplicht is om een (afschrift van) de
                    vergunning altijd in de inrichting aanwezig te hebben.</al><tussenkop>Artikel 3.2.4 Straat- en raamprostitutie</tussenkop><al>Volgens dit artikel is straat- en raamprostitutie verboden. Het artikel spreekt
                    voor zich.</al><tussenkop>Artikel 3.2.5 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</tussenkop><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts</al><al>voorzover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader heeft besloten. Hoewel
                    denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal worden toegepast ten
                    aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het tentoonstellen en dergelijke als
                    zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook betrekking hebben op
                    erotisch-pornografische foto's of afbeeldingen aangebracht aan sekstheaters,
                    bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de daarin plaatsvindende
                    voorstellingen.</al><al>Zoals in het eerste lid is aangegeven, kan het college de regulering terzake
                    gestalte geven door:</al><al>aan de betrokken rechthebbende bekend te maken dat, door de wijze van
                    tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen, de openbare orde of de woon- en
                    leefomgeving in gevaar wordt gebracht; (algemene) regels vast te stellen die in
                    acht moeten worden genomen bij het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van
                    goederen, opschriften en dergelijke als hier bedoeld.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Beslissingstermijn en weigeringsgronden</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden</tussenkop><al>Eerste lid, onder a: levensgedrag</al><al>Zie voor toelichting hierop de toelichting onder artikel 3.2.2.</al><tussenkop>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                    leefmilieuverordening</tussenkop><al>Het zal in casu voor kunnen komen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond
                    als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende bestemmingsplan vestiging
                    van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is in dat
                    geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar
                    tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van kan worden
                    gemaakt.</al><al>Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het bestemmingsplan,
                    alsmede met een eventueel</al><al>stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening als weigeringsgrond opgenomen.
                    Blijkens ABRS 24-</al><al>03-1997, AB 1997, 201, JG 97.0165 , is zulks aanvaardbaar omdat een dergelijke
                    bepaling geen</al><al>zelfstandige planologische regeling bevat.</al><tussenkop>Eerste lid, onder c: minderjarig, onvrijwillig, illegaal</tussenkop><al>Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker
                    voorkomende weigeringsgrond, namelijk vrees voor ernstige verstoring van de
                    openbare orde. Als er aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van
                    politierapportages, dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 250a
                    is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet worden dat de exploitant
                    prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of minderjarigen laat werken. Zo
                    dient ter bescherming van de openbare orde ook te worden voorkomen dat de
                    exploitant prostituees zonder een voor het verrichten van arbeid geldige
                    verblijfstitel inzet. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Rb
                    Rotterdam van 5-09-1997, JG 97.0209 : naar het oordeel van de Rechtbank zijn
                    terecht twee horeca-inrichtingen gesloten en zijn de exploitatievergunningen
                    ingetrokken wegens de smokkel van illegalen. De</al><al>Rechtbank ziet dit als een aantasting van de openbare orde.</al><al>Om te voorkomen dat werkzame prostituees tegen hun wil bepaalde seksuele
                    contacten moeten</al><al>aangaan, kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden, zoals: een
                    verbod op het</al><al>opleggen van een minimum aantal klanten, of het recht van prostituee om klanten
                    of bepaalde</al><al>seksuele handelingen te weigeren.</al><tussenkop>Tweede lid, onder c: woon- en leefomgeving</tussenkop><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw
                    met elkaar</al><al>verweven.</al><al>De exploitatie van seksinrichtingen kan worden tegengegaan op plaatsen waar de
                    woon- en</al><al>leefomgeving daardoor op ontoelaatbare wijze nadelig zou worden beïnvloed.
                    Daarvoor zou</al><al>bijvoorbeeld specifiek reden kunnen zijn in woonbuurten of in de nabije omgeving
                    van 'gevoelige'</al><al>gebouwen (scholen, kerkgebouwen en dergelijke). Indien aldus gebiedsaanwijzing
                    heeft plaatsgehad,</al><al>kan op een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting in
                    een aangewezen gebied afwijzend worden beslist in het belang van de woon- en
                    leefomgeving ter plaatse.</al><al>Vanzelfsprekend kan een dergelijk beleid ook worden toegepast ten aanzien van
                    bepaalde</al><al>categorieën seksinrichtingen. Denkbaar is immers dat de woon- en leefomgeving in
                    een bepaald</al><al>gebied zich niet verdraagt met de vestiging van raamprostitutiebedrijven, maar
                    bijvoorbeeld wel met de vestiging van clubs, bordelen en dergelijke.</al><al>Ook een aspect van bescherming van de woon- en leefomgeving is uiteraard de
                    omvang van de</al><al>inrichting. In een vergunningvoorschrift, dat overigens tevens betrekking heeft
                    op de hierna te noemen grond veiligheid van personen, kan het maximale aantal
                    werkzame prostituees worden vastgesteld.</al><tussenkop>Tweede lid, onder d: veiligheid personen of goederen</tussenkop><al>Bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot
                    belang de</al><al>brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die zijn
                    aan te merken als</al><al>bouwwerk in de zin van de Woningwet:</al><al>-is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de brandveiligheid van
                    de inrichting zelf;</al><al>en</al><al>-biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voorzover het gaat
                    om het</al><al>gebruik van de inrichting.</al><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet, dan</al><al>wordt het gebruik van de inrichting bestreken door de
                    brandbeveiligingsverordening.</al><tussenkop>Tweede lid, onder f: gezondheid</tussenkop><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook
                    dat van de</al><al>(volks)gezondheid.</al><tussenkop>Tweede lid, onder f: zedelijkheid</tussenkop><al>Voor wat betreft de bescherming van de zedelijkheid wordt wel eens gesteld dat
                    gemeenten hierbij</al><al>geen verordenende bevoegdheid zou toekomen nu daarover door de formele
                    wetgever</al><al>strafbepalingen zijn vastgesteld, te weten de artikelen 239, 240, 240a en 240b
                    van het Wetboek van Strafrecht. De (aanvullende) regelgevende bevoegdheid die
                    gemeenten op dit punt reeds toekwam wordt door deze bepalingen echter ongemoeid
                    gelaten.</al><al>Ook al kunnen ter bescherming van de zedelijkheid dus ook bij gemeentelijke
                    verordening</al><al>vergunningsvoorschriften worden vastgesteld, het zedelijkheidsmotief zal bij de
                    regulering van de</al><al>commerciële exploitatie van prostitutie doorgaans niet vooropstaan. Denkbaar is
                    bijvoorbeeld dat op basis van het zedelijkheidsmotief in de
                    vergunningvoorschriften een minimumleeftijdsgrens voor bezoekers wordt gesteld
                    van bijvoorbeeld 16 of 18 jaar.</al><tussenkop>Arbeidsomstandigheden (tweede lid, onder g)</tussenkop><al>Volgens de MvT betreft de bescherming en verbetering van de positie van de
                    prostituee, die als</al><al>gezegd één van de hoofddoelstellingen van de wetswijziging is, onder meer
                    de</al><al>arbeidsomstandigheden in prostitutiebedrijven. Door opheffing van het algemeen
                    bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1990, 94) van toepassing op
                    delen van de prostitutiebranche, te weten waar sprake is van een
                    arbeidsverhouding als bedoeld in de wet.</al><tussenkop>Paragraaf 4 Beeindiging exploitatie, wijziging beheer</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie</tussenkop><tussenkop>Eerste en tweede lid</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft</al><al>overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt tevens verstaan
                    wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere namen van de
                    exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In het eerste
                    lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de exploitatie
                    van rechtswege komt te vervallen. Het college heeft er belang bij een actueel
                    overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve exploitanten; in
                    verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat binnen een week na de
                    feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet worden</al><al>kennisgegeven.</al><tussenkop>Artikel 3.4.2 Wijziging beheer</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het college heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te kunnen hebben
                    van de in de</al><al>gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in het eerste lid bepaald
                    dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun werkzaamheden
                    feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week na die
                    feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van de
                    exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege
                    vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting
                    in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de
                    exploitant zelf.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst
                    te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in
                    dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is
                    voorgeschreven in artikel 3.2.1, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te
                    vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de
                    nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                    moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er
                    voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het
                    aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee
                    tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van
                    beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de
                    exploitatie.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en zorg voor het uiterlijk aanzien
                    van de Gemeente.</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Geluid- en lichthinder</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Inrichtingen</tussenkop><al>In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (Ivb) van de Wet milieubeheer (Wm)
                    zijn de categorieën van inrichtingen aangewezen die nadelige gevolgen kunnen
                    veroorzaken voor het milieu. Deze inrichtingen moeten een vergunning aanvragen
                    op grond van de Wm. Onder inrichting verstaat de Wm (in artikel 1.1, eerste lid)
                    'elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
                    ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden
                    verricht'. Ook (tijdelijke) uitbreidingen van de inrichting die onderdeel
                    uitmaken van de inrichting, zoals bijvoorbeeld een feesttent, vallen onder de
                    vergunningplicht.</al><al>De vergunningplicht geldt niet voor inrichtingen die zijn aangewezen in een
                    besluit op grond van</al><al>artikel 8.40 van de Wm. Dit betreft bijvoorbeeld het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer. Dit besluit verving in 1998 het oude
                    Besluit horecabedrijven milieubeheer.</al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'inrichting' in het artikel 4.1.1. is
                    aansluiting gezocht bij de definitie van dit begrip in het Besluit horeca-,
                    sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Onder het oude Besluit
                    horecabedrijven milieubeheer viel vooral de 'stille' horeca. In artikel 2 van
                    het Besluit horeca-, sport- en recreatie inrichtingen (besluit) is geregeld dat
                    hieronder naast de 'stille' horeca zowel de discotheken, als
                    recreatie-inrichtingen: theaters, bioscopen, gokhallen, vakantie- en pretparken,
                    als sportinrichtingen: tennisbanen, voetbalterreinen vallen. In artikel 3 is
                    geregeld voor welke inrichtingen in de horeca-, sport- en recreatie-sector het
                    besluit niet van toepassing is. Alleen de grote categorieën met een complex
                    karakter of een verhoogd milieurisico blijven vergunningplichtig. </al><al>Volgens de toelichting van het besluit vielen onder het Besluit horecabedrijven
                    milieubeheer ongeveer 25.000 inrichtingen en onder het nieuwe besluit ongeveer
                    66.000 inrichtingen; waarvan 38.000 horecainrichtingen,</al><al>20.000 sportinrichtingen en 8.000 inrichtingen in de culturele en recreatieve
                    sector.</al><al>Deze inrichtingen moeten voldoen aan de bij het besluit gestelde voorschriften.
                    De voorschriften met betrekking tot geluid- en trillinghinder uit de bijlage B
                    van het besluit zijn zo stringent, dat deze zeker overtreden zullen worden
                    wanneer in een inrichting incidenteel een feest wordt gehouden met bijvoorbeeld
                    levende muziek. </al><al>Gezien de maatschappelijke functie die onder het besluit vallende</al><al>inrichtingen vervullen, biedt het besluit de mogelijkheid ontheffing te verlenen
                    van de voorschriften die zien op de geluid- en trillinghinder. Met de verruiming
                    van het aantal bedrijven neemt ook het aantal bedrijven dat gebruik kan maken
                    van de ontheffingsregeling voor geluid en verlichting toe. De bedrijven waarvoor
                    geluid een belangrijk item is en die vooral gebruik zullen willen maken van deze
                    regeling zijn de horeca, discotheken en sociaal-culturele voorzieningen. Op
                    grond van voorschrift 1.1.9 uit de bijlage onder B van het Besluit kan de
                    gemeenteraad in een verordening vaststellen dat gedurende een bepaalde periode
                    de geluidsvoorschriften van het besluit niet gelden.</al><tussenkop>Houder van de inrichting</tussenkop><al>Het begrip 'houder van de inrichting' heeft dezelfde betekenis als in het
                    besluit.</al><tussenkop>Artikel 4.1.2 Kennisgeving incidentele festiviteiten</tussenkop><tussenkop>Eerste lid, tweede lid</tussenkop><al>De bevoegdheid uit het eerste lid vloeit voort uit voorschrift 1.1.9, aanhef en
                    onder b uit de bijlage</al><al>onder B van het Besluit.</al><al>Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of slechts een klein
                    aantal inrichtingen</al><al>gebonden is zoals een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum of
                    een straatfeest. In het besluit is bepaald dat het maximum aantal incidentele
                    festiviteiten waarvoor de voorschriften niet gelden 12 dagen of dagdelen per
                    jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening
                    houdend met de plaatselijke omstandigheden, het aantal te verlagen.</al><al>Bij een incidentele festiviteit kan gedacht worden aan een veteranentoernooi of
                    een 'vroege vogels'- toernooi. In dit voorschrift is, evenals het voorschrift
                    als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, bepaald dat het maximum aantal
                    incidentele festiviteiten waarvoor het voorschrift niet geldt 12 dagen of
                    dagdelen per jaar betreft.</al><tussenkop>Derde en vierde lid</tussenkop><al>Het college dient minimaal twee weken voor de aanvang van de festiviteit met
                    een</al><al>kennisgevingsformulier op de hoogte gesteld te worden van de festiviteit.
                    Wanneer de termijn van</al><al>twee weken om de festiviteit te beoordelen te kort is kan het bevoegd gezag
                    overwegen deze termijn in de verordening te verlengen.</al><al>Uit de formulering van het eerste en tweede lid volgt dat wanneer de houder van
                    de inrichting geen kennisgeving heeft gedaan en desondanks een festiviteit
                    houdt, deze niet kan worden beschouwd als een incidentele festiviteit op grond
                    van het besluit. Omdat er dan geen sprake is van een incidentele festiviteit
                    dient voldaan te worden aan alle in het Besluit horeca , sport en recreatie
                    inrichtingen milieubeheer (Besluit) gestelde voorschriften. Niet naleving van
                    die voorschriften kan ertoe leiden dat op grond van artikel 18.2 van de Wet
                    milieubeheer (Wm) bestuursrechtelijk of op grond van artikel 18.18 van de Wm
                    strafrechtelijk wordt opgetreden.</al><al>De termijn voor het indienen van een kennisgeving stelt het college in staat te
                    beoordelen op welke wijze de houder van de inrichting zoveel mogelijk overmatige
                    geluidhinder tracht te voorkomen.</al><al>Voorschrift 1.1.9 onder bijlage B van het Besluit stelt immers dat de
                    geluidsvoorschriften niet gelden voorzover de naleving van deze voorschriften
                    redelijkerwijs niet kan worden gevergd.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Wanneer er in een inrichting een festiviteit plaatsvindt die redelijkerwijs niet
                    te voorzien was,</al><al>bijvoorbeeld wanneer iemand in de lotto 'de honderdduizend' gewonnen heeft,
                    heeft het college de bevoegdheid dit feest terstond aan te wijzen als
                    incidentele festiviteit waardoor de voorschriften van het besluit, zonder dat
                    daartoe een kennisgeving is gedaan, niet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 4.1.3 Verboden incidentele festiviteiten</tussenkop><al>De regeling in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
                    milieubeheer gaat ervan uit dat</al><al>wanneer bij of krachtens verordening dagen zijn aangewezen, de houder van de
                    inrichting</al><al>toestemming heeft om de geluidsvoorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7, 1.1.5 of het
                    voorschrift 1.5.1 over verlichting te overschrijden en daarmee dus enige hinder
                    kan veroorzaken.</al><al>Zoals in artikel 4.1.2 is uiteengezet, kan bij overmatige hinder rechtstreeks
                    worden opgetreden op</al><al>grond van het Besluit. Het Besluit biedt de mogelijkheid om in
                    uitzonderingsgevallen nadere eisen te stellen aan een toegestane festiviteit ter
                    voorkoming van nadelige gevolgen voor het milieu. Zie</al><al>hiervoor het commentaar bij artikel 4.1.2 van de APV.</al><al>Indien blijkt dat door een op zichzelf op basis van het Besluit toegestane
                    festiviteit het woon en</al><al>leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op
                    ontoelaatbare wijze wordt</al><al>beïnvloed, kan de burgemeester de festiviteit verbieden. De burgemeester heeft
                    deze (autonome)</al><al>bevoegdheid op grond van artikel 174 van de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat
                    de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze
                    betrekking hebben op het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen. Dat
                    de raad de bevoegdheid heeft het Besluit met een autonome bepaling aan te vullen
                    vloeit voort uit artikel 121 en 149 van de Gemeentewet. In de toelichting bij
                    het Besluit is expliciet vermeld dat de APV aanvullende voorschriften kan
                    bevatten vanuit openbare orde motieven.</al><tussenkop>Artikel 4.1.4 Overige geluidhinder</tussenkop><al>Artikel 4.1.4 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet</al><al>voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><al>8?een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis,
                    een heidefeest, een</al><al>braderie, een rally, enz.;</al><al>8?het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek
                    maken of</al><al>mededelingen doen;</al><al>8?het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al><al>8?het gebruik van diverse geluid producerende recreatietoestellen;</al><al>8?het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en
                    heistellingen;</al><al>8?het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.;</al><al>8?overige handelingen waardoor geluidsoverlast ontstaat.</al><al>Voorts kunnen onder artikel 4.1.4 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt
                    door het beoefenen van 'lawaaiige' hobby's, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektroakoestischeapparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz.</al><al>Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria
                    of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is
                    niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke
                    gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in
                    welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften.</al><al>Overigens moet worden bedacht dat klachten over de hiervoor bedoelde vormen van
                    geluidhinder nogal eens een minder goede verstandhouding tussen buren of
                    omwonenden als achtergrond hebben. Normale handelingen worden dan eerder als
                    (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl men minder geneigd is aan een afdoende
                    oplossing mede te werken.</al><tussenkop>Artikel 4.1.5 Geluidhinder door dieren</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Ontsierende reclame</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.2.1 Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en
                    dergelijke</tussenkop><tussenkop>Eerste lid ( Vergunningsplicht voor handelsreclame op of aan een
                    onroerende zaak)</tussenkop><al>Het aanbrengen (maken) en hebben (voeren) van handelsreclame (commerciële
                    reclame) aan een onroerende zaak wordt in deze bepaling gebonden aan een
                    vergunning van het college.</al><al>Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1.1, aanhef en onder b, van de -APV
                    als: elke openbare</al><al>aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een
                    commercieel belang te dienen. </al><al>Onroerende zaken zijn volgens het artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk
                    Wetboek onder</al><al>meer de grond, de met de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken
                    die duurzaam met de grond zijn verenigd. In het begrip handelsreclame ligt
                    besloten dat het in artikel 4.4.1 gaat om niet-ideële reclame, waardoor geen
                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Zie ook de toelichting bij artikel
                    1.1, aanhef en onder b (handelsreclame). Volgens vaste jurisprudentie behoren
                    reclame-uitingen in de commerciële sfeer niet tot het eigenlijke gebied van de
                    vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.</al><al>Het in artikel 4.4.1 gecreëerde vergunningenstelsel is derhalve niet in strijd
                    met artikel 7 van de</al><al>Grondwet. In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met
                    zo veel woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd. De bedoeling hiervan
                    is uitsluitend die reclame-uitingen buiten de grondwettelijke bescherming over
                    het openbaren van gedachten of gevoelens te houden, waaraan het ideële,
                    maatschappelijke of politieke aspect ontbreekt.</al><al>De volgende vraag die zich opdringt is of artikel 4.4.1 ook in overeenstemming
                    is met artikel 10 EVRM en 19 IVBP. De bescherming van het recht op vrije
                    meningsuiting strekt zich in deze artikelen mede uit tot reclame. Deze vraag kan
                    volgens de VNG bevestigend worden beantwoord. Allereerst is het de vraag of
                    artikel 10 EVRM überhaupt wel toeziet op zuivere handelsreclame. Weliswaar heeft
                    de Hoge Raad dit in algemene zin gesteld in een uitspraak van 13 februari 1987
                    (NJ 1987, 899), het Europese Hof heeft zich hierover nog niet eenduidig
                    uitgesproken (zie onder andere EHRM 24 februari 1994, NJ 1994, 518). Wel mag er
                    op grond van arresten van het Europese Hof vanuit worden gegaan dat de
                    bescherming ten aanzien van commerciële reclame minder ver gaat dan de
                    bescherming ten aanzien</al><al>van andere uitingen gelet op de strekking van het verdrag. </al><al>Echter, ook indien er vanuit wordt gegaan dat alle handelsreclame onder artikel
                    10 EVRM en artikel 19 IVBPR valt, zijn beperkingen zoals een vergunningstelsel
                    mogelijk zolang deze voorzien zijn bij wet.</al><al>Naar algemeen wordt aangenomen worden hieronder ook gemeentelijke verordeningen
                    verstaan. Daarnaast dienen de beperkingen noodzakelijk te zijn in een
                    democratische samenleving ter bescherming van de in de artikel 10 EVRM en
                    artikel 19 IVBP genoemde belangen. Hieronder vallen onder andere het voorkomen
                    van wanordelijkheden en de bescherming van rechten van derden.</al><al>De rechtspraak lijkt deze visie van de VNG te bevestigen. In een uitspraak van
                    23 december 1994 stelt de ABRS in een zaak waarin een driehoeksreclamebord wordt
                    geweigerd dat artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP alleen in het geding zijn als
                    de verspreiding van reclame zo zeer aan banden zou zijn gelegd dat de vrijheid
                    om reclame te maken zelf zou worden aangetast (JG 95.0207, AB 1995, 163).</al><al>Ook is in een uitspraak van de Hoge Raad over een aanplakverbod zonder
                    schriftelijke toestemming van de rechthebbende bepaald dat dit niet in strijd is
                    met artikel 10 EVRM en 19 IVBP aangezien het verbod bij wet is voorzien en
                    noodzakelijk in een democratische samenleving ter voorkoming van
                    wanordelijkheden en ter bescherming van rechten van derden (HR 1 april 1997, NJ
                    1997, 457).</al><al>Het voorgaande betekent dat zolang niet in een absoluut verbod, te absolute
                    beperkingen of restrictief beleid is voorzien en er een duidelijke noodzaak voor
                    de beperkingen bestaat, zodanig dat er feitelijk een mogelijkheid van enige
                    betekenis van het middel van bekendmaking overblijft, het vergunningenstelsel op
                    grond van artikel 4.4.1 houdbaar lijkt.</al><al>De gemeente kent een reclamenota hieraan zullen aanvragen om een
                    reclamevergunning worden getoetst.</al><tussenkop>Tweede lid (Uitzonderingen op vergunningsplicht)</tussenkop><al>Door hantering van het begrip handelsreclame in het eerste lid is een duidelijke
                    afbakening gegeven ten opzichte van ideële reclame. Ideële reclame valt dus niet
                    onder de vergunningsplicht. Dit zou in strijd zijn met de vrijheid van
                    meningsuiting van artikel 7 van de Grondwet. Ideële reclame is overigens wel
                    onderworpen aan repressief toezicht op grond van het bepaalde in artikel 2.2.1,
                    derde lid.</al><al>In het tweede lid is ook een aantal opschriften en aankondigingen die kunnen
                    dienen tot het maken van handelsreclame uitgezonderd van de vergunningsplicht.
                    Deze uitzonderingen gelden alleen voor onverlichte reclames. Het gaat erom dat
                    de reclame zelf onverlicht is. Een op een klein reclamebord gerichte lamp maakt
                    de reclame niet verlicht en dus niet vergunningsplichtig. Lichtreclames zijn dus
                    altijd vergunningsplichtig. Dit heeft uiteraard te maken met het feit dat
                    lichtreclames snel hinderlijk kunnen zijn. Het college kan hiervoor
                    beleidsregels opstellen met criteria voor kleur, intensiteit en tijdstippen van
                    verlichting. Voor alle uitgezonderde reclames geldt een stelsel van repressief
                    toezicht.</al><al>Zie hiervoor het vierde lid.</al><al>Géén uitzondering is overigens opgenomen voor opschriften etc. die worden
                    aangebracht ter</al><al>voldoening aan een wettelijke verplichting of krachtens een wettelijke
                    bevoegdheid. Dit is niet nodig omdat dergelijke opschriften geen betrekking
                    hebben op handelsreclame.</al><tussenkop>Derde lid (Melding voor tijdelijke handelsreclame)</tussenkop><al>Voor opschriften etc. met een tijdelijk karakter (maximaal negen weken) is een
                    systeem van melding bij het college in het leven geroepen. Wanneer het college
                    niet binnen twee weken reageert op die melding, mag - in afwijking van het in
                    het eerste lid gestelde plaatsingsverbod - zonder vergunning tot plaatsing
                    worden overgegaan.</al><al>Voor de praktische toepassing van dit stelsel is het wellicht mogelijk
                    beleidslijnen te ontwikkelen over de wijze van plaatsing, materiaalgebruik,
                    termijn verwijdering na afloop van de aangekondigde activiteit. </al><al>Voor regelmatig terugkerende evenementen, zoals sportwedstrijden en culturele
                    activiteiten,</al><al>zou met een eenmalige melding kunnen worden volstaan.</al><al>De zinsnede 'voor zolang zij feitelijke betekenis hebben' geeft aan dat het
                    meldingsstelsel alleen van toepassing is op actuele handelsreclame.
                    Bijvoorbeeld: als in december 2003 reclame wordt gemaakt</al><al>voor een woonbeurs op 9 januari 2004, dan geldt tot en met 9 januari het
                    meldingsstelsel van het</al><al>derde lid. Na 9 januari herleeft het verbod van het eerste lid.</al><tussenkop>Vierde lid (Eisen aan niet-vergunningsplichtige
                    handelsreclame)</tussenkop><al>De bedoeling van het vierde lid is het mogelijk maken van repressief toezicht op
                    hinderlijke</al><al>handelsreclame die niet-vergunningsplichtig is (met andere woorden: waarop geen
                    preventief toezicht is).</al><tussenkop>Vijfde lid (Weigeringsgronden)</tussenkop><al>In het vijfde zijn als mogelijke weigeringsgronden voor een vergunning
                    opgenomen: </al><lijst><li nr="a."><al>welstand;</al></li><li nr="b."><al>verkeersveiligheid</al></li><li nr="c."><al>overlast.</al></li></lijst><al>Met deze weigeringsgronden zijn tevens de motieven voor de</al><al>vergunningsplicht gegeven volgens de systematiek van de APV. De weigeringsgrond
                    welstand heeft echter in de jurisprudentie een probleem opgeleverd, omdat
                    bouwvergunningsplichtige</al><al>handelsreclame reeds onderworpen is aan welstandstoetsing. De Afdeling
                    bestuursrechtspraak heeft eind 2002 duidelijk uitgesproken dat naast de
                    bouwvergunning voor de handelsreclame geen ruimte meer is voor een
                    APV-vergunning.</al><tussenkop>Zesde lid (Afbakening met andere regelgeving)</tussenkop><al>Op 1 januari 2003 is het bouwvergunningstelsel van de Woningwet gewijzigd. Er
                    zijn twee soorten bouwwerken: vergunningsplichtige (lichte- en reguliere
                    bouwvergunningen) en vergunningsvrije. De meldingsplicht is verdwenen. Op de
                    vergunningsplichtige bouwwerken vindt een preventieve welstandstoets plaats.
                    Repressief welstandstoezicht rust zowel op bouwvergunningsplichtige als
                    bouwvergunningsvrije bouwwerken. De gemeente heeft een welstandsnota vastgesteld
                    om na 1 juli 2004 (preventief of repressief) welstandstoezicht te kunnen
                    (blijven) uitoefenen. </al><al>Alle bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn dus onderhevig aan
                    welstandstoetsing.</al><al>Ook de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften worden nu gekoppeld aan
                    de</al><al>weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, namelijk het belang van voorkoming
                    of beperking van</al><al>overlast.</al><tussenkop>Artikel 4.2.2 Aanschrijving</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 4.2.3 Aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                    afbeeldingen ten behoeve van handelsreclame</tussenkop><al>Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de
                    Gemeentewet.</al><al>Artikel 4.2.3 raakt zijdelings het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever
                    het meest wordt</al><al>geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht is
                    geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet.</al><al>Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</al><tussenkop>Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of
                    gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de
                    wet.</tussenkop><al>De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht
                    op de inhoud van een radio of televisie uitzending.</al><al>Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande
                    leden</al><al>genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud
                    daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het
                    geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar,
                    regelen ter bescherming van de goede zeden.</al><al>De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
                    handelsreclame.</al><al>Gelet op het laatste lid is het verbod van artikel 4.2.3.mogelijk. Het verbod
                    beoogt met name te</al><al>voorkomen dat ten behoeve van de handelsreclame ongereguleerd flyers, reclame-
                    en strooibiljetten na de verspreiding, aanbieding, aanbeveling of bekendmaking
                    achter blijven op de weg of zich door de natuurelementen verspreid in
                    bijvoorbeeld tuinen en openbaar groen. Hiermee wordt voorkomen dat de gemeente
                    opdraait voor de kosten van opruiming c.a.. Van een ondernemer mag worden</al><al>verwacht dat hij ook maatschappelijke verantwoordelijkheid draagt voor zijn
                    reclame, ook nadat hij zich ervan heeft ontdaan op de (openbare) weg.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Bodem-, weg-, en milieuverontreiniging</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.3.1 Natuurlijke behoefte doen</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 4.3.2 Wegwerpen van reclame- of strooibiljetten</tussenkop><al>Een bepaling als vervat in dit artikel werd door de Hoge Raad verenigbaar geacht
                    met artikel 7 van de Grondwet</al><al>Dit artikel heeft tot doel te voorkomen dat gedrukte of geschreven stukken dan
                    wel afbeeldingen die op de weg onder het publiek worden verspreid dan wel
                    openlijk worden aangeboden, aanbevolen of bekendgemaakt achter blijven op de weg
                    of zich door de natuurelementen verspreid in bijvoorbeeld tuinen en openbaar
                    groen. Dit artikel ziet onder andere op biljetten c.q. flyers die betrekking
                    hebben op de uiting van de vrije mening. Voorzover het handelsreclame betreft,
                    kan een dergelijke voorwaarde worden opgenomen in de vergunning als bedoeld in
                    artikel 4.2.3.</al><tussenkop>Artikel 4.3.3 Verlies (vloei)stoffen uit of van voorwerpen van
                    voertuigen</tussenkop><al>In de praktijk blijkt dat de weg veelal wordt verontreinigd of besmeurd door
                    (vloei)stoffen of</al><al>voorwerpen vanuit of vanaf voertuigen. Voorbeelden hiervan zijn verlies van olie
                    uit de motor of zand vanaf vrachtwagens. Ook wordt door voertuigen vervoerde
                    materialen verloren. Hierdoor kunnen gevaarlijk wegsituaties ontstaan, waar de
                    gemeente als wegbeheerder in beginsel aansprakelijk is.</al><al>Aangezien men niet het oogmerk heeft zich te ontdoen van deze (vloei)stoffen of
                    voorwerpen, kunnen deze niet als afval worden beschouwd in de zin van de
                    Afvalstoffenverordening. Deze bepaling beoogt de weg te beschermen tegen
                    vervuiling c.q. afval die niet onder het bereik van de Afvalstoffenverordening
                    valt.</al><tussenkop>Paragraaf 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, stoffen enz.</tussenkop><al>Deze bepaling voorkomt uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare
                    gezondheid</al><al>ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d.. Het college is bevoegd
                    bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag is toegestaan c.q. aan bepaalde
                    regels gebonden is.</al><al>Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de 'weg' in de zin
                    van de</al><al>wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in
                    deze bepaling</al><al>genoemde activiteiten plaatsvinden op de 'weg' daartegen kan worden opgetreden
                    op basis van</al><al>andere in deze verordening opgenomen voorschriften.</al><al>De in de afdeling 5.1 'Parkeerexcessen' opgenomen artikelen bevatten onder meer
                    bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare
                    voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingsruimte voor
                    auto's door garagebedrijven e.d. en het parkeren van caravans e.d.</al><al>Indien er sprake is van niet-inrichtingsgebonden activiteiten, kunnen de
                    hinderlijke effecten hiervan ook met artikel 4.1.4 worden bestreden.</al><tussenkop>Artikel 4.4.2 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                    stoffen</tussenkop><al>Deze bepaling ziet op hinder en overlast die voor bewoners of gebruikers van
                    nabijgelegen gebouwen of terreinen kunnen ontstaan door het parkeren van
                    voertuigen met stankverspreidende stoffen, zoals vrachtauto's van
                    destructiebedrijven, vismeelfabrieken e.d.</al><al>Onder de werking van deze bepaling valt ook het doen of laten staan van
                    voertuigen met</al><al>stankverspreidende stoffen buiten de weg in de zin van de WVW 1994.</al><al>Een ontheffingsmogelijkheid wordt niet geboden. Deze mogelijkheid valt niet goed
                    te rijmen met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren. dan met
                    een aangepaste redactie, in te voegen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                    gemeente</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Parkeerexcessen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Onder a</tussenkop><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder 'weg' verstaan hetgeen artikel
                    1, eerst lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) daaronder
                    verstaat. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen
                    of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die
                    wegen behorende paden en bermen of zijkanten. De artikelen 5.1.2, 5.1.3, 5.1.4,
                    eerste lid, onder a, 5.1.5 en 5.1.6, tweede lid, hebben derhalve slechts op
                    'echte' parkeerexcessen betrekking. De andere artikelen in deze afdeling
                    strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994.
                    De daar bedoelde plaatsen zullen doorgaans wél zijn aan te merken als 'weg' in
                    de zin van deze APV (zie art. 1.1 onder d).</al><al>Ook voor het openbaar verkeer openstaande parkeerterreinen kunnen onder de
                    definitie van 'weg' in de zin van de WVW 1994 worden gebracht.</al><al>Hiervoor pleiten de volgende argumenten. De WVW 1994 bevat blijkens haar
                    considerans regels</al><al>inzake het verkeer op de weg. Wat in die wet onder 'wegen' wordt verstaan is
                    hiervoor reeds vermeld.</al><al>Artikel 2 van de WVW 1994 bepaalt dat, met inachtneming van de voorschriften van
                    de WVW 1994, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regelingen
                    worden gesteld nopens het verkeer op de wegen.</al><al>In een van die algemene maatregelen van bestuur, het RVV 1990, worden
                    gedragsregels gegeven voor parkeerplaatsen. Zie bij voorbeeld in artikel 24 e.v.
                    en artikel 46 RVV 1990.</al><al>Onder parkeerplaats wordt ook een parkeerterrein begrepen. Al vallen
                    parkeerterreinen onder de</al><al>werking van de onderhavige parkeerexcesbepalingen, dit neemt niet weg dat zij in
                    een aantal gevallen daarvan zullen moeten worden uitgezonderd. Te denken valt
                    bij voorbeeld aan het parkeren van vrachtwagens. Het is immers evident dat
                    parkeerterreinen een belangrijke functie vervullen ten behoeve van een redelijke
                    verdeling van de beschikbare parkeerruimte</al><tussenkop>Onder b</tussenkop><al>Opdat over de inhoud van het begrip 'voertuigen' geen onzekerheid zal bestaan,
                    is hier een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen de
                    definitie van 'voertuigen' die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt
                    gegeven. Van dit begrip voertuigen is een aantal categorieën uitgezonderd, zoals
                    treinen en trams, tweewielige fietsen en bromfietsen, invalidenvoertuigen en
                    andere kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. Deze
                    uitzondering is gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking
                    zouden krijgen.</al><al>Een driewielige (bak)fiets of bromfiets valt wel onder het begrip voertuig,
                    zoals in deze afdeling</al><al>bedoeld.</al><al>Het lijkt niet wenselijk dat de uitzondering ook voor deze 'driewielers' zou
                    gelden, omdat het parkeren van deze voertuigen ook kan leiden tot
                    parkeerexcessen. Een driewieler van een kleuter wordt gerekend tot de kleine
                    voertuig in onderdeel 4 en wordt daarmee uitgezonderd van het begrip voertuig in
                    deze afdeling.</al><tussenkop>Onder c</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip 'parkeren' is weliswaar ontleend aan artikel 1,
                    onder ac, van het RVV 1990, maar er is een ruimere werking beoogd dan in het RVV
                    1990. De gegeven definitie</al><al>bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van voertuigen, die
                    moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen
                    blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk
                    laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die door deze
                    modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van
                    toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf
                    stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van
                    parkeren.</al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van paragraaf 5.1. van de APV zich
                    ook tot nietbestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede 'het laten stilstaan'
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><tussenkop>Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</tussenkop><tussenkop>Eerste lid, onder a</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van</al><al>garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als
                    stallingsruimte voor auto's die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Het gaat
                    hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op buitensporige wijze
                    plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht
                    (verkeersmotief).</al><al>Bij het opstellen van deze bepaling is er naar gestreefd de delictomschrijving
                    zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering
                    moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene
                    'zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte' van de</al><al>hierbedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen 'hem
                    toebehoren of zijn</al><al>toevertrouwd', onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden 'drie of
                    meer voertuigen' zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen
                    zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het
                    kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren
                    van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto('s) van de exploitant en
                    eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het derde lid, onder b.)</al><al>Deze bepaling heeft slechts betrekking op 'eigenlijke' parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het</al><al>parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het zou uiteraard
                    te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen buiten de
                    weg.</al><tussenkop>Eerste lid, onder b</tussenkop><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de</al><al>uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake geluidsoverlast
                    en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg
                    van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</al><al>Met de hierbedoelde bepaling kan naar verwachting beter worden opgetreden tegen
                    met het slopen en repareren van voertuigen gepaard gaande geluid- en
                    stankoverlast en verontreiniging van de weg.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder 'verhuren', zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Onder a is het woord 'vergen' gebezigd in plaats van 'duren' ten einde twijfel
                    over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan
                    een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term
                    'vergen' beschikt men over een meer objectieve maatstaf.</al><al>De in het eerste lid gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het
                    normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto('s) van de
                    exploitant.</al><al>Het bepaalde bij artikel 5.1.2 kan niet als een soort 'escape' fungeren ten
                    opzichte van de andere in deze paragraaf opgenomen verbodsbepalingen. Artikel
                    5.1.2 mag met andere woorden niet gelezen worden in verband met de andere
                    artikelen in de paragraaf, in die zin dat de 'faciliteit' die in artikel 5.1.2
                    is besloten - garagehouders enz. mogen twee auto's sowieso op de weg laten staan
                    – ook impliceert dat zij een autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot
                    voertuig enz. ongelimiteerd lang op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte
                    die hen is aangewezen dezelfde blijft.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto's op de weg te parkeren. Aan
                    de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer
                    omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de
                    orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van
                    het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag
                    worden geparkeerd. In dit verband mag worden gewezen op hetgeen in de algemene
                    toelichting is gesteld over het voorzien in vervangende parkeergelegenheid.</al><tussenkop>Artikel 5.1.3 Voertuigwrakken</tussenkop><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak in de eerste plaats
                    aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt
                    een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het op
                    de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus primair om die reden excessief.
                    Daarnaast kan echter ook het zo juist genoemde verkeersmotief een rol spelen bij
                    het uitvaardigen van dit verbod.</al><al>Ofschoon een wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in de
                    zin van de</al><al>wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar strekking en het
                    verband met de andere bepalingen wel als parkeerexcesbepaling aan te
                    merken.</al><al>De onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken
                    op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de openlucht opslaan van
                    wrakken vindt reeds regeling in de model Afvalstoffenverordening en tevens in
                    artikel 10.17 van de Wet milieubeheer. De</al><al>delictsomschrijving bevat derhalve niet tevens het bestanddeel 'van de weg af
                    zichtbaar'.</al><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen
                    de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze
                    bepaling.</al><tussenkop>Artikel 5.1.4 Caravans e.d.</tussenkop><tussenkop>Eerste lid,</tussenkop><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    caravans, campers,</al><al>kampeerwagens, aanhangwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden
                    'parkeren'</al><al>gewijzigd in 'te plaatsen of te hebben' om de handhaving van deze bepaling
                    eenvoudiger te maken.</al><al>Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d.
                    op de openbare weg wordt overtreding van deze bepaling niet langer meer
                    voorkomen. Met de zinsnede 'of een ander dergelijk voertuig dat voor de
                    recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan
                    verkeersdoeleinden wordt gebezigd' is beoogd aan te geven dat alle soorten
                    (aanhang)wagens en voertuigen, die niet 'dagelijks' worden gebruikt als
                    vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.</al><al>Het excessieve van het hier bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in
                    het buitensporige</al><al>gebruik van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast is dat het
                    ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste vier (achtereenvolgende) dagen
                    wordt niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn
                    kampeerwagen, caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken,
                    respectievelijk na de reis op te ruimen.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5.1.1., onderdeel c, wordt het
                    begrip 'parkeren' zo</al><al>uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><tussenkop>Artikel 5.1.5 Parkeren van reclamevoertuigen</tussenkop><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt 'met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken', maar vooral als</al><al>vervoersmiddel.</al><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet</al><al>gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds
                    met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve gelegen
                    zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien
                    van de gemeente.</al><al>In deze bepaling gaat het om een 'eigenlijk' parkeerexces, hetwelk veronderstelt
                    dat de gedraging</al><al>plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben van
                    handelsreclame op of aan</al><al>onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats is geregeld in artikel 4.2.1
                    van de APV.</al><al>Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame
                    (commerciële</al><al>reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet
                    blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van
                    handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen.Voor wat betreft de relatie met
                    artikel 10 EVRM en 19 IVBP zij verwezen naar de toelichting bij artikel
                    4.2.1.</al><al>Onder omstandigheden mag hij, blijkens bedoelde jurisprudentie, ook het maken
                    van reclame,</al><al>waardoor gedachten of gevoelens worden geopenbaard (artikel 7 Grondwet) of een
                    mening wordt</al><al>geuit (artikel 10 EVRM) aan beperkingen onderwerpen. Men spreekt wel van 'ideële
                    reclame'.</al><al>Het hier geregelde verbod luidt algemeen: voor het gehele grondgebied van de
                    gemeente (behoudens de ontheffingsmogelijkheid van het tweede lid). Het is
                    vanzelfsprekend vrij de werking van het verbod - naar plaats of tijd -
                    afhankelijk te stellen van het oordeel van het college.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5.1.1., onderdeel c, wordt het
                    begrip 'parkeren' zo</al><al>uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><tussenkop>Artikel 5.1.6 Parkeren van grote voertuigen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In de Gemeente Capelle aan den IJssel wordt het als noodzakelijk ervaren dat het
                    parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in de
                    stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan.
                    Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt
                    ondervonden als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze
                    parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij
                    schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid
                    van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                    inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering vanhet uitzicht vanuit
                    de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz. Op den duur zal
                    het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te geschieden op
                    wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de bebouwde kom,
                    welke gelegen zijn in hetcentrum of in de woonwijken. Uit de jurisprudentie kan
                    worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren van vrachtwagens in
                    woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de recente
                    verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer)
                    redelijkerwijze als 'normaal' verkeer kan worden beschouwd. Artikel 5.1.6 bevat
                    regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit excessief is,
                    kan worden tegengegaan.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt aan het college een mogelijkheid te verschaffen om het
                    parkeren van grote</al><al>voertuigen te kunnen reguleren. Overwegingen hiertoe kunnen bijvoorbeeld zijn de
                    aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten
                    staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan of het tegen gaan van excessief
                    gebruik van de weg veroorzaakt door het parkeren van grote voertuigen op de weg
                    (in de zin van de WVW 1994).</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5.1.1., onderdeel c, wordt het
                    begrip 'parkeren' zo</al><al>uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar</al><al>ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan bij de aanwijzing nadere regels
                    stellen met</al><al>betrekking tot het gebruik van de in het eerste lid bedoelde aangewezen wegen of
                    plaatsen.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in het eerste lid omschreven verboden
                    een ontheffing te verlenen.</al><al>Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een
                    onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.</al><al>Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken.
                    Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven - ongeacht de aard - kunnen
                    worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.</al><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende
                    de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><tussenkop>Artikel 5.1.7 Parkeren (brom)fietsen en dergelijke</tussenkop><al>Het plaatsen van fietsen, bromfietsen, scooters en dergelijke die her en der
                    buiten de daartoe</al><al>bestemde fietsenstallingen worden geplaatst wordt als hinderlijk ervaren. Het
                    gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde
                    tweewielers voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en
                    dergelijke.</al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste tweewielers is het college de
                    bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is om
                    tweewielers neer te zetten buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan
                    wel deze daar te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in
                    overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming van schade
                    aan de openbare gezondheid.</al><al>Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan</al><al>voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten
                    banen.</al><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste tweewieler worden opgetreden. Door middel van borden zal worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste tweewielers worden verwijderd. Het feitelijk
                    verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang.</al><tussenkop>Artikel 5.1.8 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen,</al><al>plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen.</al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk</al><al>aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter
                    aan zijn</al><al>bestemming te doen beantwoorden.</al><al>Deze bepaling richt zich uitsluitend tegen een 'oneigenlijk' parkeerexces - dat
                    wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de 'weg' (in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt. Doorgaans zal een groenstrook geen deel
                    uitmaken van de weg.</al><al>Bermen maken wel deel uit van de 'wegen' in de zin van artikel 1 van de WVW
                    1994. Aangezien de berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de
                    desbetreffende weg betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de
                    berm, zoals parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto's,
                    motoren e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het
                    trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd.
                    Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de
                    bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als
                    ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden
                    ingesteld. Dit kan door plaatsing van het bord E1 van Bijlage 1</al><al>van het RVV 1990 met een onderbord, waarop staat dat het parkeerverbod alleen
                    geldt voor de berm.</al><al>Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is,
                    bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de
                    berm wel kan worden toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde
                    bord E1 noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de
                    berm wel is toegestaan.</al><al>Omdat de wegenverkeerswetgeving onder 'wegen' ook de bermen begrijpt, is het in
                    artikel 5.1.8</al><al>vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet
                    niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening wordt
                    geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de
                    Wegenverkeerswet).</al><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks</al><al>geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit te stappen dan wel voor
                    het laden of lossen van goederen.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing
                    behoren te zijn op een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in
                    groenvoorzieningen.</al><al>Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen 'doen of laten staan' in
                    plaats van 'parkeren', omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een
                    plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid
                    veroorzaakt.</al><al>Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige gevallen
                    ook</al><al>zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht met
                    zich mee brengen.</al><al>Indien het in artikel 5.1.8 bedoelde voertuig een door een woonwagenbewoner
                    bewoonde woonwagen is, zal het college deze niet met toepassing van
                    bestuursdwang op grond van artikel 61 Woonwagenwet uit de gemeente kunnen doen
                    verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten toestemming is verleend
                    als bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing op grond van het vierde lid
                    van dat artikel is uitgevaardigd. Zie Wnd. Vz. ARRS 24 juni 1983, nr.
                    RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout).</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Bij de onder a bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke
                    plantsoenendienst.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Collecteren, standplaatsen en venten</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goederen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Ingevolge artikel 5.2.1, eerste lid, is het houden van een openbare inzameling
                    gebonden aan een</al><al>vergunning van het college.</al><al>Het maakt niet uit of er gecollecteerd wordt voor een ideëel dan wel commercieel
                    doel. Voor de</al><al>toepasselijkheid van de bepaling is het niet nodig dat de inzameling zich naar
                    haar aard en opzet richt tot een ieder zonder onderscheid.</al><al>Een inzameling wordt als openbaar aangemerkt als deze aan de openbare weg of van
                    daaraf</al><al>zichtbaar dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plek plaatsvindt.
                    Ook indien een</al><al>inzameling beperkt is tot de op intekenlijsten voorkomende namen kan dus van een
                    openbare</al><al>inzameling sprake zijn.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid van artikel 5.2.1 is met zoveel woorden aangegeven dat, indien
                    bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden, dit niet
                    meebrengt dat voor het houden van de inzameling geen vergunning vereist is. Het
                    komt veelvuldig voor, dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige
                    aanbieding van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier
                    e.d., waarbij dan een beroep wordt gedaan op de charitatieve bestemming van de
                    opbrengst daarvan.</al><al>De vraag rijst in welke gevallen deze wijze van collecteren valt onder de
                    bescherming van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. De scheiding tussen het
                    inzamelen van geld en goederen en het</al><al>verspreiden van gedrukte stukken is geaccepteerd in de rechtspraak. Ook een
                    beroep op artikel 10 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van
                    de mens en de fundamentele</al><al>vrijheden (EVRM) en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake
                    burgerrechten en politieke</al><al>rechten, mocht de verbindendheid van een dergelijke APV-bepaling niet
                    aantasten.</al><al>In het tweede lid van artikel 5.2.1 zijn de beide handelingen - het collecteren
                    en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar
                    gescheiden.</al><al>Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare inzamelingen van
                    een vergunning</al><al>afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of verspreiden van geschreven of
                    gedrukte stukken. Het eerste lid onderwerpt een openbare inzameling van geld of
                    goederen aan een vergunning. Volgens het tweede lid wordt onder zodanige
                    inzameling mede verstaan het bij het aanbieden van geschreven of gedrukte
                    stukken aanvaarden van geld of goederen.</al><al>Het aanbieden van geschreven of gedrukte stukken wordt door de bepaling absoluut
                    onverlet gelaten.</al><al>Om concreet te worden: wordt een aanvraag om een collectevergunning geweigerd en
                    was de</al><al>aanvrager voornemens om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden,
                    dan blijft het recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan.</al><al>Voorts maakt het bijzondere element '... indien daarbij te kennen wordt gegeven
                    of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig
                    of een ideëel doel is bestemd' nog eens duidelijk, dat het gaat om een regeling
                    van het collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met
                    gedrukte stukken.</al><al>Hoewel het begrip 'liefdadig doel' wellicht onder het begrip 'ideëel doel'
                    gebracht zou kunnen worden, zijn beide termen in artikel 435e Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr) opgenomen. Deze laatste term is ruimer en zou ook bepaalde
                    acties omvatten, waarbij - onder mededeling dat de opbrengst geheel of ten dele
                    voor een goed doel is bestemd - briefkaarten tegen aanzienlijk hogere prijzen
                    dan gebruikelijk te koop worden aangeboden, terwijl de opbrengst van die acties
                    veelal geheel ten goede komt aan de initiatiefnemers tot die briefkaartenacties.
                    In de memorie van antwoord wordt hierover gezegd: 'Erkend kan worden, dat de
                    term liefdadig in het spraakgebruik vooral wordt gebezigd voor acties die ten
                    doel hebben bepaalde personen stoffelijke steun te verlenen (...). Ten einde er
                    geen twijfel over te laten</al><al>bestaan dat ook acties gericht op de verwezenlijking van een bepaald ideaal of
                    een bepaalde</al><al>gedachte onder de onderhavige strafbepaling vallen, is deze (...) aangevuld met
                    de woorden ,,of</al><al>ideëel doel'. In dit verband merk ik nog op dat, hoewel het begrip liefdadig
                    doel wellicht onder het</al><al>begrip ideëel kan worden gebracht, het mijns inziens duidelijkheidshalve de
                    voorkeur verdient beide termen in het wetsontwerp op te nemen (TK 1979-80, wow
                    15678, nr.7). In dit verband zij nog gewezen op (...) artikel 285, derde lid,
                    Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dat spreekt van uitkeringen met een ideële of
                    sociale strekking. Onder dit laatste moet worden verstaan: verstrekkingen voor
                    noodzakelijk levensonderhoud.'</al><tussenkop>Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of collecteren (onder
                    gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken)?</tussenkop><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                    onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Venten
                    of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, eerste
                    lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de
                    kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van
                    gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de
                    verspreiding. </al><al>Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer voor deze
                    stukken een reële</al><al>contraprestatie in de vorm van een vast bedrag zou worden gevraagd. Omdat het
                    aanbieden van</al><al>gedrukte stukken en het ontvangen van een geldelijke vergoeding zijn 'gekoppeld'
                    en niet te scheiden, is artikel 5.2.2 (de ventbepaling) dan ook met het oog op
                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet met zoveel woorden niet van toepassing
                    verklaard op het te koop aanbieden, verkopen en afleveren van gedrukte stukken
                    (waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard). Bij het collecteren onder
                    gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken is deze koppeling niet aanwezig.
                    Verkrijgt men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag of een weliswaar
                    vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in
                    een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar
                    liefdadig of ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake van een
                    collecte.</al><al>De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie
                    uitgereikt en zijn niet</al><al>elementair voor het verschijnsel collecte. Bij strafrechtelijk optreden tegen
                    dit soort, zonder vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en
                    bewezen moeten worden, dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de
                    opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel doel.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het derde lid van artikel 5.2.1 is voorts een uitzondering opgenomen voor
                    inzamelingen die</al><al>gehouden worden 'in besloten kring'. Voor deze uitdrukking is aansluiting
                    gezocht bij artikel 435e</al><al>WvSr, waarin het telefonisch colporteren voor charitatieve doeleinden wordt
                    verboden.</al><al>De uitdrukking 'in besloten kring' doelt op gevallen waarin tussen de
                    inzamelende instelling en de</al><al>persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of
                    verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het
                    begrip 'besloten kring' veronderstelt een nauwere band dan alleen het
                    gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal tevens moeten aangeven dat er ook een
                    zekere gemeenschappelijke bekendheid met elkaar is. Dit zal niet het geval zijn,
                    indien de band tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt gevonden in het
                    gemeenschappelijk lidmaatschap van een grote organisatie als een vak- of een
                    omroepvereniging. Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde
                    kerkgenootschap.</al><al>Wordt de actie evenwel gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk,
                    of door een</al><al>plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake
                    kunnen zijn van een</al><al>besloten kring.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Ten gevolge van het bepaalde in het vierde lid van artikel 5.2.1 is het college
                    bevoegd voor bepaalde collecten vrijstelling te verlenen van de
                    vergunningsplicht. Men kan hier met name denken aan de collecten die genoemd
                    worden in het landelijk collecteplan.</al><tussenkop>Het Centraal Bureau Fondsenwerving</tussenkop><al>Het door de Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) voor het
                    inzamelingswezen jaarlijks opgestelde collecteplan dient de gemeentebesturen als
                    leidraad voor een plaatselijk collecterooster.</al><al>Bij het CBF zijn alle Nederlandse gemeenten aangesloten. Het CBF, opgericht in
                    1925, stelt zich tot taak te bevorderen dat de werving van middelen en de
                    propaganda voor doeleinden te algemenen nutte op aanvaardbare wijze geschiedt,
                    een en ander zowel in het algemeen belang als in het belang van de erbij
                    betrokken instellingen. De stichting tracht haar doel te bereiken door onder
                    meer:</al><al>8?de bevordering van de coördinatie, in samenwerking met de charitatieve
                    instellingen, van alle,</al><al>voorzover niet uitsluitend als plaatselijk te beschouwen, activiteiten op dit
                    gebied;</al><al>8?het registreren van informatie over doelstelling, activiteiten e.d. van
                    charitatieve instellingen, onder</al><al>meer aan de hand van jaar- en financiële verslagen;</al><al>8?het geven van voorlichting en advies aan de aangeslotenen, met name aan
                    gemeenten;</al><al>8?het aanwenden van alle gepaste middelen ter bestrijding en voorkoming van
                    misbruiken en</al><al>misstanden op het inzamelingsterrein.</al><al>Het CBF heeft normen ontwikkeld waaraan het de activiteiten van charitatieve
                    instellingen toetst</al><al>(zoals: een goed bestuur, geen doelen in strijd met de wet, efficiënte
                    uitvoering en verantwoording van</al><al>het financieel beheer). Alleen te goeder naam en faam bekend staande
                    instellingen worden vermeld op het collecteplan. Dit plan wordt jaarlijks door
                    het CBF, in overleg met de Stichting collecteplan, opgesteld en aan de
                    aangesloten gemeenten toegezonden.</al><al>Het CBF adviseert eveneens inzake verzoeken om vergunningen voor niet op het
                    landelijk</al><al>collecteplan vermelde collecten, mits de doelstelling van de betrokken
                    instelling zuiver humanitair en niet politiek is. In zijn adviezen geeft het CBF
                    onder meer zijn standpunt weer over de</al><al>betrouwbaarheid van de organisatie en de daarbij betrokken personen, alsmede
                    over de</al><al>steunwaardigheid van de doelstelling c.q. het specifieke doel van de voorgenomen
                    actie. Tevens</al><al>wordt getoetst of de voorgenomen actie geen duplicering is van andere, reeds
                    gevestigde</al><al>inzamelingen ten bate van een identiek doel, met name dat van instellingen
                    vermeld in het landelijk collecteplan. Over inzamelingen ten behoeve van
                    politieke doelstellingen wordt door het CBF echter niet geadviseerd.</al><al>Het CBF bewaart en beheert geen gegevens over de justitiële antecedenten van
                    personen die zich met charitatieve acties bezighouden. Dit is reeds daarom niet
                    mogelijk, omdat de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen
                    omtrent het gedrag zich daartegen verzet. Uiteraard is het mogelijk dat het CBF
                    incidenteel bepaalde informatie heeft; het heeft die dan echter verkregen aan de
                    hand van voor het publiek toegankelijke bronnen, zoals krantenberichten,
                    rechterlijke uitspraken e.d.</al><al>Hoewel het door het CBF opgestelde landelijk collecteplan geenszins bindend is,
                    doch slechts de</al><al>betekenis heeft van een advies, dienen de gemeentebesturen zich blijkens de
                    jurisprudentie zoveel mogelijk aan dat plan te houden. Slechts indien hiervoor
                    gewichtige redenen aanwezig zijn, kunnen zij hiervan afwijken. Het feit, dat de
                    ingezetenen van de gemeente rechtstreeks geen belang hebben bij de werkzaamheid
                    van de aanvrager, elders gevestigde instelling, mag niet leiden tot weigering
                    van de toestemming.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><tussenkop>Collectevergunning en textiel</tussenkop><al>Textiel is een afvalstof in de zin van artikel 1.1, eerste lid, Wet
                    milieubeheer. Dit blijkt uit een uitspraak (voorlopige voorziening) van de
                    Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS 28-01-2003,
                    200206958/1). Voor de collectevergunning heeft de uitspraak van de Raad van
                    State de volgende consequentie. De inzameling van textiel valt onder het
                    toepassingsgebied van de afvalstoffenverordening . Het verstrekken van een
                    collectevergunning voor de inzameling van textiel is hierdoor niet mogelijk,
                    omdat textiel in nagenoeg alle gevallen kan worden beschouwd als een afvalstof
                    in de zin van artikel 1.1, eerste lid, Wet milieubeheer. Het is namelijk niet
                    aannemelijk dat een burger zijn textiel gesorteerd kan aanbieden. Immers deze
                    kan niet weten voor welke bestemming hij bijvoorbeeld lappen of kleren aanbiedt
                    (hergebruik, poetslap of onbruikbaar). Een sorteerbewerking lijkt hierdoor
                    altijd noodzakelijk. Gesteld kan worden dat de gemeente op grond van artikel
                    10.22 Wet milieubeheer een zorgplicht heeft voor de inzameling van textiel,
                    hierdoor is de afvalstoffenverordening van toepassing.</al><al>Dat betekent overigens niet dat de gemeente de inzameling van textiel zelf ter
                    hand moet nemen. De inzameling van textiel kan nog steeds worden overgelaten aan
                    charitatieve instellingen. De gemeente kan bijvoorbeeld op grond van artikel 7,
                    tweede lid, van de -afvalstoffenverordening besluiten een charitatieve
                    instelling aan te wijzen als inzamelaar van textiel. Ook kan het college op
                    grond van artikel 11 van de afvalstoffenverordening besluiten een
                    inzamelvergunning te verlenen aan een charitatieve instelling.</al><al>Benadrukt moet worden dat de uitspraak van de Afdeling een voorlopige
                    voorziening is en dat in een bodemprocedure anders kan worden bepaald. Gelet op
                    deze onzekerheid bepaalt het vijfde lid dat het eerste lid niet van toepassing
                    is voorzover een andere verordening dit onderwerp regelt.</al><tussenkop>Artikel 5.2.2 Standplaatsen: uitstallingen op de weg</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Artikel 5.2.2 ziet duidelijk op het te koop aanbieden van goederen vanaf een
                    vaste plaats. Hiermee wordt dan ook een onderscheidend criterium gevormd ten
                    opzichte van het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er
                    immers vanuit gegaan, dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere
                    plaats in de openbare ruimte moet aanbieden.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Artikel 5.2.2, tweede lid, verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten
                    dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is
                    verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen degene die zonder
                    vergunning een standplaats inneemt te vervolgen, maar ook de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het derde lid van artikel 5.2.2 wordt een uitzondering gemaakt op het verbod
                    op de straathandel (artikel 5.2.2., eerste lid, onder b) voor zover het betreft
                    het uitstallen van stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard
                    (artikel 7 Grondwet). Artikel 5.2.2., derde lid, heeft als strekking dat voor
                    het aanbieden van gedrukte stukken geen vergunning kan worden geëist. Dit
                    aanbieden van gedrukte stukken wordt gezien als een zelfstandig middel van
                    verspreiding. Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats
                    gedrukte stukken worden aangeboden (artikel 5.2.2, eerste lid sub a). Deze
                    vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden
                    aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Artikel 5.2.2, vierde lid, bepaalt dat het in artikel 5.2.2, eerste lid,
                    geformuleerde verbod op het</al><al>innemen van een standplaats behoudens een vergunning van het college niet geldt
                    ten aanzien van het innemen van een standplaats op een door de gemeente
                    ingestelde markt op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                    Gemeentewet. Degene die op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats
                    wil innemen zal zich moeten houden aan de regels die in de marktverordening zijn
                    neergelegd.</al><al>Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning
                    krachtens</al><al>artikel 5.2.2 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2.3.1 en 2.3.2. van
                    toepassing, waarbij de</al><al>bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van
                    toepassing zijn.</al><tussenkop>Vijfde lid, onder a, Openbare orde</tussenkop><al>De weigeringsgrond omtrent de openbare orde sluit nauw aan bij de
                    weigeringsgrond inzake het</al><al>beperken of voorkomen van overlast. Ook wordt deze weigeringsgrond dikwijls
                    gehanteerd in</al><al>combinatie met de weigeringsgrond 'belang van de verkeersvrijheid of
                    -veiligheid'.</al><al>Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden hebben in de praktijk
                    een</al><al>verkeersaantrekkend karakter. Door deze verkeersaantrekkende werking ontstaan
                    mogelijk</al><al>ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers en ontoelaatbaar rijwielverkeer
                    in</al><al>voetgangersgebieden. Ook parkerende en geparkeerde auto's kunnen overlast in de
                    omgeving</al><al>veroorzaken. In het belang van de verkeersveiligheid is het daarom niet mogelijk
                    overal een</al><al>standplaats in te nemen.</al><al>Uit de jurisprudentie blijkt dat beperking van het aantal te verstrekken
                    vergunningen in het belang van de openbare orde en de verkeersveiligheid is
                    toegestaan. Dit neemt niet weg dat iedere aanvraag voor het innemen van een
                    standplaats op haar eigen merites beoordeeld dient te worden.</al><tussenkop>Vijfde lid, onder b, Overlast</tussenkop><al>Bij het hanteren van de weigeringsgrond 'overlast' kan een verdeling
                    gerealiseerd worden van het</al><al>aantal standplaatsen, waarbij de af te geven vergunningen zodanig over de week
                    verspreid worden, dat een concentratie van de in te nemen standplaatsen wordt
                    tegengegaan. Deze weigeringsgrond kan ook gebruikt worden wanneer veel
                    belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat. Een aantal standplaatsen op één
                    plek doet ook de kans op feitelijke marktvorming ontstaan.</al><al>Ook is het mogelijk om specifieke standplaatsen op bepaalde locaties te weren.
                    Gedacht kan</al><al>bijvoorbeeld worden aan bakkramen die in verband met stankoverlast of
                    brandgevaarlijkheid niet in de directe nabijheid van gebouwen gewenst zijn.</al><tussenkop>Vijfde lid, onder c, Redelijke eisen van welstand</tussenkop><al>Bij de herziening van 2004 is de weigeringsgrond 'uiterlijk aanzien van de
                    gemeente' vervangen door ‘redelijke eisen van welstand’ vanwege het streven om
                    de terminologie in de APV zo eenduidig mogelijk te houden. In de artikelen 2.2.1
                    en 4.2.1 is immers ook ‘redelijke eisen van welstand’ als weigeringsgrond
                    opgenomen. Bovendien sluit het aan bij de terminologie van de Woningwet.</al><al>De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden
                    ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt.
                    Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden
                    tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of
                    stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de
                    inhoud van deze weigeringsgrond.</al><tussenkop>Vijfde lid, onder d, Verkeersvrijheid en -veiligheid</tussenkop><al>Zie de toelichting op de weigeringsgrond, het belang van de openbare orde.</al><tussenkop>Vijfde lid, onder e, Verzorgingsniveau</tussenkop><al>Op een tweetal manieren kan de aanvraag voor het innemen van een standplaats
                    worden geweigerd wanneer het voorzieningenniveau ter plaatse in gevaar
                    komt.</al><al>De eerste betreft de weigering door het vergunningverlenend orgaan met een
                    beroep op een</al><al>distributieplanologisch onderzoek (DPO). In een dergelijk onderzoek wordt aan de
                    hand van uit</al><al>onderzoek verkregen gegevens aangegeven wat de minimale voorzieningen moeten
                    zijn in de</al><al>gemeente of in een bepaalde wijk van de gemeente. Indien uit het onderzoek
                    blijkt dat er voldoende verkooppunten zijn hoeft dit geen weigeringsgrond voor
                    de aanvraag voor het innemen van een standplaats te betekenen. Het bepalende
                    element om tot het niet verstrekken van de vergunning over te gaan is het
                    verzorgingsniveau voor de consument. In beginsel is de concurrentiepositie van
                    een gevestigde winkelier geen reden om een standplaatsvergunning te weigeren. Op
                    grond van een DPO kunnen wel winkeliers in een nieuw opgezet winkelcentrum
                    beschermd worden tegen concurrentie door standplaatshouders. De Afdeling
                    rechtspraak heeft aanvaard dat winkeliers gedurende een bepaalde periode, waarin
                    de aanloopkosten nog hoog zijn, gevrijwaard dienen te zijn van concurrentie, in
                    het belang van het opzetten van een voldoende voorzieningenniveau voor de
                    consument (Vz. ARRS 17-02-1986, AB 1987, 3).</al><al>Indien blijkt dat binnen het verzorgingsgebied in een bepaalde branche nog
                    slechts één winkel is</al><al>gevestigd die door de concurrentie van een standplaatshouder ten onder dreigt te
                    gaan, kan het</al><al>verzorgingsniveau ter plaatse in het gedrang komen. De winkelier moet aan de
                    hand van zijn</al><al>boekhouding aantonen dat de levensvatbaarheid van zijn winkel in gedrang is. Op
                    de dagen dat de standplaatshouder zijn goederen niet aanbiedt, is er in dat
                    geval geen aanbod van deze soort</al><al>goederen binnen het verzorgingsgebied. In een dergelijk geval kan een vergunning
                    tot het innemen van een standplaats worden geweigerd.</al><tussenkop>Vijfde lid, onder f, Bestemmingsplan</tussenkop><al>De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn
                    gebaseerd op</al><al>ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van
                    de gemeente die zaken te regelen die tot haar huishouding behoren. Daarnaast
                    vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals een
                    bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de
                    beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een
                    standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het
                    bestemmingsplan voortvloeien.</al><tussenkop>Zesde lid onder a</tussenkop><al>Indien de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                    wegenverkeersreglement Zuid Holland van toepassing zijn, heeft de APV geen
                    aanvullende werking. Daarom zijn beide regelingen gekoppeld aan het verbod van
                    het eerste lid.</al><tussenkop>Zesde lid onder b en c</tussenkop><al>In de praktijk kan het voorkomen dat voor het aanbieden van goederen vanaf een
                    standplaats van een bepaald product meer dan één vergunning vereist is. Een
                    voorbeeld is het verkopen van vis of frites vanaf een standplaats. Hierop is
                    zowel het regime van de APV van toepassing, als de bepalingen van de Wet
                    milieubeheer. Indien de viskraam een bouwwerk is, is ook de Woningwet van
                    toepassing.</al><al>Indien een milieuvergunning en/of een bouwvergunning worden verleend, moet het
                    college bij het</al><al>aanvragen van een standplaatsvergunning ook nog toetsen aan de weigeringsgronden
                    van het vijfde lid. Een vergunning kan dan alsnog worden geweigerd op grond van
                    de APV. De gemeente kan de standplaatsvergunning weigeren op grond van de
                    weigeringsgronden in het vijfde lid, onder a en c t/m f, in het geval van
                    toepasselijkheid van de Wet milieubeheer, en a, b en d t/m f in het geval er
                    sprake is van een bouwwerk.</al><tussenkop>Achtste lid</tussenkop><al>De nadere regels zijn bijvoorbeeld vastgelegd in het standplaatsenbeleid.</al><tussenkop>Waarom wordt er gesproken van bouwwerken?</tussenkop><al>Op 1 januari 2003 is het bouwvergunningstelsel van de Woningwet gewijzigd. Er
                    zijn twee soorten bouwwerken: vergunningsplichtige (lichte- en reguliere
                    bouwvergunningen) en vergunningsvrije. De meldingsplicht is verdwenen. Op de
                    vergunningsplichtige bouwwerken vindt een preventieve welstandstoets plaats.
                    Repressief welstandstoezicht rust zowel op bouwvergunningsplichtige als
                    bouwvergunningsvrije bouwwerken. Gemeenten moeten een welstandsnota hebben
                    vastgesteld om na 1 juli 2004 (preventief of repressief) welstandstoezicht te
                    kunnen (blijven) uitoefenen. Alle bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn dus
                    onderhevig aan welstandstoetsing. </al><tussenkop>Overige regelgeving</tussenkop><al>Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van de APV
                    van toepassing. Van toepassing zijn Vreemdelingenwet 2000, Vestigingswet
                    bedrijven, Wet op de Ruimtelijke ordening, Winkeltijdenwet, Warenwet, Wet
                    milieubeheer. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de
                    straathandel. Een straathandelaar moet dan ook niet alleen over een
                    standplaatsvergunning, afgegeven door het college, beschikken, maar moet, indien
                    nodig, ook aan andere wettelijke vereisten voldoen.</al><tussenkop>Artikel 5.2.3 Venten e.d.</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Artikel 5.2.3 gaat uit van een algeheel verbod op het venten, behoudens indien
                    met een door het</al><al>college verstrekte vergunning wordt gehandeld. In het tweede artikellid worden
                    de uitzonderingen op het verbod genoemd. Het derde artikellid geeft aan wanneer
                    de aangevraagde vergunning kan</al><al>worden geweigerd.</al><al>Uit jurisprudentie volgt dat de venter zijn waren voortdurend moet aanbieden
                    vanaf een andere plaats.</al><al>Verkoop vanuit een rijdende winkelwagen wordt ook tot het venten gerekend.</al><tussenkop>Tweede lid, onder a</tussenkop><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel
                    van bekendmaking aangemerkt. Dientengevolge moet het venten met gedrukte of
                    geschreven stukken van de verbodsbepaling uit het eerste lid van het APV artikel
                    worden uitgezonderd.</al><al>Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er in een concrete situatie
                    sprake is van de uitoefening van 'een zelfstandig middel van bekendmaking' in de
                    zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er sprake is van het te koop aanbieden
                    van drukwerk, waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Het
                    verspreiden van handelsreclame wordt niet tot de vrijheid van drukpers gerekend,
                    zie artikel 7, vierde lid van de Grondwet.</al><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de</al><al>vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de praktijk
                    dikwijls moeilijk vast te stellen.</al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria</al><al>toegestaan:</al><al>8?de beperking mag geen betrekking hebben op de inhoud van de gedrukte
                    stukken;</al><al>8?er dient gebruik van enige betekenis te resteren; de beperking mag niet
                    resulteren in een algeheel verbod.</al><al>Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het
                    verlenen van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wèl
                    toelaatbaar. De beperking van de verkoop van drukwerk waarop een mededeling
                    staat is, gelet op artikel 7 van de Grondwet, niet mogelijk voor zover het
                    betreft de inhoud van het drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers
                    'iedere openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of een
                    gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit' (Kb 5 juni
                    1986, Stb. 339). Wel kan de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare
                    orde en veiligheid naar tijd en plaats worden ingeperkt. Deze beperking mag
                    echter niet zover gaan dat het gebruik van de vrijheid van drukpers feitelijk
                    onmogelijk wordt gemaakt.</al><tussenkop>Tweede lid, onder b</tussenkop><al>De reikwijdte van het geformuleerde ventverbod betreft in beginsel ook het aan
                    de deur afleveren van goederen. In bepaalde gevallen worden echter artikelen die
                    in een winkel zijn aangeschaft door de winkel er of zijn personeel aan huis
                    afgeleverd. Een dergelijk afleveren van goederen betreft niet de verkoop van
                    goederen aan de deur, waardoor de openbare orde wordt aangetast. Hiervoor wordt
                    dan ook een uitzondering gemaakt.</al><tussenkop>Tweede lid, onder c</tussenkop><al>Zie de aangaande de regels voor de markt de marktverordening.</al><tussenkop>Tweede lid, onder d</tussenkop><al>Voor een goed begrip van de artikelen 5.2.3 en 5.2.2 van de APV is het
                    noodzakelijk het onderscheid tussen venten en verkoop vanaf een standplaats te
                    verduidelijken. Onder venten met goederen wordt verstaan: de uitoefening van
                    kleinhandel, waarbij de goederen aan willekeurige voorbijgangers worden
                    aangeboden, dan wel het huis-aan-huis aanbieden van goederen.</al><al>Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van
                    goederen vanaf eenzelfde plaats, al dan niet gebruikmakend van fysieke
                    hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte.</al><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de
                    periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                    aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. </al><al>Daar tussen het venten met goederen en het aanbieden van goederen vanaf een
                    standplaats een</al><al>onderscheid wordt gemaakt, is het noodzakelijk dat in de APV-bepaling waarin het
                    venten met</al><al>goederen wordt geregeld, een uitzondering wordt gemaakt voor het aanbieden van
                    goederen vanaf een standplaats.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat het verboden is te venten zonder vergunning van
                    het college. In het belang van de rechtszekerheid moet worden aangegeven wanneer
                    een vergunning kan worden geweigerd. Met het vaststellen van de
                    weigeringsgronden wordt bepaald in welke gevallen de vereiste vergunning kan
                    worden geweigerd of wanneer de vergunning moet worden verleend. Hiermee wordt
                    ook de grens van de regelingsbevoegdheid van de gemeente aangegeven. De motieven
                    op grond waa van de gemeente het venten met goederen mag ordenen, zijn gebaseerd
                    op artikel 149 Gemeentewet. De onderwerpen die tot de huishouding van de
                    gemeente worden gerekend - en op grond waarvan een vergunning kan worden
                    geweigerd - zijn:</al><al>8?openbare orde;</al><al>8?voorkomen of beperken overlast;</al><al>8?verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al>8?bijzondere omstandigheden (verzorgingsniveau van de consument).</al><al>In de praktijk zal beoordeeld moeten worden wanneer in een concreet geval een
                    vergunning kan</al><al>worden geweigerd wegens strijd met een van de aangegeven weigeringsgronden.</al><al>Op de straathandel, waaronder naast venten ook de verkoop vanaf een
                    standplaatsen of op de markt wordt verstaan, kan ook andere regelgeving van
                    toepassing zijn, zoals de Grondwet, de</al><al>Gemeentewet, de Wet milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de
                    Colportagewet, de</al><al>Vestigingswet bedrijven, de Warenwet en de Winkeltijdenwet. Deze wetten stellen,
                    ieder vanuit</al><al>verschillende motieven, grenzen aan het drijven van handel. Voor zover nodig zal
                    ook aan deze</al><al>wettelijke voorschriften voldaan moeten zijn bij venten van goederen en
                    diensten.</al><al>De reikwijdte van de Colportagewet strekt zich uit tot een aantal, bij algemene
                    maatregel van bestuur vast te stellen goederen en diensten.</al><al>Samenvattend kan opgemerkt worden dat de Colportagewet ziet op de wijze van
                    optreden in de</al><al>relatie tussen de koper en de verkoper en niet op verkoop in relatie tot de
                    handhaving van de</al><al>openbare orde. Dit houdt in dat naast de bepalingen van de Colportagewet artikel
                    5.2.3 van de APV afzonderlijk van toepassing is. Overigens heeft de gemeente bij
                    de uitvoering van de Colportagewet geen bevoegdheden. Met de uitvoering van de
                    bepalingen van de Colportagewet zijn de ambtenaren van de Economische
                    Controledienst belast.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Verbod vuur te stoken</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.3.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen
                    ofanderszins vuur te stoken</tussenkop><al>Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen
                    altijd een ontheffing</al><al>nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer. Het college
                    kan een ontheffing</al><al>verlenen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen
                    niet verzet. Met andere woorden, het college kan een ontheffing weigeren op
                    grond van milieuhygiënische argumenten.</al><al>Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten van</al><al>belang. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer biedt geen
                    mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de openbare orde en veiligheid
                    in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften verbonden aan een dergelijke
                    ontheffing alleen dienen ter bescherming van het belang van het milieu. Artikel
                    5.3.1 vult daarom voor wat betreft deze aspecten de Wet milieubeheer aan.</al><al>Voor artikel 5.3.1 van de APV betekent dit concreet het volgende. Artikel 5.3.1,
                    tweede lid, van de</al><al>APV biedt de mogelijkheid om - naast de ontheffing op grond van de Wet
                    milieubeheer - een</al><al>ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid
                    worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de APV dan aan
                    de Wet milieubeheer. Tevens wordt het college de mogelijkheid geboden om aan
                    deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde
                    en veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in derde
                    lid.</al><al>In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het
                    eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt
                    verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen
                    afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor
                    koken, bakken en braden niet onder het nieuwe regiem van de Wet milieubeheer. Er
                    is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen.
                    Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de
                    omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachte ontstaan over overlast of
                    hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De laatste zinsnede van het
                    tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden.</al><al>De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Lid 1 regelt
                    namelijk het</al><al>aanleggen, stoken of hebben van vuur, maar in de genoemde uitzonderingsgevallen
                    is geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De APV regelt dus een
                    bepaalde materie (verbranden) vanuit</al><al>eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of
                    hinder) als de hogere</al><al>regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die niet of nog niet
                    worden bestreken door de</al><al>hogere regelgeving (namelijk het verbranden van niet-afvalstoffen buiten
                    inrichtingen).</al><tussenkop>Paragraaf 4 Verstrooiing van as</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.4.1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>In het oude Besluit op de lijkbezorging stond de mogelijkheid om as te
                    verstrooien op een permanent daartoe bestemd terrein. Dit werd door de houder
                    van onder andere een begraafplaats of crematorium aangewezen nadat hij daarvoor
                    een vergunning had gekregen van burgemeester en wethouders. Het terrein was
                    bedoeld voor meerdere verstrooiingen gedurende langere tijd. In de gewijzigde
                    Wet op de lijkbezorging blijft de mogelijkheid van het permanente terrein (in
                    iets andere bewoordingen) opgenomen als een algemene vorm van asbestemming
                    waarbij het nabestaanden niet zozeer gaat om de plaats waar verstrooid wordt als
                    wel om het gegeven dat er verstrooid wordt. Verstrooiingen die plaatsvinden door
                    of op last van de houder van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen
                    alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard
                    blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt).</al><tussenkop>Artikel 5.4.2 Verboden plaatsen</tussenkop><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol
                    op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen
                    voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke
                    overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden
                    en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet
                    waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen
                    als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen
                    wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.</al><al>Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent
                    voor</al><al>asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een
                    begraafplaats of bij het</al><al>crematorium liggen.</al><al>Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                    evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien.
                    Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die
                    gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te
                    onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</al><tussenkop>Artikel 5.4.3 Hinder of overlast</tussenkop><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten.</al><al>Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep
                    mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert
                    vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op.</al><al>Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor
                    aangegeven wijze, hinder</al><al>opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden
                    gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te
                    verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt opgenomen. Een ander voorbeeld
                    in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een balkon. Er zijn
                    genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het publiek.</al><al>Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging
                    af te leiden dat het</al><al>waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder oplevert. Door de
                    wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust
                    aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met incidentele
                    verstrooiing.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1 Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn</al><al>verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van
                    ten hoogste drie</al><al>maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking
                    van de</al><al>rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn
                    de maxima van de zes boetecategorieën opgenomen. Het maximum van een boete van
                    de eerste categorie bedraagt euro 225 en van de tweede categorie euro 2250. Het
                    is overigens uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat van de straf
                    in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen
                    boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van artikel 24 WvSr rekening
                    te houden met de draagkracht van de verdachte. Het algemeen geldende minimum van
                    de geldboete bedraagt euro 2 (artikel 23, tweede lid, WvSr).</al><tussenkop>Strafbaarheid rechtspersonen</tussenkop><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van</al><al>gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een rechtspersoon kan de
                    rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere
                    categorie 'indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende
                    bestraffing toelaat' (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr). Dat betekent dat
                    voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter de mogelijkheid
                    heeft een boete van de derde categorie op te leggen.</al><tussenkop>Medebewindsvoorschriften</tussenkop><al>In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de
                    verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de
                    strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is
                    veelal in deze wetten opgenomen. De opsomming in het eerste en tweede lid van
                    dit artikel bevatten dan ook geen in deze verordening opgenomen voorschriften,
                    op overtreding waarvan straf is bedreigd in de bijzondere wet. Deze
                    voorschriften zijn de onder onderin afdeling 2.5 Bepalingen ter bestrijding van
                    heling van goederen opgenomen artikelen met uitzondering van artikel 2.5.6.
                    Overtreding van deze voorschriften is strafbaar gesteld in de artikelen 437 en
                    437ter van het WvSr (boete van de tweede respectievelijk derde categorie).</al><tussenkop>Hechtenis</tussenkop><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling hechtenis
                    wordt opgelegd,</al><al>zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog meer terug te
                    dringen 'ten gunste' van de geldboete. Toch is in het eerste lid van dit artikel
                    de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan worden
                    uitgesloten dat in bepaalde (uitzonderings)gevallen (bijvoorbeeld in het geval
                    van recidive) de rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging van
                    een vrijheidsstraf.</al><al>Op overtreding van de in het tweede lid van dit artikel genoemde - in de eerste
                    geldboetecategorie ingedeelde - bepalingen, is echter geen hechtenis gesteld,
                    omdat het hier lichte overtredingen betreft.</al><tussenkop>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                    vergunningsvoorschriften</tussenkop><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan
                    levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens
                    artikel 1.3 van de APV gegeven beperkingen en voorschriften bij een vergunning
                    of een ontheffing.</al><al>Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 1.3, tweede lid, op.
                    Hierin is de verplichting</al><al>opgenomen dat degene aan wie krachtens de APV een vergunning of ontheffing is
                    verleend, verplicht is de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                    komen.</al><tussenkop>Artikel 6.2 Toezichthouders</tussenkop><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb).</al><al>De aanwijzing van toezichthouders kan derhalve in de APV plaatsvinden. Een deel
                    van de</al><al>toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen (dit is noodzakelijk indien een
                    toezichthouder</al><al>tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen. Zie de toelichting hierna
                    onder</al><al>opsporingsambtenaren). Hiernaast kunnen toezichthouders door het college dan wel
                    de burgemeester worden aangewezen. Voor dit laatste is gekozen, waardoor ook bij
                    aanwijzingsbesluit politieambtenaren ook als toezichthouders in de zin van Awb
                    kunnen gaan gelden. Artikel 2 van de Politiewet, dat een algemene omschrijving
                    van de politietaak bevat, kan niet worden beschouwd als een wettelijk
                    voorschrift in de zin van het artikel.</al><tussenkop>Artikel 6.3 Binnentreden woningen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de</al><al>opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen kunnen betreden. In
                    artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan toezichthouders reeds toegekend
                    voor alle plaatsen met uitzondering van woningen zonder toestemming van de
                    bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis van artikel 12 van de
                    Grondwet, dat het zogenaamde 'huisrecht' regelt. Het betreden van de woning
                    zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel waarborgen omkleed. Op het
                    betreden van een woning met toestemming van de bewoner zijn deze waarborgen niet
                    van toepassing, al gelden daar wel, zij het wat beperktere, vormvoorschriften
                    van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi).</al><al>De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent drie
                    elementen:</al><al>1 de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn
                    verleend;</al><al>2 de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens de wet
                    te worden</al><al>aangewezen;</al><al>3 er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen.</al><al>Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van
                    de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. In
                    vele wetten zijn dan ook</al><al>binnentredingsbevoegdheden opgenomen, zoals in artikel 100 van de Woningwet.
                    Deze</al><al>bevoegdheden zijn vooral toegekend aan ambtenaren of personen die belast zijn
                    met een opsporings of toezichthoudende taak in het kader van de wetshandhaving.
                    Voorts bestaan bevoegdheden tot binnentreden voor de uitvoering van rechterlijke
                    taken en bevelen, de uitoefening van bestuursdwang, de handhaving van de
                    openbare orde, ter bescherming van de volksgezondheid en ter uitvoering van
                    noodwetgeving.</al><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening</al><al>personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder toestemming van de
                    bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving of de opsporing van de overtreding van bij verordening gegeven
                    voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of
                    bescherming van het leven of de gezondheid van personen. In artikel 6.3 is
                    gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.</al><tussenkop>Het begrip 'woning'</tussenkop><al>Het huisrecht strekt tot bescherming van het ongestoorde gebruik van de woning.
                    Het begrip woning omvat de ruimten die tot exclusief verblijf voor een persoon
                    of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende
                    personen ingericht en bestemd zijn. Door het huisrecht wordt dus niet de
                    eigendom of de huur van een woning beschermd.</al><al>Of een ruimte een woning is, wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke
                    kenmerken zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar
                    ook door de daaraan werkelijk gegeven bestemming. Woning is derhalve een ruim
                    begrip, ook een woonboot, stacaravan, tent en keet kunnen hieronder worden
                    verstaan. Zelfs een hotelkamer kan onder het begrip woning vallen. Een bepaalde
                    ruimte kan ook uit meer woningen bestaan. De verschillende kamers in een
                    woongroep gelden bijvoorbeeld als aparte woningen. Dit geldt ook voor een binnen
                    een woning gelegen kamer van een kamerbewoner.</al><tussenkop>Artikel 6.4 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Op 1 januari 2005 is de Tijdelijke referendumwet (Trw) vervallen. Dit brengt met
                    zich mee dat voor algemeen verbindende voorschriften de regeling van artikel 142
                    van de Gemeentewet weer van toepassing is. Deze luidt dat alle verordeningen in
                    werking treden op de achtste dag na</al><al>bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is aangewezen.</al><tussenkop>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</tussenkop><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen,</al><al>enz.al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding van
                    deze verordening.</al><al>Dit geldt ook voor de vraag of het oude dan wel het nieuwe recht van toepassing
                    is bij beroepszaken, aanhangig gemaakt voor de inwerkingtreding van het nieuwe
                    recht, maar behandeld na de inwerkingtreding.</al><al>Van Buuren is op deze problematiek ingegaan in een noot bij een uitspraak van
                    de</al><al>Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 19 juni 1984, AB 1985, 79.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid wordt ervan uitgegaan dat alle bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz. na een bepaalde termijn aangepast moeten worden aan het
                    nieuwe recht.</al><al>Dit betekent in feite een sanering van alle vergunningen en ontheffingen die
                    voor onbepaalde tijd zijn afgegeven. In de praktijk zal het voor de gemeente
                    niet veel extra werk betekenen, aangezien het merendeel van de vergunningen en
                    ontheffingen nu reeds voor een bepaalde tijd zijn afgegeven.</al><al>Wanneer dan ook de termijn in het eerste lid op bijvoorbeeld twee jaar zou
                    worden gesteld, zouden de evengenoemde vergunningen en ontheffingen veelal toch
                    reeds eerder vervallen zijn, aangezien de werkingsduur van deze vergunningen,
                    ontheffingen etc. korter zal zijn dan twee jaar.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Met betrekking tot op basis van het oude recht opgelegde voorschriften en
                    beperkingen wordt</al><al>eveneens een sanering doorgevoerd. Ook hier moet weer een redelijke termijn
                    gekozen worden. Het ligt voor de hand dezelfde termijn als in het eerste lid te
                    kiezen.</al><al>Bij de hier bedoelde voorschriften en beperkingen moet gedacht worden aan de
                    bevoegdheid van de burgemeester of het college om in sommige gevallen aan de
                    uitoefening van bepaalde activiteiten voorschriften en beperkingen op te leggen
                    zonder dat overigens voor die activiteit een vergunning, ontheffing of
                    kennisgeving is vereist. Vergunnings- en ontheffingsvoorschriften vallen onder
                    het in het eerste lid bepaalde.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het derde lid wordt het nieuwe recht van toepassing verklaard op aanvragen
                    voor een vergunning en ontheffing, die voor de inwerkingtreding van deze
                    verordening zijn ingediend maar waar daarna op wordt beslist. Voorwaarde is wel
                    dat de nieuwe verordening een overeenkomstig gebod of verbod kent.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het oude recht is van toepassing op tijdig ingediende beroep- of
                    bezwaarschriften betreffende</al><al>vergunningen, ontheffingen, voorschriften of beperkingen, die gebaseerd zijn op
                    het oude recht.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>In het vijfde lid is bepaald dat de oude vergunning of ontheffing van kracht
                    blijft totdat onherroepelijk op de nieuwe aanvraag is beslist. De termijn die in
                    het eerste lid is genoemd kan hierdoor verlengd worden. Met deze bepaling kan
                    worden voorkomen dat gedurende een bepaalde periode de aanvrager niet in het
                    bezit is van de benodigde vergunning of ontheffing en daardoor, formeel
                    geredeneerd, in overtreding is.</al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>Het zesde lid heeft betrekking op activiteiten waarvoor voor de inwerkingtreding
                    van deze APV geen ontheffing of vergunning nodig was, maar waarvoor dat op grond
                    van de nieuwe APV wel het geval is.</al><al>Zonder een overgangsregeling zouden deze activiteiten een overtreding van de APV
                    inhouden totdat onherroepelijk positief beslist is op de desbetreffende
                    aanvraag.</al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>In het zevende lid is een regeling opgenomen voor de door het college genomen
                    nadere regels,</al><al>beleidsregels en aanwijzingsbesluiten die op grond van de oude APV reeds
                    bestonden. Vereist is</al><al>uiteraard wel dat de rechtsgrond voor de betreffende nadere regel en het
                    aanwijzingsbesluit ook in de nieuwe verordening terugkomt. Nadere regels en
                    aanwijzingsbesluiten waarvan de grondslag niet in de nieuwe APV terugkomt,
                    vallen niet onder de overgangsbepaling.</al><al>Het artikel 2.11.16 kent nog een bijzondere overgangsbepaling voor het stelsel
                    van de horecaexploitatie.</al></nota-toelichting><bijlage><al><vet>HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al/><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 1.2 Voorschriften en beperkingen</al><al>Artikel 1.3 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1.4 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1.5 Termijnen</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2: OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Samenkomsten</vet></al><al/><al>Artikel 2.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden</al><al>Artikel 2.1.2 Optochten</al><al>Artikel 2.1.3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</al><al>Artikel 2.1.4 Te verstrekken gegevens</al><al>Artikel 2.1.5 Straatartiest</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Bruikbaarheid van de weg</vet></al><al>Artikel 2.2.1 Voorwerpen of stoffen op, in, aan of boven de weg</al><al>Artikel 2.2.2 Maken, veranderen van een uitweg</al><al>Artikel 2.2.3 Winkelwagentjes</al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Toezicht op evenementen</vet></al><al/><al>Artikel 2.3.1 Begripsomschrijving</al><al>Artikel 2.3.2 Evenement</al><al><vet>Paragraaf 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</vet></al><al/><al>Artikel 2.4.1 Plakken en kladden</al><al>Artikel 2.4.2 Vervoer plakgereedschap en dergelijke</al><al>Artikel 2.4.3 Vervoer inbrekerswerktuigen</al><al>Artikel 2.4.4 Hinderlijk gedrag op of aan de weg</al><al>Artikel 2.4.5 Hinderlijk drankgebruik</al><al>Artikel 2.4.6 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</al><al>Artikel 2.4.7 Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</al><al>Artikel 2.4.8 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke overdekte en
                    overkapte plaatsen</al><al>Artikel 2.4.9 Overlast van fiets, bromfiets en dergelijke</al><al>Artikel 2.4.10 Loslopende honden</al><al>Artikel 2.4.11 Verontreiniging door honden</al><al>Artikel 2.4.12 Gevaarlijke honden</al><al>Artikel 2.4.13 Bedelarij</al><al/><al><vet>Paragraaf 5 Vuurwerk</vet></al><al/><al>Artikel 2.5.1 Begripsomschrijving</al><al>Artikel 2.5.2 Afleveren van vuurwerk</al><al>Artikel 2.5.3 Bezigen van vuurwerk</al><al/><al><vet>Paragraaf 6 Drugsoverlast</vet></al><al/><al>Artikel 2.6.1 Coffeeshopverbod</al><al>Artikel 2.6.2 Drugshandel op straat</al><al/><al><vet>Paragraaf 7 Bestuurlijke ophouding</vet></al><al/><al>Artikel 2.7.1 Bestuurlijke ophouding</al><al/><al><vet>Paragraaf 8 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al/><al>Artikel 2.8.1 Veiligheidsrisicogebieden</al><al/><al><vet>Paragraaf 9 Verblijfsontzeggingen</vet></al><al/><al>Artikel 2.9.1. Verblijfsontzeggingen</al><al/><al><vet>Paragraaf 10 Cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al/><al>Artikel 2.10.1 Cameratoezicht op openbare plaatsen</al><al/><al><vet>Paragraaf 11 Toezicht op openbare inrichtingen</vet></al><al/><al>Artikel 2.11.1 Begripsomschrijving</al><al>Artikel 2.11.2 Vergunningplicht</al><al>Artikel 2.11.3 Eisen exploitant en beheerder</al><al>Artikel 2.11.4 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</al><al>Artikel 2.11.5 Categorale vrijstelling</al><al>Artikel 2.11.6 Vergunningaanvraag</al><al>Artikel 2.11.7 Beslistermijn</al><al>Artikel 2.11.8 Weigerings- en intrekkingsgronden</al><al>Artikel 2.11.9 Sluiting van inrichtingen</al><al>Artikel 2.11.10 Terrassen</al><al>Artikel 2.11.11 Openings- en sluitingstijden</al><al>Artikel 2.11.12 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</al><al>Artikel 2.11.13 Geldigheidsduur vergunning</al><al>Artikel 2.11.14 Beëindiging exploitatie</al><al>Artikel 2.11.15 Wijziging beheer</al><al>Artikel 2.11.16 Overgangsbepaling</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3: PROSTITUTIE C.A.</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Begripsomschrijvingen en nadere regels</vet></al><al/><al>Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 3.1.2 Nadere regels</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Seksinrichtingen, straat- en raamprostitutie en
                        dergelijke</vet></al><al/><al>Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen</al><al>Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder</al><al>Artikel 3.2.3 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</al><al>Artikel 3.2.4 Straat- en raamprostitutie</al><al>Artikel 3.2.5 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                    erotisch-pornografische goederen,</al><al>afbeeldingen en dergelijke</al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Beslissingstermijn en weigeringsgronden</vet></al><al/><al>Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn</al><al>Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden</al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Beëindiging exploitatie, wijziging beheer</vet></al><al/><al>Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie</al><al>Artikel 3.4.2 Wijziging beheer</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4: BESCHERMING VAN HET MILIEU EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN
                        VAN DE GEMEENTE</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Geluid- en lichthinder</vet></al><al/><al>Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 4.1.2 Kennisgeving incidentele festiviteiten</al><al>Artikel 4.1.3 Verboden incidentele festiviteiten</al><al>Artikel 4.1.4 Overige geluidhinder</al><al>Artikel 4.1.5 Geluidhinder door dieren</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Ontsierende reclame</vet></al><al/><al>Artikel 4.2.1 Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en
                    dergelijke</al><al>Artikel 4.2.2 Aanschrijving</al><al>Artikel 4.2.3 Aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of
                    afbeeldingen ten</al><al>behoeve van handelsreclame</al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</vet></al><al/><al>Artikel 4.3.1 Natuurlijke behoefte doen</al><al>Artikel 4.3.2 Wegwerpen van reclame- of strooibiljetten</al><al>Artikel 4.3.3 Verlies (vloei)stoffen uit of van voorwerpen van voertuigen</al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</vet></al><al/><al>Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, stoffen enz.</al><al>Artikel 4.4.2 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5: ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER
                        GEMEENTE</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Parkeerexcessen</vet></al><al/><al>Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke</al><al>Artikel 5.1.3 Voertuigwrakken</al><al>Artikel 5.1.4 Caravans en dergelijke</al><al>Artikel 5.1.5 Parkeren van reclamevoertuigen</al><al>Artikel 5.1.6 Parkeren van grote voertuigen</al><al>Artikel 5.1.7 Parkeren fietsen en bromfietsen</al><al>Artikel 5.1.8 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Collecteren, standplaatsen en venten</vet></al><al/><al>Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goed</al><al>Artikel 5.2.2 Standplaatsen: uitstallingen op de weg</al><al>Artikel 5.2.3 Venten en dergelijke</al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Verbod vuur te stoken</vet></al><al/><al>Artikel 5.3.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                    anderszins vuur te stoken</al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Verstrooiing van as</vet></al><al/><al>Artikel 5.4.1 Begripsomschrijving</al><al>Artikel 5.4.2 Verboden plaatsen</al><al>Artikel 5.4.3 Hinder of overlast</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6: STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al/><al>Artikel 6.1 Strafbepaling</al><al>Artikel 6.2 Toezichthouders</al><al>Artikel 6.3 Binnentreden woningen</al><al>Artikel 6.4 Inwerkingtreding</al><al>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</al><al>Artikel 6.6 Citeertitel</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>