<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR62487_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsnotitie preventie: Brandveiligheidsniveau bestaande bouw</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">D'n Uitkijk, 24-02-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsnotitie brandveiligheidsniveau bestaande bouw</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 2,8,14 en 17</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Bouwbesluit</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-02-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-02-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-12-08</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R 06-007</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>volkshuisvesting en woningbouw</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsnotitie preventie: Brandveiligheidniveau bestaande bouw </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>januari 2004 Brandweer Zuidoost-Brabant </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Inleiding</label></kop><structuurtekst><al>Recente gebeurtenissen waarbij meerdere doden en gewonden vielen, hebben
                            tot gevolg gehad dat veel gemeenten de brandveiligheid van cafés en
                            andere publieksgebouwen in hun verzorgingsgebied nadrukkelijk tegen het
                            licht gingen houden. Onderzoek van de na de cafébrand in Volendam
                            ingestelde commissie Alders, toonde aan dat bijna alle gemeenten een
                            achterstand hebben bij het verstrekken van gebruiksvergunningen. Dat
                            geldt ook voor veel gemeenten in de hulpverleningsregio Zuid-Oost
                            Brabant. Veel gemeenten beginnen nu met een forse inhaalslag op het
                            gebied van gebruiksvergunningen. Voorafgaand aan het uitvoeren van een
                            dergelijke inhaalslag is het gewenst om een eenduidig bouwkundig niveau
                            vast te stellen waaraan gebouwen moeten voldoen. Aan de hand van het
                            vastgestelde bouwkundig niveau kunnen bouwwerken getoetst,
                            gebruiksvergunningen verleend en eventueel aanschrijvingen op
                            bouwkundige zaken worden uitgeschreven. </al><al>Bij de hernieuwde aandacht voor brandveiligheid en de gebruiksvergunning
                            als instrument daarvoor, is de kernvraag: waar moeten gebouwen en
                            inrichtingen aan voldoen om over een aanvaardbaar niveau van
                            brandveiligheid te beschikken, dus om een gebruiksvergunning te
                            verkrijgen? </al><al>Volgens de wet- en regelgeving zal in de eerste plaats het gebouw aan de
                            minimale bouwkundige eisen moeten voldoen. </al><al>Dat geld immers voor elk gebouw, ook al is daar geen gebruiksvergunning
                            voor vereist. De minimale bouwkundige eisen voor elk gebouw worden
                            bepaald bij de bouwvergunning of zonodig ‘afgedwongen’ met een
                            aanschrijving. De gebruiksvergunning is gericht op de extra inrichtings-
                            en gebruikseisen voor die gebouwen waar, door de aard van het gebruik,
                            een verhoogd brandveiligheidsrisico is te verwachten. </al><al>Het Bouwbesluit 2003 kent brandtechnische eisen voor nieuw te bouwen
                            gebouwen én aan bestaande gebouwen. </al><al>In het Bouwbesluit zijn voor nieuwbouw de bouwkundige eisen in beginsel
                            eenduidig vastgelegd, zij het dat er ook dan ruimte is voor
                            ‘gelijkwaardige oplossingen’. Voor bestaande gebouwen zijn de
                            bouwkundige eisen op een lager niveau eveneens vastgelegd, maar het
                            effect is minder eenduidig. Zo is een nieuw gebouw na totstandkoming ook
                            een bestaand gebouw geworden, maar het is dan niet zo dat voor de
                            instandhouding vervolgens lagere kwaliteitseisen gelden. Het te
                            handhaven bouwkundige kwaliteitsniveau wordt daarom uitgedrukt met het
                            begrip ‘rechtens verkregen niveau’. Dat is de kwaliteit die het gebouw
                            heeft verkregen bij de laatste bouwvergunning. </al><al>Indien een gemeente een gebruiksvergunning voor een bouwwerk wil
                            verlenen, zal aan de hand van het Bouwbesluit getoetst moeten worden of
                            het gebouw voldoet aan de eisen. Het brandveiligheidniveau van bestaande
                            gebouwen voor het Bouwbesluit 1992 is echter een economisch niveau en
                            heeft geen enkele relatie met brandveiligheid. De wetgever heeft nooit
                            de intentie gehad om </al><al>gemeenten dit economisch niveau voor het verlenen van
                            gebruiksvergunningen te laten hanteren. De wetgever heeft de gemeenten
                            de vrijheid gegeven een eigen gemeentelijk beleid vast te stellen en uit
                            te voeren. De wetgever stelt wel eisen aan het gebruiken van een eigen
                            beleidsniveau. De eisen die hoger zijn dan het in het Bouwbesluit
                            beschreven niveau voor de bestaande bouw, moeten gemotiveerd worden. De
                            rechter stelt als eis aan toepassing van een eigen beleidsniveau dat het
                            beleid kenbaar moet zijn. Met deze beleidsnotitie wordt aan deze
                            voorwaarde voldaan. </al><al>Om te komen tot een gemeentelijk beleidsniveau brandveiligheid, is
                            gekozen voor drie stappen. Iedere stap betekent een verdere verdieping
                            en verfijning. Alle stappen zijn nodig om de volgende stap goed te
                            kunnen vormgeven. Ook heeft iedere stap in de uitvoeringspraktijk haar
                            eigen noodzaak. </al><al>De drie stappen zijn: </al><al>1 Eisenmatrix </al><al>Deze matrix geeft voor alle clusters van brandveiligheidsvoorzieningen
                            en voor alle gebouwfuncties in globale zin het beleidsniveau aan. In een
                            oogopslag zijn hier de verschillen tussen de gebruiksfuncties zichtbaar
                            en de verhouding van het beleidsniveau tot de Bouwbesluitniveaus
                            nieuwbouw en bestaande bouw. </al><al>2 Beleidspakket </al><al>Het beleidspakket is een uitwerking van de eisenmatrix op hoofdlijnen
                            per gebouwfunctie. Het beleidspakket is noodzakelijk voor de
                            bestuurlijke vaststelling van het te voeren beleid. </al><al>3 Werkpakket </al><al>De werkpakketten zijn de basis voor de technische uitvoering. </al><al>Uitvoeriger dan de beleidspakketten geven de werkpakketten de eisen aan
                            waaraan een gebouw dient te voldoen. In dit hoofdstuk worden de
                            achtergronden van de beleidsniveaus geschetst. Allereerst wordt ingegaan
                            op de regelgeving die van toepassing is op de beleidsniveaus. Daarna
                            wordt toegelicht hoe het systeem van de gemeentelijke beleidsvrijheden
                            werkt en wat de mogelijkheden zijn. Ook wordt aangegeven hoe aan de door
                            de rechter gewenste motivering gestalte kan worden gegeven. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>De van toepassing zijnde regelgeving</label></kop><structuurtekst><al>De brandveiligheidseisen voor gebouwen en bouwwerken zijn ondergebracht
                            in de bouwregelgeving. De basis voor de bouwregelgeving is de Woningwet.
                            De Woningwet regelt in artikel 2 het bouwen, waaronder het brandveilig
                            bouwen en in artikel 8 het gebruik van gebouwen en bouwwerken, waaronder
                            het brandveilig gebruik. Naast de Woningwet zijn de
                            brandbeveiligingsconcepten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
                            Koninkrijksrelaties van belang, hoewel dit geen wetgeving is. In de
                            brandbeveiligingsconcepten – iedere gebouwfunctie kent een apart
                            brandbeveiligingsconcept – worden de uitgangspunten voor de
                            brandbeveiliging van gebouwfuncties beschreven. Deze uitgangspunten
                            dienen als ingang voor de op grond van (onder meer) de Woningwet te
                            formuleren brandveiligheidseisen. </al><al>Op basis van artikel 2 van de Woningwet is er een Algemene maatregel van
                            bestuur (AmvB) met daarin eisen voor brandveilig bouwen, het
                            Bouwbesluit. Op basis van artikel 8 van de Woningwet is er de
                            gemeentelijke Bouwverordening met daarin opgenomen eisen voor het
                            brandveilig gebruik van gebouwen. </al><al>De Woningwet geeft in de artikelen 14 en 17 de mogelijkheid om bestaande
                            gebouwen op het gewenste brandveiligheidsniveau te brengen. </al><al>De Woningwet en het Bouwbesluit zijn de voornaamste regelingen geweest
                            waarop het gemeentelijk beleidsniveau is gebaseerd. De
                            brandbeveiligingsconcepten en het model Bouwverordening zijn
                            nadrukkelijk gebruikt voor de kaders van het beleidsniveau. </al><al>De gemeentelijke beleidsvrijheden </al><al>Het Bouwbesluit kent, naast voorschriften voor nieuw te bouwen gebouwen,
                            ook voorschriften aan bestaande gebouwen. De vraag is wat in feitelijke
                            en procedurele zin, de waarde en het nut van het niveau bestaande bouw
                            is en hoe hier mee omgegaan kan en moet worden. In deze paragraaf zal
                            hierop nader ingegaan worden. </al><al>Nieuwbouw </al><al>Met de eisen voor nieuw te bouwen gebouwen is het minimumniveau van
                            brandveiligheid vastgelegd. Met deze eisen wordt niet meer en niet
                            minder beoogd dan dat: </al><al>• een brand niet snel zal uitbreken; </al><al>• een eenmaal uitgebroken brand zich niet snel zal uitbreiden; </al><al>• er bij brand zo min mogelijk ongevallen plaatsvinden; </al><al>• de belendingen geen schade oplopen. </al><al>Met deze eisen geeft de overheid invulling aan haar zorgplicht
                            betreffende de brandveiligheid en doet zij recht aan een van de
                            uitgangspunten van de herziening van de bouwregelgeving, de
                            deregulering. </al><al>Er zijn geen eisen gesteld aan het voorkomen van schade door brand in
                            het gebouw. De overheid rekent dit niet tot haar taak. Veelal zullen
                            verzekeringsmaatschappijen extra eisen stellen om dergelijke risico's en
                            schades tegen te gaan. Het Bouwbesluit heeft ook geen ander doel voor
                            ogen gehad dan het realiseren van een ondergrens, een vangnet. De
                            regelgever verwacht dat door het marktmechanisme (vraag en aanbod) in de
                            praktijk een hoger niveau wordt gerealiseerd. </al><al>Bestaande bouw </al><al>Zoals gezegd zijn de eisen aan bestaande gebouwen van een ander (lager)
                            niveau dan de eisen voor nieuw te bouwen gebouwen. De doelstelling van
                            dit niveau heeft niets te maken met brandveiligheid, hoewel de
                            toelichting op deze artikelen in het Bouwbesluit vaak anders doet
                            vermoeden. </al><al>Zo'n toelichting geeft immers het volgende aan over een
                            brandveiligheidseis aan bestaande gebouwen. Het niveau van deze
                            voorschriften kan met het oog op brandveiligheid nog juist als
                            ondergrens worden geaccepteerd. </al><al>Dit is in de meeste gevallen onjuist en ook strijdig met het gegeven dat
                            de nieuwbouweisen juist een minimumniveau aangeven. De vaststelling van
                            het niveau bestaande bouw heeft louter betrekking gehad op economische
                            motieven. Het niveau is ongeveer het niveau waarop omstreeks 1930
                            gebouwd werd. Het is dus niet meer dan een geaccepteerd niveau en in
                            veel gevallen allerminst een acceptabel niveau.</al><al>Als voorbeeld kan hiervoor dienen het onderverdelen van een
                            kantoorfunctie in brandcompartimenten. De nieuwbouweis is dat zo'n
                            compartiment niet groter is dan 1.000 m2 en de weerstand tegen
                            branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) van de scheidingsconstructies van
                            een dergelijk compartiment minimaal 60 minuten bedraagt. Deze waarden
                            zijn opgebouwd uit het beheersbaar kunnen houden van een brand door de
                            brandweer en de tijd die de brandweer nodig heeft om de brand te kunnen
                            blussen. </al><al>Bij een bestaand kantoorfunctie is de compartimentgrootte verdubbeld en
                            daarbij de WBDBO verlaagd naar 30 minuten. Iedere relatie met
                            beheersbaarheid en inzettijd is dus volledig zoek. In de praktijk zal
                            een brand dan ook zelfs niet tot de 2.000 m2 beperkt blijven. </al><al>De vraag dient zich aan op wat de waarde van het niveau bestaand gebouw
                            is en wat de mogelijkheden van de gemeente zijn om hier in de praktijk
                            anders mee om te gaan. Daarvoor moet eerst duidelijk zijn voor welke
                            gebouwen dit niveau bestemd is. Veelal zullen dit gebouwen zijn die al
                            wel in gebruik zijn, maar nog niet over de reeds genoemde
                            gebruiksvergunning in het kader van de </al><al>brandveiligheid beschikken. Daarnaast gelden deze eisen voor het
                            bestaande, niet te renoveren woningbestand. </al><al>Aanschrijven </al><al>Indien een gebouw niet (meer) voldoet aan de eisen voor de bestaande
                            bouw, is de gemeente verplicht de eigenaar aan te schrijven indien het
                            een tot bewoning bestemd gebouw betreft. </al><al>Bij een niet tot bewoning bestemd gebouw heeft de gemeente het recht een
                            dergelijke aanschrijving te plegen. </al><al>De in zo'n aanschrijving vermelde prestatie-eisen hoeven niet louter tot
                            doel te hebben dat het niveau bestaande bouw weer gerealiseerd wordt,
                            maar mag verder gaan. </al><al>Maximaal kunnen eisen gesteld worden tot het niveau nieuwbouw. De
                            artikelen 14 en 17 van de Woningwet geven hiervoor de mogelijkheden. </al><al>Het is dus mogelijk een bestaand gebouw aan de nieuwbouwvoorschriften te
                            laten voldoen. De enige restrictie die de regelgever heeft gesteld, is
                            dat alle eisen die boven het niveau bestaand bouw uitstijgen, moeten
                            worden gemotiveerd. </al><al>Gelet op het op het gebied van brandveiligheid veelal zeer lage niveau
                            aan bestaande bouw, is dit in de praktijk niet moeilijk te motiveren. De
                            rechter heeft omschrijvingen geaccepteerd die niet verder gaan dan de in
                            de aanschrijving opgenomen zinsnede "dat het niveau bestaande bouw uit
                            oogmerk van brandveiligheid volstrekt onvoldoende is". </al><al>Het is mogelijk (maar niet verplicht) zowel tot bewoning bestemde als
                            niet tot bewoning bestemde gebouwen aan te schrijven tot het treffen van
                            brandveiligheidsvoorzieningen indien deze gebouwen nog wel voldoen aan
                            het niveau bestaande bouw, maar niet meer aan het niveau nieuwbouw. Hier
                            geldt dan dat al deze eisen gemotiveerd dienen te worden. </al><al>Gemeentelijk beleid </al><al>Het op deze wijze ophogen van de eisen aan bestaande gebouwen kan leiden
                            tot verschillende niveaus voor dezelfde gebouwtypen, als het niveau niet
                            vastligt. De rechter vindt dat de gemeente dit beleid moet vastleggen om
                            rechtsongelijkheid te voorkomen. Het verdient dan ook aanbeveling om een
                            dergelijk gemeentelijk beleid vast te stellen en vast te leggen. </al><al>Bij het verlenen van vrijstelling bij verbouw dient rekening gehouden te
                            worden met dit gemeentelijk beleid omdat in sommige gevallen
                            vrijstelling verleend kan worden tot het niveau bestaande bouw. Het is
                            immers onjuist om bij vrijstelling naar een lager niveau te gaan dan bij
                            een aanschrijving het geval is. Vrijstelling wordt dan dus beperkt tot
                            het niveau van het gemeentelijk beleid. </al><al>De categorisering van de gebouwfuncties </al><al>Voor het vaststellen van de gebouwfuncties is aansluiting gezocht met
                            het Bouwbesluit 2003. Deze is op 1 januari 2003 in werking getreden en
                            bevat prestatie-eisen op het niveau nieuwbouw en op het niveau bestaande
                            bouw voor alle soorten woongebouwen en utiliteitsgebouwen. </al><al>Het Bouwbesluit 2003 onderscheidt elf gebruiksfuncties, te weten: </al><al>1 woonfunctie; </al><al>2 bijeenkomstfunctie; </al><al>3 celfunctie; </al><al>4 gezondheidszorgfunctie; </al><al>5 industriefunctie; </al><al>6 logiesfunctie; </al><al>7 kantoorfunctie; </al><al>8 onderwijsfunctie; </al><al>9 sportfunctie; </al><al>10 winkelfunctie; </al><al>11 overige gebruiksfuncties. </al><al>Van iedere gebruiksfunctie is afgewogen of hiervoor een gemeentelijk
                            beleidsniveau noodzakelijk is. Immers, de gebruiksfuncties kennen geen
                            relatie met de gebruiksvergunningplicht zoals deze is opgenomen in de
                            gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>Gekozen is om voor tien gebruiksfuncties uit het Bouwbesluit 2003 een
                            gemeentelijk beleidsniveau te formuleren. De categorie ‘overige
                            gebruiksfuncties’ is achterwege gelaten omdat hier maatwerk geboden is. </al><al>Voor de woonfunctie is de subfunctie bejaardenhuizen (in algemene zin
                            toepasbaar voor alle megawoningen), kamerverhuurfunctie en monumentale
                            panden opgenomen zodat uiteindelijk voor twaalf gebruiksfuncties
                            beleidspakketten zijn ontwikkeld. Woningen zijn eveneens buiten
                            beschouwing gelaten omdat deze in beginsel niet in aanmerking komen voor
                            een gebruiksvergunning. </al><al>In onderstaande tabel zijn deze gebruiksfuncties weergegeven en is
                            daarbij aangegeven wat de relatie is met de in de gemeentelijke
                            Bouwverordening vermelde gebruiksvergunningplichtige panden en welke
                            soorten panden onder deze gebruiksfuncties behoren. Deze laatste zijn
                            slechts ter indicatie en niet uitputtend. </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="27*"/><colspec colname="col2" colwidth="40*"/><colspec colname="col3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Gebouwfunctie BB</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Gebruiksvergunningplicht</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Soorten panden</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bijeenkomstfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk waarin meer dan 50 personen aanwezig zullen
                                                zijn</al></entry><entry colname="col3"><al>Bioscopen</al><al>Concertgebouwen </al><al>Tentoonstellingsgebouwen </al><al>Discotheken </al><al>Restaurants </al><al>Cafés en bars </al><al>Sportkantines</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Celfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk waarin aan meer dan 4 personen in het kader
                                                van verzorging nachtverblijf zal worden
                                                verschaft</al></entry><entry colname="col3"><al>Gevangenissen</al><al>Penitentiaire inrichtingen</al><al>Cellencomplexen politiebureaus </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk waarin aan meer dan 4 personen in het kader
                                                van verzorging nachtverblijf zal worden
                                                verschaft</al></entry><entry colname="col3"><al>Ziekenhuizen</al><al>Verpleegtehuizen</al><al>Gezondheidscentra </al><al>Huisartsenpraktijken </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk waarin meer dan 50 personen tegelijk
                                                aanwezig zullen zijn. Bedrijfsmatig brandgevaarlijke
                                                of brandbevorderende stoffen worden opgeslagen
                                                genoemd in regeling Bouwbesluit 2003 </al></entry><entry colname="col3"><al>Industriehallen </al><al>Opslaggebouwen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Logiesfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk waarin aan meer dan 4 personen
                                                bedrijfsmatig nachtverblijf zal worden
                                                verschaft</al></entry><entry colname="col3"><al>Hotels</al><al>Jeugdherbergen </al><al>Pensions</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kantoorfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk waarin meer dan 50 personen tegelijk
                                                aanwezig zullen zijn </al></entry><entry colname="col3"><al>Kantoor</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderwijsfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk waarin meer dan 50 personen tegelijk
                                                aanwezig zullen zijn</al></entry><entry colname="col3"><al>Basisscholen</al><al>Middelbare en hogere scholen </al><al>Universiteiten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sportfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk waarin meer dan 50 personen tegelijk
                                                aanwezig zullen zijn</al></entry><entry colname="col3"><al>Sporthallen</al><al>Gymzalen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Winkelfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk waarin meer dan 50 personen tegelijk
                                                aanwezig zullen zijn</al></entry><entry colname="col3"><al>Winkels</al><al>Warenhuizen </al><al>Winkelcentra </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonfunctie (bejaardentehuizen)</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk waarin aan meer dan 4 personen
                                                bedrijfsmatig woonverblijf zal worden verschaft,
                                                anders dan een huishouden per woning </al></entry><entry colname="col3"><al>Bejaardentehuizen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonfunctie (kamerverhuur)</al></entry><entry colname="col2"><al>waar bij voortduring niet zelfstandige
                                                woongelegenheden wordt verschaft aan 4 of meer
                                                personen die niet behoren tot het gezin van de
                                                rechthebbende: van een niet zelfstandige
                                                woongelegenheid is sprake wanneer de personen in
                                                overwegende mate gebruik moeten maken van
                                                gezamenlijk bad, toilet- of kookfaciliteiten</al></entry><entry colname="col3"><al>Kamerverhuurbedrijven </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Monumentale functie</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk waarin meer dan 50 personen tegelijk
                                                aanwezig zullen zijn </al></entry><entry colname="col3"><al>Kerken</al><al>Kastelen</al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>De categorisering van de brandveiligheidseisen </label></kop><structuurtekst><al>Systematiek heeft zwaar gewogen bij het samenstellen van het
                            Bouwbesluit. Bij het groeperen van de brandveiligheidseisen, is het
                            verloop van een brand en de gevolgen daarvan aangehouden. Op zich lijkt
                            dit een logische en duidelijke opbouw. Het probleem is echter dat dit
                            niet strookt met het logisch en systematisch toetsen van een gebouw op
                            de brandveiligheidsvoorzieningen. Omdat dit laatste voor een goede
                            toetsing het uitgangspunt dient te zijn, is een andere verdeling van de
                            brandveiligheidseisen noodzakelijk. In dit plan zijn de
                            brandveiligheidseisen gegroepeerd in zes clusters. Voor deze indeling is
                            gekozen omdat deze clusters de volgorde van ontwerpen en toetsen </al><al>van brandveiligheidsvoorzieningen chronologisch volgen. </al><al>De herindeling leidt tot de volgende zes clusters: </al><al>1 brandcompartimenten; </al><al>2 rookcompartimenten; </al><al>3 ontvluchting; </al><al>4 brandveiligheid constructies; </al><al>5 materiaalgebruik; </al><al>6 brandbeveiligingsinstallaties. </al><al>Toelichting clusters </al><al>1 Brandcompartimenten </al><al>Een gebouw wordt allereerst verdeeld in brandcompartimenten. </al><al>Brandcompartimenten hebben tot doel een brand te beperken tot een vooraf
                            vastgesteld gebied. </al><al>Hiermee kan worden voorkomen dat er te veel van het pand in brand raakt,
                            waardoor de schade te groot wordt en de brand onbeheersbaar wordt en
                            daardoor niet meer effectief kan worden bestreden. Brandcompartimenten
                            kunnen gerealiseerd worden door bouwkundige maatregelen (fysieke
                            compartimentering) of door het installatietechnisch beheersen van brand-
                            en rook (virtuele compartimentering). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>Als de brandcompartimenten bekend zijn worden deze onderverdeeld in één
                            of meer rookcompartimenten. Deze hebben tot doel de rookverspreiding te
                            beperken waardoor de bij brand vluchtende mensen niet te lang door de
                            rook moeten vluchten. Rookcompartimenten kunnen gerealiseerd worden door
                            bouwkundige maatregelen (rookscheidingen, vluchtdeuren) of door
                            installatietechnische voorzieningen (bijvoorbeeld rookafvoer). </al><al>3 Ontvluchting </al><al>Nadat de aanwezige personen het rookcompartiment hebben verlaten moeten
                            zij vanuit de vluchtmogelijkheden een veilig gebied kunnen bereiken. Bij
                            het dimensioneren van deze routes moet rekening gehouden worden met de
                            onafhankelijkheid van de vluchtmogelijkheden en het maximaal aantal
                            personen dat van deze routes gebruik zal maken. Tevens is voor een
                            veilige ontvluchting de </al><al>inrichting van de brand- en rookvrije vluchtroute en van belang (zoals
                            bijvoorbeeld materiaalgebruik). </al><al>4 Constructieve veiligheid </al><al>De dragende constructies en de hoofddraagconstructie van het gebouw
                            dienen een van tevoren vastgestelde tijd weerstand te bieden tegen
                            bezwijken in geval van brand. </al><al>5 Materiaalgebruik </al><al>Om brandontwikkeling, brandvoortplanting en rookproductie tegen te gaan
                            of te beperken, worden eisen gesteld aan de toepassing van
                            (bouw)materialen. </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>Deze installaties zijn noodzakelijk om er voor te zorgen dat het
                            ontdekken of bestrijden van brand en het veilig ontvluchten in geval van
                            brand effectief plaats kan vinden. Daarnaast is een aantal
                            brandbeveiligingsinstallaties noodzakelijk om de brandbestrijding te
                            ondersteunen. </al><al>Gebruikseisen in het gemeentelijk beleidsniveau </al><al>In beginsel lenen gebruikseisen zich niet voor opneming in een pakket
                            met bouwtechnische maatregelen. Immers, gebruikseisen worden gesteld op
                            basis van artikel 8 van de Woningwet en zijn opgenomen in de
                            gemeentelijke Bouwverordening. Deze eisen zijn op twee manieren
                            afdwingbaar. Enerzijds door het geven van directe werking aan deze eisen
                            (eenieder moet aan deze eisen voldoen </al><al>zonder dat ze op een andere wijze kenbaar zijn gemaakt dan alleen opname
                            in de Bouwverordening). </al><al>Anderzijds door het opnemen van deze gebruikseisen in een af te geven
                            gebruiksvergunning. </al><al>Ook is een cluster ‘gebruik’ toegevoegd aan de in de vorige paragraaf
                            genoemde zes clusters. De volgende voorwaarden zijn, voorzover van
                            toepassing op de desbetreffende gebruiksfunctie, opgenomen in dit
                            cluster: </al><al>1 kleine blusmiddelen. </al><al>Kleine blusmiddelen zijn opgenomen omdat het Bouwbesluit slechts de
                            toepassing kent van brandslanghaspels. Deze brandslanghaspels zijn
                            echter niet in ieder gebouw verplicht. Bij een aantal gebruiksfuncties
                            geldt de eis voor toepassing van brandslanghaspels pas vanaf een
                            gebruiksoppervlakte van 500 m2. Bij een kleinere gebruiksoppervlakte kan
                            een brandblusmiddel echter zeer effectief zijn. </al><al>De kosten-batenanalyse voor een klein blusmiddel is gunstig en is het
                            gevoelsmatig niet acceptabel (en aan het publiek moeilijk uit te leggen)
                            dat er wel investeringen aan bijvoorbeeld rookscheidingen gedaan moeten
                            worden, maar dat uit oogpunt van brandveiligheid een blusmiddel niet
                            noodzakelijk is. Om deze redenen is in die gevallen dat er pas vanaf 500
                            m2 een brandslanghaspel noodzakelijk </al><al>is, de toepassing van een klein blusmiddel opgenomen: </al><al>1 Gebruiksoppervlakte tussen 0 en 250 m2:</al><al>draagbaar blustoestel met 6 kg poeder of 6 liter schuimvormend middel; </al><al>2 Gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2:</al><al>minihaspel met een slanglengte van 15 meter. </al><al>3 In kerken in de directe nabijheid van kaarsen of andere brandbare
                            materialen: </al><al>blusdeken. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Bijlage A: Matrix beleidsniveaus</label></kop><structuurtekst><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colwidth="9*"/><colspec colname="col2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colwidth="7*"/><colspec colname="col4" colwidth="14*"/><colspec colname="col5" colwidth="15*"/><colspec colname="col6" colwidth="15*"/><colspec colname="col7" colwidth="13*"/><colspec colname="col8" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartiment</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartiment</al></entry><entry colname="col4"><al>Ontvluchting</al></entry><entry colname="col5"><al>Constructies</al></entry><entry colname="col6"><al>Materialen</al></entry><entry colname="col7"><al>Installaties</al></entry><entry colname="col8"><al>Gebruik</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bijeenkomst-functie</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartimenten algemeen GB</al><al>WBDBO brandcompartimenten 30 minuten</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartimenten NB</al></entry><entry colname="col4"><al>Uitgangsbreedte GB</al><al>Draairichting deuren GB</al><al>Overige eisen NB</al></entry><entry colname="col5"><al>Hoofddraagconstructie GB</al><al>Vluchtwegen GB</al></entry><entry colname="col6"><al>Brandbaarheid BB</al><al>Brandvoortplanting BB</al><al>Rookontwikkeling BB</al></entry><entry colname="col7"><al>Brandslanghaspels en noodverlichting NB</al><al>Overige installaties GB</al></entry><entry colname="col8"><al>&lt;250m2 blustoestel</al><al>&gt;250m2 minihaspel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Celfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartimenten algemeen GB</al><al>WBDBO brandcompartimenten 30 minuten</al><al>Subbrand-Compartimenten NB</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartimenten NB</al></entry><entry colname="col4"><al>Alle ontvluchtingseisen NB</al></entry><entry colname="col5"><al>Hoofddraagconstructie GB</al><al>Vluchtwegen GB</al></entry><entry colname="col6"><al>Brandbaarheid BB</al><al>Brandvoortplanting BB</al><al>Rookontwikkeling BB</al></entry><entry colname="col7"><al>Brandslanghaspels en noodverlichting NB</al><al>Overige installaties GB</al></entry><entry colname="col8"><al>250m2 blustoestel</al><al>&gt;250m2 minihaspel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartimenten algemeen GB</al><al>WBDBO brandcompartimenten 30 minuten</al><al>Subbrand-Compartimenten NB</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartimenten NB</al></entry><entry colname="col4"><al>Uitgangsbreedte GB</al><al>Draairichting deuren GB</al><al>Overige eisen NB</al></entry><entry colname="col5"><al>Hoofddraagconstructie GB</al><al>Vluchtwegen GB</al></entry><entry colname="col6"><al>Brandbaarheid BB</al><al>Brandvoortplanting BB</al><al>Rookontwikkeling BB</al></entry><entry colname="col7"><al>Brandslanghaspels en noodverlichting NB</al><al>Overige installaties GB</al></entry><entry colname="col8"><al>250m2 blustoestel</al><al>&gt;250m2 minihaspel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Industrie-functie</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartimenten algemeen GB</al><al>WBDBO brandcompartimenten 30 minuten</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartimenten NB</al></entry><entry colname="col4"><al>Uitgangsbreedte GB</al><al>Draairichting deuren GB</al><al>Overige eisen NB</al></entry><entry colname="col5"><al>Hoofddraagconstructie GB</al><al>Vluchtwegen GB</al></entry><entry colname="col6"><al>Brandbaarheid BB</al><al>Brandvoortplanting BB</al><al>Rookontwikkeling BB</al></entry><entry colname="col7"><al>Brandslanghaspels en noodverlichting NB</al><al>Overige installaties GB</al></entry><entry colname="col8"><al>250m2 blustoestel</al><al>&gt;250m2 minihaspel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Logiesfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartimenten algemeen GB</al><al>WBDBO brandcompartimenten 30 minuten</al><al>Subbrand-Compartimenten NB</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartimenten NB</al></entry><entry colname="col4"><al>Uitgangsbreedte GB</al><al>Draairichting deuren GB</al><al>Overige eisen NB</al></entry><entry colname="col5"><al>Hoofddraagconstructie GB</al><al>Vluchtwegen GB</al></entry><entry colname="col6"><al>Brandbaarheid BB</al><al>Brandvoortplanting BB</al><al>Rookontwikkeling BB</al></entry><entry colname="col7"><al>Brandslanghaspels en noodverlichting NB</al><al>Overige installaties GB</al></entry><entry colname="col8"><al>250m2 blustoestel</al><al>&gt;250m2 minihaspel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kantoorfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartimenten algemeen GB</al><al>WBDBO brandcompartimenten 30 minuten</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartimenten NB</al></entry><entry colname="col4"><al>Uitgangsbreedte GB</al><al>Draairichting deuren GB</al><al>Overige eisen NB</al></entry><entry colname="col5"><al>Hoofddraagconstructie GB</al><al>Vluchtwegen GB</al></entry><entry colname="col6"><al>Brandbaarheid BB</al><al>Brandvoortplanting BB</al><al>Rookontwikkeling BB</al></entry><entry colname="col7"><al>Brandslanghaspels en noodverlichting NB</al><al>Overige installaties GB</al></entry><entry colname="col8"><al>250m2 blustoestel</al><al>&gt;250m2 minihaspel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderwijs-functie</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartimenten algemeen GB</al><al>WBDBO brandcompartimenten 30 minuten</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartimenten NB</al></entry><entry colname="col4"><al>Uitgangsbreedte GB</al><al>Draairichting deuren GB</al><al>Overige eisen NB</al></entry><entry colname="col5"><al>Hoofddraagconstructie GB</al><al>Vluchtwegen GB</al></entry><entry colname="col6"><al>Brandbaarheid BB</al><al>Brandvoortplanting BB</al><al>Rookontwikkeling BB</al></entry><entry colname="col7"><al>Brandslanghaspels en noodverlichting NB</al><al>Overige installaties GB</al></entry><entry colname="col8"><al>250m2 blustoestel</al><al>&gt;250m2 minihaspel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Winkelfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartimenten algemeen GB</al><al>WBDBO brandcompartimenten 30 minuten</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartimenten NB</al></entry><entry colname="col4"><al>Uitgangsbreedte GB</al><al>Draairichting deuren GB</al><al>Overige eisen NB</al></entry><entry colname="col5"><al>Hoofddraagconstructie GB</al><al>Vluchtwegen GB</al></entry><entry colname="col6"><al>Brandbaarheid BB</al><al>Brandvoortplanting BB</al><al>Rookontwikkeling BB</al></entry><entry colname="col7"><al>Brandslanghaspels en noodverlichting NB</al><al>Overige installaties GB</al></entry><entry colname="col8"><al>250m2 blustoestel</al><al>&gt;250m2 minihaspel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sportfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartimenten algemeen GB</al><al>WBDBO brandcompartimenten 30 minuten</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartimenten NB</al></entry><entry colname="col4"><al>Uitgangsbreedte GB</al><al>Draairichting deuren GB</al><al>Overige eisen NB</al></entry><entry colname="col5"><al>Hoofddraagconstructie GB</al><al>Vluchtwegen GB</al></entry><entry colname="col6"><al>Brandbaarheid BB</al><al>Brandvoortplanting BB</al><al>Rookontwikkeling BB</al></entry><entry colname="col7"><al>Brandslanghaspels en noodverlichting NB</al><al>Overige installaties GB</al></entry><entry colname="col8"><al>250m2 blustoestel</al><al>&gt;250m2 minihaspel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonfunctie (kamerverhuur</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartimenten algemeen GB</al><al>WBDBO brandcompartimenten 30 minuten</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartimenten NB</al></entry><entry colname="col4"><al>Alle ontvluchtingseisen NB</al></entry><entry colname="col5"><al>Hoofddraagconstructie GB</al><al>Vluchtwegen GB</al></entry><entry colname="col6"><al>Brandbaarheid BB</al><al>Brandvoortplanting BB</al><al>Rookontwikkeling BB</al></entry><entry colname="col7"><al>BMI beschreven</al></entry><entry colname="col8"><al>Bouwlaag &lt;150m2 blustoestel</al><al>Bouwlaag &gt;150m2 minihaspel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonfunctie (bejaarden-tehuis)</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartimenten algemeen GB</al><al>WBDBO brandcompartimenten 30 minuten</al><al>Subbrand-Compartimenten NB</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartimenten NB</al></entry><entry colname="col4"><al>Alle ontvluchtingseisen NB</al></entry><entry colname="col5"><al>Hoofddraagconstructie GB</al><al>Vluchtwegen GB</al></entry><entry colname="col6"><al>Brandbaarheid BB</al><al>Brandvoortplanting BB</al><al>Rookontwikkeling BB</al></entry><entry colname="col7"><al>Brandslanghaspels en noodverlichting NB</al><al>Overige installaties GB</al></entry><entry colname="col8"><al>250m2 blustoestel</al><al>&gt;250m2 minihaspel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Monumentale functie</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandcompartimenten algemeen GB</al><al>WBDBO brandcompartimenten 30 minuten</al></entry><entry colname="col3"><al>Rookcompartimenten NB</al></entry><entry colname="col4"><al>Uitgangsbreedte GB</al><al>Draairichting deuren GB</al><al>Overige eisen NB Kerken uitzondering beschreven</al></entry><entry colname="col5"><al>Hoofddraagconstructie GB</al><al>Vluchtwegen GB</al></entry><entry colname="col6"><al>Brandbaarheid BB</al><al>Brandvoortplanting BB</al><al>Rookontwikkeling BB</al></entry><entry colname="col7"><al>Brandslanghaspels en noodverlichting NB</al><al>Overige installaties GB</al><al>Kerken uitzondering beschreven</al></entry><entry colname="col8"><al>250m2 blustoestel</al><al>&gt;250m2 minihaspel</al><al>Kerken uitzondering beschreven</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>NB = Nieuwbouw </al><al>BB = Bestaande bouw </al><al>GB = Gemeentelijk beleidsniveau</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>De beleidspakketten </label></kop><structuurtekst><al>Inleiding </al><al>De beleidspakketten zijn de door het gemeentebestuur vast te stellen
                            pakketten brandveiligheidseisen aan bestaande gebouwen. Bij de opzet van
                            deze pakketten zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: </al><al>1 het niveau moet zodanig eenduidig zijn dat er bij de toepassing geen
                            verschillen van inzicht kunnen </al><al>bestaan; </al><al>2 er dient op een eenvoudige wijze inzicht te zijn in het niveau dat
                            wordt vastgesteld (het gemeentelijk </al><al>beleidsniveau) en de relaties met de in het Bouwbesluit aangegeven
                            niveaus voor nieuwbouw en bestaande bouw; </al><al>3 er dient op eenvoudige wijze inzicht te zijn in de motivatie van het
                            gekozen gemeentelijk beleidsniveau. </al><al>Om aan deze uitgangspunten te voldoen, is gekozen voor een
                            matrixoverzicht (zie hiervoor). In deze matrix is voor alle
                            gebouwfuncties en (clustering van) brandveiligheidseisen aangegeven wat
                            de relatie is met de Bouwbesluit eisen (niveaus nieuwbouw en bestaande
                            bouw), wat de motivatie is om tot het voorgestelde niveau te komen en
                            wat de daaruit volgende eisen zijn. Daarna is per gebouwfunctie
                            aangegeven wat de brandveiligheidseisen zijn. </al><al>Deze brandveiligheidseisen zijn gegeven in relatie tot het Bouwbesluit.
                            In de werkpakketten zijn de eisen in zelfstandige vorm aangegeven. </al><al>De beleidspakketten zijn samengesteld met als voornaamste input de
                            benodigde brandveiligheid. Toch is zoveel mogelijk rekening gehouden met
                            de gevolgen van deze beleidspakketten voor investeringen, technische
                            uitvoering en eventuele stopzetting van bedrijfsvoering c.q. sluiting
                            van het pand. </al><al>Overzicht van de gebouwfuncties </al><al>Uitgangspunt voor het vaststellen van de gebouwfuncties waarvoor een
                            beleidspakket (en in het verlengde daarvan een werkpakket) is opgesteld,
                            zijn de in paragraaf 2.1.2 aangegeven gebouwfuncties. Deze
                            gebouwfuncties zijn: </al><al>1 bijeenkomstfunctie; </al><al>2 celfunctie; </al><al>3 gezondheidszorgfunctie; </al><al>4 industriefunctie; </al><al>5 kantoorfunctie; </al><al>6 logiesfunctie; </al><al>7 onderwijsfunctie; </al><al>8 sportfunctie; </al><al>9 winkelfunctie; </al><al>10 woonfunctie kamerverhuur; </al><al>11 woonfunctie bejaardentehuis; </al><al>12 monumentale functie. </al><al>Overzicht van de beleidsniveaus </al><al>In bijlage A (zie hiervoor) is in een matrix een overzicht weergegeven
                            van de beleidsniveaus. Op deze wijze is eenvoudig te zien welke
                            beleidsniveaus zijn aangehouden en hoe deze zich verhouden tot de
                            niveaus nieuwbouw en bestaande bouw. Ook is snel de relatie te zien
                            tussen de beleidsniveaus van de verschillende gebouwfuncties. </al><al>Algemene toelichting eisen </al><al>In deze paragraaf wordt een algemene toelichting en motivatie gegeven op
                            de uitgangspunten en keuzes van de beleidsniveaus. In de
                            beleidspakketten zelf is, daar waar nodig, een nadere toelichting
                            gegeven. </al><al>Brandcompartimenten </al><al>Uitgangspunt voor deze categorie zijn de eisen voor de bestaande bouw.
                            Het probleem dat zich voordoet bij dit niveau is de hoogte van de
                            brandwerendheid op branddoorslag en brandoverslag van de
                            brandcompartimenten. Deze is bij bestaande gebouwen 20 minuten. Dat is
                            onvoldoende om de brandweer de kans te geven de brand binnen het
                            brandcompartiment tegen te houden, zodat een verdere branduitbreiding
                            over het gehele gebouw mogelijk is. Anderzijds is hier pas indirect
                            sprake van een risico voor personen omdat een veilige ontvluchting met
                            andere eisen gerealiseerd wordt. Het nieuwbouwniveau van 60 minuten
                            lijkt de enige juiste eis, maar is verhoudingsgewijs zwaar bij bestaande
                            gebouwen. Om deze reden is gekozen voor een tussenliggend niveau van 30
                            minuten, </al><al>waarbij de brandweer in veel gevallen (niet te groot of hoog gebouw
                            en/of een snelle brandmelding) de uitbreiding van de brand tot staan kan
                            brengen. </al><al>Rookcompartimenten </al><al>Uitgangspunt voor de rookcompartimenten is het niveau nieuwbouw, omdat
                            deze eisen alles te maken hebben met een veilige ontvluchting. De
                            zwaarte van deze eisen is afhankelijk van de bezetting van het gebouw of
                            het aantal aanwezige personen. Hoe meer mensen per gebruiksoppervlakte,
                            hoe zwaarder de eisen. </al><al>In Bouwbesluit 2003 wordt dit aangeduid met bezettingsklassen.
                            Bezettingsklasse 1 is daarbij de hoogste bezetting, dat wil dus zeggen
                            de meeste mensen per oppervlakte aanwezig. </al><al>Om voor de bestaande bouw toch enige verlichting in de eisen ten aanzien
                            van nieuwe gebouwen te geven, is de toepassing van bezettingsklasse 1
                            buiten beschouwing gelaten. Dat wil zeggen als een bestaand gebouw een
                            bezetting heeft conform klasse 1, de (lagere) eisen voor klasse 2
                            toegepast worden. Bij een bezetting die valt in de klassen 2, 3, 4, en 5
                            zijn gewoon de eisen die daarvoor gelden van toepassing. Deze
                            uitzondering geldt alleen niet bij bijeenkomstfunctie. Omdat klasse 1
                            geen bovengrens kent, is toepassing van de rekenwaarden van klasse 1
                            zelfs nog aan de lage kant. Daarom is daar wel gewoon klasse 1 van
                            toepassing. </al><al>Ontvluchten </al><al>Ook hier geldt dat deze eisen direct te maken hebben met een veilige
                            ontvluchting en er dus niet getornd wordt aan het niveau nieuwbouw. Eén
                            uitzondering op deze regel is toegepast. De uitgangsbreedte en
                            draairichting van deuren worden niet beschouwd conform de
                            nieuwbouweisen. </al><al>Hier is gekozen uit te gaan van het realistische gebruik. Dat wil zeggen
                            dat er bij het desbetreffende </al><al>pand gekeken wordt naar wat in de praktijk de bezetting is in aantallen
                            personen. Op basis van deze bezetting worden de eisen ten aanzien van
                            uitgangsbreedte en draairichting bepaald. Dit betekent een verlichting
                            ten opzichte van de nieuwbouweisen. Ook geldt bij het ontvluchten dat,
                            analoog aan de categorie ‘rookcompartimenten’ bezettingsklasse 1 buiten
                            beschouwing is gelaten (met uitzondering van bijeenkomstfunctie). </al><al>Constructies </al><al>Voor de constructies is gekozen voor een tussenliggend niveau van 30
                            minuten omdat hier sprake is van een risico voor personen voor een
                            veilige ontvluchting die met andere eisen gerealiseerd wordt. </al><al>Materialen </al><al>Ook voor de materialen is gekozen voor het niveau bestaande bouw. Voor
                            wat betreft de materiaaleisen binnen het gebouw is er – met uitzondering
                            van de binnenzijde van schachten - geen verschil met het niveau
                            nieuwbouw. Om te voldoen aan de nieuwbouweisen voor de schachten zijn
                            onevenredige investeringen en aanpassingen noodzakelijk, zodat hier niet
                            voor gekozen is. </al><al>Het verschil tussen de nieuwbouweisen en eisen aan bestaande gebouwen
                            betreffen bij materiaal toepassingen aan de buitenzijde van het gebouw,
                            dak en gevels. Er zijn argumenten om voor de gevel moeilijk brandbare
                            materialen toe te passen (nieuwbouwniveau). De kans dat deze materialen
                            daadwerkelijk bijdragen aan een veilige ontvluchting is echter klein,
                            zodat er toch voor gekozen is bij de materialen alleen de eisen aan
                            bestaande bouw toe te passen. </al><al>Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>Uitgangspunt voor de brandbeveiligingsinstallaties is het niveau
                            bestaande bouw. Alleen zou de toepassing van brandslanghaspels dan niet
                            noodzakelijk zijn. Al eerder is in dit rapport aangegeven dat dit
                            ongewenst is en waarom. Voor de toepassing van brandslanghaspels is
                            daarom het niveau nieuwbouw aangehouden. Dat geldt ook voor de
                            toepassing van noodverlichting. De toepassingseisen </al><al>bij bestaande bouw zijn veel lager. Omdat noodverlichting voor een
                            snellere en veilige ontruiming zorgt, zijn ook hier de eisen voor
                            nieuwbouw aangehouden. Voor wat ontruimingsinstallaties,
                            brandmeldinstallaties en vluchtrouteaanduidingen betreft, zijn deze
                            afgestemd op de gemeentelijke </al><al>Bouwverordening. De Bouwverordening maakt geen onderscheid tussen
                            nieuwbouw en bestaande bouw. </al><al>Gebruik </al><al>Eerder in deze nota is aangegeven waarom er een categorie ‘gebruik’ is
                            toegevoegd en welke eisen daarin zijn opgenomen en om welke reden.
                            Daarom wordt hier uitsluitend volstaan met het vermelden van deze eisen. </al><al>1 gebruiksoppervlakte tussen 0 en 250 m2: draagbaar blustoestel met 6 kg
                            poeder of 6 liter schuimvormend middel; </al><al>2 gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2: minihaspel met een
                            slanglengte van 15 meter. </al><al>Koppeling met verbouwingen </al><al>Er kan voor gekozen worden sommige eisen alleen uit te laten voeren als
                            er ook een verbouwing plaatsvindt en dus koppelen aan de bouwvergunning
                            die voor die verbouwing noodzakelijk is. Deze oplossing dient echter
                            gezien te worden als een uiterste mogelijkheid, als de brandpreventieve
                            eisen niet in verhouding staan tot de investeringen. Voor een goed
                            brandveiligheidsbeleid dienen de eisen in de beleids- en werkpakketten
                            het uitgangspunt te zijn voordat tot de verlening van een
                            gebruiksvergunning overgegaan kan worden. De eisen behorende bij de
                            categorie ‘brandcompartimenten’, voorzover deze eisen uitstijgen boven
                            het niveau bestaande bouw, zouden zich in het genoemde uiterste geval
                            lenen voor het uitsluitend koppelen aan een verbouwing. Voor de eisen in
                            de categorie ‘rookcompartimenten’ en ‘ontvluchten’ wordt een verlaging
                            van de in de beleidspakketten genoemde niveaus ten sterkste ontraden,
                            omdat deze eisen direct te maken hebben met het veilig ontvluchten uit
                            een gebouw. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>De werkpakketten </label></kop><structuurtekst><al>Algemene toelichting </al><al>De beleidspakketten zijn voor de uitvoering verder uitgewerkt in
                            werkpakketten. De werkpakketten bevatten de concrete eisen waaraan het
                            gebouw getoetst dient te worden. Ook kunnen deze eisen dienen als
                            aanschrijvingszinnen. De eisen zijn geen directe overname van
                            desbetreffende Bouwbesluiteisen, maar een vertaling ervan om de
                            leesbaarheid te vereenvoudigen. </al><al>De eisen zijn genummerd in de systematiek van de 7 genoemde
                            eisenclusters. Om de herkenbaarheid te vereenvoudigen, is iedere eis
                            voorzien van een tekst die aangeeft waar de eis over gaat. </al><al>De werkpakketten zijn er voor om de uitvoerende inspecteurs wegwijs te
                            maken in de directe eisen die voortvloeien uit de beleidspakketten.
                            Kennis van de bouwregelgeving is noodzakelijk om goed uit de voeten te
                            kunnen met deze eisen. Een nadere vertaling in checklisten maakt de
                            werkpakketten niet overbodig. Voor de meer complexere gebouwen en voor
                            de formele aanschrijvingen zijn ze essentieel. De werkpakketten zijn dan
                            ook zo opgesteld dat ze als een soort standaardzinnen gebruikt kunnen
                            worden en modulair in de eisenbrieven opgenomen kunnen worden. </al><al>Overzichten </al><al>Van de volgende gebouwfuncties zijn werkpakketten opgesteld: </al><lijst><li nr="1."><al>bijeenkomstfunctie;</al></li><li nr="2."><al>celfunctie;</al></li><li nr="3."><al>gezondheidszorgfunctie;</al></li><li nr="4."><al>industriefunctie;</al></li><li nr="5."><al>kantoorfunctie;</al></li><li nr="6."><al>logiesfunctie;</al></li><li nr="7."><al>onderwijsfunctie;</al></li><li nr="8."><al>sportfunctie;</al></li><li nr="9."><al>winkelfunctie;</al></li><li nr="10."><al>woonfunctie kamerverhuur;</al></li><li nr="11."><al>woonfunctie bejaardentehuis;</al></li><li nr="12."><al>monumentale functie.</al></li></lijst><al>Gelijkwaardigheid </al><al>Evenals bij de nieuwbouwvoorschriften in het Bouwbesluit is het ook bij
                            de werkpakketten mogelijk af te wijken van de genoemde prestatie-eis en
                            een oplossing te kiezen die een gelijkwaardig veilige oplossing biedt.
                            Om te komen tot een gelijkwaardige oplossing dient aangesloten te worden
                            op bij in de gemeente gangbare procedure ten aanzien van het toetsen van
                            gelijkwaardige alternatieven. </al><al>Het verdient wel aanbeveling om goedgekeurde alternatieven, voorzover
                            algemeen toepasbaar, als een gelijkwaardige oplossing te koppelen aan de
                            bijbehorende prestatie-eis. Zo wordt de toepassing van gelijkwaardige
                            uniforme oplossingen bevorderd. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Begripsomschrijving gebouwfuncties </label></kop><structuurtekst><al>Bijeenkomstfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor het samenkomen van mensen voor kunst, cultuur,
                            godsdienst, communicatie, het verstrekken van consumpties voor het
                            gebruik ter plaatse en het aanschouwen van sport. </al><al>Celfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor dwangverblijf van mensen. Een celfunctie kan een
                            gevangenis zijn, een politiecel, maar ook een kamer in een tehuis voor
                            dwangmatige verpleging. </al><al>Gezondheidszorgfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of
                            behandeling. Hierbij gaat het om ruimten voor de behandeling of
                            verpleging van patiënten in een ziekenhuis, een verzorgingshuis, een
                            psychiatrische inrichting, een medisch centrum, een polikliniek en een
                            praktijkruimte voor een huisarts, fysiotherapeut of tandarts. </al><al>Industriefunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van
                            materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden. Hierbij gaat het
                            om een werkplaats, magazijn, opslagruimte in een pakhuis, maar ook een
                            stal van een boerderij. Lichte industrie is bijvoorbeeld een tuinbouwkas
                            of stal waarbij het verblijven van mensen ondergeschikt is. </al><al>Kantoorfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor administratie. Hierbij gaat het om een
                            accountantsbureau, administratiekantoor, bankgebouw, gemeentehuis, maar
                            ook een kantoorgedeelte bij een woning. </al><al>Logiesfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan
                            mensen. Hierbij gaat het om een zomerhuisje, hotel, motel, pension en
                            het gedeelte van een scoutinggebouw waar slaapgelegenheid wordt geboden. </al><al>Onderwijsfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor basis- of voortgezet onderwijs. Het gaat hierbij om
                            een klaslokaal of een collegezaal van een universiteit. Een
                            gymnastieklokaal is echter een sportfunctie. </al><al>Sportfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor het beoefenen van sport. Een sportfunctie kan zijn
                            een zwembad, een gymnastieklokaal, een sporthal of een fitnesscentrum.
                            Een ruimte voor toeschouwers is een bijeenkomstfunctie. </al><al>Winkelfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor het verhandelen van materialen, goederen of
                            diensten. Zoals een winkelcentrum, warenhuis, supermarkt, reisbureau,
                            stationsloket of een verkoopruimte bij een tankstation. </al><al>Woonfunctie kamerverhuur: </al><al>Woongebouw waarin bij voortduring in onzelfstandige woonruimte
                            huisvesting wordt verleend aan vier of meer, niet in gezinsverband
                            samenwonende personen die elk een zelfstandig huisvesting voeren en
                            gebruik maken van gemeenschappelijke voorzieningen. </al><al>Woonfunctie bejaardentehuis/aanleunwoningen: </al><al>Woongebouw waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging
                            nachtverblijf wordt verschaft en woongebouwen waarin zelfstandige
                            woonruimte wordt geboden aan senioren en/of aan verminderd zelfstandig
                            redzame personen. </al><al>Monumentale functie: </al><al>Gebouwen die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun
                            betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde of
                            aangewezen zijn als beschermd gemeentelijk of rijksmonument. Kerken:
                            onroerende monumenten, die eigendom zijn van een kerkgenootschap,
                            kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling en die
                            uitsluitend of voor een overwegend deel worden gebruikt voor de
                            uitoefening van de eredienst. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Bijeenkomstfunctie </label></kop><structuurtekst><al>1.Brandcompartimenten</al><al>1 De brandcompartimenten dienen voor wat betreft de maximale
                            compartimentgrootte te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande bijeenkomstfunctie. </al><al>2 De brandcompartimenten dienen een weerstand tegen branddoorslag en
                            brandoverslag (WBDBO) te bezitten van 30 minuten. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                                beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt
                                allereerst bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan
                                van brand en de eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30
                                minuten. Een lagere WBDBO dan 30 minuten heeft tot gevolg dat de
                                brand zich zal uitbreiden naar een volgend brandcompartiment
                            </cursief></al><al><cursief>of een belendend perceel. Dat dient te worden voorkomen. Het
                                tweede aspect om een brand beheersbaar te houden is de grootte van
                                een brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie is met de
                                veiligheid van personen wordt de waarde van het niveau bestaande
                                bouw aangehouden. </cursief></al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de rookcompartimenten dienen te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            bijeenkomstfunctie. </al><al>Indien en voor zover het feitelijk gebruik onevenredig afwijkt of zal
                            afwijken van de rekenwaarde voor de toepasselijke hoogste
                            bezettingsklasse en dit niet kan worden ondervangen door de toepassing
                            van een bij een ander gebruik behorende bezettingsklasse, kan de
                            berekeningmethode P = U x 1,35 worden toegepast (P is het maximaal
                            toelaatbare aantal personen en U is de netto breedte van de aanwezige en
                            beschikbare nooduitgang(en) in centimeter(s)). </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van rookcompartimenten hebben betrekking
                                op de veiligheid van personen (met name de mogelijkheden om in rook
                                te vluchten), zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd. Omdat de
                                bijeenkomstfunctie zich kenmerkt door een veelal hoge
                                bezettingsgraad en bezettingsklasse B1 geen bovengrens kent, is hier
                                ook de maximale bezettingsklasse B1 van toepassing. </cursief></al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de ontvluchting mogelijkheden dienen
                            te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te
                            bouwen bijeenkomstfunctie (met uitzondering van de uitgangsbreedte en
                            draairichting van deuren). </al><al>2 De uitgangsbreedte van deuren dient te voldoen aan de eisen die
                            voortvloeien uit de aangegeven bezettingsklassen. Is de bezetting hoger
                            dan klasse B1, dan wordt de berekeningsmethode P = U x 1,35 toegepast,
                            waarbij wordt uitgegaan van een voor dat pand realistische bezetting (P
                            is het maximaal toelaatbare aantal personen en U is de netto breedte van
                            de aanwezige en beschikbare nooduitgang(en) in centimeter(s)). </al><al>3 De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn. </al><al>De draairichting van de overige deuren dient te voldoen aan de eisen die
                            het Bouwbesluit 2003 stelt aan de bestaande bijeenkomstfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van ontvluchting hebben betrekking op de
                                veiligheid van personen, zodat hier de nieuwbouweisen worden
                                gevolgd. Omdat de bijeenkomstfunctie zich kenmerkt door een veelal
                                hoge bezettingsgraad en bezettingsklasse B1 geen bovengrens kent, is
                                hier ook de maximale bezettingsklasse B1 van toepassing. Voor wat
                                betreft de uitgangsbreedte en draairichting van deuren is uitgegaan
                                van een realistische bezetting van het pand, zodat hiervoor maatwerk
                                per pand noodzakelijk is. Het aantal personen waar mee gerekend
                                wordt, dient in de gebruiksvergunning vastgelegd te worden.
                            </cursief></al><al>4 Constructies </al><al>1 De constructies dienen met betrekking tot het bezwijken bij brand te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            bijeenkomstfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen betreffende het bezwijken bij brand van
                                constructieonderdelen op het niveau bestaande bouw zijn nog
                                voldoende om een veilige ontvluchting mogelijk te maken.
                            </cursief></al><al><cursief>Anderzijds zal het ophogen van deze eisen bij bestaande
                                gebouwen ingrijpende technische en financiële consequenties hebben.
                                Opgemerkt dient te worden dat de WBDBO-eisen die aan de
                                brandcompartimenten gesteld worden (zie paragraaf 1) kunnen inhouden
                                dat een grotere brandwerendheid op bezwijken van de constructies
                                noodzakelijk is. </cursief></al><al>5 Materialen </al><al>1 De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            bijeenkomstfunctie. </al><al>2 De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande bijeenkomstfunctie. </al><al>3 De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            bijeenkomstfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van de materialen zijn allen conform het
                                niveau bestaande bouw. Deze eisen zijn overigens overeenkomstig het
                                niveau nieuwbouw. Het niveau nieuwbouw kent echter nog een aantal
                                extra eisen. Deze zijn: </cursief></al><al><cursief>• de onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten (indien
                                dit wel wordt gedaan houdt dat in praktische zin in dat veel
                                schachten geheel dienen te worden vervangen, terwijl het niet
                                stellen van deze eis geen betrekking heeft op brandvoortplanting
                                buiten de schacht omdat deze brandwerendheid bij het onderdeel
                                brandcompartimenten al zeker gesteld is binnen de daarvoor
                                gehanteerde normen); </cursief></al><al><cursief>• de brandgevaarlijkheid van het dak (dit heeft betrekking op
                                brand aan de buitenzijde van het gebouw, hetgeen geen directe
                                invloed heeft op de veiligheid van de in het gebouw aanwezige
                                personen); </cursief></al><al><cursief>• de brandvoortplanting van de buitengevel (dit heeft
                                betrekking op brand aan de buitenzijde van het </cursief></al><al><cursief>gebouw, hetgeen geen directe invloed heeft op de veiligheid van
                                de in het gebouw aanwezige personen). </cursief></al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 De aanwezigheid en uitvoering van brandslanghaspels en noodverlichting
                            dienen te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw
                            te bouwen bijeenkomstfunctie. </al><al>2 De aanwezigheid en uitvoering van brandmeldinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>3 De aanwezigheid en uitvoering van ontruimingsinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>4 De aanwezigheid en uitvoering van vluchtrouteaanduiding dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>5 De aanwezigheid en uitvoering van overige
                            brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan de eisen in bijlage
                            3 van de gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 Een bijeenkomstfunctie met een gebruiksoppervlakte van minder dan 250
                            m2 dient te zijn voorzien van een draagbaar blustoestel. </al><al>2 Een bijeenkomstfunctie met een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500
                            m2 dient te zijn voorzien van een minihaspel. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Celfunctie </label></kop><structuurtekst><al>Algemeen: </al><al>Bij een mogelijk andersoortig gebruik van (een deel van) het gebouw is
                            tevens het bij dat ander gebruik behorende beleidspakket van toepassing.
                            De zwaarste eis uit de van toepassing zijnde pakketten is dan
                            maatgevend. </al><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 De brandcompartimenten dienen voor wat betreft de maximale
                            compartimentgrootte te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande celfunctie. </al><al>2 De brandcompartimenten dienen een weerstand tegen branddoorslag en
                            brandoverslag (WBDBO) te bezitten van 30 minuten. </al><al>3 De subbrandcompartimenten dienen te voldoen aan de eisen die het
                            Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen celfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                                beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt
                                allereerst bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan
                                van brand en de eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30
                                minuten. Een lagere WBDBO dan 30 minuten heeft tot gevolg dat de
                                brand zich zal uitbreiden naar een volgend brandcompartiment
                            </cursief></al><al><cursief>of een belendend perceel. Dat dient te worden voorkomen.
                            </cursief></al><al><cursief>Het tweede aspect om een brand beheersbaar te houden, is de
                                grootte van een brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie
                                is met de veiligheid van personen wordt de waarde van het niveau
                                bestaande bouw aangehouden. Binnen logiesfunctie kent het
                                Bouwbesluit 2003 ook subbrandcompartimenten. Deze dienen ter extra
                                beveiliging van de veelal slapend aanwezige personen. Omdat de
                                subbrandcompartimenten dienen voor de veiligheid van personen is
                                hiervoor het niveau nieuwbouw aangehouden. </cursief></al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de rookcompartimenten dienen te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            celfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een maximale
                            bezettingsklasse van B2. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van rookcompartimenten hebben betrekking
                                op de veiligheid van personen (met name de mogelijkheden om in rook
                                te vluchten), zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd. De eisen
                                bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij bestaande gebouwen in
                                veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen leiden. Daarom is deze
                                klasse hier buiten beschouwing gelaten. </cursief></al><al><cursief>Uit oogmerk van de brandveiligheid van bestaande gebouwen is
                                dit acceptabel. </cursief></al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de ontvluchting mogelijkheden dienen
                            te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te
                            bouwen celfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een
                            maximale bezettingsklasse van B2. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van ontvluchting hebben betrekking op de
                                veiligheid van personen die in veel gevallen ook nog niet eenvoudig
                                kunnen vluchten, zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd. De
                                eisen bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij bestaande
                                gebouwen in veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen leiden.
                                Daarom is deze klasse hier buiten beschouwing gelaten.
                            </cursief></al><al>4 Constructies </al><al>1 De constructies dienen met betrekking tot het bezwijken bij brand te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            celfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen betreffende het bezwijken bij brand van
                                constructieonderdelen op het niveau bestaande bouw zijn nog
                                voldoende om een veilige ontvluchting mogelijk te maken. Anderzijds
                                zal het ophogen van deze eisen bij bestaande gebouwen ingrijpende
                                technische en financiële consequenties hebben. Opgemerkt dient te
                                worden dat de WBDBO-eisen die aan de brandcompartimenten gesteld
                                worden (zie paragraaf 1) kunnen inhouden dat een grotere
                                brandwerendheid op bezwijken van de constructies </cursief></al><al><cursief>noodzakelijk is. </cursief></al><al>5 Materialen </al><al>1 De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande celfunctie. </al><al>2 De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande celfunctie. </al><al>3 De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande celfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van de materialen zijn allen conform het
                                niveau bestaande bouw. Deze eisen zijn overigens overeenkomstig het
                                niveau nieuwbouw. Het niveau nieuwbouw kent echter nog een aantal
                                extra eisen. Deze zijn: </cursief></al><al><cursief>• de onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten (indien
                                dit wel wordt gedaan houdt dat in praktische zin in dat veel
                                schachten geheel dienen te worden vervangen, terwijl het niet
                                stellen van deze eis geen betrekking heeft op brandvoortplanting
                                buiten de schacht omdat deze brandwerendheid bij het onderdeel
                                brandcompartimenten al zeker gesteld is binnen de daarvoor
                                gehanteerde normen); </cursief></al><al><cursief>• de brandgevaarlijkheid van het dak (dit heeft betrekking op
                                brand aan de buitenzijde van het gebouw, hetgeen geen directe
                                invloed heeft op de veiligheid van de in het gebouw aanwezige
                                personen); </cursief></al><al><cursief>• de brandvoortplanting van de buitengevel (dit heeft
                                betrekking op brand aan de buitenzijde van het </cursief></al><al><cursief>gebouw, hetgeen geen directe invloed heeft op de veiligheid van
                                de in het gebouw aanwezige personen). </cursief></al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 De aanwezigheid en uitvoering van brandslanghaspels en noodverlichting
                            dienen te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw
                            te bouwen celfunctie. </al><al>2 De aanwezigheid en uitvoering van brandmeldinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>3 De aanwezigheid en uitvoering van ontruimingsinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>4 De aanwezigheid en uitvoering van vluchtrouteaanduiding dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>5 De aanwezigheid en uitvoering van overige
                            brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan de eisen die worden
                            gesteld in bijlage 3 van de gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 Een celfunctie met een gebruiksoppervlakte van minder dan 250 m2 dient
                            te zijn voorzien van een draagbaar blustoestel. </al><al>2 Een celbouw met een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2 dient te
                            zijn voorzien van een minihaspel. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Gezondheidsfunctie </label></kop><structuurtekst><al>Algemeen: </al><al>Bij een mogelijk andersoortig gebruik van (een deel van) het gebouw is
                            tevens het bij dat ander gebruik behorende beleidspakket van toepassing.
                            De zwaarste eis uit de van toepassing zijnde pakketten is dan
                            maatgevend. </al><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 De brandcompartimenten dienen voor wat betreft de maximale
                            compartimentgrootte te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande gezondheidsfunctie. </al><al>2 De brandcompartimenten dienen een weerstand tegen branddoorslag en
                            brandoverslag (WBDBO) te bezitten van 30 minuten. </al><al>3 De subbrandcompartimenten dienen te voldoen aan de eisen die het
                            Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen gezondheidsfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                                beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt
                                allereerst bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan
                                van brand en de eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30
                                minuten. Bij een lagere WBDBO dan 30 minuten zal de brand zich
                                uitbreiden naar een volgend brandcompartiment of een belendend
                                perceel. Dat dient te worden voorkomen. Het tweede aspect om een
                                brand beheersbaar te houden, is de grootte van een
                                brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie is met de
                                veiligheid van personen wordt de waarde van het niveau bestaande
                                bouw aangehouden. </cursief></al><al><cursief>Binnen logiesfunctie kent het Bouwbesluit 2003 ook
                                subbrandcompartimenten. Deze dienen ter extra beveiliging van de
                                veelal slapend aanwezige personen. Omdat de subbrandcompartimenten
                                dienen voor de veiligheid van personen is hiervoor het niveau
                                nieuwbouw aangehouden. </cursief></al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de rookcompartimenten dienen te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            gezondheidsfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een
                            maximale bezettingsklasse van B2. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van rookcompartimenten hebben betrekking
                                op de veiligheid van personen (met name de mogelijkheden om in rook
                                te vluchten), zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd. De eisen
                                bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij bestaande gebouwen in
                                veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen leiden. Daarom is deze
                                klasse hier buiten beschouwing gelaten. </cursief></al><al><cursief>Uit oogmerk van de brandveiligheid van bestaande gebouwen is
                                dit acceptabel. </cursief></al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de ontvluchting mogelijkheden dienen
                            (met uitzondering van de uitgangsbreedte en draairichting van deuren) te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            gezondheidsfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een
                            maximale bezettingsklasse van B2. </al><al>2 De uitgangsbreedte van deuren dient te voldoen aan de eisen die
                            voortvloeien uit de aangegeven bezettingsklassen. </al><al>3 De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn. De draairichting van de overige deuren dient
                            te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            gezondheidsfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van ontvluchting hebben betrekking op de
                                veiligheid van personen, zodat hier de nieuwbouweisen worden
                                gevolgd. De eisen bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij
                                bestaande gebouwen in veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen
                                leiden. Daarom is deze klasse hier buiten beschouwing gelaten. Voor
                                wat betreft de uitgangsbreedte en draairichting van deuren is
                                uitgegaan van een realistische bezetting van het pand, zodat
                                hiervoor maatwerk per pand noodzakelijk is. Het </cursief></al><al><cursief>aantal personen waar mee gerekend wordt dient in de
                                gebruiksvergunning vastgelegd te worden. </cursief></al><al>4 Constructies </al><al>1 De constructies dienen met betrekking tot het bezwijken bij brand te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            gezondheidsfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen betreffende het bezwijken bij brand van
                                constructieonderdelen op het niveau bestaande bouw zijn nog
                                voldoende om een veilige ontvluchting mogelijk te maken. Anderzijds
                                zal het ophogen van deze eisen bij bestaande gebouwen ingrijpende
                                technische en financiële consequenties hebben. Opgemerkt dient te
                                worden dat de WBDBO-eisen die aan de brandcompartimenten gesteld
                                worden (zie paragraaf 1) kunnen inhouden dat een grotere
                                brandwerendheid op bezwijken van de constructies </cursief></al><al><cursief>noodzakelijk is. </cursief></al><al>5 Materialen </al><al>1 De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            gezondheidsfunctie. </al><al>2 De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande gezondheidsfuncties. </al><al>3 De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            gezondheidsfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van de materialen zijn allen conform het
                                niveau bestaande bouw. Deze eisen zijn overigens overeenkomstig het
                                niveau nieuwbouw. Het niveau nieuwbouw kent echter nog een aantal
                                extra eisen. Deze zijn: </cursief></al><al><cursief>• de onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten (indien
                                dit wel wordt gedaan houdt dat in praktisch zin in dat veel
                                schachten geheel dienen te worden vervangen, terwijl het niet
                                stellen van deze eis geen betrekking heeft op brandvoortplanting
                                buiten de schacht omdat deze brandwerendheid bij het onderdeel
                                brandcompartimenten al zeker gesteld is binnen de daarvoor
                                gehanteerde normen); </cursief></al><al><cursief>• de brandgevaarlijkheid van het dak (dit heeft betrekking op
                                brand aan de buitenzijde van het gebouw, hetgeen geen directe
                                invloed heeft op de veiligheid van de in het gebouw aanwezige
                                personen); </cursief></al><al><cursief>• de brandvoortplanting van de buitengevel (dit heeft
                                betrekking op brand aan de buitenzijde van het </cursief></al><al><cursief>gebouw, hetgeen geen directe invloed heeft op de veiligheid van
                                de in het gebouw aanwezige personen). </cursief></al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 De aanwezigheid en uitvoering van brandslanghaspels en noodverlichting
                            dienen te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw
                            te bouwen gezondheidsfunctie. </al><al>2 De aanwezigheid en uitvoering van brandmeldinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>3 De aanwezigheid en uitvoering van ontruimingsinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>4 De aanwezigheid en uitvoering van vluchtrouteaanduiding dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>5 De aanwezigheid en uitvoering van overige
                            brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan de eisen die worden
                            gesteld in bijlage 3 van de gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 Een (gedeelte van een) gezondheidsfunctie dat niet is bestemd voor aan
                            bed gebonden patiënten met een gebruiksoppervlakte van minder dan 250 m2
                            dient te zijn voorzien van een draagbaar blustoestel. </al><al>2 Een (gedeelte van een) gezondheidsfunctie dat niet is bestemd voor aan
                            bed gebonden patiënten met een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2
                            dient te zijn voorzien van een minihaspel. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Industriefunctie </label></kop><structuurtekst><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 De brandcompartimenten dienen voor wat betreft de maximale
                            compartimentgrootte te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande industriefunctie. Bij lichte industriefunctie met
                            een permanente vuurbelasting van ten hoogste 200Mj/m2 is een
                            uitzondering van toepassing. </al><al>2 De brandcompartimenten dienen een weerstand tegen branddoorslag en
                            brandoverslag (WBDBO) te bezitten van 30 minuten. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                                beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt
                                allereerst bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan
                                van brand en de eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30
                                minuten. Bij een lagere WBDBO dan 30 minuten zal de brand zich
                                uitbreiden naar een volgend brandcompartiment of een belendend
                                perceel. Dat dient te worden voorkomen. Het tweede aspect om een
                                brand beheersbaar te houden, is de grootte van een
                                brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie is met de
                                veiligheid van personen wordt de waarde van het niveau bestaande
                                bouw aangehouden. </cursief></al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de rookcompartimenten dienen te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            industriefunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van rookcompartimenten hebben betrekking
                                op de veiligheid van personen (met name de mogelijkheden om in rook
                                te vluchten), zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd. Omdat
                                industriefunctie zich kenmerken door een veelal lage bezettingsgraad
                                is hier de bezettingsklasse B4 en B5 van toepassing. </cursief></al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de ontvluchting mogelijkheden dienen
                            (met uitzondering van de uitgangsbreedte en draairichting van deuren) te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuwe
                            industriefunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>Omdat de industriefunctie zich kenmerkt door een veelal lage
                                bezettingsgraad is hier de bezettingsklasse B4 en B5 van toepassing.
                            </cursief></al><al><cursief>2 De uitgangsbreedte van deuren dient te voldoen aan de eisen
                                die voortvloeien uit de bezettingsklasse B4 en B5. </cursief></al><al><cursief>3 De draairichting van de deuren dient te voldoen aan de eisen
                                die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuwe industriefunctie.
                            </cursief></al><al>4 Constructies </al><al>1 De constructies dienen met betrekking tot het bezwijken bij brand te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            industriefunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen betreffende het bezwijken bij brand van
                                constructieonderdelen op het niveau bestaande bouw zijn nog
                                voldoende om een veilige ontvluchting mogelijk te maken. Anderzijds
                                zal het ophogen van deze eisen bij bestaande gebouwen ingrijpende
                                technische en financiële consequenties hebben. Opgemerkt dient te
                                worden dat de WBDBO-eisen die aan de brandcompartimenten gesteld
                                worden (zie paragraaf 1) kunnen inhouden dat een grotere
                                brandwerendheid op bezwijken van de constructies </cursief></al><al><cursief>noodzakelijk is. </cursief></al><al>5 Materialen </al><al>1 De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande industriefunctie. </al><al>2 De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande industriefunctie. </al><al>3 De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            industriefunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van de materialen zijn allen conform het
                                niveau bestaande bouw. Deze eisen zijn overigens overeenkomstig het
                                niveau nieuwbouw. Het niveau nieuwbouw kent echter nog een aantal
                                extra eisen. Deze zijn: </cursief></al><al><cursief>• de onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten (indien
                                dit wel wordt gedaan houdt dat in praktische zin in dat veel
                                schachten geheel dienen te worden vervangen, terwijl het niet
                                stellen van deze eis geen betrekking heeft op brandvoortplanting
                                buiten de schacht omdat deze brandwerendheid bij het onderdeel
                                brandcompartimenten al zeker gesteld is binnen de daarvoor
                                gehanteerde normen); </cursief></al><al><cursief>• de brandgevaarlijkheid van het dak (dit heeft betrekking op
                                brand aan de buitenzijde van het gebouw, hetgeen geen directe
                                invloed heeft op de veiligheid van de in het gebouw aanwezige
                                personen); </cursief></al><al><cursief>• de brandvoortplanting van de buitengevel (dit heeft
                                betrekking op brand aan de buitenzijde van het </cursief></al><al><cursief>gebouw, hetgeen geen directe invloed heeft op de veiligheid van
                                de in het gebouw aanwezige personen). </cursief></al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 De aanwezigheid en uitvoering van brandslanghaspels en noodverlichting
                            dienen te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw
                            te bouwen industriefunctie. </al><al>2 De aanwezigheid en uitvoering van brandmeldinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>3 De aanwezigheid en uitvoering van ontruimingsinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>4 De aanwezigheid en uitvoering van vluchtrouteaanduiding dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>5 De aanwezigheid en uitvoering van overige
                            brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan de eisen die worden
                            gesteld in bijlage 3 van de gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 Een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van minder dan 250 m2
                            dient te zijn voorzien van een draagbaar blustoestel. </al><al>2 Een gebouw met een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 1.000 m2 dient te
                            zijn voorzien van een minihaspel. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Logiesfunctie </label></kop><structuurtekst><al>Algemeen: </al><al>Bij een mogelijk andersoortig gebruik van (een deel van) het gebouw is
                            tevens het bij dat ander gebruik behorende beleidspakket van toepassing.
                            De zwaarste eis uit de van toepassing zijnde pakketten is dan
                            maatgevend. </al><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 De brandcompartimenten dienen voor wat betreft de maximale
                            compartimentgrootte te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande logiesfunctie. </al><al>2 De brandcompartimenten dienen een weerstand tegen branddoorslag en
                            brandoverslag (WBDBO) te bezitten van 30 minuten. </al><al>3 De subbrandcompartimenten dienen te voldoen aan de eisen die het
                            Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen logiesfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                                beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt
                                allereerst bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan
                                van brand en de eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30
                                minuten. Bij een lagere WBDBO dan 30 minuten zal de brand zich
                                uitbreiden naar een volgend brandcompartiment of een belendend
                                perceel. Dat dient te worden voorkomen. Het tweede aspect om een
                                brand beheersbaar te houden, is de grootte van een
                                brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie is met de
                                veiligheid van personen wordt de waarde van het niveau bestaande
                                bouw aangehouden. Binnen logiesfunctie kent het Bouwbesluit 2003 ook
                                subbrandcompartimenten. Deze dienen ter extra beveiliging van de
                                veelal slapend aanwezige personen. Omdat de subbrandcompartimenten
                                dienen voor de veiligheid van personen is hiervoor het niveau
                                nieuwbouw aangehouden. </cursief></al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de rookcompartimenten dienen te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            logiesfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een maximale
                            bezettingsklasse van B2. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van rookcompartimenten hebben betrekking
                                op de veiligheid van personen (met name de mogelijkheden om in rook
                                te vluchten), zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd. De eisen
                                bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij bestaande gebouwen in
                                veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen leiden. Daarom is deze
                                klasse hier buiten beschouwing gelaten. </cursief></al><al><cursief>Uit oogmerk van de brandveiligheid van bestaande gebouwen is
                                dit acceptabel. </cursief></al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de ontvluchting mogelijkheden dienen
                            (met uitzondering van de uitgangsbreedte en draairichting van deuren) te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            logiesfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een maximale
                            bezettingsklasse van B2. </al><al>2 De uitgangsbreedte van deuren dient te voldoen aan de eisen die
                            voortvloeien uit de aangegeven bezettingsklassen. </al><al>3 De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn. De draairichting van de overige deuren dient
                            te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            logiesfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van ontvluchting hebben betrekking op de
                                veiligheid van personen, zodat hier de nieuwbouweisen worden
                                gevolgd. De eisen bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij
                                bestaande gebouwen in veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen
                                leiden. Daarom is deze klasse hier buiten beschouwing gelaten. Voor
                                wat betreft de uitgangsbreedte en draairichting van deuren is
                                uitgegaan van een realistische bezetting van het pand, zodat
                                hiervoor maatwerk per pand noodzakelijk is. Het </cursief></al><al><cursief>aantal personen waar mee gerekend wordt dient in de
                                gebruiksvergunning vastgelegd te worden. </cursief></al><al>4 Constructies </al><al>1 De constructies dienen met betrekking tot het bezwijken bij brand te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            logiesfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen betreffende het bezwijken bij brand van
                                constructieonderdelen op het niveau bestaande bouw zijn nog
                                voldoende om een veilige ontvluchting mogelijk te maken. Anderzijds
                                zal het ophogen van deze eisen bij bestaande gebouwen ingrijpende
                                technische en financiële consequenties hebben. Opgemerkt dient te
                                worden dat de WBDBO-eisen die aan de brandcompartimenten gesteld
                                worden (zie paragraaf 1) kunnen inhouden dat een grotere
                                brandwerendheid op bezwijken van de constructies </cursief></al><al><cursief>noodzakelijk is. </cursief></al><al>5 Materialen </al><al>1 De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande logiesfunctie. </al><al>2 De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande logiesfunctie. </al><al>3 De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande logiesfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van de materialen zijn allen conform het
                                niveau bestaande bouw. Deze eisen zijn overigens overeenkomstig het
                                niveau nieuwbouw. Het niveau nieuwbouw kent echter nog een aantal
                                extra eisen. Deze zijn: </cursief></al><al><cursief>• de onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten (indien
                                dit wel wordt gedaan houdt dat in praktische zin in dat veel
                                schachten geheel dienen te worden vervangen, terwijl het niet
                                stellen van deze eis geen betrekking heeft op brandvoortplanting
                                buiten de schacht omdat deze brandwerendheid bij het onderdeel
                                brandcompartimenten al zeker gesteld is binnen de daarvoor
                                gehanteerde normen); </cursief></al><al><cursief>• de brandgevaarlijkheid van het dak (dit heeft betrekking op
                                brand aan de buitenzijde van het gebouw, hetgeen geen directe
                                invloed heeft op de veiligheid van de in het gebouw aanwezige
                                personen); </cursief></al><al><cursief>• de brandvoortplanting van de buitengevel (dit heeft
                                betrekking op brand aan de buitenzijde van het </cursief></al><al><cursief>gebouw, hetgeen geen directe invloed heeft op de veiligheid van
                                de in het gebouw aanwezige personen). </cursief></al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 De aanwezigheid en uitvoering van brandslanghaspels en noodverlichting
                            dienen te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw
                            te bouwen logiesfunctie. </al><al>2 De aanwezigheid en uitvoering van brandmeldinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>3 De aanwezigheid en uitvoering van ontruimingsinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>4 De aanwezigheid en uitvoering van vluchtrouteaanduiding dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>5 De aanwezigheid en uitvoering van overige
                            brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan de eisen die worden
                            gesteld in bijlage 3 van de gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 Een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van minder dan 250 m2
                            dient te zijn voorzien van een draagbaar blustoestel. </al><al>2 Een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2
                            dient te zijn voorzien van een minihaspel. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Kantoorfunctie </label></kop><structuurtekst><al>Algemeen: </al><al>Bij een mogelijk andersoortig gebruik van (een deel van) het gebouw is
                            tevens het bij dat ander gebruik behorende beleidspakket van toepassing.
                            De zwaarste eis uit de van toepassing zijnde pakketten is dan
                            maatgevend. </al><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 De brandcompartimenten dienen voor wat betreft de maximale
                            compartimentgrootte te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande kantoorfunctie. </al><al>2 De brandcompartimenten dienen een weerstand tegen branddoorslag en
                            brandoverslag (WBDBO) te bezitten van 30 minuten. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                                beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt
                                allereerst bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan
                                van brand en de eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30
                                minuten. Een lagere WBDBO dan 30 minuten heeft tot gevolg dat de
                                brand zich zal uitbreiden naar een volgend brandcompartiment
                            </cursief></al><al><cursief>of een belendend perceel. Dat dient te worden voorkomen. Het
                                tweede aspect om een brand beheersbaar te houden, is de grootte van
                                een brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie is met de
                                veiligheid van personen wordt de waarde van het niveau bestaande
                                bouw aangehouden. </cursief></al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de rookcompartimenten dienen te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            kantoorfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een maximale
                            bezettingsklasse van B2. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van rookcompartimenten hebben betrekking
                                op de veiligheid van personen (met name de mogelijkheden om in rook
                                te vluchten), zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd. De eisen
                                bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij bestaande gebouwen in
                                veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen leiden. Daarom is deze
                                klasse hier buiten beschouwing gelaten. </cursief></al><al><cursief>Uit oogmerk van de brandveiligheid van bestaande gebouwen is
                                dit acceptabel. </cursief></al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de ontvluchting mogelijkheden dienen
                            (met uitzondering van de uitgangsbreedte en draairichting van deuren) te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            kantoorfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een maximale
                            bezettingsklasse van B2. </al><al>2 De uitgangsbreedte van deuren dient te voldoen aan de eisen die
                            voortvloeien uit de aangegeven bezettingsklassen. </al><al>3 De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn. De draairichting van de overige deuren dient
                            te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            kantoorfunctie. </al><al>Toelichting: </al><al>De eisen ten aanzien van ontvluchting hebben betrekking op de veiligheid
                            van personen, zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd. De eisen bij
                            de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij bestaande gebouwen in veel
                            gevallen tot ingrijpende aanpassingen leiden. Daarom is deze klasse hier
                            buiten beschouwing gelaten. Voor wat betreft de uitgangsbreedte en
                            draairichting van deuren is uitgegaan van een realistische bezetting van
                            het pand, zodat hiervoor maatwerk per pand noodzakelijk is. Het </al><al>aantal personen waar mee gerekend wordt dient in de gebruiksvergunning
                            vastgelegd te worden. </al><al>4 Constructies </al><al>1 De constructies dienen met betrekking tot het bezwijken bij brand te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            kantoorfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen betreffende het bezwijken bij brand van
                                constructieonderdelen op het niveau bestaande bouw zijn nog
                                voldoende om een veilige ontvluchting mogelijk te maken. Anderzijds
                                zal het ophogen van deze eisen bij bestaande gebouwen ingrijpende
                                technische en financiële consequenties hebben. Opgemerkt dient te
                                worden dat de WBDBO-eisen die aan de brandcompartimenten gesteld
                                worden (zie paragraaf 1) kunnen inhouden dat een grotere
                                brandwerendheid op bezwijken van de constructies </cursief></al><al><cursief>noodzakelijk is. </cursief></al><al>5 Materialen </al><al>1 De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande kantoorfunctie. </al><al>2 De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande kantoorfunctie. </al><al>3 De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            kantoorfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van de materialen zijn allen conform het
                                niveau bestaande bouw. Deze eisen zijn overigens overeenkomstig het
                                niveau nieuwbouw. Het niveau nieuwbouw kent echter nog een aantal
                                extra eisen. Deze zijn: </cursief></al><al><cursief>• de onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten (indien
                                dit wel wordt gedaan houdt dat in praktische zin in dat veel
                                schachten geheel dienen te worden vervangen, terwijl het niet
                                stellen van deze eis geen betrekking heeft op brandvoortplanting
                                buiten de schacht omdat deze brandwerendheid bij het onderdeel
                                brandcompartimenten al zeker gesteld is binnen de daarvoor
                                gehanteerde normen); </cursief></al><al><cursief>• de brandgevaarlijkheid van het dak (dit heeft betrekking op
                                brand aan de buitenzijde van het gebouw, hetgeen geen directe
                                invloed heeft op de veiligheid van de in het gebouw aanwezige
                                personen); </cursief></al><al><cursief>• de brandvoortplanting van de buitengevel (dit heeft
                                betrekking op brand aan de buitenzijde van het </cursief></al><al><cursief>gebouw hetgeen geen directe invloed heeft op de veiligheid van
                                de in het gebouw aanwezige personen). </cursief></al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 De aanwezigheid en uitvoering van brandslanghaspels en noodverlichting
                            dienen te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw
                            te bouwen kantoorfunctie. </al><al>2 De aanwezigheid en uitvoering van brandmeldinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>3 De aanwezigheid en uitvoering van ontruimingsinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>4 De aanwezigheid en uitvoering van vluchtrouteaanduiding dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>5 De aanwezigheid en uitvoering van overige
                            brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan de eisen die worden
                            gesteld in bijlage 3 van de gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 Een kantoorfunctie met een gebruiksoppervlakte van minder dan 250 m2
                            dient te zijn voorzien van een draagbaar blustoestel. </al><al>2 Een kantoorfunctie met een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2
                            dient te zijn voorzien van een minihaspel. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Onderwijsfunctie </label></kop><structuurtekst><al>Algemeen: </al><al>Bij een mogelijk andersoortig gebruik van (een deel van) het gebouw is
                            tevens het bij dat ander gebruik behorende beleidspakket van toepassing.
                            De zwaarste eis uit de van toepassing zijnde pakketten is dan
                            maatgevend. </al><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 De brandcompartimenten dienen voor wat betreft de maximale
                            compartimentgrootte te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande onderwijsfunctie. </al><al>2 De brandcompartimenten dienen een weerstand tegen branddoorslag en
                            brandoverslag (WBDBO) te bezitten van 30 minuten. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                                beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt
                                allereerst bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan
                                van brand en de eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30
                                minuten. Een lagere WBDBO dan 30 minuten heeft tot gevolg dat de
                                brand zich zal uitbreiden naar een volgend brandcompartiment
                            </cursief></al><al><cursief>of een belendend perceel. Dat dient te worden voorkomen. Het
                                tweede aspect om een brand beheersbaar te houden, is de grootte van
                                een brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie is met de
                                veiligheid van personen wordt de waarde van het niveau bestaande
                                bouw aangehouden. </cursief></al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de rookcompartimenten dienen te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            onderwijsfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een
                            maximale bezettingsklasse van B2. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van rookcompartimenten hebben betrekking
                                op de veiligheid van personen (met name de mogelijkheden om in rook
                                te vluchten), zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd. De eisen
                                bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij bestaande gebouwen in
                                veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen leiden. Daarom is deze
                                klasse hier buiten beschouwing gelaten. </cursief></al><al><cursief>Uit oogmerk van de brandveiligheid van bestaande gebouwen is
                                dit acceptabel. </cursief></al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de ontvluchting mogelijkheden dienen
                            (met uitzondering van de uitgangsbreedte en draairichting van deuren) te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            onderwijsfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een
                            maximale bezettingsklasse van B2. </al><al>2 De uitgangsbreedte van deuren dient te voldoen aan de eisen die
                            voortvloeien uit de aangegeven bezettingsklassen. </al><al>3 De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn. De draairichting van de overige deuren dient
                            te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            onderwijsfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van ontvluchting hebben betrekking op de
                                veiligheid van personen, zodat hier de nieuwbouweisen worden
                                gevolgd. De eisen bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij
                                bestaande gebouwen in veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen
                                leiden. Daarom is deze klasse hier buiten beschouwing gelaten. Voor
                                wat betreft de uitgangsbreedte en draairichting van deuren is
                                uitgegaan van een realistische bezetting van het pand, zodat
                                hiervoor maatwerk per pand noodzakelijk is. Het </cursief></al><al><cursief>aantal personen waar mee gerekend wordt dient in de
                                gebruiksvergunning vastgelegd te worden. </cursief></al><al>4 Constructies </al><al>1 De constructies dienen met betrekking tot het bezwijken bij brand te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            onderwijsfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen betreffende het bezwijken bij brand van
                                constructieonderdelen op het niveau bestaande bouw zijn nog
                                voldoende om een veilige ontvluchting mogelijk te maken. Anderzijds
                                zal het ophogen van deze eisen bij bestaande gebouwen ingrijpende
                                technische en financiële consequenties hebben. Opgemerkt dient te
                                worden dat de WBDBO-eisen die aan de brandcompartimenten gesteld
                                worden (zie paragraaf 1) kunnen inhouden dat een grotere
                                brandwerendheid op bezwijken van de constructies </cursief></al><al><cursief>noodzakelijk is. </cursief></al><al>5 Materialen </al><al>1 De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande onderwijsfunctie. </al><al>2 De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande onderwijsfunctie. </al><al>3 De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            onderwijsfunctie. </al><al>Toelichting: </al><al>De eisen ten aanzien van de materialen zijn allen conform het niveau
                            bestaande bouw. Deze eisen zijn overigens overeenkomstig het niveau
                            nieuwbouw. Het niveau nieuwbouw kent echter nog een aantal extra eisen.
                            Deze zijn: </al><al>• de onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten (indien dit wel
                            wordt gedaan houdt dat in praktische zin in dat veel schachten geheel
                            dienen te worden vervangen, terwijl het niet stellen van deze eis geen
                            betrekking heeft op brandvoortplanting buiten de schacht omdat deze
                            brandwerendheid bij het onderdeel brandcompartimenten al zeker gesteld
                            is binnen de daarvoor gehanteerde normen); </al><al>• de brandgevaarlijkheid van het dak (dit heeft betrekking op brand aan
                            de buitenzijde van het gebouw hetgeen geen directe invloed heeft op de
                            veiligheid van de in het gebouw aanwezige personen); </al><al>• de brandvoortplanting van de buitengevel (dit heeft betrekking op
                            brand aan de buitenzijde van het </al><al>gebouw, hetgeen geen directe invloed heeft op de veiligheid van de in
                            het gebouw aanwezige personen). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 De aanwezigheid en uitvoering van brandslanghaspels en noodverlichting
                            dienen te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw
                            te bouwen onderwijsfunctie. </al><al>2 De aanwezigheid en uitvoering van brandmeldinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>3 De aanwezigheid en uitvoering van ontruimingsinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>4 De aanwezigheid en uitvoering van vluchtrouteaanduiding dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>5 De aanwezigheid en uitvoering van overige
                            brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan de eisen die worden
                            gesteld in bijlage 3 van de gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 Een onderwijsfunctie met een gebruiksoppervlakte van minder dan 250 m2
                            dient te zijn voorzien van een draagbaar blustoestel. </al><al>2 Een onderwijsfunctie met een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2
                            dient te zijn voorzien van een minihaspel. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Winkelfunctie </label></kop><structuurtekst><al>Algemeen: </al><al>Bij een mogelijk andersoortig gebruik van (een deel van) het gebouw is
                            tevens het bij dat ander gebruik behorende beleidspakket van toepassing.
                            De zwaarste eis uit de van toepassing zijnde pakketten is dan
                            maatgevend. </al><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 De brandcompartimenten dienen voor wat betreft de maximale
                            compartimentgrootte te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande winkelfunctie. </al><al>2 De brandcompartimenten dienen een weerstand tegen branddoorslag en
                            brandoverslag (WBDBO) te bezitten van 30 minuten. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                                beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt
                                allereerst bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan
                                van brand en de eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30
                                minuten. Een lagere WBDBO dan 30 minuten heeft tot gevolg dat de
                                brand zich zal uitbreiden naar een volgend brandcompartiment
                            </cursief></al><al><cursief>of een belendend perceel. Dat dient te worden voorkomen. Het
                                tweede aspect om een brand beheersbaar te houden, is de grootte van
                                een brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie is met de
                                veiligheid van personen wordt de waarde van het niveau bestaande
                                bouw aangehouden. </cursief></al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de rookcompartimenten dienen te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            winkelfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een maximale
                            bezettingsklasse van B2. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van rookcompartimenten hebben betrekking
                                op de veiligheid van personen (met name de mogelijkheden om in rook
                                te vluchten), zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd. De eisen
                                bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij bestaande gebouwen in
                                veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen leiden. Daarom is deze
                                klasse hier buiten beschouwing gelaten. </cursief></al><al><cursief>Uit oogmerk van de brandveiligheid van bestaande gebouwen is
                                dit acceptabel. </cursief></al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de ontvluchtingsmogelijkheden dienen
                            (met uitzondering van de uitgangsbreedte en draairichting van deuren) te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            winkelfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een maximale
                            bezettingsklasse van B2. </al><al>2 De uitgangsbreedte van deuren dient te voldoen aan de eisen die
                            voortvloeien uit de aangegeven bezettingsklassen. </al><al>3 De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn. De draairichting van de overige deuren dient
                            te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            winkelfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van ontvluchting hebben betrekking op de
                                veiligheid van personen, zodat hier de nieuwbouweisen worden
                                gevolgd. De eisen bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij
                                bestaande gebouwen in veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen
                                leiden. Daarom is deze klasse hier buiten beschouwing gelaten. Voor
                                wat betreft de uitgangsbreedte en draairichting van deuren is
                                uitgegaan van een realistische bezetting van het pand, zodat
                                hiervoor maatwerk per pand noodzakelijk is. Het </cursief></al><al><cursief>aantal personen waar mee gerekend wordt dient in de
                                gebruiksvergunning vastgelegd te worden. </cursief></al><al>4 Constructies </al><al>1 De constructies dienen met betrekking tot het bezwijken bij brand te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            winkelfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen betreffende het bezwijken bij brand van
                                constructieonderdelen op het niveau bestaande bouw zijn nog
                                voldoende om een veilige ontvluchting mogelijk te maken. Anderzijds
                                zal het ophogen van deze eisen bij bestaande gebouwen ingrijpende
                                technische en financiële consequenties hebben. Opgemerkt dient te
                                worden dat de WBDBO-eisen die aan de brandcompartimenten gesteld
                                worden (zie paragraaf 1) kunnen inhouden dat een grotere
                                brandwerendheid op bezwijken van de constructies noodzakelijk is.
                            </cursief></al><al>5 Materialen </al><al>1 De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande winkelfunctie. </al><al>2 De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande winkelfunctie. </al><al>3 De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande winkelfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van de materialen zijn allen conform het
                                niveau bestaande bouw. Deze eisen zijn overigens overeenkomstig het
                                niveau nieuwbouw. Het niveau nieuwbouw kent echter nog een aantal
                                extra eisen. Deze zijn: </cursief></al><al><cursief>• de onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten (indien
                                dit wel wordt gedaan houdt dat in praktische zin in dat veel
                                schachten geheel dienen te worden vervangen, terwijl het niet
                                stellen van deze eis geen betrekking heeft op brandvoortplanting
                                buiten de schacht omdat deze brandwerendheid bij het onderdeel
                                brandcompartimenten al zeker gesteld is binnen de daarvoor
                                gehanteerde normen); </cursief></al><al><cursief>• de brandgevaarlijkheid van het dak (dit heeft betrekking op
                                brand aan de buitenzijde van het gebouw, hetgeen geen directe
                                invloed heeft op de veiligheid van de in het gebouw aanwezige
                                personen); </cursief></al><al><cursief>• de brandvoortplanting van de buitengevel (dit heeft
                                betrekking op brand aan de buitenzijde van het </cursief></al><al><cursief>gebouw, hetgeen geen directe invloed heeft op de veiligheid van
                                de in het gebouw aanwezige personen). </cursief></al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 De aanwezigheid en uitvoering van brandslanghaspels en noodverlichting
                            dienen te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw
                            te bouwen winkelfunctie. </al><al>2 De aanwezigheid en uitvoering van brandmeldinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>3 De aanwezigheid en uitvoering van ontruimingsinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>4 De aanwezigheid en uitvoering van vluchtrouteaanduiding dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>5 De aanwezigheid en uitvoering van overige
                            brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan de eisen die worden
                            gesteld in bijlage 3 van de gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 Een winkelfunctie met een gebruiksoppervlakte van minder dan 250 m2
                            dient te zijn voorzien van een draagbaar blustoestel. </al><al>2 Een winkelfunctie met een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2
                            dient te zijn voorzien van een minihaspel. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Sportfunctie </label></kop><structuurtekst><al>Algemeen: </al><al>Bij een mogelijk andersoortig gebruik van (een deel van) het gebouw is
                            tevens het bij dat ander gebruik behorende beleidspakket van toepassing.
                            De zwaarste eis uit de van toepassing zijnde pakketten is dan
                            maatgevend. </al><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 De brandcompartimenten dienen voor wat betreft de maximale
                            compartimentgrootte te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande sportfunctie. </al><al>2 De brandcompartimenten dienen een weerstand tegen branddoorslag en
                            brandoverslag (WBDBO) te bezitten van 30 minuten. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                                beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt
                                allereerst bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan
                                van brand en de eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30
                                minuten. Een lagere WBDBO dan 30 minuten heeft tot gevolg dat de
                                brand zich zal uitbreiden naar een volgend brandcompartiment
                            </cursief></al><al><cursief>of een belendend perceel. Dat dient te worden voorkomen. Het
                                tweede aspect om een brand beheersbaar te houden, is de grootte van
                                een brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie is met de
                                veiligheid van personen wordt de waarde van het niveau bestaande
                                bouw aangehouden. </cursief></al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de rookcompartimenten dienen te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            sportfuncties, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een maximale
                            bezettingsklasse van B2. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van rookcompartimenten hebben betrekking
                                op de veiligheid van personen (met name de mogelijkheden om in rook
                                te vluchten), zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd. De eisen
                                bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij bestaande gebouwen in
                                veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen leiden. Daarom is deze
                                klasse hier buiten beschouwing gelaten. </cursief></al><al><cursief>Uit oogmerk van de brandveiligheid van bestaande gebouwen is
                                dit acceptabel. </cursief></al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de ontvluchtingsmogelijkheden dienen
                            (met uitzondering van de uitgangsbreedte en draairichting van deuren) te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            sportfunctie, met dien verstande dat uitgegaan wordt van een maximale
                            bezettingsklasse van B2. </al><al>2 De uitgangsbreedte van deuren dient te voldoen aan de eisen die
                            voortvloeien uit de aangegeven bezettingsklassen. </al><al>3 De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn. De draairichting van de overige deuren dient
                            te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            sportfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van ontvluchting hebben betrekking op de
                                veiligheid van personen, zodat hier de nieuwbouweisen worden
                                gevolgd. De eisen bij de maximale bezettingsklasse B1 zullen bij
                                bestaande gebouwen in veel gevallen tot ingrijpende aanpassingen
                                leiden. Daarom is deze klasse hier buiten beschouwing gelaten. Voor
                                wat betreft de uitgangsbreedte en draairichting van deuren is
                                uitgegaan van een realistische bezetting van het pand, zodat
                                hiervoor maatwerk per pand noodzakelijk is. Het </cursief></al><al><cursief>aantal personen waar mee gerekend wordt, dient in de
                                gebruiksvergunning vastgelegd te worden. </cursief></al><al>4 Constructies </al><al>1 De constructies dienen met betrekking tot het bezwijken bij brand te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            sportfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen betreffende het bezwijken bij brand van
                                constructieonderdelen op het niveau bestaande bouw zijn nog
                                voldoende om een veilige ontvluchting mogelijk te maken. Anderzijds
                                zal het ophogen van deze eisen bij bestaande gebouwen ingrijpende
                                technische en financiële consequenties hebben. Opgemerkt dient te
                                worden dat de WBDBO-eisen die aan de brandcompartimenten gesteld
                                worden (zie paragraaf 1) kunnen inhouden dat een grotere
                                brandwerendheid op bezwijken van de constructies </cursief></al><al><cursief>noodzakelijk is. </cursief></al><al>5 Materialen </al><al>1 De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande sportfunctie. </al><al>2 De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande sportfunctie. </al><al>3 De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande sportfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van de materialen zijn allen conform het
                                niveau bestaande bouw. Deze eisen zijn overigens overeenkomstig het
                                niveau nieuwbouw. Het niveau nieuwbouw kent echter nog een aantal
                                extra eisen. Deze zijn: </cursief></al><al><cursief>• de onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten (indien
                                dit wel wordt gedaan houdt dat in praktische zin in dat veel
                                schachten geheel dienen te worden vervangen, terwijl het niet
                                stellen van deze eis geen betrekking heeft op brandvoortplanting
                                buiten de schacht omdat deze brandwerendheid bij het onderdeel
                                brandcompartimenten al zeker gesteld is binnen de daarvoor
                                gehanteerde normen); </cursief></al><al><cursief>• de brandgevaarlijkheid van het dak (dit heeft betrekking op
                                brand aan de buitenzijde van het gebouw, hetgeen geen directe
                                invloed heeft op de veiligheid van de in het gebouw aanwezige
                                personen); </cursief></al><al><cursief>• de brandvoortplanting van de buitengevel (dit heeft
                                betrekking op brand aan de buitenzijde van het </cursief></al><al><cursief>gebouw, hetgeen geen directe invloed heeft op de veiligheid van
                                de in het gebouw aanwezige personen). </cursief></al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 De aanwezigheid en uitvoering van brandslanghaspels en noodverlichting
                            dienen te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw
                            te bouwen sportfunctie. </al><al>2 De aanwezigheid en uitvoering van brandmeldinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>3 De aanwezigheid en uitvoering van ontruimingsinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>4 De aanwezigheid en uitvoering van vluchtrouteaanduiding dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>5 De aanwezigheid en uitvoering van overige
                            brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan de eisen die worden
                            gesteld in bijlage 3 van de gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 Een sportfunctie met een gebruiksoppervlakte van minder dan 250 m2
                            dient te zijn voorzien van een </al><al>draagbaar blustoestel. </al><al>2 Een sportfunctie met een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2
                            dient te zijn voorzien van een minihaspel. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Woonfunctie kamerverhuur </label></kop><structuurtekst><al>Algemeen: </al><al>Bij een mogelijk andersoortig gebruik van (een deel van) het gebouw is
                            tevens het bij dat ander gebruik behorende beleidspakket van toepassing.
                            De zwaarste eis uit de van toepassing zijnde pakketten is dan
                            maatgevend. Kamerverhuurfunctie wijkt dusdanig af van de gebruiksfunctie
                            woning dat aanvullende voorschriften noodzakelijk zijn om een acceptabel
                            brandveiligheidniveau te verkrijgen. </al><al>De kamerverhuurfunctie is van toepassing op woningen met een
                            gebruiksoppervlakte van maximaal 500 m2. Boven deze oppervlakte zijn de
                            eisen van een megawoning van toepassing. </al><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 De brandcompartimenten dienen een weerstand tegen branddoorslag en
                            brandoverslag (WBDBO) te bezitten van 30 minuten. Een brandcompartiment
                            wordt onderverdeeld in subbrandcompartimenten. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                                beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt
                                allereerst bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan
                                van brand en de eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30
                                minuten. Een lagere WBDBO dan 30 minuten heeft tot gevolg dat de
                                brand zich zal uitbreiden naar een volgend brandcompartiment
                            </cursief></al><al><cursief>of een belendend perceel. Dat dient te worden voorkomen. Het
                                tweede aspect om een brand beheersbaar te houden is de grootte van
                                een brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie is met de
                                veiligheid van personen wordt de waarde van het niveau bestaande
                                bouw aangehouden. </cursief></al><al>2 De woningen bestemd voor kamerverhuurfunctie dienen onderverdeeld te
                            worden in subbrandcompartimenten als de hoogste vloer van een
                            verblijfruimte maximaal 6 meter hoog ligt vanaf de toegang van het
                            brandcompartiment én waarbij één vluchtrichting aanwezig is. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>Binnen woongebouwen kent het Bouwbesluit 2003 ook
                                subbrandcompartimenten. Omdat de subbrandcompartimenten dienen voor
                                de veiligheid van personen is hiervoor het niveau nieuwbouw
                                aangehouden. </cursief></al><al>3 De oppervlakte van het brandcompartiment mag maximaal 500 m2 bedragen.
                            Indien het gebouw groter is dan 500 m2 wordt dit beoordeeld als
                            megawoning. </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de rookcompartimenten dienen te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuwe te bouwen
                            woningen. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van rookcompartimenten hebben betrekking
                                op de veiligheid van personen (met name de mogelijkheden om in rook
                                te vluchten), zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd.
                            </cursief></al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de ontvluchtingsmogelijkheden dienen
                            minimaal te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan
                            bestaande woningen. </al><al>2 De maximale loopafstand vanaf de toegang van een verblijfsruimte tot
                            de dichtst bijzijnde uitgang van het rookcompartiment mag niet meer
                            bedragen dan het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen woningen. </al><al>3 Vanuit een vloer van een verblijfsruimte hoger ligt dan 6 meter vanaf
                            de toegang van het brandcompartiment dient men in twee onafhankelijke
                            vluchtrichtingen te kunnen vluchten. Wanneer een brandcompartiment niet
                            meer dan twee bouwlagen telt is een vluchtraam van minimaal 50 x 80 cm
                            voldoende. </al><al>4 Als een vloer van een verblijfsruimte hoger ligt dan 6 meter vanaf de
                            toegang van het brandcompartiment dan geldt dat de vluchtdeur uit moet
                            komen op een vaste brandtrap of een goede brand- en rookvrije
                            vluchtroute tot het openbare terrein. Vanaf de toegang van het
                            brandcompartiment dient in twee onafhankelijke richtingen gevlucht
                            kunnen worden. </al><al>4 Constructies </al><al>1 De constructies dienen met betrekking tot het bezwijken bij brand te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            woningen. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen betreffende het bezwijken bij brand van
                                constructieonderdelen op het niveau bestaande bouw zijn nog
                                voldoende om een veilige ontvluchting mogelijk te maken. Anderzijds
                                zal het ophogen van deze eisen bij bestaande gebouwen ingrijpende
                                technische en financiële consequenties hebben. Opgemerkt dient te
                                worden dat de WBDBOeisen die aan de brandcompartimenten gesteld
                                worden </cursief></al><al><cursief>kunnen inhouden dat een grotere brandwerendheid op bezwijken
                                van de constructies noodzakelijk is. </cursief></al><al>5 Materialen </al><al>1 De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande woningen. </al><al>2 De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande woningen. </al><al>3 De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande woningen. </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 De vluchtroutes, alsmede de op deze vluchtroutes uitkomende ruimten,
                            dienen te zijn voorzien van rookdetectie conform de NEN 2555. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 Op iedere bouwlaag dient voor het bestrijden van een beginnende brand
                            een draagbaar blustoestel aanwezig te zijn. Indien de
                            gebruiksoppervlakte van het bouwwerk groter is dan 250 m2 dienen
                            mini-haspels aanwezig te zijn zodanig dat het hele pand kan worden
                            bestreden. Bij een bouwwerk groter dan 500 m2 dient minimaal een
                            brandslanghaspel aanwezig te zijn, zodanig dat het hele pand bestreden
                            kan worden. </al><al>2 De aanwezigheid en uitvoering van overige
                            brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan de eisen in bijlage
                            3 van de gemeentelijke Bouwverordening. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Woonfunctie bejaardentehuizen </label></kop><structuurtekst><al>Algemeen: </al><al>Bij een mogelijk andersoortig gebruik van (een deel van) het gebouw is
                            tevens het bij dat ander gebruik behorende beleidspakket van toepassing.
                            De zwaarste eis uit de van toepassing zijnde pakketten is dan
                            maatgevend. </al><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 De brandcompartimenten dienen voor wat betreft de maximale
                            compartimentgrootte te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande megawoningen. </al><al>Toelichting: </al><al>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                            beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt allereerst
                            bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan van brand en de
                            eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30 minuten. Een lagere
                            WBDBO dan 30 minuten heeft tot gevolg dat de brand zich zal uitbreiden
                            naar een volgend brandcompartiment </al><al>of een belendend perceel. Dat dient te worden voorkomen. Het tweede
                            aspect om een brand beheersbaar te houden, is de grootte van een
                            brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie is met de veiligheid
                            van personen wordt de waarde van het niveau bestaande bouw aangehouden. </al><al>2 De brandcompartimenten dienen een weerstand tegen branddoorslag en
                            brandoverslag (WBDBO) te bezitten van 30 minuten. </al><al>3 De subbrandcompartimenten dienen te voldoen aan de eisen die het
                            Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen megawoningen. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                                beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt
                                allereerst bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan
                                van brand en de eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30
                                minuten. Een lagere WBDBO dan 30 minuten heeft tot gevolg dat de
                                brand zich zal uitbreiden naar een volgend brandcompartiment
                            </cursief></al><al><cursief>of een belendend perceel. Dat dient te worden voorkomen. Het
                                tweede aspect om een brand beheersbaar te houden is de grootte van
                                een brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie is met de
                                veiligheid van personen wordt de waarde van het niveau bestaande
                                bouw aangehouden. Binnen megawoningen kent het Bouwbesluit 2003 ook
                                subbrandcompartimenten. Deze dienen ter extra beveiliging van de
                                veelal slapend aanwezige personen. Omdat de subbrandcompartimenten
                                dienen voor de veiligheid van personen is hiervoor het niveau
                                nieuwbouw aangehouden. </cursief></al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de rookcompartimenten dienen te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            megawoningen. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van rookcompartimenten hebben betrekking
                                op de veiligheid van personen (met name de mogelijkheden om in rook
                                te vluchten), zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd.
                            </cursief></al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de ontvluchtingsmogelijkheden dienen
                            te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te
                            bouwen megawoningen. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van ontvluchting hebben betrekking op de
                                veiligheid van personen, zodat hier de nieuwbouweisen worden
                                gevolgd. </cursief></al><al>4 Constructies </al><al>1 De constructies dienen met betrekking tot het bezwijken bij brand te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            megawoningen. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen betreffende het bezwijken bij brand van
                                constructieonderdelen op het niveau bestaande bouw zijn nog
                                voldoende om een veilige ontvluchting mogelijk te maken. Anderzijds
                                zal het ophogen van deze eisen bij bestaande gebouwen ingrijpende
                                technische en financiële consequenties hebben. Opgemerkt dient te
                                worden dat de WBDBO-eisen die aan de brandcompartimenten gesteld
                                worden (zie paragraaf 1) kunnen inhouden dat een grotere
                                brandwerendheid op bezwijken van de constructies noodzakelijk is.
                            </cursief></al><al>5 Materialen </al><al>1 De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande megawoningen. </al><al>2 De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande megawoningen. </al><al>3 De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande megawoningen. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van de materialen zijn allen conform het
                                niveau bestaande bouw. Deze eisen zijn overigens overeenkomstig het
                                niveau nieuwbouw. Het niveau nieuwbouw kent echter nog een aantal
                                extra eisen. Deze zijn: </cursief></al><al><cursief>• de onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten (indien
                                dit wel wordt gedaan houdt dat in praktische zin in dat veel
                                schachten geheel dienen te worden vervangen, terwijl het niet
                                stellen van deze eis geen betrekking heeft op brandvoortplanting
                                buiten de schacht omdat deze brandwerendheid bij het onderdeel
                                brandcompartimenten al zeker gesteld is binnen de daarvoor
                                gehanteerde normen); </cursief></al><al><cursief>• de brandgevaarlijkheid van het dak (dit heeft betrekking op
                                brand aan de buitenzijde van het gebouw, hetgeen geen directe
                                invloed heeft op de veiligheid van de in het gebouw aanwezige
                                personen); </cursief></al><al><cursief>• de brandvoortplanting van de buitengevel (dit heeft
                                betrekking op brand aan de buitenzijde van het </cursief></al><al><cursief>gebouw, hetgeen geen directe invloed heeft op de veiligheid van
                                de in het gebouw aanwezige personen). </cursief></al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 De aanwezigheid en uitvoering van brandslanghaspels en noodverlichting
                            dienen te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw
                            te bouwen woongebouwen. </al><al>2 De aanwezigheid en uitvoering van brandmeldinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>3 De aanwezigheid en uitvoering van ontruimingsinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>4 De aanwezigheid en uitvoering van vluchtrouteaanduiding dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld in de gemeentelijke
                            Bouwverordening. </al><al>5 De aanwezigheid en uitvoering van overige
                            brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan de eisen die worden
                            gesteld in bijlage 3 van de gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 Een megawoning met een gebruiksoppervlakte van minder dan 250 m2 dient
                            te zijn voorzien van een draagbaar blustoestel. </al><al>2 Een megawoning met een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2 dient
                            te zijn voorzien van een minihaspel. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>Het Bouwbesluit 2003 kent voor megawoningen alleen de
                                toepassing van brandslanghaspels bij een gebruiksoppervlakte van 500
                                m2. Om in alle gevallen een kans te hebben een begin van brand te
                                bestrijden, dient ook bij kleinere gebouwen een blusmiddel aanwezig
                                te zijn. </cursief></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Monumentale functie </label></kop><structuurtekst><al>Algemeen: </al><al>Indien voor het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een
                            monument als bedoeld in de </al><al>Monumentenwet 1988 of in een provinciale of gemeentelijke
                            monumentenverordening een vergunning ingevolge die wet of verordening is
                            verleend, is, voorzover een aan die vergunning verbonden voorschrift
                            afwijkt van een voorschrift van het Bouwbesluit 2003, uitsluitend het
                            aan die vergunning verbonden voorschrift van toepassing. </al><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 De brandcompartimenten dienen voor wat betreft de maximale
                            compartimentgrootte te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande bijeenkomstfunctie. </al><al>2 De brandcompartimenten dienen een weerstand tegen branddoorslag en
                            brandoverslag (WBDBO) te bezitten van 30 minuten. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De grootte van een brandcompartiment heeft een relatie met het
                                beheersbaar houden van branden. Deze beheersbaarheid wordt
                                allereerst bepaald door de WBDBO. De tijdsduur tussen het ontstaan
                                van brand en de eerste inzet van de brandweer bedraagt ongeveer 30
                                minuten. Een lagere WBDBO dan 30 minuten heeft tot gevolg dat de
                                brand zich zal uitbreiden naar een volgend brandcompartiment
                            </cursief></al><al><cursief>of een belendend perceel. Dat dient te worden voorkomen. Het
                                tweede aspect om een brand beheersbaar te houden, is de grootte van
                                een brandcompartiment. Omdat hier geen directe relatie is met de
                                veiligheid van personen wordt de waarde van het niveau bestaande
                                bouw aangehouden. </cursief></al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de rookcompartimenten dienen te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            bijeenkomstfunctie. Indien en voor zover het feitelijk gebruik
                            onevenredig afwijkt of zal afwijken van de rekenwaarde voor de
                            toepasselijke hoogste bezettingsklasse, en dit niet kan worden
                            ondervangen door de toepassing van een bij een ander gebruik behorende
                            bezettingsklasse, kan de berekeningmethode P = U x 1,35 worden toegepast </al><al>(P is het maximaal toelaatbare aantal personen en U is de netto breedte
                            van de aanwezige en beschikbare nooduitgang(en) in centimeter(s)). </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van rookcompartimenten hebben betrekking
                                op de veiligheid van personen (met name de mogelijkheden om in rook
                                te vluchten), zodat hier de nieuwbouweisen worden gevolgd.
                            </cursief></al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 De uitvoering en inrichting van de ontvluchtingsmogelijkheden dienen
                            (met uitzondering van de uitgangsbreedte en draairichting van deuren) te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            bijeenkomstfunctie. </al><al>2 De uitgangsbreedte van deuren dient te voldoen aan de eisen die
                            voortvloeien uit de aangegeven bezettingsklassen. Is de bezetting hoger
                            dan klasse B1, dan wordt de berekeningsmethode P = U x 1,35 toegepast,
                            waarbij wordt uitgegaan van een voor dat pand realistische bezetting.
                            Voor kerken met een middenschip van minimaal 6 meter wordt de factor 1,5
                            toegepast (P is het maximaal toelaatbare aantal personen en U is de
                            netto breedte van de aanwezige en beschikbare nooduitgang(</al><al>en) in centimeter(s)). 3 De draairichting van deuren dient, voor zover
                            deze deuren zijn meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte,
                            niet tegen de vluchtrichting in te zijn. De draairichting van de overige
                            deuren dient te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan
                            bestaande bijeenkomstfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van ontvluchting hebben betrekking op de
                                veiligheid van personen, zodat hier de nieuwbouw eisen worden
                                gevolgd. Voor wat betreft de uitgangsbreedte en draairichting van
                                deuren is uitgegaan van een realistische bezetting van het pand,
                                zodat hiervoor maatwerk per pand noodzakelijk is. </cursief></al><al>4 Constructies </al><al>1 De constructies dienen met betrekking tot het bezwijken bij brand te
                            voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            bijeenkomstfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen betreffende het bezwijken bij brand van
                                constructieonderdelen op het niveau bestaande bouw zijn nog
                                voldoende om een veilige ontvluchting mogelijk te maken. Anderzijds
                                zal het ophogen van deze eisen bij bestaande gebouwen ingrijpende
                                technische en financiële consequenties hebben. Opgemerkt dient te
                                worden dat de WBDBO-eisen die aan de brandcompartimenten gesteld
                                worden (zie paragraaf 1) kunnen inhouden dat een grotere
                                brandwerendheid op bezwijken van de constructies </cursief></al><al><cursief>noodzakelijk is. </cursief></al><al>5 Materialen </al><al>1 De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            bijeenkomstfunctie. </al><al>2 De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande bijeenkomstfunctie. </al><al>3 De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            bijeenkomstfunctie. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van de materialen zijn allen conform het
                                niveau bestaande bouw. Deze eisen zijn overigens overeenkomstig het
                                niveau nieuwbouw. Het niveau nieuwbouw kent echter nog een aantal
                                extra eisen. Deze zijn: </cursief></al><al><cursief>• de onbrandbaarheid van de binnenzijde van schachten (indien
                                dit wel wordt gedaan houdt dat in praktische zin in dat veel
                                schachten geheel dienen te worden vervangen, terwijl het niet
                                stellen van deze eis geen betrekking heeft op brandvoortplanting
                                buiten de schacht omdat deze brandwerendheid bij het onderdeel
                                brandcompartimenten al zeker gesteld is binnen de daarvoor
                                gehanteerde normen); </cursief></al><al><cursief>• de brandgevaarlijkheid van het dak (dit heeft betrekking op
                                brand aan de buitenzijde van het gebouw, hetgeen geen directe
                                invloed heeft op de veiligheid van de in het gebouw aanwezige
                                personen); </cursief></al><al><cursief>• de brandvoortplanting van de buitengevel (dit heeft
                                betrekking op brand aan de buitenzijde van het </cursief></al><al><cursief>gebouw, hetgeen geen directe invloed heeft op de veiligheid van
                                de in het gebouw aanwezige personen). </cursief></al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 De aanwezigheid en uitvoering van brandslanghaspels dienen te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            bijeenkomstfunctie. </al><al>2 De aanwezigheid en uitvoering van noodverlichting dienen te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuw te bouwen
                            bijeenkomstfunctie. </al><al>3 De aanwezigheid en uitvoering van brandmeldinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld voor bijeenkomstfunctie in de
                            gemeentelijke Bouwverordening. Voor kerken met een minimale hoogte in
                            het middenschip van 6 meter en waarbij maximaal 2 verblijfsruimten
                            aanwezig zijn bestemd voor het verblijven van personen zijn
                            uitzonderingen van toepassing. </al><al>4 De aanwezigheid en uitvoering van ontruimingsinstallaties dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld voor bijeenkomstfunctie in de
                            gemeentelijke Bouwverordening. Voor kerken met een minimale hoogte in
                            het middenschip van 6 meter en waarbij maximaal 2 verblijfsruimten
                            aanwezig zijn bestemd voor het verblijven van personen zijn
                            uitzonderingen van toepassing. </al><al><cursief>Toelichting: </cursief></al><al><cursief>De eisen ten aanzien van de ontruimingsinstallaties zijn allen
                                conform de gemeentelijke Bouwverordening. De Bouwverordening kent
                                geen verschil tussen bestaande en nieuwbouw. Voor kerken is een
                                uitzondering beschreven. </cursief></al><al>5 De aanwezigheid en uitvoering van vluchtrouteaanduiding dienen te
                            voldoen aan de eisen die worden gesteld voor bijeenkomstfunctie in de
                            gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>6 De aanwezigheid en uitvoering van overige
                            brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan de eisen die worden
                            gesteld in bijlage 3 van de gemeentelijke Bouwverordening. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 Een bijeenkomstfunctie met een gebruiksoppervlakte van minder dan 250
                            m2 dient te zijn voorzien van een draagbaar blustoestel. </al><al>2 Een bijeenkomstfunctie met een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500
                            m2 dient te zijn voorzien van een minihaspel. </al><al>3 Kerken met een middenschip van minimaal 6 meter zijn uitgezonderd van
                            7.2. Als gelijkwaardigheid dienen hiervoor extra draagbare
                            blustoestellen en een blusdeken aangebracht te worden. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Begripsomschrijving gebouwfuncties </label></kop><structuurtekst><al>Bijeenkomstfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor het samenkomen van mensen voor kunst, cultuur,
                            godsdienst, communicatie, het verstrekken van consumpties voor het
                            gebruik ter plaatse en het aanschouwen van sport. </al><al>Celfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor dwangverblijf van mensen. Een celfunctie kan
                            bijvoorbeeld een gevangenis zijn, een politiecel, maar ook een kamer in
                            een tehuis voor dwangmatige verpleging. </al><al>Gezondheidszorgfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of
                            behandeling. Hierbij gaat het om ruimten voor de behandeling of
                            verpleging van patiënten in een ziekenhuis, een verzorgingshuis, een
                            psychiatrische inrichting, een medisch centrum, een polikliniek en een
                            praktijkruimte voor een huisarts, fysiotherapeut of tandarts. </al><al>Industriefunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van
                            materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden. Hierbij gaat het
                            bijvoorbeeld om een werkplaats, magazijn, opslagruimte in een pakhuis,
                            maar ook een stal van een boerderij. Lichte industrie is bijvoorbeeld
                            een tuinbouwkas of stal waarbij het verblijven van mensen ondergeschikt
                            is. </al><al>Kantoorfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor administratie. Hierbij gaat het om een
                            accountantsbureau, administratiekantoor, bankgebouw, gemeentehuis, maar
                            ook een kantoorgedeelte bij een bij een woning. </al><al>Logiesfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor het recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan
                            mensen. Hierbij gaat het om een zomerhuisje, hotel, motel, pension en
                            het gedeelte van een scoutinggebouw waar slaapgelegenheid wordt geboden. </al><al>Onderwijsfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor het basis- of voortgezet onderwijs. Het gaat
                            hierbij om een klaslokaal of een collegezaal van een universiteit. Een
                            gymnastieklokaal is echter een sportfunctie. </al><al>Sportfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor het beoefenen van sport. Een sportfunctie kan zijn
                            een zwembad, een gymnastieklokaal, een sporthal of een fitnesscentrum
                            Een ruimte voor toeschouwers is een bijeenkomstfunctie. </al><al>Winkelfunctie: </al><al>Gebruiksfunctie voor het verhandelen van materialen, goederen of
                            diensten. Bijvoorbeeld een winkelcentrum, warenhuis, supermarkt,
                            reisbureau, stationsloket of een verkoopruimte bij een tankstation. </al><al>Woonfunctie kamerverhuur: </al><al>Woongebouw waarin bij voortduring in onzelfstandige woonruimte
                            huisvesting wordt verleend aan vier of meer niet in gezinsverband
                            samenwonende personen die elk een zelfstandig huisvesting voeren en
                            gebruik maken van gemeenschappelijke voorzieningen. </al><al>Woonfunctie bejaardentehuis: </al><al>Woongebouw waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging
                            nachtverblijf wordt verschaft en woongebouwen waarin zelfstandige
                            woonruimte wordt geboden aan senioren en/of aan verminderd zelfstandig
                            redzame personen. </al><al>Monumentale functie: </al><al>Gebouwen die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun
                            betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde of
                            aangewezen zijn als beschermd gemeentelijk of rijksmonument. Kerken:
                            onroerende monumenten, die eigendom zijn van een kerkgenootschap,
                            kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling en die
                            uitsluitend of voor een overwegend deel worden gebruikt voor de
                            uitoefening van de eredienst. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Bijeenkomstfunctie </label></kop><structuurtekst><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 brandscheiding met ander gebouw </al><al>De scheiding tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op het
                            zelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) dient
                            een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.113
                            lid 2). </al><al>2 brandcompartimenten binnen het gebouw/perceel </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte
                            van een randcompartiment, en een andere besloten ruimte, dient een WBDBO
                            te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.112 lid 1, 4,
                            5, 6 en 7 en 2.113 lid 1). </al><al><cursief>Onder een brandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• één of meer met elkaar in verbinding staande, afzonderlijke
                                ruimten, waardoor geen brand- en rookvrije vluchtroute voert, met
                                een maximaal gebruiksoppervlak van 2.000 m2. Bad- en toiletruimten
                                hoeven niet worden meegeteld; </cursief></al><al><cursief>• gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 2.000 m2 van
                                meerdere gebouwen op hetzelfde perceel; </cursief></al><al><cursief>• stookruimte (&gt;130 KW); </cursief></al><al><cursief>• technische ruimte &gt; 100 m2; </cursief></al><al><cursief>• een besloten ruimte bestemd voor de opslag van brandbare,
                                brandbevorderende, brandgevaarlijke stoffen. </cursief></al><al>3 brandscheiding met veiligheidstrappenhuis </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een
                            veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30
                            minuten (op basis van art. 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7en 2.113 lid 1). </al><al>4 zelfsluitendheid </al><al>Deuren in scheidingsconstructies met een WBDBO dienen zelfsluitend te
                            zijn. Te openen ramen mogen niet aanwezig zijn (art. 2.114). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 rookcompartiment </al><al>Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer
                            rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1). </al><al>2 uitgangen rookcompartiment </al><al>Een rookcompartiment dient over ten minste twee uitgangen te beschikken
                            (art. 2.156 lid 1,2,3, 5, 6 en 7). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B1) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 120 m2
                                bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B2) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 300 m2
                                bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 m mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 750 m2
                                bedragen. </cursief></al><al>3 loopafstanden rookcompartiment </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                            verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het rookcompartiment
                            mag maximaal 20 oftewel 30 meter bedragen, waarbij geen groter
                            hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4 meter (art. 2.136 lid 2, 3 en
                            4). </al><al>4 loopafstanden in verblijfsruimten </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                            dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 20 meter bedragen. Indien dit
                            leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter uit
                            elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10, 11 en 14). </al><al>5 vluchtroute door verkeersruimten </al><al>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte dient via verkeersruimten de
                            uitgang van het rookcompartiment te worden bereikt (art. 2.146 lid 10,
                            12 en 14). </al><al><cursief>Uitzondering: de uitgang van een verblijfsruimte komt uit op
                                een andere verblijfsruimte </cursief></al><al><cursief>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte mag via een andere
                                verblijfsruimte (mits deze beschikt over twee uitgangen die ten
                                minste 5 meter uit elkaar liggen) de verkeersruimte worden bereikt,
                                van waaruit de uitgang van het rookcompartiment wordt bereikt.
                            </cursief></al><al>6 sluizen </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dienen de vluchttrappenhuizen te zijn voorzien van sluizen met een
                            WTRD van ten minste 30 minuten (art. 2.135 lid 2). </al><al>7 rookwerendheid scheidingsconstructies </al><al>De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van ten minste 30 minuten.
                            Deuren, ramen en luiken in deze scheidingsconstructie dienen
                            zelfsluitend te zijn (art. 2.137 en 2.138 lid 3). </al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 vluchtmogelijkheden rookcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een rookcompartiment dient in twee richtingen, die
                            elk leiden naar een onafhankelijke vluchtmogelijkheid, naar het openbare
                            terrein te kunnen worden gevlucht (art. 2.156 lid 1). </al><al><cursief>Uitzondering: rookcompartiment is geen verblijfsruimte
                            </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment met ten hoogste 250 m2
                                gebruiksoppervlakte, waarin geen verblijfsruimte ligt, mag over één
                                vluchtmogelijkheid beschikken. </cursief></al><al>2 één vluchtmogelijkheid </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar het
                            openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                            rookcompartimenten, aangewezen op die ene vluchtmogelijkheid, mag
                            maximaal 30 m2 bedragen (art. 2.156 lid 6). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B2) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar
                                het openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 75 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar
                                het openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 188 m2 bedragen. </cursief></al><al>3 twee uitgangen </al><al>Vanuit twee uitgangen van een rookcompartiment dient via onafhankelijke
                            vluchtmogelijkheden naar het openbare terrein en van daaruit naar het
                            openbare weg te kunnen worden gevlucht (art. 2.154). </al><al>4 één brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de afstand tussen de
                            uitgang van het rookcompartiment tot het punt waarop in twee
                            onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht, maximaal 20 meter mag
                            bedragen. Het totaal oppervlak aan rookcompartimenten, aangewezen op die
                            ene brand- en rookvrije vluchtroute, mag maximaal 120 m2 bedragen (art.
                            2.156 lid 7 en 8). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B2) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 30 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die ene brand- en rookvrije
                                vluchtroute, mag maximaal 300 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 30 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die ene vluchtweg, mag maximaal
                                750 m2 bedragen. </cursief></al><al>5 veiligheidstrappenhuis </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, indien die brand- en
                            rookvrije vluchtroute is uitgevoerd als veiligheidstrappenhuis. Dit
                            veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting
                            bezitten van maximaal 3.500 MJ (art. 2.156 lid 3 en 2.170 lid 1). </al><al>6 status trappenhuis </al><al>De vluchttrappenhuizen welke een hoogte overbruggen van meer dan 8 meter
                            dienen te zijn uitgevoerd als brand- en rookvrije vluchtroute met een
                            WBDBO van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.158). </al><al>7 onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden </al><al>De scheidingsconstructie tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden
                            dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten. Deuren in deze
                            scheidingsconstructie dienen zelfsluitend te zijn (art. 2.168 lid 1 en
                            2). </al><al>8 maximale loopafstand vluchttrappenhuis/rookcompartiment </al><al>De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang
                            tot een rookcompartiment mag maximaal 30 meter bedragen (art. 2.185 lid
                            3). </al><al>9 uitgangsbreedte gebouw/rookcompartiment/verblijfsgebied/ruimte </al><al>De uitgangsbreedte van deuren van het gebouw, rookcompartiment,
                            verblijfsgebied of verblijfsruimte dient te voldoen aan de
                            berekeningsmethode P = U x 1,35 waarbij wordt uitgegaan van een voor dat
                            pand realistische bezetting (op basis van gemeentelijk beleid, P is het
                            maximaal toelaatbare aantal personen en U is de netto breedte van de
                            aanwezige en beschikbare nooduitgang(en) in centimeter(s)). </al><al>10 draairichting deuren verblijfsgebied/verblijfsruimte </al><al>De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn(op basis van gemeentelijk beleid). </al><al>11 opvang- en doorstroomcapaciteit </al><al>Een trap waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dient een overeenkomstig ministeriële regeling
                            aangegeven opvang- en doorstroomcapaciteit te bezitten (art. 2.173). </al><al>4 Constructies </al><al>1 vluchtmogelijkheden </al><al>De vloeren en trappen waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dienen een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.12 lid 1). </al><al>2 hoofddraagconstructie </al><al>De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van 30 oftewel 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer
                            hoger is gelegen dan 5 oftewel 13 meter (art. 2.12 lid 3 en 4). </al><al>5 Materialen </al><al>1 stookplaats </al><al>Materialen ter plaatse of in de nabijheid van de stookplaats dienen
                            onbrandbaar te zijn. De voorziening voor de afvoer van rook dient
                            luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een
                            naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15 meter te zijn (art.
                            2.89 en 2.90). </al><al>2 brandvoortplanting ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) dient ten
                            minste te voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
                            5% van de constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>3 brandvoortplanting brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) waarlangs
                            een brand- en rookvrije vluchtroute voert dient ten minste te voldoen
                            aan klasse 2 van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de
                            constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te
                            voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>4 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken </al><al>De vloeren en tredevlakken dienen ten minste te voldoen aan klasse T3
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>5 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken brand- en rookvrije
                            vluchtroute </al><al>De vloeren en tredevlakken waarover een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dienen ten minste te voldoen aan klasse T1 van de bijdrage tot
                            brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft niet te voldoen aan
                            deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>6 rookdichtheid ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel binnen het gebouw dient ten minste te voldoen
                            aan een rookdichtheid van 10 m-1. 5% van deze constructieonderdelen
                            hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid 1 en 2.133). </al><al>7 rookdichtheid brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel waarlangs een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dient ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 5,4 m-1. 5%
                            van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze eis (art.
                            2.131 lid 3 en 2.133). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 droge blusleiding </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 20 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat
                            de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang
                            van een rookcompartiment maximaal 50 meter is (art. 2.191, 2.192 en
                            2.193). </al><al>2 brandslanghaspels (bij een gebruiksoppervlakte van meer 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de
                            loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 meter is. De brandslanghaspel
                            mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan
                            30 m en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk
                            minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m2/h (art. 2.191 lid 2, 2.192 lid
                            3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3). </al><al>3 noodverlichting </al><al>De verblijfsgebieden groter dan 60 m2, 150 m2 of 375 m2 (bij
                            respectievelijk bezettingsklasse B1, B2 en B3), de vluchtmogelijkheden
                            en de kooi van een lift dienen te zijn voorzien van noodverlichting
                            (art. 2.59 lid 1, 3 en 4). </al><al>4 ontruimingsalarminstallatie </al><al>Indien het gebouw een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500 m2 of uit
                            meer dan 1 bouwlaag bestaat, dient het gebouw te zijn voorzien van een
                            ontruimingsalarminstallatie (op basis van Bouwverordening). </al><al>5 brandmeldinstallatie bij meer dan 1 zaal </al><al>Een bijeenkomstfunctie van meer dan 1.000 m2 en waarin meer dan 1 zaal
                            aanwezig is bestemd voor </al><al>bezoekers dient voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie met een
                            gedeeltelijke bewaking met een </al><al>rechtstreekse doormelding naar de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>6 brandmeldinstallatie </al><al>Een bijeenkomstfunctie van meer dan 5.000 m2 dient te zijn voorzien van
                            een brandmeldinstallatie met een volledige bewaking met een
                            rechtstreekse doormelding naar de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>7 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 5 meter, maar lager dan 13 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt en meer dan 1 verblijfsruimte heeft
                            bestemd voor bezoekers, dient het gebouw te zijn voorzien van een
                            brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke bewaking (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>8 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 13 meter, maar lager dan 50 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt, dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke bewaking (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>9 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter, maar lager dan 70 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt, dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een brandmeldinstallatie met een volledige bewaking (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>10 rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes </al><al>De samenvallende vluchtroutes en de hierop uitkomende ruimten dienen te
                            zijn voorzien van rookdetectie. De van rookdetectie afhankelijke ruimten
                            dienen te zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie
                            (op basis van Bouwverordening). </al><al>11 vluchtrouteaanduiding </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>7 Gebruik </al><al>1 draagbare blustoestellen (bij een gebruiksoppervlakte tot 250 m2) </al><al>In het gebouw dienen één of meerdere draagbare blustoestellen te worden
                            geplaatst met een minimale inhoud van 6 kg blusmiddel. Het type
                            blusmiddel is ter beoordeling aan de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>2 minihaspels (bij een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal mini-brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat
                            de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 2,5 meter is (op basis van
                            Bouwverordening). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Celfunctie </label></kop><structuurtekst><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 brandscheiding met ander gebouw </al><al>De scheiding tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op het
                            zelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) dient
                            een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op </al><al>basis van art. 2.113 lid 2). </al><al>2 brandcompartimenten binnen het gebouw/perceel </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte
                            van een brandcompartiment, en een andere besloten ruimte, dient een
                            WBDBO te bezitten </al><al>van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7
                            en 2.113 lid 1). </al><al><cursief>Onder een brandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• één of meer met elkaar in verbinding staande, afzonderlijke
                                ruimten, waardoor geen brand- en rookvrije vluchtroute voert, met
                                een maximaal gebruiksoppervlak van 1.000 m2. Bad- en toiletruimten
                                hoeven niet worden meegeteld; </cursief></al><al><cursief>• gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1.000 m2 van
                                meerdere gebouwen op hetzelfde perceel; </cursief></al><al><cursief>• stookruimte (&gt;130 KW); </cursief></al><al><cursief>• technische ruimte &gt; 100 m2; </cursief></al><al><cursief>• een besloten ruimte bestemd voor de opslag van brandbare,
                                brandbevorderende, brandgevaarlijke stoffen. </cursief></al><al>3 minimaal 2 brandcompartimenten </al><al>Per bouwlaag dient het gebouw (mede bestemd voor aan bed gebonden
                            personen) ten minste in 2 brandcompartimenten te worden verdeeld van
                            maximaal 2.000 m2, waarbij de verhouding van de gebruiksoppervlakken ten
                            minste 23%:77% is (art. 2.112 lid 8). </al><al><cursief>Uitzondering a: </cursief></al><al><cursief>Deze verhouding geldt niet indien de subbrandcompartimenten
                                (cellen) een WBDBO bezitten van ten </cursief></al><al><cursief>minste 60 minuten. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering b: </cursief></al><al><cursief>Deze verhouding geldt niet indien de subbrandcompartimenten
                                uitkomen op een verkeersruimte waarin in twee richtingen kan worden
                                gevlucht. </cursief></al><al>4 subbrandcompartimenten </al><al>De scheidingsconstructie tussen een subbrandcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten
                            (art. 2.117 lid 1 en 2 en 2.118 lid 1). </al><al><cursief>Onder sub-brandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• een cel. </cursief></al><al>5 brandscheiding met veiligheidstrappenhuis </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een
                            veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30
                            minuten (op basis van art. 2.112 lid 1, 4, 5, 6, 7 en 2.113 lid 1). </al><al>6 zelfsluitendheid </al><al>Deuren in scheidingsconstructies met een WBDBO, met uitzondering van
                            cellen, dienen zelfsluitend te </al><al>zijn. Te openen ramen mogen niet aanwezig zijn (op basis van art.
                            2.114). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 rookcompartiment </al><al>Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer
                            rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1). </al><al>2 uitgangen rookcompartiment </al><al>Een rookcompartiment dient over ten minste twee uitgangen te beschikken
                            (art. 2.156 lid1, 2 en 3). </al><al>3 loopafstanden rookcompartiment </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                            verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het rookcompartiment
                            mag maximaal 20 oftewel 30 meter bedragen, waarbij geen groter
                            hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4 meter (art. 2.136 lid 2 t/m
                            6). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4 - geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                                verblijfsruimte (niet toegankelijk voor bezoekers) en de
                                dichtstbijzijnde uitgang van een rookcompartiment mag maximaal 30
                                oftewel 45 meter bedragen, waarbij geen groter hoogteverschil mag
                                worden overbrugd dan 12 meter. </cursief></al><al>4 loopafstanden in verblijfsruimten </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                            dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 20 meter bedragen. Indien dit
                            leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter uit
                            elkaar te liggen (art. 2.146 lid 1, 9, 11 en 14). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4 - geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                                dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 30 meter bedragen. Indien dit
                                leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter
                                uit elkaar te liggen. </cursief></al><al>5 vluchtroute vanuit subbrandcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment dient via verkeersruimten
                            de uitgang van een rookcompartiment te worden bereikt (art. 2.146 lid 12
                            en 14). </al><al><cursief>Uitzondering: </cursief></al><al><cursief>De uitgang van een subbrandcompartiment komt rechtstreeks
                                buiten, of in een ander rookcompartiment uit. </cursief></al><al>6 vluchtroute door verkeersruimten </al><al>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte dient via verkeersruimten de
                            uitgang van het rookcompartiment te worden bereikt (art. 2.146 lid 12 en
                            14). </al><al><cursief>Uitzondering: de uitgang van een verblijfsruimte komt uit op
                                een andere verblijfsruimte </cursief></al><al><cursief>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte mag via een andere
                                verblijfsruimte (mits deze beschikt over twee uitgangen die ten
                                minste 5 meter uit elkaar liggen) de verkeersruimte worden bereikt,
                                van waaruit de uitgang van het rookcompartiment wordt bereikt.
                            </cursief></al><al>7 sluizen </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dienen de vluchttrappenhuizen te zijn voorzien van sluizen met een
                            WTRD van ten minste 30 minuten (art. 2.135 lid 2). </al><al>8 rookwerendheid scheidingsconstructies </al><al>De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van ten minste 30 minuten.
                            Deuren, ramen en luiken in deze scheidingsconstructie dienen
                            zelfsluitend te zijn (art. 2.137 en 2.138 lid 3). </al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 vluchtmogelijkheden rookcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een rookcompartiment dient in twee richtingen, die
                            elk leiden naar een onafhankelijke vluchtmogelijkheid, naar het openbare
                            terrein te kunnen worden gevlucht (art. 2.156 lid 1). </al><al><cursief>Uitzondering: rookcompartiment is geen verblijfsruimte
                            </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment met ten hoogste 250 m2
                                gebruiksoppervlakte, waarin geen verblijfsruimte ligt, mag over één
                                vluchtmogelijkheid beschikken. </cursief></al><al>2 twee uitgangen </al><al>Vanuit twee uitgangen van een rookcompartiment dient via onafhankelijke
                            vluchtmogelijkheden naar het openbare terrein te kunnen worden gevlucht
                            (art. 2.156 lid 3). </al><al>3 één brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de afstand tussen de
                            uitgang van het rookcompartiment tot het punt waarop in twee
                            onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht, maximaal 30 meter mag
                            bedragen. Het totaal oppervlak aan rookcompartimenten, aangewezen op die
                            ene branden rookvrije vluchtroute, mag maximaal 300 m2 bedragen (art.
                            2.156 lid 7 en 8). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in 2 afhankelijke richtingen kan worden gevlucht, maximaal 30
                                meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan rookcompartimenten,
                                aangewezen op die ene brand- en rookvrije vluchtroute,
                            </cursief></al><al><cursief>mag maximaal 750 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4 – geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die ene brand- en rookvrije
                                vluchtroute, mag maximaal 1.800 m2 bedragen.</cursief></al><al>4 veiligheidstrappenhuis </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, indien die brand- en
                            rookvrije vluchtroute is uitgevoerd als veiligheidstrappenhuis. Dit
                            veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting
                            bezitten van maximaal 3.500 MJ (art. 2.156 lid 3 en 2.170 lid 1). </al><al>5 status trappenhuis </al><al>De vluchttrappenhuizen welke een hoogte overbruggen van meer dan 8 meter
                            dienen te zijn uitgevoerd als brand- en rookvrije vluchtroute met een
                            WBDBO van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.158). </al><al>6 onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden </al><al>De scheidingsconstructie tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden
                            dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten. Deuren in deze
                            scheidingsconstructie dienen zelfsluitend te zijn (art. 2.168 lid 1 en
                            2). </al><al>7 maximale loopafstand vluchttrappenhuis/rookcompartiment </al><al>De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang
                            tot een rookcompartiment mag maximaal 30 meter bedragen (art. 2.185 lid
                            3). </al><al>8 uitgangsbreedte gebouw/rookcompartiment/verblijfsgebied/ruimte </al><al>De uitgangsbreedte van deuren van het gebouw, rookcompartiment,
                            verblijfsgebied of verblijfsruimte dient te voldoen aan de
                            berekeningsmethode P = U x 1,35 waarbij wordt uitgegaan van een voor dat
                            pand realistische bezetting (op basis van gemeentelijk beleid, P is het
                            maximaal toelaatbare aantal personen en U is de netto breedte van de
                            aanwezige en beschikbare nooduitgang(en) in centimeter(s)). </al><al>9 draairichting deuren verblijfsgebied/verblijfsruimte </al><al>De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn (op basis van gemeentelijk beleid). </al><al>10 opvang- en doorstroomcapaciteit </al><al>Een trap waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dient een overeenkomstig ministeriële regeling
                            aangegeven opvang- en doorstroomcapaciteit te bezitten (art. 2.173). </al><al>4 Constructies </al><al>1 vluchtmogelijkheden </al><al>De vloeren en trappen waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dienen een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.12 lid 1). </al><al>2 hoofddraagconstructie </al><al>De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van 30 oftewel 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer
                            hoger is gelegen dan 5 oftewel 13 meter (art. 2.12 lid 3 en 4). </al><al>5 Materialen </al><al>1 stookplaats </al><al>Materialen ter plaatse of in de nabijheid van de stookplaats dienen
                            onbrandbaar te zijn. De voorziening voor de afvoer van rook dient
                            luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een
                            naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15 meter te zijn (art.
                            2.89 en 2.90). </al><al>2 brandvoortplanting ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) dient ten
                            minste te voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
                            5% van de constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>3 brandvoortplanting brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) waarlangs
                            een brand- en rookvrije vluchtroute voert dient ten minste te voldoen
                            aan klasse 2 van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de
                            constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te
                            voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>4 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken </al><al>De vloeren en tredevlakken dienen ten minste te voldoen aan klasse T3
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>5 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken brand- en rookvrije
                            vluchtroute </al><al>De vloeren en tredevlakken waarover een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dienen ten minste te voldoen aan klasse T1 van de bijdrage tot
                            brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft niet te voldoen aan
                            deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>6 rookdichtheid ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel binnen het gebouw dient ten minste te voldoen
                            aan een rookdichtheid van 10 m-1. 5% van deze constructieonderdelen
                            hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid 1 en 2.133). </al><al>7 rookdichtheid brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel waarlangs een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dient ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 5,4 m-1. 5%
                            van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze eis (art.
                            2.131 lid 3 en 2.133). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 droge blusleiding </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 20 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat
                            de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang
                            van een rookcompartiment maximaal 70 meter is (art. 2.197, 2.198 en
                            2.199). </al><al>2 brandslanghaspels </al><al>Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de
                            loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 meter is. De brandslanghaspel
                            mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan
                            30 m en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk
                            minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m2/h (art. 2.191 lid 2, 2.192 lid
                            3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3). </al><al>3 noodverlichting </al><al>De verblijfsgebieden groter dan 60 m2, 150 m2, 375 m2 of 900 m2 (bij
                            respectievelijk bezettingsklasse B1, B2, B3 en B4), de
                            vluchtmogelijkheden en de kooi van een lift dienen te zijn voorzien van
                            noodverlichting (art. 2.59 lid 1, 3 en 4). </al><al>4 ontruimingsalarminstallatie </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie
                            (op basis van Bouwverordening). </al><al>5 brandmeldinstallatie </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een
                            volledige bewaking (op basis van Bouwverordening). </al><al>6 vluchtrouteaanduiding </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>7 Gebruik </al><al>1 draagbare blustoestellen (bij een gebruiksoppervlakte tot 250 m2) </al><al>In het gebouw dienen één of meerdere draagbare blustoestellen te worden
                            geplaatst met een minimale inhoud van 6 kg blusmiddel. Het type
                            blusmiddel is ter beoordeling aan de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>2 minihaspels (bij een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal mini-brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat
                            de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 2,5 meter is (op basis van
                            Bouwverordening). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Gezondheidsfunctie </label></kop><structuurtekst><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 brandscheiding met ander gebouw </al><al>De scheiding tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op het
                            zelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) dient
                            een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.113
                            lid 2). </al><al>2 brandcompartimenten binnen het gebouw/perceel </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte
                            van een brandcompartiment, en een andere besloten ruimte, dient een
                            WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.112 lid
                            1, 4, 5, 6 en 7 en 2.113 lid 1). </al><al><cursief>Onder een brandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• één of meer met elkaar in verbinding staande, afzonderlijke
                                ruimten, waardoor geen brand- en rookvrije vluchtroute voert, met
                                een maximaal gebruiksoppervlak van 2.000 m2. Bad- en toiletruimten
                                hoeven niet worden meegeteld; </cursief></al><al><cursief>• gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 2.000 m2 van
                                meerdere gebouwen op hetzelfde perceel; </cursief></al><al><cursief>• stookruimte (&gt;130 KW); </cursief></al><al><cursief>• technische ruimte &gt; 100 m2; </cursief></al><al><cursief>• een besloten ruimte bestemd voor de opslag van brandbare,
                                brandbevorderende, brandgevaarlijke stoffen. </cursief></al><al>3 minimaal twee brandcompartimenten </al><al>Per bouwlaag dient het gebouw (mede bestemd voor aan bed gebonden
                            personen) ten minste in twee brandcompartimenten te worden verdeeld van
                            maximaal 2.000 m2, waarbij de verhouding van de gebruiksoppervlakken ten
                            minste 23%:77% is (art. 2.112 lid 8). </al><al>4 subbrandcompartimenten </al><al>De scheidingsconstructie tussen een subbrandcompartiment mede bestemd
                            voor bedgebonden personen en een andere besloten ruimte dient een WBDBO
                            te bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.117 lid 6 en 2.118 lid 1). </al><al><cursief>Onder subbrandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• een ruimte met een gebruiksoppervlak van maximaal 50 m2;
                            </cursief></al><al><cursief>• een ruimte met een gebruiksoppervlak van maximaal 500 m2 met
                                permanente bewaking (intensive care). </cursief></al><al>5 brandscheiding met veiligheidstrappenhuis </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een
                            veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30
                            minuten (op basis van art. 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7en 2.113 lid 1). </al><al>6 zelfsluitendheid </al><al>Deuren in scheidingsconstructies met een WBDBO dienen zelfsluitend te
                            zijn. Te openen ramen mogen niet aanwezig zijn (art. 2.114). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 rookcompartiment </al><al>Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer
                            rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1). </al><al>2 uitgangen rookcompartiment </al><al>Een rookcompartiment dient over ten minste twee uitgangen te beschikken
                            (art. 2.156 lid 1, 2, 3,5, 6, 7 en 8). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B2) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 300 m2
                                bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 750 m2
                                bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4 – geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag 1uitgang hebben waarbij de uitgang van
                                een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment maximaal
                                15 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan rookcompartiment
                                aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 1.800 m2 bedragen.
                            </cursief></al><al>3 loopafstanden rookcompartiment </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                            verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het rookcompartiment
                            mag maximaal 20 oftewel 30 meter bedragen, waarbij geen groter
                            hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4 meter (art. 2.136 lid 2, 3 en
                            4). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4 - geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                                verblijfsruimte (niet toegankelijk voor bezoekers) en de
                                dichtstbijzijnde uitgang van een rookcompartiment mag maximaal 30
                                oftewel 45 meter bedragen, waarbij geen groter hoogteverschil mag
                                worden overbrugd dan 4 meter. </cursief></al><al>4 loopafstanden in verblijfsruimten </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                            dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 20 meter bedragen. Indien dit
                            leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter uit
                            elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10, 11 en 14). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4 - geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                                dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 30 meter bedragen. Indien dit
                                leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter
                                uit elkaar te liggen. </cursief></al><al>5 vluchtroute vanuit subbrandcompartiment </al><al>De uitgang van een subbrandcompartiment (verblijfsruimte voor
                            bedgebonden personen) komt rechtstreeks buiten, of in een ander
                            rookcompartiment uit (art. 2.146 lid 12 en 14). </al><al>6 vluchtroute door verkeersruimten </al><al>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte dient via verkeersruimten de
                            uitgang van het rookcompartiment te worden bereikt (art. 2.146 lid 10,
                            12 en 14). </al><al><cursief>Uitzondering: de uitgang van een verblijfsruimte komt uit op
                                een andere verblijfsruimte</cursief></al><al><cursief>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte mag via een andere
                                verblijfsruimte (mits deze beschikt over twee uitgangen die ten
                                minste 5 meter uit elkaar liggen) de verkeersruimte worden bereikt,
                                van waaruit de uitgang van het rookcompartiment wordt bereikt.
                            </cursief></al><al>7 sluizen </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dienen de vluchttrappenhuizen te zijn voorzien van sluizen met een
                            WTRD van ten minste 30 minuten (art. 2.135 lid 2). </al><al>8 rookwerendheid scheidingsconstructies </al><al>De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van ten minste 30 minuten.
                            Deuren, ramen en luiken in deze scheidingsconstructie dienen
                            zelfsluitend te zijn (art. 2.137 en 2.138 lid 3). </al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 vluchtmogelijkheden rookcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een rookcompartiment dient in twee richtingen, die
                            elk leiden naar een onafhankelijke vluchtmogelijkheid, naar het openbare
                            terrein te kunnen worden gevlucht (art. 2.156 lid 1). </al><al><cursief>Uitzondering: rookcompartiment is geen verblijfsruimte
                            </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment met ten hoogste 250 m2
                                gebruiksoppervlakte, waarin geen verblijfsruimte ligt, mag over één
                                vluchtmogelijkheid beschikken. </cursief></al><al>2 twee uitgangen </al><al>Vanuit twee uitgangen van een rookcompartiment dient via onafhankelijke
                            vluchtmogelijkheden naar het openbare terrein te kunnen worden gevlucht
                            (art. 2.154). </al><al>3 één brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de afstand tussen de
                            uitgang van het rookcompartiment tot het punt waarop in twee
                            onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht, maximaal 30 meter mag
                            bedragen. Het totaal oppervlak aan rookcompartimenten, aangewezen op die
                            ene brand- en rookvrije vluchtroute, mag maximaal 300 m2 bedragen (art.
                            2.156 lid 7, 8 en 9). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 30 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die ene brand- en rookvrije
                                vluchtroute, mag maximaal 750 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4 – geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die ene brand- en rookvrije
                                vluchtroute, mag maximaal 1800 m2 bedragen. </cursief></al><al>4 veiligheidstrappenhuis </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, indien die brand- en
                            rookvrije vluchtroute is uitgevoerd als veiligheidstrappenhuis. Dit
                            veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting
                            bezitten van maximaal 3.500 MJ (art. 2.156 lid 3 en 2.170 lid 1). </al><al>5 status trappenhuis </al><al>De vluchttrappenhuizen welke een hoogte overbruggen van meer dan 8 meter
                            dienen te zijn uitgevoerd als brand- en rookvrije vluchtroute met een
                            WBDBO van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.158). </al><al>6 onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden </al><al>De scheidingsconstructie tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden
                            dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten. Deuren in deze
                            scheidingsconstructie dienen zelfsluitend te zijn (art. 2.168 lid 1 en
                            2). </al><al>7 maximale loopafstand vluchttrappenhuis/rookcompartiment </al><al>De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang
                            tot een rookcompartiment mag maximaal 30 meter bedragen (art. 2.185 lid
                            3). </al><al>8 uitgangsbreedte gebouw/rookcompartiment/verblijfsgebied/ruimte </al><al>De uitgangsbreedte van deuren van het gebouw, rookcompartiment,
                            verblijfsgebied of verblijfsruimte dient te voldoen aan de
                            berekeningsmethode P = U x 1,35 waarbij wordt uitgegaan van een voor dat
                            pand realistische bezetting (op basis van gemeentelijk beleid, P is het
                            maximaal toelaatbare aantal personen en U is de netto breedte van de
                            aanwezige en beschikbare nooduitgang(en) in centimeter(s)). </al><al>9 draairichting deuren verblijfsgebied/verblijfsruimte </al><al>De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn (op basis van gemeentelijk beleid). </al><al>10 opvang- en doorstroomcapaciteit </al><al>Een trap waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dient een overeenkomstig ministeriële regeling
                            aangegeven opvang- en doorstroomcapaciteit te bezitten (art. 2.173). </al><al>4 Constructies </al><al>1 vluchtmogelijkheden </al><al>De vloeren en trappen waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dienen een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.12 lid 1). </al><al>2 hoofddraagconstructie </al><al>De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van 30 oftewel 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer
                            hoger is gelegen dan 5 oftewel 13 meter (art.2.12 lid 3 en 4). </al><al>5 Materialen </al><al>1 stookplaats </al><al>Materialen ter plaatse of in de nabijheid van de stookplaats dienen
                            onbrandbaar te zijn. De voorziening voor de afvoer van rook dient
                            luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een
                            naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15 meter te zijn (art.
                            2.89 en 2.90). </al><al>2 brandvoortplanting ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) dient ten
                            minste te voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
                            5% van de constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>3 brandvoortplanting vluchtmogelijkheid </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) waarlangs
                            één vluchtmogelijkheid voert dient ten minste te voldoen aan klasse 2
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de constructieonderdelen
                            (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te voldoen aan deze eis
                            (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>4 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken </al><al>De vloeren en tredevlakken dienen ten minste te voldoen aan klasse T3
                            van de bijdrage tot randvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>5 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken brand- en rookvrije
                            vluchtroute </al><al>De vloeren en tredevlakken waarover een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dienen ten minste te voldoen aan klasse T1 van de bijdrage tot
                            brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft niet te voldoen aan
                            deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>6 rookdichtheid ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel binnen het gebouw dient ten minste te voldoen
                            aan een rookdichtheid van 10 m-1. 5% van deze constructieonderdelen
                            hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid 1 en 2.133). </al><al>7 rookdichtheid vluchtmogelijkheid </al><al>Ieder constructieonderdeel waarlangs één vluchtmogelijkheid voert dient
                            ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 5,4 m-1. 5% van deze
                            constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid
                            2 en 2.133). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 droge blusleiding </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 20 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat
                            de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang
                            van een rookcompartiment maximaal 50 meter is (art.2.197, 2.198 en
                            2.199). </al><al>2 brandslanghaspels </al><al>Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de
                            loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 meter is. De brandslanghaspel
                            mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan
                            30 meter en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de
                            druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m2/h (art. 2.191 lid 2, 2.192
                            lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3). </al><al>3 noodverlichting </al><al>De verblijfsgebieden groter dan 60 m2, 150 m2, 375 m2 of &gt; 900 m2
                            (bij respectievelijk bezettingsklasse B1, B2, B3 en B4), de
                            vluchtmogelijkheden en de kooi van een lift dienen te zijn voorzien van
                            noodverlichting (art. 2.59 lid 1, 3 en 4). </al><al>4 ontruimingsalarminstallatie </al><al>Indien het gebouw een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500 m2 dient
                            het gebouw te zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (op
                            basis van Bouwverordening). </al><al>5 brandmeldinstallatie </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een
                            volledige bewaking (op basis van Bouwverordening). </al><al>6 vluchtrouteaanduiding </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>7 Gebruik </al><al>1 draagbare blustoestellen (bij een gebruiksoppervlakte tot 250 m2) </al><al>In het gebouw dienen één of meerdere draagbare blustoestellen te worden
                            geplaatst met een minimale inhoud van 6 kg blusmiddel. Het type
                            blusmiddel is ter beoordeling aan de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>2 minihaspels (bij een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal mini-brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat
                            de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 2,5 meter is (op basis van
                            Bouwverordening). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Industriefunctie </label></kop><structuurtekst><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 brandscheiding met ander gebouw </al><al>De scheiding tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op het
                            zelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) dient
                            een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.113
                            lid 2). </al><al>2 brandcompartimenten binnen het gebouw/perceel </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte
                            van een brandcompartiment, en een andere besloten ruimte, dient een
                            WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.112 lid
                            1, 4, 5, 6 en 7 en 2.113 lid 1). Bij lichte industrie met een permanente
                            vuurbelasting van ten hoogste 200Mj/ m2 is artikel 2.111 lid 6 en 7 van
                            toepassing. </al><al><cursief>Onder een brandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• één of meer met elkaar in verbinding staande, afzonderlijke
                                ruimten, waardoor geen brand- en rookvrije vluchtroute voert, met
                                een maximaal gebruiksoppervlak van 2.000 m2. Bad- en toiletruimten
                                hoeven niet worden meegeteld; </cursief></al><al><cursief>• gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 2.000 m2 van
                                meerdere gebouwen op hetzelfde perceel; </cursief></al><al><cursief>• stookruimte (&gt;130 KW); </cursief></al><al><cursief>• technische ruimte &gt; 100 m2</cursief></al><al><cursief>• een besloten ruimte bestemd voor de opslag van brandbare,
                                brandbevorderende, brandgevaarlijke stoffen. </cursief></al><al>3 zelfsluitendheid </al><al>Deuren in scheidingsconstructies met een WBDBO dienen zelfsluitend te
                            zijn. Te openen ramen mogen niet aanwezig zijn (art. 2.114). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 rookcompartiment </al><al>Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer
                            rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1). </al><al>2 uitgangen rookcompartiment </al><al>Een rookcompartiment dient over ten minste twee uitgangen te beschikken
                            (art. 2.156 lid 7, 8 en 9). </al><al>3 loopafstanden rookcompartiment </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                            verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het rookcompartiment
                            is niet groter dan de aangegeven grenswaarde in tabel 2.134
                            overeenkomstig bezettingsgraad, waarbij geen groter hoogteverschil mag
                            worden overbrugd dan 4 meter (art. 2.136 lid 2, 3 en 4). </al><al>4 loopafstanden in verblijfsruimten </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                            dichtstbijzijnde uitgang is niet groter dan de aangegeven grenswaarde in
                            tabel 2.145.1 overeenkomstig bezettingsgraad. Indien dit leidt tot
                            meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter uit elkaar te
                            liggen (art. 2.146 lid 10, 11 en 14). </al><al>5 vluchtroute door verkeersruimten </al><al>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte dient via verkeersruimten de
                            uitgang van het rookcompartiment te worden bereikt (art. 2.146 lid 10,
                            12 en 14). </al><al><cursief>Uitzondering: de uitgang van een verblijfsruimte komt uit op
                                een andere verblijfsruimte </cursief></al><al><cursief>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte mag via een andere
                                verblijfsruimte (mits deze beschikt over twee uitgangen die ten
                                minste 5 meter uit elkaar liggen) de verkeersruimte worden bereikt,
                                van waaruit de uitgang van het rookcompartiment wordt bereikt.
                            </cursief></al><al>6 rookwerendheid scheidingsconstructies </al><al>De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van ten minste 30 minuten.
                            Deuren, ramen en luiken in deze scheidingsconstructie dienen
                            zelfsluitend te zijn (art. 2.137 en 2.138 lid 3). </al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 vluchtmogelijkheden rookcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een rookcompartiment dient in twee richtingen, die
                            elk leiden naar een onafhankelijke vluchtmogelijkheid, naar het openbare
                            terrein te kunnen worden gevlucht (art. 2.156 lid 2). </al><al><cursief>Uitzondering: rookcompartiment is geen verblijfsruimte
                            </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment met ten hoogste 250 m2
                                gebruiksoppervlakte, waarin geen verblijfsruimte ligt, mag over één
                                vluchtmogelijkheid beschikken. </cursief></al><al>2 één vluchtmogelijkheid </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar het
                            openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                            rookcompartimenten, aangewezen op die ene vluchtmogelijkheid, mag
                            maximaal 30 m2 bedragen. (art. 2.156 lid 6). </al><al>3 twee uitgangen </al><al>Vanuit twee uitgangen van een rookcompartiment dient via onafhankelijke
                            vluchtmogelijkheden naar het openbare terrein te kunnen worden gevlucht
                            (art. 2.156 lid 3). </al><al>4 onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden </al><al>De scheidingsconstructie tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden
                            dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten. Deuren in deze
                            scheidingsconstructie dienen zelfsluitend te zijn (art. 2.168 lid 1 en
                            2). </al><al>5 maximale loopafstand vluchttrappenhuis/rookcompartiment </al><al>De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang
                            tot een rookcompartiment mag maximaal 30 meter bedragen (art. 2.185 lid
                            3). </al><al>6 uitgangsbreedte gebouw/rookcompartiment/verblijfsgebied/ruimte </al><al>De uitgangsbreedte van deuren van het gebouw, rookcompartiment,
                            verblijfsgebied of verblijfsruimte dient te voldoen aan de
                            berekeningsmethode P = U x 1,35 waarbij wordt uitgegaan van een voor dat
                            pand realistische bezetting. </al><al>7 draairichting deuren verblijfsgebied/verblijfsruimte </al><al>De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn (op basis van gemeentelijk beleid). </al><al>4 Constructies </al><al>1 vluchtmogelijkheden </al><al>De vloeren en trappen waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dienen een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.12 lid 1). </al><al>2 hoofddraagconstructie </al><al>De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van 30 oftewel 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer
                            hoger is gelegen dan 5 oftewel 13 meter (art.2.12 lid 3 en 4). </al><al>5 Materialen </al><al>1 brandvoortplanting ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) dient ten
                            minste te voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
                            5% van de constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>2 brandvoortplanting brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) waarlangs
                            een brand- en rookvrije vluchtroute voert dient ten minste te voldoen
                            aan klasse 2 van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de
                            constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te
                            voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>3 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken </al><al>De vloeren en tredevlakken dienen ten minste te voldoen aan klasse T3
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>4 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken brand- en rookvrije
                            vluchtroute </al><al>De vloeren en tredevlakken waarover een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dienen ten minste te voldoen aan klasse T1 van de bijdrage tot
                            brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft niet te voldoen aan
                            deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>5 rookdichtheid ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel binnen het gebouw dient ten minste te voldoen
                            aan een rookdichtheid van 10 m-1. 5% van deze constructieonderdelen
                            hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid 1 en 2.133). </al><al>6 rookdichtheid brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel waarlangs een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dient ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 5,4 m-1. 5%
                            van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze eis (art.
                            2.131 lid 3 en 2.133). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 brandslanghaspels (bij een gebruiksoppervlakte van meer 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de
                            loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. De brandslanghaspel mag
                            niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30 m
                            en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk
                            minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m2/h (art. 2.191 lid 2, 2.192 lid
                            3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3). </al><al>2 noodverlichting </al><al>De verblijfsgebieden groter dan 900 m2 (bij bezettingsklasse B5), de
                            vluchtmogelijkheden en de kooi van een lift dienen te zijn voorzien van
                            noodverlichting (art. 2.59 lid 1, 3 en 4). </al><al>3 ontruimingsalarminstallatie </al><al>Indien het gebouw een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 1.000 m2
                            dient het gebouw te zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie
                            (op basis van Bouwverordening). </al><al>4 brandmeldinstallatie </al><al>Een industriefunctiegebouw van meer dan 5.000 m2 dient te zijn voorzien
                            van een brandmeldinstallatie met een niet automatische bewaking (op
                            basis van Bouwverordening). </al><al>5 brandmeldinstallatie </al><al>Een industriefunctiegebouw van meer dan 10.000 m2 dient te zijn voorzien
                            van een brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke bewaking (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>6 rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes </al><al>De samenvallende vluchtroutes en de hierop uitkomende ruimten dienen te
                            zijn voorzien van rookdetectie. De van rookdetectie afhankelijke ruimten
                            dienen te zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie
                            (op basis van Bouwverordening). </al><al>7 vluchtrouteaanduiding </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>7 Gebruik </al><al>1 draagbare blustoestellen (bij een gebruiksoppervlakte tot 250 m2) </al><al>In het gebouw dienen één of meerdere draagbare blustoestellen te worden
                            geplaatst met een inhoud </al><al>van 6 kg blusmiddel. Het type blusmiddel is ter beoordeling aan de
                            brandweer (op basis van Bouwverordening). </al><al>2 minihaspels (bij een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 1.000 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal mini-brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat
                            de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 2,5 meter is (op basis van
                            Bouwverordening). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Logiesfunctie </label></kop><structuurtekst><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 brandscheiding met ander gebouw </al><al>De scheiding tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op het
                            zelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) dient
                            een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.13
                            lid 2). </al><al>2 brandcompartimenten binnen het gebouw/perceel </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte
                            van een brandcompartiment, en een andere besloten ruimte, dient een
                            WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.112 lid
                            1, 4, 5, 6 en 7 en 2.113 lid 1). </al><al><cursief>Onder een brandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• één of meer met elkaar in verbinding staande, afzonderlijke
                                ruimten, waardoor geen brand- en rookvrije vluchtroute voert, met
                                een maximaal gebruiksoppervlak van 1000 m2. Bad- en toiletruimten
                                hoeven niet worden meegeteld; </cursief></al><al><cursief>• gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1.000 m2 van
                                meerdere gebouwen op hetzelfde perceel; </cursief></al><al><cursief>• stookruimte (&gt;130 KW); </cursief></al><al><cursief>• technische ruimte &gt; 100 m2; </cursief></al><al><cursief>• een besloten ruimte bestemd voor de opslag van brandbare,
                                brandbevorderende, brandgevaarlijke stoffen. </cursief></al><al>3 subbrandcompartimenten </al><al>De scheidingsconstructie tussen een subbrandcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een </al><al>WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.117 lid 2 en 3 en
                            2.118 lid 1). </al><al><cursief>Onder subbrandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• het logiesverblijf; </cursief></al><al><cursief>• een gemeenschappelijk verblijfsgebied &lt; 500 m2
                                (gemeenschappelijke verblijfsruimten inclusief verkeersruimten).
                            </cursief></al><al>4 brandscheiding met veiligheidstrappenhuis </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een
                            veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30
                            minuten (op basis van art. 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7 en 2.113 lid 1). </al><al>5 zelfsluitendheid </al><al>Deuren in scheidingsconstructies met een WBDBO dienen zelfsluitend te
                            zijn. Te openen ramen mogen niet aanwezig zijn (art. 2.114). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 rookcompartiment </al><al>Een brandcompartiment en een subbrandcompartiment dient te zijn
                            onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1). </al><al>2 uitgangen rookcompartiment </al><al>Een rookcompartiment groter dan 500 m2 dient over ten minste twee
                            uitgangen te beschikken (art. 2.156 lid 2, 3 en 4). </al><al>3 loopafstanden rookcompartiment </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                            verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het rookcompartiment
                            mag maximaal 20 oftewel 30 meter bedragen, waarbij geen groter
                            hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4 meter (art. 2.136 lid 2, 3 en
                            4). </al><al>4 loopafstanden in verblijfsruimten </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                            dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 20 meter bedragen. Indien dit
                            leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter uit
                            elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10, 11 en 14). </al><al>5 vluchtroute door verkeersruimten </al><al>Vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment (logiesverblijf en/of
                            gemeenschappelijke verblijfsgebied) dient via verkeersruimten de uitgang
                            van het rookcompartiment te worden bereikt (art. 2.146 lid 12 en 14). </al><al><cursief>Uitzondering: </cursief></al><al><cursief>De uitgang van een subbrandcompartiment komt rechtstreeks
                                buiten, of in een ander rookcompartiment uit. </cursief></al><al>6 sluizen </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dienen de vluchttrappenhuizen te zijn voorzien van sluizen met een
                            WTRD van ten minste 30 minuten (art. 2.135 lid 2). </al><al>7 rookwerendheid scheidingsconstructies </al><al>De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van ten minste 30 minuten.
                            Deuren, ramen en luiken in deze scheidingsconstructie dienen
                            zelfsluitend te zijn (art. 2.137 en 2.138 lid 3). </al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 vluchtmogelijkheden rookcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een rookcompartiment dient in twee richtingen, die
                            elk leiden naar een onafhankelijke vluchtmogelijkheid, naar het openbare
                            terrein te kunnen worden gevlucht (2.156 lid 1). </al><al><cursief>Uitzondering: rookcompartiment is geen verblijfsruimte
                            </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment met ten hoogste 250 m2
                                gebruiksoppervlakte, waarin geen verblijfsruimte ligt, mag over één
                                vluchtmogelijkheid beschikken. </cursief></al><al>2 twee uitgangen </al><al>Vanuit twee uitgangen van een rookcompartiment dient via onafhankelijke
                            vluchtmogelijkheden naar het openbare terrein te kunnen worden gevlucht
                            (art. 2.156 lid 1). </al><al>3 één brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de afstand tussen de
                            uitgang van het rookcompartiment tot het punt waarop in twee
                            onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht, maximaal 20 meter mag
                            bedragen. Het totaal oppervlak aan rookcompartimenten dat is aangewezen
                            op die ene branden rookvrije vluchtroute mag maximaal 750 m2 bedragen,
                            waarbij de hoogste verblijfsvloer maximaal op 12,5 meter vanuit het
                            meetniveau ligt (art. 2.156 lid 7, 8 en 10). </al><al>4 veiligheidstrappenhuis </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, indien die brand- en
                            rookvrije vluchtroute is uitgevoerd als veiligheidstrappenhuis. Dit
                            veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting
                            bezitten van maximaal 3.500 MJ (art. 2.156 lid 3 en 2.170 lid 1). </al><al>5 status trappenhuis </al><al>De vluchttrappenhuizen welke een hoogte overbruggen van meer dan 8 meter
                            dienen te zijn uitgevoerd als brand- en rookvrije vluchtroute met een
                            WBDBO van ten minste 30 minuten (op basis van 2.158). </al><al>6 onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden </al><al>De scheidingsconstructie tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden
                            dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten. Deuren in deze
                            scheidingsconstructie dienen zelfsluitend te zijn (art. 2.168 lid 1 en
                            2). </al><al>7 maximale loopafstand vluchttrappenhuis/rookcompartiment </al><al>De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang
                            tot een rookcompartiment mag maximaal 30 meter bedragen (art. 2.185 lid
                            3). </al><al>8 uitgangsbreedte gebouw/rookcompartiment/verblijfsgebied/ruimte </al><al>De uitgangsbreedte van deuren van het gebouw, rookcompartiment,
                            verblijfsgebied of verblijfsruimte dient te voldoen aan de
                            berekeningsmethode P = U x 1,35 waarbij wordt uitgegaan van een voor dat
                            pand realistische bezetting (op basis van gemeentelijk beleid, P is het
                            maximaal toelaatbare aantal personen en U is de netto breedte van de
                            aanwezige en beschikbare nooduitgang(en) in centimeter(s)). </al><al>9 draairichting deuren verblijfsgebied/verblijfsruimte </al><al>De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn (op basis van gemeentelijk beleid). </al><al>10 opvang- en doorstroomcapaciteit </al><al>Een trap waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dient een overeenkomstig ministeriële regeling
                            aangegeven opvang- en doorstroomcapaciteit te bezitten (art. 2.173). </al><al>11 ganglengte </al><al>De loopafstand tussen twee toegangen van een besloten horizontale
                            vluchtmogelijkheid mag maximaal 30 meter bedragen (art. 2.172). </al><al>4 Constructies </al><al>1 vluchtmogelijkheden </al><al>De vloeren en trappen waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dienen een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.12 lid 1). </al><al>2 hoofddraagconstructie </al><al>De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van 30 oftewel 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer
                            hoger is gelegen dan 5 oftewel 13 meter (art. 2.12 lid 3 en 4). </al><al>5 Materialen </al><al>1 stookplaats </al><al>Materialen ter plaatse of in de nabijheid van de stookplaats dienen
                            onbrandbaar te zijn. De voorziening voor de afvoer van rook dient
                            luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een
                            naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15 meter te zijn (art.
                            2.89 en 2.90). </al><al>2 brandvoortplanting ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) dient ten
                            minste te voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
                            5% van de constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>3 brandvoortplanting vluchtmogelijkheid </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) waarlangs
                            één vluchtmogelijkheid voert dient ten minste te voldoen aan klasse 2
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de constructieonderdelen
                            (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te voldoen aan deze eis
                            (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>4 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken </al><al>De vloeren en tredevlakken dienen ten minste te voldoen aan klasse T3
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>5 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken brand- en rookvrije
                            vluchtroute </al><al>De vloeren en tredevlakken waarover een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dienen ten minste te voldoen aan klasse T1 van de bijdrage tot
                            brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft niet te voldoen aan
                            deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>6 rookdichtheid ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel binnen het gebouw dient ten minste te voldoen
                            aan een rookdichtheid van 10 m-1. 5% van deze constructieonderdelen
                            hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid 1 en 2.133). </al><al>7 rookdichtheid vluchtmogelijkheid </al><al>Ieder constructieonderdeel waarlangs één vluchtmogelijkheid voert dient
                            ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 5,4 m-1. 5% van deze
                            constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid
                            2 en 2.133). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 droge blusleiding </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 20 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat
                            de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang
                            van een rookcompartiment maximaal 50 meter is (art.2.191, 2.192 en
                            2.193). </al><al>2 brandslanghaspels (bij een gebruiksoppervlakte van meer 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de
                            loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 meter is. De brandslanghaspel
                            mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan
                            30 m en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk
                            minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m2/h (art. 2.191 lid 2, 2.192 lid
                            3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3). </al><al>3 noodverlichting </al><al>De verblijfsgebieden groter dan 60 m2, 150 m2, 375 m2 of &gt; 900 m2
                            (bij respectievelijk bezettingsklasse B1, B2, B3 en B4), de
                            vluchtmogelijkheden en de kooi van een lift dienen te zijn voorzien van
                            noodverlichting (art. 2.59 lid 1, 3 en 4). </al><al>4 ontruimingsalarminstallatie </al><al>Indien het gebouw een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500 m2 dient
                            het gebouw te zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (op
                            basis van Bouwverordening). </al><al>5 brandmeldinstallatie </al><al>Een logiesfunctie van meer dan 250 m2 dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een brandmeldinstallatie met een volledige bewaking met een
                            rechtstreekse doormelding naar de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>6 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 5 meter boven het aansluitende
                            terrein dient het gebouw te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie
                            met een volledige bewaking (op basis van Bouwverordening). </al><al>7 rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes </al><al>De samenvallende vluchtroutes en de hierop uitkomende ruimten dienen te
                            zijn voorzien van rookdetectie. De van rookdetectie afhankelijke ruimten
                            dienen te zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie
                            (op basis van Bouwverordening). </al><al>8 vluchtrouteaanduiding </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>7 Gebruik </al><al>1 draagbare blustoestellen (bij een gebruiksoppervlakte tot 250 m2) </al><al>In het gebouw dienen één of meerdere draagbare blustoestellen te worden
                            geplaatst met een inhoud </al><al>van 6 kg blusmiddel. Het type blusmiddel is ter beoordeling aan de
                            brandweer (op basis van Bouwverordening). </al><al>2 minihaspels (bij een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal mini-brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat
                            de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 2,5 meter is (op basis van
                            Bouwverordening). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Kantoorfunctie </label></kop><structuurtekst><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 brandscheiding met ander gebouw </al><al>De scheiding tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op het
                            zelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) dient
                            een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.113
                            lid 2). </al><al>2 brandcompartimenten binnen het gebouw/perceel </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte
                            van een brandcompartiment, en een andere besloten ruimte, dient een
                            WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.112 lid
                            1, 4, 5, 6 en 7 en 2.113 lid 1). </al><al><cursief>Onder een brandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• één of meer met elkaar in verbinding staande, afzonderlijke
                                ruimten, waardoor geen brand- en rookvrije vluchtroute voert, met
                                een maximaal gebruiksoppervlak van 2.000 m2. Bad- en toiletruimten
                                hoeven niet worden meegeteld; </cursief></al><al><cursief>• gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 2.000 m2 van
                                meerdere gebouwen op hetzelfde perceel; </cursief></al><al><cursief>• stookruimte (&gt;130 KW); </cursief></al><al><cursief>• technische ruimte &gt; 100 m2; </cursief></al><al><cursief>• een besloten ruimte bestemd voor de opslag van brandbare,
                                brandbevorderende, brandgevaarlijke stoffen. </cursief></al><al>3 brandscheiding met veiligheidstrappenhuis </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een
                            veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30
                            minuten (op basis van art. 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7en 2.113 lid 1). </al><al>4 zelfsluitendheid </al><al>Deuren in scheidingsconstructies met een WBDBO dienen zelfsluitend te
                            zijn. Te openen ramen mogen niet aanwezig zijn (op basis van art.
                            2.114). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 rookcompartiment </al><al>Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer
                            rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1). </al><al>2 uitgangen rookcompartiment </al><al>Een rookcompartiment dient over ten minste twee uitgangen te beschikken
                            (art. 2.156 lid 2, 3, 6 en 7). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B2) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 300 m2
                                bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 750 m2
                                bedragen. </cursief></al><al>3 loopafstanden rookcompartiment </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                            verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het rookcompartiment
                            mag maximaal 20 oftewel 30 meter bedragen, waarbij geen groter
                            hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4 meter (art. 2.136 lid 2, 3 en
                            4). </al><al>4 loopafstanden in verblijfsruimten </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                            dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 20 meter bedragen. Indien dit
                            leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter uit
                            elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10, 11 en 14).</al><al>5 vluchtroute door verkeersruimten </al><al>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte dient via verkeersruimten de
                            uitgang van het rookcompartiment te worden bereikt (art. 2.146 lid 12 en
                            14). </al><al><cursief>Uitzondering: de uitgang van een verblijfsruimte komt uit op
                                een andere verblijfsruimte </cursief></al><al><cursief>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte mag via een andere
                                verblijfsruimte (mits deze beschikt over twee uitgangen die ten
                                minste 5 meter uit elkaar liggen) de verkeersruimte worden bereikt,
                                van waaruit de uitgang van het rookcompartiment wordt bereikt.
                            </cursief></al><al>6 sluizen </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dienen de vluchttrappenhuizen te zijn voorzien van sluizen met een
                            WTRD van ten minste 30 minuten (art. 2.135 lid 2). </al><al>7 rookwerendheid scheidingsconstructies </al><al>De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van ten minste 30 minuten.
                            Deuren, ramen en luiken in deze scheidingsconstructie dienen
                            zelfsluitend te zijn (art. 2.137 en 2.138 lid 3). </al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 vluchtmogelijkheden rookcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een rookcompartiment dient in twee richtingen, die
                            elk leiden naar een onafhankelijke vluchtmogelijkheid, naar het openbare
                            terrein te kunnen worden gevlucht (art. 2.156 lid 1). </al><al><cursief>Uitzondering: rookcompartiment is geen verblijfsruimte
                            </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment met ten hoogste 250 m2
                                gebruiksoppervlakte, waarin geen verblijfsruimte ligt, mag over één
                                vluchtmogelijkheid beschikken. </cursief></al><al>2 twee uitgangen </al><al>Vanuit twee uitgangen van een rookcompartiment dient via onafhankelijke
                            vluchtmogelijkheden naar het openbare terrein te kunnen worden gevlucht
                            (art. 2.156 lid 2). </al><al>3 één vluchtmogelijkheid </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar het
                            openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                            rookcompartimenten, aangewezen op die ene vluchtmogelijkheid, mag
                            maximaal 75 m2 bedragen (art. 2.156 lid 5). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar
                                het openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 188 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar
                                het openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 450 m2 bedragen. </cursief></al><al>4 één brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de afstand tussen de
                            uitgang van het rookcompartiment tot het punt waarop in twee
                            onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht, maximaal 30 meter mag
                            bedragen. Het totaal oppervlak aan rookcompartiment(en), aangewezen op
                            die ene vluchtmogelijkheid, mag maximaal 300 m2 bedragen (art. 2.156 lid
                            7 en 8). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 30 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 750 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 30 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 1.800 m2 bedragen. </cursief></al><al>5 veiligheidstrappenhuis </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, indien die brand- en
                            rookvrije vluchtroute is uitgevoerd als veiligheidstrappenhuis. Dit
                            veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting
                            bezitten van maximaal 3.500 MJ (art. 2.156 lid 3 en 2.170 lid 1). </al><al>6 status trappenhuis </al><al>De vluchttrappenhuizen welke een hoogte overbruggen van meer dan 8 meter
                            dienen te zijn uitgevoerd als brand- en rookvrije vluchtroute met een
                            WBDBO van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.158). </al><al>7 onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden </al><al>De scheidingsconstructie tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden
                            dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten. Deuren in deze
                            scheidingsconstructie dienen zelfsluitend te zijn (art. 2.168 lid 1 en
                            2). </al><al>8 maximale loopafstand vluchttrappenhuis/rookcompartiment </al><al>De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang
                            tot een rookcompartiment mag maximaal 30 meter bedragen (art. 2.185 lid
                            3). </al><al>9 uitgangsbreedte gebouw/rookcompartiment/verblijfsgebied/ruimte </al><al>De uitgangsbreedte van deuren van het gebouw, rookcompartiment,
                            verblijfsgebied of verblijfsruimte dient te voldoen aan de
                            berekeningsmethode P = U x 1,35 waarbij wordt uitgegaan van een voor dat
                            pand realistische bezetting (op basis van gemeentelijk beleid, P is het
                            maximaal toelaatbare aantal personen en U is de netto breedte van de
                            aanwezige en beschikbare nooduitgang(en) in centimeter(s)). </al><al>10 draairichting deuren verblijfsgebied/verblijfsruimte </al><al>De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn (op basis van gemeentelijk beleid). </al><al>11 opvang- en doorstroomcapaciteit </al><al>Een trap waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dient een overeenkomstig ministeriële regeling
                            aangegeven opvang- en doorstroomcapaciteit te bezitten (art. 2.173). </al><al>4 Constructies </al><al>1 vluchtmogelijkheden </al><al>De vloeren en trappen waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dienen een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.12 lid 1). </al><al>2 hoofddraagconstructie </al><al>De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van 30 oftewel 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer
                            hoger is gelegen dan 5 oftewel 13 meter (art.2.12 lid 3 en 4). </al><al>5 Materialen </al><al>1 stookplaats </al><al>Materialen ter plaatse of in de nabijheid van de stookplaats dienen
                            onbrandbaar te zijn. De voorziening voor de afvoer van rook dient
                            luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een
                            naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15 meter te zijn (art.
                            2.89 en 2.90). </al><al>2 brandvoortplanting ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) dient ten
                            minste te voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
                            5% van de constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>3 brandvoortplanting brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) waarlangs
                            een brand- en rookvrije vluchtroute voert dient ten minste te voldoen
                            aan klasse 2 van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de
                            constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te
                            voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>4 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken </al><al>De vloeren en tredevlakken dienen ten minste te voldoen aan klasse T3
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art.2.101 en 2.102). </al><al>5 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken brand- en rookvrije
                            vluchtroute </al><al>De vloeren en tredevlakken waarover een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dienen ten minste te voldoen aan klasse T1 van de bijdrage tot
                            brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft niet te voldoen aan
                            deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>6 rookdichtheid ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel binnen het gebouw dient ten minste te voldoen
                            aan een rookdichtheid van 10 m-1. 5% van deze constructieonderdelen
                            hoeven niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid 1 en 2.133). </al><al>7 rookdichtheid brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel waarlangs een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dient ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 5,4 m-1. 5%
                            van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze eis (art.
                            2.131 lid 3 en 2.133). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 droge blusleiding </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 20 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat
                            de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang
                            van een rookcompartiment maximaal 70 meter is (art. 2.197, 2.198 en
                            2.199). </al><al>2 brandslanghaspels (bij een gebruiksoppervlakte van meer 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de
                            loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. De brandslanghaspel mag
                            niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30 m
                            en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk
                            minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m2/h (art. 2.191 lid 2, 2.192 lid
                            3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3). </al><al>3 noodverlichting </al><al>De verblijfsgebieden groter dan 150 m2, 375 m2 of 900 m2 (bij
                            respectievelijk bezettingsklasse B2, B3 en B4), de vluchtmogelijkheden
                            en de kooi van een lift dienen te zijn voorzien van noodverlichting
                            (art. 2.59 lid 1, 3 en 4). </al><al>4 ontruimingsalarminstallatie </al><al>Indien het gebouw een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500 m2 dient
                            het gebouw te zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (op
                            basis van Bouwverordening). </al><al>5 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 20 meter en niet hoger dan 50 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt, dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een niet automatische brandmeldinstallatie (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>6 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter en niet hoger dan 70 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt, dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke bewaking (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>7 rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes </al><al>De samenvallende vluchtroutes en de hierop uitkomende ruimten dienen te
                            zijn voorzien van rookdetectie. De van rookdetectie afhankelijke ruimten
                            dienen te zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie
                            (op basis van Bouwverordening). </al><al>8 vluchtrouteaanduiding </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 draagbare blustoestellen (bij een gebruiksoppervlakte tot 250 m2) </al><al>In het gebouw dienen één of meerdere draagbare blustoestellen te worden
                            geplaatst met een minimale inhoud van 6 kg blusmiddel. Het type
                            blusmiddel is ter beoordeling aan de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>2 minihaspels (bij een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal mini-brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat
                            de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 2,5 meter is (op basis van
                            Bouwverordening). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Onderwijsfunctie </label></kop><structuurtekst><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 brandscheiding met ander gebouw </al><al>De scheiding tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op het
                            zelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) dient
                            een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.113
                            lid 2). </al><al>2 brandcompartimenten binnen het gebouw/perceel </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte
                            van een brandcompartiment, en een andere besloten ruimte, dient een
                            WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.112 lid
                            1, 4, 5, 6 en 7 en 2.113 lid 1). </al><al><cursief>Onder een brandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• één of meer met elkaar in verbinding staande, afzonderlijke
                                ruimten, waardoor geen brand- en rookvrije vluchtroute voert, met
                                een maximaal gebruiksoppervlak van 3.000 m2. Bad- en toiletruimten
                                hoeven niet worden meegeteld; </cursief></al><al><cursief>• gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 3.000 m2 van
                                meerdere gebouwen op hetzelfde perceel; </cursief></al><al><cursief>• stookruimte (&gt;130 KW); </cursief></al><al><cursief>• technische ruimte &gt; 100 m2; </cursief></al><al><cursief>• een besloten ruimte bestemd voor de opslag van brandbare,
                                brandbevorderende, brandgevaarlijke stoffen. </cursief></al><al>3 brandscheiding met veiligheidstrappenhuis </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een
                            veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30
                            minuten (op basis van art. 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7en 2.113 lid 1). </al><al>4 zelfsluitendheid </al><al>Deuren in scheidingsconstructies met een WBDBO dienen zelfsluitend te
                            zijn. Te openen ramen mogen niet aanwezig zijn (op basis van art.
                            2.114). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 rookcompartiment </al><al>Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer
                            rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1). </al><al>2 uitgangen rookcompartiment </al><al>Een rookcompartiment dient over ten minste twee uitgangen te beschikken
                            (art. 2.156 lid 2, 3 en 7). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B2) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 300 m2
                                bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 750 m2
                                bedragen. </cursief></al><al>3 loopafstanden rookcompartiment </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                            verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het rookcompartiment
                            mag maximaal 20 oftewel 30 meter bedragen, waarbij geen groter
                            hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4 meter (art. 2.136 lid 2, 3 en
                            4). </al><al>4 loopafstanden in verblijfsruimten </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                            dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 20 meter bedragen. Indien dit
                            leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter uit
                            elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10, 11 en 14). </al><al>5 vluchtroute door verkeersruimten </al><al>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte dient via verkeersruimten de
                            uitgang van het rookcompartiment te worden bereikt (art. 2.146 lid 12). </al><al><cursief>Uitzondering: de uitgang van een verblijfsruimte komt uit op
                                een andere verblijfsruimte </cursief></al><al><cursief>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte mag via een andere
                                verblijfsruimte (mits deze beschikt over twee uitgangen die ten
                                minste 5 meter uit elkaar liggen) de verkeersruimte worden bereikt,
                                van waaruit de uitgang van het rookcompartiment wordt bereikt.
                            </cursief></al><al>6 sluizen </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dienen de vluchttrappenhuizen te zijn voorzien van sluizen met een
                            WTRD van ten minste 30 minuten (art. 2.135 lid 2). </al><al>7 rookwerendheid scheidingsconstructies </al><al>De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van ten minste 30 minuten.
                            Deuren, ramen en luiken in deze scheidingsconstructie dienen
                            zelfsluitend te zijn (art. 2.137 en 2.138 lid 3).</al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 vluchtmogelijkheden rookcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een rookcompartiment dient in twee richtingen, die
                            elk leiden naar een onafhankelijke vluchtmogelijkheid, naar het openbare
                            terrein te kunnen worden gevlucht (art. 2.156 lid 1). </al><al><cursief>Uitzondering: rookcompartiment is geen verblijfsruimte
                            </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment met ten hoogste 250 m2
                                gebruiksoppervlakte, waarin geen verblijfsruimte ligt, mag over één
                                vluchtmogelijkheid beschikken. </cursief></al><al>2 twee uitgangen </al><al>Vanuit twee uitgangen van een rookcompartiment dient via onafhankelijke
                            vluchtmogelijkheden naar het openbare terrein te kunnen worden gevlucht. </al><al>3 één brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de afstand tussen de
                            uitgang van het rookcompartiment tot het punt waarop in twee
                            onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht, maximaal 15 meter mag
                            bedragen. Het totaal oppervlak aan rookcompartiment(en), aangewezen op
                            die ene vluchtmogelijkheid, mag maximaal 300 m2 bedragen (art. 2.156 lid
                            7 en 8). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 15 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 750 m2 bedragen. </cursief></al><al>4 veiligheidstrappenhuis </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, indien die brand- en
                            rookvrije vluchtroute is uitgevoerd als veiligheidstrappenhuis. Dit
                            veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting
                            bezitten van maximaal 3.500 MJ (art. 2.156 lid 3 en 2.170 lid 1). </al><al>5 status trappenhuis </al><al>De vluchttrappenhuizen welke een hoogte overbruggen van meer dan 8 meter
                            dienen te zijn uitgevoerd als brand- en rookvrije vluchtroute met een
                            WBDBO van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.158). </al><al>6 onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden </al><al>De scheidingsconstructie tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden
                            dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten. Deuren in deze
                            scheidingsconstructie dienen zelfsluitend te zijn (art. 2.168 lid 1 en
                            2). </al><al>7 maximale loopafstand vluchttrappenhuis/rookcompartiment </al><al>De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang
                            tot een rookcompartiment mag maximaal 30 meter bedragen (art. 2.185 lid
                            3). </al><al>8 uitgangsbreedte gebouw/rookcompartiment/verblijfsgebied/ruimte </al><al>De uitgangsbreedte van deuren van het gebouw, rookcompartiment,
                            verblijfsgebied of verblijfsruimte dient te voldoen aan de
                            berekeningsmethode P = U x 1,35 waarbij wordt uitgegaan van een voor dat
                            pand realistische bezetting (op basis van gemeentelijk beleid, P is het
                            maximaal toelaatbare aantal personen en U is de netto breedte van de
                            aanwezige en beschikbare nooduitgang(en) in centimeter(s)). </al><al>9 draairichting deuren verblijfsgebied/verblijfsruimte </al><al>De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn (op basis van gemeentelijk beleid). </al><al>10 opvang- en doorstroomcapaciteit </al><al>Een trap waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dient een overeenkomstig ministeriële regeling
                            aangegeven opvang- en doorstroomcapaciteit te bezitten (art. 2.173). </al><al>4 Constructies </al><al>1 vluchtmogelijkheden </al><al>De vloeren en trappen waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dienen een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.12 lid 1). </al><al>2 hoofddraagconstructie </al><al>De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van 30 oftewel 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer
                            hoger is gelegen dan 5 oftewel 13 meter (art. 2.12 lid 3 en 4). </al><al>5 Materialen </al><al>1 stookplaats </al><al>Materialen ter plaatse of in de nabijheid van de stookplaats dienen
                            onbrandbaar te zijn. De voorziening voor de afvoer van rook dient
                            luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een
                            naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15 meter te zijn (art.
                            2.89 en 2.90). </al><al>2 brandvoortplanting ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) dient ten
                            minste te voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
                            5% van de constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en2.102). </al><al>3 brandvoortplanting brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) waarlangs
                            een brand- en rookvrije vluchtroute voert dient ten minste te voldoen
                            aan klasse 2 van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de
                            constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te
                            voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>4 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken </al><al>De vloeren en tredevlakken dienen ten minste te voldoen aan klasse T3
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art.2.101 en 2.102). </al><al>5 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken brand- en rookvrije
                            vluchtroute </al><al>De vloeren en tredevlakken waarover een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dienen ten minste te voldoen aan klasse T1 van de bijdrage tot
                            brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft niet te voldoen aan
                            deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>6 rookdichtheid ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel binnen het gebouw dient ten minste te voldoen
                            aan een rookdichtheid van 10 m-1. 5% van deze constructieonderdelen
                            hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid 1 en 2.133). </al><al>7 rookdichtheid brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel waarlangs een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dient ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 5,4 m-1. 5%
                            van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze eis (art.
                            2.131 lid 3 en 2.133). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 droge blusleiding </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 20 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat
                            de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang
                            van een rookcompartiment maximaal 70 meter is (art.2.197, 2.198 en
                            2.199). </al><al>2 brandslanghaspels </al><al>Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de
                            loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 meter is. De brandslanghaspel
                            mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan
                            30 meter en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de
                            druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m2/h (art. 2.191 lid 2, 2.192
                            lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3). </al><al>3 noodverlichting </al><al>De verblijfsgebieden groter dan 60 m2, 150 m2 en 375 m2 (bij
                            respectievelijk bezettingsklasse B1, B2 en B3), de vluchtmogelijkheden
                            en de kooi van een lift dienen te zijn voorzien van noodverlichting
                            (art. 2.59 lid 1, 3 en 4). </al><al>4 ontruimingsalarminstallatie </al><al>Indien het gebouw een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500 m2 dient
                            het gebouw te zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (op
                            basis van Bouwverordening). </al><al>5 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 20 meter en niet hoger dan 50 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt, dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een niet automatische brandmeldinstallatie (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>6 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter en niet hoger dan 70 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt, dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke bewaking (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>7 rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes </al><al>De samenvallende vluchtroutes en de hierop uitkomende ruimten dienen te
                            zijn voorzien van rookdetectie. De van rookdetectie afhankelijke ruimten
                            dienen te zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie
                            (op basis van Bouwverordening). </al><al>8 vluchtrouteaanduiding </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>7 Gebruik </al><al>1 draagbare blustoestellen (bij een gebruiksoppervlake tot 250 m2) </al><al>In het gebouw dienen één of meerdere draagbare blustoestellen te worden
                            geplaatst met een minimale inhoud van 6 kg blusmiddel. Het type
                            blusmiddel is ter beoordeling aan de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>2 minihaspels (bij een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal mini-brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat
                            de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 2,5 meter is (op basis van
                            Bouwverordening). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Winkelfunctie </label></kop><structuurtekst><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 brandscheiding met ander gebouw </al><al>De scheiding tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op het
                            zelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) dient
                            een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.113
                            lid 2). </al><al>2 brandcompartimenten binnen het gebouw/perceel </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte
                            van een brandcompartiment, en een andere besloten ruimte, dient een
                            WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.112 lid
                            1, 4, 5, 6 en 7 en 2.113 lid 1). </al><al><cursief>Onder een brandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• één of meer met elkaar in verbinding staande, afzonderlijke
                                ruimten, waardoor geen brand- en rookvrije vluchtroute voert, met
                                een maximaal gebruiksoppervlak van 2.000 m2. Bad- en toiletruimten
                                hoeven niet worden meegeteld; </cursief></al><al><cursief>• gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 2.000 m2 van
                                meerdere gebouwen op hetzelfde perceel; </cursief></al><al><cursief>• stookruimte (&gt;130 KW); </cursief></al><al><cursief>• technische ruimte &gt; 100 m2; </cursief></al><al><cursief>• een besloten ruimte bestemd voor de opslag van brandbare,
                                brandbevorderende, brandgevaarlijke stoffen. </cursief></al><al>3 brandscheiding met veiligheidstrappenhuis </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een
                            veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30
                            minuten (op basis van art. 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7en 2.113 lid 1). </al><al>4 zelfsluitendheid </al><al>Deuren in scheidingsconstructies met een WBDBO dienen zelfsluitend te
                            zijn. Te openen ramen mogen niet aanwezig zijn (art. 2.114). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 rookcompartiment </al><al>Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer
                            rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1). </al><al>2 uitgangen rookcompartiment </al><al>Een rookcompartiment dient over ten minste twee uitgangen te beschikken
                            (art. 2.156 lid 2, 3,6, 7 en 8). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B2) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 300 m2
                                bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 750 m2
                                bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 1.800 m2
                                bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B5) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 4.500 m2
                                bedragen. </cursief></al><al>3 loopafstanden rookcompartiment </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                            verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het rookcompartiment
                            mag maximaal 20 oftewel 30 meter bedragen, waarbij geen groter
                            hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4 meter (art. 2.13 lid 2, 3 en
                            4). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4) </cursief></al><al><cursief>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                                verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het
                                rookcompartiment mag maximaal 30 oftewel 45 meter bedragen, waarbij
                                geen groter hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4 meter.
                            </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B5) </cursief></al><al><cursief>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                                verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het
                                rookcompartiment mag maximaal 45 oftewel 60 meter bedragen, waarbij
                                geen groter hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4 meter.
                            </cursief></al><al>4 loopafstanden in verblijfsruimten </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                            dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 20 meter bedragen. Indien dit
                            leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter uit
                            elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10, 11 en 14). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4) </cursief></al><al><cursief>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                                dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 30 meter bedragen. Indien dit
                                leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter
                                uit elkaar te liggen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B5) </cursief></al><al><cursief>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                                dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 40 meter bedragen. Indien dit
                                leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter
                                uit elkaar te liggen. </cursief></al><al>5 vluchtroute door verkeersruimten </al><al>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte dient via verkeersruimten de
                            uitgang van het rookcompartiment te worden bereikt (art. 2.146 lid 12 en
                            14). </al><al><cursief>Uitzondering: de uitgang van een verblijfsruimte komt uit op
                                een andere verblijfsruimte </cursief></al><al><cursief>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte mag via een andere
                                verblijfsruimte (mits deze beschikt over twee uitgangen die ten
                                minste 5 meter uit elkaar liggen) de verkeersruimte worden bereikt,
                                van waaruit de uitgang van het rookcompartiment wordt bereikt.
                            </cursief></al><al>6 sluizen </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dienen de vluchttrappenhuizen te zijn voorzien van sluizen met een
                            WTRD van ten minste 30 minuten (art. 2.135 lid 2). </al><al>7 rookwerendheid scheidingsconstructies </al><al>De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van ten minste 30 minuten.
                            Deuren, ramen en luiken in deze scheidingsconstructie dienen
                            zelfsluitend te zijn (art. 2.137 en 2.138 lid 3). </al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 vluchtmogelijkheden rookcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een rookcompartiment dient in twee richtingen, die
                            elk leiden naar een onafhankelijke vluchtmogelijkheid, naar het openbare
                            terrein te kunnen worden gevlucht (art. 2.156 lid 1). </al><al><cursief>Uitzondering: rookcompartiment is geen verblijfsruimte
                            </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment met ten hoogste 250 m2
                                gebruiksoppervlakte, waarin geen verblijfsruimte ligt, mag over één
                                vluchtmogelijkheid beschikken. </cursief></al><al>2 één vluchtmogelijkheid </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar het
                            openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                            rookcompartimenten, aangewezen op die ene vluchtmogelijkheid, mag
                            maximaal 75 m2 bedragen (art. 2.156 lid 6). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar
                                het openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 188 m2 bedragen.</cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar
                                het openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 450 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B5) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar
                                het openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 1.125 m2 bedragen.</cursief></al><al>3 twee uitgangen </al><al>Vanuit twee uitgangen van een rookcompartiment dient via onafhankelijke
                            vluchtmogelijkheden naar het openbare terrein te kunnen worden gevlucht. </al><al>4 één brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de afstand tussen de
                            uitgang van het rookcompartiment tot het punt waarop in twee
                            onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht, maximaal 30 meter mag
                            bedragen. Het totaal oppervlak aan rookcompartimenten, aangewezen op die
                            ene branden rookvrije vluchtroute, mag maximaal 300 m2 bedragen (art.
                            2.156 lid 7 en 8). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 30 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die ene brand- en rookvrije
                                vluchtroute, mag maximaal 750 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 30 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die ene brand- en rookvrije
                                vluchtroute, mag maximaal 1.800 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B5) </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 30 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die ene brand- en rookvrije
                                vluchtroute, mag maximaal 4.500 m2 bedragen. </cursief></al><al>5 veiligheidstrappenhuis </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, indien die brand- en
                            rookvrije vluchtroute is uitgevoerd als veiligheidstrappenhuis. Dit
                            veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting
                            bezitten van maximaal 3.500 MJ (art. 2.156 lid 3 en 2.170 lid 1). </al><al>6 status trappenhuis </al><al>De vluchttrappenhuizen welke een hoogte overbruggen </al><al>van meer dan 8 meter dienen te zijn uitgevoerd als brand- en rookvrije
                            vluchtroute met een WBDBO van ten minste 30 minuten (op basis van art.
                            2.158). </al><al>7 onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden </al><al>De scheidingsconstructie tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden
                            dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten. Deuren in deze
                            scheidingsconstructie dienen zelfsluitend te zijn (art. 2.168 lid 1 en
                            2). </al><al>8 maximale loopafstand vluchttrappenhuis/rookcompartiment </al><al>De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang
                            tot een rookcompartiment mag maximaal 30 meter bedragen (art. 2.185 lid
                            3). </al><al>9 uitgangsbreedte gebouw/rookcompartiment/verblijfsgebied/ruimte </al><al>De uitgangsbreedte van deuren van het gebouw, rookcompartiment,
                            verblijfsgebied of verblijfsruimte dient te voldoen aan de
                            berekeningsmethode P = U x 1,35 waarbij wordt uitgegaan van een voor dat
                            pand realistische bezetting (op basis van gemeentelijk beleid, P is het
                            maximaal toelaatbare aantal personen en U is de netto breedte van de
                            aanwezige en beschikbare nooduitgang(en) in centimeter(s)). </al><al>10 draairichting deuren verblijfsgebied/verblijfsruimte </al><al>De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn (op basis van gemeentelijk beleid). </al><al>11 opvang- en doorstroomcapaciteit </al><al>Een trap waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dient een overeenkomstig ministeriële regeling
                            aangegeven opvang- en doorstroomcapaciteit te bezitten (art. 2.173). </al><al>4 Constructies </al><al>1 vluchtmogelijkheden </al><al>De vloeren en trappen waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dienen een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.12 lid 1). </al><al>2 hoofddraagconstructie </al><al>De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van 30 oftewel 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer
                            hoger is gelegen dan 5 oftewel 13 meter (art.2.12 lid 3 en 4). </al><al>5 Materialen </al><al>1 stookplaats </al><al>Materialen ter plaatse of in de nabijheid van de stookplaats dienen
                            onbrandbaar te zijn. De voorziening voor de afvoer van rook dient
                            luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een
                            naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15 meter te zijn </al><al>(art. 2.89 en 2.90). </al><al>2 brandvoortplanting ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) dient ten
                            minste te voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
                            5% van de constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>3 brandvoortplanting brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) waarlangs
                            een brand- en rookvrije vluchtroute voert dient ten minste te voldoen
                            aan klasse 2 van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de
                            constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te
                            voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>4 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken </al><al>De vloeren en tredevlakken dienen ten minste te voldoen aan klasse T3
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>5 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken brand- en rookvrije
                            vluchtroute </al><al>De vloeren en tredevlakken waarover een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dienen ten minste te voldoen aan klasse T1 van de bijdrage tot
                            brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft niet te voldoen aan
                            deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>6 rookdichtheid ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel binnen het gebouw dient ten minste te voldoen
                            aan een rookdichtheid van 10 m-1. 5% van deze constructieonderdelen
                            hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid 1 en 2.133). </al><al>7 rookdichtheid brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel waarlangs een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dient ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 5,4 m-1. 5%
                            van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze eis (art.
                            2.131 lid 3 en 2.133). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 droge blusleiding </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 20 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat
                            de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang
                            van een rookcompartiment maximaal 70 meter is (art. 2.197, 2.198 en
                            2.199). </al><al>2 brandslanghaspel (bij een gebruiksoppervlakte van meer 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de
                            loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 meter is. De brandslanghaspel
                            mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan
                            30 meter en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de
                            druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m2/h (art. 2.191 lid 2, 2.192
                            lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3). </al><al>3 noodverlichting </al><al>De verblijfsgebieden groter dan 60 m2, 150 m2, 375 m2 en 900 m2 , bij
                            respectievelijk B1, B2, B3 en B4/B5, de vluchtmogelijkheden en de kooi
                            van een lift dienen te zijn voorzien van noodverlichting (art. 2.59 lid
                            1, 3 en 4). </al><al>4 ontruimingsalarminstallatie </al><al>Indien het gebouw een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 1.000 m2 of
                            uit meer dan 1 bouwlaag </al><al>bestaat, dient het gebouw te zijn voorzien van een
                            ontruimingsalarminstallatie (op basis van Bouwverordening). </al><al>5 brandmeldinstallatie </al><al>Een winkelfunctie van meer dan 5.000 m2 dient het gebouw te zijn
                            voorzien van een niet automatische brandmeldinstallatie (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>6 brandmeldinstallatie </al><al>Een winkelfunctie van meer dan 10.000 m2 dient te zijn voorzien van een
                            brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke bewaking met een
                            rechtstreekse doormelding naar de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>7 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 13 meter, maar lager dan 50 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt en de gebruiksoppervlakte groter is
                            dan 1.000 m2 dient het gebouw te zijn voorzien van een niet automatische
                            brandmeldinstallatie (op basis van Bouwverordening). </al><al>8 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 13 meter, maar lager dan 50 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt en de gebruiksoppervlakte groter is
                            dan 5.000 m2, dient het gebouw te zijn voorzien van een
                            brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke bewaking en rechtstreekse
                            doormelding naar de brandweer (op basis van Bouwverordening). </al><al>9 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 13 meter, maar lager dan 50 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt en de gebruiksoppervlakte groter is
                            dan 10.000 m2, dient het gebouw te zijn voorzien van een
                            brandmeldinstallatie met een volledige bewaking en rechtstreekse
                            doormelding naar de brandweer (op basis van Bouwverordening). </al><al>10 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter, maar lager dan 70 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt, dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een brandmeldinstallatie met een volledige bewaking (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>11 rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes </al><al>De samenvallende vluchtroutes en de hierop uitkomende ruimten dienen te
                            zijn voorzien van rookdetectie. De van rookdetectie afhankelijke ruimten
                            dienen te zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie
                            (op basis van Bouwverordening). </al><al>12 vluchtrouteaanduiding </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding </al><al>(op basis van Bouwverordening). </al><al>7 Gebruik </al><al>1 draagbare blustoestellen (bij een gebruiksoppervlakte tot 250 m2) </al><al>In het gebouw dienen één of meerdere draagbare blustoestellen te worden
                            geplaatst met een minimale inhoud van 6 kg blusmiddel. Het type
                            blusmiddel is ter beoordeling aan de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>2 minihaspels (bij een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal mini-brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat
                            de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 2,5 meter is (op basis van
                            Bouwverordening). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Sportfunctie </label></kop><structuurtekst><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 brandscheiding met ander gebouw </al><al>De scheiding tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op het
                            zelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) dient
                            een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.113
                            lid 2). </al><al>2 brandcompartimenten binnen het gebouw/perceel </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte
                            van een brandcompartiment, en een andere besloten ruimte, dient een
                            WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.112 lid
                            1, 4, 5, 6 en 7 en 2.113 lid 1). </al><al><cursief>Onder een brandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• één of meer met elkaar in verbinding staande, afzonderlijke
                                ruimten, waardoor geen brand- en rookvrije vluchtroute voert, met
                                een maximaal gebruiksoppervlak van 3.000 m2. Bad- en toiletruimten
                                hoeven niet worden meegeteld; </cursief></al><al><cursief>• gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 3.000 m2 van
                                meerdere gebouwen op hetzelfde perceel; </cursief></al><al><cursief>• stookruimte (&gt;130 KW); </cursief></al><al><cursief>• technische ruimte &gt; 100 m2; </cursief></al><al><cursief>• een besloten ruimte bestemd voor de opslag van brandbare,
                                brandbevorderende, brandgevaarlijke stoffen. </cursief></al><al>3 brandscheiding met veiligheidstrappenhuis </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een
                            veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30
                            minuten (op basis van art. 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7 en 2.113 lid 1). </al><al>4 zelfsluitendheid </al><al>Deuren in scheidingsconstructies met een WBDBO dienen zelfsluitend te
                            zijn. Te openen ramen mogen niet aanwezig zijn (art. 2.114). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 rookcompartiment </al><al>Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer
                            rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1). </al><al>2 uitgangen rookcompartiment </al><al>Een rookcompartiment dient over ten minste twee uitgangen te beschikken
                            (art. 2.156 lid 2, 3,6, 7 en 8). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse(B2) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 300 m2
                                bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 750 m2
                                bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4 en B5) </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben waarbij de uitgang
                                van een verblijfsruimte tot de uitgang van het rookcompartiment
                                maximaal 20 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartiment aangewezen op die éne uitgang mag maximaal 1.800 m2
                                bedragen. </cursief></al><al>3 loopafstanden rookcompartiment </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                            verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het rookcompartiment
                            mag maximaal 20 oftewel 30 meter bedragen, waarbij geen groter
                            hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4 meter (art. 2.136 lid 2, 3 en
                            4). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4 – geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                                verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het
                                rookcompartiment mag maximaal 30 oftewel 45 meter bedragen, waarbij
                                geen groter hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4 meter.
                            </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B5 – geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied oftewel
                                verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang van het
                                rookcompartiment mag maximaal 45 oftewel 60 meter bedragen, waarbij
                                geen groter hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4 meter.
                            </cursief></al><al>4 loopafstanden in verblijfsruimten </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                            dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 20 meter bedragen. Indien dit
                            leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter uit
                            elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10, 11 en 14). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4 – geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                                dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 30 meter bedragen. Indien dit
                                leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter
                                uit elkaar te liggen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B5 – geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de
                                dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 40 meter bedragen. Indien dit
                                leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5 meter
                                uit elkaar te liggen. </cursief></al><al>5 vluchtroute door verkeersruimten </al><al>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte dient via verkeersruimten de
                            uitgang van het rookcompartiment te worden bereikt (art. 2.146 lid 12 en
                            14). </al><al><cursief>Uitzondering: de uitgang van een verblijfsruimte komt uit op
                                een andere verblijfsruimte </cursief></al><al><cursief>Vanaf de uitgang van een verblijfsruimte mag via een andere
                                verblijfsruimte (mits deze beschikt over twee uitgangen die ten
                                minste 5 meter uit elkaar liggen) de verkeersruimte worden bereikt,
                                van waaruit de uitgang van het rookcompartiment wordt bereikt.
                            </cursief></al><al>6 sluizen </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dienen de vluchttrappenhuizen te zijn voorzien van sluizen met een
                            WTRD van ten minste 30 minuten (art. 2.135 lid 2). </al><al>7 rookwerendheid scheidingsconstructies De scheidingsconstructie tussen
                            een rookcompartiment </al><al>en een andere besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van ten minste
                            30 minuten. Deuren, ramen en luiken in deze scheidingsconstructie dienen
                            zelfsluitend te zijn (art. 2.137 en 2.138 lid 3). </al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 vluchtmogelijkheden rookcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een rookcompartiment dient in twee richtingen, die
                            elk leiden naar een onafhankelijke vluchtmogelijkheid, naar het openbare
                            terrein te kunnen worden gevlucht (art. 2.156 lid 1). </al><al><cursief>Uitzondering: rookcompartiment is geen verblijfsruimte
                            </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment met ten hoogste 250 m2
                                gebruiksoppervlakte, waarin geen verblijfsruimte ligt, mag over één
                                vluchtmogelijkheid beschikken. </cursief></al><al>2 één vluchtmogelijkheid </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar het
                            openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                            rookcompartimenten, aangewezen op die ene vluchtmogelijkheid, mag
                            maximaal 75 m2 bedragen (art. 2.156 lid 6). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3 – geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar
                                het openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 188 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4 – geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar
                                het openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 450 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B5 – geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één vluchtmogelijkheid naar
                                het openbare terrein worden gevlucht. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die éne vluchtmogelijkheid, mag
                                maximaal 1.125 m2 bedragen. </cursief></al><al>3 twee uitgangen </al><al>Vanuit twee uitgangen van een rookcompartiment dient via onafhankelijke
                            vluchtmogelijkheden naar het openbare terrein te kunnen worden gevlucht. </al><al>4 één brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de afstand tussen de
                            uitgang van het rookcompartiment tot het punt waarop in twee
                            onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht, maximaal 30 meter mag
                            bedragen. Het totaal oppervlak aan rookcompartimenten, aangewezen op die
                            ene brand- en rookvrije vluchtroute, mag maximaal 300 m2 bedragen (art.
                            2.156 lid 7 en 8). </al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B3 – geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 30 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die ene brand- en rookvrije
                                vluchtroute, mag maximaal 750 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B4 – geen bezoekers)
                            </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 30 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die ene brand- en rookvrije
                                vluchtroute, mag maximaal 1.800 m2 bedragen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering: bezettingsklasse (B5 – geen bezoekers))
                            </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije
                                vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, waarbij de
                                afstand tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt
                                waarop in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht,
                                maximaal 30 meter mag bedragen. Het totaal oppervlak aan
                                rookcompartimenten, aangewezen op die ene brand- en rookvrije
                                vluchtroute, mag maximaal 4.500 m2 bedragen. </cursief></al><al>5 veiligheidstrappenhuis </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, indien die brand- en
                            rookvrije vluchtroute is uitgevoerd als veiligheidstrappenhuis. Dit
                            veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting
                            bezitten van maximaal 3.500 MJ (art. 2.156 lid 3 en 2.170 lid 1). </al><al>6 status trappenhuis </al><al>De vluchttrappenhuizen welke een hoogte overbruggen van meer dan 8 meter
                            dienen te zijn uitgevoerd als brand- en rookvrije vluchtroute met een
                            WBDBO van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.158). </al><al>7 onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden </al><al>De scheidingsconstructie tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden
                            dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten. Deuren in deze
                            scheidingsconstructie dienen zelfsluitend te zijn (art. 2.168 lid 1 en
                            2). </al><al>8 maximale loopafstand vluchttrappenhuis/rookcompartiment </al><al>De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang
                            tot een rookcompartiment mag maximaal 30 meter bedragen (art. 2.185 lid
                            3). </al><al>9 uitgangsbreedte gebouw/rookcompartiment/verblijfsgebied/ruimte </al><al>De uitgangsbreedte van deuren van het gebouw, rookcompartiment,
                            verblijfsgebied of verblijfsruimte dient te voldoen aan de
                            berekeningsmethode P = U x 1,35 waarbij wordt uitgegaan van een voor dat
                            pand realistische bezetting (op basis van gemeentelijk beleid, P is het
                            maximaal toelaatbare aantal personen en U is de netto breedte van de
                            aanwezige en beschikbare nooduitgang(en) in centimeter(s)). </al><al>10 draairichting deuren verblijfsgebied/verblijfsruimte </al><al>De draairichting van deuren dient, voor zover deze deuren zijn
                            meegerekend bij het bepalen van de uitgangsbreedte, niet tegen de
                            vluchtrichting in te zijn (op basis van gemeentelijk beleid). </al><al>11 opvang- en doorstroomcapaciteit </al><al>Een trap waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dient een overeenkomstig ministeriële regeling
                            aangegeven opvang- en doorstroomcapaciteit te bezitten (art. 2.173). </al><al>4 Constructies </al><al>1 vluchtmogelijkheden </al><al>De vloeren en trappen waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dienen een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.12 lid 1). </al><al>2 hoofddraagconstructie </al><al>De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van 30 oftewel 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer
                            hoger is gelegen dan 5 oftewel 13 meter (art. 2.12 lid 3 en 4). </al><al>5 Materialen </al><al>1 stookplaats </al><al>Materialen ter plaatse of in de nabijheid van de stookplaats dienen
                            onbrandbaar te zijn. De voorziening voor de afvoer van rook dient
                            luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een
                            naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15 meter te zijn (art.
                            2.89 en 2.90). </al><al>2 brandvoortplanting ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) dient ten
                            minste te voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
                            5% van de constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>3 brandvoortplanting brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) waarlangs
                            een brand- en rookvrije vluchtroute voert dient ten minste te voldoen
                            aan klasse 2 van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de
                            constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te
                            voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>4 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken </al><al>De vloeren en tredevlakken dienen ten minste te voldoen aan klasse T3
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>5 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken brand- en rookvrije
                            vluchtroute </al><al>De vloeren en tredevlakken waarover een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dienen ten minste te voldoen aan klasse T1 van de bijdrage tot
                            brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft niet te voldoen aan
                            deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>6 rookdichtheid ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel binnen het gebouw dient ten minste te voldoen
                            aan een rookdichtheid van 10 m-1. 5% van deze constructieonderdelen
                            hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid 1 en 2.133). </al><al>7 rookdichtheid brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Ieder constructieonderdeel waarlangs een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dient ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 5,4 m-1. 5%
                            van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze eis (art.
                            2.131 lid 3 en 2.133). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 droge blusleiding </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 20 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat
                            de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang
                            van een rookcompartiment maximaal 70 meter is (art.2.197, 2.198 en
                            2.199). </al><al>2 brandslanghaspels (bij een gebruiksoppervlakte van meer 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de
                            loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 meter is. De brandslanghaspel
                            mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan
                            30 meter en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de
                            druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m2/h (art. 2.191 lid 2, 2.192
                            lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3). </al><al>3 noodverlichting </al><al>De verblijfsgebieden groter dan 60 m2, 150 m2, 375 m2 en 900 m2, bij
                            respectievelijk bezettingsklassen B1, B2, B3 en B4/B5, de
                            vluchtmogelijkheden en de kooi van een lift dienen te zijn voorzien van
                            noodverlichting (art. 2.59 lid 1, 3 en 4). </al><al>4 ontruimingsalarminstallatie </al><al>Indien het gebouw een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 1.000 m2
                            dient het gebouw te zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie
                            (op basis van Bouwverordening). </al><al>5 brandmeldinstallatie &gt; 5 &lt; 13 meter </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 5 m en niet hoger dan 13 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt, dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een niet automatische brandmeldinstallatie (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>6 brandmeldinstallatie &gt; 13 &lt; 50 meter </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 13 meter en niet hoger dan 50 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt, dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke bewaking (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>7 brandmeldinstallatie &gt; 50 meter </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter en niet hoger dan 70 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt, dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een brandmeldinstallatie met een volledige bewaking (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>8 rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes </al><al>De samenvallende vluchtroutes en de hierop uitkomende ruimten dienen te
                            zijn voorzien van rookdetectie. </al><al>De van rookdetectie afhankelijke ruimten dienen te zijn voorzien van een
                            automatische ontruimingsalarminstallatie (op basis van Bouwverordening). </al><al>9 vluchtrouteaanduiding </al><al>Het gebouw dient in de toegankelijkheidsector te zijn voorzien van
                            vluchtrouteaanduiding (op basis van Bouwverordening). </al><al>7 Gebruik </al><al>1 draagbare blustoestellen (bij een gebruiksoppervlakte tot 250 m2) </al><al>In het gebouw dienen één of meerdere draagbare blustoestellen te worden
                            geplaatst met een minimale inhoud van 6 kg blusmiddel. Het type
                            blusmiddel is ter beoordeling aan de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>2 minihaspels (bij een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal mini-brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat
                            de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 2,5 meter is (op basis van
                            Bouwverordening). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Woonfunctie kamerverhuur </label></kop><structuurtekst><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 brandscheiding met ander gebouw </al><al>De scheiding tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op het
                            zelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) dient
                            een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.113
                            lid 2). </al><al>2 maximale grote brandcompartiment. </al><al>De grootte van een brandcompartiment mag maximaal 500 m2 bedragen. Een
                            brandcompartiment groter dan 500 m2 wordt beoordeeld als een megawoning. </al><al>3 subbrandcompartimenten </al><al>De scheidingsconstructie tussen een subbrandcompartiment een andere
                            besloten ruimte dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten
                            (art. 2.117 lid 1 en 4 en 2.118 lid 1, 2, 3 en 4). </al><al><cursief>Onder subbrandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• keuken; </cursief></al><al><cursief>• gemeenschappelijk verblijfsruimte; </cursief></al><al><cursief>• een verblijfsruimte waarvan de hoogste vloer maximaal 6 meter
                                ligt vanaf de toegang van het brandcompartiment, bestemd als
                                woonruimte voor kamerbewoning. </cursief></al><al>4 brandscheiding met brand- en rookvrije vluchtroute en
                            veiligheidstrappenhuis </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een brand- en
                            rookvrije vluchtroute respectievelijk veiligheidstrappenhuis dient een
                            WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.112 lid
                            1, 4, 5, 6 en 7 en 2.113 lid 1). </al><al>5 zelfsluitendheid </al><al>Deuren in scheidingsconstructies met een WBDBO dienen zelfsluitend te
                            zijn. Te openen ramen mogen niet aanwezig zijn (art. 2.114). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 rookcompartiment </al><al>Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer
                            rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1). </al><al>2 loopafstanden rookcompartiment </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een gemeenschappelijk verblijfsgebied
                            c.q. verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang mag 15 meter
                            bedragen (art. 2.146 lid 6 en 7). </al><al>3 rookwerendheid scheidingsconstructies </al><al>De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van ten minste 30 minuten.
                            Deuren, ramen en luiken in deze scheidingsconstructie dienen
                            zelfsluitend te zijn (art. 2.137 en 2.138 lid 1). </al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 vluchtmogelijkheden subcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een subcompartiment gelegen op bouwlaag hoger dan 6
                            meter boven de toegang van dat brandcompartiment dienen twee
                            onafhankelijke vluchtroutes (brand- en rookvrije) aanwezig te zijn zodat
                            naar het openbare terrein kan worden gevlucht. Indien dit wordt
                            uitgevoerd als een buitentrap dient deze in een vaste uitvoering van
                            minimaal 60 cm breed te zijn en mag deze niet worden uitgevoerd als een
                            kooitrap of andere losse constructies. </al><al>2 één veiligheidstrappenhuis </al><al>Vanuit een rookcompartiment &gt; 250 m2 mag via één brand- en rookvrije
                            vluchtroute naar het openbare terrein worden gevlucht, indien die brand-
                            en rookvrije vluchtroute is uitgevoerd als veiligheidstrappenhuis. Dit
                            veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting
                            bezitten van maximaal 3.500 MJ (art. 2.156 lid 3 en 2.170 lid 1). </al><al>3 onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden </al><al>De scheidingsconstructie tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden
                            dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten. Deuren in deze
                            scheidingsconstructie dienen zelfsluitend te zijn (art. 2.168 lid 1 en
                            2). </al><al>4 draairichting deuren vluchtmogelijkheid </al><al>Deuren die op een vluchttrappenhuis uitkomen mogen niet tegen de
                            vluchtrichting in draaien (art. 2.171 lid 1). </al><al>4 Constructies </al><al>1 vluchtmogelijkheden </al><al>De vloeren en trappen waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dienen een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.12 lid 1). </al><al>2 hoofddraagconstructie </al><al>De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van 30 oftewel 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer
                            hoger is gelegen dan 5 oftewel 13 meter (art. 2.12 lid 3 en 4). </al><al>5 Materialen </al><al>1 brandvoortplanting ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) dient ten
                            minste te voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
                            5% van de constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeven
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>2 brandvoortplanting vluchtmogelijkheid </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) waarlangs
                            één vluchtmogelijkheid voert dient ten minste te voldoen aan klasse 2
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de constructieonderdelen
                            (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te voldoen aan deze eis
                            (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>3 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken </al><al>De vloeren en tredevlakken dienen ten minste te voldoen aan klasse T3
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art.2.101 en 2.102). </al><al>4 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken brand- en rookvrije
                            vluchtroute </al><al>De vloeren en tredevlakken waarover een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dienen ten minste te voldoen aan klasse T1 van de bijdrage tot
                            brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft niet te voldoen aan
                            deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>5 rookdichtheid ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel binnen het gebouw dient ten minste te voldoen
                            aan een rookdichtheid van 10 m-1. 5% van deze constructieonderdelen
                            hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid 1 en 2.133). </al><al>6 rookdichtheid vluchtmogelijkheid </al><al>Ieder constructieonderdeel waarlangs één vluchtmogelijkheid voert dient
                            ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 5,4 m-1. 5% van deze
                            constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid
                            2 en 2.133). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 brandmeldinstallatie </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van een rookdetectie conform de NEN
                            2555. De vluchtroutes, alsmede de aangrenzende verblijfsruimten, bestemd
                            als woonruimte voor kamerbewoning en gemeenschappelijke ruimte, dienen
                            brandmelders te worden aangebracht. Het type brandmelder dient door de
                            brandweer goedgekeurd te worden. </al><al>7 Gebruik </al><al>1 blusmiddelen </al><al>Op elke bouwlaag dient minimaal een draagbaar blustoestel te worden
                            geplaatst met een minimale </al><al>inhoud van 6 kg blusmiddel. Het type blusmiddel is ter beoordeling aan
                            de brandweer. Indien de gebruiksoppervlakte van de het pand &gt; 250 m2
                            is, dient minimaal een mini-haspel aanwezig te zijn, zodanig dat het
                            gehele pand kan worden bestreden. Bij een gebruiksoppervlakte van meer
                            dan 500 m2 dient een slanghaspel te worden aangebracht, zodanig dat het
                            gehele pand kan worden bestreden. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Woonfunctie bejaardentehuizen </label></kop><structuurtekst><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 brandscheiding met ander gebouw </al><al>De scheiding tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op het
                            zelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) dient
                            een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.113
                            lid 2). </al><al>2 brandcompartimenten binnen het gebouw/perceel </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte
                            van een brandcompartiment, en een andere besloten ruimte, dient een
                            WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.111 lid
                            1, 2 en 3 en 2.112 lid 1 t/m 6). </al><al><cursief>Onder een brandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• één of meer met elkaar in verbinding staande, afzonderlijke
                                ruimten, waardoor geen brand- en rookvrije vluchtroute voert, met
                                een maximaal gebruiksoppervlak van 2.000 m2. Bad- en toiletruimten
                                hoeven niet worden meegeteld; </cursief></al><al><cursief>• gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 2.000 m2 van
                                meerdere gebouwen op hetzelfde perceel; </cursief></al><al><cursief>• stookruimte (&gt;130 KW); </cursief></al><al><cursief>• technische ruimte &gt; 100 m2; </cursief></al><al><cursief>• een besloten ruimte bestemd voor de opslag van brandbare,
                                brandbevorderende, brandgevaarlijke stoffen. </cursief></al><al>3 subbrandcompartimenten </al><al>De scheidingsconstructie tussen een subbrandcompartiment mede bestemd
                            voor bedgebonden personen en een andere besloten ruimte dient een WBDBO
                            te bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.117 lid 1, 4,6 en 2.118
                            lid 1, 2, 3 en 4). </al><al><cursief>Onder subbrandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• één of meer met elkaar in verbinding staande ruimten met een
                                totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 40 m2; </cursief></al><al><cursief>• een verblijfsruimte, indien de vloeroppervlakte van die
                                verblijfsruimte groter is dan 40 m2. </cursief></al><al><cursief>• brandscheiding met brand- en rookvrije vluchtroute en
                                veiligheidstrappenhuis </cursief></al><al><cursief>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een
                                brand- en rookvrije vluchtroute respectievelijk
                                veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30
                                minuten (op basis van art. 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7 en 2.113 lid
                                1). </cursief></al><al>4 zelfsluitendheid </al><al>Deuren in scheidingsconstructies met een WBDBO dienen zelfsluitend te
                            zijn. Te openen ramen mogen niet aanwezig zijn (art. 2.107). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 rookcompartiment </al><al>Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer
                            rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1). </al><al>2 uitgangen rookcompartiment en subbrandcompartiment </al><al>Een rookcompartiment dient over ten minste twee uitgangen te beschikken
                            (art. 2.147 lid 2 en 2.148 lid 2). </al><al><cursief>Uitzondering: </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben indien het totaal
                                gebruiksoppervlak maximaal 500 m2 bedraagt. </cursief></al><al>3 loopafstanden rookcompartiment </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een gemeenschappelijk verblijfsgebied
                            c.q. verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 20
                            oftewel 30 meter bedragen. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen,
                            dienen deze uitgangen minimaal 5 meter uit elkaar te liggen (art. 2.146
                            lid 1, 2 en 14). </al><al>4 sluizen </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dienen de vluchttrappenhuizen te zijn voorzien van sluizen met een
                            WTRD van ten minste 30 minuten (art. 2.135 lid 2). </al><al>5 rookwerendheid scheidingsconstructies </al><al>De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van ten minste 30 minuten.
                            Deuren, ramen en luiken in deze scheidingsconstructie dienen
                            zelfsluitend te zijn (art. 2.137 en 2.138 lid 1). </al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 vluchtmogelijkheden rookcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een rookcompartiment dient in twee onafhankelijke
                            richtingen (brand- en rookvrije vluchtroute), naar het openbare terrein
                            te kunnen worden gevlucht (art. 2.156 lid 1). </al><al><cursief>Uitzondering: rookcompartiment heeft geen verblijfsruimte
                            </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment met ten hoogste 250 m2
                                gebruiksoppervlakte, waarin geen verblijfsruimte ligt, mag over één
                                brand- en rookvrije vluchtroute beschikken. </cursief></al><al>2 twee uitgangen </al><al>Vanuit twee uitgangen van een rookcompartiment dient via onafhankelijke
                            brand- en rookvrije vluchtroute naar het openbare terrein te kunnen
                            worden gevlucht (art. 2.156 lid 1, 3 en 5). </al><al><cursief>Uitzondering: </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment (technische ruimte) mag via één
                                brand- en rookvrije vluchtroute worden gevlucht, waarbij de afstand
                                tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt waarop in
                                twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht, maximaal 8 meter
                                bedraagt. </cursief></al><al>3 vluchtmogelijkheden subbrandcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment dient in twee
                            onafhankelijke richtingen (vluchtmogelijkheden) naar het openbare
                            terrein te kunnen worden gevlucht (art. 2.157 lid 1, 2 3 en 4). </al><al><cursief>Uitzondering a: </cursief></al><al><cursief>Vanuit twee uitgangen van een subbrandcompartiment dient via
                                onafhankelijke vluchtmogelijkheden naar het openbare terrein te
                                kunnen worden gevlucht. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering b: </cursief></al><al><cursief>De enige vluchtmogelijkheid (doodlopend eind) mag niet langs
                                een ander subbrandcompartiment voeren. Subbrandcompartimenten mogen
                                niet rechtstreeks op een vluchttrappenhuis uitkomen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering c: </cursief></al><al><cursief>Op de enige vluchtmogelijkheid (doodlopend eind) mogen slechts
                                twee subbrandcompartimenten uitkomen, waarvan de uitgangen recht
                                tegenover elkaar liggen. De vluchtmogelijkheid mag niet langs
                                beweegbare ramen of luiken voeren. Subbrandcompartimenten mogen niet
                                rechtstreeks op een vluchttrappenhuis uitkomen. </cursief></al><al>4 één brand- en rookvrije vluchtroute </al><al>Indien de hoogste verblijfsvloer gelijk of lager ligt dan 6 meter,
                            waarbij niet meer dan 6 woningen aangewezen zijn op de enige
                            vluchtmogelijkheid, dient deze vluchtmogelijkheid te worden uitgevoerd
                            als vluchttrappenhuis (art. 2.157 lid 3 en 5). </al><al><cursief>Uitzondering: </cursief></al><al><cursief>Indien de hoogste verblijfsvloer gelijk of lager ligt dan 12,5
                                meter, waarbij het gebruiksoppervlak van een woning maximaal 150 m2
                                en het totaal gebruiksoppervlak aan woningen maximaal 800 m2
                                bedraagt, dient de enige vluchtmogelijkheid te worden uitgevoerd als
                                vluchttrappenhuis. </cursief></al><al>5 één veiligheidstrappenhuis </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, indien die brand- en
                            rookvrije vluchtroute is uitgevoerd als veiligheidstrappenhuis. Dit
                            veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting
                            bezitten van maximaal 3.500 MJ (art. 2.156 lid 4 en 2.170 lid 1). </al><al>6 onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden </al><al>De scheidingsconstructie tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden
                            dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten. Deuren in deze
                            scheidingsconstructie dienen zelfsluitend te zijn (art. 2.168 lid 1 en
                            2). </al><al>7 maximale loopafstand vluchttrappenhuis/subbrandcompartiment </al><al>De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang
                            van een subbrandcompartiment mag maximaal 45 meter bedragen (art. 2.185
                            lid 1). </al><al>8 draairichting deuren vluchtmogelijkheid </al><al>Deuren die op een vluchttrappenhuis uitkomen mogen niet tegen de
                            vluchtrichting in draaien (art. 2.171 lid 1). </al><al>9 ganglengte </al><al>De loopafstand tussen twee toegangen van een besloten horizontale
                            vluchtmogelijkheid mag maximaal 30 meter bedragen (art. 2.172). </al><al>10 open haard </al><al>De afstand tussen een open haard en een trap dient minimaal 1,5 m te
                            zijn (art. 2.148 lid 1). </al><al>4 Constructies </al><al>1 vluchtmogelijkheden </al><al>De vloeren en trappen waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dienen een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.12 lid 1). </al><al>2 hoofddraagconstructie </al><al>De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van 30 oftewel 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer
                            hoger is gelegen dan 5 oftewel 13 meter (art. 2.12 lid 3 en 4). </al><al>5 Materialen </al><al>1 stookplaats </al><al>Materialen ter plaatse of in de nabijheid van de stookplaats dienen
                            onbrandbaar te zijn. De voorziening voor de afvoer van rook dient
                            luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een
                            naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15 meter te zijn (art.
                            2.89 en 2.90). </al><al>2 brandvoortplanting ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) dient ten
                            minste te voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
                            5% van de constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>3 brandvoortplanting vluchtmogelijkheid </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) waarlangs
                            één vluchtmogelijkheid voert dient ten minste te voldoen aan klasse 2
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de constructieonderdelen
                            (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te voldoen aan deze eis
                            (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>4 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken </al><al>De vloeren en tredevlakken dienen ten minste te voldoen aan klasse T3
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeven
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>5 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken brand- en rookvrije
                            vluchtroute </al><al>De vloeren en tredevlakken waarover een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dienen ten minste te voldoen aan klasse T1 van de bijdrage tot
                            brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft niet te voldoen aan
                            deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>6 rookdichtheid ieder constructieonderdeel </al><al>Ieder constructieonderdeel binnen het gebouw dient ten minste te voldoen
                            aan een rookdichtheid van 10 m-1. 5% van deze constructieonderdelen
                            hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid 1 en 2.133). </al><al>7 rookdichtheid vluchtmogelijkheid </al><al>Ieder constructieonderdeel waarlangs één vluchtmogelijkheid voert dient
                            ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 5,4 m-1. 5% van deze
                            constructieonderdelen hoeven niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131
                            lid 2 en 2.133). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 droge blusleiding </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 20 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat
                            de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang
                            van een subbrandcompartiment maximaal 50 meter is (art. 2.197, 2.198 en
                            2.199). </al><al>2 brandslanghaspels </al><al>Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de
                            loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 meter is. De brandslanghaspel
                            mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan
                            30 meter en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de
                            druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m2/h (art. 2.191 lid 2, 2.192
                            lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3). </al><al>3 noodverlichting lift </al><al>De kooi van een lift dient te zijn voorzien van noodverlichting (art.
                            2.59 lid 4). </al><al>4 ontruimingsalarminstallatie </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie
                            (op basis van Bouwverordening). </al><al>5 brandmeldinstallatie </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een
                            volledige bewaking en rechtstreekse doormelding naar de brandweer (op
                            basis van Bouwverordening). </al><al>6 vluchtrouteaanduiding </al><al>Het gebouw te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>7 Gebruik </al><al>1 draagbare blustoestellen (bij een gebruiksoppervlakte tot 250 m2) </al><al>In het gebouw dienen één of meer draagbare blustoestellen te worden
                            geplaatst met een minimale inhoud van 6 kg blusmiddel. Het type
                            blusmiddel is ter beoordeling aan de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>2 minihaspels (bij een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2) </al><al>Er dient een zodanig aantal mini-brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat
                            de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 2,5 meter is (op basis van
                            Bouwverordening). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Monumentale functie </label></kop><structuurtekst><al>Indien voor het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een
                            monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of in een provinciale of
                            gemeentelijke monumentenverordening, een vergunning ingevolge die wet of
                            verordening is verleend, is, voorzover een aan die vergunning verbonden
                            voorschrift afwijkt van een voorschrift van het Bouwbesluit 2003,
                            uitsluitend het aan die </al><al>vergunning verbonden voorschrift van toepassing. </al><al>1 Brandcompartimenten </al><al>1 brandscheiding met ander gebouw </al><al>De scheiding tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op het
                            zelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) dient
                            een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.113
                            lid 2). </al><al>2 brandcompartimenten binnen het gebouw/perceel </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte
                            van een brandcompartiment, en een andere besloten ruimte, dient een
                            WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.111 lid
                            1, 2 en 3 en 2.112 lid 1 t/m 6). </al><al><cursief>Onder een brandcompartiment wordt verstaan: </cursief></al><al><cursief>• één of meer met elkaar in verbinding staande, afzonderlijke
                                ruimten, waardoor geen brand- en rookvrije vluchtroute voert, met
                                een maximaal gebruiksoppervlak van 2.000 m2. Bad- en toiletruimten
                                hoeven niet worden meegeteld; </cursief></al><al><cursief>• gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 2.000 m2 van
                                meerdere gebouwen op hetzelfde perceel; </cursief></al><al><cursief>• stookruimte (&gt;130 KW); </cursief></al><al><cursief>• technische ruimte &gt; 100 m2; </cursief></al><al><cursief>• een besloten ruimte bestemd voor de opslag van brandbare,
                                brandbevorderende, brandgevaarlijke stoffen. </cursief></al><al>3 brandscheiding met brand- en rookvrije vluchtroute en
                            veiligheidstrappenhuis </al><al>De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een brand- en
                            rookvrije vluchtroute respectievelijk veiligheidstrappenhuis dient een
                            WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten (op basis van art. 2.112 lid
                            1, 4, 5, 6 en 7 en 2.113 lid 1). </al><al>4 zelfsluitendheid </al><al>Deuren in scheidingsconstructies met een WBDBO dienen zelfsluitend te
                            zijn. Te openen ramen mogen niet aanwezig zijn (art. 2.114). </al><al>2 Rookcompartimenten </al><al>1 rookcompartiment </al><al>Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer
                            rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1). </al><al>2 uitgangen rookcompartiment en subbrandcompartiment </al><al>Een rookcompartiment dient over ten minste twee uitgangen te beschikken
                            (art. 2.147 lid 2 en 2.148 lid 2). </al><al><cursief>Uitzondering: </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment mag één uitgang hebben indien het totaal
                                gebruiksoppervlak maximaal 500 m2 bedraagt. </cursief></al><al>3 loopafstanden rookcompartiment </al><al>De loopafstand vanaf ieder punt in een gemeenschappelijk verblijfsgebied
                            c.q. verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uitgang mag maximaal 20
                            oftewel 30 meter bedragen. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen,
                            dienen deze uitgangen minimaal 5 meter uit elkaar te liggen (art. 2.146
                            lid 1, 2 en 14). Voor kerken met een middenschip van minimaal 6 meter
                            mag de factor 1,5 worden toegepast. </al><al>4 sluizen </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter boven het openbare terrein
                            ligt, dienen de vluchttrappenhuizen te zijn voorzien van sluizen met een
                            WTRD van ten minste 30 minuten (art. 2.135 lid 2). </al><al>5 rookwerendheid scheidingsconstructies </al><al>De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere
                            besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van ten minste 30 minuten.
                            Deuren, ramen en luiken in deze scheidingsconstructie dienen
                            zelfsluitend te zijn (art. 2.137 en 2.138 lid 1). </al><al>3 Ontvluchten </al><al>1 vluchtmogelijkheden rookcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een rookcompartiment dient in twee onafhankelijke
                            richtingen (brand- en rookvrije vluchtroute), naar het openbare terrein
                            te kunnen worden gevlucht (art. 2.156 lid 1). </al><al><cursief>Uitzondering: rookcompartiment heeft geen verblijfsruimte
                            </cursief></al><al><cursief>Een rookcompartiment met ten hoogste 250 m2
                                gebruiksoppervlakte, waarin geen verblijfsruimte ligt, mag over één
                                brand- en rookvrije vluchtroute beschikken. </cursief></al><al>2 twee uitgangen </al><al>Vanuit twee uitgangen van een rookcompartiment dient via onafhankelijke
                            brand- en rookvrije vluchtroute naar het openbare terrein te kunnen
                            worden gevlucht (art. 2.156 lid 3 en 5). </al><al><cursief>Uitzondering: </cursief></al><al><cursief>Vanuit een rookcompartiment (technische ruimte) mag via één
                                brand- en rookvrije vluchtroute worden gevlucht, waarbij de afstand
                                tussen de uitgang van het rookcompartiment tot het punt waarop in
                                twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht, maximaal 8 meter
                                bedraagt. </cursief></al><al>3 vluchtmogelijkheden subbrandcompartiment </al><al>Vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment dient in twee
                            onafhankelijke richtingen (vluchtmogelijkheden) naar het openbare
                            terrein te kunnen worden gevlucht (art. 2.157 lid 1, 2 3 en 4). </al><al><cursief>Uitzondering a: </cursief></al><al><cursief>Vanuit twee uitgangen van een subbrandcompartiment dient via
                                onafhankelijke vluchtmogelijkheden naar het openbare terrein te
                                kunnen worden gevlucht. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering b: </cursief></al><al><cursief>De enige vluchtmogelijkheid (doodlopend eind) mag niet langs
                                een ander subbrandcompartiment voeren. Subbrandcompartimenten mogen
                                niet rechtstreeks op een vluchttrappenhuis uitkomen. </cursief></al><al><cursief>Uitzondering c: </cursief></al><al><cursief>Op de enige vluchtmogelijkheid (doodlopend eind) mogen slechts
                                twee subbrandcompartimenten uitkomen, waarvan de uitgangen recht
                                tegenover elkaar liggen. De vluchtmogelijkheid mag niet langs
                                beweegbare ramen of luiken voeren. Subbrandcompartimenten mogen niet
                                rechtstreeks op een vluchttrappenhuis uitkomen. </cursief></al><al>4 één veiligheidstrappenhuis </al><al>Vanuit een rookcompartiment mag via één brand- en rookvrije vluchtroute
                            naar het openbare terrein worden gevlucht, indien die brand- en
                            rookvrije vluchtroute is uitgevoerd als veiligheidstrappenhuis. Dit
                            veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting
                            bezitten van maximaal 3.500 MJ (art. 2.156 lid 4 en 2.170 lid 1). </al><al>5 onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden </al><al>De scheidingsconstructie tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden
                            dient een WBDBO te bezitten van ten minste 30 minuten. Deuren in deze
                            scheidingsconstructie dienen zelfsluitend te zijn (art. 2.168 lid 1 en
                            2). </al><al>6 maximale loopafstand vluchttrappenhuis/subbrandcompartiment </al><al>De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang
                            van een subbrandcompartiment mag maximaal 45 meter bedragen (art. 2.185
                            lid 1). </al><al>7 draairichting deuren vluchtmogelijkheid </al><al>De uitvoering en inrichting van de ontvluchtingsmogelijkheden dienen
                            (met uitzondering van de uitgangsbreedte en draairichting van de deuren)
                            te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan nieuwe
                            bijeenkomstfuncties. De uitgangsbreedte van de deuren dient te voldoen
                            aan de berekeningsmethode P = U x 0,9 waarbij wordt uitgegaan van een
                            voor dat pand realistische bezetting. Voor deze berekening worden de
                            bezettingsgraden toegepast. Voor kerken met een hoogte van het
                            middenschip van minimaal 6 meter mag de factor 1,5 worden toegepast op
                            het aantal toe te laten personen. Artikel 2.151 lid 4 Bouwbesluit 2003
                            geeft eisen ten aanzien van draairichtingen </al><al>van deuren. De op de toegang aangewezen vloeroppervlak mag niet groter
                            zijn dan de grenswaarde in tabel 2.150. </al><al>8 ganglengte </al><al>De loopafstand tussen twee toegangen van een besloten horizontale
                            vluchtmogelijkheid mag maximaal 30 meter bedragen (art. 2.172). </al><al>9 open haard </al><al>De afstand tussen een open haard en een trap dient minimaal 1,5 meter te
                            zijn (art. 2.148 lid1). </al><al>4 Constructies </al><al>1 vluchtmogelijkheden </al><al>De vloeren en trappen waarover een brand- en rookvrije vluchtroute of
                            vluchtmogelijkheid voert dienen een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van ten minste 30 minuten (art. 2.12 lid 1). </al><al>2 hoofddraagconstructie </al><al>De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te
                            bezitten van 30 oftewel 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer
                            hoger is gelegen dan 5 oftewel 13 meter (art. 2.12 lid 3 en 4). </al><al>5 Materialen </al><al>1 stookplaats </al><al>De materialen dienen met betrekking tot onbrandbaarheid te voldoen aan
                            de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande bijeenkomst
                            gebouwen. Materialen ter plaatse of in de nabijheid van de stookplaats
                            dienen onbrandbaar te zijn. De voorziening voor de afvoer van rook dient
                            luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een
                            naastgelegen </al><al>brandgevaarlijk dak dient minimaal 15 meter te zijn (art. 2.89 en 2.90). </al><al>2 brandvoortplanting ieder constructieonderdeel </al><al>De materialen dienen met betrekking tot de bijdrage aan
                            brandvoortplanting te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003
                            stelt aan bestaande bijeenkomstfuncties. Ieder constructieonderdeel
                            (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) dient ten minste te voldoen aan klasse
                            4 van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de
                            constructieonderdelen (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te
                            voldoen aan deze eis (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>3 brandvoortplanting vluchtmogelijkheid </al><al>Ieder constructieonderdeel (m.u.v. vloer, tredevlak en dak) waarlangs
                            één vluchtmogelijkheid voert dient ten minste te voldoen aan klasse 2
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van de constructieonderdelen
                            (zoals stopcontacten en plinten) hoeft niet te voldoen aan deze eis
                            (art. 2.99, 2.100 en 2.102). </al><al>4 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken </al><al>De vloeren en tredevlakken dienen ten minste te voldoen aan klasse T3
                            van de bijdrage tot brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft
                            niet te voldoen aan deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>5 brandvoortplanting vloeren en tredevlakken brand- en rookvrije
                            vluchtroute </al><al>De vloeren en tredevlakken waarover een brand- en rookvrije vluchtroute
                            voert dienen ten minste te voldoen aan klasse T1 van de bijdrage tot
                            brandvoortplanting. 5% van deze oppervlakken hoeft niet te voldoen aan
                            deze eis (art. 2.101 en 2.102). </al><al>6 rookdichtheid ieder constructieonderdeel </al><al>De materialen dienen met betrekking tot de rookontwikkeling te voldoen
                            aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan bestaande
                            bijeenkomstfuncties. Ieder constructieonderdeel binnen het gebouw dient
                            ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-1. 5% van deze
                            constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid
                            1 en 2.133). </al><al>7 rookdichtheid vluchtmogelijkheid </al><al>Ieder constructieonderdeel waarlangs één vluchtmogelijkheid voert dient
                            ten minste te voldoen aan een rookdichtheid van 5,4 m-1. 5% van deze
                            constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze eis (art. 2.131 lid
                            2 en 2.133). </al><al>6 Brandbeveiligingsinstallaties </al><al>1 noodverlichting </al><al>De verblijfsgebieden groter dan 60 m2, 150 m2, 375 m2 of 900 m2 (bij
                            respectievelijk bezettingsklasse B1, B2, B3 en B4, de
                            vluchtmogelijkheden en de kooi van een lift dienen te zijn voorzien van
                            noodverlichting (art. 2.59 lid 1, 3 en 4). </al><al>2 ontruimingsalarminstallatie </al><al>Een monumentaal gebouw met een gebruiksoppervlak van meer dan 1.000 m2
                            (uitgezonderd kerken met een minimale hoogte in het middenschip van 6
                            meter en waarbij maximaal 2 verblijfsruimten aanwezig is voor het
                            verblijven van personen) moet zijn voorzien van een
                            ontruimingsalarminstallatie (op basis van Bouwverordening). </al><al>3 brandmeldinstallatie bij meer dan 1 zaal </al><al>Een monumentale functie van meer dan 1.000 m2 en waarin meer dan 1 zaal
                            aanwezig is bestemd voor bezoekers (uitgezonderd kerken met een minimale
                            hoogte in het middenschip van 6 meter en waarbij maximaal twee
                            verblijfsruimten aanwezig zijn voor het verblijven van personen) moet
                            zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke
                            bewaking en een rechtstreekse doormelding naar de brandweer (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>4 brandmeldinstallatie </al><al>Een monumentale functie van meer dan 5.000 m2 moet zijn voorzien van een
                            brandmeldinstallatie met een volledige bewaking en een rechtstreekse
                            doormelding naar de brandweer (op basis van Bouwverordening). </al><al>5 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 5 meter, maar lager dan 13 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt en meer dan 1 verblijfsruimte heeft
                            bestemd voor bezoekers (uitgezonderd kerken met een minimale hoogte in
                            het middenschip van 6 meter), dient het gebouw te zijn voorzien van een
                            brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke bewaking (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>6 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 13 meter, maar lager dan 50 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt, dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke bewaking (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>7 brandmeldinstallatie </al><al>Indien een verblijfsgebied hoger dan 50 meter en niet hoger dan 70 meter
                            boven het aansluitende terrein ligt, dient het gebouw te zijn voorzien
                            van een brandmeldinstallatie met een volledige bewaking (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>8 rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes </al><al>De samenvallende vluchtroutes en de hierop uitkomende ruimten dienen te
                            zijn voorzien van rookdetectie. De van rookdetectie afhankelijke ruimten
                            dienen te zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie
                            (op basis van Bouwverordening). </al><al>9 vluchtrouteaanduiding </al><al>Het gebouw dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (op basis
                            van Bouwverordening). </al><al>7 Gebruik </al><al>1 draagbare blustoestellen (bij een gebruiksoppervlakte tot 250 m2) </al><al>In het gebouw dienen één of meer draagbare blustoestellen te worden
                            geplaatst met een minimale inhoud van 6 kg blusmiddel. Het type
                            blusmiddel is ter beoordeling aan de brandweer (op basis van
                            Bouwverordening). </al><al>2 minihaspels bij een gebruiksoppervlakte tussen 250 en 500 m2
                            (uitgezonderd kerken met een minimale hoogte in het middenschip van 6
                            meter) </al><al>Er dient een zodanig aantal mini-brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat
                            de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw
                            maximaal de slanglengte vermeerderd met 2,5 meter is. </al><al>3 kerken uitgezonderd van eis 7.2, dienen in de directe omgeving van
                            kaarsen of andere brandbare materialen een blusdeken én een draagbaar
                            blustoestel te worden geplaatst met een minimale inhoud van 6 kg
                            blusmiddel. Het type blusmiddel is ter beoordeling aan de brandweer.
                        </al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>