<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR62476_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Procedureregeling planschadevergoeding 2005 met bijbehorende toelichting</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">D’n Uitkijk 26-08-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Procedureregeling planschadevergoeding 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de Ruimtelijke Ordening, art. 49 en 49a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-08-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2008-10-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B&amp;W 05-464</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze procedureregeling blijft voorlopig van toepassing op aanvragen om planschadevergoeding die voor 1 juli 2008 zijn ingediend en op aanvragen die op grond van de verjaringsregeling nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Procedureregeling planschadevergoeding 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden;</al><al>gelet op de artikelen 49 en 49a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening,</al><al>besluit vast te stellen de:</al><al/><al><vet>Procedureregeling planschadevergoeding 2005</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>De regeling verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>planschade</cursief>: schade als bedoeld in artikel 49 van
                                de Wet op de Ruimtelijke Ordening;</al></li><li nr="b."><al><cursief>planologische maatregel</cursief>: de bepalingen van een
                                bestemmingsplan, dan wel het besluit omtrent vrijstelling als
                                bedoeld in de artikelen 17 of 19 van de Wet op de ruimtelijke
                                ordening, dan wel een van de andere in artikel 49 van de Wet op de
                                ruimtelijke ordening genoemde schadeoorzaken;</al></li><li nr="c."><al><cursief>aanvrager</cursief>: degene die een aanvraag om vergoeding
                                van planschade indient;</al></li><li nr="d."><al><cursief>college</cursief>: het college van burgemeester en
                                wethouders;</al></li><li nr="e."><al><cursief>derde-belanghebbende</cursief>: degene als bedoeld in
                                artikel 49a van de Wet op de ruimtelijke ordening die heeft verzocht
                                om ten behoeve van de verwezenlijking van een project een
                                bestemmingsplan te herzien of te wijzigen dan wel om vrijstelling te
                                verlenen, anders dan bedoeld in artikel 31a of 31b van de Wet op de
                                ruimtelijke ordening, en die met de gemeente een overeenkomst heeft
                                gesloten inhoudende dat geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening
                                komt de schade die rechtstreeks haar grondslag vindt in het besluit
                                op dit verzoek en waarvan aanvrager vergoeding vraagt;</al></li><li nr="f."><al><cursief>adviseur</cursief>: een persoon of commissie belast met het
                                adviseren inzake de door het college te nemen beschikking op een
                                aanvraag om vergoeding van planschade en niet werkzaam onder
                                verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan;</al></li><li nr="g."><al><cursief>drempelbedrag</cursief>: recht als bedoeld in artikel 49,
                                derde lid van de Wet op de ruimtelijke ordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Indiening van de aanvraag en mededeling van ontvangst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om vergoeding van planschade wordt bij het college
                            ingediend met gebruikmaking van een door het college vastgesteld
                            formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college tekent de datum van ontvangst van de aanvraag als bedoeld in
                            het eerste lid onverwijld aan op het formulier waarbij de aanvraag is
                            ingediend. De ontvangst wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk
                            medegedeeld aan aanvrager. Van de aanvraag wordt een afschrift
                            toegezonden aan de derde-belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de mededeling van ontvangst wijst het college de aanvrager erop dat
                            voor het behandelen van de aanvraag een drempelbedrag verschuldigd is en
                            deelt hem mede dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag
                            van verzending van de mededeling op de rekening van de gemeente dan wel
                            op een aangegeven plaats moet zijn gestort. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvrager</titel></kop><al>Indien het drempelbedrag niet binnen de in artikel 2, derde lid genoemde
                        termijn is bijgeschreven of gestort, verklaart het college de aanvrager
                        niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat
                        aanvrager in verzuim is geweest. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Besluit tot afwijzing van de aanvraag wegens kennelijke
                            niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst de aanvraag binnen acht weken na de dag van verzending
                            van de mededeling van ontvangst af indien sprake is van kennelijke
                            niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De termijn van acht weken kan een keer met ten hoogste vier weken worden
                            verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Besluit tot opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Indien geen toepassing wordt gegeven aan artikel 3 of artikel 4 wijst het
                        college uiterlijk bij het verstrijken van de in artikel 4 bedoelde termijn
                        een adviseur aan en verstrekt een opdracht om ter zake van de aanvraag
                        advies uit te brengen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Werkwijze van de adviseur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De adviseur stelt de aanvrager, een derde-belanghebbende en het college
                            in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling hun visie te
                            geven over de aanvraag om vergoeding van planschade. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een mondelinge uiteenzetting door de aanvrager, de
                            derde-belanghebbende of de vertegenwoordiger van het college wordt een
                            samenvatting gemaakt. De samenvatting wordt opgenomen in het advies.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De adviseur brengt binnen zestien weken na ontvangst van de opdracht een
                            schriftelijk en gemotiveerd conceptadvies aan het college uit omtrent de
                            gegrondheid van de aanvraag en de hoogte van de te vergoeden planschade.
                        </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een overschrijding van de in het eerste lid genoemde termijn stelt
                            de adviseur het college schriftelijk in kennis, met vermelding van de
                            nieuwe termijn waarbinnen hij het conceptadvies zal uitbrengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De adviseur zendt een afschrift van het conceptadvies aan de aanvrager
                            en een derde-belanghebbende, en stelt de aanvrager en de
                            derde-belanghebbende in de gelegenheid om binnen vier weken na
                            verzending van het conceptadvies schriftelijk een reactie daarop ter
                            kennis van de adviseur te brengen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij tijdige ontvangst van eventuele reacties brengt de adviseur binnen
                            vier weken na verloop van de in het derde lid bedoelde termijn een
                            definitief advies uit aan het college. Hij kan de termijn van vier weken
                            eenmalig met vier weken verlengen, van welke verlenging hij mededeling
                            doet aan het college. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien niet binnen de in het derde lid bedoelde termijn een reactie is
                            ingebracht, brengt de adviseur binnen twee weken na verloop van deze
                            termijn een definitief advies uit aan het college.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De adviseur zendt een afschrift van het definitieve advies aan de
                            aanvrager en de derde-belanghebbende. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Beschikking van het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst van het advies beslist het college op de
                            aanvraag om vergoeding van planschade.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan deze termijn een keer met ten hoogste vier weken
                            verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Uitbetaling</titel></kop><al>Indien het college een vergoeding van planschade vaststelt, vindt
                        uitbetaling plaats op een door aanvrager aangegeven rekening direct na het
                        onherroepelijk worden van deze beschikking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze regeling treedt in werking op 1 september 2005. </al></li><li nr="2."><al>Deze regeling wordt aangehaald als ‘Procedureregeling
                                planschadevergoeding 2005’.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld op 23 augustus 2005 door burgemeester en wethouders van
                        Reusel-De Mierden. </ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>Drs. L.J.M. Bertens I. de Jong-van den Heuvel</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting bij de Procedureregeling planschadevergoeding
                    2005 </tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting </tussenkop><al>Op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft een
                    belanghebbende de mogelijkheid om van de gemeente een vergoeding te krijgen voor
                    de schade die hij ondervindt als gevolg van een bestemmingsplan of een daarmee
                    gelijk te stellen planologische maatregel, bijvoorbeeld een vrijstelling als
                    bedoeld in de artikelen 17 en 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening , die
                    redelijkerwijs niet voor zijn rekening dient te komen. </al><al>De Algemene wet bestuursrecht en de Wet op de ruimtelijke ordening geven
                    voorschriften over de wijze waarop een vergoeding, als bedoeld in artikel 49 van
                    de Wet op de ruimtelijke ordening, in de praktijk ‘planschade’ genoemd, moet
                    worden aangevraagd en hoe een aanvraag door het college moet worden behandeld.
                    Burgemeester en wethouders hebben de mogelijkheid een regeling vast te stellen
                    met aanvullende procedureregels voor die gevallen waarin om toepassing van
                    artikel 49 wordt gevraagd. Van deze mogelijkheid wordt hier gebruikgemaakt. De
                    procedureregeling sluit aan bij de Wijzigingswet planschade, Wet van 8 juni
                    2005, Staatsblad 305, die voorziet in verbetering van de planschadewetgeving
                    door wijziging van artikel 49 van de Wet op de ruimtelijke ordening en invoering
                    van een nieuw artikel 49a. </al><al>In het voetspoor van de wijzigingswet bevat de gemeentelijke procedureregeling
                    met name de volgende nieuwe elementen: </al><al>het college – en niet meer de raad – is bevoegd gezag voor het afdoen van
                    aanvragen om vergoeding van planschade;</al><al>de aanvrager wordt niet-ontvankelijk verklaard als het drempelbedrag niet
                    bijtijds is voldaan; </al><al>de initiatiefnemer van de planwijziging met wie de gemeente in een
                    verhaalscontract heeft afgesproken dat hij de planschadekosten voor zijn
                    rekening neemt, krijgt in de procedureregeling een positie als
                    derde-belanghebbende: hij krijgt gelegenheid tot inspraak voorafgaand aan de
                    beslissing op de aanvraag. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>Artikel 1: Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Adviseur</tussenkop><al>De Algemene wet bestuursrecht bevat in afdeling 3.3 regels inzake advisering.
                    Artikel 3:7 bevat bijvoorbeeld het voorschrift dat het bestuursorgaan aan de
                    adviseur de gegevens ter beschikking stelt die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak. Bij onze opdrachten zullen wij de planschadeadviseur
                    de nodige informatie verstrekken. </al><tussenkop>Derde-belanghebbende</tussenkop><al>Het kan zijn dat de gemeente met de verzoeker van een planherziening of
                    planvrijstelling een overeenkomst heeft gesloten ter compensatie van de door de
                    gemeente eventueel toe te kennen vergoeding van planschade als gevolg van de
                    gevraagde planologische maatregel. Deze verzoeker wordt in artikel 49a van de
                    Wet op de ruimtelijke ordening aangemerkt als belanghebbende bij een besluit op
                    een aanvraag om vergoeding van planschade ter zake van deze planologische
                    maatregel. In aansluiting op deze bepaling krijgt de verzoeker in de
                    procedureregeling gelegenheid tot inspraak bij de voorbereiding van het
                    gemeentelijk besluit ter zake van de planschadeclaim. </al><tussenkop>Artikel 2: Indiening van de aanvraag en mededeling van
                    ontvangst </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Vast moet staan dat het binnengekomen schrijven een aanvraag bevat om vergoeding
                    van schade als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de ruimtelijke ordening en
                    dat daarbij tevens wordt voldaan aan de vereisten van artikel 4:2 Algemene wet
                    bestuursrecht: de aanvraag moet worden ondertekend en ten minste bevatten: naam
                    en adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking
                    die wordt gevraagd. </al><al>Aanvrager moet gebruikmaken van een door het college vastgesteld formulier
                    volgens bijgevoegd model. Daarin moet aanvrager onder meer ook aangeven welke
                    van de in artikel 49 van de Wet op de ruimtelijke ordening genoemde
                    planologische maatregelen volgens hem oorzaak zijn van schade. </al><al>Volgens artikel 4:2, tweede lid en artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht heeft
                    het bestuursorgaan de mogelijkheid om later aanvulling van de aanvraag te
                    verlangen. De wet noemt daarvoor geen termijn. Dit betekent dat het college op
                    elk moment tijdens de behandeling van de aanvraag alsnog kan besluiten tot het
                    laten aanvullen van de aanvraag, indien blijkt dat bepaalde belangrijke gegevens
                    ontbreken. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Registratie van de datum van ontvangst van de aanvraag is van belang voor de
                    bepaling van de wettelijke rente over de uit te keren schadevergoeding en voorts
                    in verband met de verjaringsregeling in het nieuwe artikel 49: een aanvraag om
                    vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder a, b, c of f,
                    moet worden ingediend binnen vijf jaar nadat de desbetreffende bepaling van het
                    bestemmingsplan of het desbetreffende besluit onherroepelijk is geworden. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Ter zake van een aanvraag om vergoeding van planschade is een drempelbedrag
                    verschuldigd. De wet bepaalt dat teruggaaf wordt verleend indien op de aanvraag
                    geheel of gedeeltelijk positief wordt beslist.</al><tussenkop>Artikel 3: Besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren
                    van de aanvrager </tussenkop><al>Deze bepaling is direct ontleend aan artikel 49, derde lid van de Wet op de
                    ruimtelijke ordening. In uitzonderlijke gevallen kan worden geoordeeld dat
                    aanvrager inderdaad niet in verzuim is geweest, bijvoorbeeld als het college de
                    mededeling van ontvangst per abuis verkeerd heeft geadresseerd. Als dit blijkt,
                    kan het college zijn besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van de
                    aanvrager herzien. </al><tussenkop>Artikel 4: Besluit tot afwijzing van de aanvraag wegens
                    kennelijke niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid </tussenkop><tussenkop>Artikel 4: Besluit tot afwijzing van de aanvraag wegens
                    kennelijke niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid </tussenkop><al>Volgens vaste rechtspraak moet de gemeente bij de behandeling van aanvragen om
                    planschadevergoeding objectief en deskundig advies inwinnen, behoudens de
                    uitzonderingsgevallen dat de aanvraag wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid of
                    ongegrondheid direct moet worden afgewezen. Overeenkomstig deze rechtspraak
                    geeft artikel 4 aan dat het college in dergelijke gevallen een aanvraag kan
                    afwijzen zonder advies in te winnen. Zo’n afwijzing zal slechts in bijzonder
                    duidelijk liggende gevallen verantwoord zijn; daardoor worden onnodig werk en
                    onnodige kosten voorkomen. </al><al>Tegen de achtergrond van de bestaande jurisprudentie en voorts de in artikel 49
                    opgenomen nieuwe verjaringsregeling kunnen vermoedelijk de volgende voorbeelden
                    worden genoemd van situaties waarbij directe afwijzing van de aanvraag voor de
                    hand ligt:</al><al>De gestelde schade, indien en voorzover al aanwezig, vloeit niet voort uit de
                    door de aanvrager vermelde planologische maatregel, en evenmin uit een andere in
                    artikel 49 genoemde planologische maatregel, maar kan slechts het gevolg zijn
                    van een andere oorzaak dan de in artikel 49 genoemde, zoals een gemeentelijk
                    structuurplan, een gemeentelijke structuurvisie, een gemeentelijk verkeersplan
                    of een niet-gemeentelijke planologische maatregel.</al><al>De gestelde schade kan, indien en voorzover al aanwezig, weliswaar het gevolg
                    zijn van de door de aanvrager vermelde planologische maatregel of een andere in
                    artikel 49 genoemde planologische maatregel, namelijk een projectplan, maar deze
                    oorzakelijke planologische maatregel is nog niet van kracht geworden.</al><al>De gestelde schade kan weliswaar het gevolg zijn van de door de aanvrager
                    vermelde planologische maatregel of een andere in artikel 49, eerste lid onder
                    a, b, c of f genoemde planologische maatregel, namelijk een projectplan, maar
                    deze oorzakelijke planologische maatregel is vijf jaar of langer geleden,
                    gerekend vanaf de indiening van de aanvraag, onherroepelijk geworden.</al><al>Het is overduidelijk dat de koper ten tijde van de aankoop van de onroerende
                    zaak die in waarde zou zijn gedaald, wist of had kunnen weten dat een bepaalde
                    negatieve ruimtelijke ontwikkeling zich zou kunnen voordoen zodat de schade
                    veroorzakende planologische maatregel kennelijk voorzienbaar was. </al><al>In deze voorbeelden wordt ervan uitgegaan dat het college een eventuele
                    vermelding door de aanvrager van de verkeerde planologische oorzaak ambtshalve
                    converteert in de vermelding van de juiste planologische oorzaak, vermeld in
                    artikel 49 indien zodanige oorzaak tenminste aan de orde is. Een eventueel
                    verkeerde oorzaakvermelding kan in deze situatie derhalve niet direct leiden tot
                    afwijzing van de claim. Stel bijvoorbeeld dat iemand een schadeclaim indient op
                    grond van een bestemmingsplan, terwijl de gestelde schade in werkelijkheid
                    slechts het gevolg kan zijn van een projectbesluit ex artikel 19 van de Wet op
                    de ruimtelijke ordening dan zal het college de claim als zodanig ook beschouwen
                    en behandelen. </al><tussenkop>Artikel 5: Besluit tot opdrachtverstrekking </tussenkop><al>Het college schakelt een onafhankelijk, deskundig adviseur in om een zo goed
                    mogelijk en zo objectief mogelijk advies te krijgen over de vraag of er
                    inderdaad sprake is van schade ex artikel 49 en vervolgens over de omvang van de
                    schadevergoeding.</al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 5 kan het college per geval een adviseur
                    aanwijzen. </al><tussenkop>Artikel 6: Werkwijze van de adviseur</tussenkop><al>Het horen van de aanvrager, de eventuele derde-belanghebbende en het college kan
                    naar keuze gescheiden of gezamenlijk plaatsvinden. Voorts zal de adviseur zo
                    nodig de situatie ter plaatse opnemen. <vet>Artikel 7: Advisering </vet>In
                    dit artikel wordt met name geregeld dat de adviseur aan de aanvrager en een
                    derde-belanghebbende inzage geeft in het conceptadvies met mogelijkheid tot
                    reageren. Opbouw en volgorde van het advies kunnen aan de adviseur worden
                    overgelaten. </al><tussenkop>Artikel 8: Beschikking van het college </tussenkop><al>Het college dat voornemens is een aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen,
                    behoeft de aanvrager, naar mag worden aangenomen, niet te horen: zie artikel
                    4:12 Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan geen hoorplicht geldt bij
                    beschikkingen van financiële aard. </al><al>In het tweede lid is een verlengingsmogelijkheid opgenomen, indien de termijn in
                    het eerste lid onverhoopt niet gehaald kan worden. Bij ingewikkelde aanvragen of
                    verschillende zienswijzen kan verlenging noodzakelijk zijn.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>