<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR62396_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2009 Gemeente Kerkrade</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zuid-Limburger 24-12-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>08Rb060</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2004</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>HANDHAVINGSVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND GEMEENTE KERKRADE 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a de wet: de Wet Werk en Bijstand; </al><al>b het College: het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade </al><al>c bijstand: de uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 van de wet; d belanghebbende: persoon die bijstand heeft aangevraagd dan wel ontvangt of heeft ontvangen; indien het een gehuwde betreft, wordt onder belanghebbende elk van de echtgenoten verstaan; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Fraudpreventie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoerende dienst stelt periodiek een handhavingsbeleidsplan van de sector SoZaWe vast waarin maatregelen staan opgenomen gericht op voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het handhavingsbeleidsplan bevat instructies over de voorlichting van rechten en plichten van belanghebbenden en over consequenties bij misbruik en oneigenlijk gebruik van bijstand. Daarnaast beschrijft het handhavingsbeleidsplan tenminste de wijze van controle bij de aanvraag en de voortzetting van de bijstand en het gebruik van risicoprofielen en risicosturing als bedoeld in artikel 5.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>Het College stelt zich tot doel de dienstverlening, waaronder begrepen communicatie en voorlichting, aan belanghebbenden op een deskundige, efficiënte wijze te organiseren. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Valideren van gegevens en inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College voert bij de aanvraag van bijstand bestandsvergelijkingen uit waarbij actuele gegevens worden gecontroleerd. Bijstandsuitkeringen kunnen op basis hiervan na verificatie aan veranderde omstandigheden worden aangepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belanghebbende die geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt of handelingen verricht dan wel nalaat met als doel het verkrijgen of behouden van bijstand maakt zich schuldig aan schending van de inlichtingenplicht op grond van artikel 17 van de wet, artikel 28, lid 2 en artikel 29, lid 1 van de Wet Suwi .</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Controle</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Risicoprofielen en risicogestuurd werken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College bevordert bij de Sector SoZaWe een risicogestuurde werkwijze op basis van door haar vastgestelde risicoprofielen; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Risicoprofielen bevatten geen stigmatiserende of discriminerende kenmerken voor een of meerdere bevolkingsgroepen;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het College toetst jaarlijks of de gehanteerde risicoprofielen en het daarop gebaseerde risicogestuurd werken voldoen aan eisen van zorgvuldigheid en effectiviteit. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>(Her-)onderzoek en Thematische controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College voert regelmatige (her-)onderzoeken uit om de rechtmatigheid van de uitkering te controleren; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een op artikel 2 gebaseerd onderszoeksplan beschrijft het College de toe te passen onderzoekmethoden en specifieke op thema's gerichte controles, alsmede de onderzoeksfrequentie hiervan .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Signaalgestuurd controleren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bevordert bij de sector SozaWe een signaalgestuurde werkwijze op basis van het in artikel 2, eerste lid bedoelde handhavingsbeleidsplan en daartoe ontwikkelde protocollen volgens het zogeheten stoplichtmodel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Fraudesignalen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College draagt zorg voor het op efficiënte wijze verkrijgen en onderzoeken van relevante informatie van de belanghebbende en derden met betrekking tot de bijstandsaanvraag of voortzetting van de bijstandsuitkering;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle informatie over vermoedelijke bijstandfraude, Waaronder begrepen informatie van dienstmedewerkers en tips, wordt centraal binnen de sector SoZaWe geregistreerd en onderhouden door de Sociale Recherche.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Opsporing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Opsporing en controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien daartoe concrete aanleiding bestaat verricht de sociale recherche een opsporingsonderzoek; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Opsporingsonderzoeken eindigen met een besluit omtrent de vermoedelijke bijstandfraude en in elk geval indien bijstandsfraude niet binnen een redelijke termijn kan worden vastgesteld; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het College zal de regionale samenwerking bij fraudehandhaving verstevigen .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Aangifte bijstandsfraude</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van bijstandsfraude doet het College aangifte bij het Openbaar Ministerie, in overeenstemming met het door het Openbaar Ministerie op dit punt vastgestelde beleid; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij recidive van bijstandsfraude binnen vijf jaar doet het College altijd aangifte bij Openbaar Ministerie conform het in het eerste lid genoemde beleid van het Openbaar Ministerie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Terugvordering en maatregelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij bijstandsfraude vordert het College de ten onrechte ontvangen bijstand terug op grond van de Gemeentelijke beleidsregels over Terugvordering Tevens past het College op de mogelijk te verstrekken bijstandsuitkering een maatregel toe op grond van de Afstemmingsverordening;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College draagt zorg voor toepassing van het in vorig lid bepaalde op het kortst mogelijke tijdstip na de vaststelling van de bijstandsfraude, onverkort het gestelde in artikelen 58, 59 en 60 van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Communicatie en handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Communicatie</titel></kop><al>Het College stelt zich tot doel een effectieve communicatie met en over belanghebbenden te realiseren, waaronder benutting van de locale media, óm daarmee een zo groot mogelijke preventieve werking te bevorderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Evaluatie handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het College evalueert jaarlijks de fraudedoelstellingen en de daarbij gehanteerde methoden en risicoprofielen Indien nodig worden wijzigingen hierin in het in artikel 2 bedoelde beleidsplan opgenomen. Indien noodzakelijk leidt de jaarlijkse evaluatie tot aanpassingen van het handhavingsbeleidsplan. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het College; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 5 lid 3 treedt een jaar na invoering van risicoprofielen binnen de werkwijze van de sector SoZaWe;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College stelt het in artikel 6 lid 2 bedoelde (her-)onderzoekplan uiterlijk 6 maanden na inwerkingtreding van deze verordening vast .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding verordening</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2009 .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Handhavingverordening Wet werk en bijstand 2009.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering van 17 december 2008. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, de griffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>J.J.M. Som drs. J. Schrijnemaekers </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Inleiding  </vet></al><al>In de Wet werk en bijstand (Wwb) is de verplichting  tot handhaving van regels, zoals die golden in de Algemene bijstandswet (Abw),  losgelaten en omgezet in een 'kan'-bepaling Daarmee heeft de gemeente de  bevoegdheid tot het stellen van eigen regels omtrent handhaving De gemeenteraad  stelt op hoofdlijnen het beleid vast rond handhaving door middel van de  Handhavingsverordening Wet werk en bijstand, daarmee gelegenheid gevend aan het  College om nadere invulling te geven aan de verordening in de vorm van  beleidsregels  De handhavingsverordening sluit aan op de Wet werk en bijstand  en op het gemeentelijk beleid inzake de handhaving van de bijstandwet en de  controle op de rechtmatigheid van de financiële verstrekkingen  </al><al/><al><vet>Historie</vet></al><al> De raad van de gemeente Kerkrade heeft in 2004 in de  beleidsnota 2004 van de sector Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) gekozen  voor een handhavingsconcept dat landelijk bekend staat als Hoogwaardige  Handhaving, Het betreft hier een ontwerp dat op initiatief van het Ministerie  van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is ontwikkeld.  Het Kerkraadse  jaarlijks terugkerende Handhavingsbeleidsbeleidsplan zal binnen enkele maanden  vastgesteld worden. Hoogwaardige Handhaving betreft een mix van preventieve en  repressieve handhavingmethoden en technieken die versterkend op elkaar inwerken  Belangrijke elementen zijn het werken met risicoprofielen en mede daarop  gebaseerde werkprocessen die een risicogestuurde werkwijze van de dienst  mogelijk maken. De verordening is ook op deze elementen van het Hoogwaardig  Handhavingsbeleid vormgegeven  </al><al/><al><vet>Beïnvloedbaar beleid</vet></al><al> De Wwb kent minder gereguleerd beleid en laat  meer ter invulling over aan de gemeente Het gehele fraudehandhavingsbeleid valt  hier feitelijk onder, behoudens het gestelde in artikel 8a, Daarin draagt de  wetgever de gemeente op om een verordening te maken waarin regels zijn opgenomen  voor de bestrijding van fraude, misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet De  invulling van deze verordening, dus de wijze waarop de handhaving plaatsvindt  staat elke gemeente geheel vrij. Dit komt omdat de gemeente het volledige  financiële risico loopt voor wat betreft de uitvoering van de Wwb. De Raad heeft  in dit verband gekozen voor Hoogwaardige Handhaving.  </al><al/><al><vet>Beleidskaders </vet></al><al> Bij de beraadslagingen over de Wet werk en bijstand  ten aanzien van het onderdeel Handhaving zijn een aantal uitgangspunten (kaders)  opgesteld waarmee ons College bij de uitvoering rekening dient te houden.  Daarnaast zijn er ook enkele uitgangspunten die zowel op de  afstemmingsverordening als de Handhavingsverordening van toepassing zijn </al><al> -  Dubbel straffen en het straffen van derden dient te worden voorkomen. Dit is  niet expliciet in de verordening opgenomen. Het uitgangspunt uit het strafrecht:  'ne bis in idem' geldt ook voor de bijstandswet. Wel kan er door SoZaWe een  administratieve maatregel worden toegepast vanwege ten onrechte ontvangen  uitkering, terwijl er vanwege de hoogte hiervan tevens een strafrechtelijk  onderzoek wordt ingesteld door het Openbaar Ministerie. De administratieve  maatregel en toepassing van het strafrecht zijn echter los van elkaar staande  zaken, indien het een reparatoire maatregel betreft. Bij een punitieve maatregel  geldt het ne bis in idem beginsel en dient derhalve een keuze gemaakt te worden,  ofwel maakt sector SoZaWe de keuze voor een maatregel, of  de strafrechtelijke  rechtsgang via het Openbaar Ministerie wordt ingezet. </al><al>  - Ook indien sprake  is van een onjuiste verstrekking vanuit de gemeente wordt bijstand  teruggevorderd. Deze wordt dan echter afgewogen tegen de individuele  omstandigheden In geval van onjuiste of frauduleuze handelingen wordt het gehele  bedrag teruggevorderd, en wordt er een maatregel opgelegd. Voor wat betreft de  Handhavingsverordening geldt vooral het tweede gedeelte van dit uitgangspunt,  beginnend met; 'In geval van onjuiste of frauduleuze handelingen, ' </al><al> - Het  intensiveren van fraudepreventie is in het belang van zowel de burger zelf als  de gemeente. Dit is de doelstelling van het concept Hoogwaardig Handhaven en  komt in de gehele verordening tot uitdrukking en expliciet in hoofdstuk 2.  Uitvoering van de Wwb komt voor risico van de gemeente. Effectieve  fraudepreventie vermindert dat risico Voor de burger geldt dit belang in  afgeleide zin ook. Immers, groot risico voor de gemeente betekent hogere lokale  belastingen De bijstandontvangende burger is ook bij preventie gebaat, omdat  alle energie gestoken kan worden in het zo snel mogelijk weer op eigen benen  komen in plaats van op fraudeonderzoek dat stevige gevolgen voor de frauderende  burger tot gevolg kan hebben  </al><al>- Handhaving en fraudebestrijding moet, maar  mag nooit een soort inkomstenbron van de gemeente worden, of methode om  bezuinigingen te bewerkstelligen. Handhaving en fraudebestrijding en de  voorlichting hierover zal -indien goed gehanteerd- een preventieve werking  hebben. Elke onterecht ontvangen bijstand betekent dat er minder  gemeenschapsgeld resteert voor andere zaken. De gemeente heeft de zorg en de  plicht dat alleen wie recht op bijstand heeft dit ook krijgt. Dit  rechtmatigheidsvereiste staat voorop. Het creëren van een inkomstenbron kan bij  dit vereiste nooit uitgangspunt zijn bij het fraudebeleid.  Dat er van  handhaving, fraudebestrijding en voorlichting een preventieve werking zal  uitgaan is inderdaad wat verwacht wordt bij uitvoering van het concept  Hoogwaardige Handhaving</al><al>  - Voor de mensen die wel kunnen maar niet willen zet  men het handhavingsinstrument in. Begin met drang, maar zorg dat je dwang achter  de hand hebt. Handhaving begint bij de poort. In samenwerking met het CWI moet  de controle op het recht op uitkering effectief plaatsvinden. Voorts dienen  klanten glasheldere voorlichting te krijgen over hun rechten en plichten, zodat  mensen die niet willen maar wel kunnen weten welke consequenties zij mogen  verwachten. Tenslotte willen wij vanuit risicoprofielen werken aan het in kaart  brengen van risicogroepen waar het de kans op bijstandsfraude betreft. Het  begint daarbij met een intensievere controle dan bij klanten die niet binnen de  risicogroepen vallen. </al><al> - Handhaving dient streng en ruimhartig te zijn. Goed  handhaven, dat wil zeggen dat er best strenge sancties mogen staan wanneer  mensen onvoldoende meewerken aan het verkrijgen van arbeid of zelfs frauderen.  Aan de andere kant: uitkeringen moeten via maatwerk terechtkomen bij degene die  er recht op hebben. Bij bijstandsfraude is een 'lik-op-stuk'-beleid aan de orde  Dit betekent na vaststelling van bijstandsfraude snel terugvorderen en een  strenge sanctie.  Wij zijn het eens met uw uitgangspunt dat uitkeringen via  maatwerk terecht moeten komen bij die daar recht op hebben. Dit is ook expliciet  geregeld in de Wwb.  </al><al>- Het systeem van verificatie/handhaving moet zó worden  ingericht dat het recht op uitkering niet ter discussie kan staan.  </al><al/><al><vet>Opbouw verordening</vet></al><al/><al>Hoofdstuk 2 bestrijkt de preventieve kanten van het handhavingsbeleid Het  bevorderen van de spontane naleving van de plichten voortvloeiend uit de Wwb  door klanten is het belangrijkste preventieve doel dat het College zich stelt.  De hiervoor te gebruiken methoden worden jaarlijks in een Handhavingsbeleidsplan  vastgesteld, al dan niet na bijstelling op grond van evaluatie-uitkomsten. Het  gaat dan om duidelijke communicatie over rechten en plichten, vlotte en  deskundige dienstverlening, betrouwbare gegevenscontroles en het fraudealert  werken middels risicoprofielen. De methoden zijn op zich niet nieuw, maar door  de gecombineerde inzet is de verwachting dat er een goede preventieve werking  vanuit gaat.  Gerichte informatie, deskundige en vlotte dienstverlening,  zowel administratief als overige hulpverlening) en betrouwbare, snelle  verificatiemogelijkheden zijn noodzakelijke ingrediënten om te voorkomen dat bij  klanten weerstand gaat ontstaan tegen naleving van de plichtenkant die hen bij  de bijstandverlening is opgelegd. Daarmee kan fraude toenemen  Een nieuw  fenomeen is het risicogestuurd werken dat de dienst aan de hand van  risicoprofielen gaat introduceren. Risicoprofielen geven de mate van  fraudegevoeligheid van de klant aan. Op basis hiervan kunnen organisatiemiddelen  efficiënter ingezet worden om fraude op te sporen of vooraf te ontmoedigen Ter  voorkoming van onjuiste of onzorgvuldige totstandkoming van risicoprofielen  worden de randvoorwaarden aangegeven waaraan de profielen moeten voldoen  (artikel 5).  </al><al/><al>Hoofdstuk 3 gaat over de controle voor en tijdens de bijstandsverlening en in  verband met beëindigingen hiervan In het jaarlijkse beleidsplan van de sector  SoZaWe (artikel 2.1) staan de termijnen waarbinnen, maar ook de wijze waarop, de  (her) onderzoeken worden verricht beschreven (artikel 6). Vanwege het  risicogestuurd werken dat SoZaWe gaat invoeren zullen er vooral hierop geënte  controle's ontwikkeld worden. Risicosturing is een werkwijze waarbij menskracht  en middelen zeer gericht worden ingezet op basis van geformuleerde  risicoprofielen. Dit betekent dat de controle op de rechtmatigheid van  (voortzetting van) een bijstandsuitkering niet voor iedere bijstandsgerechtigde  op eenzelfde wijze plaatsvindt, maar gericht is op diens frauderisicoprofiel  .Daarnaast zullen er zogeheten thematische controles plaatsvinden, zoals  bijvoorbeeld een onderzoek op basis van het aantal bewoners van een woning, of  het aantal auto's op naam van bijstandsontvangers. Om de preventieve werking van  dit type controles te bevorderen zullen de controleonderwerpen veelal vooraf  worden bekend gemaakt.  Fraudebestrijding is zeer effectief op het moment  waarop een klant een beroep doet op de bijstand. Een goede controle op gegevens  en omstandigheden aan het begin voorkomt dat iemand ten onrechte een uitkering  verkrijgt en houdt de schade beperkt (artikel 4). Er zal dan ook nauw  samengewerkt moeten worden met het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) dan wel  het UWV Controle op de aanvraag zal onder andere plaatsvinden via huisbezoeken,  verificatie van relevante financiële gegevens via het netwerk 'Structuur  Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen' (SUWI-net), de Gemeentelijke  Bevolkingsadministratie (GBA) en dergelijke.  Voorts is het van belang dat er  binnen SoZaWe een effectief fraudeinformatiesysteem komt, waar fraudesignalen  bij elkaar gebracht worden en op basis waarvan controleactiviteiten worden  ingezet Het systeem is voorts van belang om risicoprofielen op- of bij te  stellen (artikel 7). Voor het gebruik van centraal opgeslagen fraude-informatie  moeten privacyprotocollen opgesteld worden  </al><al/><al>Hoofdstuk 4 betreft de opsporing van fraude. Nieuwe elementen hierbij zijn de  aansturing van  fraudeonderzoeken en de intensiteit van de regionale  samenwerking. Vanwege de op risicoprofielen  gebaseerde risicogestuurde  werkwijze van SoZaWe is er in feite ook een keuze gemaakt over hoe en   wanneer er tot opsporing wordt overgegaan en hoeveel tijd hieraan wordt  gespendeerd. Het 'hard'  maken van mogelijke fraudesignalen zal dus niet in  alle gevallen tot doel worden gemaakt.  De regionale samenwerking binnen de  fraudebestrijding zal worden verstevigd om effectief te kunnen  reageren op  de lokale grenzen overschrijdende fraudesignalen.  Als fraude is vastgesteld  zal het terugvorderingstraject onmiddellijk moeten worden ingezet onder   toepassing van een sanctiemaatregel. Dit zogeheten 'Lik-op-stuk' beleid is  van fundamenteel belang  om de preventieve aspecten van Hoogwaardige  Handhaving te stimuleren  </al><al/><al>Hoofdstuk 5 richt zich op de communicatie als preventiemiddel in al zijn  mogelijkheden. Het kan aldus ook ingezet worden om aan te geven hoeveel  bijstandfraude er in een bepaalde periode is vastgesteld en welke sancties  daarbij zijn gegeven. De preventieve werking die hiervan uitgaat doet het  financiële risico van de Wwb voor de gemeente afnemen. Tenslotte zullen  jaarlijks alle ingezette methoden moeten worden geëvalueerd op hun effectiviteit  ten aanzien van bijstandsfraude. Het handhavingsplan, als aangegeven in  hoofdstuk 2, zal daartoe periodiek worden vastgesteld.  </al><al/><al><vet>Toelichting op de artikelen </vet></al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2   FRAUDEPREVENTIE </vet></al><al/><al><vet>artikel 2      Handhavingsbeleid  </vet></al><al>lid 1   Het College stelt  jaarlijks een handhavingsbeleidsplan vast waarin maatregelen en methoden staan  opgenomen gericht op het voorkomen en bestrijden van fraude. Het concept  'Hoogwaardige Handhaving' en de gemeentelijke Handhavingsvisie zijn daarbij het  richtinggevende fraudebestrijdingbeleid. De maatregelen en doelen in het plan  zullen waar mogelijk meetbaar gemaakt zijn. Onderdelen hiervan zijn  dienstverlening, scholing, voorlichting, controle en risicosturing.  </al><al>lid 2    In het handhavingssplan worden de beleidsinstrumenten voorlichting, controle en  risicosturing expliciet opgenomen. Dit zijn immers de voornaamste instrumenten  ter voorkoming van bijstandsfraude. Het gebruik hiervan moet kenbaar zijn.  Voorlichting is nodig om de preventieve kant van het handhavingsbeleid optimaal  te benutten. Een klant die vanaf de aanvang van een bijstandverstrekking weet  wat er van hem verlangd wordt en waar hij zich aan moet houden, maar ook waar  hij recht op heeft en wat hij mag verwachten, houdt zich mogelijk  vanzelfsprekender aan de regels. De consequenties bij fraude moeten daarbij  glashelder zijn. Om een zo effectief mogelijk voorlichtingsbeleid te kunnen  realiseren is jaarlijkse evaluatie en bijstelling noodzakelijk en vervolgens  vastlegging in het jaarlijkse handhavingsbeleidsplan. Bij risicosturing op basis  van geformuleerde risicoprofielen zal de controle op de rechtmatigheid van  (voortzetting van) een bijstandsuitkering niet voor iedere bijstandsgerechtigde  gelijk zijn, maar zich richten op het frauderisico dat deze vertegenwoordigt. De  sector SoZaWe zal haar werkwijze niet uitsluitend baseren op risicosturing en  risicoprofielen. Ook specifieke, thematische controles zullen worden ontwikkeld  en toegepast. In het plan zullen de jaarlijkse doelen ten aanzien van het  verkrijgen en onderhouden van relevante klantinformatie worden betrokken.  </al><al/><al><vet>artikel 3      Dienstverlening</vet></al><al> Dit artikel legt vast dat de  gemeente ook verplichtingen heeft naar de klant.Dit betreft vooral de kwaliteit  van de dienstverlening Inkomstenverrekeningen moeten snel, efficiënt en op een  transparante wijze verrekend worden. Daar heeft een klant recht op en het werkt  vooral ook fraudevoorkomend. Als de dienst vertragingen veroorzaakt of fouten  maakt bij verrekeningen zou de klant in een voorkomende situatie kunnen  besluiten geen inkomsten meer op te geven vanwege de last die hij heeft  ondervonden. Waar mogelijk zal de informatievoorziening maatwerk moeten worden ,  dus op de individu gericht omdat ook hier een sterk preventieve werking van uit  gaat. De gemeentelijke verplichtingen zijn niet vrijblijvend. De cliëntenraad  binnen de Wwb zal hierin een duidelijke signalerende en adviserende rol hebben.  </al><al/><al><vet>artikel 4      Validering van gegevens en inlichtingenplicht</vet></al><al> lid  1   Met dit lid wordt aangegeven dat de controle van gegevens in een zo vroeg  mogelijk stadium van het bijstandsproces moet plaatsvinden op een zo betrouwbaar  mogelijke wijze. Daarmee wordt voorkomen dat er ten onrechte teveel  bijstandsgeld wordt uitgekeerd, zodat er geen vorderingen ontstaan. Nauwe  samenwerking met het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) ligt hierbij voor de  hand.  </al><al>lid 2   Door in dit lid ook artikel 29, lid 1 van de wet Suwi bij de  inlichtingenverplichting op grond van de Wwb te betrekken, is het voor  belanghebbenden duidelijk vanaf welk moment bijstandsfraude kan ontstaan.  </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3   CONTROLE </vet></al><al/><al><vet>artikel 5      Risicoprofielen en risicogestuurd werken  </vet></al><al>lid 1  Bij  Hoogwaardige Handhaving  hoort een werkwijze die in ieder geval uitgaat van  risicosturing. Dit kan alleen als er risicoprofielen zijn Het geeft voorts aan  dat de gemeente hier niet vrijblijvend mee om zal gaan, maar dat het onderdeel  uit moet maken van de bedrijfsvoering van de Sector SoZaWe.  </al><al>lid 2  Door dit  vereiste in de verordening op te nemen wordt onderstreept dat risicoprofielen  zorgvuldig tot stand moeten komen en geformuleerd zijn om ongewenste situaties  te voorkomen.</al><al>  lid 3  De werking van bestaande risicoprofielen is  tijdgebonden. Telkens moet nagegaan worden of de gebruikte risicoprofielen nog  voldoen aan de gewenste effectiviteit van de handhaving. Daarbij worden onder  meer bereikte resultaten en landelijke ontwikkelingen betrokken. Voorkomen moet  worden dat bestaande risicoprofielen onbedoeld uiteindelijk toch een  stigmatiserende of discriminerende uitwerking kunnen gaan krijgen.  </al><al/><al><vet>artikel 6      Heronderzoek en Thematische controle  </vet></al><al>lid 1  Met de  komst van de Wwb moet de gemeente eigen onderzoeksregels stellen   De controle  op de rechtmatigheid van te verstrekken en verstrekte bijstand zal periodiek  plaatsvinden. Daarbij wordt een flexibele (her-)onderzoeksmethodiek  geïntroduceerd, gebaseerd op risicogestuurd werken (zie ook artikel 5) </al><al>lid 2  In  het  handhavingsbeleidsplan (zie artikel 2.1) worden de wijze en methoden van  bijstandscontrole beschreven. In dit lid gaat het meer om de vaststelling van de  frequentie van de (her-)onderzoeken voor bepaalde doelgroepen en risicogroepen.   Voorts wordt hierin vastgesteld welke heronderzoeksmethoden daarbij worden  toegepast. Dit kunnen, naast de bekende methoden, ook specifieke onderzoeken en  eventuele experimenten zijn. Het onderzoeksplan kan zowel apart als geïntegreerd  in het handhavingsbeleidsplan staan opgenomen  </al><al/><al><vet>artikel 7     Signaalgestuurd controleren  </vet></al><al>De doelstellingen  zijn niet langer sec gericht op rechtmatigheid en tijdigheid maar hebben nu ook  betrekking op effectief controleren, efficiënt controleren en dienstverlenend  controleren.  Daarnaast zien we dat de doelstellingen nog scherper zijn  gesteld en handhaving expliciet een bijdrage moet leveren aan het beperken van  de schadelast. Controle activiteiten hebben tot doel om fraude aan het licht te  brengen. Controle activiteiten moeten zich dus concentreren daar waar de kans op  succes het grootste is. De kosten van de controle moeten in verhouding staan met  de opbrengsten.  De gemeente Kerkrade wil vanuit het oogpunt van  dienstverlening de cliënt zo min mogelijk belasten met controles. Daartoe wordt  niet langer een structurele frequentie van onderzoeken gepland maar wordt  doelgericht naar aanleiding van signalen en risicofactoren gecontroleerd.  </al><al/><al><vet>artikel 8      Fraudesignalen</vet></al><al>lid 1 Dit lid ziet toe op de  organisatie en vergaring van informatie over bijstandgerechtigden, het betreft  onder meer informatie van vorige bijstandssituaties, bestaande (oude)  fraudesignalen, regionale bijstandsinformatie, informatie van het  inlichtingenbureau over werk, inkomen, het GBA, wegendienst e,a. Deze informatie  moet voor daartoe gemachtigde werknemers van de dienst gemakkelijk opvraagbaar  zijn.  De bedoelde informatie kan in bepaalde situaties ook aan met name de  in artikel 66 en 67 van de wet bedoelde derden verstrekt worden indien de  relevantie hiervan vaststaat </al><al>lid 2 Met de term 'informatie' worden, naast  informatie uit officiële en officieuze bronnen, ook klikbrieven, eigen  waarnemingen of waarnemingen van derden bedoeld. Deze informatie omvat zowel  bewijsstukken als vermoedens van fraude. Het beheer vindt plaats op een centraal  punt binnen de sector SoZaWe bij de Sociale Recherche. Daar wordt beslist welke  onderzoeksacties worden ondernomen Dit zal vooral in overleg plaatsvinden met de  klantmanager die het primaire contact met de bijstandsgerechtigde onderhoudt.  </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4   OPSPORING </vet></al><al/><al><vet>artikel 9      Opsporing en controle  </vet></al><al>De Sociale Recherche verricht  zowel administratieve- en strafrechtelijke onderzoeken.  (controle en  opsporing). Een duidelijke scheiding waar het administratieveonderzoek eindigt  en het strafrechtelijkeonderzoek start is van groot belang om latere ongewenste  situaties te voorkomen in de behandeling van een strafzaak door het Openbaar  Ministerie.</al><al>  lid 1   Vage fraudesignalen zijn doorgaans ongeschikt om een  sociale rechercheonderzoek te rechtvaardigen Een rechercheonderzoek betekent  meestal een grote ingreep in iemands' privacy. Het besluit tot een dergelijk  onderzoek moet daarom op reële gronden worden genomen. Daar hoort bij dat de  Sociale Recherche zo effectief mogelijk ingezet moet worden vanwege de  beschikbare capaciteit.  Deze afstemming is een eigen verantwoordelijkheid  van de Sociale Recherche en gebeurt in overleg met de direct leidinggevende.   Bij het risicogestuurd werken zal de sociale recherche sneller worden  ingeschakeld als het gaat om personen behorend tot risicoprofielen. In principe  wordt daarbij geen ondergrens ten aanzien van het (vermoedelijke) schadebedrag  gehanteerd.</al><al>  lid 2   Bij Hoogwaardige Handhaving wordt vooral ingezet op  preventie en dit wordt het meest gediend door relatief snel fraudesignalen te  onderzoeken. Het stellen van een tijdlimiet voor fraudeonderzoeken is om  verschillende redenen van belang. Mensen moeten niet te lang als onderwerp van  onderzoek aangemerkt worden als daar geen serieus bewijs voor is. Zaken moeten  niet onnodig lang open blijven en daarmee capaciteit bij de Sociale Recherche  wegnemen. Indien een onderzoek te lange tijd vergt is er sprake van hetzij een  té complexe fraudezaak, hetzij té vage signalen. Behoudens te motiveren  uitzonderingen dient het rechercheonderzoek in beide situaties te worden  beëindigd. </al><al> lid 3  De samenwerking van de sociale recherche binnen de regio  is voor een effectief handhavingsbeleid heel belangrijk. Het College wil aan  deze samenwerking helder gestalte te geven, zodat fraudesignalen sneller worden  opgepakt en capaciteit gerichter wordt ingezet.  </al><al/><al><vet>artikel 10      Aangifte bijstandsfraude  </vet></al><al>lid 1   Het hier bedoelde  uitgangspunten betreffen in ieder geval de minimale hoogte van het  brutoschadebedrag alvorens het Openbaar Ministerie tot strafvervolging  overgaat.  Dit bedrag is thans conform de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude  (2008) € 6000. Bij een herhaling van bijstandsfraude door dezelfde persoon geldt  de ondergrens van € 3000. Het College zal in deze situaties ook altijd overgaan  tot het doen van aangifte.  </al><al/><al><vet>artikel 11    Terugvordering en maatregelen  </vet></al><al>lid 1   Om een  preventieve werking te bewerkstelligen zal het plegen van bijstandsfraude in  ieder geval niet het gevoel bij de pleger moeten opleveren dat het lonend is.  Vandaar dat naast terugvordering van het schadebedrag ook altijd een maatregel  aan de orde is op de lopende bijstandsuitkering. De hoogte van de maatregel  wordt bepaald door het gestelde in de Afstemmingsverordening. Een maatregel kan  slechts worden toegepast als de bijstandsuitkering wordt gecontinueerd of binnen  1 maand na vaststelling van de bijstandsfraude wordt hervat.  </al><al>lid 2  Om uitdrukking te geven aan het 'lik-op-stuk' aspect van het Hoogwaardig  handhavingsbeleid zal er zo snel als mogelijk uitvoering moeten worden gegeven  aan zowel het terugvorderen van de ten onrechte genoten bijstand als het  toepassen van een maatregel. Voor de betrokken bijstandgerechtigde kan dit als  een hard(-vochtig) beleid overkomen, het primaire doel is echter om potentiële  bijstandfraudeurs af te schrikken en zodoende de preventieve werking van het  beleid te stimuleren. De terugvordering van bijstand vindt in alle gevallen  plaats en bij iedereen op wie op grond van de artikelen 58, 59 en 60 van de wet  terugvordering mogelijk is.  </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5   COMMUNICATIE EN HANDHAVINGSBELEID </vet></al><al/><al><vet>artikel 12     Communicatie</vet></al><al>  Er wordt een communicatiebeleid  gerealiseerd met als doel bijstandsfraude te ontmoedigen. Als de pakkans bij  bijstandsfraude als 'zeer hoog' ervaren wordt door potentiële plegers, is de  verwachting dat zij minder geneigd zullen zijn hiertoe over te gaan. Ook  interviews over (mislukte) bijstandfraude zullen moeten bijdragen aan het  bereiken van dit doel.  </al><al/><al><vet>artikel 13    Evaluatie handhavingsbeleid  </vet></al><al>In artikel 2 1 staat  aangegeven dat het handhavingplan jaarlijks moet worden vastgesteld. Door  jaarlijkse evaluaties op de genoemde handhavingsprocessen, de communicatie over  en naar klanten, de werking van de risicoprofielen en (her-)onderzoeken, kan de  effectiviteit van Hoogwaardige Handhaving verder worden versterkt. De evaluatie  van het handhavingsbeleid is verplicht en de daaruit voortkomende aanbevelingen  zijn niet vrijblijvend.  </al><al/><al> De artikelen 14 tot en met 17 vormen standaardbepalingen en spreken voor  zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>