<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR62284_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Werkleer aanbod Wet investeren in jongeren gemeente Lingewaard</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Gemeente Nieuws</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Werkleer aanbod Wet investeren in jongeren gemeente Lingewaard</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren artikel 12 lid 1 onderdeel b en artikel 41 lid 1.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand, art. 8, lid 1 en artikel 36.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-10-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Besluitnummer 72e /2009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>wet investeren in jongeren en wet werk en bijstand</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Wet investeren in jongeren en Wet werk en bijstand</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Werkleer aanbod Wet investeren in jongeren gemeente Lingewaard</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening werkleeraanbod WIJ gemeente Lingewaard</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al>wet: de Wet investeren in jongeren; </al></li><li nr="b"><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde
                                        arbeid in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, die
                                        algemeen maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen
                                        de openbare orde of goede zeden; </al></li><li nr="c"><al>startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld
                                        in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van
                                        de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger
                                        algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
                                        wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7
                                        onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
                                    </al></li><li nr="d"><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Lingewaard.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een
                                        werkleeraanbod, algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning
                                        bij de arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling aan. </al></li><li nr="2"><al>Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een
                                        combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning
                                        bij de arbeidsinschakeling dan wel één of meerdere
                                        voorzieningen. </al></li><li nr="3"><al>In afwijking van het tweede lid kan een werkleeraanbod ook
                                        bestaan uit een voorbereidingsperiode op een zelfstandig
                                        beroep of bedrijf, als bedoeld in artikel 17, zesde lid van
                                        de wet. </al></li><li nr="4"><al>Het college stemt het werkleeraanbod af op de
                                        omstandigheden, krachten en bekwaamheden van de jongere,
                                        wiens recht op een werkleeraanbod is vastgesteld. Bij de
                                        invulling van het werkleeraanbod onderzoekt het college de
                                        mogelijkheden en omstandigheden van de jongere. Zij beziet
                                        daarbij tevens in hoeverre de wensen van de jongere bij de
                                        invulling van het werkleeraanbod kunnen worden
                                        betrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in
                                        aanmerking voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en
                                        op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte
                                        en beschikbare voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.
                                    </al></li><li nr="2"><al>Het college doet een werkleeraanbod dat past binnen de
                                        criteria die gesteld zijn in deze verordening en het in
                                        artikel 4 genoemde beleidsplan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De gemeenteraad stelt ter nadere uitvoering van deze
                                        verordening jaarlijks, op voorstel van het college, een
                                        beleidsplan vast.</al></li><li nr="2"><al>Dit beleidsplan omvat in elk geval</al><lijst><li nr="a"><al>een omschrijving van het beleid ten aanzien van de
                                                arbeidsinschakeling van jongeren en de wijze waarop
                                                aandacht wordt besteed aan de volgende doelgroepen: </al><lijst><li nr="I"><al>jongeren die zich richten op arbeid in
                                                  zelfstandig bedrijf of beroep; </al></li><li nr="II"><al>jongeren met een arbeidshandicap; </al></li><li nr="III"><al>alleenstaande ouders; </al></li><li nr="IV"><al>allochtone jongeren; </al></li><li nr="V"><al>jongeren zonder startkwalificatie; </al></li><li nr="VI"><al> een omschrijving van de beschikbare
                                                  voorzieningen. </al></li></lijst></li><li nr="b"><al>een omschrijving van de beschikbare instrumenten ter
                                                ondersteuning van de arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="c"><al>het beschikbare budget per voorziening; </al></li><li nr="d"><al>de wijze waarop de voorzieningen worden ingezet voor
                                                de verschillende doelgroepen; </al></li><li nr="e"><al>de afspraken, die met derden zijn of worden gemaakt
                                                over de arbeidsinschakeling van, en het aanbieden
                                                van voorzieningen aan jongeren; </al></li><li nr="f"><al>een omschrijving van de maatregelen die worden
                                                genomen om het niet-gebruik van voorzieningen tegen
                                                te gaan. </al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Het college zendt eenmaal per jaar aan de gemeenteraad een
                                        verslag over de effecten van het beleid. </al></li><li nr="4"><al>Op het beleidsplan, bedoeld in het eerste lid, is de
                                        Inspraakverordening van toepassing. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te
                                voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur uitvoering werk en
                                inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft
                                verbonden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien, indien
                                wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden
                                van de jongere dan wel indien de jongere niet voldoet aan een of
                                meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van
                                de wet en hem dit te verwijten valt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Budgetplafond</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor
                                        de verschillende voorzieningen. </al></li><li nr="2"><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal
                                        personen dat in aanmerking komt voor een specifieke
                                        voorziening. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Subsidie en vergoedingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Subsidies</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college kan subsidie verlenen aan werkgevers die met een
                                        jongere een arbeidsovereenkomst sluiten, als tegemoetkoming
                                        in de loonkosten en in de kosten van voorbereiding op een
                                        beoogd dienstverband met de jongere. </al></li><li nr="2"><al>Het college kan nadere regels stellen over de duur van de
                                        subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de
                                        subsidie worden verbonden. </al></li><li nr="3"><al>Het college kan een subsidieplafond vaststellen. </al></li><li nr="4"><al>Op de subsidies bedoeld in dit artikel is de Algemene
                                        subsidieverordening van toepassing. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan aan een jongere die ten behoeve van de uitvoering
                                van een werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding
                                voor die kosten verstrekken. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet,
                                        beslist het college. </al></li><li nr="2"><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de
                                        bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot
                                        onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1
                                oktober 2009. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening werkleeraanbod
                                WIJ gemeente Lingewaard. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering </ondertekening><ondertekening>van 8 oktober 2009.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Th.G.L. Greep H.H. de Vries</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label> Toelichting Modelverordening Werkleeraanbod </label></kop><al>De Wet investeren in jongeren en het werkleeraanbod </al><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                            Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier
                            werk van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht
                            op een zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op
                            de uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende
                            kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en
                            daardoor zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling
                            van alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
                            Daartoe moeten gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen.
                            Afgeleide van het werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor
                            jongeren vanaf 18 jaar als de jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze
                            inkomensvoorziening is alleen beschikbaar als het werkleeraanbod wegens
                            in de persoon van de jongere gelegen of niet verwijtbare omstandigheden
                            zijnerzijds geen optie is, dit aanbod onvoldoende inkomsten genereert of
                            er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan. De samenhang tussen het
                            werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening anderzijds is een
                            bepalend element in de WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders
                            dan de Wwb, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide
                            de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een
                            ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het uitgangspunt in de Wwb ‘een
                            uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en geldt als uitgangpunt
                            ‘geen uitkering, tenzij’. </al><al>Evenals in de Wwb geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en
                            plichten. De gemeente is onder bepaalde voorwaarden verplicht een
                            werkleeraanbod en eventueel een inkomensvoorziening aan te bieden. De
                            jongere is verplicht zich te houden aan diverse verplichtingen. Worden
                            deze verplichtingen geschonden, dan kan het werkleeraanbod worden
                            ingetrokken en dient de inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel
                            41, eerste lid WIJ). Die verlaging geschiedt conform de regels die in
                            een gemeentelijke verordening moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste
                            lid onderdeel b WIJ). Dat is de Maatregelverordening WIJ. </al><al>Duurzame arbeidsparticipatie </al><al>Voor jongeren in de leeftijd van 16 tot 27 jaar ontstaat onder de
                            voorwaarden die in de WIJ zijn genoemd, een individueel recht op een
                            werkleeraanbod. Dat is meer dan een recht op een eenmalige voorziening.
                            Zo nodig is het een recht op een reeks voorzieningen gericht op de
                            kortste weg naar duurzame arbeidsparticipatie. Langs welke route die weg
                            verloopt, is een individueel gegeven dat wordt bepaald door de afstand
                            van de jongere tot de arbeidsmarkt en de beschikbaarheid van
                            voorzieningen. Onder duurzame arbeidsparticipatie wordt verstaan de
                            arbeidsinschakeling waarbij jongeren gedurende langere tijd en op eigen
                            kracht aan het arbeidsproces kunnen deelnemen en arbeid verrichten dat
                            past bij hun kennis en vaardigheden of deze kennis en vaardigheden
                            bevordert (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 11). Tot dat
                            punt is bereikt is de gemeente verplicht de jongere (bij herhaling) een
                            werkleeraanbod te doen gericht op arbeidsinschakeling. Er is
                            nadrukkelijk voor gekozen om niet bij voorbaat te bepalen hoe lang de
                            algemeen geaccepteerde arbeid zou moeten duren voordat over ‘duurzame
                            arbeidsparticipatie’ kan worden gesproken (Handelingen TK 2008-2009, nr.
                            76, p. 6006). De jongere dient op het punt gebracht te worden dat hij
                            geen ondersteuning van het college meer nodig heeft.</al><al>Inhoud werkleeraanbod </al><al>Het begrip ‘werkleeraanbod’ moet ruim worden uitgelegd. Het
                            werkleeraanbod kan allerlei vormen hebben, variërend van een ‘echte’
                            baan tot vakgerichte scholing of een combinatie van beide. Een
                            werkleeraanbod kan ook bestaan uit voorzieningen die nodig worden geacht
                            op weg naar arbeidsinschakeling, zoals een sollicitatietraining, een
                            cursus gericht op de ontwikkeling van werknemersvaardigheden, een
                            stageplaats, schuldhulpverlening, sociale activering, nazorg en
                            gesubsidieerde arbeid. </al><al>Afgezien van participatieplaatsen kan het gehele instrumentarium dat
                            gemeenten hebben ontwikkeld voor de re-integratie in het kader van de
                            Wwb, ook op jongeren toegepast worden. Participatieplaatsen zijn
                            uitgezonderd. Bij jongeren zal de situatie waarin de afstand tot de
                            arbeidsmarkt dusdanig groot is dat die alleen met de maximale drie jaar
                            additionele arbeid te overbruggen is zich niet in die mate voordoen dat
                            de regering participatieplaatsen in de vorm van artikel 10a Wwb
                            noodzakelijk acht. Ook uitgezonderd is het reguliere onderwijs dat door
                            het Rijk wordt bekostigd (zie ook artikel 23, eerste lid, onderdeel a
                            WIJ). Het college kan de jongere weliswaar adviseren een dergelijke vorm
                            van onderwijs te volgen of weer te gaan volgen als dit zinvol wordt
                            geacht, maar het is geen voorziening die de gemeente kan inzetten om
                            vorm te geven aan het werkleeraanbod. Een premie voor de
                            arbeidsinschakeling past niet bij het uitgangspunt dat jongeren die
                            daartoe in staat zijn moeten leren of werken. Daarom is er geen
                            aanleiding om werken en/of leren te belonen met een financiële
                            vrijlating van inkomsten uit deeltijdarbeid of van een premie i.v.m.
                            arbeidsinschakeling bij de inkomensvoorziening. Dat geldt evenzeer voor
                            een onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk, tenzij deze bestemd is
                            voor aantoonbaar gemaakte kosten. </al><al>Het college bepaalt de inhoud van het werkleeraanbod. Dat geldt ook voor
                            de vraag of het accent komt te liggen op werken of leren. Gelet op de
                            duurzame arbeidsparticipatie als einddoel, zal werken de hoogste
                            prioriteit hebben als de jongere daartoe in staat is. Zijn er echter
                            belemmeringen op de weg daar naartoe, dan kunnen allerlei voorzieningen
                            worden ingezet om dat einddoel te bereiken. Van belang daarbij is dat de
                            startkwalificatie binnen het werkleeraanbod een ijkpunt vormt, omdat
                            deze in belangrijke mate kan bijdragen aan duurzame arbeidsparticipatie.
                            Het is aan de gemeenten overgelaten om te beoordelen in hoeverre de
                            jongere in staat moet worden gesteld een dergelijke kwalificatie te
                            behalen of anderszins scholing te ontvangen die de toegang tot de
                            arbeidsmarkt bevordert. </al><al>Maatwerk </al><al>Uitgangspunt is dat maatwerk wordt geleverd: dat het werkleeraanbod
                            wordt afgestemd op de omstandigheden, krachten en capaciteiten van de
                            jongere (artikel 18, eerste lid WIJ). De wensen van jongeren worden
                            betrokken bij het vormgeven van het werkleeraanbod (artikel 14, eerste
                            lid WIJ). Het college is verplicht die wensen vast te leggen in de
                            rapportage die ten grondslag ligt aan het werkleeraanbod en dient
                            daarbij tevens aan te geven op welke wijze die wensen bij het
                            werkleeraanbod betrokken zijn. </al><al>Werken en leren niet direct mogelijk </al><al>Wanneer het doen van een werkleeraanbod bestaande uit werken en/of leren
                            niet direct mogelijk is, dient een aanbod gedaan te worden dat op
                            termijn perspectief biedt op arbeidsinschakeling. Dat kan betekenen dat
                            voorzieningen worden ingezet in de vorm van zorg- of hulpverlening,
                            waarbij ook aandacht kan worden besteed aan belemmerende factoren, zoals
                            psychische, sociale en cognitieve problemen. Het werkleeraanbod omvat
                            immers het geheel van re-integratievoorzieningen, dat gericht is op
                            duurzame arbeidsparticipatie. Is de jongere naar het oordeel van het
                            college in het geheel niet in staat dat om redenen van lichamelijk,
                            sociale of psychische aard uitvoering wordt gegeven aan een
                            werkleeraanbod, dan kan daarvan vooralsnog worden afgezien (artikel 17,
                            tweede lid WIJ). Zorgtaken kunnen worden aangemerkt als reden van
                            sociale aard, voor zover daarmee geen rekening kan worden gehouden door
                            middel van een voorziening.</al><al>Alleenstaande ouders </al><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht
                            besteed aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijke
                            medische en/of fysieke beperkingen. Daarom geldt voor alleenstaande
                            ouders met een ten laste komend kind jonger dan vijf jaar, dat het
                            werkleeraanbod desgevraagd wordt ingevuld door middel van scholing of
                            opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een
                            dergelijke scholing de krachten of bekwaamheden van de jongere te boven
                            gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ). </al><al>Daarmee loopt deze regeling parallel met de Wwb (artikel 9a Wwb). Anders
                            dan in de Wwb echter is uit oogpunt van deregulering afgezien van een
                            maximale termijn van zes jaar. Dit omdat gezien de maximale duur van het
                            werkleerrecht (van 18 tot 27 jaar) deze maximale termijn in de meeste
                            gevallen reeds in de werkleerperiode zal zijn geïncorporeerd. </al><al>Zelfstandigen </al><al>Besloten is om zelfstandigen uit te zonderen van het recht op een
                            werkleeraanbod en van het recht op inkomensvoorziening (artikel 23,
                            eerste lid, onderdeel e jo. artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ).
                            Zij kunnen een beroep doen op algemene bijstand of bijstand ter
                            voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van artikel 78f
                            van de Wwb, zodat de (jongere) zelfstandige zich geheel kan richten op
                            zijn bestaan als zelfstandige. In het zesde lid van artikel 17 WIJ wordt
                            evenwel bepaald dat het college de mogelijkheid (niet de verplichting)
                            heeft om aan de jongere die als zelfstandige wil beginnen een
                            werkleeraanbod te doen dat bestaat uit een voorbereidingsperiode op het
                            bestaan als zelfstandige. Dit werkleeraanbod duurt maximaal twaalf
                            maanden en kan slechts worden aangeboden op verzoek van de jongere. </al><al>Medische beperkingen </al><al>Voor de groep jongeren met een medische beperking (die niet behoren tot
                            de doelgroep van de WAJONG) is het van belang dat het aanbod aansluit
                            bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het
                            werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de
                            hand van de individuele situatie zal beoordeeld moeten worden welk
                            aanbod past bij de jongere gelet op zijn/haar mogelijkheden en
                            beperkingen. Het werkleeraanbod moet aansluiten bij de individuele
                            mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en
                            belastbaarheid. Maatwerk betekent een zorgvuldige op de persoon
                            toegesneden afweging bij de uiteindelijke keuze van een traject. Voor de
                            groep jongeren die weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling
                            behoort sociale activering tot mogelijkheden. Als een werkleeraanbod
                            vanwege de medische situatie in het geheel niet mogelijk is, wordt geen
                            aanbod gedaan. Wel kan aanspraak op een inkomensvoorziening bestaan. </al><al>Beleid werkleeraanbod in verordening </al><al>Om recht te doen aan de beleidsruimte die gemeenten nodig hebben om door
                            maatwerk invulling te geven aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid,
                            worden aan de vormgeving van het werkleeraanbod en de mate waarin
                            gemeente daartoe voorzieningen kan inzetten, geen wettelijke eisen
                            gesteld. Gezien de verantwoordelijkheid die de gemeenteraad in het kader
                            van dit wetsvoorstel heeft, en mede met het oog op de rechtszekerheid,
                            is bepaald dat het gemeentelijke beleid inzake de voorzieningen in een
                            verordening moet worden vastgelegd. De jongere moet uit de verordening
                            kunnen afleiden welke voorzieningen het college kan inzetten om het
                            doel, de duurzame arbeidsparticipatie, te bereiken. Tevens kan in de
                            verordening in hoofdlijnen worden bepaald voor welke doelgroepen welke
                            voorzieningen bij voorkeur kunnen worden ingezet. Gedacht kan
                            bijvoorbeeld worden aan voorbereidingstrajecten voor startende
                            zelfstandigen en speciale arbeids- of scholingstrajecten voor
                            alleenstaande ouders, evt. in combinatie met kinderopvang, zodat
                            scholing/arbeid en zorg kan worden gecombineerd. In de verordening kan
                            ook worden vastgelegd dat samengewerkt wordt met andere
                            uitvoeringsinstellingen, zoals gemeenten of UWV, bedrijfsleven en
                            onderwijsinstellingen en als dat het geval is, op welke wijze de
                            samenwerking plaatsvindt.</al><al><onderstreept>Procedurele variant </onderstreept></al><al>Omdat voor verordeningen geen vormvoorschriften gelden kan er gekozen
                            worden voor een procedurele of inhoudelijke variant. </al><al>In de procedurele variant worden in de verordening de belangrijke
                            uitgangspunten van het gemeentelijk beleid vastgelegd. Het betreft dan
                            onderwerpen als de bevoegdheidsverdeling tussen raad en college, de
                            aanspraak op voorzieningen, de rechten en plichten van de jongere, het
                            toekennen van loonkostensubsidies e.d.. De verdere concretisering van
                            het beleid kan vervolgens in een beleidsplan wordt vastgelegd dat
                            periodiek wordt vastgesteld door de gemeenteraad. </al><al>In dat beleidsplan kunnen ook onderwerpen aan de orde komen als
                            contractuele afspraken met opleidingsinstellingen en
                            re-integratiebedrijven, de uitwerking van het subsidiebeleid en de
                            afstemming met andere beleidsterreinen, zoals onderwijs, zorg en
                            economie. Op die wijze is ook aan de verordeningsplicht van de WIJ
                            voldaan. Voordeel van deze ‘tweetrapsraket’ is dat de hoofdlijnen van
                            het beleid in beginsel voor langere tijd in de verordening vastliggen en
                            dat het eenvoudiger is om minder fundamentele beleidswisselingen vast te
                            leggen. </al><al>Er kan ook voor worden gekozen om het beleid zoveel mogelijk in de
                            verordening zelf vast te leggen. Dat heeft als voordeel dat het beleid
                            in één document samengevat is. Nadeel daarvan is echter dat een
                            verordening behoorlijk statisch is en wijziging veelal geen sinecure is.
                            Ander nadelig gevolg kan zijn dat de speelruimte die het college behoudt
                            om maatwerk te leveren en voorzieningen ook daadwerkelijk af te stemmen
                            op de krachten, bekwaamheden en de omstandigheden van de jongere (te)
                            beperkt kan worden. Dat kan zich vooral voordoen als bepaalde
                            voorzieningen expliciet gekoppeld worden aan bepaalde met name genoemde
                            groepen jongeren. </al><al>In deze verordening is gekozen voor de procedurele variant. De
                            verordening en het beleidsplan kunnen nimmer alle aspecten van het
                            gemeentelijk beleid bestrijken. Veelal zijn nadere beleidsregels
                            noodzakelijk, zoals regels over de uitleg van begrippen (bijv. wat wordt
                            verstaan onder ‘redenen van lichamelijk, geestelijke of sociale aard’?).
                            Dergelijke beleidsregels kunnen door het college worden vastgesteld. </al><al>Relatie met re-integratieverordening Wwb </al><al>Het instrumentarium dat reeds beschikbaar is voor de re-integratie in
                            het kader van de Wwb kan, uitgezonderd participatieplaatsen en
                            vrijlating van inkomsten uit arbeid, tevens worden ingezet voor de
                            vormgeving van het werkleeraanbod. Om die reden is in deze verordening
                            in enkele bepalingen verwezen naar de Re-integratieverordening Wwb. </al><al>Relatie met Maatregelverordening </al><al>De verordening Werkleeraanbod en de Maatregelverordening vormen twee
                            kanten van dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college plicht op
                            om jongeren een werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door
                            deze verordening gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel wat tegenover.
                            De jongere is verplicht het aanbod te aanvaarden en verplichtingen die
                            aan het werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven. Komt de jongere die
                            verplichtingen niet na, dan vormt dat een grond voor verlaging van de
                            inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In
                            verband daarmee is in de verordening Werkleeraanbod herhaald dat onder
                            de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ het werkleeraanbod ingetrokken
                            kan worden.</al><al>Omdat met deze intrekking tevens het recht op inkomensvoorziening
                            vervalt, is het van belang dat wordt afgebakend wanneer de
                            inkomensvoorziening verlaagd en wanneer deze ingetrokken wordt.
                            Uitgangspunt van de wetgever is daarbij geweest dat bij schending van
                            verplichtingen primair een maatregel aangewezen is en pas in tweede
                            instantie intrekking van het werkleeraanbod en daarmee tevens van de
                            inkomensvoorziening aan de orde komt. Het opleggen van een maatregel is
                            derhalve regel, het intrekken van het werkleeraanbod uitzondering. Het
                            is aan de gemeenten overgelaten om beleid vast te stellen over de
                            grensafbakening tussen maatregel en intrekking werkleeraanbod. </al><al>Staatssteun </al><al>De Europese regelgeving over staatssteun kan een beperking van de
                            mogelijkheden voor het gemeentelijke re-integratiebeleid en het beleid
                            m.b.t. het werkleeraanbod opleveren. Van belang is dat per 1 januari
                            2009 de Europese vrijstellingsverordening werkgelegenheidssteun (Nr.
                            2204/2002) is komen te vervallen. Wel van toepassing zijn de Verordening
                            de minimis-steun (Verordening (EG) Nr. 69/2001) en de Algemene
                            groepsvrijstellingsverordening (nr. 800/2008). De vraag of een gemeente
                            thans gehouden is om activiteiten bij de Europese commissie te melden
                            kan beantwoord worden met behulp van een stappenplan (zie hiervoor het
                            Memo Staatssteun, bijlage 1). </al><al> Artikelsgewijze toelichting </al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen </al><al>Begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde
                            betekenis als in de WIJ. Daarom worden bepaalde begrippen, zoals
                            ‘werkleeraanbod’, ‘arbeidsinschakeling’ en ‘jongere’, niet opnieuw
                            gedefinieerd. Wel gedefinieerd zijn de begrippen ‘startkwalificatie’ en
                            ‘algemeen geaccepteerde arbeid’, omdat deze in de WIJ niet nader zijn
                            omschreven. Het begrip ‘startkwalificatie’ is afkomstig uit de Wet
                            educatie en beroepsonderwijs en wordt wel in de Wwb gedefinieerd (art.
                            6, eerste lid, onderdeel d Wwb). De omschrijving van ‘algemeen
                            geaccepteerde arbeid’ is afkomstig uit de nota naar aanleiding van het
                            verslag (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p.28). </al><al>Artikel 2 Opdracht college </al><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college verwoord, zoals deze
                            voortvloeit uit de artikelen 11, eerste lid en 13, eerste lid, WIJ.
                            Hoewel deze opdracht ook uit het samenstel van deze bepalingen en
                            artikel 5, eerste lid, WIJ kan worden afgeleid, is er uit een oogpunt
                            van duidelijkheid voor gekozen de opdracht aan het college nader te
                            omschrijven. In het tweede lid is tevens verduidelijkt dat het
                            werkleeraanbod ook samengesteld kan zijn uit een combinatie van algemeen
                            geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij arbeidsinschakeling en één of
                            meerdere voorzieningen. Onder voorziening wordt verstaan een instrument
                            dat wordt ingezet om de jongere dichterbij de arbeidsmarkt te brengen.
                            Dit kan allerlei vormen hebben, variërend van schuldhulpverlening tot
                            training van werknemersvaardigheden. </al><al>In het derde lid is vastgelegd dat een werkleeraanbod ook kan bestaan
                            uit ondersteuning bij een traject gericht op werk in zelfstandig beroep
                            of bedrijf. Dit volgt reeds uit artikel 17, zesde lid, WIJ. Uit een
                            oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang
                            dat gehecht wordt aan het begeleiden van jongeren naar zelfstandig werk,
                            is deze bepaling opgenomen. Aangetekend moet daarbij worden dat het een
                            zgn. ‘kan’-bepaling is:het college bepaalt of het zinvol is de jongere
                            een aanbod te doen gericht op ondersteuning richting zelfstandig bedrijf
                            of beroep. Ter zake kan beleid worden geformuleerd. </al><al>Het vierde lid vormt een herhaling van artikel 17, eerste lid, WIJ.
                            Wederom uit een oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede
                            gelet op het belang van maatwerk bij het vaststellen van het
                            werkleeraanbod, is dit artikel opgenomen. Toegevoegd is de gemeentelijke
                            onderzoeksplicht en de plicht om de wensen van de jongere bij de
                            invulling te betrekken. Met het oog op motivering en kansbenutting zal
                            het college daarmee rekening dienen te houden. Daarmee is niet gezegd
                            dat de jongere recht heeft op een bepaalde specifieke voorziening en
                            deze kan opeisen. De uiteindelijke invulling van de aard en de
                            samenstelling van het aanbod is voorbehouden aan het college. </al><al>Artikel 3 Aanspraak op ondersteuning </al><al>Als spiegelbeeld van de opdracht van het college, zoals verwoord in
                            artikel 2, eerste lid, komen jongeren die recht hebben op een
                            werkleeraanbod in aanmerking voor ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling en voorzieningen. Dit vloeit reeds voort uit artikel
                            13, eerste lid, WIJ maar is omwille van de herkenbaarheid en
                            eenduidigheid hier nader geconcretiseerd. Wat de vorm van de
                            ondersteuning is, bepaalt het college zelf (bijv. Kamerstukken II
                            2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 22). </al><al>Voor de duidelijkheid is verder nog bepaald dat het om jongeren moet
                            gaan die recht op een werkleeraanbod hebben. Dat is niet iedere
                            ‘jongere’ in de zin van de WIJ (zie artikel 2, eerste lid, WIJ), want
                            daaronder wordt verstaan de jongere in de leeftijd van 16 tot 27 jaar.
                            Artikel 13, eerste lid, WIJ kadert de doelgroep af. </al><al>In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                            aanspraak van de jongere en de criteria die gesteld zijn voor het
                            aanbieden van een werkleeraanbod. Daarbij wordt verwezen naar de
                            verordening en het beleidsplan waarin die criteria zijn uitgewerkt.</al><al>Artikel 4 Beleidsplan </al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is gesteld, vraagt de WIJ aan de
                            gemeenteraad om het beleid over het werkleeraanbod in een verordening
                            vast te leggen. Hier is gekozen voor de systematiek om niet alles in de
                            verordening te regelen, maar ook gebruik te maken van beleidsplannen en
                            uitvoeringsbeleid. </al><al>Het eerste lid geeft aan dat het college, ter uitvoering van de
                            verordening, een beleidsplan maakt. De raad dient deze vervolgens vast
                            te stellen. Daarmee wordt de kenbaarheid en rechtszekerheid van jongeren
                            gewaarborgd. Zij kunnen uit het beleidsplan afleiden welk beleid de
                            gemeente voert. Dit beleidsplan kan jaarlijks worden vastgesteld, maar
                            een andere periodiciteit is ook denkbaar. Tevens kan er voor worden
                            gekozen naast een jaarlijks plan ook een meerjarenbeleidsplan vast te
                            stellen. Daarnaast is er de mogelijkheid op met deelplannen te werken. </al><al>In het tweede lid is geregeld welke onderwerpen in het beleidsplan aan
                            de orde kunnen komen. </al><al>Om inzicht te krijgen in het gemeentelijk beleid zal in ieder geval
                            duidelijk moeten worden gemaakt welke voorzieningen beschikbaar zijn
                            voor jongeren. Indien een specifiek doelgroepenbeleid wordt gevoerd kan
                            daaraan worden gekoppeld welke voorzieningen voor welke doelgroepen
                            geschikt en beschikbaar zijn. Daarbij zal in de regel tevens een
                            financiële vertaalslag worden gemaakt m.b.t. de kosten van het beleid.
                            In het beleidsplan kan ook worden vastgelegd dat voor de verschillende
                            voorzieningen budgetplafonds gelden. Het college is immers niet
                            verplicht een bepaalde voorziening aan te bieden. De aanspraak van de
                            jongere kan niet gericht zijn op een specifieke voorziening. Het staat
                            het college in beginsel vrij om het werkleeraanbod zelf invulling te
                            geven. </al><al>Gelet op de wens van de wetgever om bij het vaststellen van het
                            werkleeraanbod bijzondere aandacht te besteden aan de combinatie werk en
                            zorg, kunnen daarover in het beleidsplan nadere bepalingen worden
                            opgenomen. Eventuele afspraken met derden die ingeschakeld worden bij de
                            uitvoering van het werkleeraanbod en bij het inrichten en aanbieden van
                            voorzieningen kunnen eveneens in het beleidsplan worden opgenomen. Dat
                            plan kan (en zal veelal) uiteraard ook de voornemens van het beleid
                            bevatten. Dat zal dan in veel gevallen waarschijnlijk ook betrekking
                            hebben op de inschakeling van derden en werkafspraken met bijvoorbeeld
                            UWV en re-integratiebedrijven. </al><al>Het derde lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid. De
                            beleidscyclus mondt uit in verantwoording en beoordeling door de raad
                            over de effecten van het gevoerde beleid. </al><al>Het vierde lid maakt het beleidsplan tot onderwerp van inspraak. De
                            wijze waarop deze inspraak wordt vormgegeven verschilt van gemeente tot
                            gemeente, en is neergelegd in de Inspraakverordening. Daarin kan ook
                            geregeld zijn dat de cliëntenraad het orgaan is dat inspraak heeft.
                            Inspraak is overigens niet wettelijk verplicht. Er kan dus worden
                            besloten van inspraak af te zien, uiteraard indien dit binnen de kaders
                            van de Inspraakverordening mogelijk is.</al><al>Artikel 5 Verplichtingen van de jongere </al><al>In de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het
                            recht op een werkleeraanbod (zie de artikelen 44 en 45 WIJ). Daaraan is
                            toegevoegd dat de jongere de verplichtingen dient na te komen die
                            voortvloeien uit de verordening of die in concreto aan een voorziening
                            zijn verbonden. Dit kunnen verplichtingen van uiteenlopende aard zijn,
                            die een concretisering vormen van de in de WIJ opgenomen verplichtingen.
                            Zo kan bepaald worden dat een jongere gedurende het traject op gezette
                            tijden met de consulent de voortgang bespreekt. </al><al>Artikel 6 Intrekking werkleeraanbod </al><al>Dit artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. De meerwaarde van
                            opname van deze bepaling in de verordening werkleeraanbod is gelegen in
                            de overweging dat intrekking van het werkleeraanbod complementair is aan
                            het voeren van beleid m.b.t. de invulling het werkleeraanbod. </al><al>Daar waar het recht op werkleeraanbod wordt toegekend en ingevuld, kan
                            dit ook worden ingetrokken, onder de voorwaarden, genoemd in artikel 21
                            WIJ. Met betrekking tot intrekking van het werkleeraanbod in verband met
                            schending van de verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod, wordt
                            het aan het college overgelaten om te bepalen onder welke voorwaarden
                            daartoe kan worden besloten. Het is niet aan de gemeenteraad om daarover
                            voorschriften te geven, niettemin dient het intrekken van het
                            werkleeraanbod met terughoudendheid plaats te vinden, zoals reeds in de
                            Algemene toelichting is opgemerkt. Intrekking is in wezen slechts aan de
                            orde als er een situatie is ontstaan dat niet langer kan worden gevergd
                            dat het werkleeraanbod wordt voortgezet en een andere invulling (via
                            gedeeltelijke herziening) evenmin soelaas biedt. Gedacht kan worden aan
                            herhaalde misdragingen jegens andere jongeren of begeleiders op de
                            werk/leerplek of veelvuldig verzuim. Daarbij kunnen bijv. ook een rol
                            spelen de positie van gemotiveerde jongeren die wachten op een
                            werk/leerplek, de staat van de arbeidsmarkt en de kosten van de
                            voorziening. Het verdient aanbeveling dat het college bij de invulling
                            van het gemeentelijk beleid met deze kaders rekening houdt en slechts
                            tot intrekking besluit nadat de individuele situatie zorgvuldig
                            afgewogen is. </al><al>Artikel 7 Budgetplafonds </al><al>De gemeente kan een verdeling maken van de beschikbare middelen over de
                            verschillende voorzieningen. Dit kan in het beleidsplan of de begroting
                            gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een
                            reden zijn om geen werkleeraanbod te doen. De verplichting daartoe is
                            immers vastgelegd in artikel 13, eerste lid WIJ. Wel kan de invulling
                            van het werkleeraanbod beïnvloed worden door budgettaire beperkingen.
                            Zijn er vanwege die beperkingen voor bepaalde voorzieningen geen
                            middelen meer dan dient te worden nagegaan welke andere instrumenten
                            beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er <onderstreept>geen algemeen
                                plafond</onderstreept> ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per
                            voorziening een plafond wordt ingebouwd. Dit laat de mogelijkheid open
                            dat er naar een ander instrument wordt uitgeweken om tot duurzame
                            arbeidsparticipatie te komen. </al><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om
                            plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van
                            de plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in
                            de begroting voor de verschillende voorzieningen worden gereserveerd. </al><al>Artikel 8 Subsidies </al><al>Het werkleeraanbod kan worden ingevuld met gesubsidieerde arbeid. Dit
                            wordt ook als voorziening aangemerkt. In het eerste lid is vastgelegd
                            dat de subsidie aan de werkgever kan bestaan in een tegemoetkoming in de
                            loonkosten of andere bijkomende kosten. Deze subsidie vormt als zodanig
                            een noodzakelijke voorwaarde voor de voorziening. Voor het verstrekken
                            van een subsidie is een wettelijke grondslag vereist (art. 4:23, eerste
                            lid Awb). Om die reden is een specifiek artikel opgenomen dat deze
                            grondslag biedt. In het eerste lid worden loonkostensubsidies en
                            subsidies ter voorbereiding van een dienstverband van een grondslag
                            voorzien. </al><al>De hoogte van de subsidies en de voorwaarden waaronder subsidie wordt
                            verleend, dienen afzonderlijk te worden geregeld. Dat kan in deze
                            verordening maar zal doorgaans in het beleidsplan worden
                            afgekaderd.</al><al>Op grond van het tweede lid kan het college nadere regels stellen over
                            enkele zaken van de subsidiëring. Hoewel uitgangspunt is dat het beleid
                            over het werkleeraanbod door de gemeenteraad wordt vastgesteld, is reeds
                            eerder aangegeven dat waar het om uitvoeringsbeleid gaat, dit door het
                            college ter hand kan worden genomen. </al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen,
                            subsidieplafonds vaststellen. </al><al>Om subsidies te kunnen weigeren bij ontbrekende middelen is het een
                            vereiste dat een dergelijk plafond is ingesteld, zie ook art. 4:24 e.v.
                            Awb. In lid 3 is de bevoegdheid van het college vastgesteld om plafonds
                            in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de
                            plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in de
                            begroting voor de verschillende soorten subsidie worden gereserveerd. </al><al> Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode
                            waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb). </al><al>Artikel 9 Vergoedingen </al><al>Kosten die voor de jongere verbonden zijn aan het uitvoeren van het
                            werkleeraanbod kunnen worden vergoed op grond van dit artikel. Gedacht
                            kan bijvoorbeeld worden aan kosten van kinderopvang, voor zover de
                            voorliggende voorziening (Wet Kinderopvang) daarin onvoldoende voorziet.
                            Ook noodzakelijke reiskosten en andere kosten, bijvoorbeeld voor
                            verplichte kleding of schoeisel, kunnen voor vergoeding in aanmerking
                            komen, mits de kosten aantoonbaar en noodzakelijk zijn en er geen andere
                            voorzieningen zijn. De kosten kunnen ten laste worden gebracht van het
                            participatiebudget. </al><al>Artikel 10 Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule </al><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college past het dat
                            de gemeenteraad beleidskaders vaststelt. Dat is in deze verordening
                            uitgewerkt. Het college is belast met de uitvoering van dat beleid en op
                            sommige onderdelen, met de nadere uitwerking daarvan. Doen zich
                            situaties voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte toepassing
                            van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van overwegende
                            aard leidt, dan is het aan het college om besluiten te nemen waarin
                            recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het
                            gemeentelijk beleid en anderzijds het individuele belang van de jongere.
                            Dat kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen die
                            afwijken van deze verordening. </al><al>Artikel 11 Inwerkingtreding</al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Artikel 12 Citeertitel</al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al><vet> Bijlage 1</vet></al><al>Staatssteun</al><al>De vraag of een gemeente thans gehouden is om activiteiten (reïntegratie
                            Web of werkleeraanbod Wij) bij de Europese commissie te melden kan
                            beantwoord worden met behulp van onderstaande stappenplan: </al><al><vet>Stap 1</vet>: Heeft de staatssteun een generiek karakter of betreft
                            het steun aan een organisatie die geen economische activiteiten
                            verricht? </al><al>Generiek houdt in dat de steunmaatregel in wezen non-discriminatoir
                            werkt. Elke onderneming kan voor de steunmaatregel in aanmerking komen.
                            Steun met een generiek karakter behoeft daarom niet gemeld te worden.
                            Dit zelfde geldt voor steun aan een organisatie die geen economische
                            activiteiten verricht. </al><al><vet>Stap 2</vet>: (enkel te nemen indien de staatsteun een
                            niet-generiek karakter draagt) Blijft de steun beneden de € 200.000,00
                            per 3 kalenderjaren? </al><al>Zo ja, dan kan de gemeente er voor kiezen de de-minimisverordening toe
                            te passen. De steun hoeft dan niet te worden aangemeld. </al><al><vet>Stap 3</vet>: (enkel te nemen indien de staatsteun meer dan €
                            200.000,00 per 3 kalenderjaren bedraagt) Blijft de steun beneden de 15
                            miljoen per 3 kalenderjaren en voldoet de steunregeling aan de
                            voorwaarden van de nieuwe Algemene groepsvrijstellingsverordening nr.
                            800/2008. </al><al>Zo ja, dan is ook in die situatie geen melding noodzakelijk. </al><al><cursief>Ter info: </cursief></al><al>Volgens de algemene groepsvrijstellingsverordening mag maximaal 75% van
                            de loonkosten (definitie in artikel 2 lid 15; kort gezegd het bruto loon
                            en de verplichte bijdragen) voor het tewerkstellen van een
                            arbeidsgehandicapte gedurende de gehele periode waarin de
                            arbeidsgehandicapte in dienst is worden vergoed door steun (artikel 41).
                            De steun mag alleen worden gebruikt om werkgelegenheid te scheppen. </al><al><vet>Stap 4:</vet> (enkel indien de bovenstaande stappen geen
                            uitsluitsel geven) Dient de verstrekte subsidie wel te worden aangemerkt
                            als staatsteun? </al><al>Indien de subsidie enkel ziet op compensatie voor de mindere
                            arbeidsproductiviteit, is in wezen geen sprake van een voordeel voor een
                            onderneming, dat deze niet op commerciële manier zou hebben verkregen.
                            In wezen is dan geen sprake van staatsteun waardoor de subsidieregeling
                            ook niet gemeld hoeft te worden. </al><al><cursief>Tenslotte</cursief>: </al><al>Blijkt melding op basis van het bovenstaande noodzakelijk/wenselijk dan
                            zal de gemeente hier zelf voor moeten zorg dragen o.a. door toezending
                            van een samenvatting van de regeling aan de Commissie en het opstellen
                            van jaarlijkse verslagen over de toepassing van de verordening. De
                            verstrekking van de gegevens aan SZW is daarmee ook komen te
                            vervallen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>