<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR62198_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening wet inburgering</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loon op Zand</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loon op Zand</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening wet inburgering</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 19 lid 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 23 lid 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-03-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening wet inburgering</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening Wet Inburgering</vet></al><al>De raad van de gemeente Loon op Zand</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 5 januari 2010
                        inzake Wet Inburgering (notitie en verordening)</al><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, en 35 van de Wet
                        inburgering;</al><al>overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de
                        informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, het
                        aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                        inburgeringsplichtigen en de rechten en plichten van de
                        inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening is vastgesteld, alsmede dat de raad bij verordening
                        het bedrag dient vast te stellen van de bestuurlijke boete die voor de
                        verschillende overtredingen kan worden opgelegd;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>VERORDENING WET INBURGERING</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Loon op Zand</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                                doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun
                                rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en
                                de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen in ieder geval gebruik van de volgende
                                middelen: </al><lijst><li nr="·"><al>een fysiek loket/spreekuur waar informatie over de Wet
                                        Inburgering wordt verstrekt;</al></li><li nr="·"><al>schriftelijke materialen</al></li><li nr="·"><al>een digitaal informatiepunt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de 2 jaar de
                                doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan
                                de inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de raad. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen aan waaraan hij bij
                            voorrang een inburgeringsvoorziening kan aanbieden op basis van de
                            volgende criteria: </al><lijst><li nr="1."><al>leeftijd (van jong naar oud) </al></li><li nr="2."><al>hebben van ouderlijk gezag over een minderjarig kind</al></li><li nr="3."><al>het hebben van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd</al></li><li nr="4."><al>het volgen van een terzake doend educatietraject</al></li><li nr="5."><al>het hebben van een uitkering. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering van
                                de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren,of de
                                taalkennisvoorziening af op het startniveau en de vaardigheden, de
                                persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de
                                inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg
                                voor dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt afgestemd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening kan, naast
                                datgene dat in de wet is geregeld onderdelen bevatten die mede
                                toegesneden zijn op de lokale omstandigheden en behoeften en het
                                maatschappelijk effect sorteren dat de inburgeringsplichtigen
                                volledig geaccepteerde en geïntegreerde leden van de gemeenschap
                                worden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan een inburgeringsvoorziening aanbieden in de vorm van
                                een persoonsgebonden inburgeringsbudget.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder een persoonsgebonden inburgeringsbudget wordt verstaan een
                                vergoeding ter voldoening van de noodzakelijk te maken kosten van
                                werkzaamheden die zijn gericht op het inburgeringsexamen of het NT2
                                Staatsexamen I en II c.q. taalkennisvoorziening ondersteunend aan
                                een mbo-opleiding 1 of 2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste 18 maandelijkse termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van een
                                inburgeringsvoorziening de termijnen van betaling vast. Indien het
                                college de eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand, wordt
                                dat in de beschikking vastgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de aangeboden inburgeringscursus;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringexamens op een
                                    tijdstip dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante en
                                    niet verwijtbare omstandigheden niet aan de verplichtingen in de
                                    beschikking kan worden voldaan.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het aanbod van een
                                inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke
                                basisadministratie is ingeschreven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening die wordt
                                aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die aan de
                                inburgeringsvoorziening worden verbonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                binnen 6 weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod al dan
                                niet aanvaardt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen 6 weken na ontvangst van deze mededeling het besluit
                                tot toekenning van de inburgeringsvoorziening, overeenkomstig het
                                gedane aanbod. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een inburgeringsvoorziening bevat in
                            ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling; en</al></li><li nr="e."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 50 indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 100 indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening,
                                bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de
                                verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 100 indien de
                                inburgeringsplichtige verwijtbaar niet binnen de in artikel 7,
                                eerste lid, van de wet bedoelde termijn of binnen de door het
                                college op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet
                                verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel
                                        9, eerste lid, bedraagt ten hoogste € 100 indien de
                                        inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de
                                        vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw
                                        schuldig maakt aan dezelfde overtreding. </al></li><li nr="2."><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel
                                        9, tweede lid, bedraagt ten hoogste € 200 indien de
                                        inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de
                                        vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw
                                        schuldig maakt aan dezelfde overtreding. </al></li><li nr="3."><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                        inburgeringsplichtige verwijtbaar niet binnen de door het
                                        college op grond van artikel 32 van de wet vastgestelde
                                        termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></li><li nr="4."><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                        inburgeringsplichtige verwijtbaar niet binnen de door het
                                        college op grond van artikel 33 van de wet vastgestelde
                                        termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 maart 2010</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet Inburgering
                            gemeente Loon op Zand. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>De Wet inburgering (WI) treedt op 1 januari 2007 in werking en komt in
                            de plaats van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) en de verschillende
                            oudkomersregelingen. De WI regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel
                            alle onderdanen van derdelanden van 16 tot 65 jaar die duurzaam in
                            Nederland willen en mogen verblijven. </al><al>Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting staat de eigen
                            verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de
                            inburgeringsplichtige centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen
                            inzicht bepalen hoe hij zich wil voorbereiden op het inburgeringsexamen.
                            Aan de inburgeringsverplichting is voldaan wanneer het
                            inburgeringsexamen is behaald (een resultaatsverplichting). </al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2010 is de Wet inburgering gewijzigd. In deze
                            wetswijziging wordt de vrijwillige inburgering en het persoonlijk
                            inburgeringbudget opgenomen. Daarnaast is de inburgeringstermijn voor
                            alle inburgeringsplichtigen gelijk getrokken tot 3,5 jaar, met
                            uitzondering voor de inburgeringsplichtige die voorafgaand aan het
                            inburgeringstraject in het kader van de Web een alfabetiseringscursus
                            heeft gevolgd. Voor deze groep personen wordt de inburgeringstermijn
                            verlengd met een periode van maximaal 2,5 jaar.</al><al/><al>Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. Zo
                            hebben gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen in de gemeente
                            goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit deze
                            wet. Daarnaast hebben gemeenten de taak aan bepaalde groepen
                            inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening aan te bieden. Een
                            inburgeringsvoorziening leidt inburgeringsplichtigen toe naar het
                            inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal. In
                            plaats van een inburgeringsvoorziening mogen gemeenten aan
                            inburgeringplichtigen die een mbo opleiding op niveau 1 of 2 volgen een
                            taalkennisvoorziening aanbieden. Ook moeten gemeenten de
                            inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven. Het college
                            moet een bestuurlijke boete opleggen als een inburgeringplichtige zich
                            verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden. </al><al/><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening
                            regels te stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                                    inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit
                                    hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang
                                    tot inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 WI).</al></li><li nr="2."><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                                    inburgeringsvoorzieningen
                                            <cursief><onderstreept>of</onderstreept></cursief>
                                    taalkennisvoorziening aan bijzondere groepen
                                    inburgeringsplichtigen en over de rechten en plichten van de
                                    inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening
                                            <cursief><onderstreept>of
                                    </onderstreept></cursief>taalkennisvoorziening is vastgesteld
                                    (artikel 19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid, WI).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die
                                    voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel
                                    35 WI).</al><al/></li></lijst><al><vet>Regels over de informatieverstrekking aan
                                inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Artikel 8 WI bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                            vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen. Het gaat dan om informatie over de rechten en
                            plichten uit hoofde van de WI en informatie over het aanbod van
                            inburgeringsvoorzieningen en de toegang tot die voorzieningen. </al><al/><al><vet>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                                inburgeringsvoorzieningen</vet></al><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                            inburgeringsplichtige om te bepalen hoe zij zich voorbereidt op het
                            inburgeringsexamen. De gemeente ondersteund de inburgeringsplichtige
                            door het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening. Met ingang van 1 november 2007 kan de gemeente
                            aan alle inburgeringsplichtigen een aanbod doen. Wel is de gemeente
                            verplicht om inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan te
                            bieden aan alle asielgerechtigde inburgeringsplichtigden (oud- en
                            nieuwkomers) en een inburgeringsvoorziening aan te bieden aan nieuw- en
                            oudkomers die werkzaam zijn als geestelijk bedienaar ( artikel 19,
                            tweede lid, Wi) Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het
                            inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
                            II en omvat het eenmaal kosteloos afleggen van dat examen. De
                            inburgeringsplichtige is verplicht een eigen bijdrage van € 270,-- te
                            betalen voor de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening. Een
                            taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving van de kennis van de
                            Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een
                            mbo opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid Wi). Voor
                            asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een
                            inburgeringvoorziening of een taalkennisvoorziening ook uit
                            maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zes lid , Wi). </al><al/><al>De WI draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen
                            met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen aan deze
                            vier groepen. In de wet is ook vastgelegd over welke onderwerpen in
                            ieder geval regels moeten worden gesteld: </al><lijst><li nr="-"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen
                                    van een aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde
                                    lid, onderdeel a, WI).</al></li><li nr="-"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod
                                    aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a,
                                    WI).</al></li><li nr="-"><al>De vaststelling door het college van een passende
                                    inburgeringsvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en
                                    de samenstelling van de inburgeringsvoorziening (artikel 19,
                                    vijfde lid, onderdeel b, WI).</al></li><li nr="-"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                                    inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in
                                    ieder geval betrekking op de inning van de eigen bijdrage door
                                    het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen
                                    (artikel 23, derde lid, WI).</al><al/></li></lijst><al><vet>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete</vet></al><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het
                            bedrag dat ten hoogste als bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>In de Wet inburgering is het begrip “inburgeringsvoorziening”uitgebreid
                            met “taalkennisvoorziening”. In de hieronder staande toelichting worden
                            beide begrippen waar mogelijk afzonderlijk genoemd. In een enkel geval
                            wordt uit overweging van leesbaarheid het woord “voorziening”
                            gehanteerd, waarmee zowel inburgeringvoorziening als
                            taalkennisvoorziening wordt aangeduid. </al><al/><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die
                            worden gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit
                            inburgering en de Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente
                            goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de
                            Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke
                            wijze de informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt
                            georganiseerd. Wel bepaalt artikel 8 WI dat de gemeenteraad bij
                            verordening regels vaststelt over de informatieverstrekking door de
                            gemeente aan inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en
                            plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod van en de
                            toegang tot inburgeringsvoorzieningen.</al><al/><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting.
                            Gemeenten kunnen er voor kiezen om in de verordening alleen de kaders
                            vast te stellen voor een adequate informatievoorziening door het college
                            aan de inburgeringsplichtigen. In dat geval kan met opnemen van het
                            eerste en derde lid in de verordening worden volstaan. Er kan ook voor
                            worden gekozen om in de verordening vast te leggen welke middelen het
                            college (in ieder geval) moet aanwenden om de informatievoorziening aan
                            inburgeringsplichtigen te organiseren. In dat geval moet het tweede lid
                            in de verordening worden opgenomen, waarbij tevens een keuze moet worden
                            gemaakt voor de instrumenten die daarbij worden ingezet. </al><al/><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in
                            dit artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan
                            de inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie van
                            de informatieverstrekking en legt daarover (periodiek) verantwoording af
                            aan de raad. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op allerlei
                            manieren worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart
                            informatiepunt inrichten (het inburgeringsloket) al dan niet in
                            combinatie met een digitaal loket. Het is ook mogelijk om de
                            informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen onder te brengen bij
                            een centraal informatiepunt (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook kunnen
                            gemeenten bepaalde organisaties (bijvoorbeeld educatie-instellingen,
                            bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een rol geven bij de
                            informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen. </al><al/><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder
                            geval) een aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                            inburgeringsplichtigen vorm te geven. Daarbij kan bijvoorbeeld worden
                            gedacht aan: </al><lijst><li nr="a."><al>het inrichten van een informatiepunt in het gemeentehuis;</al></li><li nr="b."><al>het toezenden van schriftelijk voorlichtingsmateriaal aan
                                    personen ten aanzien van wie al dan niet op grond van gegevens
                                    uit het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen redelijkerwijs
                                    kan worden aangenomen dat zij inburgeringsplichtig zijn;</al></li><li nr="c."><al>het vertrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij
                                    aanvragen om uitkeringen;</al></li><li nr="d."><al>het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;</al></li><li nr="e."><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de
                                    gemeentelijke website.</al></li></lijst><al/><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren
                            over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking
                            aan de inburgeringsplichtigen. Om aan deze verplichting efficiënt te
                            kunnen voldoen, zou een informatieplan kunnen worden opgesteld waarvan
                            de informatieverstrekking onderdeel is. Een dergelijk informatieplan zou
                            vervolgens door de raad getoetst kunnen worden waarbij eventuele
                            verbeteringen kunnen worden opgenomen. Om efficiënt aan de verplichting
                            van het tweede lid te kunnen voldoen, is wellicht ook aansluiting
                            mogelijk bij de uitvoering van de actieve informatieplicht van het
                            college aan de raad op grond van artikel 169, tweede lid, van de
                            Gemeentewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college kan aan alle inburgeringsplichtigen een aanbod doen voor een
                            inburgeringsvoorziening (art. 19, eerste lid, Wi). Het college is echter
                            verplicht een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening aan
                            te bieden aan asielgerechtigden en een inburgeringsvoorziening
                            geestelijk bedienaren.</al><al/><al>De gemeenteraad moet bij verordening regels stellen met betrekking tot
                            de criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan deze
                            twee groepen inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel
                            a, WI). Dit artikel vorm de uitwerking van deze verplichting. In dit
                            artikel wordt het college opgedragen om vast te stellen aan welke
                            groepen inburgeringsplichtigen (binnen de twee doelgroepen van artikel
                            19, eerste lid, WI) bij voorrang een inburgeringsvoorziening kan worden
                            aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel vastgelegd binnen welke
                            kaders het college tot zijn keuze van doelgroepen moet komen. Het is van
                            belang dat deze kaders (in casu het aanwijzen van groepen waaraan een
                            inburgeringsvoorziening wordt aangeboden) niet te eng te definiëren. Het
                            college zal binnen deze kaders gedurende een aantal jaren groepen moeten
                            kunnen aanwijzen. Het alternatief is dat de verordening op dit onderdeel
                            steeds opnieuw moet worden gewijzigd. Een andere reden om de kaders niet
                            te strak vast te stellen is dat gemeenten op dit moment geen duidelijk
                            zicht hebben op de precieze omvang van de groep oudkomers zonder werk of
                            uitkering waaraan een inburgeringsvoorziening kan worden aangeboden. Te
                            strenge criteria zouden wel eens kunnen leiden tot het niet benutten van
                            de beschikbare middelen voor het aanbieden van
                            inburgeringsvoorzieningen. </al><al/><al>Dit artikel regelt dat de groepen die het college aanwijst <cursief>bij
                                voorrang </cursief>een inburgeringsvoorziening krijgen aangeboden.
                            Dit betekent dat het college de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook
                            een inburgeringsvoorziening aan te bieden aan inburgeringsplichtigen die
                            niet behoren tot de groep of groepen die hij heeft aangewezen (maar wel
                            behoren tot de doelgroepen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, WI). Om
                            te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die behoren tot de groep of
                            groepen die het college heeft aangewezen aan deze aanwijzing een recht
                            gaan ontlenen op het krijgen van een aanbod, bepaalt dit artikel dat het
                            college aan de groepen die hij aanwijst een inburgeringsvoorziening
                                <cursief>kan</cursief> aanbieden. </al><al/><al>Voorbeelden van criteria die in verordening kunnen worden neergelegd en
                            op basis waarvan het college de doelgroep(en) kan aanwijzen, zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>hebben van een opvoedingstaak;</al></li><li nr="-"><al>hebben van een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt; </al></li><li nr="-"><al>een wijkgerichte aanpak;</al></li><li nr="-"><al>een bepaalde inkomensgrens;</al></li><li nr="-"><al>het ontvangen van een bepaalde uitkering;</al></li><li nr="-"><al>bevordering van emancipatie van vrouwen.</al></li></lijst><al/><al>Gemeenten zouden er ook voor kunnen kiezen om geen voorrang te geven aan
                            specifieke groepen, maar in plaats daarvan prioriteit te geven aan oud-
                            en nieuwkomers die graag voor een inburgeringsvoorziening in aanmerking
                            willen komen (bijvoorbeeld voorrang op basis van eigen aanmelding of
                            gemotiveerdheid). Criteria op basis waarvan het college doelgroepen
                            aanwijst, kunnen ook worden ontleend aan andere beleidsterreinen, zoals
                            bijvoorbeeld ‘leefbaar, sociaal en veilig’. Daarmee kan de uitvoering
                            van de WI een onderdeel vormen van een integrale aanpak van sociaal
                            beleid. </al><al/><al>Op grond van de actieve informatieplicht van het college aan de raad
                            (artikel 169, tweede lid, Gemeentewet) ligt het voor de hand dat het
                            college zijn besluit aan welke groepen inburgeringsplichtigen bij
                            voorrang een aanbod zal worden gedaan ter kennisname aan de raad
                            aanbiedt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                            vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening
                            of taalkennisvoorziening, met in begrip van de totstandkoming en
                            samenstelling van de inburgeringsvoorziening (artikel 19, vijfde lid,
                            onderdeel b, WI). In dit artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen
                            het college de opdracht heeft voor iedere inburgeringsplichtige die
                            daarvoor in aanmerking komt, een op de persoon toegesneden
                            inburgeringsvoorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een
                            passende inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening moet
                            vaststellen. Bij het bepalen van de passendheid van een
                            inburgeringsvoorziening, kunnen de volgende factoren een rol
                            spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal
                                    en de Nederlandse samenleving en zijn of haar
                                    leercapaciteit.</al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of
                                    gaat vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden
                                    gedacht aan het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden
                                    van kinderen.</al></li><li nr="-"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij
                                    kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                                    inburgeringsplichtige moet vervullen. </al><al/></li></lijst><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke
                            bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben
                            dus niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan
                            geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen
                            opleveren de inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt
                            is wel, zo blijkt uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod
                            voor een inburgeringsvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde
                            inburgeringsplichtige niet wordt gedaan, indien dat diens
                            arbeidsinschakeling belemmert. </al><al/><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd
                                <onderstreept>moet</onderstreept> worden met een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling (reïntegratievoorziening) als een
                            inburgeringsvoorziening wordt aangeboden aan een inburgeringsplichtige
                            die bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt op grond van een
                            andere socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling
                                <onderstreept>én</onderstreept> die verplicht is om arbeid om arbeid
                            te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI). Indien in
                            deze specifieke situatie geen reïntegratievoorziening wordt aangeboden,
                            kan de gemeente derhalve geen inburgeringsvoorziening aanbieden. Het
                            college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                            inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid, WI). Het tweede lid van
                            artikel 4 van de verordening draagt het college op om er voor te zorgen
                            dat de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de
                            reïntegratievoorziening. Aangezien deze voorzieningen in het kader van
                            de uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of
                            –regelingen ook door andere partijen dan het college (kunnen) worden
                            verstrekt, zal het college afspraken moeten maken met de
                            verantwoordelijke uitvoerders van de socialezekerheidswet of –regeling:
                            het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),
                            eigenrisicodragers of overheidswerkgevers (artikel 21 WI). </al><al/><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als
                            onderdeel van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                            inburgeringsplichtigen kan aanbieden. In de wet is geregeld waaruit een
                            inburgeringsvoorziening in ieder geval moet bestaan: een cursus die toe
                            leidt naar het inburgeringsexamen en het eenmaal kosteloos afleggen van
                            dat examen (artikel 19, derde lid, WI). Voor asielgerechtigde
                            inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt ook maatschappelijke
                            begeleiding een verplicht onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening
                            (artikel 19, zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende faciliteiten die
                            het college als onderdeel van de inburgeringsvoorziening aan
                            inburgeringsplichtigen kan aanbieden, kan worden gedacht aan
                            trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van voortgangsgesprekken
                            met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht aan een
                            uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                            maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het
                            verwerven van kennis van de Nederlandse samenleving. </al><al/><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral
                            van belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen
                            inburgeringsvoorziening krijgen aangeboden in combinatie met een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Bij voorzieningen gericht op
                            arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten reeds een vast
                            onderdeel. </al><al/><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook
                            een praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden
                            worden getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de
                            inburgeringsvoorziening ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling
                            van deze vaardigheden. Daarbij zal de inzet van duale trajecten een
                            belangrijke rol vervullen.</al><al/><al>Het is mogelijk om een gemeentelijke inburgeringsvoorziening aan te
                            bieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget (PIB). Op
                            verzoek kan voor de inburgeraar de inburgeringsvoorziening, de
                            taalkennisvoorziening worden vastgesteld in de vorm van een persoonlijk
                            inburgeringsbudget. </al><al>Indien de inburgeraar in aanmerking komt voor een PIB gelden de volgende
                            voorwaarden:</al><lijst><li nr="§"><al>Er wordt geen geld aan de inburgeraar zelf ter beschikking
                                    gesteld. De gemeente betaalt op basis van facturen aan de
                                    organisatie die de inburgeraar inschakelt voor zijn
                                    traject:</al></li><li nr="§"><al>het PIB traject wordt ingekocht bij een instelling met een
                                    keurmerk:</al></li><li nr="§"><al>er wordt geen PIB verstrekt wanneer er een lening of een
                                    persoonsvolgend budget wordt verstrekt via de IB –groep of een
                                    ander inburgeringstraject:</al></li><li nr="§"><al>het PIB is gedurende een periode van maximaal 3 jaar
                                    beschikbaar:</al></li><li nr="§"><al>de inburgeraar mag starten met het traject na beoordeling en
                                    goedkeuring van de trajectbegeleider / werkcoach:</al></li><li nr="§"><al>het traject moet leiden tot het inburgeringsexamen of het
                                    staatsexamen 1 of II c.q. geschikt zijn als een
                                    taalkennisvoorziening ondersteunend aan een MBO opleiding 1 of
                                    2:</al></li><li nr="§"><al>de beoogde einddatum van het traject kan niet buiten de
                                    wettelijke termijn vallen waarbinnen de inburgeringsplichtige
                                    aan zijn verplichtingen in het kader van de Wi moet voldoen.
                                </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op
                            de inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het
                            college en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde
                            lid, WI). De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en
                            bedraagt € 270. Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden
                            gewijzigd (artikel 23, tweede lid, WI). </al><al/><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de
                            inburgeringsplichtige het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal
                            termijnen te betalen. Artikel 24, eerste lid, WI maakt het bij
                            inburgeringsplichtigen die algemene bijstand ontvangen mogelijk dat het
                            college de eigen bijdrage verrekent met deze uitkering. Als het college
                            wil overgaan tot verrekening, moet dat worden vastgelegd in de
                            beschikking tot toekenning van de inburgeringsvoorziening. </al><al/><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het
                            college het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te
                            houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit
                            geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze
                            wijze van verrekening geschiedt door het UWV en niet door de gemeente,
                            en wordt dus niet in deze verordening geregeld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat
                            bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten
                            en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld. Dit
                            artikel delegeert de bevoegdheid aan het college om de verplichtingen
                            die in het artikel worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het
                            kader van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening op te
                            leggen. Het college legt in de beschikking tot de toekenning van de
                            inburgeringsvoorziening deze verplichtingen vast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten
                            zorgen dat het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is
                            van belang omdat zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het
                            goed is – leidt tot een besluit tot het toekennen van een
                            inburgerings-voorziening of taalkennisvoorziening. In het eerste lid van
                            dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan de
                            inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat het aanbod
                            wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat
                            ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan
                            over het feit dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft
                            gedaan. </al><al/><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de
                            uiteindelijke beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming
                            met het aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking
                            tot de toekenning van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd).
                            Deze beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het
                            vierde lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de
                            inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit
                            schriftelijk aan de gemeente meedeelt (het derde lid). Het meest
                            praktisch is dat deze schriftelijke mededeling geschiedt in de vorm van
                            het laten ondertekenen door de inburgeringsplichtige van een verklaring
                            die door de gemeente is opgesteld. </al><al/><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de
                            gemeente meldt dat hij wel een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening wil, maar dat hij gelet op zijn situatie bepaalde
                            wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de gemeente.
                            Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod
                            moeten aanpassen. </al><al/><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert
                            de inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                            voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is
                            er geen termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het
                            inburgeringsexamen moet hebben behaald. Het ligt voor de hand dat het
                            college in een dergelijke situatie een handhavingsbeschikking neemt: een
                            besluit op grond van artikel 26 WI waarmee de termijn van start gaat
                            waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moeten hebben
                            behaald (vijf jaar na aanvang van deze termijn). Het verdient de
                            aanbeveling dat het college deze handelwijze vastlegt in beleidsregels,
                            zodat tevoren voor betrokkenen duidelijk is (of zou kunnen zijn) wat de
                            gevolgen zijn van het weigeren van een aanbod voor een
                            inburgeringsvoorziening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening is een beschikking op basis van de Algemene Wet
                            bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de
                            mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In
                            dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in ieder geval in de
                            beschikking moeten worden neergelegd.</al><al/><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan
                            verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig
                            moeten worden vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is
                            verplicht zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de
                            inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening (artikel 23, eerste
                            lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen
                            van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de
                            betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn
                            gemaakt. </al><al/><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen
                            moet hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, WI). In
                            de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden
                            gemaakt (onderdeel c). </al><al/><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                            termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de
                            betaling plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
                            bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 5 van de
                            verordening.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het
                            college een inburgeringsvoorziening vaststelt voor een oudkomer, dan
                            moet het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop
                            de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat
                            (artikel 22, tweede lid, juncto artikel 26 WI). Binnen drieënhalf jaar
                            ná deze datum moet de betreffende oudkomer het inburgeringexamen hebben
                            behaald. Het college kan zelf bepalen wanneer de termijn van handhaving
                            van de inburgeringsplicht van start gaat. Het ligt voor de hand om deze
                            termijn direct te laten ingaan (en bijvoorbeeld niet te koppelen aan de
                            datum waarop de inburgeringsvoorziening van start gaat). De precieze
                            datum waarop de inburgeringsvoorziening van start gaat, zal niet altijd
                            bekend zijn op het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het
                            vaststellen van een datum van aanvang van handhaving van de
                            inburgeringsplicht, onafhankelijk van het moment waarop met de
                            inburgeringsvoorziening kan worden begonnen bij het uitgangspunt van de
                            wet dat de betreffende persoon als oudkomer inburgeringsplichtig is en
                            in beginsel zelf verantwoordelijk is voor het behalen van het
                            inburgeringsexamen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de
                            verschillende overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete
                            vastgelegd. De gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening
                            overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen vaststellen. </al><al/><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn
                            maximumbedragen en géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke
                            overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de
                            overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden
                            verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zonodig rekening houden
                            met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 38,
                            tweede lid, WI). Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij
                            elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete
                            passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                            inburgeringsplichtige. </al><al/><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde reïntegratie-
                            en inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging
                            (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en
                            gegevens te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van
                            een bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een
                            maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, Wet werk en bijstand) of
                            het opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere
                            scocialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling
                            voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat
                            geval géén bestuurlijke boete kan opleggen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                            overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 9
                            mogelijk is. </al><al/><al>Het eerste en tweede lid kunnen alleen in de verordening worden
                            opgenomen als in artikel 9, eerste en tweede lid, lagere
                            maximumboetebedragen zijn opgenomen dan de maximumbedragen in de wet. De
                            verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling van de overtreding mogen
                            uiteraard niet hoger zijn dan de maximumbedragen die in artikel 34 WI
                            worden genoemd. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                            overtredingen zich wel binnen een bepaalde tijdspanne voordoen,
                            bijvoorbeeld 12 maanden. Gemeenten kunnen een kortere of langere termijn
                            vaststellen. </al><al/><al>Artikel 34, onderdeel d, WI biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                            bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500 naar maximaal € 1000
                            in het geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan
                            de verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te
                            behalen. Dit is geregeld in het derde en vierde lid van artikel 10. </al><al>Als de inburgeringsplichtige verwijtbaar niet binnen de voor hem
                            geldende termijn het inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het
                            college hem een bestuurlijke boete op. De maximumboete die kan worden
                            opgelegd, is neergelegd in artikel 9, derde lid, van de verordening. Op
                            grond van artikel 32 WI moet het college in de boetebeschikking een
                            nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de inburgeringsplichtige alsnog
                            het inburgeringsexamen moet behalen. Als de inburgeringsplichtige ook
                            binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet heeft behaald,
                            maakt het derde lid van artikel 10 het mogelijk dat het college een
                            hogere boete vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1000 (artikel
                            34, onderdeel d, WI). Ook in dat geval zal in de boetebeschikking een
                            nieuwe termijn moeten worden opgenomen waarbinnen de
                            inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet behalen. </al><al/><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het
                            inburgeringsexamen niet heeft behaald, regelt het vierde lid dat het
                            college wederom een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De
                            maximumboete in het vierde lid geldt ook voor alle hierop volgende
                            overschrijdingen van termijnen door de inburgeringsplichtige. </al><al/><al>Het vierde lid kan alleen in de verordening worden opgenomen als in het
                            derde lid niet het wettelijk maximum van € 1000 is vastgesteld. Alleen
                            in dat geval is er ruimte voor het verhogen van het maximumbedrag van de
                            bestuurlijke boete (tot maximaal € 1000). </al><al>Als in het derde lid het wettelijk maximum van € 1000 is opgenomen of
                            als de gemeente er geen behoefte aan heeft om een hogere
                            maximumboetebedrag vast te stellen wanneer termijnen bij herhaling
                            worden overschreden, kan het vierde lid worden geschrapt en dient het
                            derde lid als volgt te luiden: </al><al/><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste &lt;BEDRAG VAN MAXIMAAL €
                            1000&gt; indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college
                            op grond van artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het
                            inburgeringsexamen heeft behaald. </al><al/><al>De artikelen 9 en 10 bieden in de vorm van het vaststellen van
                            maximumbedragen het kader voor het college bij het vaststellen van de
                            hoogte van de bestuurlijke boetes in individuele gevallen. Het college
                            zal binnen deze kaders zelf een beleid moeten ontwikkelen. Het is aan te
                            bevelen dat het college in beleidsregels vastlegt hoe dat beleid er uit
                            ziet: welke boete wordt in beginsel opgelegd bij welke overtreding en
                            met welk bedrag wordt de boete in beginsel verhoogd als de betrokken
                            inburgeringsplichtige dezelfde overtreding nogmaals pleegt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>