<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>62178_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Amstelveen.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-07-01</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.amstelveen.nl - Bekendmakingen </dcterms:isFormatOf><dcterms:issued>2013-05-29</dcterms:issued><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Amstelveen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:r:BWBR0005416">Gemeentewet, art. 147 en 149</dcterms:source><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-07-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-10-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>8e wijziging: wijziging van de artikelen 5.1 en 5.3</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>13-32</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp></overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente
                    Amstelveen, in werking getreden op 1 oktober 2000.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Amstelveen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN EN PROCEDUREVOORSCHRIFTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="A."><al>Weg:</al><al>1. de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als
                                    zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al><al>2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                    toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, het Amsterdamse
                                    Bos daaronder begrepen, plantsoenen, speelweiden, bossen en
                                    andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor
                                    vaartuigen;</al><al>3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                    portieken, gangen, achterpaden, passages, galerijen, liften,
                                    welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte
                                    toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al><al>4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                    afsluitbare stoepen, trappen, portieken, openbare toiletten,
                                    gangen, passages, galerijen en liften; de afsluitbare alleen
                                    gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die
                                    daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten;</al></li><li nr="B."><al>Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige
                                    beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins
                                    toegankelijk zijn;</al></li><li nr="C."><al>Bebouwde kom: de gedeelten van de gemeente, zoals deze zijn
                                    aangeduid op de bij deze verordening behorende kaart;</al></li><li nr="D."><al>Rechthebbende: een ieder die over enig zaak of dier enige
                                    zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht of
                                    daar enige feitelijke macht uitoefent;</al></li><li nr="E."><al>Voertuigen: gelede en ongelede motorvoertuigen en alle rij- en
                                    voertuigen, met uitzondering van:</al></li><li nr="a."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="b."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen;</al></li><li nr="F."><al>Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende
                                    werktuigen, alsmede woonschepen, pleziervaartuigen, glijboten en
                                    ponten, met uitzondering van roeiboten, kano's e.d. kleine
                                    vaartuigen;</al></li><li nr="G."><al>Woonschepen:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>elk vaar- of drijftuig, dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt
                                    gebezigd als of te oordelen naar zijn constructie en/of
                                    inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot dag- en/of
                                    nachtverblijf van een of meer personen;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>een vaar- of drijftuig als bedoeld onder a. in aanbouw;</al></li><li nr="c."><al>een casco, dat tot een vaar- of drijftuig als bedoeld onder a.
                                    kan worden opgebouwd;</al></li><li nr="d."><al>elk vaar- of drijftuig, waarin of waarop bedrijfsmatige of
                                    soortgelijke activiteiten worden uitgeoefend of dat daartoe is
                                    ingericht;</al></li><li nr="e."><al>een vaar- of drijftuig als bedoeld onder a. tot en met d., dat
                                    is ingegraven, aangeaard, op de wal getrokken of door een andere
                                    oorzaak niet onmiddellijk kan varen of drijven;</al></li><li nr="f."><al>de overblijfselen van een vaar- of drijftuig als bedoeld onder
                                    a. tot en met e;</al></li><li nr="H."><al>Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                    metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming
                                    hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij
                                    direct of indirect steun vindt in of op de grond;</al></li><li nr="I."><al>Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke
                                    overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
                                    vormt;</al></li><li nr="J."><al>Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage
                                    II, behorend bij artikel 18 van de Meststoffenwet;</al></li><li nr="K."><al>Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen;</al></li><li nr="L."><al>Woonwagen: een wagen die voortdurend of nagenoeg voortdurend als
                                    woning wordt gebezigd of daartoe is bestemd. Een woonwagen houdt
                                    niet op dit te zijn, indien aan of bij de woonwagen
                                    voorzieningen worden getroffen ten gevolge waarvan deze niet
                                    langer kan worden voortbewogen;</al></li><li nr="M."><al>Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="N."><al>Samenscholing: het groepsgewijs bij elkaar komen van mensen die
                                    een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben;</al></li><li nr="O."><al>Heempark: heembeplantingsvoorzieningen met een duidelijk
                                    parkachtige aanleg, waarbij uitsluitend gebruik is gemaakt van
                                    inheemse plantensoorten, d.w.z. soorten die tot de wilde flora
                                    van Nederland (kunnen) worden gerekend;</al></li><li nr="P."><al>College: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Amstelveen;</al></li><li nr="Q."><al>Raad: de gemeenteraad van de gemeente Amstelveen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de
                                aanvraag is ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste
                                acht weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Te late indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen
                                vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
                                termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd,
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten
                                    opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet
                                    worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd
                                    door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                                    vergunning of ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                                    beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                                    binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een
                                    dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;</al></li><li nr="e."><al>de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt
                            voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is
                            bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen
                            verzet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing,
                                onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven
                                tot wanordelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er
                                wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot
                                toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er
                                wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich
                                bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een
                                daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen
                                of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in
                                het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten
                                als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is op deze bepaling
                                niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Melding betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten
                                minste vier dagen voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk
                                kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in
                                artikel 2.3. hierover is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke melding door terugrekening
                                valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                algemeen erkende feestdag, wordt dit tijdstip geacht te vallen op
                                12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of
                                algemeen erkende feestdag is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld in
                                artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare
                                manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste
                                lid genoemde termijn van vier dagen verkorten en een mondelinge
                                melding ontvankelijk verklaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>Bij de melding als bedoeld in artikel 2.2. kan de burgemeester een
                            opgave verlangen van:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van
                                    aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats
                                    van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een
                                    regelmatig verloop te bevorderen;</al></li><li nr="g."><al>de te verwachten aard en samenstelling van de betoging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Flyer-verbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder
                                publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te
                                bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen
                                wegen of gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod
                                beperken tot in de openbare melding aan te duiden dagen en
                                uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor het huis-aan-huis
                                verspreiden of het aan huis bezorgen van de in het eerste lid
                                bedoelde gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of
                                aan door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking
                                stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg,
                                is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een
                                ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het
                                publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te
                                verwijderen of te doen verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of
                                aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het
                                college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het
                                openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht,
                                onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het
                                eerste lid hun besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen
                                of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het
                                eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet
                                Privaatrecht van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                        verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige
                                        andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                        geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen,
                                        weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het
                                        gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                vaarwegenverordening Noord-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>Sluiting gebouwen vanwege de openbare orde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan de sluiting bevelen van een gebouw, een gedeelte
                                van een gebouw dan wel een vaartuig of een inrichting of een andere
                                ruimte, welke voor het publiek openstaat, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>daar is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 1
                                        van de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>daar door misdrijf verkregen voorwerpen zijn verworven,
                                        voorhanden zijn of worden overgedragen dan wel zijn bewaard
                                        of verborgen;</al></li><li nr="c."><al>daar discriminatie heeft plaatsgevonden naar ras, geslacht
                                        of seksuele gerichtheid;</al></li><li nr="d."><al>daar wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en
                                        munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning
                                        dan wel verlof is verleend;</al></li><li nr="e."><al>zich daar andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan
                                        die de vrees wettigen dat het geopend blijven van die ruimte
                                        ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester trekt het bevel tot sluiting in, zodra naar zijn
                                oordeel de openbare orde voortzetting van de sluiting niet langer
                                vereist.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester draagt zorg voor het laten aanbrengen van het bevel
                                tot sluiting bij de toegang van een ruimte als in het eerste lid
                                bedoeld, of in de directe nabijheid ervan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden, een ruimte waarvan de sluiting is bevolen, te
                                betreden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De rechthebbende op een ruimte waarvan de sluiting is bevolen, is
                                verplicht toe te laten dat het afschrift van het bevel tot sluiting
                                wordt aangebracht als bedoeld in het derde lid; hij mag geen
                                bezoekers in die ruimte toelaten en de ruimte niet zelf betreden
                                zonder toestemming van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De leden 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van
                                een door de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                genomen besluit tot sluiting van een woning, een niet voor het
                                publiek toegankelijke plaats of een bij de woning of dat lokaal
                                behorend erf.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De leden 2, 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing in geval
                                van een door de burgemeester krachtens artikel 13b, eerste lid, van
                                de Opiumwet genomen besluit tot toepassing van bestuursdwang,
                                bestaande uit het sluiten van een voor het publiek toegankelijk
                                lokaal of daarbij behorend erf.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10</nr><titel>Betreden gesloten woning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een
                                bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten
                                voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of het gedeelte van enige zaak die vanaf de
                                weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                rechthebbende op de weg, of op enige zaak die vanaf de weg zichtbaar
                                is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                        aanduiding, aan te plakken of op andere wijze aan te
                                        brengen, dan wel te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                        afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen, dan wel
                                        te doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen, welke geen betrekking hebben op
                                de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens
                                eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.12</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopkomst op de weg of
                                openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig
                                aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of
                                verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien
                                de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn
                                gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in
                                artikel 2.11.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.13</nr><titel>Bezit luilakmunitie</titel></kop><al>Het is verboden in het Pinksterweekend vanaf vrijdag 22:00 uur tot
                            zaterdag 7:00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben artikelen
                            als boter, eieren, meel, mayonaise, lijm en/of andere middelen om
                            (on)roerende zaken te besmeuren of deze te vernielen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.14</nr><titel>Instrumenten ten behoeve van inbraak en (winkel)diefstal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopkomst op de weg te
                                vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders,
                                lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe
                                kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te
                                verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken,
                                diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van
                                sporen te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde
                                gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn
                                voor de in dat lid bedoelde handelingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te vervoeren
                                of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust
                                om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde
                                voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.15</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een
                                        beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                        toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                        afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                        straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
                                        weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen
                                        onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.16</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het
                                college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of
                                aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank
                                bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                        artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder
                                        a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de
                                        Drank en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.17</nr><titel>Hinderlijk gedrag in of bij gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in en/of bij een portiek, hal of
                                        poort e.d. van een gebouw op te houden;</al></li><li nr="b."><al>in, op en/of tegen een raamkozijn of een drempel van een
                                        gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder
                                redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik
                                bestemde ruimte van een zodanig gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.18</nr><titel>Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                            hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                            toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                            vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                            soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                            verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                            desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Art.</label><nr>2.19</nr><titel>Slapen op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken en verder op of
                                aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk of ander
                                onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan
                                wel gelegenheid daartoe te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter
                                voorkoming en beperking van hinder en overlast, ontsiering van het
                                stadsbeeld, verontreiniging, besmettelijke ziekten en
                                brandgevaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet op de door het college
                                aangewezen plaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.20</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen
                            of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van
                            een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, of vast te ketenen aan
                            een hek e.d., indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                    gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.21</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar in het
                                belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de
                                openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen e.d.
                                onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in
                                onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                verkeren op de weg te laten staan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.22</nr><titel>Overlast van (brom-/snor)fiets op pleinen, markt- en
                                kermisterreinen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze bepaling wordt verstaan onder een snorfiets: een bromfiets
                                die blijkens de gegevens in het kentekenregister of het voor het
                                voertuig afgegeven kentekenbewijs is geconstrueerd voor een
                                maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km/h.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zich met een fiets te bevinden op de door het
                                college aangewezen wegen en terreinen waar een markt, kermis,
                                uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek
                                trekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich met een brom-/snorfiets te bevinden op de door
                                het college aangewezen wegen en terreinen, waar een markt, kermis,
                                uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek
                                trekt en door het college daartoe aangewezen plaatsen ter voorkoming
                                van hinder voor wandelend en winkelend publiek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd de aanwijzing te beperken tot bepaalde dagen
                                en/of uren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.23</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip
                                bevindende persoon te bespieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.24</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In de artikelen 2.25 en 2.26 wordt verstaan onder
                            consumentenvuurwerk:</al><al>consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                            nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                            (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.25</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                verkoopdagen</titel></kop><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                            consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                            beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het
                            college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden
                            gevestigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.26</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor
                                publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade
                                of overlast kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.27</nr><titel>Openlijk gebruik en handel van drugs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, op of aan de openbare weg, het openbaar water dan
                                wel in een voor publiek toegankelijk gebouw drugs of daarop
                                gelijkende middelen te gebruiken of ten behoeve van dat gebruik
                                voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden, zich op of aan de weg op te houden, indien
                                redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat dit gebeurt om middelen
                                als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop
                                gelijkende waar dan wel slaap- of kalmeringsmiddelen of daarop
                                gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>BESCHERMING LEEFMILIEU</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>(Geluid)hinder in de openlucht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is <cursief></cursief>buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer verboden in de openlucht een geluidsapparaat, een
                                (recreatie)toestel of een (bouw)machine in werking te hebben op een
                                zodanige wijze dat voor (een) omwonende(n) of voor de omgeving
                                (geluid)hinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod,
                                vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking
                                hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van
                                geluidsapparaten, (recreatie)toestellen of (bouw)machines, voor
                                zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen
                                voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer
                                betreffen:</al><lijst><li nr="a."><al>het maximale geluidsniveau;</al></li><li nr="b."><al>de situering van geluidsbronnen;</al></li><li nr="c."><al>de frequentie en tijden van gebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.a</nr><titel>Mosquito</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een geluidsapparaat, dat tonen uitzendt van een hoge
                                frequentie, ophangen of doen ophangen op locaties waar sprake is van
                                overlast door jeugd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het ophangen van het geluidsapparaat
                                voorschriften verbinden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de in het tweede lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer
                                betreffen:</al><lijst><li nr="a."><al>het maximale geluidsniveau;</al></li><li nr="b."><al>de situering van geluidsbron;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de frequentie en tijden van gebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>(Geluid)hinder door vrachtauto's</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                                verboden een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder
                                ao., van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op
                                zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor (een)
                                omwonende(n) of voor de omgeving (geluid)hinder wordt
                                veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                                verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of
                                handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor (een)
                                omwonende(n) of voor de omgeving geluidhinder wordt
                                veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het
                                Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Ruimte voor aanbiedplaatsen voor minicontainers en voor
                                straatvegen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen en als zodanig
                                ter plaatse als aanbiedplaats voor minicontainers aangeduid
                                weggedeelte een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten
                                staan gedurende de dagen waarop de inzameling van huishoudelijk
                                afval plaatsvindt. Indien de weg minder dan 6,50 meter breed is,
                                geldt het verbod ook voor het weggedeelte aan de overzijde van de
                                aanbiedplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weggedeelte ten
                                behoeve van reinigingswerkzaamheden een voertuig te parkeren of enig
                                ander voorwerp te laten staan op een daarbij aangeduide
                                tijdsperiode.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke
                            behoefte te doen buiten de daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Gevaar door sloten, water, niet-openbare riolen en putten</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten
                            gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert
                            voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de
                            gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>Opslag van voertuigen, vaartuigen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen
                                aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel
                                voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of
                                meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorzieningen,
                                voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te
                                hebben, anders dan met inachtneming van de door hen gestelde
                                regels:</al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                        voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, vaartuigen, tenten en andere
                                        dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde
                                        voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan
                                        geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een
                                        commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil,
                                        een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                        landbouwprodukten, afval, oude metalen, en bouw- en
                                        sloopafval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                verstaan wordt in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b., van de
                                Wegenverkeerswet 1994.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid
                                aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof:</al><lijst><li nr="a."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan
                                        wel;</al></li><li nr="b."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan
                                        met inachtneming van de door hem gestelde regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale
                                milieuverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.8</nr></kop><al>Vervallen </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.9</nr><titel>Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><al>Het is verboden handelsreclame te maken of te voeren door middel van een
                            opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar
                            wordt gebracht of ontsierende en/of ernstige hinder ontstaat voor de
                            omgeving. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10</nr><titel>Reclame</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 3.9 is het verboden zonder vergunning van het
                                college op enigerlei wijze in het openbaar reclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 3.9 kan het college categorieën van reclame-
                                uitingen en/of gebieden aanwijzen waarvoor het verbod van het eerste
                                lid niet geldt, al dan niet onder het stellen van voorwaarden en/of
                                nadere regels.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd artikel 3.9 is het verbod van het eerste lid niet van
                                toepassing op reclameuitingen waarvoor een bouwvergunning is
                                verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.11</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                bromfiets als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een
                                wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een
                                trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan
                                deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                                toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van
                                deze terreinen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan
                                wat artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994
                                daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het
                                Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.12</nr><titel>Asverstrooiing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder incidentele asverstrooiing wordt verstaan:</al><al> het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verharde delen van de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>heemparken;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>vijvers en waterlopen binnen de bebouwde kom.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn
                                wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid
                                asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande(n) die
                                zorgdra(a)gt(en) voor de as-bus op grond van bijzondere
                                omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste
                                lid, behoudens voor zover het betreft de gemeentelijke
                                begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan de verstrooide as kunnen geen rechten worden ontleend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.13</nr><titel>Gevelreiniging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene, die het voornemen heeft gevels te reinigen of te doen
                                reinigen, is verplicht het college ten minste vier weken voor
                                aanvang van de activiteit hiervan in kennis te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding
                                als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de melding kan het college een opgave verlangen van:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van het bedrijf dat de gevelreiniging
                                        zal uitvoeren;</al></li><li nr="b."><al>de datum en het tijdstip waarop de gevelreiniging zal
                                        plaatsvinden;</al></li><li nr="c."><al>de maatregelen die worden getroffen om milieuverontreiniging
                                        te voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ter voorkoming van geluidhinder, overlast van
                                stoffen, en bodem- en waterverontreiniging nadere eisen stellen aan
                                de wijze waarop de gevelreiniging dient plaats te vinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het vierde lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Wet
                                milieubeheer, Wet verontreiniging oppervlaktewater of de Wet
                                bodembescherming gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>HORECA</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen horeca</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>horecabedrijf: inrichtingen waar logies worden verstrekt,
                                    restaurants, cafés, cafetaria, snackbars, discotheken,
                                    koffiehuizen, alsmede aanverwante inrichtingen waar tegen
                                    vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe
                                    consumptie worden verstrekt, met uitzondering van inrichtingen
                                    op staanplaatsen voor de ambulante handel;</al></li><li nr="b."><al>onder horecabedrijf als bedoeld onder a, worden mede verstaan
                                    een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
                                    aanhorigheden;</al></li><li nr="c."><al>terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend
                                    deel van een horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden
                                    geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of
                                    spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid en/of
                                    verstrekt;</al></li><li nr="d."><al>alcoholverstrekkend bedrijf: een horecabedrijf waar tegen
                                    vergoeding alcoholhoudende drank voor directe consumptie wordt
                                    verstrekt;</al></li><li nr="e."><al>alcoholvrij bedrijf: een horecabedrijf waar tegen vergoeding
                                    alcoholvrije drank en/of eetwaren voor directe consumptie worden
                                    verstrekt;</al></li><li nr="f."><al>weekeinde: de nacht van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op
                                    zondag;</al></li><li nr="g."><al>houder: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van
                                    het bepaalde in art. 4.3;</al></li><li nr="h."><al>beheerder: in een alcoholverstrekkend bedrijf of de werkzaamheid
                                    in de zin van de Drank- en Horecawet: hij die onmiddellijke
                                    leiding geeft aan de uitoefening van een in art. 3 van de Drank-
                                    en Horecawet, bedoeld bedrijf; in een alcoholvrij bedrijf: de
                                    natuurlijke persoon die de dagelijkse en onmiddellijke leiding
                                    geeft aan de exploitatie van dat bedrijf;</al></li><li nr="i."><al>bezoekers: degenen die niet zijn:</al></li><li nr="1."><al>de leden van het gezin of de huishouding van de houder, alsmede
                                    diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn
                                    onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;</al></li><li nr="2."><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende
                                    reden noodzakelijk is;</al></li><li nr="j."><al>Stadshart: het gebied dat wordt begrensd door de Keizer
                                    Karelweg, de Ouderkerkerlaan, de Beneluxbaan en de Mr G. Groen
                                    van Prinstererlaan, met uitzondering van de Burgemeester van
                                    Sonweg (Rijksweg A9).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Gecoördineerde behandeling van aanvragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan ambtshalve of op verzoek van de
                                aanvrager besluiten tot een gecoördineerde behandeling van aanvragen
                                van alle door hem of door een ander gemeentelijk bestuursorgaan te
                                nemen besluiten waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan
                                aannemen dat deze nodig zijn voor de door de aanvrager te verrichten
                                activiteit(en).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ambtshalve gecoördineerde behandeling blijft achterwege in het geval
                                dat de aanvrager zo’n behandeling niet wenst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij gecoördineerde behandeling van aanvragen worden de aanvragen
                                zoveel mogelijk gelijktijdig ingediend, met dien verstande dat de
                                laatste aanvraag niet later wordt ingediend dan 4 weken na de
                                ontvangst van de eerste aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij gecoördineerde behandeling wordt gebruik gemaakt van het
                                aanvraagformulier voor gecoördineerde behandeling.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de ontbrekende aanvraag niet binnen de in het derde lid
                                genoemde termijn is ingediend, kan het bestuursorgaan de aanvrager
                                in de gelegenheid stellen de ontbrekende aanvraag alsnog binnen een
                                door hem te bepalen termijn in te dienen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De gecoördineerde behandeling van aanvragen wordt buiten toepassing
                                gelaten, indien de ontbrekende aanvraag niet tijdig is gedaan. In
                                dat geval wordt voor de toepassing van krachtens wettelijk
                                voorschrift geregelde termijnen het tijdstip waarop tot het buiten
                                toepassing laten wordt beslist, gelijkgesteld met het tijdstip van
                                ontvangst van alle betrokken aanvragen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onverminderd het derde, vierde en vijfde lid, vangt bij de
                                toepassing van dit artikel de termijn voor het nemen van besluiten
                                aan met ingang van de dag waarop de laatste aanvraag is
                                ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Bij de toepassing van dit artikel geldt in afwijking van artikel
                                1.2. als termijn binnen welke de besluiten worden genomen, de
                                termijn voor het besluit met de langste beslistermijn.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Bij gecoördineerde behandeling zendt het bevoegde bestuursorgaan de
                                beslissing op de aanvragen gelijktijdig aan de aanvrager. Indien
                                sprake is van besluiten van zowel college als burgemeester, draagt
                                het laatst beslissende bestuursorgaan zorg voor deze
                                verzending.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Exploitatie van een horecabedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, zonder vergunning van de burgemeester een
                                horecabedrijf te exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren,
                                als naar zijn oordeel de woon- of leefsituatie in de omgeving van
                                het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid nadelig
                                wordt/worden beïnvloed door de aanwezigheid van het
                                horecabedrijf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de toepassing van de in het vorige lid vermelde weigeringsgrond
                                houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de
                                wijk waarin het bedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van
                                het horecabedrijf en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse
                                reeds blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het
                                horecabedrijf, alsmede met de wijze van bedrijfsvoering van de
                                houder of beheerder of met diens levensgedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergunning wordt niet verleend als de vestiging in strijd is met
                                een geldend bestemmingsplan. Voorts wordt de vergunning niet
                                verleend als de beheerder van een alcoholvrij bedrijf de leeftijd
                                van 21 jaar nog niet heeft bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor terrassen van alcoholverstrekkende en alcoholvrije inrichtingen
                                wordt vergunning verleend tot uiterlijk 24.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan in het belang van de openbare orde, het woon- en
                                leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid en de gezondheid nadere
                                regels stellen betreffende de exploitatie van horecabedrijven,
                                voorzover geen bepalingen van de Drank- en Horecawet of van de
                                Woningwet of de daarop gebaseerde besluiten van toepassing
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde vergunning
                                tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken
                                of wijzigen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>als de houder of beheerder het in of bij dit hoofdstuk bepaalde
                                overtreedt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>als aannemelijk is dat de houder of beheerder betrokken is of hem
                                ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als
                                bedoeld in art. 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bij activiteiten
                                als bedoeld in art. 2.2, eerste lid, van deze verordening, of bij
                                andere activiteiten in of vanuit het horecabedrijf die een gevaar
                                voor de openbare orde opleveren en/of een bedreiging vormen voor het
                                woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, dan wel
                                indien naar zijn oordeel de wijze van bedrijfsvoering of het
                                levensgedrag, als bedoeld in het eerste lid, een dergelijk gevaar of
                                een dergelijke bedreiging vormen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>als op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten,
                                opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen
                                dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming
                                waarvan de vergunning is vereist.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor door de burgemeester
                                aangewezen soorten horecabedrijven.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is op deze bepaling
                                niet van toepassing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Openingstijden en sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de houder en de beheerder verboden, een alcoholverstrekkend
                                bedrijf voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te
                                laten op andere tijdstippen dan van 07.00 uur en 02.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de houder en de beheerder verboden, een alcoholvrij bedrijf
                                voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten op
                                andere tijdstippen dan tussen 07.00 uur en 02.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het weekeinde worden de nachtelijke tijdstippen die in het eerste
                                en het tweede lid zijn vermeld met een uur verlengd onverminderd het
                                vermelde in artikel 4.3, vijfde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Afwijkende openingstijden en sluitingstijden en tijdelijke
                                sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en de woon-
                                en leefsituatie de krachtens artikel 4.4. geldende tijden van
                                geopend zijn van het horecabedrijf beperken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan, als naar zijn oordeel van bijzondere
                                omstandigheden of van bijzondere horecabedrijven sprake is, de
                                krachtens artikel 4.4. geldende tijden van geopend zijn van het
                                horecabedrijf verruimen, met dien verstande dat wat festiviteiten
                                van afzonderlijke horecabedrijven betreft, een maximum geldt van
                                vijfmaal per jaar per horecabedrijf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4., in
                                het belang van de openbare orde, de woon- en leefsituatie, de
                                veiligheid, de zedelijkheid en de gezondheid tijdelijk algehele
                                sluiting van een of meer horecabedrijven bevelen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien op grond van het bepaalde in dit artikel een openingsduur of
                                een periode van sluiting is vastgesteld, zijn de verbodsbepalingen
                                van artikel 4.4 van toepassing, met inachtneming van die duur of die
                                periode van sluiting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Terrassen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 6.1. beslist de
                                burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking
                                heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen,
                                voorzover deze zich op de weg bevinden, tevens over de
                                ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 4.3. vierde lid, van dit
                                hoofdstuk kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde
                                ingebruikneming van de weg weigeren:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar
                                oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en
                                veilig gebruik daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer
                                en onderhoud van de weg;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de
                                openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                daarvan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere
                                reden verwijdering van een terras noodzakelijk is, is de houder of
                                de beheerder verplicht dit terstond of binnen de door het bevoegde
                                bestuursorgaan gestelde termijn te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden, op of in de omgeving van een terras dranken en/of
                                eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het
                                bepaalde in dit hoofdstuk is toegestaan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras aanwezige
                                zitplaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bepalingen over de vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning als bedoeld in artikel 4.3, is niet overdraagbaar; in
                                geval van beëindiging of overdracht van het horecabedrijf aan een
                                rechtsopvolger is de houder verplicht, hiervan direct schriftelijk
                                mededeling te doen aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid vervalt de vergunning,
                                indien de rechtsopvolger van de houder niet binnen vier weken na de
                                feitelijke overdracht van het horecabedrijf een aanvraag heeft
                                ingediend voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid; als de
                                aanvraag binnen deze termijn is ingediend, blijft de vergunning van
                                kracht totdat op de aanvraag is beschikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Verplichtingen van de houder en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder en de beheerder zijn verplicht, de vergunning als bedoeld
                                in artikel 4.3. op eerste vordering van een ambtenaar belast met de
                                zorg voor de naleving van een of meerdere bepalingen van deze
                                verordening, aan deze ambtenaar ter inzage af te geven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een alcoholvrij bedrijf is verplicht, als beheerder
                                van het horecabedrijf op te laten treden degene die als zodanig in
                                de vergunning is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder en beheerder zijn verantwoordelijk voor een goede gang van
                                zaken in het horecabedrijf en in de directe omgeving daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Aanwezigheid in horecabedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is bezoekers verboden, in een horecabedrijf aanwezig te zijn
                                buiten de bij of krachtens deze verordening toegestane
                                openingstijden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden, in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>College als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van art. 174 van
                            de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester maar het college op als
                            bevoegd orgaan ter uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In de artikelen 4.12 tot en met 4.14 wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de
                                    uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid
                                    van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt
                                    verschaft;</al></li><li nr="2."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de
                                    feitelijke leiding heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Melding exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden
                            van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan
                            schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in
                            artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat ingericht
                            is volgens het door de burgemeester vastgestelde model.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder
                            is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en
                            naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum,
                            geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek
                            te verstrekken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.15</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid:</al><al> een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig
                                of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod
                                is niet van toepassing op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid,
                                onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van
                                Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine
                                kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te
                                beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30
                                van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel
                                1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en
                                leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare
                                orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de
                                exploitatie van de speelgelegenheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een
                                geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is op deze bepaling
                                niet van toepassing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.16</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>wet: de Wet op de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de
                                Wet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van
                                de Wet;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                onder d, van de Wet;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                onder e, van de Wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan,
                                waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan,
                                met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn
                                toegestaan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>EVENEMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek
                                toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bioscoopvoorstellingen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                Gemeentewet en artikel 13.7. van deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                gelegenheid geven tot dansen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                openbare manifestaties;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2.5. van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een braderie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.2.,
                                op de weg;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al> de door de burgemeester aan te wijzen categorieën van
                                vechtsportwedstrijden en –gala’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Gecoördineerde behandeling van aanvragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan ambtshalve of op verzoek van de
                                aanvrager besluiten tot een gecoördineerde behandeling van aanvragen
                                van alle door hem of door een ander gemeentelijk bestuursorgaan te
                                nemen besluiten waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan
                                aannemen dat deze nodig zijn voor de door de aanvrager te verrichten
                                activiteit(en).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ambtshalve gecoördineerde behandeling blijft achterwege in het geval
                                dat de aanvrager zo’n behandeling niet wenst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij gecoördineerde behandeling van aanvragen worden de aanvragen
                                zoveel mogelijk gelijktijdig ingediend, met dien verstande dat de
                                laatste aanvraag niet later wordt ingediend dan 4 weken na de
                                ontvangst van de eerste aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij gecoördineerde behandeling wordt gebruik gemaakt van het
                                aanvraagformulier voor gecoördineerde behandeling.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de ontbrekende aanvraag niet binnen de in het derde lid
                                genoemde termijn is ingediend, kan het bestuursorgaan de aanvrager
                                in de gelegenheid stellen de ontbrekende aanvraag alsnog binnen een
                                door hem te bepalen termijn in te dienen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De gecoördineerde behandeling van aanvragen wordt buiten toepassing
                                gelaten, indien de ontbrekende aanvraag niet tijdig is gedaan. In
                                dat geval wordt voor de toepassing van krachtens wettelijk
                                voorschrift geregelde termijnen het tijdstip waarop tot het buiten
                                toepassing laten wordt beslist, gelijkgesteld met het tijdstip van
                                ontvangst van alle betrokken aanvragen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onverminderd het derde, vierde en vijfde lid, vangt bij de
                                toepassing van dit artikel de termijn voor het nemen van besluiten
                                aan met ingang van de dag waarop de laatste aanvraag is
                                ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Bij de toepassing van dit artikel geldt in afwijking van artikel
                                1.2. als termijn binnen welke de besluiten worden genomen, de
                                termijn voor het besluit met de langste beslistermijn.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Bij gecoördineerde behandeling zendt het bevoegde bestuursorgaan de
                                beslissing op de aanvragen gelijktijdig aan de aanvrager. Indien
                                sprake is van besluiten van zowel college als burgemeester, draagt
                                het laatst beslissende bestuursorgaan zorg voor deze
                                verzending.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een evenement te organiseren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                toegankelijk gebouw of plaats een (snuffel)markt te organiseren of
                                toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden
                                verhandeld;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in
                                of op een - al dan niet met enige beperking - voor publiek
                                toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig ander
                                dergelijk middel een standplaats wordt of is ingenomen om goederen
                                aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde is geen vergunning
                                vereist voor de bij besluit van de burgemeester aangewezen
                                evenementen, onder voorwaarde dat het voornemen tot het organiseren
                                van dergelijke evenementen ten minste één week voor de aanvang van
                                het evenement bij de burgemeester is gemeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor ruimten die
                                uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en
                                voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de
                                Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergunning als bedoeld in het eerste lid onder a kan worden
                                geweigerd in het belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                goederen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester weigert een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                onder a voor een evenement als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid
                                onder e als de organisator van slecht levensgedrag is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid kan de vergunning als
                                bedoeld in het eerste lid onder b en c worden geweigerd in het
                                belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de bescherming van het milieu;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.a</nr><titel>Grote evenementen</titel></kop><al>Een aanvraag voor een vergunning voor een groot evenement (&gt; 5000
                            mensen, conform de legesverordening) dient uiterlijk zes maanden
                            voorafgaand aan het evenement te worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In de artikelen 5.5 tot en met 5.7 wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>besluit: het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
                                    milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                    bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                    drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: een festiviteit die niet specifiek aan
                                    één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: een festiviteit of activiteit die
                                    gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorschriften 1.1.1., 1.1.5., 1.1.7. en 1.1.8. van de bijlage
                                onder B van het Besluit gelden niet voor door het college per
                                kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de
                                daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voorschrift 1.5.1. van de bijlage onder B van het Besluit geldt
                                niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen
                                collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen
                                of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan
                                het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer
                                delen van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin
                                van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs
                                niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve
                                festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Melding incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de voorschriften
                                1.1.1., 1.1.5., 1.1.7. en 1.1.8. uit de bijlage onder B van het
                                Besluit niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting
                                ten minste vier weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij het voorschrift
                                1.5.1. uit de bijlage onder B van het Besluit niet van toepassing is
                                mits de houder van de inrichting ten minste vier weken voor de
                                aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding
                                als bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De melding wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het
                                derde lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld,
                                tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op
                                verzoek van de houder van een inrichting een incidentele
                                festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond
                                toestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te
                            laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de
                            burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden
                            heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving
                            van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt
                            beïnvloed.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een
                                weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming
                                daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde is geen vergunning
                                vereist voor de bij besluit van het college aangewezen objecten,
                                onder voorwaarde dat deze niet langer dan één maand worden
                                geplaatst, het gezamenlijk oppervlak ervan niet groter is dan 15 m2,
                                en het geen terrasmeubilair betreft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde bestaat een
                                meldingsplicht voor de bij besluit van het college aangewezen
                                objecten, onder de voorwaarden als gesteld in het tweede lid, indien
                                deze objecten langer dan 1 maand, maar maximaal 6 maanden worden
                                geplaatst. Ingevolge de Woningwet kan een bouwvergunning vereist
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder
                                kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële
                                doeleinden worden gebruikt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers
                                bestemde gedeelte van de weg en mits: - geen onderdeel zich minder
                                dan (2,2) meter boven dat gedeelte bevindt; en - geen onderdeel van
                                het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan (0,5)
                                meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg
                                bevindt; - geen onderdeel verder dan (1,5) meter buiten de opgaande
                                gevel reikt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>voertuigen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                geopenbaard;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>benzinepompen;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 13.4;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>terrassen, zoals bedoeld in artikel 4.1. onder c.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen
                                waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
                                constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg,
                                gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen
                                voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en
                                veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het
                                doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet
                                Milieubeheer, de Drank- en Horecawet, de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken of het provinciaal wegenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de verharding van
                                een weg op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of
                                breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering
                                te brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aanvullende voorschriften van technische aard
                                gericht op de bruikbaarheid van de weg opstellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder weg
                                verstaan hetgeen artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Maken en veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                hetgeen artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994
                                daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning kan worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van de bruikbaarheid van de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                omgeving;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                gemeente;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>vanwege de strijdigheid met een (ontwerp) bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken, het Rijkswegenreglement of het
                                Wegenreglement Noord-Holland 1970 van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde verbod is niet van toepassing op
                                degenen die kunnen aantonen reeds op grond van een andere regeling
                                een vergunning te bezitten of die zich kunnen beroepen op een
                                zakelijk recht tegenover de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te
                                werpen, uit te storten of te laten lopen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 427,
                                aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van
                                de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk,
                            rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een
                            openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te
                            dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen
                                betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de
                                veiligheid van de weggebruikers opleveren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 427,
                                aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht van
                                toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.7</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een
                            voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op
                            de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.8</nr><titel>Gooien van voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich op te houden of zich te bevinden op of in de
                                nabijheid van viaducten of andere boven de weg gelegen locaties of
                                constructies, en een steen of meerdere stenen dan wel andere
                                voorwerpen of middelen bij zich te hebben waarmee mogelijk gegooid
                                zou kunnen worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde
                                voorwerpen of middelen niet bestemd zijn voor de in dat lid bedoelde
                                handelingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>VOERTUIGEN E.D.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van
                                    de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als
                                    zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen: alle rij- en voertuigen met uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>gehandicaptenvoertuigen in de zin artikel 1 onder r van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen en dergelijke kleine
                                    voertuigen;</al></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten staan van een voertuig anders dan gedurende
                                    de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk
                                    in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of
                                    lossen van goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van bedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel gewoonte van
                                maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren
                                of te verhandelen, verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op
                                de weg te parkeren; dan wel</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen
                                betaling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                gerekend:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende
                                de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze
                                werkzaamheden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste
                                lid genoemde persoon.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten
                                een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan
                            eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer
                            dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben,
                                dan wel zodanig te plaatsen dat dit vanaf de openbare weg zichtbaar
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan:</al><al> een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en
                                tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, alsmede
                                omvangrijke samenstellende delen van voertuigen en rijdende
                                werktuigen, die in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                verkeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Caravans e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een kampeerwagen, camper, caravan, magazijnwagen,
                                aanhangwagen, keetwagen, woonwagen of een ander dergelijk voertuig
                                dat voor recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor
                                andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd, langer dan vier
                                achtereenvolgende dagen te doen of te laten staan op of aan de
                                weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                Provinciale caravan- en tentenverordening, de Wegenverordening
                                Noord-Holland of de Verordening opschriften en opslag Noord-Holland
                                van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig, dat is voorzien van een aanduiding van
                                handelsreclame, op de weg te parkeren dan wel zodanig te parkeren
                                dat deze vanaf de openbare weg zichtbaar is, met het kennelijke doel
                                om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter te parkeren op de weg binnen de bebouwde kom, behoudens op
                                daartoe door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van
                                maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 07.00 uur tot 20.00
                                uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.9</nr><titel>Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter, tussen zonsopgang en zonsondergang op de weg te parkeren bij
                                een voor bewoning bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het
                                uitzicht van bewoners vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt
                                belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd
                                die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse
                                noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te
                                parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen
                                of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>WATER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Vaartuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een vaartuigwrak in het openbaar water dan wel op de
                                weg te plaatsen of te hebben, dan wel zodanig te plaatsen dat dit
                                vanaf de openbare weg zichtbaar is dan wel hinder, gevaar of
                                verontreiniging veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder vaartuigwrak wordt verstaan:</al><al> een vaartuig dat vaartechnisch in onvoldoende staat van onderhoud
                                en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, alsmede
                                omvangrijke samenstellende delen van vaartuigen die in een kennelijk
                                verwaarloosde toestand verkeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Gebruik van openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden
                                een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar
                                water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn
                                omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar
                                oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het
                                doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt
                                voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water
                                te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding
                                aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van
                                de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin
                                geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de
                                daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                                een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het
                                eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                gemeente;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>beperkingen stellen naar tijdsduur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale
                                landschapsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 8.3. bepaalde
                                kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen
                                geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een
                                ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid,
                                veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege
                                het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen,
                                veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                de Ligplaatsregeling vaarwegen in nautisch beheer bij de provincie
                                Noord-Holland of de Landschapsverordening Noord-Holland 2005 van
                                toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te
                            stellen in strijd met het krachtens de artikelen 8.3. en 8.4.
                            bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.6</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te
                                brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten,
                                havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen,
                                oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen,
                                gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of
                                de Provinciale vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.7</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe
                            bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan
                            wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.8</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar
                                water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het
                                scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.9</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig,
                                liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.10</nr><titel>Snelheid gemotoriseerde vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een gemotoriseerd vaartuig te varen met een
                                snelheid van meer dan zes kilometer per uur op door het college
                                aangewezen gedeelten van openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het
                                Binnenvaartpolitiereglement, het Algemeen reglement van politie voor
                                rivieren en rijkskanalen, de Scheepvaartwegenverordening
                                Noord-Holland 1995 van toepassing is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>GROEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>Rookverbod in bossen, (heem)parken en natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, (heem)parken en natuurgebieden
                                of binnen een afstand daarvan gedurende de door het college
                                aangewezen periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen, (heem)parken en natuurgebieden of binnen
                                een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht
                                betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te
                                werpen of te laten liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet
                                voor zover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3e, van het
                                Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover
                                het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin
                                ingerichte, erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te
                                bevinden en/of schade te veroorzaken in of op bij de gemeente in
                                onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken
                                of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het in het eerste lid
                                gestelde verbod niet geldt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met voertuigen die niet zijn voorzien van
                                rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van
                                een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt
                                wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover
                                artikel 10 van het Rijkswegenreglement of de Wegenverordening
                                Noord-Holland van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                hetgeen artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994
                                daaronder verstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen en overige</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich met een voertuig, (brom)fiets alsmede een
                                tijdelijk (mobiel) bouwwerk te verplaatsen door - dan wel deze te
                                laten staan in - een (heem)park, plantsoen, speelweide of een van
                                gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op wegen, zoals bedoeld in artikel 7.1, onder a;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van
                                werkzaamheden door of vanwege de overheid;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op
                                terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de artikelen 9.6. tot en met 9.9. wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>houtopstand: een of meer bomen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van
                                de stam van minimaal vijftien centimeter op 1.30 meter hoogte boven
                                het maaiveld gemeten. In geval van meerstammigheid geldt de
                                dwarsdoorsnede van de dikste stam;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de overige
                                houtopstanden;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge
                                artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>iepziekte: een ziekte onder iepen, veroorzaakt door de schimmels
                                Ophiostoma ulmi (synoniem Ceratocystis ulmi) en Ophiostoma
                                novo-ulmi;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>bomenlijst: de door het college meest recente vastgestelde “Lijst
                                waardevolle bomen gemeente Amstelveen”. Het betreft waardevolle
                                bomen van particulieren en bedrijven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die
                                de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten
                                gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Kapverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een boom te vellen
                                of te doen vellen, wanneer deze boom voorkomt op de bomenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning kan slechts worden toegewezen indien er sprake is van
                                grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang van openbare
                                orde of veiligheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen
                                voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan eisen dat bij de aanvraag voor een kapvergunning een
                                onderzoeksrapport naar de algemene onderhoudstoestand van de te
                                kappen boom wordt overgelegd van een onafhankelijke boomverzorger,
                                die aangesloten is bij de Stichting Verenigd Register van Taxateurs
                                (sector Agrarisch, specialisme: Bomen).</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de bomen genoemd in artikel 15 van de Boswet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>vruchtbomen die geen deel uitmaken van een bedrijfsmatige
                                exploitatie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bomen die moeten worden gekapt krachtens de Plantenziektewet of
                                krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks
                                onverminderd het bepaalde in artikel 9.8.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Waardevolle bomenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd de bomenlijst te beheren en actualiseren. De
                                bomenlijst omvat in ieder geval een voor ieder goed herkenbare
                                omschrijving, standplaats, het kadastrale perceelsnummer, de
                                eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van
                                iedere houtopstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eigenaar van een houtopstand die op de lijst staat, is verplicht
                                schriftelijk aan het college mededeling te doen van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand anders dan
                                door velling op grond van een verleende vergunning. De mededeling
                                dient te geschieden binnen 4 weken na het geheel of gedeeltelijk
                                tenietgaan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan
                                gaan als gevolg van voorgenomen werkzaamheden van welk aard dan ook.
                                De mededeling dient te geschieden onmiddellijk indien sprake is van
                                dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan
                                gaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er werkzaamheden gepland staan binnen de kroonprojectie van
                                een houtopstand die op de bomenlijst voorkomt, dient er tenminste 8
                                weken voor aanvang van de voorgenomen werkzaamheden een
                                kapvergunningaanvraag te worden ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Kappen zonder vergunning en instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een boom zonder vergunning is gekapt, kan het college de
                                verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hem te
                                geven aanwijzingen en binnen een door hen te bepalen termijn.</al><al> Is herplant op de betreffende locatie niet mogelijk dan kan per
                                gevelde boom een financiële bijdrage verlangd worden voor
                                groencompensatie op een andere locatie binnen de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan
                                kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting
                                en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden
                                vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                                afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt
                                bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond
                                waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit
                                anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven
                                aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te
                                treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met
                                derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht
                                daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het
                                oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de
                                iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de
                                rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven,
                                verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen
                                termijn:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen bij voorkeur door
                                een erkend boomverzorgingsbedrijf;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen bij voorkeur
                                door een erkend boomverzorgingsbedrijf;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen door
                                een erkend gecertificeerd recyclingsbedrijf of zodanig te laten
                                behandelen door een erkend gecertificeerd recyclingsbedrijf dat
                                verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van
                                geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner
                                dan vier centimeter, voorhanden of in voorraad te hebben of te
                                vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid onder sub c geldt eveneens voor
                                geveld en gezond iepenhout.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.10</nr><titel>Afstand tot erfgrens</titel></kop><al>De afstand tot de erfgrens als bedoeld in artikel 5:42 van het
                            Burgerlijk Wetboek, wordt vastgesteld op twee meter voor bomen en op een
                            halve meter voor heesters en heggen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>10</nr><titel>DIEREN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie</titel></kop><al>Het is de eigenaar, houder van een hond verboden die hond te laten
                            verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>op andere wegen dan die welke door het college daarvoor zijn
                                    aangewezen, zonder dat die hond aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide dan wel
                                    heempark, schoolplein of op een andere door het college
                                    aangewezen plaats;</al></li><li nr="c."><al>op de weg zonder voorzien te zijn van een deugdelijk middel
                                    waarop of waarin duidelijk de naam en het adres van de eigenaar
                                    of houder is aangegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>Hondenuitlaatcentrales</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich op of aan de openbare weg te bevinden met meer
                                dan vijf honden voor het bedrijfsmatig uitlaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing
                                verlenen voor nader bepaalde, afgebakende gebieden en voor het
                                aantal honden dat gelijktijdig bedrijfsmatig uitgelaten wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar, houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat
                                die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor
                                het verkeer van voetgangers, met uitzondering van de in de naast de
                                stoeprand gelegen goot van de rijweg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in een heempark of op schoolpleinen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>op een andere door het college aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het
                                eerste lid, onder a niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de
                                hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                verwijderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                                verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van
                                een ander:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de
                                houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk
                                acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond
                                noodzakelijk vindt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het
                                college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die
                                hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod
                                in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 10.1 onder c, geldt voor het bepaalde in
                                het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een
                                optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor
                                of de nekvel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>muilkorf : een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de
                                Regeling agressieve dieren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>kort aanlijnen : aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte,
                                gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50
                                meter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te
                                wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade
                                aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide
                                dieren:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aanwezig te hebben; dan wel;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter
                                voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare
                                gezondheid gestelde regels; dan wel;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is
                                aangegeven of mede is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats
                                een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te
                                hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van
                                de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot
                                een groter aantal dan door het college is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg
                            liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                            deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                            maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan
                            bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.7</nr><titel>Duiven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die
                                duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een
                                door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1
                                juni.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gesteld gebod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale
                                ophokverordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>11</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN E.D.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                    seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                    van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                    ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                    bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                    vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder
                                    een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                    seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of
                                    een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische
                                    massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                    rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                    bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats
                                    dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                    waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch pornografische aard
                                    aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon
                                    of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf
                                    exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon
                                    of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                    onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting
                                    of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                    uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
                                    14.2;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                    dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan:</al><al>het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                            gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de
                            Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 11.13 genoemde belangen, kan het college
                            over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels
                            vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                geval vermeld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht
                                of de voogdij;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de
                                beheerder niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in
                                een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel
                                37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door
                                een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249,
                                252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426,
                                429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8
                                of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de
                                kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                gesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
                                derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van
                                beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                van de intrekking van deze vergunning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen
                                exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                artikel 11.4, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake
                                geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben
                                en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven dagelijks
                                tussen 00:00 en 11:00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld
                                in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere
                                sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 11.7., eerste
                                lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover
                                in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet
                                milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 11.13, tweede lid, genoemde belangen of
                                in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het
                                bevoegd bestuursorgaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 11.6, eerste of tweede
                                lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste
                                lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                                zonder dat de ingevolge artikel 11.4 op de vergunning vermelde
                                exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien dat
                                in de seksinrichting:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII
                                (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII
                                (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het
                                bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen
                                dan wel aan te lokken:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of
                                gebieden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 11.13, tweede lid, genoemde belangen
                                kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de
                                wegen en tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven
                                zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 11.13, tweede lid,
                                genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is
                                gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich
                                gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van
                                vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in
                                het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien
                                dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                                noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                            sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                            openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen
                            van de gemeente. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch
                                pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                stukken dan wel afbeeldingen van erotisch pornografische aard
                                openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                        bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                        aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan
                                        in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het
                                tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften,
                                aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen,
                                die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld
                                in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                vergunning bedoeld in artikel 11.4, eerste lid, binnen twaalf weken
                                na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf
                                weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 11.4, eerste lid, wordt geweigerd
                                indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 11.5
                                gestelde eisen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273a van
                                het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 11.4, eerste lid, dan wel de
                                aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 11.9, eerste lid, kan
                                worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van de
                                woon- en leefklimaat;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van personen of goederen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 11.4 op de
                                vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting
                                of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 11.4, tweede lid, onder
                                b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk
                                heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het
                                bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien
                                het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft
                                besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het
                                beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 11.13, eerste lid,
                                aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het exploiteren van een bestaande seksinrichting of escortbedrijf
                                is het gestelde in artikel 11.4, eerste lid, niet van
                                toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>gedurende 24 weken na het in werking treden daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant
                                binnen deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in
                                artikel 11.4, eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag
                                door het bevoegd bestuursorgaan een besluit is genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd
                                bestuursorgaan met het oog op de in artikel 11.13, tweede lid,
                                genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen van in
                                die aanschrijving vermelde voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.17</nr><titel>Kwetsing openbare zedelijkheid</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek
                            toegankelijke plaats of op een plaats, zichtbaar vanaf de weg of vanaf
                            een andere voor publiek toegankelijke plaats zich te bevinden in een
                            houding, toestand of kleding, die uit een oogpunt van openbare
                            zedelijkheid kwetsend is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.18</nr><titel>Ongeklede openbare recreatie.</titel></kop><al>Het college kan voor ongeklede openbare recreatie geschikte plaatsen
                            aanwijzen, gelet op het bepaalde in artikel 430a van het Wetboek van
                            Strafrecht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>12</nr><titel>NAAMGEVING EN NUMMERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Adres: door het college aan een verblijfsobject, een standplaats
                                    of een ligplaats toegekende benaming, bestaande uit een
                                    combinatie van de naam van een openbare ruimte, een
                                    nummeraanduiding en de naam van een woonplaats;</al></li><li nr="b."><al>Afgebakend terrein: een terrein met een kunstmatige of
                                    natuurlijke afbakening, waarop zich geen verblijfsobjecten
                                    bevinden en dat betreedbaar en afsluitbaar is;</al></li><li nr="c."><al>Convenant: het tussen de Minister van Volkshuisvesting,
                                    Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Vereniging van
                                    Nederlandse Gemeenten en de Koninklijke TPG Post BV gesloten
                                    Kader Convenant en Nader Convenant inzake postcodes;</al></li><li nr="d."><al>Ligplaats: door het college als zodanig aangewezen plaats in het
                                    water, al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig
                                    terrein of een gedeelte daarvan, die is bestemd voor het
                                    permanent afmeren van een voor woon-, bedrijfsmatige of
                                    recreatieve doeleinden geschikt vaartuig;</al></li><li nr="e."><al>Nummeraanduiding: door het college als zodanig toegekende
                                    aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats, een
                                    ligplaats en een afgebakend terrein dat bestaat uit een of meer
                                    Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter-
                                    en/of cijfercombinatie;</al></li><li nr="f."><al>Openbare ruimte: door het college als zodanig aangewezen en van
                                    een naam voorziene buitenruimte die binnen één woonplaats is
                                    gelegen;</al></li><li nr="g."><al>Pand: kleinste bij de totstandkoming functioneel en
                                    bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en
                                    duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar
                                    is;</al></li><li nr="h."><al>Rechthebbende: een ieder die krachtens eigendom of een beperkt
                                    zakelijk recht of een persoonlijk recht zodanig beschikking
                                    heeft over een onroerende zaak dat hij naar burgerlijk recht
                                    bevoegd is om in die zaak te handelen zoals in hoofdstuk 12 van
                                    de APV is voorgeschreven, alsmede de beheerder;</al></li><li nr="i."><al>Standplaats: door het college als zodanig aangewezen terrein of
                                    een gedeelte daarvan dat is bestemd voor het permanent plaatsen
                                    van een niet direct en duurzaam met de aarde verbonden en voor
                                    woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte
                                    ruimte;</al></li><li nr="j."><al>Uitvoeringsvoorschriften: nadere bepalingen inzake naamgeving en
                                    nummering (adressen);</al></li><li nr="k."><al>Verblijfsobject: de kleinste binnen één of meerdere panden
                                    gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden
                                    geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen
                                    afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een
                                    gedeelde verkeersruimte, die onderwerp kan zijn van
                                    goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht
                                    zelfstandig is;</al></li><li nr="l."><al>Wijk- en buurtindeling: een indeling van de gemeente in wijken
                                    en buurten conform de eisen die het CBS aan deze indeling
                                    verbindt;</al></li><li nr="m."><al>Woonplaats: door het college als zodanig aangewezen en van een
                                    naam voorzien gedeelte van het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="n."><al>De Wet: Wet basisregistraties adressen en gebouwen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Naamgeving en begrenzing van woonplaatsen, toekennen van namen
                                aan de openbare ruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de grens en de naam van de woonplaats(en) vast en
                                kan desgewenst de woonplaats(en), al dan niet op basis van
                                bouwblokken, in wijken en buurten verdelen en aanduiden met namen,
                                zo nodig met letters en nummers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kent per woonplaats namen toe aan delen van de openbare
                                ruimte en zo nodig aan gemeentelijke gebouwen en bouwwerken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder vaststellen, verdelen, aanduiden en toekennen, zoals bedoeld
                                in het eerste lid en tweede lid, wordt tevens begrepen het wijzigen
                                en intrekken daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Het nummeren van verblijfsobjecten, ligplaatsen, standplaatsen en
                                afgebakende terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de ligplaatsen en standplaatsen vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kent binnen het grondgebied van de gemeente nummers toe
                                aan verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien aan een verblijfsobject meer dan één nummer wordt toegekend,
                                worden nummers onderscheiden in hoofdnummer en nevennummer.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de afbakening van panden, verblijfsobjecten,
                                standplaatsen en ligplaatsen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toekenning of afbakening, zoals bedoeld in het tweede tot en met
                                het vierde lid, kan ook op voor personen toegankelijke objecten,
                                zijnde niet verblijfsobjecten of op afgebakende terreinen worden
                                toegepast, indien dat naar oordeel van het college noodzakelijk
                                is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder vaststellen, toekennen en bepalen, zoals bedoeld in het eerste
                                tot en met vijfde lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en
                                intrekken daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Namen en nummers aanbrengen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De door het college toegekende namen, zoals vervat in artikel 12.2,
                                worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in
                                voldoende aantallen ter plaatse aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan objecten, zoals aangegeven in artikel 12.3, waarvoor een nummer
                                is vastgesteld moet dat nummer op een doeltreffende wijze zijn
                                aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is eenieder die daartoe niet is bevoegd is, verboden namen aan
                                de openbare ruimte en woonplaatsen, wijken en buurten toe te kennen
                                door deze op zichtbare wijze aan te brengen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is een ieder die daartoe niet is bevoegd, verboden aan een pand
                                of verblijfsobject, stand- of ligplaats of afgebakend terrein
                                nummers toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te
                                brengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Gedoogplicht naamborden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of
                                buurtaanduiding, borden met namen van de openbare ruimte, daarbij
                                behorende onderschriften daaronder begrepen, naamverwijsborden,
                                nummerborden, nummerverzamelborden, brandkraanbordjes of borden ter
                                aanduiding van de positie van brandkranen en andere
                                (verwijs)aanduidingen aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal,
                                schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht,
                                draagt de rechthebbende er zorg voor dat de hier bedoelde borden
                                vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van het
                                college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of
                                verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college het noodzakelijk acht om een naambord, waarop de
                                vervallen naam is doorgehaald, tijdelijk naast het naambord met de
                                nieuwe naam te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten als
                                daaraan door het college een termijn van niet langer dan een jaar is
                                verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college geeft tevoren schriftelijk kennis aan de rechthebbende
                                van hun voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen
                                van de in het eerste en tweede lid bedoelde borden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De rechthebbende zorgt er voor dat de in het eerste en tweede lid
                                bedoelde borden vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar
                                blijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Verplichting tot aanbrengen van nummerborden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij het college anders heeft besloten, zorgt de rechthebbende van
                                een object er voor dat de nummers, zoals bedoeld in artikel 12.3,
                                tweede en derde lid, worden aangebracht op een wijze zoals krachtens
                                artikel 12.8 is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende draagt er zorg voor dat de in het eerste lid
                                genoemde nummers binnen vier weken na kennisgeving van het besluit
                                van het college zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een verblijfsobject, ligplaats, standplaats of afgebakend
                                terrein nog niet is voltooid, wordt het nummer binnen vier weken na
                                voltooiing aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het college heeft besloten om een nummerbord, waarop het
                                vervallen nummer is doorgehaald, naast het nummerbord met het nieuwe
                                nummer te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten of daar
                                uitvoering aan geven als daaraan door het college een termijn van
                                niet langer dan een jaar is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan de in het tweede en derde lid genoemde termijn
                                verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.7</nr><titel>Verwijdering e.d. van aanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in artikel 12.5, eerste
                                en tweede lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen of
                                onleesbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van
                                Strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende die
                                met in achtneming van het door het college vastgestelde nummer de
                                aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen. Het
                                college kan ter zake nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.8</nr><titel>Uitvoeringsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan uitvoeringsvoorschriften vaststellen betreffende het
                                proces en de wijze van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>naamgeving en van begrenzing van woonplaatsen, wijken, buurten en
                                bouwblokken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>naamgeving en begrenzing van de openbare ruimte; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>nummering van verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen en
                                afgebakende terreinen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>opmaak van formulieren, besluiten en verklaringen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitvoeringsvoorschriften zijn niet strijdig met het convenant
                                inzake postcodes.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.9</nr><titel>Vervallen oude regels</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van dit hoofdstuk vervallen alle eerdere
                            gemeentelijke regels en voorschriften voor het benoemen van delen van de
                            openbare ruimte en het nummeren van de daaraan liggende objecten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.10</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Namen en nummers die op grond van de in artikel 12.9 genoemde regels
                                en voorschriften aan objecten zijn toegekend, blijven na
                                inwerkingtreding van dit hoofdstuk bestaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in afwijking van het eerste lid besluiten dat de op
                                grond van de in het eerste lid genoemde regels en voorschriften
                                aangebrachte namen en nummers binnen een door hem te bepalen termijn
                                moeten worden vervangen door namen en nummers die voldoen aan de bij
                                of krachtens deze verordening gestelde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.11</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>In afwijking van artikel 14.1 wordt overtreding van artikel 12.4, tweede
                            en derde lid, artikel 12.5, eerste, tweede en vierde lid en artikel
                            12.6, eerste tot en met het vierde lid, gestraft met een geldboete van
                            de eerste categorie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>13</nr><titel>OVERIGE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de artikelen 13.2 en 13.3. wordt onder venten verstaan:</al><al> het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden,
                                verkopen of afleveren van goederen op of aan de weg, aan huis dan
                                wel op een andere voor het publiek toegankelijke en in de open lucht
                                gelegen plaats, dan wel diensten aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit
                                doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                Winkeltijdenwet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als
                                bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en markten als bedoeld in
                                artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op
                                snuffelmarkten als bedoeld in artikel 13.7 van deze
                                verordening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als
                                bedoeld in het eerste lid op een standplaats als bedoeld in artikel
                                13.4 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.2</nr><titel>Venten e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening
                                van de kleinhandel op of aan de weg of aan een openbaar water, aan
                                een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking -
                                voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats
                                goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven, dan wel
                                diensten aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen
                                22.00 uur en 07.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden
                                geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                Grondwet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van goederen
                                door - of door huisgenoten of personeel van - hem die dit mede doet
                                ter exploitatie van zijn winkel, zoals bedoeld in artikel 1 van de
                                Winkeltijdenwet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats die
                                is aangewezen voor het houden van een door de raad ingestelde markt,
                                zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op
                                een standplaats bedoeld in artikel 13.4.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de ongehinderde doorgang van het verkeer of de
                                verkeersveiligheid;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of
                                in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door
                                het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor
                                de consumenten ter plaatse in gevaar komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.3</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 13.2 geldt niet voor venten met gedrukte of
                                geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard
                                als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het
                                eerste lid beperken door een verbod in te stellen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan;
                                en/of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het tweede
                                lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.4</nr><titel>Standplaatsen: uitstallingen op de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg
                                of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met
                                enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht
                                gelegen plaats:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een
                                standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van
                                de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te
                                verstrekken, dan wel diensten aan te bieden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze
                                te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan
                                publiek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet
                                ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven
                                stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld
                                in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Alsdan geldt ook het in
                                het tweede lid gestelde verbod niet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de
                                plaats die is aangewezen voor het houden van een door de raad
                                ingestelde markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden
                                wordt voor een evenement als bedoeld in artikel 5.1, of voor het
                                organiseren van een markt als bedoeld in artikel 13.7.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer, de Woningwet, het Rijkswegenreglement of de
                                Wegenverordening Noord-Holland van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de ongehinderde doorgang van het verkeer of
                                verkeersveiligheid;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of
                                in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door
                                het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor
                                de consument ter plaatse in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Houders van een vaste standplaatsvergunning voor bloemenverkoop
                                mogen tevens kerstbomen verkopen in de periode van 6 december tot en
                                met 24 december op een door het college aan te geven locatie en
                                oppervlakte. Voor een dergelijke kerstbomenverkoop is geen aparte
                                objectvergunning nodig.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.5</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop
                            zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                            ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.6</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>Het college houdt de aanvraag om een standplaatsvergunning aan, indien
                            de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als
                            bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist en indien geen
                            toepassing kan worden gegeven aan het tweede lid, tot de dag waarop is
                            beslist op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van
                            de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.7</nr><titel>Inzameling van geld of goed</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het
                                bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen
                                wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of
                                ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                gehouden wordt. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>14</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, en de op
                            grond van artikel 1.4. daarbij gegeven voorschriften en beperkingen,
                            wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of met een
                            geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met
                            openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ambtenaren van de afdeling VKH, team Handhaving (BOA’s);</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ambtenaren van de dienst Amsterdam Beheer van het Amsterdamse Bos
                                van de Boswachterij van de gemeente Amsterdam, voor zover het gaat
                                om het gebied behorende tot het Amsterdamse Bos.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de door het college dan wel de
                                burgemeester aangewezen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop
                                zij is bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op dat tijdstip wordt de Algemene Plaatselijke Verordening van de
                                gemeente Amstelveen, in werking getreden op 1 oktober 2000
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens
                                verordeningen bedoeld in artikel 14.4, tweede lid, blijven - indien
                                en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing
                                betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij
                                niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog voor onbepaalde tijd
                                van kracht tenzij de vergunning of ontheffing een andere
                                geldigheidsduur aangeeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen
                                bedoeld in artikel 14.4, tweede lid, blijven - indien en voorzover
                                de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn
                                opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voorzover zij niet
                                eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog voor onbepaalde tijd van
                                kracht tenzij de voorschriften of ontheffingen een andere
                                geldigheidsduur aangeeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op
                                grond van een verordening bedoeld in artikel 14.4, tweede lid, is
                                ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de
                                overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening
                                toegepast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
                                vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na
                                het tijdstip bedoeld in artikel 14.4, eerste lid, is ingekomen
                                binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met
                                toepassing van de verordening bedoeld in artikel 14.4 tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat
                                onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in
                                deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste,
                                vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken
                                voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het
                                bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing
                                vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een
                                verordening als bedoeld in artikel 14.4, tweede lid, zijn niet van
                                toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>gedurende 12 weken na het in werking treden van deze
                                verordening;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de
                                vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een
                                aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is
                                beslist.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 14.4, tweede
                                lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die
                                verordening genomen nadere regels, beleidsregels en
                                aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de rechtsgrond waarop de
                                aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze
                                verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel: Algemene
                            plaatselijke verordening van de gemeente Amstelveen.</al><al></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 28 november 2007.</al><al></al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</label></kop><divisie><kop><label>HOOFDSTUK </label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN EN PROCEDUREVOORSCHRIFTEN</titel></kop><al></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.1 Begripsomschrijvingen</nr></kop><al>Dit artikel geeft een definitie van in deze verordening gehanteerde
                        begrippen. Een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op
                        een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn nader
                        gedefinieerd in het desbetreffende hoofdstuk. Deze kunnen afwijken van de in
                        artikel 1.1. gegeven definitie. Zie bijvoorbeeld de definitie van “bebouwde
                        kom” in artikel 9.5. Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities
                        kan het volgende worden opgemerkt.</al><al><cursief>a. Weg</cursief></al><al>De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking
                        op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De in artikel 1.1 gegeven
                        omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de
                        Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale
                        wegenreglementen). Te onderscheiden zijn de volgende definities van het
                        begrip "weg":</al><lijst><li nr="a."><al>de "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de
                                wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van
                                de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die
                                openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van
                                vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie
                                hierna);</al></li><li nr="b."><al>de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten
                                de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan
                                als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de
                                verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te
                                grijpen;</al></li><li nr="c."><al>de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat -
                                onder uiteenlopende formuleringen - voorkomt in verschillende
                                artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene
                                plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim:
                                "openbare wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar verkeer open
                                staan", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen
                                zijn openbaar. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen"
                                kunnen de "openbare wegen" en de overige "voor het openbaar verkeer
                                openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet
                                uitgeput.</al></li></lijst><al><cursief>Ad a.</cursief></al><al>Voor het vaststellen van de eventuele openbaarheid van een weg geeft artikel
                        4 van de Wegenwet een aantal criteria. Een weg is openbaar:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hij, na het tijdstip van 30 jaar voor de inwerkingtreding
                                van deze wet (1 oktober 1932), gedurende een termijn van 30
                                achtereenvolgende jaren voor eenieder toegankelijk is geweest;</al></li><li nr="b."><al>wanneer hij, na het tijdstip van 10 jaren voor de inwerkingtreding
                                van deze wet, gedurende 10 achtereenvolgende jaren voor eenieder
                                toegankelijk is geweest en tevens gedurende die tijd de weg in
                                onderhoud is geweest bij rijk, provincie, gemeente of
                                waterschap;</al></li><li nr="c."><al>wanneer de rechthebbende op een weg, met medewerking van de
                                gemeenteraad, daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven.
                            </al></li></lijst><al>Indien gedurende een termijn van een jaar duidelijk is aangegeven, dat de
                        weg slechts op dringend verzoek voor eenieder toegankelijk is (bijvoorbeeld
                        door het plaatsen van een bord "eigen weg") en deze termijn in de onder a en
                        b bedoelde termijnen van 30 respectievelijk 10 jaar valt, wordt de daar
                        bedoelde "verjaring", waardoor een weg het karakter van openbare weg
                        verkrijgen kan, gestuit. Het hangt in hoofdzaak af van de feitelijke
                        omstandigheden gedurende een reeks van jaren, of een bepaalde weg of een
                        bepaald pad het karakter van openbare weg heeft gekregen. Van geval tot
                        geval zal dus door de gemeente dienen te worden nagegaan of zich ten aanzien
                        van een weg een van de in het vorengenoemde artikel 4 van de Wegenwet
                        vermelde gevallen voordoet. De wegenlegger zal hierover wat betreft de wegen
                        buiten de bebouwde kom ook uitsluiting kunnen en moeten geven, doch ook
                        zonder vermelding in de wegenlegger kan een weg openbaar zijn. Indien
                        bepaalde wegen of paden openbaar zijn in de zin van de Wegenwet, dan heeft
                        dat krachtens artikel 14 tot gevolg dat de rechthebbende op en de
                        onderhoudsplichtige van de weg alle verkeer over die weg hebben te dulden,
                        met dien verstande, dat er beperkingen in het gebruik kunnen zijn, hetzij
                        krachtens wettelijk voorschrift (denk aan verkeersbeperkingen), hetzij omdat
                        de aard van de betrokken weg dat met zich brengt (bijvoorbeeld een zandweg;
                        deze zal soms slechts als voetpad of ruiterpad worden gebruikt. De
                        rechthebbende behoeft alsdan slechts dit verkeer te dulden).</al><al><cursief>Ad b.</cursief></al><al>De wegenverkeerswetgeving is toepasselijk op alle feitelijk voor het
                        openbaar verkeer openstaande wegen. Indien een weg geen openbare weg in de
                        zin van de Wegenwet is, is de eigenaar van de weg gerechtigd deze voor het
                        verkeer te sluiten. Daarbij staat hem vrij deze weg niet voor alle verkeer
                        te sluiten, doch slechts voor bepaalde categorieën van weggebruikers. Voor
                        de andere categorieën is die weg dan een voor het openbare verkeer
                        openstaande weg in de zin van de WVW 1994, waarop deze wet ten volle van
                        toepassing is.</al><al>Beslissend is of een weg inderdaad feitelijk voor het verkeer gesloten is.
                        De duidelijk kenbaar gemaakte bedoeling van de eigenaar van de weg is niet
                        voldoende voor de beantwoording van de vraag óf deze weg al dan niet voor
                        het openbaar verkeer openstaat. En ook de plaatsing door de eigenaar van
                        verbodsborden als bedoeld in artikel 461 Wetboek van Strafrecht (WvSr) vormt
                        op zich nog geen beletsel om van een voor het openbaar verkeer openstaande
                        weg te kunnen spreken; daarvoor moet de weg ook feitelijk zijn afgesloten.
                        Zie de uitspraak van de ARRS 29-03-1982, NG 1982, p. S 135 m.nt. inzake de
                        Wassenaarse Kasteellaan. Anders wordt het, indien er ook werkelijk controle
                        op de naleving van een artikel 461-verbod plaatsvindt. Zie het arrest van de
                        Hoge Raad van 12 januari 1982, NJ 1983, 244 (Veenhuizen).</al><al>Voor het verkeer openstaande wegen die tevens zijn aan te merken als
                        openbare wegen in de zin van de Wegenwet, mogen noch door daadwerkelijke
                        maatregelen noch door plaatsing van een artikel 461-bord, voor het openbaar
                        verkeer worden afgesloten. De Wegenwet legt immers een duldplicht op ten
                        aanzien van het toelaten van verkeer over de weg overeenkomstig zijn
                        bestemming, terwijl artikel 461 WvSr niet op openbare wegen van toepassing
                        is. Aangezien het begrip "weg" in de zin van de WVW 1994 ruim moet worden
                        geïnterpreteerd, zullen wegen en paden in voor publiek toegankelijke
                        natuurgebieden doorgaans als zodanig moeten worden aangemerkt. Dit brengt
                        weer mee dat het overheidsorgaan bedoeld in artikel 18 van de WVW 1994 -
                        ongeacht de eigendomssituatie met betrekking tot deze wegen - bevoegd is tot
                        het plaatsen van gebods- of verbodsborden als bedoeld in artikel 15 en 16
                        van de WVW 1994.</al><al><cursief>Ad c.</cursief></al><al>De wegenverkeerswetgeving heeft slechts betrekking op de wegen. De
                        bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever strekt zich echter óók uit tot
                        andere voor het publiek toegankelijke plaatsen.</al><al>Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 1930, NJ 1931, p. 120, volgt
                        dat niet het juridisch karakter van een plaats, maar het feitelijk karakter
                        doorslaggevend is voor de vraag of de gemeenteraad nadere regels mag stellen
                        in het belang van de openbare orde. Uit het arrest van de Hoge Raad van 28
                        april 1967, VR 1967, 110 (APV Eindhoven), wordt duidelijk dat onder "voor
                        het publiek toegankelijke plaatsen " moet worden verstaan alle openbare én
                        niet openbare plaatsen welke in feite voor het publiek toegankelijk zijn.
                        Dat de toegang tot bedoelde plaatsen mogelijk aan beperkingen onderhevig is
                        - bijvoorbeeld door de betaling van entreegeld - doet daaraan in beginsel
                        niet af (HR 25-02-1958, NJ 1958, 298, No 15 oktober 1996, AB 1997, 20). </al><al>De conclusie die kan worden getrokken is deze, dat de gemeentelijke wetgever
                        bevoegd is ten aanzien van alle feitelijk voor het publiek toegankelijke
                        plaatsen regels vast te stellen - zulks ongeacht de eigendomssituatie met
                        betrekking tot deze plaatsen - voorzover dat nodig is in het belang van de
                        gemeentelijke huishouding.</al><al>Uiteraard mogen deze regels de rechten van de eigenaars niet illusoir maken
                        en moeten de grenzen gelegen in hogere wetgeving (o.a.
                        wegenverkeerswetgeving en Wegenwet) in acht worden genomen.</al><al>Over de vier onderdelen van de omschrijving van het begrip "weg" in artikel
                        1.1 kan het volgende worden opgemerkt:</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Onderdeel 1</titel></kop><al>Teneinde verwarring te voorkomen wordt door de verwijzing de letterlijke tekst
                    van artikel 1 WVW 1994 overgenomen. In artikel 1, eerste lid, onder B, zijn
                    wegen gedefinieerd als: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of
                    paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen
                    behorende paden en bermen of zijkanten. Ook de daaraan liggende en als zodanig
                    aangeduide parkeerterreinen worden daaronder begrepen geacht. Om iedere twijfel
                    weg te nemen is een expliciete verwijzing naar parkeerterreinen gehandhaafd.
                    Hiermee worden bedoeld: alle als zodanig herkenbare parkeerterreinen die - al
                    dan niet tegen betaling - toegankelijk zijn voor het publiek.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Onderdeel 2</titel></kop><al>Door opneming van de woorden "al dan niet met enige beperking" is buiten kijf
                    gesteld, dat bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling
                    van entreegeld, er niet aan af doen dat gesproken kan worden van "weg", indien
                    de desbetreffende plaats in feite voor het publiek toegankelijk is.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Onderdelen 3 en 4</titel></kop><al>In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen,
                    portieken enz., die "uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten
                    toegang geven" (onder 3) en andere stoepen en trappen enz. (onder 4). De
                    eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip "weg" indien deze niet
                    afsluitbaar zijn. Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen enz. uitgezonderd
                    gehouden van het begrip "weg", óók indien het hek of de deur niet is afgesloten
                    ("afsluitbaar"). Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van
                    afsluiting op zich geen rol; het feitelijk voor het publiek toegankelijk zijn,
                    bepaalt of de APV van toepassing is. Bij deze categorie moet gedacht worden aan
                    afsluitbare winkelpassages. In recentelijk gebouwde winkelcentra vindt men
                    steeds meer kleine, veelal overdekte straatjes die voor het doorgaande verkeer
                    nauwelijks een functie hebben. Sommige van deze bewust smal gehouden doorgangen
                    of "passages" worden gedurende de avond- en nachtelijke uren afgesloten, omdat
                    het uitoefenen van toezicht alsdan onmogelijk is. Ter verklaring van de zinsnede
                    "die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is" wordt het volgende vermeld. Op de
                    wegen in de zin van de Wegenwet kan het publiek vrijelijk vertoeven omdat het
                    rechtens daartoe bevoegd is. In het bijzonder heeft de zakelijk gerechtigde op
                    de betrokken weg niet de mogelijkheid hierin verandering te brengen. Bij andere
                    wegen heeft de term "openbaar" slechts de betekenis van "feitelijk voor het
                    publiek toegankelijk". Het publiek heeft toegang tot deze wegen krachtens
                    gedogen van de zakelijk gerechtigde. Mits hij zich niet bij overeenkomst terzake
                    heeft gebonden, is de zakelijk gerechtigde naar burgerlijk recht te allen tijde
                    bevoegd in het gebruik van de weg door het publiek wijziging te brengen dan wel
                    dit gebruik te beëindigen. Het mag duidelijk zijn dat in het geval de zakelijk
                    gerechtigde het publiek de toegang ontzegt, op de desbetreffende weg de APV niet
                    (meer) van toepassing is.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Op of aan de weg</titel></kop><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden)
                    gedragingen "op of aan de weg". De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een
                    zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld
                    voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen.
                    Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook
                    treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet
                    en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag
                    inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. </al><al><cursief><onderstreept>b</onderstreept></cursief><cursief>. Openbaar
                        water</cursief></al><al>Een "openbaar water" in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat voor enig gebruik open staat voor het publiek. "Openbaar" is hier dus
                    synoniem aan "feitelijk voor het publiek toegankelijk".</al><al><cursief><onderstreept>c</onderstreept></cursief><cursief>. Bebouwde
                        kom</cursief></al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt
                    (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het begrip "bebouwde kom" kan aangesloten
                    worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens
                    artikel 27, lid 2, van de Wegenwet. Voor de duidelijkheid zou de grens van de
                    bebouwde kom op een topografische kaart weergegeven kunnen worden en als bijlage
                    bij de APV gevoegd kunnen worden. </al><al><cursief><onderstreept>d</onderstreept></cursief><cursief>.
                        Rechthebbende</cursief></al><al>Zoals uit de omschrijving duidelijk wordt, hebben wij hier te maken met de
                    rechthebbende naar burgerlijk recht.</al><al><cursief><onderstreept>e</onderstreept></cursief><cursief>.
                    Voertuigen</cursief></al><al>De verwijzing naar artikel 1, onder a en onder al (aa el), van het RVV 1990
                    voorkomt verwarring over de inhoud van het begrip voertuigen. In artikel 1,
                    onder a, worden aanhangwagens gedefinieerd als: voertuigen die door een voertuig
                    worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen,
                    alsmede opleggers. In artikel 1, onder al, worden als voertuigen genoemd:,
                    fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. De
                    APV zondert van deze voertuigen uit: a. treinen en trams en b. kruiwagens,
                    kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. </al><al><cursief><onderstreept>f</onderstreept></cursief><cursief>.
                    Vaartuigen</cursief></al><al>Als voorbeelden van hier bedoelde vaartuigen kunnen worden genoemd:
                    baggerwerktuigen, bokken, kranen, elevators en zeilplanken (HR 04-04-1980, NJ
                    1980, 35).</al><al><cursief><onderstreept>g</onderstreept></cursief><cursief>.
                        Woonschepen</cursief></al><al>Hier worden ook woonarken en woonboten onder verstaan.</al><al><cursief><onderstreept>h</onderstreept></cursief><cursief>.
                    Bouwwerk</cursief></al><al>Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de (Model-)bouwverordening.</al><al><cursief><onderstreept>i</onderstreept></cursief><cursief>.
                    Gebouw</cursief></al><al>Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1, onder c, van de Woningwet.
                    Aangezien de aanhef van artikel 1 van de Woningwet de definitie van gebouw
                    beperkt tot de toepassing van het bij of krachtens de Woningwet bepaalde, is in
                    de APV een(zelfde) definitie opgenomen.</al><al><cursief><onderstreept>j</onderstreept></cursief><cursief>. Vee</cursief></al><al>Voor de uitleg van het begrip vee is aangesloten bij de Meststoffenwet. In
                    Bijlage A van deze wet worden als diersoorten genoemd: rundvee, varkens, kippen,
                    kalkoenen, schapen, vossen, nertsen, geiten, eenden, konijnen en parelhoenders.
                    In 2002 is de aparte definitie voor pluimvee geschrapt omdat deze definitie voor
                    de APV geen relevantie heeft.</al><al><cursief><onderstreept>k</onderstreept></cursief><cursief>.
                        Handelsreclame</cursief></al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden
                    buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband
                    met het bepaalde in het eerste lid, dat zich volgens constante jurisprudentie
                    verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken
                    e.d. </al><al>Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet
                    in de weg. Onder het begrip "reclame" dient te worden verstaan: iedere vorm van
                    openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot
                    "handelsreclame" heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts
                    betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en
                    omvat zij elk aanbod van goederen en diensten maar is zij niet van toepassing op
                    reclame voor ideële doeleinden. </al><al>Bij handelsreclame staat dus een materiële doelstelling voorop. Uiteraard zal de
                    grens tussen handelsreclame en reclame voor ideële doeleinden niet altijd even
                    scherp zijn. Het vorenstaande betekent overigens niet dat handelsreclame niet
                    beschermd wordt. Voorschriften betreffende handelsreclame zullen de toets aan
                    artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze
                    verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al><cursief>a. Weg</cursief></al><al>Onder weg in de APV vallen ook portieken. ARRS 07-10-1996, Gst. 1997, 7050, 5
                    m.nt. HH. Strandovergang is openbare weg in de zin van artikel 4, lid 1, onder
                    II, Wegenwet. ABRS 16-03-1999, Gst. 1999, 7100, 3 m.nt. HH. Nu in dit geval
                    onvoldoende vaststaat dat de strook grond een weg in de zin van artikel 1 APV
                    was, staat evenmin vast dat het verbod van artikel 9.1 APV is overtreden. ABRS
                    29-08-2001, LJN-nr. AD3795.</al><al><cursief>k. Handelsreclame (commerciële reclame)</cursief></al><al>Onder een "commercieel belang te dienen" moet mede worden begrepen: dienstig te
                    zijn tot koop en verkoop. HR 11-05-1982, NJ 1983, 68.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.2 Beslissingstermijn</nr></kop><al></al><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk
                        voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven
                        dient te worden. Op deze wijze kan worden nagegaan wat voor iedere situatie
                        een goede beslistermijn is. In dit model hebben wij de beslistermijn
                        vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn
                        die in artikel 4:13, tweede lid, wordt gesteld. Uiteraard kan een gemeente
                        ook kiezen voor een andere, kortere, beslistermijn of zelfs voor per type
                        besluit verschillende beslistermijnen. Dit laatste doet bij uitstek recht
                        aan het algemeen beginsel van de (Awb-)wetgever dat elke termijn redelijk
                        moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het
                        niet tijdig beslissen kan tot gevolg hebben dat klachten worden ingediend,
                        tijd- en kostenverslindende procedures gevolgd of zelfs schadeclaims
                        ingediend. Er dient uiteraard ook een relatie te worden gelegd met de
                        aanvraagtermijn van artikel 1.3. APV. Als bijvoorbeeld overeenkomstig de
                        aanvraagtermijn van drie weken vóór een gepland evenement een vergunning
                        wordt aangevraagd, zou het in beginsel niet redelijk zijn om pas vijf weken
                        later op deze aanvraag te beslissen. Het merendeel van de aanvragen zal
                        binnen acht weken kunnen worden afgewerkt. De meer ingewikkelde aanvragen
                        echter, zeker die waarvoor de adviezen van meerdere instanties moeten worden
                        ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt
                        dan uitkomst. Ook deze termijn hebben we in het model op acht weken gesteld
                        (tweede lid). Ook hier geldt dat een individuele gemeente een andere termijn
                        kan vastleggen. Uitgangspunt blijft altijd de redelijke termijn. Artikel
                        4:14 verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit.
                        Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij
                        daartegen in bezwaar en beroep gaan.</al><al>Artikel 4:13 Awb brengt tot uiting dat bij een nadere termijnstelling op het
                        bestuur steeds de verplichting rust om binnen die termijn een beslissing te
                        nemen. De rechtsgevolgen die verbonden zijn aan het laten verstrijken van
                        die termijn, treden dus steeds in na afloop van de vastgestelde termijn.
                        Artikel 6:2, onder b, van de Awb stelt namelijk het niet reageren van een
                        bestuursorgaan op een aanvraag voor bezwaar en beroep gelijk met een
                        uitdrukkelijk besluit. Los van de mogelijkheid om tegen het niet tijdig
                        reageren van het bestuursorgaan bezwaar te maken of beroep in te stellen,
                        blijft het bestuursorgaan in beginsel verplicht alsnog een besluit op de
                        aanvraag te nemen (artikel 6:20 Awb).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.3 Te late indiening aanvraag</nr></kop><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                        vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt
                        daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het
                        onderhavige artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende
                        aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Met het oog op de
                        vergunningen die niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het
                        tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te
                        verlengen tot maximaal acht weken. Vanzelfsprekend kan ook een langere of
                        kortere termijn worden vastgelegd. Als wordt overwogen voor verschillende
                        APV-vergunningen of -ontheffingen verschillende termijnen vast te leggen,
                        dan dient iedere afwijking van de algemene regel in het betreffende
                        onderdeel van de APV te worden vastgelegd. Gemeenten die met een systematiek
                        werken die inhoudt dat een vergunning voor een bepaald jaar vóór 1 december
                        van het daaraan voorafgaande jaar moet worden aangevraagd, kunnen dit
                        expliciet bepalen en bekendmaken. Indien gewenst kan ook een regeling voor
                        te vroeg ingediende aanvragen worden opgenomen. In het model is hiervoor
                        niet gekozen omdat gebleken is dat er in de praktijk weinig behoefte aan is.
                        Als een aanvraag echt veel te vroeg wordt gedaan en dan nog niet kan worden
                        beoordeeld, volstaat een gemotiveerde mededeling daarvan aan de aanvrager. </al><al><cursief>Onvolledige aanvraag/vereenvoudigde wijze van
                            a</cursief><cursief>f</cursief><cursief>doen (artikel 4:5
                        Awb)</cursief></al><al>Artikel 4:5 van de Awb regelt in het eerste lid enerzijds de bevoegdheid om
                        een aanvraag waarbij onvoldoende gegevens of bescheiden zijn gevoegd - voor
                        een goede beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de gevraagde
                        beschikking - niet in behandeling te nemen. Anderzijds regelt dit lid ook
                        dat de aanvrager in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn aanvraag aan
                        te vullen en de ontbrekende gegevens of bescheiden alsnog aan te leveren
                        voordat door het desbetreffende bestuursorgaan de beslissing mag worden
                        genomen om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Zie ook MvT, PG Awb I,
                        p. 243. Het bestuursorgaan is niet verplicht gelegenheid te bieden tot het
                        aanvullen van de aanvraag. De ongenoegzame aanvraag kan ook direct in
                        behandeling genomen worden. De (inhoudelijke) behandeling kan leiden tot een
                        inwilliging maar ook tot een afwijzing van de aanvraag. Een afwijzing is
                        niet mogelijk uitsluitend op grond van het ontbreken van gegevens omdat
                        artikel 4:5 van de Awb daarvoor nu juist de mogelijkheid tot aanvulling van
                        de aanvraag biedt. Het tweede lid geeft de bevoegdheid een vertaling te
                        verlangen van een in een vreemde taal gedane aanvraag. Voorwaarde is wel dat
                        een vertaling nodig is voor een beoordeling van de aanvraag of voor de
                        voorbereiding van de beschikking. Het Fries is geen vreemde taal (MvA I, PG
                        Awb I, p. 245). Zie hiervoor de artikelen 2:7 en 2:9 van de Awb. Het derde
                        lid biedt het bestuursorgaan de bevoegdheid om bij omvangrijke of
                        ingewikkelde vraagstukken een samenvatting te verlangen. Het vierde lid
                        bepaalt dat aan de aanvrager het besluit om een aanvraag niet in behandeling
                        te nemen moet zijn meegedeeld binnen vier weken nadat de aanvraag is
                        aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
                        Het besluit om een aanvraag niet te behandelen betekent dat het
                        bestuursorgaan niet inhoudelijk op de goede hoedanigheid van de aanvraag
                        behoeft in te gaan (geen toepassing van artikel 4:7 tot en met 4:12 van de
                        Awb). </al><al>Er is geen wettelijke termijn waarbinnen het bestuursorgaan om aanvulling
                        van de aanvraag kan vragen. Dit betekent dat het bestuursorgaan op elk
                        moment tijdens de behandeling van de aanvraag alsnog kan besluiten tot het
                        laten aanvullen van de aanvraag als blijkt dat bepaalde belangrijke gegevens
                        ontbreken.</al><al><cursief>Opschorting van rechtswege (artikel 4:15 Awb)</cursief></al><al>De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang
                        van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager
                        uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is
                        aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Deze
                        bepaling van artikel 4:15 Awb verlengt de beslistermijn die het bestuur
                        ingevolge artikel 4:13 heeft (zie toelichting onder artikel 1.2).</al><al><cursief>Herhaalde aanvraag (artikel 4:6 Awb)</cursief></al><al>Artikel 4:6 van de Awb verplicht de aanvrager bij een hernieuwde aanvraag,
                        waarvoor bij een eerdere aanvraag een voor de aanvrager ongunstig besluit is
                        afgegeven, nieuwe feiten of veranderende omstandigheden te noemen die kunnen
                        leiden tot een gunstiger resultaat. Wanneer dit bij de hernieuwde aanvraag
                        wordt verzuimd, kan het bestuursorgaan volstaan met een afwijzing van het
                        hernieuwde verzoek met verwijzing naar het eerder genomen besluit (MvT, PG
                        Awb I, p. 245 en 246).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.4 Voorschriften en beperkingen</nr></kop><al>Ofschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt wordt
                        gehuldigd dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel
                        aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die
                        vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende
                        orgaan, verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting
                        van elke twijfel aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen
                        in de regeling, ter uitvoering waarvan vergunning of ontheffing wordt
                        verleend. Daarbij dient tevens - ten overvloede - te worden aangegeven dat
                        die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen
                        in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.
                        Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing
                        verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of
                        ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In
                        artikel 1.6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij
                        niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden
                        toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het
                        tweede lid van artikel 1.4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven
                        als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Uiteraard is
                        bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden,
                        die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of
                        ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming
                        van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing
                        is vereist.</al><al><cursief>Europese Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd
                        dienen te zijn op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun
                        beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn:
                        niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                        belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                        ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                        toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning
                        worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Immers krachtens het eerste lid
                        mogen deze slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in
                        verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. </al><al>In de in deze APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 14.1) wordt
                        overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf
                        bedreigd. Daardoor is ook het overtreden van aan een vergunning of
                        ontheffing verbonden voorschriften met straf bedreigd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</nr></kop><al>De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op
                        een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van
                        die vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd,
                        indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt
                        van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten,
                        zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag).
                        De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de
                        regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid
                        biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is
                        aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke
                        kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke
                        vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van
                        eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere
                        hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De
                        zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder
                        algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van
                        eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enz. Persoonlijke werking zal
                        eerder aanwezig moeten worden geacht bij de ontheffing dan bij de
                        vergunning. Indien in een regeling de ontheffingsfiguur gebruikt is, geeft
                        dit aan dat het de bedoeling van de wetgever is geweest slechts voor
                        bijzondere gevallen de mogelijkheid te creëren een uitzondering te maken op
                        de algemene regel. Zou een ontheffing bij rechtsopvolging zonder meer "mee
                        overgaan" op de rechtsopvolger, dan zou daarmee aan de
                        ontheffingsmogelijkheid het karakter van uitzonderingsbepaling ontnomen
                        worden. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning
                        als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Dit hangt samen met de
                        omstandigheid dat ingevolge deze wet voor het verkrijgen van een vergunning
                        de nodige diploma's moeten zijn gehaald. Als een persoonlijke vergunning
                        kunnen ook de standplaatsvergunning en de ventvergunning worden beschouwd.
                        Dit hangt samen zowel met het - persoonlijke - karakter van de ambulante
                        handel als met de omstandigheid dat het aantal aanvragen om vergunning het
                        aantal te verlenen vergunningen veelal verre overtreft, wat het bestuur
                        noodzaakt een restrictief beleid te voeren. Het zou onredelijk zijn als een
                        standplaats- of ventvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een
                        andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat. Een
                        zuiver voorbeeld van een zakelijke vergunning is de vergunning op grond van
                        de Wet milieubeheer. Deze vergunning is van de persoon van de aanvrager of
                        vergunninghouder onafhankelijk. Indien in de verordening of in de vergunning
                        is bepaald dat deze vergunning persoonsgebonden is, terwijl deze vergunning
                        toch vooral verband houdt met de aard van het object waarop zij betrekking
                        heeft, zal deze vergunning weliswaar niet automatisch overgaan op de
                        rechtsopvolger doch aan hem in vele gevallen ook niet licht geweigerd kunnen
                        worden.</al><al>Zo is aan de exploitatievergunning voor horecabedrijven als bedoeld in
                        artikel 4.3. een persoonlijk karakter toegekend. Bij het besluit tot
                        weigeren van een dergelijke vergunning i.v.m. aantasting van het woon- en
                        leefklimaat zal niet zonder meer voorbij gegaan kunnen worden aan het feit
                        dat voorheen wel vergunning aan een ander was verleend. </al><al>Een "gemengd" karakter heeft de ontheffing sluitingsuur (taptoeontheffing).
                        De voorschriften met betrekking tot de sluitingstijden van horecabedrijven
                        moeten in de eerste plaats gezien worden als bepalingen die ten doel hebben
                        geluidhinder en andere overlast, die ontstaan door het 's avonds en 's
                        nachts drijven van een "inrichting", te voorkomen of te beperken. In zoverre
                        kan men zeggen dat een ontheffing sluitingsuur een zakelijk karakter draagt.
                        Aan de andere kant dient bedacht te worden dat de persoon van de exploitant
                        bij de beslissing inzake de ontheffingsverlening niet geheel onbelangrijk is
                        en dat de ontheffingsfiguur gebruikt is.</al><al>In de APV is in artikel 1.5 gekozen voor de persoonsgebondenheid van de
                        vergunning of ontheffing. Hiervan kan worden afgeweken door toevoeging van
                        de zinsnede "tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald" en
                        expliciete vermelding van het zakelijk karakter in de desbetreffende
                        APV-bepaling of de vergunning of ontheffing.</al><al>Indien de vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                        rechtverkrijgende geldt, verdient het aanbeveling het voorschrift op te
                        nemen dat de houder ervan in geval van rechtsovergang verplicht is hiervan
                        binnen twee weken schriftelijk mededeling te doen aan het bevoegde orgaan,
                        met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de
                        vergunning of ontheffing.</al><al>Aldus blijft het bevoegde orgaan op de hoogte van de feitelijke houder van
                        de vergunning of ontheffing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</nr></kop><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                        facultatief karakter ("kan"). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                        intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming
                        van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve
                        sanctie van intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en
                        het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en
                        intrekking. Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of
                        ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de
                        gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen als wordt voldaan aan
                        artikel 4:8 Awb. Ook indien er niet exact sprake is van een situatie als
                        bedoeld in artikel 4:8 Awb doet het bestuursorgaan gelet op een zorgvuldige
                        besluitvorming er goed aan de vergunninghouder te horen voordat tot
                        intrekking of wijziging van de vergunning wordt overgegaan. Ingeval van een
                        wijziging of intrekking die het gevolg is van een algemene beleidsbeslissing
                        van het bestuursorgaan, is het echter vaak niet doenlijk om alle betrokkenen
                        te horen. Wel is het dan gewenst om met vertegenwoordigers van
                        belanghebbenden te overleggen. In de APV is in artikel 1.5 gekozen voor de
                        persoonsgebondenheid van de vergunning of ontheffing. Indien de vergunning
                        of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtverkrijgende geldt,
                        verdient het aanbeveling om onder e na 'houder' toe te voegen: of zijn
                        rechtverkrijgende.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.7 Termijnen</nr></kop><al>Vóór juni 2007 kende de APV geen bepaling die een geldingsduur aangaf voor
                        een krachtens het model verleende vergunning of ontheffing.
                        Vergunningvoorwaarden konden bepalen dat de vergunning of ontheffing
                        periodiek moest worden verlengd. Het moge duidelijk zijn dat er een forse
                        administratieve lastenvermindering plaats heeft als een vergunning of
                        ontheffing voor onbepaalde tijd wordt verleend. Ook toetsing aan de Europese
                        Dienstenrichtlijn leidt tot deze eis. Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn
                        stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a.
                        de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                        voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare
                        vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een
                        beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                        belang.</al><al>Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de
                        Dienstenrichtlijn: 'Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een
                        activiteit beperkt is wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of
                        technische mogelijkheden, moet een selectieprocedure worden vastgesteld om
                        uit verscheidene gegadigden te kiezen, teneinde via de werking van de vrije
                        markt de kwaliteit en voorwaarden van het dienstenaanbod voor de gebruikers
                        te verbeteren. Deze procedure moet transparant en onpartijdig zijn en de
                        verleende vergunning mag niet buitensporig lang geldig zijn, automatisch
                        worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de dienstverrichter wiens
                        vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder moet de
                        geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in
                        grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de
                        afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het
                        geïnvesteerde kapitaal.' (PB L 376/36, nr. 62) Het gevolg van artikel 1.7 is
                        dat gemeenten bij het verlenen van een vergunning voor bepaalde tijd moeten
                        beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan
                        doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening
                        voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een
                        evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam
                        rond de jaarwisseling. Artikel 1.6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden
                        de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de
                        rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de
                        omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de
                        vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met
                        de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van
                        omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de
                        vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor
                        ontbreekt.</al><al></al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 2</label><titel>OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID</titel></kop><al></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.1 Samenscholing en ongeregeldheden</nr></kop><al><cursief>Algemeen.</cursief></al><al><cursief>Orde en veiligheid op de weg</cursief></al><al>In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het
                        gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen geleiden.
                        De diverse functies van de straat, onder andere voor demonstraties,
                        optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het
                        gebruik. </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Het begrip 'samenscholing' is ontleend aan artikel 186 WvSr: "Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt,
                    als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie." Zie hierover de
                    in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie. Onder
                    omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van
                    bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit
                    soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het
                    vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde 'bevoegdheid' (tot het geven
                    van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor
                    regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden
                    ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden
                    toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde
                    voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het
                    strafbare feit.</al><al>De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van het bewezene. Indien de
                    rechter van oordeel is dat de politieambtenaar in zijn waardering van de
                    gedraging heeft misgetast, laat hij de desbetreffende strafbepaling buiten
                    toepassing. Het gaat hier om reeds bestaande politiebevoegdheden. Deze
                    bevoegdheid kan gestoeld worden op de artikelen 2 en 12 Politiewet. Artikel 2
                    draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde op,
                    waaronder blijkens artikel 12 de handhaving der openbare orde begrepen is. Deze
                    bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een
                    aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element vormt. </al><al>De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en
                    186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De
                    sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling gegeven
                    politiebevel vindt plaats op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond
                    van artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk
                    bevel levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen
                    van artikel 186 WvSr. </al><divisie><kop><label>Zesde lid</label></kop><al><cursief></cursief></al><al>Artikel 2.1. is bedoeld om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg
                        in goede banen te kunnen geleiden. De diverse functies van de straat, onder
                        andere voor verkeer, demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een
                        scheiding dan wel regulering van het gebruik van de weg. Dit
                        ontheffingsstelsel richt zich met name op de openbare orde en/of</al><al>veiligheid bij samenscholingen. Bij samenscholingen is het van belang dat
                        deze op een ordentelijke wijze verlopen dan wel de veiligheid van de
                        personen die deel uit maken van de samenscholing niet in gevaar komen dan
                        wel worden gebracht door andere weggebruikers. De beslistermijn die hiervoor
                        geldt is acht weken, met de mogelijkheid om nog eens acht weken te verdagen.
                        Deze termijn kan overschreden worden wegens noodzakelijk overleg tussen de
                        gemeente en politie. Als dit overleg niet binnen de termijn van zestien
                        weken is afgerond, is het gelet op de hierboven beschreven openbare orde
                        niet wenselijk dat de ontheffing op dat moment van rechtswege verleend is.
                        Er is dus een risico aanwezig en de ernst van dit risico is onoverkomelijk
                        groot, wat maakt dat er een reden is om af te zien</al><al>van de LSP.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Relatie tussen APV bepaling en artikel 184 en 186 WvSr. Aanvulling van de
                    gemeentelijke wetgever erkend. HR 02 06 1903, W. 7938 (APV Amsterdam) en HR 25
                    06 1963, NJ 1964, 239 m.nt. B.V.A. Röling (samenscholingsarrest). Oordeel van de
                    politie is element van gemeentelijke strafbepaling. HR 12 02 1940, NJ 140, 622,
                    AB 1940, p. 744, Gst. 1940, p. 125 (Haags tippelverbod). Zie ook: HR 02 06 1903,
                    W. 7938, Gst., 2715 (APV Amsterdam); HR 20 01 1936, NJ 1936, 343, Gst. 1936, p.
                    90, AB 1936, p. 558 (APV Amsterdam); HR 03 06 1969, NJ 1969, 411, AB 1970, p.
                    17, OB 1971, XIV.3, nr. 30391, NG 1970, p. 616 m.nt. H.R.G. Veldkamp (APV
                    Amsterdam) en HR 17 03 1970, NJ 1970, 331, OB 1971, X.4, nr. 31108, NG 1971, p.
                    292 (APV Arnhem). Van een volksoploop ex artikel 186 WvSr is sprake als een
                    menigte zich verzamelt. De openbare orde hoeft niet te worden verstoord. HR
                    26-02-1991, NJ 1991, 512 en HR 14-01-1992, NJ 1992, 380. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.2 Melding betogingen op openbare plaats</nr></kop><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                        manifestaties (WOM). In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in
                        het eerste lid "openbare plaats" gedefinieerd als: een plaats die krachtens
                        bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is
                        bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als
                        bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (godsdienstvrijheid). Uit
                        de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja,
                        voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele
                        procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de
                        bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en
                        beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een
                        aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is
                        aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven
                        deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en
                        betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de
                        burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.
                        De meeste APV's kennen alleen een kennisgevingeis voor betogingen. De
                        overige activiteiten zijn ongereguleerd gebleven. In verband hiermee hebben
                        ook de artikelen 2.2. e.v. alleen betrekking op betogingen. </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Uitgangspunten Wet openbare manifestaties</titel></kop><al>De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de
                    bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om
                    betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden. De WOM
                    heeft betrekking op collectieve uitingen. Individuele uitingsvormen zijn buiten
                    de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 Grondwet maken het mogelijk
                    ook deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever acht daartoe geen behoefte
                    aanwezig.</al><al>Overigens genieten deze individuele uitingen wel de bescherming van artikel 7
                    Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 kent een expliciet verbod van voorafgaand
                    verlof ten aanzien van schriftelijke uitingen al dan niet godsdienstig of
                    levensbeschouwelijk geïnspireerd. Niet-schriftelijke uitingen van gedachten of
                    gevoelens worden beschermd krachtens het derde lid van artikel 7 Grondwet. De
                    inhoud mag eveneens niet aan voorafgaand verlof onderworpen zijn, maar de vorm
                    waarin zij geopenbaard worden wel. Van een collectieve uiting kan ten slotte
                    volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen
                    deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8).</al><al>De wetgever heeft de bevoegdheid tot beperking van de onderhavige grondrechten
                    aan de gemeenten opgedragen. Argumenten hiervoor zijn: de regeling van onder
                    andere de betoging houdt nauw verband met de plaatselijke openbare orde. De
                    gemeenten hebben hiermee in de loop der jaren waardevolle ervaringen opgedaan. </al><al>De memorie van toelichting geeft een opsomming van de bevoegdheden die de WOM
                    aan gemeenteraden en burgemeesters toekent (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p.
                    5/6):</al><lijst><li nr="·"><al>de bevoegdheid tot het creëren van een kennisgevingstelsel voor
                            betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van
                            godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet laat een
                            zekere variatie toe ten aanzien van kwesties als: voor welke
                            activiteiten is een kennisgeving vereist; aan welke vereisten moet een
                            kennisgeving voldoen; welke voorschriften en beperkingen kunnen opgelegd
                            worden;</al></li><li nr="·"><al>de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen;</al></li><li nr="·"><al>de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen
                            beëindigen.</al></li></lijst><al>Een aantal onderwerpen is daarentegen geheel of gedeeltelijk aan de plaatselijke
                    regelgeving onttrokken. Motivering hiervoor is dat enerzijds de Grondwet zich
                    tegen een dergelijke regeling verzet en anderzijds rechtsgelijkheid een uniforme
                    regeling van de centrale wetgever rechtvaardigt. Het gaat met name om de
                    volgende onderwerpen (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 6):</al><lijst><li nr="·"><al>het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige
                            grondrechten door gemeentelijke organen is toegestaan (artikelen 2 en 8
                            WOM); </al></li><li nr="·"><al>een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die
                            tijdens eerder genoemde activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3,
                            vierde lid, 4, derde lid, en 5, derde lid); </al></li><li nr="·"><al>de bescherming van het functioneren van buitenlandse
                            vertegenwoordigingen en bepaalde andere instellingen die een bijzondere
                            volkenrechtelijke bescherming genieten, voorzover deze bescherming
                            verder dient te reiken dan 'de bestrijding of voorkoming van
                            wanordelijkheden' (artikel 9 WOM); </al></li><li nr="·"><al>de strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de WOM gegeven
                            normen (artikel 11 WOM) en de strafbaarstelling van verhindering en
                            verstoring van geoorloofde openbare manifestaties (wijziging van de
                            artikelen 143-146 Wetboek van Strafrecht, onder artikel 11 WOM);</al></li><li nr="·"><al>de bescherming van de zondagsrust, voorzover deze bescherming verder
                            dient te reiken dan 'de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden'
                            (wijziging van de artikelen 3, 5 en 5a en 8 Zondagswet, onder artikel
                            III WOM). </al></li></lijst><al>Voor op vooraf bepaalbare tijdstippen regelmatig terugkerende samenkomsten tot
                    het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen, uitgaande
                    van een kerkgenootschap en zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op
                    geestelijke grondslag is, gelet op artikel 3, derde lid, WOM een eenmalige
                    kennisgeving voldoende. De gemeenteraad heeft derhalve twee mogelijkheden; deze
                    'processies' ongeregeld laten of een eenmalige kennisgeving voorschrijven. Ten
                    aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de
                    WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8
                    WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Openbare en andere dan openbare plaatsen</titel></kop><al>De reden om twee verschillende regimes in de WOM op te nemen voor openbare en
                    andere dan openbare plaatsen is gelegen in de omstandigheid dat, volgens de
                    wetgever, de noodzaak tot regulering van manifestaties op andere dan openbare
                    plaatsen niet zozeer aanwezig is. Een terughoudende meer repressieve opstelling
                    van de overheid is op zijn plaats. Anderzijds noopt de redactie van artikel 6
                    Grondwet tot dit onderscheid. Delegatie van de beperkingsbevoegdheid heeft de
                    grondwetgever uitsluitend mogelijk gemaakt ten aanzien van belijdenis van
                    godsdienst of levensovertuiging 'buiten gebouwen en besloten plaatsen'. De
                    regering geeft de voorkeur aan een functionele omschrijving bij de afbakening
                    van het begrip openbare plaats, niet-openbare plaats of besloten plaats, waarin
                    bestemming dan wel de wijze van gebruik van een plaats bepalend is en niet een
                    enkel uiterlijk kenteken, zoals het al dan niet afgescheiden zijn van de plaats
                    (TK 1985-1986, 19 427, nr.3, p. 16).</al><al>Wat is nu de betekenis van de begrippen 'openbare en andere dan openbare
                    plaatsen'?</al><al>Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een
                    plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.
                    Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor
                    het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen 'dat in beginsel
                    eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het
                    verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden
                    mag zijn (...). Dat de plaats 'open staat' betekent voorts dat geen beletsel in
                    de vorm van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van
                    een toegangsprijs gelden voor het betreden van de plaats'.</al><al>Op grond hiervan kunnen bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken niet als 'openbare plaatsen' worden
                    aangemerkt. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip 'openbare
                    plaats'. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn
                    gebaseerd op bestemming of vast gebruik. 'De bestemming ziet op het karakter dat
                    door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de
                    uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats
                    krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt
                    gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke
                    toestand gedoogt', aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr.
                    3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste
                    lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en de voor
                    eenieder vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van
                    winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en
                    recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip 'openbare plaats' ook een
                    aantal 'besloten plaatsen' als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan
                    omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een
                    openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in
                    artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13,
                    en nr. 6).</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Betoging</titel></kop><al>Het begrip 'betoging' behoeft enige nadere toelichting. Wanneer kan van een
                    betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan van
                    een betoging worden gesproken als:</al><lijst><li nr="·"><al>een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet
                            in beweging, en</al></li><li nr="·"><al>de groep er op uit is een mening uit te dragen. </al></li></lijst><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om
                    het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied (TK 1986-1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie
                    eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en
                    groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen
                    van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een
                    optocht is niet perse een betoging. Een betoging kan geschieden door middel van
                    een optocht (HR 30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig
                    zijn van een betoging geen 'menigte' nodig. Acht personen worden al voldoende
                    geacht om van een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540). In
                    de memorie van antwoord wordt aangegeven dat bij deelneming van twee personen
                    reeds sprake kan zijn van een collectieve uiting. Bij de parlementaire
                    behandeling van artikel 9 Grondwet is 'betoging' omschreven als 'het middel om,
                    het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar uiting te geven aan
                    gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek gebied'. </al><al>Slechts een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                    bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Indien onder het
                    mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze
                    rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van
                    een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (TK 1975-1976,
                    13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de
                    regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip
                    'betoging' meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke
                    meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van
                    dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin
                    van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij
                    blokkades van wegen en waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33). Ontbreekt
                    aan een optocht primair het karakter van een gemeenschappelijke meningsuiting,
                    zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso's, dan is er geen
                    sprake van een manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK
                    1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Overigens kan een dergelijke optocht, indien
                    het opiniërende elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde
                    lid, Grondwet vallen.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging</titel></kop><al>Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie
                    over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan
                    een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet
                    zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Klokgelui en oproepen tot gebed</titel></kop><al>Artikel 10 WOM wil buiten twijfel stellen de bevoegdheid zoals voorheen
                    neergelegd in de Wet op de kerkgenootschappen om klokken te luiden en het
                    oproepen tot gebed vanaf moskeeën. In een brief aan de Tweede Kamer heeft de
                    minister van binnenlandse zaken de verhouding tussen artikel 10 WOM en artikel 6
                    Grondwet nader uiteengezet (TK 1987-1988, 19 427, nr. 21). Artikel 10 WOM stelt
                    verder dat de gemeenteraad bevoegd is ter zake regels te stellen met betrekking
                    tot duur en geluidsniveau.</al><al>De strekking van artikel 10 WOM is niet om een beperkingsbevoegdheid op het
                    grondrecht vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om, de
                    bevoegdheid tot klokluiden en oproepen tot gebed buiten twijfel te stellen en
                    daarnaast de autonome bevoegdheid van gemeentebesturen om in het kader van de
                    beperking van geluidsoverlast regelend ten aanzien van deze activiteit te mogen
                    optreden onverlet te laten. Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot
                    gebed in het kader van geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar
                    autonome bepalingen.</al><al>Artikel 10 WOM houdt niet meer in dan een erkenning van de oneigenlijke
                    aanvullende bevoegdheid.</al><al>Dit betekent dat de gemeenten, om te voldoen aan het gestelde in artikel 10 WOM,
                    hun strafbepalingen veelal niet zullen behoeven aan te passen. De
                    geluidhinderbepalingen bieden daarvoor reeds voldoende soelaas. Artikel 3.3.,
                    Overige geluidhinder, is o.a. op excessief klokgelui van toepassing.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Gemeentelijke bevoegdheden</titel></kop><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot
                    optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De memorie van
                    toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de
                    Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter
                    slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden
                    wanneer er sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan van stoornis van de
                    openbare orde dan wel wanneer er daadwerkelijk sprake is van ernstige stoornis
                    van de openbare orde. In die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175
                    de nodige bevelen of krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening
                    uitvaardigen. De vraag rijst of de burgemeester met behulp van deze
                    noodbevoegdheden grondrechten, zoals in dit geval het betogingsrecht, mag
                    beperken. De regering heeft tijdens de behandeling van de herziene Grondwet
                    namelijk gesteld dat de clausule 'behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens
                    de wet' inhoudt dat alleen de formele wetgever zonder delegatiemogelijkheid
                    bevoegd is tot het beperken van grondrechten en dat de formele wet zelf de
                    omvang van de grondrechtbepaling moet aangeven. In artikel 175 Gemeentewet is
                    thans expliciet opgenomen dat de burgemeester bij het geven van noodbevelen kan
                    afwijken van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften. Het verbod van
                    delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om krachtens artikel
                    176 Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een noodverordening.
                    Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel 176 Gemeentewet
                    zich in als bestanddeel in de omschrijving van de overtreding tegen het openbaar
                    gezag van artikel 443 Sr. en het is 'dus de wet (in formele zin), die in die
                    noodtoestand de zeer tijdelijke onderbreking van de uitoefening van het
                    grondrecht gedoogt', HR 28-11-1950, NJ 1951, 137 (Tilburgse APV).</al><al>Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde
                    bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve
                    bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in
                    artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een
                    verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Op de strekking en
                    reikwijdte van artikel 175 en 176 Gemeentewet is tijdens de parlementaire
                    behandeling en in de literatuur uitgebreid ingegaan. Door de staatssecretaris is
                    tijdens de mondelinge behandeling van dit wetsontwerp in de Eerste Kamer
                    opgemerkt: 'De gevallen waarin de noodbevoegdheden van de burgemeester kunnen
                    worden toegepast, staan in een logisch verband met de gronden krachtens welke
                    grondrechten als hier aan de orde mogen worden beperkt. De burgemeester heeft
                    dus in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176, grondwettelijk de
                    bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de
                    gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van
                    wanordelijkheden.'</al><al>Verder wordt aangegeven dat ook uit de toepassingshistorie van de artikelen 219
                    en 220 van de oude gemeentewet volgt dat de noodbevoegdheden passen in het kader
                    van de beperkingsregelingen van grondrechten. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                    tenzij in de verordening anders is bepaald. Het tweede lid bevat zo'n afwijkende
                    bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen
                    erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste
                    is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te
                    beschikken </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.3 Te verstrekken gegevens</nr></kop><al>De onder a tot en met g genoemde onderdelen van de kennisgeving zijn
                        essentieel voor de beoordeling door de burgemeester. Eventueel kan hiervoor
                        een formulier worden vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.4 Flyer-verbod</nr></kop><al>Gekozen is voor een opzet, waarbij de verspreiding is toegestaan behalve op
                        of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Tevens biedt
                        het tweede lid de mogelijkheid om het verbod voor die wegen nog weer te
                        beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het
                        college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een
                        ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag
                        het college niet zodanig gebruik maken dat er 'geen gebruik van enige
                        betekenis' overblijft. Zie voor de uitleg van deze zinsnede de toelichting
                        op artikel 2.11. </al><al>Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de
                        Gemeentewet.</al><al>Artikel 2.4. heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke
                        wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van
                        meningsuiting. Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10
                        EVRM en artikel 7 Grondwet.</al><al>Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten
                                of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid
                                volgens de wet. </al></li><li nr="2."><al>De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen
                                voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisie
                                uitzending. </al></li><li nr="3."><al>Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de
                                voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand
                                verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders
                                verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van
                                vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar,
                                regelen ter bescherming van de goede zeden. </al></li><li nr="4."><al>De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
                                handelsreclame. </al></li></lijst><al>De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als
                        een zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte
                        van het derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die
                        van artikel 7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande
                        jurisprudentie op dat punt intact te laten. De constante jurisprudentie op
                        artikel 7 van de oude Grondwet kan als volgt worden samengevat.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Daklozenkrant</titel></kop><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2.4. Als verkoop
                    plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de
                    eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te
                    overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigt. Immers
                    niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit
                    zijn van een identiteitsbewijs van de koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen
                    dat ze officiële straatkantverkopers zijn. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr></kop><al><onderstreept>Straatartiest</onderstreept></al><al>De oude artikelen die regels stelden omtrent “Feest, muziek en wedstrijd”
                        zijn hier conform VNG model geschrapt. Feesten en wedstrijden zijn
                        ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan ook een evenement zijn,
                        zie onder artikel 5.3. Echter het optreden van een straatmuzikant,
                        bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is dat niet. Daarom is alsnog de
                        straatmuzikant onder artikel 2.5. gebracht. </al><al>De motieven om wegen of gedeelten van wegen aan te wijzen zijn: dwingende
                        redenen van algemeen belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare
                        veiligheid, volksgezondheid en milieu. </al><al>De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar,
                        filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid,
                        Grondwet. De betekenis van het begrip 'openbaren van gedachten of gevoelens'
                        moet blijkens jurisprudentie en blijkens de toelichting op artikel 7
                        Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte
                        of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit,
                        wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342,
                        KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid,
                        Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig
                        wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de
                        inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde
                        activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding.
                        Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde
                        plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan
                        worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel
                        7, derde lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de
                        beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten.
                        In artikel 2.4. Flyer-verbod, is dat uitgewerkt in een verbod met
                        ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt. In artikel
                        2.5. is dezelfde redactie gevolgd.</al><al>De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet.
                    </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>De weigering van een ontheffing in verband met de verstoring van de openbare
                    orde moet reëel zijn en voldoende onderbouwd zijn. Vz.ARRS 01 10 1993, JG
                    94.0046, Gst. 1994, 6979, 3 m.nt. EB, AB 1994, 207 m.nt. RMvM, ABRS 15 07 1994,
                    JG 95.0208. Terechte weigering ontheffing voor optreden als straatfotograaf.
                    Optreden als straatfotograaf is niet gericht op het openbaren van gedachten of
                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, derde lid, Grondwet. Openbare orde verzet
                    zich tegen het optreden van meer dan twee straatfotografen. ABRS 03 09 1997,
                    Gst. 1997, 7064, 3 m.nt. EB.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr></kop><al><onderstreept>Winkelwagentjes</onderstreept></al><al>Deze bepaling tracht het 'zwerfkarrenprobleem' enigszins te verkleinen door
                        de winkelbedrijven te verplichten de door de consument gebruikte en
                        achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze
                        winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van
                        het probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik van
                        winkelwagentjes. De consument kan een wagentje pas gebruiken als hij
                        bijvoorbeeld een munt van 50 eurocent heeft gedeponeerd in het
                        muntmechanisme van het wagentje.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr></kop><al><onderstreept>Veiligheid op het ijs</onderstreept></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van
                        artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege
                        vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale
                        verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat
                        het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet
                        liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de
                        afbakeningsbepaling in het tweede lid sluit daarom aan bij de
                        Gemeentewet.</al><al>Het oorspronkelijke tweede lid van dit artikel ('Eenieder is verplicht op
                        eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te
                        verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen') is in 2002
                        geschrapt. Reden hiervan is dat deze formulering ten onrechte
                        aansprakelijkheid van de gemeente kan suggereren bij het door het ijs
                        zakken. Het oude derde lid is vernummerd tot tweede lid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.10</nr></kop><al><onderstreept>Betreden gesloten woning</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien
                    dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt,
                    verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Het tweede lid van artikel 2.10 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang
                    indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een
                    middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd
                    of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Zie verder onder toelichting eerste
                    lid.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Derde lid</titel></kop><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2.10 toegevoegd.
                    Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vierde lid</titel></kop><al>Vanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen
                    zijn verbonden, is in het vierde lid een mogelijkheid voor ontheffing van het
                    verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b
                    van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing verleend worden aan de exploitant
                    zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het
                    publiek.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Veel jurisprudentie over sluiting van drugspanden of voor publiek toegankelijke
                    lokalen staat op de website van het Steun- en Informatiepunt Drugs en Veiligheid
                    (SIDV): www.sidv.nl .</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.11</nr></kop><al><onderstreept>Plakken en kladden</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term 'bekladden' ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept>.</al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2.11 maakt
                    op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod
                    krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit
                    middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht
                    wordt geschonden. De eis dat 'plakken' slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid. Artikel 2.11 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19
                    IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije
                    meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2.11 kan voortvloeien, kan
                    worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van
                    de openbare orde. </al><al>Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                    plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en
                    daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens
                    jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel
                    10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000
                    inwoners. Zie daarover: M. Geertsema in de noot onder ABRS 05-06-2002 in JG
                    02.0221. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Doen plakken of doen aanbrengen</titel></kop><al>Bij de herziening van 2004 is het verbod van het tweede lid, onder a, in die zin
                    uitgebreid dat nu ook het ‘doen’ plakken of het op andere wijze ‘doen’
                    aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. De jurisprudentie
                    heeft hiertoe aanleiding gegeven. Onder ‘doen’ aanplakken verstaat de Afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State het geven van opdracht om te plakken
                    of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus
                    met succes handhaven.</al><al>Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele
                    verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan
                    te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet
                    plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder
                    dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad. </al><al>Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om
                    bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende
                    posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen.
                    Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de
                    rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met inschakeling van
                    de burgerlijke rechter. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.12</nr></kop><al><onderstreept>Vervoer plakgereedschap e.d</onderstreept>.</al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                        opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid van de bepaling dient aldus
                        te worden verstaan dat de omstandigheid dat de in het eerste lid genoemde
                        stoffen en voorwerpen niet waren bestemd of gebezigd voor handelingen, welke
                        ingevolge de voorgaande bepaling zijn verboden, een rechtvaardigheidsgrond
                        oplevert. Het bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6,
                        tweede lid, EVRM neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een
                        strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en
                        dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de
                        gelegenheid is geboden zich te verdedigen, de rechter hem niet als schuldig
                        mag aanmerken. </al><al>Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van
                        Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch
                        met enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van
                        strafprocesrecht.</al><al>Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM
                        mogelijk gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na
                        te gaan of er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het
                        eerste lid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.13</nr></kop><al><onderstreept>Bezit luilakmunitie</onderstreept></al><al>Dit repressieve artikel richt zich vooral op vernielingen, het besmeuren van
                        goederen en gebouwen en andere baldadigheden. Reden voor opname van dit
                        artikel is het feit dat de afgelopen jaren luilaknacht werd gebruikt om
                        vernieling te plegen en goederen en gebouwen te besmeuren. Vervolgens bleek
                        dat deze overtreders en ook hun ouders niet wisten wat wèl en niet is
                        toegestaan tijdens deze nacht. Van oudsher wordt tijdens luilaknacht, van
                        vrijdag op zaterdag voor Pinksteren, door jeugd veel geluid gemaakt om
                        omwonenden wakker te maken. Tegen geluidsoverlast wordt in deze nacht door
                        de Politie niet opgetreden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.14</nr></kop><al><onderstreept>Bezit van inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor
                            winkeldiefstal</onderstreept></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met
                        braak te bemoeilijken. Amstelveen heeft als een van de eerste gemeenten een
                        bepaling in de APV opgenomen met betrekking tot de zogenaamde geprepareerde
                        tassen. Dit is in overleg met Politie nu opgerekt tot “hulpmiddelen voor
                        winkeldiefstal”. Zo kan nog adequater winkeldiefstal worden
                        tegengegaan.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken
                        tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet.
                        HR 07 06 1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ 1989. 687
                        (APV Nijmegen).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.15</nr></kop><al><onderstreept>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</onderstreept></al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt reeds 'straatschenderij'
                        strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare
                        weg met straf bedreigt.</al><al>Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou
                        men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker
                        dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder
                        verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt
                        of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd
                        of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip weg uit artikel 2.15
                        gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie
                        daarvoor de toelichting op artikel 1.1). Voorzover een hinderlijke gedraging
                        plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                        1994, is artikel 2.15 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan
                        zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>De gemeentelijke wetgever is bevoegd tot aanvulling van de artikel 424 en 426bis
                    WvSr. HR 26 02 1957, NJ 1957, 253 (APV Eindhoven).</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.16</nr></kop><al><onderstreept>Hinderlijk drankgebruik</onderstreept></al><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college
                        aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken
                        flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt
                        uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of
                        voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de
                        Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat
                        evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al><cursief>Omvang gebied </cursief></al><al>Er kan slechts een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het is
                        niet mogelijk het grondgebied van de gehele gemeente aan te wijzen. Dit zou
                        de verordenende bevoegdheid te boven gaan. Er dient namelijk wel een
                        aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Er dient
                        gerechtvaardigde vrees te bestaan voor aantasting van de openbare orde, of
                        reeds sprake te zijn geweest van aantasting van de openbare orde. Dit kan
                        nooit het geval zijn voor het gehele grondgebied van de gemeente. Het kan
                        bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein
                        waar regelmatig overlast van deze aard veroorzaakt wordt.</al><al>Daarnaast zou het college bij een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de
                        openbare weg, ook van goedwillende personen, verbieden. Daarmee zou er geen
                        evenredigheid zijn tussen middel en doel en zou er in strijd met artikel
                        3:4, van de Awb worden gehandeld. Dit zelfde geldt ook voor een verbod om
                        onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te hebben.</al><al>Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de
                        richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal
                        plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk
                        zijn, omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen door hun
                        aantrekkelijke karakter mede bepalend voor het verschijnsel zijn. Wanneer
                        echter toch andere plaatsen als pleisterplaatsen worden uitverkoren, kan het
                        college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een aanwijzingsbesluit
                        nemen.</al><al><cursief>Verstoring openbare orde</cursief></al><al>Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van
                        artikel 2 en 12 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven.
                        Niet naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek
                        van Strafrecht.</al><al>Voorts zal in een aantal gevallen (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat
                        flesjes worden stukgegooid) optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel
                        424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze
                        wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom
                        behoefte aan een rechtsgrond zoals genoemd dit artikel, waardoor optreden in
                        wat men zou kunnen noemen de 'voorfase' - dus het bier drinken op bepaalde
                        plaatsen - mogelijk wordt.</al><al>Het gaat om het verbieden van bij zich hebben van geopende flesjes
                        alcoholhoudende drank. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de
                        gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes
                        alcoholhoudende drank bij zich te dragen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.17</nr></kop><al><onderstreept>Hinderlijk gedrag in of bij gebouwen</onderstreept></al><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.15
                        (Hinderlijk gedrag op of aan de weg).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.18</nr></kop><al><onderstreept>Gedrag in voor publiek toegankelijke
                        ruimten</onderstreept></al><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                        toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen
                        voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het
                        woord 'ruimte' gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende
                        begrip 'weg'. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op
                        welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is
                        bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</al><al>Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het
                        ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede 'zonder redelijk
                        doel of op voor anderen hinderlijke wijze' in de bepaling tot uitdrukking
                        gebracht.</al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                        Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                        woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan
                        worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende.
                        De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het
                        belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de
                        politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in
                        postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke
                        ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te
                        beschermen. </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Artikel 138 Sr. vereist een handeling van een rechthebbende, HR 12 06 1951, NJ
                    1951, 618 Reglement NS, inhoudende een verbod om zich op enig gedeelte van het
                    station onbehoorlijk te gedragen, is noch in strijd met artikel 1 Wetboek van
                    Strafrecht noch met artikel 7 van de Europese conventie voor de rechten van de
                    mens (ECRM), HR 02 04 1985, NJ 1985, 796 (Algemeen reglement vervoer NS). De
                    (min of meer gelijkluidende) bepaling in de APV Amsterdam is verbindend, omdat
                    de norm voldoende is geconcretiseerd, HR 01-09-1998 NJ 1999, 61 (APV
                    Amsterdam).</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.20</nr></kop><al><onderstreept>Neerzetten van fietsen e.d</onderstreept>.</al><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds
                        met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het
                        tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de
                        voorkoming van overlast. Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen
                        panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op
                        plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft
                        vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2.20 geeft de mogelijkheid hiertegen
                        op te treden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.22</nr></kop><al><onderstreept>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                            e.d</onderstreept>.</al><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van
                        bepaalde wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang,
                        hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat
                        moet op de in het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de
                        weggebruiker worden gebracht. Er kunnen echter andere motieven zijn om
                        bepaalde categorieën weggebruikers te weren. Hier is een verbod opgenomen om
                        de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt
                        wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een
                        voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de
                        mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen worden besmeurd,
                        nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein
                        worden kenbaar gemaakt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.23</nr></kop><al><onderstreept>Bespieden van personen</onderstreept></al><al>Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst
                        ervaren verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het artikel
                        alleen in excessieve situaties vinden. De politie zal in het algemeen pas
                        optreden indien burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling
                        over heimelijk afluisteren is in verband met artikel 139a en verder, 374bis
                        en 441a van het Wetboek van Strafrecht niet nodig. Deze bepaling moet gezien
                        worden als aanvulling op de sinds 12 juli 2000 geldende bepaling in het
                        Wetboek van Strafrecht inzake stalking, artikel 285b. In dit artikel is het
                        inbreuk maken op eens anders levenssfeer, om die ander te dwingen iets te
                        doen, niet te doen, te dulden dan wel vrees aan te jagen, strafbaar
                        gesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.24</nr></kop><al><onderstreept>Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van
                        consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het
                        Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot
                        consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit).
                        Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002 (grotendeels) in werking getreden.
                        Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het Vuurwerkbesluit
                        Wet milieugevaarlijke stoffen waarbij zowel de regelgeving voor
                        consumentenvuurwerk als die voor professioneel vuurwerk in één nieuwe
                        algemene maatregel van bestuur wordt geïntegreerd. Het Vuurwerkbesluit
                        beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel vervaardigen of assembleren,
                        verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk te
                        reguleren, met inbegrip van bepaalde vervoershandelingen met vuurwerk. De
                        regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking
                        van artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Het
                        Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als
                        professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor
                        deze afdeling niet relevant. </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Definitie consumentenvuurwerk</titel></kop><al>Voor de omschrijving van het begrip 'consumentenvuurwerk' is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te
                    voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de
                    Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</al><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is
                    voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit -
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier;</al></li><li nr="b."><al>het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan,
                            gekocht of besteld door een particulier;</al></li><li nr="c."><al>het aangetroffen wordt bij een particulier;</al></li><li nr="d."><al>het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden
                            wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te
                            stellen of;</al></li><li nr="e."><al>het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier
                            gebruik.</al></li></lijst><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="·"><al>vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed,
                            zoals klappertjes voor speelgoedpistolen;</al></li><li nr="·"><al>vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een
                            bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer
                            is;</al></li><li nr="·"><al>vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of
                            vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in
                            Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander
                            zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig.</al></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Fop- en schertsvuurwerk</titel></kop><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                        jaarwisseling</titel></kop><al>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk
                    tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><lijst><li nr="·"><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                            particulier (artikel 2.3.2 lid 1);</al></li><li nr="·"><al>dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat
                            als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag
                            geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen
                            dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2);</al></li><li nr="·"><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3);</al></li><li nr="·"><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4);</al></li><li nr="·"><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel
                            2.3.5);</al></li><li nr="·"><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6).</al></li></lijst><al>De artikelen 2.25 en 2.26 zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en zijn een
                    aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van
                    consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.25</nr></kop><al><onderstreept>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                            verkoopdagen</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</titel></kop><al>Op basis van artikel 2.25 van de APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk
                    tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Aan de
                    verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is
                    wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</al><al>De verkoopvergunning wordt door veel gemeenten gebruikt om, naast het uitsluiten
                    via het bestemmingsplan of algemene beleidsregels, een spreidingsbeleid van
                    verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten en bijbehorende opslag te
                    reguleren. Ondanks het feit dat aan een dergelijke opslag de nodige
                    voorschriften zijn verbonden zal het toestaan van dergelijke opslagplaatsen in
                    bijvoorbeeld woonwijken voor de nodige maatschappelijke onrust zorgen, is
                    bereikbaarheid bij calamiteiten een belangrijk aspect en dient tevens gelet te
                    worden op de verkeersaantrekkende werking. Het Vuurwerkbesluit regelt enkel
                    milieutechnische eisen waar een opslag aan moet voldoen en laat de mogelijkheid
                    open een milieuvergunning aan te vragen bij de provincie voor 10.000 kilo en
                    meer opslagen. Hierbij kan voorbij gegaan worden aan de gemeente. </al><al>Het verdient de aanbeveling om voor de verkoop van consumentenvuurwerk
                    beleidsregels vast te stellen. De beleidsregels moeten gebaseerd zijn op
                    dwingende redenen van algemeen belang, waartoe behoren de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Afhankelijk van de lokale
                    situatie kunnen bijvoorbeeld de volgende beleidsuitgangspunten worden opgenomen: </al><al>het vaststellen van een maximum aantal verkooppunten in de gemeente,
                    bijvoorbeeld gerelateerd aan inwoneraantal of spreiding over kernen;</al><al>het vaststellen van een maximaal aantal verkooppunten in het
                    centrum(gebied);</al><al>de onderlinge afstand tussen verkooppunten;</al><al>het uitsluiten van verkooppunten die gelegen zijn in de nabijheid van
                    bijvoorbeeld ziekenhuizen, bejaardentehuizen, dierenasiels, tankstations,
                    (afsluitbare) winkelcentra enz. </al><al>In de beleidsregels zou kunnen worden vastgesteld dat bij de beoordeling van een
                    vergunningaanvraag rekening wordt gehouden met eerdere resultaten van controles
                    door politie, brandweer, afdeling milieu van de desbetreffende gemeente of
                    milieudienst. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Koopzondag</titel></kop><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op
                    artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag.
                    Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in
                    die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de
                    gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.26</nr></kop><al><onderstreept>Bezigen van vuurwerk</onderstreept></al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk
                        af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1
                        januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van
                        consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de
                        koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de
                        jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur. Toch
                        kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                        zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet
                        toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen,
                        bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij
                        dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen
                        aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is.
                        Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                        consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek
                        of een volksverzameling.</al><al></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Afbakening</titel></kop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Voorlopige voorziening. Verbod om vuurwerk op oudejaarsdag tussen 10.00 en 22.00
                    uur af te steken in de directe nabijheid van een verkooppunt op een
                    bedrijventerrein. Publiek aangekondigde sierdemonstraties, aanzuigende werking
                    van de voorgenomen demonstraties op het daarin geïnteresseerde publiek, directe
                    nabijheid van een grootschalige vuurwerkopslagplaats, gespannen sfeer tussen
                    verzoekers en van omliggende bedrijven, waaronder een verkooppunt van
                    brandstoffen, feit van algemene bekendheid dat verkoop van vuurwerk leidt tot
                    het afsteken van een deel daarvan in de nabijheid van dat verkooppunt.
                    Afsteekverbod kan in rechte stand houden. Rb. Leeuwarden 27-12-2001, 01/1133
                    GEMWT, LJN-nr. AD7648.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.27</nr></kop><al><onderstreept>Openlijk gebruik en handel van drugs</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Het eerste lid van de bepaling is nieuw. De bepaling heeft als doel, het
                    openlijk gebruik van drugs of daarop gelijkende middelen op straat, in portieken
                    en in voor het publiek toegankelijke gebouwen tegen te gaan. Zoals bekend, gaat
                    dit gebruik met veel overlast gepaard. Voorts werkt dit verschijnsel
                    onveiligheid in de hand, alsmede sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid
                    bij anderen die van de openbare ruimte gebruik kunnen of moeten maken. Volgens
                    art. 172 van de nieuwe Gemeentewet is de Burgemeester en de onder zijn gezag
                    staande politie bevoegd overtreding van wettelijke voorschriften die op de
                    openbare orde betrekking hebben, te beletten en te beëindigen. Art. 2.27 behoort
                    tot deze voorschriften. De bepaling geeft aldus een rechtstreekse grondslag om
                    tegen openlijk gebruik op te treden. Ook voorwerpen die openlijk worden gebezigd
                    als hulpmiddel voor dat gebruik, vallen onder het verbod. Dat is gedaan om de
                    bepaling uitvoerbaar te maken met het oog op de gewenste overlastbestrijding.
                    Het gaat niet om (opsporing van) de voorwerpen op zich. Het moet voorts gaan om
                    het openlijk voorhanden hebben; een voorwerp dat opgeborgen wordt meegevoerd,
                    valt niet onder de bepaling. De bepaling heeft een ander motief dan de Opiumwet,
                    namelijk de openbare orde, en is daarom niet in strijd met die wet (evenmin als
                    de bepaling die de sluiting van inrichtingen waarin harddrugs aanwezig zijn). De
                    Opiumwet verbiedt overigens het openlijk gebruiken op straat als zodanig niet.
                    De APV-bepaling laat onverlet dat de Politie in voorkomende gevallen optreedt op
                    grond van (strafrechtelijke) bevoegdheden in verband met overtredingen van de
                    Opiumwet. Daarvoor gelden vervolgingsrichtlijnen, die overigens wat het in bezit
                    hebben van kleine hoeveelheden voor eigen gebruik betreft, een lagere prioriteit
                    inhouden dan voor andere Opiumwetdelicten. Ook met het oog daarop is er behoefte
                    aan een APV bepaling die specifiek is gericht op het tegengaan van overlast en
                    hinder die met het gebruiken van harddrugs op voor het publiek toegankelijke
                    plaatsen gepaard gaat. De bepaling stelt daaromtrent een norm vast. Zij vervult
                    in de uitvoering een (basis)functie naast andere, verdergaande maatregelen,
                    zoals opsporing en vervolging van (zware) Opiumwetdelicten, en bestuurlijk
                    ingrijpen met verwijderingsbevelen (met strafrechtelijke vervolging bij
                    overtreding daarvan).</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Het tweede lid is grotendeels gelijk aan artikel 2.6.1. “Verbod begeven op de
                    weg om drugs te verhandelen”, met dien verstande dat toegevoegd zijn "te kopen
                    of" en "slaap- of kalmeringsmiddelen". De bepaling richt zich tegen de ernstige
                    overlast die wordt veroorzaakt door het steeds weer op bepaalde plaatsen of
                    routes aanbieden van hard drugs, softdrugs, pillen, nepmiddelen en dergelijke.
                    Ook de daar telkens terugkerende kopers moeten worden geweerd. Niet alleen het
                    aanbod, ook de vraag werkt de hardnekkigheid van dit verschijnsel in de hand.
                    Een en ander dient "redelijkerwijs te kunnen worden aangenomen". Dit dient te
                    blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van
                    voorbijgangers, het waarnemen van transacties, het hoorbaar aanbieden, ruzies
                    tussen aanbieders en afnemers, en zo meer. Met "slaap- en kalmeringsmiddelen”
                    wordt gedoeld op middelen als rohypnol, valium, diazepan of daarop gelijkende
                    waar (neppillen), die nog steeds op bepaalde plaatsen onderdeel vormen van de
                    overlast veroorzakende "drugsscene".</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr></kop><al><onderstreept>BESCHERMING LEEFMILIEU</onderstreept></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr></kop><al><onderstreept>(Geluid)hinder in de openlucht</onderstreept></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede ‘buiten een inrichting in de zin van de
                        Wet milieubeheer’ op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer
                        direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft
                        ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn
                        opgenomen) ofwel zijn algemene regels op grond van artikel 8.40 Wet
                        milieubeheer van toepassing. In deze algemene regels zijn ook
                        geluidsvoorschriften opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.a</nr></kop><al><onderstreept>Mosquito</onderstreept></al><al>De mosquito is een geluidsapparaat dat tonen uitzendt van een hoge
                        frequentie die vrijwel alleen jongeren tot ongeveer 25 jaar kunnen horen.
                        Over het algemeen worden deze tonen door de mensen die het kunnen horen als
                        vervelend ervaren. De inzet van de mosquito kan een oplossing vormen voor
                        locaties waar hangjongeren overlast veroorzaken. Jongeren vinden het geluid
                        zo irritant dat zij zich laten verdrijven van hun favoriete plekjes waar zij
                        lawaai maken, troep achterlaten en de boel bekladden of vernielen.</al><al>De mosquito wordt aangemerkt als “ultimum remedium” en maakt deel uit van
                        een totaalpakket aan maatregelen om de jeugdproblematiek in Amstelveen aan
                        te kunnen pakken. Voorgaande houdt in dat niet enkel de mosquito wordt
                        opgehangen, maar dat dit gecombineerd wordt met bijvoorbeeld de inzet van
                        andere middelen zoals extra politie-inzet, jeugd- en jongerenwerk, meer
                        verlichting aanbrengen, verwijderen van struiken etc. Pas als voornoemde
                        maatregelen niet helpen, wordt gekozen voor de inzet van de mosquito. </al><al>Om voor de inzet van de mosquito een juridische grondslag te kunnen bieden,
                        is besloten om in de APV, middels artikel 3.1.a, een bepaling op te nemen.
                        Daarnaast heeft het college in beleidsregels nader uiteengezet onder welke
                        voorwaarden de mosquito mag worden ingezet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr></kop><al><onderstreept>(Geluid)hinder door vrachtauto’s</onderstreept></al><al>Behoeft geen toelichting</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr></kop><al><onderstreept>Overige geluidhinder</onderstreept></al><al>Artikel 3.3 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                        regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><lijst><li nr="·"><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals
                                een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</al></li><li nr="·"><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame
                                of muziek maken of mededelingen doen;</al></li><li nr="·"><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr="·"><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</al></li><li nr="·"><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen,
                                trilhamers en heistellingen;</al></li><li nr="·"><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz.,
                                enz.;</al></li><li nr="·"><al>overige handelingen waardoor geluidsoverlast ontstaat.</al></li></lijst><al>Voorts kunnen onder artikel 3.3. vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt
                        door het beoefenen van 'lawaaiige' hobby's, het voortdurend bespelen van
                        muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur, het
                        laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz.</al><al>Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende
                        criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van
                        geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In
                        beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom
                        moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake
                        is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen.
                        Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder
                        als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan
                        ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften. Zie ook
                        Blauwe reeks nr. 64 B, blz. 7 en 10 en de Lbr.97/144.</al><al>De hiervoor al ter sprake gekomen normen en richtlijnen die nader worden
                        geschetst in de hoofdstukken 4 en 5 van onze publicatie in de Blauwe reeks,
                        nr. 64 A, Model-geluidhinderbepalingen - kunnen in sommige situaties een
                        goede basis bieden voor het treffen van voorzieningen. Daarnaast kunnen, ter
                        bepaling of er sprake is van geluidhinder, wellicht argumenten worden
                        ontleend aan de zich nog steeds vormende jurisprudentie. </al><al>Overigens moet worden bedacht dat klachten over de hiervoor bedoelde vormen
                        van geluidhinder nogal eens een minder goede verstandhouding tussen buren of
                        omwonenden als achtergrond hebben. Normale handelingen worden dan eerder als
                        (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl men minder geneigd is aan een afdoende
                        oplossing mede te werken.</al><al>Ook in de bepalingen 3.1. en 3.2. is in het eerste lid de zinsnede ‘buiten
                        een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer’ opgenomen. </al><al>Ook deze bepalingen zullen moeten worden uitgezonderd voor de gevallen
                        waarin de bepaling een regeling geeft voor activiteiten waarop ook de Wm
                        ziet. Gebeurt dit niet dan loopt de bepaling het risico onverbindend
                        verklaard te worden. Deze bepalingen vallen - net als artikel 3.3. zelf -
                        onder voorschriften over overlast in het algemeen. Om die reden staat
                        'geluid' steeds tussen haakjes.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr></kop><al><onderstreept>Ruimte voor straatvegen</onderstreept></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Deze verkeersbeperkende bepalingen moeten, gezien het verschil in motief,
                        mogelijk worden geacht naast de wegenverkeerswetgeving. Artikel 2a
                        Wegenverkeerswet 1994 handhaaft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken
                        van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp
                        waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn
                        met deze wet. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de gemeenteraad
                        op basis van artikel 149 van de Gemeentewet bevoegd tot het treffen van
                        regelen die andere belangen dan verkeersbelangen beogen te dienen, tenzij
                        deze regels ondanks het afwijkende motief zo diep en zo algemeen ingrijpen
                        in het normale verkeer op wegen dat het stelsel van de Wegenverkeerswet 1994
                        wordt doorkruist. Zie HR 21 juni 1966, NJ 1966, 417, met noot W.F. Prins
                        (bromfietsenverbod Sneek) en HR 23 december 1980, NJ 1981, 171, met noot
                        Th.W. van Veen (rijverbod Schiermonnikoog). Artikel 3.4 beoogt niet een
                        verkeersbelang te dienen, maar heeft een milieumotief. In het bijzonder
                        strekt het ter voorkoming van overlast voor de reinigingsdienst. Bovendien
                        hebben de daarin vervatte verboden slechts betrekking op bepaalde,
                        aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde aangeduide dagen
                        en uren.</al><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>Het verbod houdt verband met de inzameling van huishoudelijk afval in
                        minicontainers door middel van gemechaniseerde zijbelading. Ter hoogte van
                        de gemarkeerde opstelplaatsen geldt een parkeerverbod op de inzameldagen,
                        zodat de doorgang voor het inzamelingsvoertuig verzekerd is. In smalle
                        straten geldt het verbod ook voor de overzijde van de inzamelplaats. In de
                        huis aan huis verspreide afvalinzamelingskalender staan de inzameldagen
                        vermeld. </al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Het kenbaar maken van het verbod kan geschieden door een publicatie in de
                        plaatselijke pers, een schriftelijke kennisgeving huis aan huis en door
                        middel van verplaatsbare borden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr></kop><al><onderstreept>Natuurlijke behoefte doen</onderstreept></al><al>De zinsnede “buiten de daarvoor bestemde plaatsen” maakt dat het gebruik van
                        “plaskruizen” op bijvoorbeeld Koninginnedag gewoon toegestaan is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr></kop><al><onderstreept>Gevaar door sloten, water, niet openbare riolen en
                            putten</onderstreept></al><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de Modelbouwverordening
                        geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die
                        niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot
                        onderbrenging in de APV besloten. Zie daarover ook Gst. nr. 6849, 14, m. nt.
                        mr. J.M.H.F. Teunissen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr></kop><al><onderstreept>Opslag van voertuigen, vaartuigen e.d</onderstreept>.</al><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een
                        uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid
                        ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d., en
                        landbouwproducten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.10</nr></kop><al><onderstreept>Reclame</onderstreept></al><al>Als uitgangspunt voor de vergunningverlening voor reclame wordt uitgegaan
                        van een tweedeling tussen 1) bouwvergunningsplichtige en 2) niet
                        bouwvergunningsplichtige reclame- uitingen. </al><al>ad 1)</al><al>Indien voor een reclame-uiting c.q. een reclamedrager een bouwvergunning
                        vereist is (hetgeen meestal het geval is) vervalt het vereiste van een
                        reclamevergunning op grond van de APV.</al><al>Het reclamebeleid vervult in dat geval twee functies: </al><lijst><li nr="1."><al>toetsingskader voor welstandsbeoordeling</al></li><li nr="2."><al>ruimtelijk/stedenbouwkundig toetsingskader </al></li></lijst><al>Toetsing vindt plaats in het kader van de bouwvergunningverlening. Voor op
                        de reclamedragers aangebrachte (al dan niet wisselende) reclame-uitingen is
                        geen reclamevergunning vereist. Tegen welstandelijke excessen wordt
                        opgetreden via artikel 13 Woningwet. Tegen excessen in de zin van
                        hinder/overlast/openbare orde- en veiligheidsaspecten wordt opgetreden op
                        grond van de APV.</al><al>ad 2) </al><al>Indien geen bouwvergunning vereist is, is wel een reclamevergunning vereist.
                        In artikel 3.10 is opgenomen op welke wijze (categoriaal/gebiedsgericht)
                        ontheffing van deze verplichting kan worden verleend. In het Reclamebeleid (
                        Nota “Reclame in de openbare ruimte Amstelveen”, vastgesteld bij
                        raadsbesluit van 25 juni 2008) wordt dit uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.11</nr></kop><al><onderstreept>Crossterreinen</onderstreept></al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto's,
                        motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                        verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een
                        rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                        wegenverkeerswetgeving plaatsvinden. </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Afbakening</titel></kop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><al>Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke regelingen zo al van toepassing
                    kunnen zijn. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en APV</titel></kop><al>Alvorens in te gaan op de vraag welke regelingen van toepassing kunnen zijn op
                    het crossen op daarvoor - al dan niet legaal - ingerichte terreinen, willen wij
                    eerst enige kanttekeningen plaatsen bij een verkeersrechtelijk aspect in verband
                    met de leeftijd van de crossers. Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW
                    1994 jo. artikel 5 van het Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts
                    worden bestuurd door personen die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het
                    verkeersrechtelijk regime is echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde
                    activiteiten zich afspelen op een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een
                    weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving. Op de vraag wanneer sprake is van een zodanige weg wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 1.1 van de APV. Zoals daar bleek, gaat
                    het erom of een weg feitelijk voor het openbaar verkeer gesloten is. Auto- of
                    motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op de weg in de zin van
                    de WVW 1994. Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg,
                    als bedoeld in de WVW 1994, plaats vindt en een wedstrijdkarakter heeft, is
                    artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt
                    dat het verboden is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan
                    deel te nemen. Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de
                    wedstrijd als tot de deelnemers aan de wedstrijd. Vindt een wedstrijd met
                    voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg in de zin van de WVW 1994,
                    dan kan artikel 3.12. van toepassing zijn. Dit artikel ziet op het gebruik van
                    motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het Reglement verkeersregels en
                    verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd op speciaal
                    daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het
                    wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of
                    iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld.</al><al>Indien artikel 3.12. van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel
                    5.3. niet meer van toepassing. Zie verder de toelichting op artikel 5.3. De
                    burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of
                    gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo'n evenement dan wel het
                    evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en
                    motorsportevenementen, die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten,
                    oldtimerritten e.d. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Wet milieubeheer en APV</titel></kop><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de
                    weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte
                    terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken,
                    plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst
                    bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige
                    terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in artikel 3.12. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Wet milieubeheer</titel></kop><al>De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de
                    werking van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer. In bepaalde gevallen moet een motor(sport)terrein worden
                    aangemerkt als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. In het
                    Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen
                    opgesomd waarvoor krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning
                    vereist is. De regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie
                    19 van het besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of
                    terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het
                    gebruiken van: bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of
                    vaartuigen in wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor
                    recreatieve doeleinden.</al><al>In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving
                    'gelegenheid bieden' is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein, dat in
                    enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk te maken, onder
                    dit besluit valt.</al><al>Vervolgens vermeldt de nota van toelichting dat enige accommodatie evenwel nodig
                    zal zijn voordat kan worden vastgesteld of sprake is van een dergelijke
                    inrichting, bijvoorbeeld in de vorm van een begrenzing. Indien elke, al dan niet
                    beoogde, begrenzing van de plaats waar de genoemde activiteiten zich afspelen
                    ontbreekt, zal bezwaarlijk van een inrichting kunnen worden gesproken
                    (bijvoorbeeld wanneer een aantal liefhebbers van modelvaartuigen regelmatig met
                    elkaar hun bootjes laat varen op een grote plas of waterweg). Op grond van
                    artikel 8.2 van de Wet milieubeheer is het college bevoegd om op een aanvraag
                    voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19 te beslissen.
                    Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd of ingericht
                    zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor
                    recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen, en de terreinen
                    daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de vergunning niet
                    afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten (categorie 19.2). Bij
                    de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de motieven van de Wet
                    milieubeheer, zijnde de gevolgen voor het milieu of de bescherming van het
                    milieu.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>APV</titel></kop><al>De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet behoren tot de
                    terreinen die genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer. Hier kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een
                    terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en
                    terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt. In
                    een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de
                    werkingssfeer ten opzichte van de Wet milieubeheer in ieder geval moeten zijn
                    afgebakend. De bij het aanwijzingsbesluit te stellen regels dienen aan te
                    sluiten bij de belangen welke het onderhavige voorschrift beoogt te dienen.
                    Behalve het belang van de openbare orde zijn dat milieubelangen en het belang
                    van de veiligheid van het publiek of de deelnemers. In de in het tweede lid
                    genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein slechts gecrost mag worden
                    op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden van de vereniging; dat de
                    vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van KNAC, KNMV en MON; dat zij
                    haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen c.q. aansprakelijkheid voor
                    schade als gevolg van ongevallen en - eventueel - dat de crossers ten minste een
                    bepaalde leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging er - ter voorkoming van
                    ongelukken - zorg voor draagt dat toezicht door volwassenen wordt uitgeoefend
                    indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Zondagswet</titel></kop><al>Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op zondag
                    zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan
                    200 m van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het tweede lid van dit
                    artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod voor de tijd na 13.00 uur
                    ontheffing te verlenen. De training voorafgaand aan de motorcrosswedstrijd kan
                    als deze voor publiek toegankelijk is, reeds aangemerkt worden als een openbare
                    vermakelijkheid als bedoeld in artikel 4 van de Zondagswet.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Wet op de Ruimtelijke Ordening en APV</titel></kop><al>Een terrein dat men wil gaan gebruiken als motorcrossterrein zal in de meeste
                    gevallen gelegen zijn in een gebied met de bestemming 'agrarisch gebied' of
                    'natuurgebied'. De vraag is dan of voor het gebruik van het desbetreffende
                    terrein als motorcrossterrein vrijstelling kan worden verleend van het
                    gebruikvoorschrift. Indien aannemelijk is dat het gebruik van een terrein ten
                    behoeve van het motorcrossen zal leiden tot een onomkeerbare wijziging van de
                    bestemming van dit terrein, dan zal dit gebruik enkel worden toegestaan na een
                    bestemmingsplanwijziging.</al><al><cursief>Privaatrechtelijk optreden</cursief></al><al>Verschillende gemeenten zijn er toe overgegaan een aan de gemeente in eigendom
                    toebehorend terrein aan te wijzen waarop de motorcrossport beoefend kan worden.
                    Veelal geschiedt dit om de overlast die wordt ondervonden als gevolg van het
                    crossen in natuur- en bosgebieden te beperken. Indien van gemeentewege een
                    terrein ter beschikking wordt gesteld voor het crossen, rijst de vraag naar de
                    eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid van de gemeente voor ongevallen en
                    andere schade. Daarbij gaan wij ervan uit dat het crossterrein niet een weg is
                    in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Is daarvan wèl sprake, dan is het -
                    behoudens ontheffing; zie de artikelen 10 en 148 WVW 1994 - eenvoudigweg
                    verboden aldaar te 'crossen'. Civielrechtelijk brengt het feit dat een terrein
                    met goedvinden van de gemeente als crossterrein wordt gebruikt, voor haar de
                    verplichting mee ervoor te zorgen dat geen gevaarlijke situaties te creëren
                    zijn. Het ligt op de weg van de gemeente om het terrein aan te passen aan het
                    doel waartoe het dient. In het kader van de regels die het college kan stellen
                    op basis van het tweede lid van artikel 3.12 kunnen bijvoorbeeld
                    leeftijdsgrenzen worden gesteld aan de gebruikers van het terrein of eisen als
                    aangegeven in artikel 110 van de WVW 1994 jo artikel 5 van het Reglement
                    rijbewijzen. Wanneer zodanige eisen niet worden gesteld, zal bij het publiek in
                    versterkte mate het vertrouwen worden gewekt dat de gemeente de
                    zorgvuldigheidsverplichtingen die voor haar uit de feitelijke situatie
                    voortvloeien, in acht neemt.</al><al>Uitsluiting van aansprakelijkheid voor schade (ongevallen e.d.) kan de gemeente
                    zoveel mogelijk beperken; bijvoorbeeld door een bord te plaatsen bij de ingang
                    van het terrein waarop zijn aangegeven de voorwaarden waaronder van het terrein
                    gebruik mag worden gemaakt (onder andere de waarschuwing, dat gebruikers van het
                    terrein dit voor eigen risico gebruiken en de mededeling, dat de gemeente
                    aansprakelijkheid afwijst voor ongevallen en andere schade als gevolg van
                    crossen). Het plaatsen van een dergelijk bord wil overigens niet zeggen dat de
                    gemeente gevrijwaard is van aansprakelijkheid. Er is overigens nog een
                    privaatrechtelijke mogelijkheid waardoor de gemeente aan haar zorgverplichting
                    kan voldoen, namelijk door het sluiten van een gebruiks- of huurovereenkomst met
                    de plaatselijke vereniging. De gemeente moet zich dan wel realiseren dat het
                    desbetreffende terrein dan ook alleen ter beschikking wordt gesteld ten behoeve
                    van het crossen door leden van die vereniging.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Wanneer in het kader van een evenement, zoals bedoeld in artikel 5.3 van de APV,
                    op een crossterrein, zoals in deze bepaling bedoeld, motor(sport)activiteiten
                    worden gehouden zijn er meerdere bevoegde organen in het spel. Goed onderscheid
                    moet worden gemaakt tussen enerzijds het evenement, waarvoor de burgemeester het
                    bevoegd gezag is om een vergunning te verlenen en anderzijds de
                    motor(sport)activiteiten, waarvoor het college het bevoegd gezag is. ARRS
                    3-6-1994, JG 95.0055 m.nt. A.B. Engberts, AB 1994, 602 m.nt. RMvM, Gst. 1995,
                    7006, 4 m.nt. EB. Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor
                    13.00 uur. In casu geen schending van de zondagsrust, omdat het
                    motorcrossterrein 4 km buiten de bebouwde kom ligt. Pres. Rb. Utrecht 6-6-1995,
                    JG 95.0316 m.nt. A.B. Engberts, KG 1995, 292. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.12</nr></kop><al><onderstreept>Asverstrooiing</onderstreept></al><al>In het oude Besluit op de lijkbezorging stond de mogelijkheid om as te
                        verstrooien op een permanent daartoe bestemd terrein. Dit werd door de
                        houder van onder andere een begraafplaats of crematorium aangewezen nadat
                        hij daarvoor een vergunning had gekregen van burgemeester en wethouders. Het
                        terrein was bedoeld voor meerdere verstrooiingen gedurende langere tijd. In
                        de gewijzigde Wet op de lijkbezorging blijft de mogelijkheid van het
                        permanente terrein (in iets andere bewoordingen) opgenomen als een algemene
                        vorm van asbestemming waarbij het nabestaanden niet zozeer gaat om de plaats
                        waar verstrooid wordt als wel om het gegeven dat er verstrooid wordt.
                        Verstrooiingen die plaatsvinden door of op last van de houder van een
                        crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen alleen plaatsvinden op het
                        terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard blijft ook de
                        mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt). Zie verder
                        voor een uitgebreide toelichting Lbr. 97/232 omtrent het verstrooien van
                        crematies.</al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even
                        wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de
                        bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt
                        met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er
                        een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de
                        weg. Gezien de mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en
                        dergelijke op kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van
                        de as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde
                        delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het
                        verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor
                        nabestaanden. Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend
                        voor een permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein
                        vrijwel altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans
                        is voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden
                        voor asverstrooiing het een en ander geregeld in beheersverordeningen. De
                        regelingen daarin maken deel uit van het algehele beleid rond de
                        begraafplaats. Het openstellen van de begraafplaats en het
                        crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin verstorend
                        kunnen werken.</al><al>De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van
                        terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om
                        incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. Onder 'volgende
                        plaatsen' kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd, plaatsen invullen waarvan
                        zij zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder
                        begrepen het openbare water of delen daarvan. Het is mogelijk dat het op
                        bepaalde terreinen (vanwege daar te houden evenementen bijvoorbeeld) slechts
                        tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien. Daarom is een mogelijkheid
                        opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die gevallen een terrein
                        tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan
                        de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.13</nr></kop><al><onderstreept>Gevelreiniging</onderstreept></al><al>Gevelreiniging is een activiteit die moet kunnen plaatsvinden, maar die bij
                        een niet professionele aanpak tot hinder en of overlast kan leiden. Met de
                        bestaande milieuregelgeving kan dit probleem niet, of niet in voldoende mate
                        worden aangepakt. Dit betekent dat er een grondslag nodig is om in
                        incidentele gevallen op te kunnen treden. Een kennisgevingsstelsel is het
                        meest geëigend, aangezien dit als voordeel heeft dat derdebelanghebbenden
                        niet gehoord hoeven worden. Het type reinigingsactiviteit dat hier beoogd
                        wordt te reguleren betreft het reinigen van gevels met behulp van een
                        hogedrukreiniger, staalgritreiniger e.d. De regeling richt zich op bedrijven
                        die deze activiteiten uitvoeren. Indien een bedoelde activiteit niet op de
                        juiste wijze wordt uitgevoerd, kan verontreiniging van water, bodem en lucht
                        en nabije objecten plaatsvinden door het vrijkomen van milieuschadelijke
                        stoffen.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr></kop><al><onderstreept>HORECA</onderstreept></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr></kop><al><onderstreept>Begripsomschrijving horeca</onderstreept></al><al>De omschrijving van het begrip 'horecabedrijf' sluit zoveel mogelijk aan bij
                        de Drank- en Horecawet. </al><al>De sluitingsbepalingen van deze paragraaf betreffen de gedeelten van de
                        inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een
                        op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich
                        boven de inrichting bevindende woning van de houder niet. Ook sportkantines,
                        sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan
                        te merken. Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de
                        veronderstelling wekken dat de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van
                        toepassing zijn op dat bedrijf: immers, volgens de jurisprudentie kan een
                        gemeentelijke verordening geen activiteiten betreffen die elk karakter van
                        openbaarheid missen. Dit laatste kan niet worden gezegd van activiteiten die
                        een weerslag hebben op een openbaar belang, waarvan ook sprake is bij
                        besloten horecabedrijven. De sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten
                        binnen het bedrijf, maar op de (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de
                        omgeving: bijvoorbeeld in de vorm van overlast van komende en gaande
                        bezoekers (het aan en afrijden van auto's, het slaan met portieren,
                        claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.). Het behoeft geen betoog dat, naast
                        de houder van het horecabedrijf, een aantal categorieën van personen moet
                        worden uitgezonderd van het begrip bezoekers: om te beginnen diens
                        gezinsleden en elders wonende bloed en aanverwanten, maar ook de personen
                        die in de inrichting nachtverblijf houden en als zodanig zijn vermeld in het
                        daartoe bestemde register (zie hiervoor de toelichting bij artikel 4.11
                        e.v.) en de personen die wegens dringende redenen in de inrichting aanwezig
                        moeten zijn (zoals in de inrichting werkzame personeelsleden, of personen
                        die de tapinstallatie onderhouden of herstellen).</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Een café is geen discotheek! LJN-nr. AO9751, JG 04.0133 m.nt. A.L. Esveld.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr></kop><al><onderstreept>Coördinatiebepaling</onderstreept></al><al>Deze bepaling is opgenomen ten behoeve van de lastenverlichting van de
                        horecaondernemer. De ondernemer hoeft maar 1 keer gegevens te verstrekken.
                        De coördinatie levert ook meer duidelijkheid over het proces. De aanvraag
                        kan digitaal worden ingediend en de stand van zaken met betrekking tot de
                        aanvraag wordt inzichtelijker voor de aanvrager. </al><al>Voor de gemeente is belangrijk dat alle procedures door deze coördinatie
                        optimaler op elkaar kunnen worden afgestemd. Alle benodigde vergunningen,
                        meldingen en ontheffingen kunnen zodoende optimaal worden gecoördineerd. </al><al>Daarbij valt te denken aan: de Drank- en horecawetvergunning, de
                        exploitatievergunning (al dan niet met terras), de aanwezigheidsvergunning
                        speelautomaten, de gebruiksvergunning (-melding) Brandweer, de milieumelding
                        en waarnodig de Bibob-toets.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr></kop><al><onderstreept>Exploitatie van een horecabedrijf</onderstreept></al><al>De vergunningverlening dient ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet te
                        geschieden door de burgemeester. In dit artikel is bepaald dat de
                        burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voorzover deze
                        betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande
                        gebouwen.</al><al>Uitgangspunt is de Europese Dienstenrichtlijn die eist dat een
                        vergunningstelsel noodzakelijk en proportioneel is. Deze is van toepassing
                        op horeca. Het drijven van een horecaonderneming is immers het verrichten
                        van een dienst aan de klant. Voor wat betreft de noodzakelijkheid moet een
                        gemeente afwegen of er dwingende redenen van algemeen belang zijn die een
                        vergunningstelsel rechtvaardigen. Onder dwingende redenen van algemeen
                        belang worden verstaan: de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                        volksgezondheid en het milieu, Voor zover het betreft de proportionaliteit
                        ofwel de vraag of een algemene regel niet voldoende is om deze materie te
                        regelen, is de VNG van mening dat een algemene regel hier niet aan de orde
                        is vanwege het persoonsgebonden aspect van de vergunning. Alleen door middel
                        van vergunningvoorwaarden te stellen aan de ondernemer kan men ‘het maatpak’
                        leveren. Dit geldt met name voor de Bibob-toets. Het confectiepak voldoet
                        hier niet.</al><al>In het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer worden
                        algemene regels gesteld ter bescherming van het milieu voor wat zich
                        afspeelt in het horecabedrijf en de directe omgeving daarvan. Daarnaast
                        kunnen, indien deze algemene regels niet voldoen, gelet op artikel 5 van dat
                        Besluit in verband met voorschrift 4.1.4 uit de bijlage bij dat Besluit
                        nadere eisen worden gesteld voor: het aanbrengen van technische
                        voorzieningen binnen de inrichting; de periode van openstelling van de
                        gehele inrichting of een terras en de situering van een terras en het in
                        acht nemen van gedragsregels die binnen de inrichting in acht moeten worden
                        genomen, waaronder regels voor aan en afrijdend verkeer en komende en gaande
                        bezoekers.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>De weigeringgronden zijn: de openbare orde, de openbare veiligheid (waaronder de
                    verkeersveiligheid), de volksgezondheid en de bescherming van het milieu. Het
                    begrip openbare orde, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, omvat in ieder
                    geval de bescherming tegen een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van
                    een fundamenteel belang van de samenleving, en kan met name onderwerpen in
                    verband met de menselijke waardigheid, de bescherming van minderjarigen en
                    kwetsbare volwassenen, omvatten. </al><al><cursief>Overlast</cursief></al><al>De Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Hoewel het begrip ‘overlast’
                    als zelfstandige weigeringgrond niet is opgenomen, kan het via de algemene
                    gronden openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu wél worden
                    aangemerkt als een weigeringgrond. Overlast kan namelijk betrekking hebben op
                    verschillende aspecten. Geluidsoverlast en overlast, veroorzaakt door stof,
                    afval etc kunnen worden geschaard onder milieu of zelfs gezondheid. In ieder
                    geval kan overlast onder het openbare ordebegrip worden gebracht, indien deze
                    een aantasting is van of een duidelijke inbreuk maakt op de maatschappelijke
                    orde zoals deze geldt in Nederland. Het gaat dan om overlast die een bedreiging
                    vormt voor de veiligheid en rust in de publieke ruimte (denk aan openbare
                    dronkenschap).</al><al><cursief>Zedelijkheid</cursief></al><al>Ook het begrip zedelijkheid valt – naar te verwachten is – onder het begrip
                    openbare orde van de Dienstenrichtlijn. Te denken valt aan de bescherming van de
                    menselijke waardigheid.</al><al><cursief>Woon- en leefsituatie in de omgeving</cursief></al><al>De weigeringgrond woon- en leefmilieu van de horeca exploitatievergunning is
                    eveneens een weigeringgrond die volgens de Europese Dienstenrichtlijn niet
                    geaccepteerd is. Evenals bij overlast zal bekeken moeten worden of deze
                    weigeringgrond onder een wel erkende weigeringgrond gebracht kan worden zoals de
                    openbare veiligheid of de volksgezondheid. Dit zal niet altijd haalbaar zijn. In
                    dat geval moet de gemeente – indien gewenst - het woon- en leefklimaat
                    beschermen door middel van het bestemmingsplan (het voorkomen van achteruitgang
                    van het leefmilieu).</al><al>Indien het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet
                    toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de exploitatievergunning moet worden
                    verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het
                    bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een
                    dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar
                    brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende
                    bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing
                    van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet
                    of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</al><divisie><kop><label>Negende lid</label></kop><al>Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio is
                        niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang (openbare orde en
                        veiligheid). Daarnaast is het onwenselijk als deze vergunning van rechtswege
                        wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag (waaronder
                        een eventuele toets in het kader van de Wet Bibob) heeft plaatsgevonden en
                        is voltooid. Het is van belang om vooraf na te gaan of de exploitant voldoet
                        aan bepaalde gedragseisen, de vestiging of exploitatie in strijd is met een
                        geldend bestemmingsplan, of krachtens de wet verboden middelen in de
                        inrichting ter verkoop worden aangeboden. Daarnaast is van belang om te
                        toetsen of een aanvraag om vergunning kan worden geweigerd in het belang van
                        de huishouding van de gemeente, de</al><al>handhaving van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, de
                        bescherming van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of
                        goederen, de verkeersvrijheid en -veiligheid, de gezondheid of de
                        zedelijkheid. Het kan zijn dat deze toets langer duurt dan de geldende
                        beslistermijn (acht weken met de mogelijkheid om nog eens acht weken te
                        verdagen).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr></kop><al><onderstreept>Openings- en sluitingstijden</onderstreept></al><al>Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149
                        Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor
                        horecabedrijven vaststellen in het belang van de openbare orde, de openbare
                        veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu. Deze
                        bevoegdheid houdt ook in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden
                        vastgesteld voor de zondag. Sommigen concluderen uit artikel 7 van de
                        Zondagswet dat de gemeenteraad niet bevoegd is een speciaal voor de zondag
                        geldende sluitingsregeling vast te stellen. Volgens HR 22-07-1960, AB 1961,
                        p. 15, belet dit artikel de raad echter niet om voor de zondag een
                        afwijkende regeling te treffen voor de sluitingstijden van cafés e.d. mits
                        de grond voor de afwijking van de voor de andere dagen geldende regeling
                        niet gelegen is in het bijzondere karakter van de zondag. Volgens de Hoge
                        Raad beoogt de Zondagswet naar haar strekking niet de gemeentelijke wetgever
                        te beperken in zijn bevoegdheid om ter afwering van verstoring van de
                        openbare orde voorzieningen te treffen. Sommige gemeenten hebben, bij wijze
                        van of na een experiment, de verplichte sluitingsuren uit de APV geschrapt.
                        Argument daarvoor is meestal, dat daardoor onder meer de verstoring van de
                        openbare orde (nachtrust) aanzienlijk kan worden beperkt: er is sprake van
                        minder geluidsoverlast doordat cafébezoekers niet langer tegelijk maar
                        geleidelijk aan huiswaarts keren en de politie is beter in staat voldoende
                        toezicht uit te oefenen. Zo'n maatregel zal meer vruchten afwerpen naarmate
                        zij tevens van kracht is in gemeenten in de directe omgeving: anders bestaat
                        immers het gevaar dat de liberalere openingstijden een aantrekkingskracht
                        uitoefenen op horecabezoekers uit aangrenzende gemeenten, en dat de kans op
                        verstoring van de openbare orde wordt vergroot. Omdat het erop lijkt dat de
                        meeste gemeenten toch enige vorm van verplichte sluiting van horecabedrijven
                        gewenst vinden, voorziet artikel 4.3. in een sluitingsregeling. Daarin is
                        onderscheid gemaakt tussen de sluitingstijden op werkdagen en de
                        sluitingstijden gedurende het weekeinde. Uiteraard kan deze onderverdeling
                        anders worden opgezet, indien gewenst.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Het onderscheid tussen regelgeving en uitvoering heeft in het kader van de
                    sluitingsuren van inrichtingen aanleiding gegeven tot menige jurisprudentie van
                    de Afdeling rechtspraak van de Raad van State. In de uitspraak van 2 september
                    1983, AB 1984, 245 m.nt. JHvdV (Oploo, Sint Anthonis en Ledeacker) stond de
                    vraag centraal of de burgemeester bevoegd was een permanente ontheffing te
                    verlenen van het verbod uit de APV. De Afdeling heeft over de
                    bevoegdheidsafbakening tussen de raad en burgemeester aangegeven dat de
                    gemeenteraad in het APV artikel in het geheel geen grenzen stelt aan de
                    ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester. Noch uit de tekst van het APV
                    artikel, noch anderszins, blijkt dat de ontheffing bijvoorbeeld slechts in
                    bijzondere omstandigheden of in incidentele gevallen door de burgemeester mag
                    worden verleend.</al><al>De visie van verweerder dat hij zich op het terrein van de gemeentelijke
                    wetgever zou bewegen, zou naar het oordeel van de Afdeling slechts opgaan indien
                    hij aan alle inrichtingen in de gemeente onbeperkt ontheffing van het in het
                    desbetreffende APV-artikel vervatte verbod zou verlenen. In dat geval zou
                    verweerder immers de door de gemeenteraad vastgestelde sluitingsuren als vermeld
                    in artikel 56 (4.4.), eerste lid, APV in feite ter zijde stellen. De Afdeling
                    kan daarom niet inzien waarom de burgemeester de bevoegdheid zou missen het
                    verzoek om ontheffing in te willigen.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de
                    burgemeester andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk
                    horecabedrijf. Dat kan zowel neerkomen op een verruiming van de openingstijden,
                    als op een beperking. Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid
                    daartoe een voorschrift te verbinden aan de vergunning die aan de exploitant van
                    de desbetreffende inrichting zal worden verleend. Het gaat hier om een
                    vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1.4 van de APV, dat dus moet
                    strekken ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                    vergunning vereist is. Een voorbeeld van zo'n voorschrift is de verplichting een
                    bepaald veiligheidsniveau voor de bezoekers te garanderen of het rustiger laten
                    verlopen van het sluitingsuur. Een portier kan in zo'n eis voorzien. Het is niet
                    mogelijk de aanwezigheid van een portier te eisen als invulling van de eis voor
                    een bepaald veiligheidsniveau of een rustig verloop van het sluitingsuur. De
                    wijze waarop aan de eis wordt voldaan, is een keuze van de exploitant. De
                    burgemeester geeft daarna aan of met een bepaalde keuze van de exploitant aan
                    zijn eis wordt voldaan. De eventuele aanwezigheid van een portier moet voldoen
                    aan de Wet beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Over de uitoefening van
                    deze bevoegdheid, kan de burgemeester desgewenst beleidsregels vaststellen als
                    bedoeld in artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Als
                    beleidsregel kan de burgemeester bepalen dat hij, bij het beantwoorden van de
                    vraag of voor een afzonderlijk horecabedrijf bij vergunningvoorschrift
                    afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld, per categorie
                    horecabedrijven een bepaald beleid hanteert. Dat beleid kan bijvoorbeeld
                    inhouden dat het sluitingsuur voor cafetaria's, broodjeszaken e.d. als regel op
                    een ander tijdstip (bijvoorbeeld een uur later) wordt vastgesteld dan voor
                    andere horecabedrijven, om cafébezoekers de mogelijkheid te bieden iets te eten
                    na de sluiting van hun café. Nu het hier een beleidsregel betreft, kan de
                    burgemeester daarvan in een concreet geval - gemotiveerd - afwijken (een
                    cafetaria niet toestaan een uur later te sluiten dan cafés) indien dat volgens
                    hem noodzakelijk is in het belang van de openbare orde of de woon en
                    leefomgeving.</al><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Afbakening</titel></kop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Een horecabedrijf als bedoeld in
                    artikel 4.1 kan vergunningplichtig zijn ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) of
                    onder de werking van het Besluit horeca , sport en recreatie inrichtingen
                    milieubeheer vallen. Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning kunnen
                    eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden gesteld ter
                    voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De sluitingsbepalingen
                    van de APV gelden derhalve niet voorzover de op de Wm gebaseerde voorschriften
                    van toepassing zijn. Wat betekent dit voor de reikwijdte van de APV bepalingen?
                    De Wm beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of beperking van
                    alle nadelige gevolgen van het milieu door het in werking zijn van krachtens die
                    wet aangewezen inrichtingen. De gemeenteraad is niet bevoegd die regeling bij
                    verordening aan te vullen, indien daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te
                    beschermen. De raad kan dus niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder
                    of andere belangen die onder het begrip 'bescherming van het milieu' vallen,
                    tegengaan die wordt veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is
                    ingevolge de Wm. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Een in naam besloten club die wel in hoge mate voor het publiek toegankelijk is,
                    moet voldoen aan de sluitingstijden van de APV. Vz.ARRS, 21 12 1992, Gst. 1993,
                    6073, 4 m.nt. HH, JG 93.0260. Beleid op basis waarvan coffeeshops, in
                    tegenstelling tot andere horecabedrijven, vanaf 20.00 uur gesloten moeten zijn
                    is noch in strijd met de Winkeltijdenwet noch anderszins onredelijk. Een
                    coffeeshop is geen winkel. Hij is immers in hoofdzaak ingericht als een bedrijf
                    waar gekochte waren ter plaatse worden genuttigd. Rb Breda, 03-12-1997, JG
                    98.0025, AB 1998, 76 m.nt. FM. Terughoudend beleid ten aanzien van
                    nachtvergunningen voor horecabedrijven. ABRS 08-02-1994, JG 94.0252 , Gst. 1994,
                    6999, 4 m.nt. HH. Verhouding tussen sluitingstijden zoals vastgesteld door de
                    raad op grond van de verordening en door de burgemeester voor het concrete
                    geval. Vz.ARRS 30-03-1993, JG 94.0094 m.nt. A.B. Engberts. Sluitingstijden in de
                    APV stellen geen grenzen aan de bevoegdheid van de burgemeester om ontheffing te
                    verlenen. ARRS 02-09-1983, AB 1984, 245 m.nt. JHvdV. De ontheffing van de
                    burgemeester mag geen permanent karakter hebben en niet alle in de gemeente
                    aanwezige inrichtingen betreffen. ARRS 19-01-1984, AB 1984, 491 m.nt.
                    JHvdV.</al><al>De in exploitatievergunningen voor een niet-alcoholverstrekkend horecabedrijf
                    opgenomen mededeling omtrent de openingstijden van het horecabedrijf is geen
                    besluit in de zin van art. 1:3, lid 1, van de Awb. Openingstijden vloeien
                    namelijk rechtstreeks voort uit de APV. LJN-nr. AE8980, JG 03.0024 m.nt. A.L.
                    Esveld. De burgemeester stelde terecht eis aan garderobefunctie café bij
                    ontheffing sluitingstijd. LJN-nr. AF2496, JG 03.0063 m.nt. A.L. Esveld.
                    Herhaalde overtreding van sluitingtijd leidt tot onmiddellijke sluiting
                    horecabedrijf. LJN-nr. AM5381, JG 04.0102 m.nt. A.L. Esveld. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr></kop><al><onderstreept>Afwijkende openingstijden en sluitingstijden en tijdelijke
                            sluiting</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Net als voor de in artikel 4.3. tweede lid, genoemde bevoegdheid, vormt ook hier
                    artikel 174 van de Gemeentewet de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer
                    horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te
                    sluiten.</al><al>Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het
                    belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of in bijzondere
                    omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene
                    bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld in artikel 4.3.,
                    tweede lid, die een individueel karakter heeft zich niet alleen kan uitstrekken
                    tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige
                    horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich - in tegenstelling tot artikel
                    4.3., tweede lid, waarbij het om een permanente afwijking kan gaan - tot het
                    tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke
                    sluiting.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Afbakening</titel></kop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Hoewel de wetgever er bij de
                    invoering van de Wet 'Damocles' (artikel 13b van de Opiumwet dat op 21 april
                    1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat gemeentelijke regelingen
                    (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid behouden omdat het
                    onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt het raadzaam door
                    middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te stellen dat niet in
                    dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is
                    bedoeld. </al><al>Zie voor meer informatie en jurisprudentie ook de website van het SIDV,
                    www.sidv.nl .</al><al>Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348).
                    Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een
                    pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a
                    Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere
                    persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de
                    verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig
                    achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot
                    onteigening.</al><al>In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet
                    en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers.
                    Conform artikel 3:16 BW. Merkwaardig genoeg geldt deze inschrijvingsplicht niet
                    voor de sluitingen op grond van de APV.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr></kop><al><onderstreept>Aanwezigheid in horecabedrijf</onderstreept></al><al>De in de vorengenoemde artikelen opgenomen sluitingsbepalingen richten zich
                        tot de houder van de inrichting: hij dient zijn bedrijf gesloten te houden
                        gedurende de tijden, die hem bij of krachtens die bepalingen zijn opgelegd.
                        Artikel 4.8. richt zich daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de
                        inrichting. Indien deze zich met goedvinden van de houder in de inrichting
                        bevindt gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn,
                        overtreedt hij artikel 4.8. Indien echter daarvoor de toestemming van de
                        houder ontbreekt en de bezoeker zich niet op diens eerste vordering
                        verwijdert, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                        (lokaalvredebreuk). Beide artikelen zijn naast elkaar bestaanbaar: artikel
                        4.8. strekt tot handhaving van een publiekrechtelijke regeling, terwijl
                        artikel 138 Wetboek van Strafrecht ziet op de bescherming van de rechten die
                        aan de eigendom verbonden zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr></kop><al><onderstreept>College als bevoegd bestuursorgaan</onderstreept></al><al>Het begrip 'horecabedrijf' als omschreven in artikel 4.1., eerste lid, ziet
                        ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals
                        besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen (zie ook onder artikel
                        4.1.). Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de
                        burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr></kop><al><onderstreept>Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>Het begrip 'inrichting' als hier omschreven sluit aan bij artikel 438
                        Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van
                        nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte
                        beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het
                        plaatsen van kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Houder</titel></kop><al>Houder in de zin van deze bepaling kan ook een rechtspersoon zijn, in welk geval
                    moet worden aangenomen dat de registratieplicht de directeur betreft: HR 14 06
                    1955, NJ 1956, 38.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr></kop><al><onderstreept>Melding en exploitatie</onderstreept></al><al>Artikel 4.12 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                        overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en
                        kampeerinrichtingen.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</titel></kop><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr></kop><al><onderstreept>Nachtregister</onderstreept></al><al>De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de houder van de
                        inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht.
                        Artikel 438 schrijft voor dat de houder van de inrichting:</al><lijst><li nr="·"><al>bij aankomst van een gast een geldig reisdocument of
                                identiteitsbewijs verlangt en daarvan aantekening maakt (eerste lid,
                                onder 1e), en diens naam, beroep of betrekking, woonplaats en dag
                                van aankomst moet aantekenen (eerste lid, onder 2e);</al></li><li nr="·"><al>bij vertrek van de gast de dag van vertrek aantekent (eerste lid,
                                onder 2e);</al></li><li nr="·"><al>het register op aanvraag vertoont aan de burgemeester of een door
                                deze aangewezen ambtenaar. </al></li></lijst><al>Tezamen hebben artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht en de bepalingen
                        van deze paragraaf primair als doel om, met de geregistreerde gegevens, de
                        opsporing of aanhouding van door de politie of justitie gezochte personen te
                        vergemakkelijken. De in deze paragraaf opgenomen bepalingen kunnen eveneens
                        een ander oogmerk hebben: bijvoorbeeld, behalve de openbare orde, het
                        vastleggen van kwantitatieve gegevens over het recreatieve bezoek (om
                        daarmee een openluchtrecreatie en toerismebeleid te kunnen voeren). </al><al>Bij de wijziging van de APV in 2002 is het oorspronkelijke tweede lid van
                        deze bepaling over inzage vervallen. Hierin wordt inmiddels voorzien door
                        artikel 5:17 van de Awb: Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen
                        van zakelijke gegevens en bescheiden.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Het nachtregister moet op aanvraag worden vertoond aan de burgemeester of een
                    door deze aangewezen ambtenaar. Tot aanwijzing als hier bedoeld is de
                    gemeenteraad niet bevoegd: HR 13 12 1897, W. 7056.</al><al>Het college van de gemeente Terschelling had terecht uitgesproken dat het
                    beschikken over gastenstatistieken 'dienstbaar kan worden gemaakt aan de
                    bevordering van het toerisme binnen de gemeente' en 'kunnen die voorschriften
                    worden aangemerkt als betreffend de huishouding der gemeente'. HR 13 12-1966, AB
                    1967, p. 429.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr></kop><al><onderstreept>Verschaffing gegevens nachtregister</onderstreept></al><al>Artikel 4.13. komt de houder van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                        inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de
                        voor registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de houder
                        te verstrekken.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Artikel 438 Wetboek van Strafrecht kan bij plaatselijke verordening worden
                    aangevuld. HR 10 4 1979, NJ 1979, 442.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.15</nr></kop><al><onderstreept>Speelgelegenheden</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Het begrip 'speelgelegenheid' als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten
                    aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals
                    speelcasino's en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met
                    uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden,
                    waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</al><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als
                    bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen
                    beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts
                    indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen; zoals poker, worden
                    beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling
                    om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is
                    dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede en derde lid</titel></kop><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 4.15. heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan. </al><al>De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om
                    een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege
                    de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak
                    wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in
                    het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel
                    van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
                    omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                    nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er
                    strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen
                    vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet
                    de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1.6 van de APV zijn
                    voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><al>Op 7 januari 2003 heeft de rechtbank Maastricht bepaald dat de burgemeester
                    bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang in geval van een casino zonder
                    vergunning ex artikel 4.1. APV, een illegaal casino dus. Er was een vergunning,
                    maar vast staat dat deze was ingetrokken onder meer vanwege een geconstateerde
                    overtreding van de Wet op de Kansspelen en daarmee van overtreding van artikel
                    4.1. van de APV. Daarna is geconstateerd dat in het pand een illegaal casino
                    werd geëxploiteerd. Daarmee stond dus vast dat zonder vergunning een
                    speelgelegenheid werd geëxploiteerd, zodat bestuursdwang kon worden toegepast.
                    Ook werd bepaald dat er geen sprake was van een besloten bijeenkomst in
                    verenigingsverband, omdat een ieder tegen betaling van een betrekkelijk gering
                    bedrag lid kon worden en mee kon spelen. Rb Maastricht 07-01-2003, nr 01/1750 en
                    01/1751 GEMWT I, LJN-nr. AF2782 </al><divisie><kop><label>Vierde lid</label></kop><al>Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde.
                        Daarnaast speelt het bestrijden van goksverslaving een rol (uit een oogpunt
                        van volksgezondheid). Het is onwenselijk als deze vergunning van rechtswege
                        wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag (waaronder
                        een eventuele toets in het kader van de Wet Bibob) heeft plaatsgevonden en
                        is voltooid. Het kan zijn dat deze toets langer duurt dan de geldende
                        beslistermijn (acht weken met de mogelijkheid om nog eens acht weken te
                        verdagen). Tevens heeft dit vergunningstelsel een relatie met de
                        bestemmingsplantoets, in dat geval moet er op de APV aanvraag worden beslist
                        en moet het geldende bestemmingsplanworden aangepast. Ook dit bij elkaar kan
                        langer duren dan zestien weken</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Internetgokzuilen</titel></kop><al>Inmiddels is er ook een uitspraak van de Raad van State op 29 januari 2003 over
                    een gelegenheid waarin een internetgokzuil is geplaatst. De Raad van State gaat
                    ervan uit, en dit was ook niet in geschil, dat er dan sprake is van een
                    speelgelegenheid in de zin van dit artikel. Appellant exploiteerde zonder dat
                    zij over de vereiste vergunning beschikte, en de burgemeester is op grond van
                    artikel 125, derde lid, Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang.
                    ABRS 29-01-2003, 200202981/1, LJN-nr. AF 3507. Zie ook Rb Arnhem, 11-03-2002, JG
                    02.0152 m.nt. T.J. van der Reijt.</al><al>Er zijn ook enkele uitspraken van de strafrechter geweest waarin de exploitant
                    van een internetgokzuil en een exploitant van een inrichting waarin een
                    internetgokzuil is geplaatst zijn veroordeeld tot een boete.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Speelautomatenhallen</titel></kop><al>Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling. Het is mogelijk in een
                    speelautomatenhallenverordening te bepalen dat bij de beoordeling van een
                    aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal rekening
                    wordt gehouden met de woon en leefsituatie. De VNG heeft een model
                    speelautomatenhallenverordening opgesteld.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</titel></kop><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje <cursief>Vreemdelingen</cursief> onder de Algemene toelichting. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Internetgokzuil in inrichting maakt dat er sprake is van speelgelegenheid,
                    burgemeester kan handhavend optreden. ABRS 29-01-2003, 200203981/1, LJN-nr
                    AF3507, Rb Almelo11-03-2002, JG 02.0152 m.nt. T.J. van der Reijt.</al><lijst><li nr="·"><al>Burgemeester kan bestuursdwang toepassen in geval er sprake is van een
                            speelgelegenheid, in dit geval een illegaal casino, zonder vergunning.
                            Rb Maastricht 07-01-2003, 01/17050 en 01/1751 GMWT I, LJN-nr.
                            AF2782.</al></li><li nr="·"><al>Speelgelegenheid door een vereniging waarvan tegen betaling van een
                            gering bedrag een ieder lid kan worden, heeft geen besloten karakter,
                            burgemeester kan optreden indien er geen vergunning is. Rb Arnhem
                            17-07-2002, 00/3094 en 00/3095 AW, LJN-nr. AF5840.- Speelgelegenheid
                            wordt in casu niet als besloten aangemerkt, dus kan bestuursdwang worden
                            toegepast ogv APV Groesbeek. Rb Arnhem 17-07-2002, 02/1400, LJN-nr.
                            AE5840.</al></li><li nr="·"><al>Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten aangemerkt, dus kan
                            bestuursdwang worden toegepast ogv APV Groesbeek. Rechtbank Arnhem
                            17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840.</al></li></lijst><al>Gelegenheid bieden tot winnen van prijzen en premies middels internetgokzuilen
                    is strafbaar feit, Ec.politierechter Zutphen, 17-05-2002, 06/035799-01, LJN-nr.
                    AE4680 en Rb. Arnhem, ec. kamer, 20-12-2001, 05/087842-00, LJN-nr. AD8104.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.16</nr></kop><al><onderstreept>Speelautomaten</onderstreept></al><al>Op 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over
                        de speelautomaten in werking getreden (weer gewijzigd per 1 november 2000).
                        De wetgever had er bewust voor gekozen ruimte te laten voor de uitleg van de
                        artikelen: de rechter moest maar voor nieuwe jurisprudentie zorg dragen.
                        Deze opvatting gaf de gemeenten nogal wat problemen. </al><al>Begin 2002 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) een
                        aantal uitspraken gedaan, waarin ten aanzien van hoog- en laagdrempelige
                        inrichtingen een interpretatie wordt gegeven over de wijziging van de Wet op
                        de Kansspelen d.d. 1 november 2000 ten gevolge van de ingrijpende wijziging
                        van de Drank- en Horecawet. Het gaat hierbij vooral over de begrippen
                        "inrichting" en "horecalokaliteit" en de gevolgen voor hoog- en
                        laagdrempelige inrichtingen. Het CBB overweegt - in tegenstelling tot wat
                        uit de wetsgeschiedenis blijkt en tot nu toe uit de jurisprudentie is
                        gebleken - “dat er wel sprake is van een materiële wijziging van de Wet” en
                        niet slechts van een technische. Dit kan verstrekkende consequenties hebben
                        voor de gemeentelijke praktijk, vooral voor de wijze van formulering van
                        besluiten.</al><al>Het CBB toetst de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige inrichting op
                        een wetstechnische manier. Er dient slechts beoordeeld te worden of er
                        sprake is van een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet en
                        of er zich in deze horecalokaliteit zelf geen andere activiteiten afspelen
                        waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend. (Een
                        horecalokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet is een van een
                        afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een
                        inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval
                        bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter
                        plaatse.) Moeilijk is te bepalen wat een andere zelfstandige activiteit is.
                        Hierover is veel jurisprudentie, zie hieronder onder het kopje
                        jurisprudentie. Er moet in ieder geval gedacht worden aan het afhalen van
                        etenswaren, dansen, zaalverhuur, bowlen of kegelen en het serveren van
                        kleine etenswaren. Waar precies de grens ligt tussen ondersteunende
                        activiteiten en zelfstandige activiteiten is een sterk feitelijk oordeel en
                        zal van geval tot geval moeten worden bekeken, gerelateerd aan de
                        jurisprudentie. In welke omgeving de horecalokaliteit ligt, is, in
                        tegenstelling tot de oude jurisprudentie, niet meer van belang. Ook een
                        horecalokaliteit op een camping of in een sporthal of dorpshuis kan
                        hoogdrempelig zijn. Deze benadering leidt tot de vreemde consequentie dat
                        bijvoorbeeld een seksinrichting als laagdrempelig wordt aangemerkt en een
                        sportkantine (soms) als hoogdrempelig.</al><al>Op 17 juli 2002 heeft het CBB geoordeeld dat een horecalokaliteit, gelegen
                        in een sportcomplex, niet per definitie laagdrempelig is. De sporthal zelf
                        maakt geen onderdeel uit van de inrichting. Er dient beoordeeld te worden of
                        de horeca-inrichting zelf hoogdrempelig is. Het feit dat het café
                        voornamelijk gericht is op bezoekers van het sportcomplex, staat daar, aldus
                        het CBB, los van. Ook het feit dat het café in belangrijke mate bezocht
                        wordt door bezoekers beneden de 18 jaar staat er volgens het CBB niet aan in
                        de weg dat de lokaliteit niet tevens in belangrijke mate gericht kan zijn op
                        bezoekers van boven de 18 jaar en dat is het wettelijk criterium. (CBB
                        17-07-2002, JG 02.0153 , m.nt. T.J. van der Reijt)</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Samengestelde inrichtingen</titel></kop><al>Indien er sprake is van een laagdrempelige horeca-inrichting, waarbinnen zich
                    een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Drank- en Horecawet
                    bevindt, dient te worden onderzocht of de laagdrempelige gedeelten vanaf de
                    openbare weg bereikt kunnen worden via deze horecalokaliteit. Als dit het geval
                    is, dan is (op grond van artikel 30c lid 4 van de Wet op de Kansspelen) de
                    horecalokaliteit alsnog laagdrempelig en is het niet toegestaan
                    kansspelautomaten te plaatsen.</al><al>Het CBB heeft in enkele uitspraken begin 2002 opnieuw een lijn uitgezet over
                    wanneer er sprake is van hoog- of laagdrempelige inrichtingen en van
                    samengestelde inrichtingen. Uit deze uitspraken van het CBB is een stappenplan
                    af te leiden, dat dient te worden doorlopen bij de beantwoording van de vraag of
                    er sprake is van een hoogdrempelige inrichting.</al><al>a.Bij één afgesloten ruimte.</al><lijst><li nr="1."><al>is er een vergunning volgens de Drank- en Horecawet?</al></li><li nr="2."><al>staat het café- en restaurantbezoek op zichzelf?</al></li><li nr="3."><al>zijn de activiteiten in belangrijke mate gericht op personen ouder dan
                            18?</al></li></lijst><al>Is aan alle vereisten voldaan dan is er sprake van een hoogdrempelige
                    inrichting, waarin twee kansspelautomaten zijn toegestaan. Is aan een van de
                    eisen niet voldaan, dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting.</al><al>b.Bij meerdere ruimten in een gebouw.</al><lijst><li nr="1."><al>is er sprake van een afzonderlijke horecalokaliteit in het gebouw, dan
                            wel van meerdere lokaliteiten waarin het horecabedrijf wordt
                            uitgeoefend, die tezamen een besloten ruimte vormen binnen het
                            gebouw?</al></li><li nr="2."><al>wordt voor de afzonderlijke horecalokaliteit, dan wel voor het geheel
                            van de lokaliteiten die tezamen de horeca-inrichting vormen, voldaan aan
                            de stappen onder A?</al></li></lijst><al>Is aan alle eisen voldaan, dan is er sprake van een hoogdrempelige inrichting. </al><lijst><li nr="c."><al>Bij een horecalokaliteit in de zin van artikel 1 lid 1 van de Drank- en
                            Horecawet binnen een laagdrempelige horeca-inrichting.</al></li><li nr="1."><al>worden de stappen genoemd onder A. bevestigend beantwoord?</al></li><li nr="2."><al>zo nee: er is geen sprake van een hoogdrempelige inrichting.</al></li><li nr="3."><al>zo ja: zijn de overige ruimten van de laagdrempelige inrichting mogelijk
                            door het publiek te bereiken via deze horecalokaliteit? (artikel 30c lid
                            4 Wet op de Kansspelen).</al></li><li nr="4."><al>zo ja: er is géén sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van
                            de Wet op de Kansspelen, kansspelautomaten zijn niet toegestaan.</al></li><li nr="5."><al>zo nee: er is sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de
                            Wet op de Kansspelen. </al></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr></kop><al><onderstreept>EVENEMENTEN</onderstreept></al><al></al><al>Het is van belang om in de APV een regeling op te nemen met betrekking tot het
                    houden van evenementen, omdat deze een uitstraling hebben op de openbare
                    orde.</al><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen
                    is gebaseerd op artikel 174 van de Gemeentewet. De uitvoering van verordeningen
                    van de raad inzake de onderwerpen die worden genoemd in dit artikel berust bij
                    de burgemeester.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr></kop><al><onderstreept>Begripsomschrijving</onderstreept></al><al>Gekozen is voor een negatieve omschrijving van het begrip evenement.
                        Uitgaande van een algemeen geldend criterium (<cursief>'namelijk elke voor
                            publiek toegankelijke verrichting van
                            ve</cursief><cursief>r</cursief><cursief>maak'</cursief>) wordt
                        vervolgens een aantal evenementen opgesomd welke niet onder de werking van
                        de bepalingen valt.</al><lijst><li nr="a."><al>In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen.
                                Deze voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt.</al></li><li nr="b."><al>Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten.
                                Indien het college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en
                                onder h, van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan
                                de gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening.
                                Uitgebreide informatie over markten is te vinden onder de
                                toelichting bij artikel 13.7 en in de modelmarktverordening van de
                                VNG. Snuffelmarkten zijn specifiek geregeld in artikel 13.7 van de
                                APV.</al></li><li nr="c."><al>De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.</al></li><li nr="d."><al>Dansen in een DHW-inrichting is uitgezonderd van het
                                evenementenbegrip omdat dit in het algemeen niet als een evenement
                                kan worden gezien. Een andere, meer incidenteel plaatsvindende
                                activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijv. het optreden
                                van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel als
                                evenement worden aangemerkt. Zie Lbr 92/78. Zie verder hieronder
                                onder feest.</al></li><li nr="e."><al>Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de
                                Wom. </al></li><li nr="f."><al>Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2.5
                                (Straatartiest) en 4.15 (Speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard
                                om dubbele regelgeving te voorkomen. Optochten en feest, muziek en
                                wedstrijd, e.d. zijn niet meer als uitzondering opgenomen.
                                Optochten, braderie, feest en wedstrijd op of aan de weg vallen nu
                                onder de reikwijdte van het evenementenbegrip.</al></li></lijst><al>Het mag duidelijk zijn dat indien een gemeentebestuur van mening is dat
                        bepaalde, niet in de begripsomschrijving uitgezonderde, evenementen van de
                        vergunningplicht behoren te worden vrijgesteld, deze evenementen als
                        uitzondering kunnen worden opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr></kop><al>1. <onderstreept>Evenement</onderstreept></al><al>In de algemene toelichting is reeds het vereiste van een vergunning voor een
                        evenement gemotiveerd. De aanvraag van een vergunning voor een evenement
                        dient ingevolge art. 1.3 ten minste drie weken voor de aanvang van een
                        evenement te worden ingediend. De aanvraag wordt behandeld door de
                        burgemeester. De burgemeester is bevoegd aan het houden van een evenement
                        voorschriften te verbinden. Voor de toelaatbaarheid daarvan gelden enkele
                        voorwaarden: a. de voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige
                        wettelijke regeling; b. de voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in
                        verband met het voorkomen van aantasting van de openbare orde, veiligheid,
                        zedelijkheid of gezondheid; c. de voorschriften mogen niet in strijd komen
                        met enig beginsel van behoorlijk bestuur.</al><al>Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeenten. Er worden
                        verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor
                        bijv. de hele stad of kleinschalig bijv. alleen beperkt tot de eigen straat.
                        Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden
                        afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt.</al><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of
                        straatfeesten is in het kader van de vermindering van administratieve lasten
                        voor de burger, maar ook het verhelderen en duidelijk omschrijven van het
                        eendaagse evenement gekozen voor het toepassen van een algemene maatregel.
                        Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die zich in de openbare ruimte
                        afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden. Het vervangen van
                        vergunningvoorschriften door algemene regels in combinatie met het doen van
                        een melding geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid maar
                        tegelijk ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die
                        openbare ruimte. </al><al><onderstreept>Vijfde lid</onderstreept></al><al>De praktijk heeft uitgewezen dat er bij sommige vechtsportevenementen zoals
                        freefight en kickboxgala’s een verhoogde kans bestaat op ongewenste
                        situaties rond en tijdens het evenement. Dit gegeven is aanleiding om
                        voorafgaand aan de vergunningverlening aanvullend onderzoek te doen naar de
                        organisator van een vechtsportevenement. De organisator van een evenement is
                        verantwoordelijk voor een goede gang van zaken tijdens het evenement en voor
                        een ordelijk verloop ervan, zowel in het gebouw als in de directe omgeving
                        daarvan. </al><al> De eis van het levensgedrag wordt hier gesteld om te kunnen toetsen of de
                        organisator van een dergelijk evenement op grond van zijn levensgedrag kan
                        worden geacht aan deze verantwoordelijkheden te voldoen. De burgemeester
                        weigert de vergunning dan ook als deze negatief uitvalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr></kop><al><onderstreept>Aanwijzing collectieve festiviteiten</onderstreept></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde voorschriften niet
                        gelden vloeit voort uit voorschrift 1.1.9, aanhef en onder a van de bijlage
                        onder B van het Besluit horeca , sport en recreatie inrichtingen
                        milieubeheer (Besluit). Dit voorschrift voorziet er overigens in dat op deze
                        dagen overmatige geluidhinder moet worden voorkomen (de voorschriften gelden
                        niet 'voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan
                        worden gevergd'). Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval,
                        kermis, culturele, sportieve of recreatieve manifestatie. In dit artikel is
                        de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college (zie voor wat
                        betreft dit punt ook het commentaar bij artikel 5.5 en 5.6). Er hoeft dus
                        niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke
                        feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient
                        aanbeveling het college jaarlijks -in samenspraak met de plaatselijke horeca
                        - vast te laten stellen op welke data de betreffende voorschriften niet van
                        toepassing zijn. In tegenstelling tot het oude Besluit horecabedrijven
                        milieubeheer waarbij in totaal maximaal 12 collectieve en incidentele
                        festiviteiten konden worden aangewezen, wordt in het Besluit horeca , sport
                        en recreatie inrichtingen milieubeheer geen maximum meer gesteld voor het
                        aantal collectieve festiviteiten (Bijlage onder B, voorschrift 1.1.9).
                        Gemeenten zijn derhalve vrij om het maximum aantal dagen te bepalen waarvoor
                        de voorschriften niet gelden. Deze verruiming betekent dat het college beter
                        rekening kan houden met de geplande festiviteiten, zoals Koninginnedag,
                        kermis, carnaval enz. </al><al>Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een bepaald maximum aantal aan te
                        wijzen festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou kunnen worden
                        vastgelegd in een beleidsregel. Indien de gemeenteraad dit zelf wenst te
                        bepalen dient het maximum te worden vastgelegd in de verordening zelf. </al><al>Voor zover in verband met de viering van een collectieve festiviteit ook
                        afgeweken wordt van voorschrift 1.5.1 uit de bijlage B bij het Besluit,
                        dient er tevens een aanwijzing te geschieden krachtens het tweede lid. </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>De bevoegdheid om te bepalen dat dit voorschrift niet geldt vloeit voort uit
                    artikel 1.5.2 van de bijlage, onder B van het Besluit. Dit voorschrift is met
                    name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere competities en
                    recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun
                    lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit in het licht van
                    het tweede lid is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan
                    mee doen. Ook hier verdient het aanbeveling het college jaarlijks in samenspraak
                    met de plaatselijke sportverenigingen vast te laten stellen op welke data de
                    betreffende voorschriften niet van toepassing zijn. In het besluit wordt net als
                    voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum gesteld voor
                    het aantal collectieve festiviteiten (Bijlage onder B, voorschrift 1.5.2).
                    Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar
                    het eerste lid. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Derde lid</titel></kop><al>De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de
                    verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De gemeenteraad kan het gebied
                    van de gemeente in de verordening verdelen in verschillende dorpskernen of
                    wijken. Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden
                    gehouden dat deze de strekking van de regeling niet ondermijnt. Een paar straten
                    kunnen niet als een gebied worden aangemerkt. Het onderscheid tussen collectieve
                    en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijken. Gebiedsdifferentiatie
                    betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan
                    verschillen. Voorschrift 1.1.9, onder a, van de bijlage, onder B van het Besluit
                    kent alleen gebiedsdifferentiatie voor collectieve festiviteiten.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vierde lid</titel></kop><al>Het college maakt het aantal aangewezen collectieve festiviteiten minstens vier
                    weken voor de aanvang van het nieuwe jaar bekend. Daar een dergelijke aanwijzing
                    een besluit van algemene strekking is, dienen de bekendmakingsregels van artikel
                    3:42 Awb in acht te worden genomen.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vijfde lid</titel></kop><al>Wanneer er een feest plaatsvindt dat niet was te voorzien, bijvoorbeeld wanneer
                    de plaatselijke voetbalvereniging landskampioen is geworden, heeft het college
                    de bevoegdheid dit feest terstond aan te wijzen als een collectieve festiviteit
                    waardoor de voorschriften van het Besluit niet van toepassing zijn.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr></kop><al><onderstreept>Melding incidentele festiviteiten</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>De bevoegdheid uit het eerste lid vloeit voort uit voorschrift 1.1.9, aanhef en
                    onder b uit de bijlage onder B van het Besluit.</al><al>Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of slechts een klein
                    aantal inrichtingen gebonden is zoals een optreden met levende muziek bij een
                    café, een jubileum of een straatfeest. In het besluit is bepaald dat het maximum
                    aantal incidentele festiviteiten waarvoor de voorschriften niet gelden 12 dagen
                    of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de
                    bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, het aantal
                    te verlagen. In het onderhavige artikel dient de raad in de verordening te
                    bepalen hoeveel incidentele festiviteiten er maximaal per inrichting in de
                    gemeente zijn toegestaan. Bij een incidentele festiviteit kan gedacht worden aan
                    een veteranentoernooi of een 'vroege vogels'-toernooi. In dit voorschrift is,
                    evenals het voorschrift als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, bepaald
                    dat het maximum aantal incidentele festiviteiten waarvoor het voorschrift niet
                    geldt 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. Zie voorts de toelichting bij het
                    eerste lid. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Derde en vierde lid</titel></kop><al>Het college dient minimaal twee weken voor de aanvang van de festiviteit met een
                    meldingsformulier op de hoogte gesteld te worden van de festiviteit. Wanneer de
                    termijn van twee weken om de festiviteit te beoordelen te kort is kan het
                    bevoegd gezag overwegen deze termijn in de verordening te verlengen. Uit de
                    formulering van het eerste en tweede lid volgt dat wanneer de houder van de
                    inrichting geen melding heeft gedaan en desondanks een festiviteit houdt, deze
                    niet kan worden beschouwd als een incidentele festiviteit op grond van het
                    besluit. Omdat er dan geen sprake is van een incidentele festiviteit dient
                    voldaan te worden aan alle in het Besluit horeca , sport en recreatie
                    inrichtingen milieubeheer (Besluit) gestelde voorschriften. Niet naleving van
                    die voorschriften kan ertoe leiden dat op grond van artikel 18.2 van de Wet
                    milieubeheer (Wm) bestuursrechtelijk of op grond van artikel 18.18 van de Wm
                    strafrechtelijk wordt opgetreden. De termijn voor het indienen van een melding
                    stelt het college in staat te beoordelen op welke wijze de houder van de
                    inrichting zoveel mogelijk overmatige geluidhinder dan wel lichthinder tracht te
                    voorkomen. Voorschrift 1.1.9 onder bijlage B van het Besluit stelt immers dat de
                    geluidsvoorschriften niet gelden voorzover de naleving van deze voorschriften
                    redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Voorts bepaalt voorschrift 1.8.1 onder
                    bijlage B van het Besluit dat 'voor zover de voorschriften van dit besluit niet
                    of in onvoldoende mate voorzien in een toereikende bescherming van het milieu
                    tegen de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken, worden die
                    gevolgen voorkomen of voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk
                    beperkt'. Hiertoe kunnen zij gegevens vragen over: </al><lijst><li nr="a."><al>voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht; </al></li><li nr="b."><al>gedragsregels die binnen de inrichting in acht moeten worden genomen;
                        </al></li><li nr="c."><al>de periode van openstelling van de gehele inrichting, een terras, een
                            parkeerterrein of een ander gedeelte van de inrichting. </al></li></lijst><al>Deze gegevens kunnen het stellen van nadere eisen vereenvoudigen. Op grond van
                    artikel 5, eerste lid, onder a van het Besluit kunnen nadere eisen worden
                    gesteld met betrekking tot de ten behoeve van het voorkomen of beperken van
                    hinder door verlichting te treffen maatregelen of voorzieningen. Voorts biedt
                    artikel 5, eerste lid, onder b van het Besluit de mogelijkheid nadere eisen op
                    te leggen voor situaties waarin het besluit niet voorziet. Van deze bevoegdheid
                    zal slechts in uitzonderingsgevallen gebruik mogen worden gemaakt en wel in een
                    situatie dat uit de kennisgeving blijkt dat overmatige geluid- of lichthinder
                    onvoldoende wordt beperkt en dat het bevoegd gezag door het stellen van
                    aanvullende regels deze overmatige geluid- of lichthinder wel kan laten
                    beperken. Wanneer de houder van de inrichting zich niet houdt aan de nadere
                    eis(-en) is sprake van een overtreding op grond van de Wm en kan op basis van de
                    Wm bestuursrechtelijk of strafrechtelijk worden gehandhaafd. Indien uit de
                    melding blijkt dat de houder van de inrichting overmatige geluid- of lichthinder
                    voldoende zal beperken, maar de houder zich vervolgens tijdens de festiviteit
                    niet houdt aan hetgeen in de melding is vermeld en er sprake is van overmatige
                    geluid- of lichthinder, kan het college hiertegen optreden op grond van
                    voorschrift 1.1.9 of voorschrift 1.8.1 van het Besluit. In een dergelijk geval
                    is bestuursrechtelijk handhaven mogelijk op basis van artikel 18.2 van de Wm en
                    strafrechtelijk handhaven op basis van artikel 18.18 van de Wm.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vijfde lid</titel></kop><al>Wanneer er in een inrichting een festiviteit plaatsvindt die redelijkerwijs niet
                    te voorzien was, bijvoorbeeld wanneer iemand in de lotto 'de honderdduizend'
                    gewonnen heeft, heeft het college de bevoegdheid dit feest terstond aan te
                    wijzen als incidentele festiviteit waardoor de voorschriften van het besluit,
                    zonder dat daartoe een melding is gedaan, niet van toepassing zijn. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.7</nr></kop><al><onderstreept>Verboden incidentele festiviteiten</onderstreept></al><al>De regeling in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
                        milieubeheer gaat ervan uit dat wanneer bij of krachtens verordening dagen
                        zijn aangewezen, de houder van de inrichting toestemming heeft om de
                        geluidsvoorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7, 1.1.5 of het voorschrift 1.5.1
                        over verlichting te overschrijden en daarmee dus enige hinder kan
                        veroorzaken. Volgens de Voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak van
                        de Raad van State bood het oude Besluit horecabedrijven milieubeheer niet de
                        mogelijkheid festiviteiten, die ontoelaatbare hinder veroorzaken te
                        verbieden. Het besluit bevat, volgens de Voorzitter, slechts de mogelijkheid
                        bij of krachtens gemeentelijke verordening dagen of dagdelen aan te wijzen
                        waarop een aantal geluidsvoorschriften van het Besluit niet gelden (VZ ABRS,
                        17 september 1998, Gst (1999), 7093, 2, met noot van Hennekens). Zoals in
                        artikel 4.1.3 is uiteengezet, kan bij overmatige hinder rechtstreeks worden
                        opgetreden op grond van het Besluit. Het Besluit biedt nog wel de
                        mogelijkheid om in uitzonderingsgevallen nadere eisen te stellen aan een
                        toegestane festiviteit ter voorkoming van nadelige gevolgen voor het milieu.
                        Indien blijkt dat door een op zichzelf op basis van het Besluit toegestane
                        festiviteit het woon en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of
                        de openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed, kan de burgemeester
                        de festiviteit verbieden. De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid
                        op grond van artikel 174 van de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de
                        burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze
                        betrekking hebben op het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen.
                        Dat de raad de bevoegdheid heeft het Besluit met een autonome bepaling aan
                        te vullen vloeit voort uit artikel 121 en 149 van de Gemeentewet. In de
                        toelichting bij het Besluit is expliciet vermeld dat de APV aanvullende
                        voorschriften kan bevatten vanuit openbare orde motieven. Dit is bevestigd
                        in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                        van 24 december 1998 (Gst. (1999), 7093, 3 met noot van Hennekens). Het
                        hoeft geen betoog dat de burgemeester niet ongeclausuleerd gebruik kan maken
                        van deze bevoegdheid. Er moet steeds concreet worden gemotiveerd waarom de
                        festiviteit tot een zo grote verstoring van de openbare orde of het woon en
                        leefklimaat leidt dat een verbod geboden is. Steeds moet bedacht worden dat
                        het Besluit als uitgangspunt hanteert dat van eenmaal aangewezen dagen in
                        beginsel gebruik moet worden gemaakt.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr></kop><al><onderstreept>WEG</onderstreept></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr></kop><al><onderstreept>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de
                        weg</onderstreept></al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties
                        die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de
                        toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of
                        containers. De gemeenteraad maakt met het overnemen van dit artikel een
                        nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte aan burger en
                        bedrijfsleven. Een bijkomend voordeel van een algemeen verbod is dat een
                        aantal “losse” bepalingen waarin specifieke handelingen worden verboden,
                        kunnen vervallen:</al><al>2.1.6.3. (oud) hinderlijke beplanting of voorwerp: eigenlijk was dit al een
                        algemeen “voorwerpverbod” 2.1.6.7. (oud) gevaarlijk of hinderlijk
                        voorwerp.</al><al><onderstreept>Tweede Lid</onderstreept></al><al><cursief>Vergunningvrij plaatsen van één of meer tijdelijke objecten met een
                            gezamenlijk oppe</cursief><cursief>r</cursief><cursief>vlakte kleiner
                            dan </cursief><cursief>15 m²</cursief></al><al>Het betreft alle soorten tijdelijke objecten die niet langer dan 1 maand
                        worden geplaatst. Aan de keuze om deze vergunningvrij te mogen plaatsen tot
                        maximaal 15 m² ligt ten grondslag de meest gebruikelijke afmeting van een
                        zeecontainer. Dat er gekozen is voor een gezamenlijk oppervlak van 15 m²
                        heeft te maken met het feit dat iemand dan een puinbak, maar ook een
                        eco-toilet tegelijk kan plaatsen.</al><al>Het is lastig om een termijn bij vergunningvrije plaatsing te controleren,
                        maar door de burger aan te spreken op hun eigen verantwoordelijkheid in
                        bijvoorbeeld huis aan huis informatie, via internet, via de krant of via
                        welkomstpakketten voor nieuwe bewoners/bedrijven kan worden bewerkstelligd
                        dat de sociale controle wordt bevorderd. Daarnaast is ook het klachten en
                        meldingensysteem een goed instrument als controle op de duur van de
                        plaatsing. In informatie kan ook worden meegenomen dat plaatsing op eigen
                        erf uiteraard de voorkeur verdiend en het informeren van buren over de
                        plaatsing van objecten als een burgerlijke plicht moet worden gezien.</al><al>Deze systematiek is zeer onconventioneel, omdat voor zover bekend nog geen
                        enkele gemeente iets dergelijks heeft ingevoerd. Een dergelijke keuze past
                        echter wel binnen de wens van deregulering en de terugtredende overheid. Het
                        is minder betuttelend en de overigens beperkte risico’s kunnen door het
                        stellen van voorwaarden worden ingeperkt.</al><al><cursief>Voor het plaatsen van één of meerdere objecten op, aan of boven de
                            weg is geen vergu</cursief><cursief>n</cursief><cursief>ning nodig
                            indien: </cursief></al><lijst><li nr="·"><al>niet langer geplaatst dan 1 maand en;</al></li><li nr="·"><al>de gezamenlijke oppervlakte van alle objecten niet meer bedraagt dan
                                15 m² en;</al></li><li nr="·"><al>dit geen betrekking heeft op het plaatsen meubilair ten behoeve van
                                terrassen en;</al></li><li nr="·"><al>niet geplaatst op parkeerplaatsen waarvoor betaald parkeren geldt
                                en;</al></li><li nr="·"><al>niet geplaatst in een periode waarin planmatig onderhoud aan wegen
                                is gepland en bekend is gemaakt bij omwonenden en;</al></li><li nr="·"><al>eventuele nooduitgangen en brandgangen niet worden belemmerd
                                en;</al></li><li nr="·"><al>blindengeleide stroken niet belemmerd worden en;</al></li><li nr="·"><al>de gebruiker/eigenaar van het object voldoende maatregelen treft ter
                                voorkoming van schade aan de weg en;</al></li><li nr="·"><al>door plaatsing van het/de object(en) de bruikbaarheid van de weg
                                niet wordt belemmerd voor hulpdiensten (politie, brandweer,
                                ambulance), daarvan is sprake indien:</al><lijst><li nr="o"><al>de doorgang voor hulpdiensten te allen tijde 3,50 meter
                                        bedraagt en;</al></li><li nr="o"><al>instructies/aanwijzingen van gemeentewege, de brandweer, de
                                        ambulancediensten en de politie te allen tijde en direct
                                        worden opgevolgd en;</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>door plaatsing van het/de object(en) de bruikbaarheid voor het
                                overige verkeer op de weg niet wordt belemmerd. Daarvan is sprake
                                indien:</al><lijst><li nr="o"><al>Ten aanzien van reclameobjecten op de weg bij winkels:</al><lijst><li nr="§"><al>geplaatst op het trottoir en binnen een strook van 1
                                                meter gemeten uit de voorgevel van een winkel en/of
                                                bij hoekpanden gemeten uit zijgevel en;</al></li><li nr="§"><al>een strook van minimaal 1,20 meter vrij blijft voor
                                                voetgangers en andere weggebruikers en;</al></li><li nr="§"><al>het reclameobject bij winkels niet hoger is dan 1,20
                                                meter gemeten vanaf het straatpeil en niet breder
                                                dan 0,80 meter en;</al></li><li nr="§"><al>het reclameobject bij winkels van een
                                                weersbestendige, stabiele en solide constructie is
                                                gemaakt en;</al></li></lijst></li><li nr="o"><al>Ten aanzien van overige objecten:</al><lijst><li nr="§"><al>zodanig geplaatst op het trottoir dat een strook van
                                                1,20 meter vrij blijft voor voetgangers en;</al></li><li nr="§"><al>bij een open puinbak/zak deze tussen zonsondergang
                                                en zonsopgang, doch in ieder geval tussen 22.00 uur
                                                en 6.00 uur, is afgedekt ter voorkoming van het
                                                verspreiden van vuil en;</al></li><li nr="§"><al>de omgeving rond een puinbak/zak of soortgelijk
                                                object schoongehouden wordt en;</al></li><li nr="§"><al>bij plaatsing van steigers boven de weg op het
                                                trottoir t.b.v. bouw-, sloop- of
                                                onderhoudwerkzaamheden de vrije hoogte minimaal 2,20
                                                meter bedraagt en;</al></li><li nr="§"><al>bij plaatsing van steigers boven de weg op het
                                                trottoir t.b.v. bouw-, sloop- of
                                                onderhoudwerkzaamheden voldoende maatregelen zijn
                                                getroffen ter voorkoming van verspreiding van vuil
                                                en/of t.b.v. de opvang van vallend
                                                materiaal/materieel en;</al></li><li nr="§"><al>bij plaatsing van één of meerdere objecten op een
                                                parkeerplaats niet meer dan 2 parkeerplaatsen in
                                                gebruik genomen worden en;</al></li><li nr="§"><al>bij plaatsing van objecten boven de weg, niet zijnde
                                                gevelreclame, de doorrijhoogte minimaal 4,20 meter
                                                gemeten vanaf de kruin van de weg bedraagt en;</al></li><li nr="§"><al>na verwijdering van een object of meerdere objecten
                                                t.b.v. afval of puin de omgeving schoon wordt
                                                achtergelaten.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>De voorwaarden zijn gebaseerd op het voorkomen van schade aan de weg en het
                        waarborgen van de bruikbaarheid van de weg, alsmede het ongehinderd kunnen
                        uitvoeren van planmatige onderhoudswerkzaamheden aan de weg. Daarnaast zijn
                        de voorwaarden bedoeld om de doorstroming van het verkeer te waarborgen en
                        om vervuiling te voorkomen. Ook is rekening gehouden met de inkomstenderving
                        als gevolg van het in gebruik nemen van parkeerplaatsen voor betaald
                        parkeren. Deze mogen slechts in gebruik worden genomen als daarvoor een
                        vergunning is afgegeven. In die gevallen kan namelijk ook het kostenplaatje
                        voor het betaald parkeren worden meegenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr></kop><al><onderstreept>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                            weg</onderstreept></al><al>Aan dit artikel ligt als motief ten grondslag de behoefte om de beschadiging
                        en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de
                        bruikbaarheid van die weg. </al><al>Met betrekking tot het aanleggen/veranderen van wegen wordt nu weinig tot
                        niets met het artikel gedaan, omdat de vergunningplicht alleen geldt voor
                        particuliere wegen, die feitelijk openstaan voor het openbare verkeer (dit
                        kunnen ook eigen wegen zijn, omdat zij toegankelijk moeten zijn voor
                        hulpdiensten). Wegen die worden aangelegd of veranderd vanuit een
                        publiekrechtelijke taak vallen niet onder deze vergunningplicht. In en
                        uitritten zijn wel vergunningplichtig op grond van artikel 6.3. (voorheen
                        2.1.5.4) van de APV.</al><al>Particuliere wegen worden veelal aangelegd in combinatie met andere
                        ontwikkelingen (nieuwbouw e.d.). Daarnaast is de aanleg van een weg niet
                        zomaar mogelijk op basis van de voorschriften in een bestemmingsplan. Op
                        basis van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan dus ook regulerend worden
                        opgetreden bij de aanleg van wegen. Het ligt dan ook voor de hand om voor
                        wegen die wel onder dit artikel vallen algemene voorschriften te beschrijven
                        en de vergunningplicht af te schaffen. De voorschriften zullen met name van
                        technische aard zijn en gericht op de bruikbaarheid van de weg (m.n. door
                        hulpdiensten).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr></kop><al><onderstreept>Maken, veranderen van een uitweg</onderstreept></al><al>Uit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat
                        de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit
                        de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld,
                        bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de
                        weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Artikel 6.3 beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen
                        uitwegen creëert. Dat zou de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld
                        parkeerruimte aan de kant van de weg) te veel belemmeren. </al><al>Ten aanzien van het stellen van financiële voorwaarde aan een
                        uitwegvergunning is uit jurisprudentie op te maken dat dit op zich zelf wel
                        toelaatbaar is, indien die voorwaarde strekt ter behartiging van het belang
                        waarvoor het vergunningvereiste is gesteld, bijvoorbeeld de vrijheid van het
                        verkeer, de veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid
                        van de weg. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard
                        ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning
                        mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de
                        gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het
                        college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook
                        privaatrechtelijke toestemming behoeft. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr></kop><al><onderstreept>Veroorzaken van gladheid</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Vele APV's kennen of kenden een plicht voor de eigenaar van een gebouw of
                    terrein, gelegen binnen de bebouwde kom, om het trottoir langs dat gebouw of
                    terrein sneeuwvrij te maken en te houden. Rond deze bepaling keert dikwijls de
                    vraag terug van bevoegdheid tot regeling. Bevoegdheid, omdat het opnemen van
                    zo'n plicht in de APV strijd zou opleveren met de in 1930 in Geneve door de
                    International Labour Organisation vastgestelde conventie betreffende de
                    gedwongen of verplichte arbeid, dan wel in strijd kan zijn met artikel 4 van het
                    Verdrag van Rome.</al><al>Naast deze vraag moet ook geconstateerd worden dat een dergelijke bepaling door
                    de overheid niet gehandhaafd wordt. Verplanke gaat hierop in in zijn artikel in
                    De Nederlandse Gemeente van 1 maart 1985. Hij komt tot de conclusie dat hoewel
                    een dergelijke bepaling zijns inziens niet in strijd komt met beide verdragen,
                    aan de wenselijkheid ervan getwijfeld moet worden vanwege het niet handhaven.
                    Hij stelt dan ook vast dat het sneeuwruimen op trottoirs meer een voorwerp van
                    zorg van voorlichting is dan van de politieambtenaar behoort te zijn. Om deze
                    redenen is afgezien van opname van een 'sneeuwruimbepaling' in de APV. </al><al>Daarentegen bevat artikel 6.4 een verbod om tijdens vriezend weer een
                    gevaarlijke situatie te laten ontstaan. Als voorbeeld valt te noemen het wassen
                    van de auto op de openbare weg bij vriezend weer, waardoor plaatselijk een zeer
                    gevaarlijke situatie kan ontstaan. </al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Bewoners hebben de verplichting ingevolge de APV om gladheid op aangrenzend
                    trottoir te bestrijden. Van bewoners kan niet worden gevergd dat zij bij
                    sneeuwval hun trottoir voortdurend sneeuwvrij houden. Rb Amsterdam d.d. 20 01
                    1993, VR 1994, 158.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr></kop><al><onderstreept>Openen straatkolken</onderstreept></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr></kop><al><onderstreept>Kelderingangen e.d</onderstreept></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.7</nr></kop><al><onderstreept>Vallende voorwerpen</onderstreept></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Het college kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de
                        dekzeilen op het pand van appellante, gezien de zeer slechte staat waarin ze
                        verkeerden, de wijze waarop ze aan het dak waren vastgemaakt en het
                        onstuimige weer van die dag, niet deugdelijk beveiligd waren tegen
                        neervallen op de weg en dat aan het gevaar dat de dekzeilen opleverden zo
                        spoedig mogelijk een einde moest komen. Spoedeisendheid bestuursdwang.
                        Telefonische waarschuwing om een eind te maken aan de gevaarzetting. ABRS
                        09-01-2001, AB 2001, 207.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.8</nr></kop><al><onderstreept>Gooien van voorwerpen</onderstreept></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. De laatste jaren hebben zich meerdere
                        ongevallen met fatale afloop voorgedaan, als gevolg van het gooien van
                        stenen naar auto’s.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 7</label><titel></titel></kop><al><onderstreept>VOERTUIGEN E.D</onderstreept></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr></kop><al><onderstreept>Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>Behoeft geen toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr></kop><al><onderstreept>Parkeren van voertuigen van bedrijf e.d</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid, onder a</titel></kop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto's die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op
                    buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden
                    geacht (verkeersmotief). Bij het opstellen van deze bepaling is er naar
                    gestreefd de delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen
                    waarvan de bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name
                    het bewijs dat betrokkene 'zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte'
                    van de hierbedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen
                    'hem toebehoren of zijn toevertrouwd', onder omstandigheden problemen opleveren.
                    De woorden 'drie of meer voertuigen' zijn gekozen om de bewijslast niet
                    onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op
                    het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft
                    het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto('s) van de
                    exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het derde lid, onder
                    b.). Deze bepaling heeft slechts betrekking op 'eigenlijke' parkeerexcessen, dat
                    wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994).
                    Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen
                    buiten de weg. De gemeente dient zelf het aantal meters in te vullen. In de
                    APV's van Rotterdam en Den Haag bijvoorbeeld wordt een straal van 25 meter
                    genoemd.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid, onder b</titel></kop><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake
                    geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd
                    over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid. Met het
                    oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de strafbaarheid van het
                    herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de omstandigheid dat er
                    sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen
                    van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde
                    bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de
                    onmiddellijke omgeving meer auto's bevinden die betrokkene 'toebehoren of zijn
                    toevertrouwd'. Wel zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de
                    weg als het veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden bij artikel
                    2.4.7. Met het oog op het toenemend aantal klachten achten wij een strafbepaling
                    welke zich in het bijzonder richt tot de onderhavige activiteiten, wenselijk
                    naast genoemde (algemene) verbodsbepalingen.</al><al>Gelet op de strekking van deze bepaling kan zij niet als een
                    'parkeerexcesbepaling' in de strikte betekenis van het woord worden aangemerkt.
                    Gezien het verband met de andere in deze afdeling opgenomen bepalingen achten
                    wij het niettemin wenselijk het onderhavige voorschrift in deze afdeling op te
                    nemen. Met de hierbedoelde bepaling kan naar verwachting beter worden opgetreden
                    tegen met het slopen en repareren van voertuigen gepaard gaande geluid- en
                    stankoverlast en verontreiniging van de weg. Ingevolge de aanhef is slechts
                    diegene strafbaar die bij herhaling de weg als werkplaats voor reparatie- of
                    sloopdoeleinden gebruikt. Ook voor diegenen moet echter de mogelijkheid blijven
                    bestaan aan de door hem (en zijn gezin) gebruikte auto kleine
                    reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het vierde lid opent deze mogelijkheid. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Regelmatig kwam de vraag naar voren of rijschoolhouders en taxibedrijven die in
                    de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto's op de weg parkeren ook
                    onder het verbod van het eerste lid van dit artikel vallen. De Afdeling
                    rechtspraak van de Raad van State heeft omtrent deze vraag beslist dat het bij
                    elkaar parkeren van drie of meer taxi's door een exploitant van een taxibedrijf
                    niet valt onder de werking van deze bepaling, ARRS 28-9-1984, nr. R03.83.7524
                    (APV Schijndel). De rijschoolhouder die een aantal voertuigen bij elkaar
                    parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van dit
                    artikel.</al><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder 'verhuren', zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Derde lid</titel></kop><al>Onder a is het woord 'vergen' gebezigd in plaats van 'duren' ten einde twijfel
                    over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan
                    een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term
                    'vergen' beschikt men over een meer objectieve maatstaf. De in het eerste lid
                    gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het normaal parkeren van de
                    voor persoonlijk gebruik gebezigde auto('s) van de exploitant.</al><al>Het bepaalde bij artikel 5.1.2 kan niet als een soort 'escape' fungeren ten
                    opzichte van de andere in deze afdeling opgenomen verbodsbepalingen. Artikel
                    5.1.2 mag met andere woorden niet gelezen worden in verband met de andere
                    artikelen in de afdeling, in die zin dat de 'faciliteit' die in artikel 5.1.2 is
                    besloten - garagehouders enz. mogen twee auto's sowieso op de weg laten staan -
                    ook impliceert dat zij een autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot
                    voertuig enz. ongelimiteerd lang op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte
                    die hen is aangewezen dezelfde blijft. Immers, in artikel 5.1.2 bestaat het
                    excessieve in de ruimte die door het aantal voertuigen in beslag wordt genomen,
                    in bij voorbeeld de artikelen 5.1.3 en 5.1.4 bestaat het excessieve met name in
                    het niet gerechtvaardigde doel om gedurende lange tijd parkeerruimte in beslag
                    te nemen met wrakken of daarvan nauwelijks te onderscheiden vehikels. Dit doel
                    is, indien zulks door garagehouders geschiedt, even onduldbaar als wanneer
                    particulieren zich hieraan bezondigen.</al><al>Het bepaalde bij artikel 5.1.2 geeft de daarin genoemde personen dus niet een
                    'vrijstelling' om voertuigen te parkeren in afwijking van de andere
                    verbodsbepalingen in deze afdeling. Aldus besliste de Hoge Raad in zijn arrest
                    van 16 februari 1970, nr. 65705 (parkeerexcessenverordening Maassluis, niet
                    gepubliceerd). Wanneer in de gemeente een automarkt wordt gehouden, dient nog de
                    volgende uitzondering te worden toegevoegd: 'Het in het eerste lid gestelde
                    verbod is niet van toepassing op het parkeren van voertuigen waarvoor een
                    standplaats op een automarkt is aangewezen, op deze standplaats gedurende de
                    tijd dat deze markt wordt gehouden.'</al><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto's op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd. In dit verband
                    mag worden gewezen op hetgeen in de algemene toelichting is gesteld over het
                    voorzien in vervangende parkeergelegenheid. Tevens moge hier de aandacht worden
                    gevestigd op hetgeen daar is opgemerkt over het verlenen van ontheffing ten
                    aanzien van bestaande bedrijven. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>De Afdeling rechtspraak keurde zelfs de weigering van de gemeente Binnenmaas om
                    ontheffing te verlenen voor het parkeren van meer dan twee auto's bij elkaar
                    goed. Het feit dat het bedrijf ter plaatse was toegestaan deed daaraan niet af.
                    Het behoud van het beperkte aantal parkeerplaatsen in de omgeving van het
                    bedrijf woog zwaarder. ARRS 16-8-1988, AB 1989, 373.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr></kop><al><onderstreept>Te koop aanbieden van voertuigen</onderstreept></al><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                        openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt
                        probleem. Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet
                        of nauwelijks sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het
                        gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.
                        Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk
                        aangeboden worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt
                        het voor de omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke
                        uitstalling van voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een
                        aanmerkelijk beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd. Wanneer de
                        lokale overheid dit gedrag als ongewenst beschouwt en het daarom wil
                        tegengaan, moet er voor gewaakt worden dat de verbodsbepaling niet al te
                        diep in het verkeer ingrijpt. Het gaat te ver wanneer een eigenaar zijn
                        voertuig niet meer voor zijn woning zou kunnen parkeren omdat er een bordje
                        te koop achter de voorruit hangt. Waar precies de grens van het ingrijpen
                        ligt kan niet altijd helder aangegeven worden. Wanneer een groot aantal
                        voertuigen bij elkaar te koop wordt aangeboden, is het duidelijk dat die
                        grens overschreden is. Hoe zit het evenwel met twee voertuigen die bij een
                        druk bezocht winkelcentrum te koop aangeboden worden? Vaak moet aan de hand
                        van de plaatselijke omstandigheden beoordeeld worden of de grens wel of niet
                        overschreden is. Het verdient daarom geen aanbeveling een algemeen verbod in
                        de APV op te nemen. Gekozen is voor een constructie waarin het college de
                        bevoegdheid heeft gebieden aan te wijzen waar het verbod van kracht is.
                        Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is van overlast kan het
                        het verbod activeren. Het begrip 'parkeren' wordt zo uitgelegd, dat het
                        verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een
                        voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr></kop><al><onderstreept>Defecte voertuigen</onderstreept></al><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op
                        de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van
                        dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs
                        maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te
                        creëren. Veelal slaagt hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de
                        weg wordt achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot
                        autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort
                        parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in
                        relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe
                        men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hierbedoelde parkeren een
                        ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die
                        reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die gevallen waarin er
                        sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet
                        noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                        krijgen. Deze bepaling ziet slechts op 'eigenlijke' parkeerexcessen, dat wil
                        zeggen op het plaatsen en hebben van defecte voertuigen op de weg (in de zin
                        van de WVW 1994). Het zou te ver gaan deze gedragingen ook buiten de weg te
                        verbieden.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Blijkens de jurisprudentie stuit een verbod langer dan op drie achtereenvolgende
                    dagen te parkeren, niet op bezwaren, HR 13-6-1972, VR 1972, nr. 105, OB 1973,
                    XIV.1.2.2, nr. 34064, over de APV van Delft, waarin een termijn van twee dagen
                    werd aangehouden; HR 5-5-1975, nr. 67792 (niet gepubliceerd) over de
                    Parkeerexcessenverordening van Nijmegen, waarin een termijn van zeven dagen werd
                    aangehouden. Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5.1.1., onderdeel c,
                    wordt het begrip 'parkeren' zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich
                    niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere
                    belanghebbenden bij het voertuig.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr></kop><al><onderstreept>Voertuigwrakken</onderstreept></al><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende
                        zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in
                        relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe
                        men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak in de
                        eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het
                        straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen
                        en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is
                        dus primair om die reden excessief. Daarnaast kan echter ook het zo juist
                        genoemde verkeersmotief een rol spelen bij het uitvaardigen van dit verbod.
                        Ofschoon een wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in
                        de zin van de wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar
                        strekking en het verband met de andere bepalingen wel als
                        parkeerexcesbepaling aan te merken. De onderhavige bepaling heeft betrekking
                        op het plaatsen en hebben van wrakken op de weg (in de zin van de WVW 1994).
                        Het elders in de openlucht opslaan van wrakken vindt reeds regeling in de
                        model Afvalstoffenverordening en tevens in artikel 10.17 van de Wet
                        milieubeheer. De delictsomschrijving bevat derhalve niet tevens het
                        bestanddeel 'van de weg af zichtbaar'. Het verbod in dit artikel richt zich
                        op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al
                        een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere
                        belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Afbakening</titel></kop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr></kop><al><onderstreept>Caravans e.d</onderstreept>.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid, onder a</titel></kop><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens e.d. op de weg. In deze bepaling
                    zijn de woorden 'parkeren' gewijzigd in 'te plaatsen of te hebben' om de
                    handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter
                    verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt
                    overtreding van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede 'of
                    een ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins
                    uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd' is beoogd
                    aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet
                    'dagelijks' worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.
                    Het excessieve van het hier bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in
                    het buitensporige gebruik van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast
                    is dat het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het plaatsen of
                    hebben gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen wordt niet verboden,
                    opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen, caravan of
                    camper voor een te ondernemen reis gereed te maken, respectievelijk na de reis
                    op te ruimen. Ook met betrekking tot deze gevallen zou het voorzien in
                    vervangende parkeergelegenheid, waar dit soort voertuigen kan worden gestald,
                    overwogen kunnen worden. Verwezen zij naar hetgeen hierover in de algemene
                    toelichting is gesteld. Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare
                    weg - vaak juist ook in woonwijken - zou ervoor gekozen kunnen worden om de
                    redactie van de bepaling in het eerste lid onder a stringenter te redigeren en
                    direct voor de gehele gemeente (of een gedeelte daarvan) van toepassing te
                    verklaren: 'a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen (binnen de
                    bebouwde kom) op de weg te plaatsen of te hebben;'</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid, onder b</titel></kop><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg
                    in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een
                    'eigenlijk' parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt
                    op een weg (in de zin van de WVW 1994). </al><al>Het begrip 'parkeren' wordt zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich
                    niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere
                    belanghebbenden bij het voertuig. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Derde lid</titel></kop><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr></kop><al><onderstreept>Parkeren van reclamevoertuigen</onderstreept></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf
                        reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften,
                        op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als
                        handelsreclame in de zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op
                        een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is
                        en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt
                        aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt 'met het
                        kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken', maar vooral als
                        vervoersmiddel. </al><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                        parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op
                        de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede
                        plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van
                        ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente. In deze bepaling gaat
                        het om een 'eigenlijk' parkeerexces, hetwelk veronderstelt dat de gedraging
                        plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben van
                        handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats
                        is geregeld in artikel 7.7 van de APV. Het in dit artikel omschreven verbod
                        is beperkt tot het maken van handelsreclame (commerciële reclame). Uit de
                        jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt, dat de
                        gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame aan
                        beperkingen mag onderwerpen.Voor wat betreft de relatie met artikel 10 EVRM
                        en 19 IVBP zij verwezen naar de toelichting bij artikel 3.10. Onder
                        omstandigheden mag hij, blijkens bedoelde jurisprudentie, ook het maken van
                        reclame, waardoor gedachten of gevoelens worden geopenbaard (artikel 7
                        Grondwet) of een mening wordt geuit (artikel 10 EVRM) aan beperkingen
                        onderwerpen. Men spreekt wel van 'ideële reclame'. De wenselijkheid en
                        mogelijkheid hiervan dienen plaatselijk te worden bezien. Het hier geregelde
                        verbod luidt algemeen: voor het gehele grondgebied van de gemeente
                        (behoudens de ontheffingsmogelijkheid van het tweede lid). Het staat de
                        gemeenten echter vanzelfsprekend vrij de werking van het verbod - naar
                        plaats of tijd - afhankelijk te stellen van het oordeel van het college. Het
                        begrip 'parkeren' wordt zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich
                        niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere
                        belanghebbenden bij het voertuig.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>De Afdeling bestuursrechtspraak acht het beleid van het college van Zierikzee
                    geen ontheffingen te verlenen voor het parkeren van reclamevoertuigen binnen de
                    bebouwde kom en de daaropvolgende bestuursdwangaanschrijving aanvaardbaar. De
                    bescherming van het uiterlijk aanzien (beschermd stadsgezicht) speelt een
                    belangrijke rol. ABRS 1-8-1994, JG 95.0245. De Afdeling bestuursrechtspraak
                    meent dat het college van Groningen terecht een dwangsomaanschrijving heeft doen
                    uitgaan tegen een voor een winkel geplaatste riksja, waarmee handelsreclame werd
                    gemaakt. Voor de toepassing van deze bepaling is de aanwezigheid van een
                    verkeersgevaarlijke situatie niet vereist. ABRS 5-12-2001, nr. 200103426/1.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr></kop><al><onderstreept>Parkeren van grote voertuigen</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het
                    parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in de
                    stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan.
                    Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt
                    ondervonden als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze
                    parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij
                    schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid
                    van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                    inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht
                    vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz. Op den
                    duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te
                    geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de
                    bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de
                    jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren
                    van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de recente
                    verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer)
                    redelijkerwijze als 'normaal' verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 7.8 en
                    7.9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit
                    excessief is, kan worden tegengegaan. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Deze bepaling beoogt aan de gemeentebesturen mogelijkheden te verschaffen om
                    aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten
                    staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote
                    voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor
                    monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open
                    landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon
                    betekenen. Vrachtauto's, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto's
                    bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het
                    zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft. Aangezien over de vraag
                    of er van aantasting van de schoonheid van stad, dorp of landschap sprake is,
                    verschillend kan worden geoordeeld, is er de voorkeur aan gegeven het verbod
                    niet zonder meer te doen werken, doch een nader oordeel van het gemeentebestuur
                    in dezen maatgevend te doen zijn. Aangezien de plaatsen waar ontsiering van de
                    hiervoor vermelde objecten zich kan voordoen, vrijwel steeds aan te geven zullen
                    zijn, is de bepaling aldus geredigeerd dat het verbod slechts geldt ten aanzien
                    van die plaatsen die het college heeft aangewezen. Dit aanwijzen zal in de
                    praktijk eenvoudig kunnen geschieden doordat het college in zijn besluit
                    verwijst naar een plattegrond van de gemeenten waarop de plaatsen waar niet mag
                    worden geparkeerd worden gearceerd. Gezien het motief van deze bepaling heeft
                    zij ook betrekking op het parkeren van grote voertuigen buiten de weg. In
                    zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel betrekking op 'eigenlijke'
                    parkeerexcessen. Wat het motief: bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente betreft, dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs
                    behoeft te gaan om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van
                    stadsschoon of karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake
                    kunnen zijn van een 'parkeerexces'. In het licht van het motief dat ten
                    grondslag ligt aan het in het eerste lid bedoelde verbod verdient het
                    aanbeveling zowel een lengte- als een hoogtecriterium te hanteren. Zeer wel
                    denkbaar is immers dat een voertuig weliswaar nog geen lengte van 6 meter heeft,
                    doch niettemin op grond van de hoogte schadelijk moet worden geacht voor het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad
                    is de bevoegdheid van het gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name
                    niet vereist dat de bij openbare melding aangewezen plaatsen voldoen aan
                    aanmerkelijke eisen van schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens
                    worden gewezen op de subjectieve redactie van de onderhavige bepaling. Niet
                    apart zijn vermeld de oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde verbod zou
                    dan immers zelfs gelden voor het kleinste aanhangwagentje. Primair ware hier
                    echter te reguleren het parkeren van grote voertuigen. Bij de aanwijzing van
                    plaatsen waar volgens besluit van het college grote voertuigen met het oog op de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente niet mogen worden
                    geparkeerd, zal eventueel rekening moeten worden gehouden met een provinciale
                    verordening die - geheel of gedeeltelijk - hetzelfde terrein uit hoofde van
                    hetzelfde motief bestrijkt, bij voorbeeld een verordening bescherming
                    landschapsschoon. Binnen de verboden zones zullen in ieder geval uitzonderingen
                    moeten worden gemaakt ten behoeve van autobussen in lijndienst. Een speciaal
                    probleem wordt gevormd door de vraag, hoe dit verbod onder de aandacht van
                    belanghebbenden te brengen. Het is in ieder geval gewenst, dat de in de gemeente
                    gevestigde ondernemingen door de gemeente in kennis worden gesteld van dit
                    verbod. In veel gemeenten wordt een systeem toegepast, waarbij langs de naar de
                    gemeente toeleidende wegen door middel van aanwijzingsborden kenbaar wordt
                    gemaakt, dat binnen de (bebouwde kom van de) gemeente het parkeren van grote
                    voertuigen slechts is toegelaten op de als zodanig aangeduide
                    parkeergelegenheden.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een
                    excessief gebruik van de weg. Met betrekking tot dit motief: buitensporig
                    gebruik van de weg, wordt opgemerkt, dat het in dat verband niet
                    noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te gaan. Ook
                    het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin opleveren.
                    In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens
                    minder opportuun. Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote
                    voertuigen niet toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing
                    is gebaseerd op de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks
                    mede in verband met het bepaalde in het derde lid. Geschiedt een aanwijzing door
                    middel van een verwijzing naar een plattegrond (zie onder eerste lid) dan kan
                    bij voorbeeld door het gebruik van verschillende kleuren bij het arceren van de
                    plaatsen waar niet geparkeerd mag worden, worden aangegeven welk motief ten
                    grondslag ligt aan de aanwijzing of dat beide motieven daaraan ten grondslag
                    liggen. Zeer wel denkbaar is echter dat aan een aanwijzing beide motieven ten
                    grondslag kunnen liggen. Zie wat betreft de vraag, hoe dit verbod kenbaar kan
                    worden gemaakt, de toelichting op eerste lid. Het begrip 'parkeren' wordt zo
                    uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Derde lid</titel></kop><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
                    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is. Het
                    parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het
                    college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden
                    kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor
                    het in het eerste lid gestelde verbod. Overigens blijft ook tijdens de perioden
                    waarin het verbod bedoeld in het tweede lid niet van toepassing is, het zodanig
                    parkeren van vrachtwagens dat aan bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of
                    overlast wordt aangedaan, verboden krachtens het hierop volgende artikel
                    7.9.</al><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende
                    de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.9</nr></kop><al><onderstreept>Parkeren van uitzicht belemmerende
                        voertuigen</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 7.8.</al><al>Door opneming van de bestanddelen 'of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan' zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan
                    uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of
                    gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan
                    belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten
                    gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al>Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is, blijkt uit een reeds oude uitspraak van
                    de Hoge Raad (HR 16 januari 1986, NJ 1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde
                    zinsnede in de APV van Enschede verbindend achtte. De delictsomschrijving kan
                    desgewenst worden geconcretiseerd door het bestanddeel 'bij' te vervangen door
                    'binnen een afstand van (...) meter van' (een voor bewoning enz. bestemd pand op
                    zodanige wijze dat enz.) Zo wordt in de APV van Rotterdam een afstandsmaat van
                    10 meter gehanteerd. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    'hoogwerkers', meetwagens e.d. Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet
                    goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke
                    karakter van het hier bedoelde parkeren.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.10</nr></kop><al><onderstreept>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                            stoffen</onderstreept></al><al>Deze bepaling ziet op hinder en overlast die voor bewoners of gebruikers van
                        nabijgelegen gebouwen of terreinen kunnen ontstaan door het parkeren van
                        voertuigen met stankverspreidende stoffen, zoals vrachtauto's van
                        destructiebedrijven, vismeelfabrieken e.d.</al><al>Onder de werking van deze bepaling valt ook het doen of laten staan van
                        voertuigen met stankverspreidende stoffen buiten de weg in de zin van de WVW
                        1994. Een ontheffingsmogelijkheid wordt niet geboden. Deze mogelijkheid valt
                        niet goed te rijmen met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde
                        parkeren. In bepaalde gemeenten kan een ontheffingsmogelijkheid evenwel
                        noodzakelijk zijn. Te denken valt bij voorbeeld aan gemeenten met
                        boerderijen in de bebouwde kom (vervoer van mest!). </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Afbakening</titel></kop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr></kop><al><onderstreept>WATER</onderstreept></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr></kop><al></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vaartuigwrakken</titel></kop><al>Zie artikel 7.5. (voertuigwrakken).</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr></kop><al><onderstreept>Gebruik van openbaar water</onderstreept></al><al>Dit artikel is bedoeld om de overige openbare wateren te vrijwaren van
                        activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen
                        beïnvloeden. De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling
                        gevonden in een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, te weten
                        de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het Binnenvaartpolitiereglement (zie
                        bij voorbeeld artikel 1.15 van dit reglement).</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Deregulering</titel></kop><al>Dit artikel is in een aantal opzichten vergelijkbaar met artikel 6.1 APV,
                    voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg. Ook bij dit artikel is de
                    vergunningplicht deels opgeheven, deels vervangen door een meldingsplicht.
                    Daarmee legt de overheid nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij
                    de burger. In eerste instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger
                    of een meerpaal gevaar of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem
                    voor het beheer en onderhoud. Omdat er hierbij, eerder dan in artikel 6.1, waar
                    het veelal gaat om tijdelijke en verplaatsbare objecten, gaat om permanent
                    bedoelde zaken, is aan dit artikel anders dan bij artikel 6.1 altijd een
                    meldingsplicht verbonden. Op die manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de
                    melder overleggen of bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding
                    is. Zo kan worden voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden
                    verwijderd, met alle financiële gevolgen van dien.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr></kop><al><onderstreept>Ligplaats woonschepen en overige
                        vaartuigen</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen verbod is niet toegestaan</cursief></al><al>Artikel 31, tweede lid, van de Wet op Woonwagens en Woonschepen bepaalde dat
                        de gemeenteraad bevoegd is regels te stellen onder andere betreffende de
                        plaats die woonschepen mogen innemen bij verblijf binnen de gemeente. Uit
                        jurisprudentie bleek dat in beginsel in iedere gemeente met openbaar water
                        mogelijk moet zijn om met een woonschip ligplaats in te nemen. Op 1 maart
                        1999 is de Wet op Woonwagens en Woonschepen ingetrokken. De jurisprudentie
                        is echter opgenomen in de Huisvestingswet. Artikel 88 bepaalt namelijk dat
                        de gemeenteraad geen regels stelt die leiden tot een algeheel verbod van het
                        in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats. Een algemeen
                        verbod komt in strijd met bovengenoemde wet. Een verbod met een
                        ontheffingen- of vergunningenstelsel is wel toegestaan. </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Mogelijk vergunningenstelsel</titel></kop><al>Het tweede lid van artikel 8.3 biedt het college de mogelijkheid om nadere
                    regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een
                    ligplaats (delegatie van regelgeving door de raad op grond van artikel 156
                    Gemeentewet). Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om
                    bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben,
                    eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de
                    drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het
                    drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de
                    mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</al><al>Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief van de
                    bouwverordening. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken, zijnde een woning, over
                    een deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken en in beginsel aangesloten
                    moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet. Woonschepen die eveneens
                    als woning gebruikt worden, vallen vanwege het feit dat het geen bouwwerken
                    zijn, niet onder de werking van de bouwverordening. Ook kunnen krachtens dit lid
                    'welstandseisen' aan woonschepen worden gesteld.</al><al>Krachtens het tweede artikel 8.3 heeft het college ook de mogelijkheid om een
                    differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte
                    ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen
                    aangewezen worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Pleziervaartuigen</titel></kop><al>Uit artikel 8.3 volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats met een
                    'pleziervaartuig' slechts toegestaan is op die plaatsen die niet door het
                    college krachtens het eerste lid zijn aangewezen. Ook hier kan het aantal
                    vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de niet-aangewezen gedeelten van
                    openbaar water gelimiteerd worden.</al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Provinciale Landschapsverordening, Wet milieubeheer</titel></kop><al>Maakt het college van zijn bevoegdheid krachtens het eerste lid geen gebruik om
                    gedeelten van openbaar water aan te wijzen waar het verboden is aan te leggen
                    dan kunnen aan de locatie voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                    een ligplaats uitsluitend nog beperkingen opgelegd worden krachtens een
                    eventuele Provinciale landschaps- of woonschepenverordening dan wel krachtens de
                    Wet milieubeheer wanneer bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van een ligplaats
                    zodanig gebeurt dat er sprake is van een milieuvergunningplichtige
                    inrichting.</al><al>Heeft het college daarentegen wel gedeelten van openbaar water aangewezen dan
                    mag slechts ligplaats ingenomen of beschikbaar gesteld worden op de
                    niet-aangewezen gedeelten en kunnen er daarnaast eventueel nog andere beperkende
                    factoren worden gesteld vanuit de Provinciale landschaps- of
                    woonschepenverordening of de Wet milieubeheer.</al><al>Daar waar een Provinciale verordening van kracht is, kan het motief
                    landschapsbescherming niet meer door het college ten grondslag gelegd worden aan
                    de aanwijzing van ligplaatsen als bedoeld in het eerste lid of het stellen van
                    nadere regels (dat wil zeggen algemene voorschriften) als bedoeld in het tweede
                    lid.</al><al>In het derde lid is de werking van deze bepaling ook uitgezonderd voor die
                    gevallen waarin de Wet milieubeheer van toepassing is. Veel jachthavens zullen
                    namelijk aangemerkt kunnen worden als milieuvergunningplichtige
                    inrichtingen.</al><al>Door de inwerkingtreding van artikel 13 van de Hinderwet op 1 november 1981 kan
                    een hinderwetvergunning ook geweigerd worden wegens aantasting van
                    natuurwetenschappelijke, landschappelijke, ecologische en recreatieve waarden.
                    Deze situatie is niet veranderd na inwerkingtreding van de Wet
                    milieubeheer.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Huisvestingswet</titel></kop><al>Om niet in strijd te komen met artikel 88 van de Huisvestingswet mag een
                    aanwijzingsbesluit krachtens het eerste lid niet de gehele gemeente omvatten. Er
                    moet een mogelijkheid zijn om met een woonschip binnen de gemeente een ligplaats
                    in te nemen.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr></kop><al><onderstreept>Aanwijzingen ligplaats</onderstreept></al><al>Naast de algemene regels die krachtens artikel 8.3, tweede lid, kunnen
                        worden uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om
                        aan een individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit
                        artikel biedt daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen
                        in de vorm van een schriftelijke beschikking te gieten. Voor de toelichting
                        op de in het derde lid genoemde hogere regelingen en de relatie met een
                        vastgestelde woonschepenverordening wordt verwezen naar de toelichting op
                        artikel 8.3 van de APV.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Afbakening</titel></kop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr></kop><al><onderstreept>Verbod innemen ligplaats</onderstreept></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.6</nr></kop><al><onderstreept>Beschadigen van waterstaatswerken</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Afbakening</titel></kop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><al>Provinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling
                    voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn.</al><al>De APV-bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn
                    bij de gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan
                    degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</al><al>Artikel 8.7</al><al><onderstreept>Reddingsmiddelen</onderstreept></al><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.8</nr></kop><al><onderstreept>Veiligheid op het water</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Afbakening</titel></kop><al><onderstreept>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op
                        grond van art</onderstreept><onderstreept>i</onderstreept><onderstreept>kel
                        122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen
                        als in het
                        o</onderstreept><onderstreept>n</onderstreept><onderstreept>derwerp door een
                        wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term
                        ‘o</onderstreept><onderstreept>n</onderstreept><onderstreept>derwerp’ in
                        artikel 122 betekent dat het om
                        d</onderstreept><onderstreept>e</onderstreept><onderstreept>zelfde materie
                        moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                        lagere als de hogere regeling. De
                        formul</onderstreept><onderstreept>e</onderstreept><onderstreept>ring van de
                        afbakeningsbep</onderstreept><onderstreept>a</onderstreept><onderstreept>ling
                        in het tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </onderstreept></al><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers
                    van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de
                    gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar
                    water.</al><al>Artikel 8.8 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op deze twee reglementen
                    door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te
                    verbieden.</al><al>Voor de toelichting op de in het tweede lid genoemde hogere regelingen wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 8.3.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.9</nr></kop><al><onderstreept>Overlast aan vaartuigen</onderstreept></al><al><onderstreept>Deze bepaling spreekt voor zich.</onderstreept></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.10</nr></kop><al><onderstreept>Snelheid gemotoriseerde vaartuigen</onderstreept></al><al>Dit artikel is opgenomen om hoge snelheden op het water, met name op de
                        Poel, tegen te gaan om hiermee het omwoelen van de bodem als gevolg daarvan
                        te voorkomen. Hierdoor ontstaat naast geluidsoverlast vertroebeling en
                        verontreiniging van het oppervlak.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr></kop><al><onderstreept>GROEN</onderstreept></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr></kop><al><onderstreept>Rookverbod in bossen, (heem)parken en
                            natuurgebieden</onderstreept></al><al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                        eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken
                        in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied
                        liggen, niet meer mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt zou
                        van 1 maart tot 1 november kunnen zijn.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Afbakening</titel></kop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><al>In artikel 429, aanhef en onder 3 , van het Wetboek van Strafrecht is bepaald:
                    ‘Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede
                    categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of
                    voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet
                    ontstaan.’</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr></kop><al><onderstreept>Betreden van plantsoenen e.d</onderstreept>.</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr></kop><al><onderstreept>Rijden over bermen e.d</onderstreept>.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Derde lid</titel></kop></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Afbakening</titel></kop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vierde lid</titel></kop><al>Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van
                    wegen. Ingevolge het vierde lid moet in deze bepaling onder 'weg' worden
                    verstaan: weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Bermen, glooiingen en
                    zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet derhalve op het verkeer
                    op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving, maar kan als toelaatbaar
                    worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van artikel 149 Gemeentewet is
                    de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het stellen van regels die andere
                    belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze regels het stelsel van de
                    wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet het geval. Het verbod heeft
                    slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden,
                    terwijl als 'voertuig' in de zin van deze verordening de zogenaamde kleine
                    voertuigen niet worden aangemerkt. Zie de in artikel 1.1 opgenomen
                    begripsomschrijving. De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn
                    voorzien van rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Die
                    beperking is opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten.
                    Verder wordt hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt
                    betreden. </al><al>Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in
                    niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende
                    groenstroken, wordt geregeld in artikel 9.4. (aantasting groenvoorzieningen door
                    voertuigen en overige).</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr></kop><al><onderstreept>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen en
                            overige</onderstreept></al><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken,
                        openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het
                        parkeren van voertuigen danwel (mobiele) bouwwerken.</al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d.,
                        die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen
                        en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</al><al>Aangezien deze bepaling zich ondermeer richt tegen een 'oneigenlijk'
                        parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de 'weg' (in
                        de zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met
                        de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze
                        reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over
                        openbare beplantingen enz. wordt verboden.</al><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg.</al><al>Bermen maken wel deel uit van de 'wegen' in de zin van artikel 1 van de WVW
                        1994. Aangezien de berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de
                        desbetreffende weg betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor
                        de berm, zoals parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat
                        auto's, motoren e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met
                        uitzondering van het trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad -
                        mogen worden geparkeerd. Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd
                        mag worden vallen ook de bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het
                        parkeren in een berm als ongewenst moet worden aangemerkt, kan een
                        parkeerverbod voor die berm worden ingesteld. Dit kan door plaatsing van het
                        bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990 met een onderbord, waarop staat dat
                        het parkeerverbod alleen geldt voor de berm. Het is tevens mogelijk dat het
                        parkeren op de rijbaan niet wenselijk is, bijvoorbeeld uit oogpunt van de
                        verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de berm wel kan worden
                        toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde bord E1
                        noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de berm
                        wel is toegestaan.</al><al>Omdat de wegenverkeerswetgeving onder 'wegen' ook de bermen begrijpt, is het
                        in artikel 9.4. vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De
                        wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op
                        of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de
                        weg (in de zin van de Wegenverkeerswet). Zie hierover artikel 9.3.</al><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                        strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of
                        uit te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van
                        toepassing behoren te zijn op een verbod tot het doen of laten staan van
                        voertuigen in groenvoorzieningen.</al><al>Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen 'doen of laten staan'
                        in plaats van 'parkeren', omdat ook het tot stilstand brengen van een auto
                        in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de
                        aantrekkelijkheid veroorzaakt.</al><al>Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige
                        gevallen ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van
                        Strafrecht met zich mee brengen.</al><al>Indien het in 9.4. bedoelde voertuig een door een woonwagenbewoner bewoonde
                        woonwagen is, zal het college deze niet met toepassing van bestuursdwang op
                        grond van artikel 61 Woonwagenwet uit de gemeente kunnen doen verwijderen
                        dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten toestemming is verleend als
                        bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing op grond van het vierde lid
                        van dat artikel is uitgevaardigd. Zie Wnd. Vz. ARRS 24 juni 1983, nr.
                        RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout).</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid, onder b</titel></kop><al>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst.
                    Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr></kop><al><onderstreept>Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>In artikel 9.5 lid 1 onder d wordt gesproken over de “bebouwde kom grenzen”.
                        Instelling van deze zogenaamde “bebouwde kom” is noodzakelijk, vanwege het
                        toepassingsbereik van de Boswet. </al><al>Bij de eerste vaststelling van de Kapverordening zijn deze grenzen ingesteld
                        (met goedkeuring van Gedeputeerde Staten).</al><al>De Boswet is enkel van toepassing buiten deze bebouwde kom grenzen. Door
                        intrekking van de Kapverordening komen deze (reeds vastgestelde) grenzen ook
                        te vervallen. Daarmee zou formeel het hele grondgebied van de gemeente onder
                        de werking komen van de Boswet, hetgeen onwenselijk is. Hierbij kan gedacht
                        worden aan aan de meldingsplicht en allerlei andere dwingende voorschriften
                        die uit de Boswet voortvloeien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr></kop><al><onderstreept>Kapverbod</onderstreept></al><al>Geen toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr></kop><al><onderstreept>Waardevolle bomenlijst</onderstreept></al><al>Op basis van artikel 9.7 lid 1 heeft het college de bevoegdheid om de
                        bomenlijst te beheren en te actualiseren. Lid 2 is noodzakelijk om de
                        bomenlijst te kunnen beheren en actualiseren. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr></kop><al><onderstreept>Kappen zonder vergunning en
                            instandhoudingsplicht</onderstreept></al><al>Een handhavingsartikel is nodig in geval van illegale kap van waardevolle
                        bomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr></kop><al><onderstreept>Bestrijding iepziekte</onderstreept></al><al>Dit artikel staat los van de bomen op de lijst. Het college moet ingrijpen
                        bij iepziekte, dit is een wettelijke verplichting die uit de
                        Plantenziektewet voortvloeit.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.10</nr></kop><al>De afstand tot de erfgrens als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk
                        Wetboek, wordt vastgesteld op twee meter voor bomen en op een halve meter
                        voor heesters en heggen.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 10</label><nr></nr><titel></titel></kop><al><onderstreept>DIEREN</onderstreept></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr></kop><al><onderstreept>Loslopende honden, verboden plaatsen,
                            identificatie</onderstreept></al><al>Artikel 10.1. beperkt het loslopen van honden in twee situaties, namelijk:
                        op de weg (door de omschrijving van het begrip <cursief>'weg'</cursief>
                        vallen hieronder ook parken en plantsoenen), zonder dat de hond is
                        aangelijnd, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt als motief
                        ten grondslag de voorkoming en bestrijding van overlast. In het bijzonder
                        heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><lijst><li nr="-"><al>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden
                                in gevaar kan worden gebracht;</al></li><li nr="-"><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al></li><li nr="-"><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al></li><li nr="-"><al>het bestrijden van verontreiniging (bij voorbeeld van speelweiden,
                                zandbakken, e.d.);</al></li><li nr="-"><al>het tegengaan van verspreiding van de besmettelijke veeziekte
                                abortus-bang;</al></li><li nr="-"><al>het voorkomen van schade en dierenleed, welke worden veroorzaakt
                                doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en
                                kippen naar het leven staan.</al></li></lijst><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend
                        worden aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet
                        (bestuursdwang) de honden gevangen worden genomen en overgedragen aan een
                        door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer
                        de eigenaar direct te achterhalen is. </al><al>Men zal daarbij artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming analoog kunnen
                        toepassen. Het eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de
                        bevoegdheid honden en katten op te vangen die 's nachts elders dan op het
                        erf van de eigenaar of houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het
                        tweede lid van artikel 4 bepaalt dat het hoofd van politie de eigenaar of
                        houder moet berichten van een en ander en hem gelegenheid moet geven om het
                        dier gedurende 14 dagen na de datum van het bericht op te halen.</al><al>Het ter plaatse doden van loslopende honden en katten is geregeld in artikel
                        4, eerste lid, onder b, van de Wet op de dierenbescherming.</al><al>De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten
                        wordt in twee opzichten beperkt:</al><lijst><li nr="-"><al>De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op
                                erven of in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding
                                gewenst is.</al></li><li nr="-"><al>Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste
                                staan.</al></li></lijst><al>De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie en
                        de door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van
                        politie. </al><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                        vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De
                        gemeente moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken
                        de verzorging van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan
                        meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel,
                        waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging
                        betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of
                        weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de
                        burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden
                        bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als
                        het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist.</al><al>Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het
                        dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts
                        even verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een 'gevonden
                        dier'.</al><al>Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend bedoeld.
                        De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in
                        het geheel niet regelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr></kop><al><onderstreept>Hondenuitlaatcentrales</onderstreept></al><al>De regulering van het aantal hondenuitlaatcentrales (in het Amsterdamse Bos)
                        is noodzakelijk gebleken omdat de ons omringende groengebieden ( zoals het
                        Twiske, Spaarnewoude en Groengebied Amstelland) alle zijn overgegaan tot een
                        beperking van het aantal hondenuitlaatcentrales dat op hun grondgebied wordt
                        toegelaten. Dit heeft er toe geleid dat de toename van het aantal honden in
                        het Amsterdamse Bos door de hondenuitlaatcentrales onevenredig groot is
                        geworden.</al><al>Om tegen deze onwenselijke situatie op te kunnen treden is het noodzakelijk
                        dit te reguleren.</al><al>Volgens het Amsterdamse Bos laten hondenuitlaatcentrales dagelijks grote
                        groepen honden in het Bos uit. Deze groepen bestaan uit cira 5 tot 15
                        honden. De groepen honden begeven zich vaak buiten de (aangewezen) gebieden
                        waar zij los mogen lopen. Het Amsterdamse Bos heeft geconstateerd dat deze
                        groepen honden regelmatig overlast veroorzaken voor voetgangers, fietser,
                        joggers, ruiters en overige hondenbezitters. Het Amsterdamse Bos heeft om
                        die reden gevraagd om een grens te stellen aan het aantal honden. In overleg
                        met het Amsterdamse Bos en de politie is gekozen voor een aantal van
                        maximaal 5 honden per eigenaar , houder en/of verzorger van (een) hond(en).
                        In 1999 heeft het college een aanwijzingsbesluit genomen waarbij dit aantal
                        is vastgelegd. Vervolgens is in verband met de toename van het aantal
                        groepen in het Amsterdamse Bos een limiet gesteld op het aantal te verlenen
                        vergunningen: 15 stuks.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr></kop><al><onderstreept>Verontreiniging door honden</onderstreept></al><al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid.
                        Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen
                        blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid.</al><al>De strafbaarheid wordt opgeheven indien de uitwerpselen direct worden
                        verwijderd. Er zijn verschillende manieren om de overlast van
                        hondenuitwerpselen aan te pakken. Een goed overzicht van mogelijke
                        maatregelen en een goed overzicht van literatuur op dit terrein is te vinden
                        in de publicatie 'Gemeentelijk hondenbeleid’ en de ‘handleiding ter
                        bestrijding van de overlast door hondenpoep in Nederland' van het
                        Multidisciplinair onderzoeksinstituut in Utrecht. Dit boekje is aanwezig in
                        de VNG-bibliotheek.</al><al>Al zal de handhaving (betrapping op heterdaad) moeilijkheden opleveren, men
                        mag hopen dat er op den duur preventieve invloed van deze bepaling uit zal
                        gaan ter inperking van het onfatsoen van hondenbezitters.</al><al>Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort
                        tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, welke vatbaar zijn voor
                        transactie door de politie.</al><al>Het huidige tweede lid is ingevoegd om het mogelijk te maken dat het college
                        een hondenuitlaatplaats aanwijst.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr></kop><al><onderstreept>Gevaarlijke honden</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Enige jaren geleden ontstond verontrusting over agressief gedrag van bepaalde
                    honden, met name van pitbullterriërs. Er deden zich incidenten voor waarbij
                    honden aanzienlijk letsel toebrachten aan mens of dier.</al><al>Naar aanleiding hiervan is door de toenmalige minister van landbouw,
                    natuurbeheer en visserij de Commissie van agressief gedrag bij honden ingesteld.
                    De commissie inventariseerde de problematiek en maakte onderscheid tussen drie
                    categorieën van gevaarlijke honden:</al><lijst><li nr="1."><al>Groepen honden met morfologisch overeenkomstige karakteristieken
                            (gelijke lichaamsbouw), waarmee wordt gefokt op agressief gedrag. Tot
                            deze categorie rekent de commissie het type pitbullterriër;</al></li><li nr="2."><al>Gebruikshonden, dat wil zeggen: honden die geheel of gedeeltelijk zijn
                            opgeleid voor bewakings , opsporings of verdedigingswerk;</al></li><li nr="3."><al>Individuele honden die niet vallen onder de vorige twee categorieën en
                            waarvan in de praktijk - door het toebrengen van letsel of het uiten van
                            een dreiging daartoe - is gebleken dat zij gevaarlijk zijn voor mens of
                            dier.</al></li></lijst><al>Om de drie beschreven groepen gevaarlijke honden onschadelijk te houden, heeft
                    de commissie maatregelen voorgesteld ter voorkoming van gevaar voor mens en
                    dier. Deze zijn verwerkt in artikel 10.4.</al><al>Op grond van artikel 10.4. lid 1 onder b is het college bevoegd de eigenaar of
                    de houder van een hond uit categorie 1 te verplichten die hond op of aan de weg
                    of op het terrein van een ander kort aan te lijnen en te voorzien van een
                    muilkorf. Bij openbare kennisgeving kan het college bepalen welk ras of type
                    hond dan wel wat voor door kruising daarmee verkregen verwanten onder deze
                    eerste categorie gevaarlijke honden er dus onder de strafbepaling moeten vallen.
                    Het college kan echter het type hond pitbullterriër niet meer aanwijzen, omdat
                    daarvoor sinds 1 februari 1993 maatregelen zijn getroffen in de Regeling
                    agressieve dieren. Deze Regeling is gebaseerd op de Gezondheids en welzijnswet
                    voor dieren en houdt zowel een fok als een houdverbod in voor dieren van het
                    type pitbullterriër. Het college kan echter wel op basis van artikel 10.4.,
                    eerste lid, aanhef en onder b, indien gewenst, andere gevaarlijke soorten honden
                    aanwijzen.</al><al>Op grond van artikel 10.4. lid 1 onder a is het college bevoegd de eigenaar of
                    de houder van een hond uit categorie 2 te verplichten die hond aan te lijnen.
                    Invoering van een verplichting tot muilkorven van een gebruikshond stuit op het
                    bezwaar dat hierdoor de uitvoering van de taak waarvoor zo'n hond is opgeleid,
                    bijzonder wordt bemoeilijkt. Gelet op het gebruik van de hond voor bewakings ,
                    opsporings en verdedigingswerk is het aanlijngebod beperkt tot de weg: op het
                    terrein van een ander kan de hond zijn functie blijven vervullen.</al><al>Ten slotte is het college bevoegd op basis van artikel 10.4. lid 1 onder b aan
                    de eigenaar of de houder van een hond uit de derde categorie de verplichting op
                    te leggen tot aanlijnen en - indien noodzakelijk - tevens tot muilkorven van
                    deze hond op of aan de weg of op het terrein van een ander.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Ter ondersteuning van de beschreven aanlijn en muilkorfgeboden is identificatie
                    en registratie van de honden uit de drie categorieën wenselijk. Dat moet worden
                    gerealiseerd door het aanbrengen van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar
                    identificatiemerk in het oor of in de nekvel van de hond (gemeentelijk
                    voorschrift) en voorts door gegevensverstrekking door de eigenaren aan de
                    Stichting registratie gezelschapsdieren Nederland en in geval van rashonden de
                    Raad van beheer op kynologisch gebied in Nederland (hogere regeling). De
                    identificatie en registratie zijn van belang voor de controle op de naleving van
                    de aanlijn en muilkorfgeboden en voor de opsporing van een overtreder. Via de
                    tatoeage of chip moet nagegaan kunnen worden of een hond behoort tot een
                    gevaarlijke categorie en wie de eigenaar of houder is. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vierde lid</titel></kop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr></kop><al><onderstreept>Houden van hinderlijke of schadelijke
                        dieren</onderstreept></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede ‘buiten een inrichting in de zin van de
                        Wet milieubeheer’ op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer
                        direct vastgelegd. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand
                        dieren houdt.</al><al>Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare
                        gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen
                        voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen
                        aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast
                        of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voorzover het college bij een
                        aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is
                        verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er
                        sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156
                        Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en
                        Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr></kop><al><onderstreept>Loslopend vee</onderstreept></al><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                        verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het
                        weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel
                        mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten
                        lopen van honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in
                        artikel 10.1.</al><al>Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin
                        wordt het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet
                        uitvliegend pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige
                        grond die bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.7</nr></kop><al><onderstreept>Duiven</onderstreept></al><al>Verwilderde duiven veroorzaken in het voorjaar nogal wat schade aan jonge
                        gewassen doordat zij de desbetreffende akkerbouwgebieden als foerageerplaats
                        gebruiken. Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om tussen 1 maart
                        en 1 juni een periode aan te wijzen, die bijvoorbeeld kan variëren van een
                        week tot een dag per week, waarin de eigenaren of bezitters van duiven
                        verplicht zijn de duiven binnen te houden. Dit geeft de jagers de
                        mogelijkheid om het verwilderde duivenbestand enigszins terug te dringen.
                        Wel lijkt het raadzaam om in overleg met de colleges van omliggende
                        gemeenten en de diverse postduivenverenigingen deze periode jaarlijks vast
                        te stellen.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>11</nr></kop><al><onderstreept>SEKSINRICHTINGEN E.D</onderstreept>.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>1.</cursief><cursief> Verordenende bevoegdheid van
                    gemeenten</cursief></al><al>Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van
                    prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde
                    omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die
                    niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De
                    enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is dus via de APV.
                    De gemeentelijke bevoegdheid om bij verordening regels te stellen, heeft
                    daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn
                    gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij
                    (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, de
                    verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend 'ter regeling en
                    bestuur inzake de huishouding van de gemeente': blijkens artikel 108, eerste
                    lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de
                    behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen. </al><al>Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet, maar - voorzover het betrekking heeft op prostitutie - tevens op
                    artikel 151a Gemeentewet. </al><al>Bij artikel 19, derde lid, van de Grondwet kan de vrije keuze van arbeid worden
                    onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een
                    maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van
                    vergunningsvoorschriften daaraan beperkingen op (in het belang van
                    kwaliteitsbewaking, de bescherming van de cliënt, de bescherming van de
                    werknemer tegen gevaar en exploitatie, de bescherming van de omgeving tegen
                    gevaar en overlast en dergelijke). Deze vergunningsvoorschriften hebben niet als
                    motief het beperken van de vrijheid van arbeidskeuze en dienen dan ook niet te
                    worden beschouwd als beperking daarvan. Desalniettemin mogen deze
                    vergunningsvoorschriften - ook al liggen daaraan andere motieven ten grondslag -
                    niet zo ver strekken dat de vrije arbeidskeuze daardoor impliciet illusoir
                    wordt. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat gemeenten, bijvoorbeeld aan
                    het beroep van bordeelhoud(st)er of van prostituee, beperkingen mogen opleggen
                    ter 'regeling en bestuur van de gemeentelijke huishouding': in het belang van de
                    openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het
                    milieu.<onderstreept></onderstreept></al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Gebod of verbod; vergunning of ontheffing</titel></kop><al>Gemeenten die (exploitatie van) prostitutie willen reguleren en daartoe bij
                    verordening vergunningsvoorschriften willen vaststellen, kunnen dat doen in de
                    vorm van geboden of verboden. </al><al>De keuze voor gebodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wenst te
                    volstaan met repressief toezicht en niet de behoefte heeft op (exploitatie van)
                    prostitutie preventief toezicht uit te oefenen. In dat geval moeten bij
                    (exploitatie van) prostitutie de vergunningsvoorschriften in acht worden genomen
                    die de gemeente daarover heeft vastgesteld, maar is daarvoor geen nadere
                    voorafgaande toestemming van gemeentewege vereist. Gebodsbepalingen hebben onder
                    meer als voordeel dat de bestuurslasten relatief beperkt zijn: nadat de gemeente
                    de regels 'eenmalig' heeft vastgesteld, beperkt zij zich tot het uitoefenen van
                    toezicht op de naleving daarvan. </al><al>De keuze voor verbodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wel de
                    behoefte voelt om niet alleen repressief maar ook preventief toezicht uit te
                    oefenen. In dat geval moeten vanzelfsprekend eveneens de
                    vergunningsvoorschriften worden nageleefd die de gemeente over (exploitatie van)
                    prostitutie heeft vastgesteld, maar is daarvoor bovendien de voorafgaande
                    toestemming van de gemeente vereist. </al><al>Dit toestemmingsvereiste kan gestalte worden gegeven door (in de
                    verbodsbepaling) een vergunning- of een ontheffingplicht op te nemen. Een
                    vergunningplicht is op zijn plaats, indien de te reguleren activiteit op
                    zichzelf niet als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar het wenselijk wordt geacht
                    dat daarop voorafgaand toezicht kan worden uitgeoefend. Verboden is in dat geval
                    niet de activiteit zelf, maar het verrichten daarvan zonder toestemming
                    (vergunning). Een ontheffingsplicht is op zijn plaats, indien de te reguleren
                    activiteit op zichzelf als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar het wenselijk
                    wordt geacht de mogelijkheid te behouden om die, indien bijzondere
                    omstandigheden dat rechtvaardigen, toch te laten plaatsvinden. Verboden is in
                    dat geval de activiteit zelf, zij het dat daarvoor bij wijze van uitzondering
                    toestemming (ontheffing) kan worden verleend. </al><al>Aan de opheffing van het algemeen bordeelverbod ligt de gedachte ten grondslag,
                    dat (exploitatie van) prostitutie voortaan op zichzelf als een toelaatbare
                    activiteit moet worden beschouwd en slechts strafbaar is indien er sprake is van
                    onvrijwilligheid of van betrokkenheid van minderjarige dan wel illegale
                    prostituees. Omdat de bepalingen van hoofdstuk 11 zich richten op het reguleren
                    van eerstgenoemde, niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie, is daarin gekozen voor de vergunningfiguur.</al><al><cursief>2.</cursief><cursief> Vormen van (exploitatie van)
                        prostitutie</cursief></al><al>Prostitutie wordt in tal van vormen uitgeoefend en geëxploiteerd. Een aantal van
                    die vormen kan worden onderscheiden, naar gelang de mate waarin de prostituee
                    daarbij zelfstandig werkzaam is.</al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte en in
                    dienstverband (seksclubs, bordelen, privéhuizen en dergelijke), is de invloed
                    van de exploitant naar verhouding het grootst. In de inrichting bepalen zij de
                    'huisregels' voor de prostituee, die bijvoorbeeld kunnen uiteenlopen van
                    verplicht condoomgebruik tot de onmogelijkheid voor de prostituee om onveilig
                    seksueel contact te weigeren. Bij deze vorm van prostitutie wordt de hoogte van
                    de inkomsten van de exploitant rechtstreeks beïnvloed door het aantal klanten. </al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte maar
                    niet in dienstverband (kamerverhuurbedrijven, raamprostitutiebedrijven,
                    prostitutiehotels en dergelijke), is sprake van een geringere invloed van de
                    exploitant en van een minder direct verband tussen het aantal klanten en de
                    inkomsten van de exploitant. Meestal beperkt de rol van de exploitant zich tot
                    het verhuren van 'ramen', en bestaat tussen exploitant en prostituee alleen een
                    huurovereenkomst. De prostituee werkt in hoge mate zelfstandig (en voor
                    zichzelf), al kan die zelfstandigheid worden beperkt door andere omstandigheden
                    zoals een afhankelijkheid van de exploitant of een (slechte) eigen financiële
                    situatie. </al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte maar
                    wel in dienstverband (escortbedrijven en dergelijke), geldt weer wel dat het
                    aantal klanten rechtstreeks van invloed is op de inkomsten van de exploitant. De
                    prostituee werkt daarbij echter niet in het bedrijf van de exploitant, maar in
                    een hotel of bij klanten thuis. De bemoeienis van de exploitant met de werkwijze
                    van de prostituee is daardoor relatief gering. </al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte en
                    niet in dienstverband (straatprostitutie, thuiswerk en dergelijke) is de
                    zelfstandigheid van de prostituee doorgaans het grootst. Straatprostituees
                    werven hun klanten op de openbare weg. Thuiswerk(st)ers adverteren soms in
                    bladen, maar beschikken vaak ook over een vaste klantenkring die zich uitbreidt
                    langs informele weg. Op zichzelf zijn zij in staat zelf 'de regels te bepalen'.
                    Maar doordat de onderhandelingen tussen klant en prostituee in korte tijd moeten
                    worden afgerond en de werksituatie vaak onveilig is, is de machtspositie van
                    klanten relatief sterk. Die wordt nog versterkt doordat straatprostituees veelal
                    drugs gebruiken; de noodzaak om hun verslaving te bekostigen, kan verder afbreuk
                    doen aan hun onderhandelingspositie. </al><al>Genoemde vormen van (exploitatie van) prostitutie onderscheiden zich niet alleen
                    voor wat betreft de zelfstandigheid van de prostituee, maar ook voor wat betreft
                    de invloed op de openbare ruimte van elk van die vormen. Zo behoeft bijvoorbeeld
                    geen betoog, dat van 'zichtbare' vormen (straat- en raamprostitutie) een veel
                    sterkere uitstraling op de woon- en leefomgeving uitgaat dan van club- of
                    escortprostitutie. Wel kan worden opgemerkt dat omdat raamprostitutie meer
                    zichtbaar is, wel betere controlemogelijkheden voorhanden zijn. Het ligt dan ook
                    in de rede dat dit onderscheid in het gemeentelijk prostitutiebeleid tot
                    uitdrukking zal komen.</al><al><cursief>Bevoegdheden opsporingsambtenaren en toezichthouders</cursief></al><al>Dit hoofdstuk bevat geen bepalingen over opsporingsambtenaren en
                    toezichthouders. Hun bevoegdheden zijn geregeld in hoofdstuk 14 van deze APV en
                    in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al><al>Gemeenten die in de vergunning nadere vergunningsvoorschriften opnemen met
                    daarin eisen ten aanzien van (volks)gezondheid en hygiëne waarvan de controle
                    het best kan geschieden door GGD-artsen, kunnen desgewenst deze functionarissen
                    als toezichthouder aanwijzen. Hierbij kan wel worden opgemerkt dat er spanning
                    kan ontstaan tussen de functie van vertrouwenspersoon en de taak als
                    toezichthouder. Op die manier kunnen zij de bevoegdheden verkrijgen die voor
                    adequate controle noodzakelijk zijn.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr></kop><al><onderstreept>Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>A./B.<cursief>Prostitutie en prostituee</cursief></al><al>Deze omschrijving van het begrip 'prostitutie' is afgeleid van de definitie
                        in artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                        taalkundige redenen zijn de termen 'derde' en 'betaling' uit de definitie in
                        het Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk
                        'ander' en 'vergoeding'.</al><al>C.<cursief>Seksinrichting</cursief></al><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening.
                        Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze
                        definitie bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving
                        sluit aan bij het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken
                        gehanteerde definities (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam 24 januari
                        1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet gepubliceerd). 'Seksinrichting' als hier
                        omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele
                        diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een zodanige
                        omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als
                        bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het
                        bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</al><al>In de definitie is gekozen voor de term 'besloten ruimte', omdat dit meer
                        omvat dan het begrip 'gebouw'. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een
                        vaar- of een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord 'besloten' duidt erop dat
                        de ruimte zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een
                        overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan
                        niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is.</al><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                        uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                        inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                        zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                        seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                        behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden
                        niet alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin
                        prostitutie plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan
                        prostituees voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf
                        dient te worden verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter
                        de prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een
                        seksbioscoop is een inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van
                        erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele
                        apparatuur. Dit is in afwijking van een seksautomatenhal, waarin dergelijke
                        vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van
                        automaten en van een sekstheater, waarin deze vertoningen anders dan door
                        middel van audiovisuele apparatuur of automaten - met andere woorden 'live'
                        - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als
                        het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van
                        erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café bijvoorbeeld, waarin
                        incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient derhalve niet als
                        'sekstheater' te worden aangemerkt. Zo'n optreden moet echter worden
                        beschouwd als een evenement (een 'voor publiek toegankelijke verrichting van
                        vermaak'), waarvoor volgens artikel 5.3 vergunning van de burgemeester
                        vereist is.</al><al>D.<cursief>Escortbedrijf</cursief></al><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt
                        tussen klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met
                        de klant naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het
                        kan een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon
                        of een website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor
                        de vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door
                        middel van advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook
                        sprake zijn van een combinatie van een seksinrichting en een
                        escortservice.</al><al>E.<cursief>Sekswinkel</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip 'sekswinkel' is ontleend aan de
                        Winkeltijdenwet. Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat
                        hoofdzakelijk van verkoop van goederen in casu van erotisch-pornografische
                        aard sprake moet zijn. Zonder die aanduiding zouden immers vele
                        tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden aangemerkt.</al><al>Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet
                        van toepassing. Een sekswinkel is geen 'seksinrichting' als hierboven
                        omschreven; de exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht
                        van artikel 11.4, eerste lid. De vestiging van sekswinkels zal doorgaans
                        afdoende kunnen worden gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan. In
                        aanvulling op voorgaande (in het belang van de openbare orde of de woon- en
                        leefomgeving) is besloten om de exploitatie van sekswinkels te verbieden in
                        aangewezen gebieden of delen van de gemeente en daartoe artikel 11.10 op te
                        nemen. </al><al>H.<cursief>Bezoeker</cursief></al><al>Het behoeft geen betoog dat, tegen de achtergrond van de bij of krachtens de
                        artikelen 11.6. of 11.7. vastgestelde sluitingsuren, niet alle in de
                        inrichting aanwezige personen als 'bezoeker' moeten worden aangemerkt.</al><al>Van het begrip 'bezoeker' zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s),
                        de prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens
                        toezichthouders en opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere
                        personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen
                        noodzakelijk is (hierbij valt te denken aan personen die de inrichting
                        moeten kunnen betreden voor het leveren van goederen, of voor het uitvoeren
                        van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr></kop><al><onderstreept>Bevoegd bestuursorgaan</onderstreept></al><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                        noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering
                        van raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of
                        krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich
                        hier voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met 'het toezicht op
                        de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek
                        openstaande gebouwen en daarbij behorende erven' (eerste lid) en met 'de
                        uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het in het
                        eerste lid bedoelde toezicht' (derde lid).</al><al>In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden
                        aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft
                        namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare
                        samenkomsten en vermakelijkheden. In de definitie van seksinrichtingen is
                        echter het ruimere begrip 'ruimte' opgenomen. Dat betekent dat het college
                        bevoegd is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het
                        college bevoegd als het gaat om escortbedrijven. Het gebruik van de openbare
                        weg, waarbij in dit verband met name gedacht moet worden aan de aanwijzing
                        van tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om deze afbakening -
                        waar aan de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten weergeven, is in
                        hoofdstuk 11 het begrip 'bevoegd bestuursorgaan' gehanteerd en is dat in
                        artikel 11.2 eenmalig gedefinieerd.</al><al>Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een
                        concreet geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Aangezien van
                        onbevoegd genomen besluiten vernietiging in de rede ligt, moet deze vraag
                        met zorgvuldigheid worden beantwoord.</al><al>Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het college een
                        of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het
                        gaat hierbij om mandaat: de opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit
                        naam en onder verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat
                        daarover bovendien aanwijzingen kan geven (derde lid). Om de uitvoering van
                        het gemeentelijk prostitutiebeleid zoveel mogelijk te stroomlijnen, zou het
                        college zijn bevoegdheid terzake kunnen mandateren aan de burgemeester. Dit
                        doet er niet aan af dat goed moet worden bezien, of een concreet te nemen
                        besluit een besluit van de burgemeester zelf of van het college is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr></kop><al><onderstreept>Nadere regels</onderstreept></al><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                        categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                        artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                        voorschriften. Artikel 11.3. ziet dus op delegatie van regelgevende
                        bevoegdheid als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet.
                        Vanzelfsprekend zijn de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende
                        voorschriften hierbij van overeenkomstige toepassing.</al><al>Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester)
                        over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81
                        van de Awb. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen beleidsregels
                        het bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een vaste gedragslijn
                        bij het toepassen van de desbetreffende bevoegdheid, zij het niet onder alle
                        omstandigheden: gelet op artikel 4:84 van de Awb moet het bevoegd
                        bestuursorgaan namelijk handelen overeenkomstig de beleidsregel 'tenzij dat
                        voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere
                        omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te
                        dienen doelen'. Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als
                        regel op een bepaalde wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen
                        anders te kunnen besluiten, ligt het dus in de rede daarover geen 'nadere
                        regel' maar een beleidsregel vast te stellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr></kop><al><onderstreept>Seksinrichtingen</onderstreept></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Zoals uiteengezet in de Algemene toelichting hoofdstuk 11 onder 2, is er
                        hier voor gekozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven te
                        reguleren door middel van de vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een
                        voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de
                        seksinrichting valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen
                        wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld
                        worden gedacht aan verandering van bouwkundige aard, het aantal
                        exploitanten, de wijze van exploitatie en de naam van een of meerdere
                        exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt met
                        de feitelijke situatie.</al><al>Het is ook mogelijk om een gedifferentieerd vergunningstelsel vast te
                        stellen, indien de lokale omstandigheden het wenselijk maken dat
                        seksinrichtingen (alle, of bepaalde soorten) geografisch worden
                        geconcentreerd. De mogelijkheid om - met vergunning - een seksinrichting te
                        exploiteren, bestaat dan uitsluitend in daartoe aangewezen gebieden of delen
                        van de gemeente en is voor het overige verboden. Zo'n beleid wordt veelal
                        ingegeven door het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid of de
                        volksgezondheid of de bescherming van het milieu (Europese
                        Dienstenrichtlijn): het concentreren van seksinrichtingen in bepaalde
                        gebieden kan bijvoorbeeld gewenst zijn, om daarop met voldoende intensiteit
                        toezicht te kunnen uitoefenen. Behalve ten aanzien van seksinrichtingen in
                        het algemeen, kan een dergelijk beleid vanzelfsprekend ook worden gevoerd
                        ten aanzien van een of meer vormen daarvan.</al><al>Als grondslag voor een (algemeen) concentratiebeleid, zou artikel 11.4 als
                        volgt kunnen luiden:</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr></kop><al><onderstreept>Seksinrichtingen</onderstreept></al><al><cursief>1.</cursief><cursief> Het is verboden zonder vergunning van het
                            bevoegd bestuursorgaan een seksinrichting te
                            explo</cursief><cursief>i</cursief><cursief>teren of te wijzigen in door
                            het college aangewezen gebieden of delen van de gemeente.
                        </cursief></al><al><cursief>2.</cursief><cursief> Het is verboden een seksinrichting te
                            exploiteren in andere gebieden of delen van de gemeente dan de in het
                            eerste lid bedoelde. </cursief></al><al><cursief>3.</cursief><cursief> Het is verboden zonder vergunning van het
                            bevoegd gezag een escortbedrijf te
                            e</cursief><cursief>x</cursief><cursief>ploiteren of te wijzigen.
                        </cursief></al><al><cursief>4.</cursief><cursief> In de aanvraag om en in de vergunning wordt
                            in ieder geval vermeld: </cursief></al><al><cursief> a.</cursief><cursief> de persoonsgegevens van de exploitant;
                        </cursief></al><al><cursief> b.</cursief><cursief> de persoonsgegevens van de beheerder; en
                        </cursief></al><al><cursief> c</cursief><cursief> de aard van de seksinrichting of het
                            escortbedrijf. </cursief></al><al>Ook kan, om de exploitatie van seksinrichtingen te reguleren vanuit het
                        belang van openbare orde enz. ervoor worden gekozen het aantal vergunningen
                        dat kan worden verleend aan een maximum te binden. Zo'n maximumbeleid kan
                        ook neergelegd worden in een bestemmingsplan. Het kan 'zelfstandig' worden
                        toegepast, maar kan ook worden gehanteerd ter ondersteuning van genoemd
                        concentratiebeleid: denkbaar is immers dat een maximumbeleid een waardevolle
                        bijdrage kan leveren bij de bescherming van de openbare orde, enz. in
                        gebieden die zijn aangewezen voor het exploiteren van seksinrichtingen.
                        Indien de plaatselijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan een
                        maximumbeleid worden toegesneden op de uiteenlopende vormen van
                        seksinrichtingen. Zo kan in een gemeente met het oog op de bescherming van
                        de openbare orde e.a. beleid worden gevoerd waarin de vestiging van
                        raamprostitutiebedrijven slechts in zeer beperkte mate, of zelfs in het
                        geheel niet wordt toegestaan.</al><al>In een vergunningvoorschrift ten behoeve van een prostitutiebedrijf kan
                        uiteraard ook het aantal werkzame prostituees worden gemaximeerd, waardoor
                        de splitsing van ramen of werkruimten - in het verleden kwam dit met name
                        voor bij raamprostitutie - kan worden voorkomen (ARRS 29-08-1989; Gst. 6901,
                        6 en JG 90.0003 . Zie verder de toelichting bij artikel 11.13, tweede lid,
                        onder a.</al><al>Het is mogelijk exploitatievergunningen te verlenen voor een bepaalde duur,
                        bijvoorbeeld 2 jaar, zodat periodiek het functioneren van inrichting(en) of
                        het gemeentelijk beleid terzake kan worden geëvalueerd. Zie bij de
                        toelichting op artikel 1.7.</al><al>In deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde
                        vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een
                        eenduidige systematiek gehanteerd. De vergunning zal echter veel minder
                        omvattend (kunnen) zijn, omdat de activiteiten van een escortbedrijf nu
                        eenmaal niet in een inrichting plaatsvinden. De toetsing van de
                        vergunningaanvraag zal zich derhalve veelal beperken tot de toetsing van de
                        antecedenten van de exploitant en beheerder. Tegen die achtergrond is het
                        denkbaar dat gemeenten voor escortbedrijven geen vergunningplicht, maar een
                        meldingsplicht instellen.</al><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om
                        een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                        vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                        schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                        anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                        rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp
                        onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting. </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht laat
                    vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan de hand van
                    een ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen) vormen over alle
                    rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen (artikel 3:4 van de
                    Awb). Indiening en inontvangstneming van een aanvraag staan dus nadrukkelijk in
                    het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken
                    belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld wat
                    de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de
                    beheerder zijn. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag en voor de
                    ingevolge artikel 1.4 op te leggen vergunningsvoorschriften of beperkingen is de
                    aard van de seksinrichting relevant. Het is van belang te weten of het om
                    bijvoorbeeld een prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie.
                    De vraag of vergunning kan worden verleend voor raamprostitutiebedrijven, wordt
                    in de meeste gevallen strenger beoordeeld dan een andere seksinrichting.
                    Raamprostitutiebedrijven hebben doorgaans een beduidend sterkere (nadelige)
                    invloed op de openbare ruimte dan bijvoorbeeld clubs. Denkbaar is dat het
                    bevoegd bestuursorgaan op een bepaalde locatie een prostitutiebedrijf
                    toelaatbaar acht maar ter voorkoming van verkeersoverlast, een
                    raamprostitutiebedrijf niet of slechts in beperkte mate. In dat geval moet het
                    bevoegd bestuursorgaan zich er bij beoordeling van de aanvraag van bewust
                    (kunnen) zijn dat aan een te verlenen vergunning het voorschrift dient te worden
                    verbonden dat het ter plaatse te exploiteren prostitutiebedrijf niet van
                    zogenaamde vitrines of ramen respectievelijk slechts van een bepaald aantal
                    vitrines mag zijn voorzien. Door wie de inrichting zal worden geëxploiteerd en
                    beheerd is relevant, omdat deze personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn
                    en dienen te voldoen aan de eisen van zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel
                    11.5. De vergunningverlening is bovendien persoonsgebonden en niet
                    overdraagbaar. Dit blijkt uit artikel 1.5.</al><al>Blijkens artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het niet-overleggen van de in
                    het tweede lid genoemde gegevens voor het bevoegd bestuursorgaan aanleiding zijn
                    om - mits gelegenheid tot aanvulling is geboden - de aanvraag niet te
                    behandelen. Het kan van meer gegevens wenselijk zijn om ze te kunnen hanteren
                    als behandelingsvereiste als hier bedoeld; daartoe kan het tweede lid worden
                    uitgebreid. Bij wijze van voorbeeld van een meer uitgebreid tweede lid, volgt
                    hier de volgende alternatieve tekst:</al><al><cursief>2.</cursief><cursief> In de aanvraag om en in de vergunning wordt in
                        ieder geval vermeld:</cursief></al><al><cursief> a.</cursief><cursief> de persoonsgegevens van de exploitant;
                    </cursief></al><al><cursief> b.</cursief><cursief> de persoonsgegevens van de beheerder;
                    </cursief></al><al><cursief> c.</cursief><cursief> het aantal werkzame prostituees; </cursief></al><al><cursief> d.</cursief><cursief> de aard van de seksinrichting of het
                        escortbedrijf; </cursief></al><al><cursief> e.</cursief><cursief> de plaatselijke en kadastrale ligging van de
                        seksinrichting door middel van een
                        situatiet</cursief><cursief>e</cursief><cursief>kening met een schaal van
                        tenminste 1:1000; </cursief></al><al><cursief> f.</cursief><cursief> de plattegrond van de seksinrichting door middel
                        van een tekening met een schaal van tenminste 1:100; </cursief></al><al><cursief> g.</cursief><cursief> bewijs van inschrijving in het handelsregister
                        bij de Kamer van Koophandel; en </cursief></al><al><cursief> h.</cursief><cursief> bewijs waaruit blijkt dat de exploitant
                        gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de
                        seksinrichting.</cursief><cursief></cursief></al><al>Ook kan - door het bevoegd bestuursorgaan - een nadere regel (als bedoeld in
                    artikel 11.3.) worden vastgesteld. Overwogen kan worden om, al dan niet per type
                    seksinrichting, een aanvraagformulier vast te stellen als bedoeld in artikel 4:4
                    van de Awb.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.5</nr></kop><al><onderstreept>Gedragseisen exploitant en beheerder</onderstreept></al><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                        'decriminaliseren' van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                        prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                        besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                        seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de
                        daarbij betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</al><al>Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als
                        bedoeld in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële
                        documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                        beheerder zijn vermeld in een aanvraag (artikel 13 van het Besluit
                        justitiële gegevens).</al><al>In artikel 11.5 wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en
                        worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en
                        Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en
                        Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens
                        een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een
                        antecedentenonderzoek kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit
                        procedurele argument is het feit dat inhoudelijk min of meer dezelfde
                        belangen wegen bij de antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit
                        eisen zedelijk gedrag Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten
                        en mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de
                        Vreemdelingenwet en de Wav opgenomen. De toevoeging van bepalingen over
                        misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de
                        prostituees. De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de Wav
                        is gelegen in de bestrijding van de mensenhandel.</al><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding 'in enig opzicht slecht
                        levensgedrag' in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in
                        de navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in
                        elk geval sprake is van 'in enig opzicht slecht levensgedrag'. Dat het niet
                        als een limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik
                        van het woord 'naast' aan het begin van het tweede lid.</al><al>Bij de beoordeling van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de
                        justitiële documentatie en de toetsing ervan aan het besluit, kan worden
                        aangesloten bij de daarover reeds bestaande jurisprudentie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.6</nr></kop><al><onderstreept>Sluitingstijden</onderstreept></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149
                        van de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare
                        (waaronder seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare
                        orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het
                        milieu. Deze bevoegdheid houdt evenzeer in dat een afwijkende
                        sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de zondag. Sommigen concluderen
                        uit artikel 7 van de Zondagswet dat de gemeenteraad niet bevoegd is een
                        speciaal voor de zondag geldende sluitingsregeling vast te stellen. Volgens
                        HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15, belet dit artikel de raad echter niet om voor
                        de zondag een afwijkende regeling te treffen voor het sluitingsuur van
                        openbare inrichtingen als deze, mits de grond voor de afwijking van de voor
                        de andere dagen geldende regeling niet is gelegen in het bijzondere karakter
                        van de zondag. Volgens de Hoge Raad beoogt de Zondagswet naar haar strekking
                        niet de gemeentelijke wetgever te beperken in zijn bevoegdheid om ter
                        afwering van verstoring van de openbare orde voorzieningen te treffen.</al><al>De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van toepassing op het begrip
                        'seksinrichting') heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals vermeld in de
                        toelichting bij artikel 11.1, onder e, is op sekswinkels het regime van de
                        Winkeltijdenwet van toepassing.</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in
                        artikel 1.4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere
                        sluitingstijden vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een
                        voorschrift worden verbonden aan de vergunning die aan de exploitant van de
                        betrokken inrichting(en) zal worden verleend. Zo'n vergunningvoorschrift is
                        er een als bedoeld in artikel 1.4 en moet mitsdien strekken ter bescherming
                        van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning vereist
                        is.</al><al>Over de uitoefening van deze bevoegdheid kan het bevoegd bestuursorgaan
                        desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste
                        lid, van de Awb. Daarin kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat, bij het
                        beantwoorden van de vraag of voor een afzonderlijke inrichting bij
                        vergunningvoorschrift afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld,
                        per categorie seksinrichting als regel een bepaald beleid wordt gehanteerd.
                        Van het voor die categorie geldende beleid kan het bevoegd bestuursorgaan in
                        een concreet geval (gemotiveerd) afwijken, indien het dat noodzakelijk acht
                        in het belang van bijvoorbeeld de openbare orde, de woon- en leefomgeving en
                        dergelijke.</al><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het
                        derde lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker
                        met toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                        gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met
                        het derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de
                        exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens
                        eerste vordering verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het
                        Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat aan
                        het opnemen van het derde lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de
                        bescherming van de aan de eigendom verbonden rechten; het derde lid van
                        artikel 11.6 strekt tot handhaving van een publiekrechtelijke regeling.</al><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van
                        artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege
                        vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale
                        verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat
                        het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet
                        liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de
                        afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><al>Een seksinrichting als bedoeld in artikel 11.1 kan vergunningplichtig zijn
                        op grond van de Wet milieubeheer of vallen onder het Besluit horeca-, sport-
                        en recreatie-inrichtingen milieubeheer (Stb. 1998, 322).</al><al>Aan een krachtens de Wet milieubeheer te verlenen vergunning kunnen eveneens
                        voorschriften worden verbonden ter voorkoming van de indirecte gevolgen van
                        de inrichting. De sluitingsbepalingen van de APV gelden daarom niet
                        voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing
                        zijn. De Wet milieubeheer beoogt een uitputtende regeling te geven ter
                        voorkoming of beperking van gevaar, schade of hinder die voortvloeit uit het
                        in werking zijn van krachtens de Wet milieubeheer aangewezen inrichtingen.
                        De raad is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen indien
                        daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te beschermen, en kan dus niet via de
                        APV - aanvullend - gevaar, schade of hinder tegengaan die wordt veroorzaakt
                        door een krachtens de Wet milieubeheer vergunningplichtige inrichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.7</nr></kop><al><onderstreept>Tijdelijke afwijking sluitingstijden: (tijdelijke
                            sluiting)</onderstreept></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Ten opzichte van artikel 11.6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                        voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het 'reguliere'
                        sluitingstijdenregime is) biedt artikel 11.7 de mogelijkheid om daarvan al
                        dan niet tijdelijk af te wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking
                        inhouden dat:</al><al><cursief>-</cursief><cursief> voor (een of meer) inrichtingen al dan niet
                            tijdelijk andere sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of
                            krachtens artikel 3.2.3 gestelde; of </cursief></al><al><cursief>-</cursief><cursief> van (een of meer) inrichtingen al dan niet
                            tijdelijk de - algehele of gedeeltelijke - sluiting wordt
                            bevolen.</cursief></al><al>Aan zo'n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 11.13,
                        tweede lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn
                        van strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd
                        bestuursorgaan kan daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het
                        belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of
                        beperking van overlast en dergelijke.</al><al>De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als
                        bedoeld in het eerste lid, onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de
                        gemeente gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de
                        bevoegdheid genoemd in artikel 11.6, tweede lid, die individueel gericht is.
                        Tijdelijke sluiting (als bedoeld in het eerste lid, onder b) kan daarentegen
                        slechts van afzonderlijke inrichtingen worden bevolen.</al><al>In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegd bestuursorgaan een
                        expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is te
                        onderscheiden van de bevoegdheid tot aanzegging van bestuursdwang als
                        bedoeld in artikel 5:21 van de Awb die door artikel 11.7 onverlet wordt
                        gelaten. Met toepassing van bestuursdwang wordt kort gezegd beoogd een
                        onrechtmatige situatie weer in overeenstemming te (doen) brengen met het
                        recht. De in het eerste lid, onder b, opgenomen sluitingsbevoegdheid moet
                        daarentegen veel meer worden gezien als een (bestuursrechtelijke) sanctie op
                        inbreuken op het in dit hoofdstuk bepaalde.</al><al>Indien nodig kan de naleving van een krachtens het eerste lid, onder b,
                        gegeven sluitingsbevel worden afgedwongen door toepassing van bestuursdwang.
                        Om een opeenstapeling van bestuursrechtelijke procedures te voorkomen,
                        verdient het aanbeveling te bezien of met het sluitingsbevel tevens
                        (preventief) bestuursdwang kan worden aangezegd. Daarvoor is wel vereist dat
                        er een klaarblijkelijke dreiging bestaat dat de desbetreffende overtreding
                        daadwerkelijk zal plaatsvinden en dat er schade dreigt.</al><al>De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in gevallen
                        waarin openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van
                        criminaliteit. Ook prostitutiebedrijven zijn daarvoor in het verleden een
                        aantrekkelijke plaats gebleken. Het betrof daarbij doorgaans delicten als
                        het bezitten of verhandelen van verdovende middelen of vuurwapens, het
                        tewerkstellen van jongeren of van illegalen, heling en dergelijke. Feiten
                        als deze zijn strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet
                        en de Wet wapens en munitie. Het naar aanleiding daarvan toepassen van de
                        sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is niet in strijd met deze
                        formeel-wettelijke regelingen omdat daaraan een afwijkend oogmerk ten
                        grondslag ligt. Veel van de gedragingen als hier bedoeld spelen zich
                        weliswaar af in de inrichting, maar hebben tevens een uitstraling op de
                        openbare orde en de woon- en leefomgeving buiten de inrichting. Voor
                        toepassing van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist, dat de hier bedoelde
                        overtredingen een meer dan incidenteel karakter hebben.</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Een besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a als b), richt zich
                        doorgaans tot een of meer belanghebbenden - de betrokken exploitant(en) - en
                        moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de
                        Awb.</al><al>Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende
                        de tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 11.6, derde lid), is in het
                        tweede lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve
                        aan de betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan
                        op de door 3:42 Awb voorgeschreven wijze geschieden. Het zichtbaar
                        aanplakken van de geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient
                        aanbeveling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.8</nr></kop><al><onderstreept>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                            beheerder</onderstreept></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid
                        niet slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod
                        opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in
                        verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het
                        tweede lid.</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                        verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in
                        de inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet
                        uitsluitend, moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige
                        prostitutie, prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of
                        wapenhandel, heling, geweldsdelicten en dergelijke.</al><al>In de jurisprudentie is al eerder uitgemaakt dat de exploitant - uiteraard
                        binnen redelijke grenzen - verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de
                        inrichting. Dat wordt door deze toezichtverplichting, die ook geldt voor de
                        beheerder(s), nog eens onderstreept.</al><al>Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel
                        aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden.
                        Afhankelijk van de omstandigheden en het gestelde in het handhavingsbeleid
                        kan tot een tijdelijke beperking van de openingstijden, een tijdelijke
                        sluiting of een (tijdelijke) intrekking van de vergunning worden besloten.
                        Om in deze zin bestuursrechtelijk te kunnen optreden is niet vereist dat
                        daaraan strafrechtelijke vervolging of veroordeling is voorafgegaan:
                        vaststaan moet slechts dat geen of onvoldoende toezicht is uitgeoefend.</al><al>Aan het toezicht dat van de exploitant of beheerder mag worden verwacht op
                        de meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting werkzame prostituees
                        zal gestalte kunnen worden gegeven door inzage te verlangen in hun
                        identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere
                        strafbare feiten betreft, zullen de exploitant of beheerder regelmatig
                        toezicht moeten houden en zo nodig handelend moeten treden. Naarmate de
                        exploitant aantoonbaar en actief huisregels toepast en een nauwkeurige
                        registratie bijhoudt van de leeftijd en nationaliteit van de prostituees,
                        vergemakkelijkt hij niet alleen het toezicht, maar zal hij ook beter in
                        staat zijn om aannemelijk te maken dat door hem voldoende toezicht is
                        uitgeoefend.</al><al>In de vergunning kan de toezichtsverplichting als doelvoorschrift worden
                        opgenomen, waarbij de exploitant zelf bepaalt hoe hij en de beheerder(s) er
                        inhoud aan geven. Ook kunnen aan de vergunning middelvoorschriften worden
                        verbonden, waardoor (gedeeltelijk) wordt voorgeschreven hoe de
                        toezichtsplicht dient te worden ingevuld. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald
                        dat verplicht bepaalde huisregels moeten worden gehanteerd; dat de
                        exploitant of beheerder verplicht is om na te gaan of de prostituee over
                        voor de verrichten van arbeid geldige verblijfspapieren beschikt en dat
                        hiervan een interne registratie wordt bijgehouden.</al><al>Een andere zinvol vergunningvoorschrift in dit verband, dat met name het
                        toezicht door de toezichthouders kan vergemakkelijken, is bijvoorbeeld het
                        expliciet in de vergunning opnemen van de verplichting van (vooral) de
                        exploitant en beheerder(s) om alle medewerking te verlenen aan de
                        toezichthouder, waaronder in elk geval de onmiddellijke en onbelemmerde
                        toegang moet worden verstaan (artikel 5:20 Awb). Dit schept geen
                        bevoegdheden of verplichtingen, maar duidelijkheid voor de vergunninghouder.
                        Ook kan het nuttig zijn om in een vergunningvoorschrift op te nemen dat het
                        verplicht is om een (afschrift van) de vergunning altijd in de inrichting
                        aanwezig te hebben.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.9</nr></kop><al><onderstreept>Straatprostitutie</onderstreept></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen
                        voor de straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van
                        prostitutie die nadere regulering behoeft. Dat is de laatste jaren gebleken,
                        doordat in verschillende gemeenten - vanuit een oogpunt van handhaving met
                        wisselend succes - zogenaamde gedoogzones zijn aangewezen. Aan de belangen
                        die behoren tot hun 'huishouding' (genoemd in artikel 11.13) ontlenen
                        gemeenten de bevoegdheid tot regulering, ook ten aanzien van
                        straatprostitutie.</al><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt
                        op de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft
                        aangewezen. Bij aanwijzing als hier bedoeld zal rekening moeten worden
                        gehouden met de belangen genoemd in artikel 11.13, tweede lid. Aan de hand
                        van de omstandigheden ter plaatse zal moeten worden beoordeeld of tot
                        aanwijzing van een tippelzone kan of moet worden besloten (bijvoorbeeld in
                        het belang van de woon- en leefomgeving of de openbare orde in andere delen
                        van de gemeente) of juist niet (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en
                        leefomgeving of de openbare orde in het gebied waarvan de tippelzone
                        onderdeel zou uitmaken).</al><al>Over de vraag of deze afweging er ook op neer kan komen dat er in het geheel
                        geen tippellocatie wordt aangewezen verschillen de meningen. De Rechtbank
                        Maastricht oordeelde een dergelijk algeheel verbod in strijd met de vrijheid
                        van arbeidskeuze (zie hierna onder jurisprudentie). Bedacht moet echter
                        worden dat het daar de opheffing van een reeds getroffen voorziening
                        betreft. Vooralsnog dient te worden aangenomen dat gemeenten waar tot op
                        heden in het geheel niet wordt getippeld, dit in het belang van de openbare
                        ook moeten kunnen voorkomen. In dat geval zou voor dit artikel volstaan
                        kunnen worden met de aanhef van lid 1 en het bepaalde in lid 2. In
                        beleidsmatige zin dient deze keuze uiteraard wel zo goed mogelijk te worden
                        onderbouwd.</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe
                        aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod
                        daarop - politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke
                        verwijdering te geven. De plicht om aan zo'n bevel onmiddellijk gevolg te
                        geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals
                        de sanctie op niet-naleving.</al><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Het derde en vierde lid hebben betrekking op straatprostitutie binnen de
                        daartoe aangewezen gebieden en tijden. Krachtens het in lid 3 gestelde kan,
                        bijvoorbeeld in het belang van de openbare orde en veiligheid of de
                        voorkoming of beperking van overlast ter plaatse, door politieambtenaren een
                        bevel tot onmiddellijke verwijdering worden gegeven aan prostituees, maar
                        ook aan andere aldaar aanwezige personen. De plicht om aan zo'n bevel
                        onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek
                        van Strafrecht, evenals de sanctie op niet-naleving.</al><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>Als het mondeling bevel tot verwijdering als bedoeld in lid 3 geen soelaas
                        blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke
                        verblijfsontzegging in het vierde lid worden gegrepen. Een
                        verblijfsontzegging behelst een verbod om zich na aanzegging door of vanwege
                        de burgemeester te bevinden - in casu - op de wegen en gedurende de tijden
                        als bedoeld in het eerste lid, voorzover in de aanzegging genoemd. Uit een
                        verblijfsontzegging vloeit een sterke beperking van de bewegingsvrijheid
                        voort, zoals die onder meer wordt gewaarborgd door artikel 12 van het
                        Internationaal Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR).
                        Deze moet daarom met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden opgelegd. De
                        maatregel moet noodzakelijk zijn, moet proportioneel zijn (in verhouding tot
                        de veroorzaakte ordeverstoring) en er moet worden voldaan aan het
                        subsidiariteitsbeginsel, dat erop neerkomt dat niet met een minder
                        ingrijpend middel zou kunnen worden volstaan. Uit de jurisprudentie over
                        verblijfsontzeggingen blijkt dat de rechter de volgende factoren in zijn
                        toetsing betrekt: staat de mate van overlast in verhouding tot de omvang van
                        de maatregel (welk gebied en welke tijdstippen)? Zijn er op dit verbod
                        individuele uitzonderingen noodzakelijk? En hoe lang geldt het verbod? De
                        beantwoording van deze vragen is sterk casuïstisch. Het vijfde lid heeft
                        betrekking op de eventueel noodzakelijke uitzonderingen op het verbod die in
                        het concrete geval moeten worden gemaakt. Indien betrokkene zijn woon- of
                        werkadres heeft in het desbetreffende gebied, dient dit in beginsel van het
                        verbod te worden uitgezonderd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.10</nr></kop><al><onderstreept>Sekswinkels</onderstreept></al><al>Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 11.1, onder e, is ervoor
                        gekozen sekswinkels niet onder het 'seksinrichting'-begrip (en daarmee de
                        vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de
                        vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd
                        langs de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de
                        openbare orde of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als
                        regel aan voorafgaand toezicht te onderwerpen.</al><al>Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden kan het (vanuit deze
                        motieven) echter gewenst zijn wel in zekere mate te kunnen reguleren. In dat
                        geval kan worden overwogen artikel 11.10 op te nemen, op grond waarvan
                        gebieden of delen van de gemeente kunnen worden aangewezen waarin het in het
                        belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving niet is toegestaan
                        een sekswinkel te (doen) exploiteren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.11</nr></kop><al><onderstreept>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                            erotisch</onderstreept></al><al><onderstreept>pornografische goederen, afbeeldingen en
                            dergelijke</onderstreept></al><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                        verbod, maar slechts voorzover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                        heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral
                        zal worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het
                        tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook
                        betrekking hebben op erotisch-pornografische foto's of afbeeldingen
                        aangebracht aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te
                        vestigen op de daarin plaatsvindende voorstellingen.</al><al>Zoals in het eerste lid is aangegeven, kan het bevoegd bestuursorgaan de
                        regulering terzake gestalte geven door:</al><al><cursief>-</cursief><cursief> aan de betrokken rechthebbende bekend te maken
                            dat, door de wijze van tentoonstellen,
                            aanbi</cursief><cursief>e</cursief><cursief>den of aanbrengen, de
                            openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar wordt
                            g</cursief><cursief>e</cursief><cursief>bracht;</cursief></al><al><cursief>-</cursief><cursief> (algemene) regels vast te stellen die in acht
                            moeten worden genomen bij het tentoonstellen,
                            aa</cursief><cursief>n</cursief><cursief>bieden of aanbrengen van
                            goederen, opschriften en dergelijke als hier
                        bedoeld.</cursief><cursief></cursief></al><al>Zowel 'bekendmaking' als bedoeld onder a, als de vaststelling van 'regels'
                        als bedoeld onder b, vormt een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste
                        lid, van de Awb: in beide gevallen is er sprake van een besluit - dat zich
                        richt tot een betrokken rechthebbende respectievelijk van algemene strekking
                        is - met het (rechts)gevolg dat een verbod als genoemd in eerste lid,
                        aanhef, van kracht wordt. Tegen zo'n besluit kan dan ook door
                        belanghebbenden bezwaar worden aangetekend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.12</nr></kop><al><onderstreept>Beslissingstermijn</onderstreept></al><al>Volgens artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet een beschikking worden
                        gegeven binnen de termijn die daarvoor bij wettelijk voorschrift is bepaald
                        (of, bij gebreke daarvan, binnen een redelijke termijn). Dat wettelijk
                        voorschrift is in casu artikel 1.2, eerste lid, waarin is bepaald dat het
                        bevoegd bestuursorgaan op een aanvraag om vergunning of ontheffing moet
                        beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst, welke beslissing voor
                        ten hoogste acht weken kan worden verdaagd (tweede lid).</al><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                        exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Indien een
                        langere beslissingstermijn dan de in artikel 1.2 genoemde wenselijk wordt
                        geacht, kan daartoe artikel 11.12 worden opgenomen (vanzelfsprekend is de
                        daarin genoemde termijn van twaalf weken indicatief). </al><al>De voorgeschreven beslissingstermijn (van artikel 1.2 of artikel 11.12) is
                        een termijn van orde. Overschrijding ervan doet niet af aan de bevoegdheid
                        te beslissen over een ingediende aanvraag, maar leidt wel tot een fictieve
                        weigering waartegen door belanghebbenden bezwaar kan worden aangetekend
                        (artikel 6:2, onder b, van de Awb). Opneming van artikel 11.12 ligt daarom
                        in de rede indien moet worden aangenomen dat de in artikel 1.2 genoemde
                        beslissingstermijn niet incidenteel maar als regel te kort zal zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.13</nr></kop><al><onderstreept>Weigeringsgronden</onderstreept></al><al>De hier genoemde belangen vormen tezamen de 'huishouding', tot het regelen
                        en besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn. Ten onrechte zou de aanduiding
                        'weigeringsgronden' hierbij de indruk kunnen wekken dat genoemde belangen
                        slechts zouden kunnen worden behartigd door geen vergunning te verlenen.
                        Waar het om gaat is dat deze belangen de grondslag vormen voor de
                        uitoefening van de bevoegdheden die het gemeentebestuur terzake
                        toekomen.</al><al>Die uitoefening kan inhouden dat met betrekking tot (de exploitatie van)
                        prostitutie op basis van de in dit artikel genoemde belangen:</al><al><cursief>-</cursief><cursief> bij verordening algemeen verbindende
                            voorschriften kunnen worden vastgesteld (zoals de in dit hoofdstuk
                            opgenomen bepalingen); </cursief></al><al><vet>- nadere regels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel
                            3.1.3); </vet></al><al><cursief>-</cursief><cursief> beleidsregels kunnen worden vastgesteld (als
                            bedoeld in artikel 4:81 van de Awb); </cursief></al><al><vet>- vergunning kan worden verleend, onder vergunningsvoorschriften en
                            beperkingen (als bedoeld in artikel 1.4); </vet></al><al><cursief>-</cursief><cursief> de vergunning kan worden gewijzigd of
                            ingetrokken (als bedoeld in artikel 1.6) of </cursief></al><al><cursief>-</cursief><cursief> vergunning kan worden geweigerd.
                        </cursief></al><al>De hier genoemde belangen moeten dus enerzijds worden beschouwd als de
                        grondslag voor (en begrenzing van) het gemeentelijk beleid en anderzijds als
                        handvatten om de (exploitatie van) prostitutie te reguleren, maximeren en
                        beheersen.</al><al>Om discussie over de bevoegdheid tot wijziging of intrekking van de
                        vergunning te voorkomen, adviseren wij een vergunningsvoorschrift op te
                        nemen dat niet mag worden gehandeld in strijd met het bepaalde in hoofdstuk
                        11 van de APV.</al><al><onderstreept>Eerste lid, onder a:
                                </onderstreept><cursief><onderstreept>levensgedrag</onderstreept></cursief></al><al>Zie voor toelichting hierop de toelichting onder artikel 11.5.</al><al><onderstreept>Eerste lid, onder b:
                                </onderstreept><cursief><onderstreept>bestemmingsplan</onderstreept></cursief></al><al>Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van artikel
                        4.3, zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een
                        weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende
                        bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter
                        plaatse niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er
                        vergunning wordt verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat
                        daar geen gebruik van kan worden gemaakt.</al><al>Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het bestemmingsplan als
                        weigeringsgrond opgenomen. Blijkens ABRS 24-03-1997, AB 1997, 201, JG
                        97.0165 , is zulks aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen
                        zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt het tweede lid
                        met zich mee dat de burgemeester in een beoordeling van het geldende
                        bestemmingsplan treedt, maar dit laat de bevoegdheid van het college inzake
                        de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een
                        doorkruising van de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen
                        sprake.</al><al><onderstreept>Eerste lid, onder c:
                                </onderstreept><cursief><onderstreept>minderjarig, onvrijwillig,
                                illegaal</onderstreept></cursief></al><al>Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker
                        voorkomende weigeringsgrond, namelijk vrees voor ernstige verstoring van de
                        openbare orde. Als er aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van
                        politierapportages, dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel
                        273f is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet worden dat de
                        exploitant prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of minderjarigen
                        laat werken. Zo dient ter bescherming van de openbare orde ook te worden
                        voorkomen dat de exploitant prostituees zonder een voor het verrichten van
                        arbeid geldige verblijfstitel inzet. Verwezen wordt in dit verband naar de
                        uitspraak van de Rb Rotterdam van 5-09-1997, JG 97.0209 : naar het oordeel
                        van de Rechtbank zijn terecht twee horeca-inrichtingen gesloten en zijn de
                        exploitatievergunningen ingetrokken wegens de smokkel van illegalen. De
                        Rechtbank ziet dit als een aantasting van de openbare orde.</al><al>Om te voorkomen dat werkzame prostituees tegen hun wil bepaalde seksuele
                        contacten moeten aangaan, kunnen aan de vergunning voorschriften worden
                        verbonden, zoals: een verbod op het opleggen van een minimum aantal klanten,
                        of het recht van prostituee om klanten of bepaalde seksuele handelingen te
                        weigeren.</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept>.</al><al><cursief>Openbare orde</cursief>.</al><al>Het begrip openbare orde, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, omvat
                        in ieder geval de bescherming tegen een werkelijke en voldoende ernstige
                        bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving, en kan met name
                        onderwerpen in verband met de menselijke waardigheid, de bescherming van
                        minderjarigen en kwetsbare volwassenen, omvatten. </al><al><cursief>Overlast.</cursief></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Hoewel het begrip
                        ‘overlast’ als zelfstandige weigeringsgrond niet is opgenomen, kan het via
                        de weigeringsgronden openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en
                        milieu wél worden aangemerkt als een weigeringsgrond. Overlast kan namelijk
                        betrekking hebben op verschillende aspecten. Geluidsoverlast en overlast,
                        veroorzaakt door stof, afval etc kunnen worden geschaard onder milieu of
                        zelfs gezondheid. Overlast door verkeer valt onder openbare veiligheid. In
                        ieder geval kan overlast onder het openbare ordebegrip worden gebracht,
                        indien deze een aantasting is van of een duidelijke inbreuk maakt op de
                        maatschappelijke orde zoals deze geldt in Nederland. Het gaat dan om
                        overlast die een bedreiging vormt voor de veiligheid en rust in de publieke
                        ruimte. </al><al><cursief>Woon- en leefsituatie in de omgeving.</cursief></al><al>De weigeringsgrond woon- en leefmilieu van de vergunning is geschrapt omdat
                        deze eveneens geen weigeringsgrond is die volgens de Europese
                        Dienstenrichtlijn geaccepteerd is. In dit geval moet de gemeente – indien
                        gewenst - het woon- en leefklimaat beschermen door middel van het
                        bestemmingsplan (het voorkomen van achteruitgang van het leefmilieu). </al><al><cursief>Maximumstelsel.</cursief></al><al>De bescherming van de openbare orde e.v. kan onder meer aanleiding zijn om
                        het aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend aan een
                        maximum te binden. Indien het maximumaantal vergunningen is verleend, kan
                        vergunning voor een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen
                        dat de openbare orde ter plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf
                        verder wordt verstoord. </al><al>Onder meer ARRS 18-02-1999, JG 99.0168 m.nt. W.A.G. Hillenaar, 22-05-1987,
                        AB 1988, 240, en 08-01-1988, AB1988, 417 maken duidelijk dat de rechter op
                        zichzelf aannemelijk acht dat aantasting van de woon- en leefomgeving wordt
                        veroorzaakt door de cumulatieve effecten van een aantal inrichtingen (in
                        casu bordelen) in de gemeente en dat dit aantal kan worden gemaximeerd. Wel
                        moet bij een 'boventallige' vergunningaanvraag worden aangetoond of
                        aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid of de wijze van exploitatie van de
                        betrokken inrichting de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig
                        beïnvloedt. Om in dat geval voldoende gemotiveerd vergunning te weigeren kan
                        dus niet worden volstaan met het gegeven dat het maximumaantal te verlenen
                        vergunningen is bereikt maar moet ook worden aangegeven dat er in casu niets
                        is gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe zouden nopen om - in
                        afwijking van dat beleid - toch vergunning te verlenen.</al><al>Als uitgangspunt is een maximumbeleid, bijvoorbeeld ten aanzien van
                        horeca-inrichtingen of vent- en standplaatsvergunningen, door de rechter
                        aanvaard. Bij de toepassing van zo'n beleid kan een prostitutienota of een
                        vergelijkbaar beleidsstuk een belangrijk hulpmiddel zijn, indien daarin
                        gemotiveerd is toegelicht welke concentratiegebieden zijn aangewezen en voor
                        welk aantal inrichtingen ten hoogste een vergunning kan worden verleend. Ook
                        een bestemmingsplan kan daarvoor als middel dienen, indien daaruit het
                        karakter van een bepaalde straat of wijk blijkt. </al><al><cursief>Verkeersvrijheid of –veiligheid.</cursief></al><al>Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer
                        openbare veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en
                        raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of
                        aan de openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen
                        voetgangers en motorvoertuigen. Aanwijzing van een tippelzone of vestiging
                        van raamprostitutiebedrijven kan dan bezwaarlijk zijn, indien daardoor
                        bijvoorbeeld de normale bereikbaarheid van het desbetreffende gebied wordt
                        geschaad of bewoners ter plaatse niet of nauwelijks meer kunnen parkeren.
                        Situaties als deze kunnen zich evenwel ook voordoen bij vestiging van een
                        (te) groot aantal bordelen in een bepaald gebied, zodat ook bij andere
                        vormen van prostitutie de verkeersveiligheid of -vrijheid aanleiding kan
                        vormen tot regulering (in de vorm van een maximum- of
                        concentratiebeleid).</al><al><cursief>Veiligheid personen of goederen.</cursief></al><al>Bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van
                        groot belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de
                        inrichtingen die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de
                        Woningwet:</al><al>• is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de brandveiligheid
                        van de inrichting zelf; en </al><al>• biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voorzover het
                        gaat om het gebruik van de inrichting. </al><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin
                        van de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de
                        inrichting bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</al><al><cursief>Volksgezondheid</cursief></al><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort
                        ook dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als
                        uitvoerende instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking
                        tot de ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid. In dit verband
                        wordt gewezen op de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv; stb.
                        1990, 300) en meer in het bijzonder op het Besluit collectieve preventie
                        volksgezondheid (Stb. 1992, 569). Dit Besluit verplicht gemeenten namelijk
                        zorg te dragen op voor de uitvoering van collectieve preventie van onder
                        meer seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) en aids. Bovendien heeft de
                        wetgever bij de opheffing van het bordeelverbod het verbeteren van de
                        positie van de prostituee, waaronder tevens begrepen de gezondheidssituatie,
                        als een van de hoofddoelstellingen bestempeld. Alle reden dus voor
                        gemeenten, bijgestaan door de GGD, om een actief volksgezondheidsbeleid te
                        voeren.</al><al>Doelstelling van zo'n beleid kan om te beginnen zijn het (doen) verzorgen
                        van voorlichting over besmettingsrisico's en seksueel veilig gedrag aan
                        prostituees, prostituanten en exploitanten. Bij die partijen rust immers de
                        belangrijkste verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke preventie van soa.
                        Ook kan het beleid erop gericht zijn zo laagdrempelig mogelijke faciliteiten
                        te (doen) verwezenlijken voor betrokkenen; hierbij kan worden gedacht aan
                        toegankelijke gezondheidszorgvoorzieningen, waar prostituees en
                        prostituanten zich tegen een beperkte vergoeding en op professionele wijze
                        kunnen laten onderzoeken op de aanwezigheid van soa. Dit beleid kan ook zijn
                        weerslag vinden in specifieke vergunningvoorschriften. Daarbij valt te
                        denken aan de verplichting voor de exploitant om een 'veilig seks beleid' te
                        voeren (dat wil zeggen dat ze geen onveilige seks mogen aanbieden en veilige
                        seks moeten faciliteren) en prostituees in de gelegenheid moeten stellen
                        zich regelmatig op soa te laten onderzoeken. Ook kan het voorschrift worden
                        opgenomen dat de exploitant verplicht is om de GGD toe gang te verlenen tot
                        de inrichting ten behoeve van de voorlichting van prostituees. Als
                        GGD-artsen of verpleegkundigen zijn aangewezen als toezichthouders is een
                        dergelijk voorschrift niet nodig. Van verschillende zijde is echter
                        opgemerkt dat de rol van de GGD als vertrouwenspersoon zich moeilijk
                        verhoudt met die van toezichthouder. Een ander vergunningvoorschrift waar in
                        het kader van de gezondheidspositie van de prostituee aan gedacht kan
                        worden, is het verbod op verplichte alcoholconsumptie.</al><al>Waar het gaat om de preventie van soa's wordt wel eens gedacht over het
                        verplicht stellen van een periodieke medische controle van prostituees.
                        Daargelaten of en hoe het verplicht stellen van een dergelijke controle
                        mogelijk is, kan zulks ertoe leiden dat het illegale prostitutiecircuit zich
                        uitbreidt en dat een toenemende groep, met name seropositieve of
                        drugsgebruikende, prostituees onbereikbaar wordt voor voorlichting en
                        medische zorg.</al><al><cursief>Zedelijkheid.</cursief></al><al>Ook het begrip zedelijkheid valt – naar te verwachten is – onder het begrip
                        openbare orde van de Dienstenrichtlijn. Te denken valt aan de bescherming
                        van de menselijke waardigheid.</al><al>Voor wat betreft de bescherming van de zedelijkheid wordt wel eens gesteld
                        dat gemeenten hierbij geen verordenende bevoegdheid zou toekomen nu daarover
                        door de formele wetgever strafbepalingen zijn vastgesteld, te weten de
                        artikelen 239, 240, 240a en 240b van het Wetboek van Strafrecht. De
                        (aanvullende) regelgevende bevoegdheid die gemeenten op dit punt reeds
                        toekwam wordt door deze bepalingen echter ongemoeid gelaten. De daarover
                        bestaande jurisprudentie blijft derhalve actueel.</al><al>Zo werd de vraag of een APV-bepaling die de exploitatie van een sekswinkel
                        aan een vergunning onderwierp in strijd was met de artikelen 240 en 451bis
                        van het Wetboek van Strafrecht, in HR 05-06-1979, NJ 1979,553, ontkennend
                        beantwoord.</al><al><cursief>Arbeidsomstandigheden.</cursief></al><al>Volgens de MvT betreft de bescherming en verbetering van de positie van de
                        prostituee, die als gezegd één van de hoofddoelstellingen van de
                        wetswijziging is, onder meer de arbeidsomstandigheden in
                        prostitutiebedrijven. Door opheffing van het algemeen bordeelverbod is de
                        Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1990, 94) van toepassing op delen van de
                        prostitutiebranche, te weten waar sprake is van een arbeidsverhouding als
                        bedoeld in de wet.</al><al>Tot slot nog een enkele opmerking over de arbeidsovereenkomst en de
                        arbeidsvoorwaarden. Al onder artikel 250bis van het Wetboek van Strafrecht
                        kwam het voor dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen
                        prostituee en exploitant. In de literatuur werd betwijfeld of een dergelijke
                        overeenkomst in strijd met de openbare orde of de goede zeden kwam of, nu
                        artikel 250bis zich richtte tot de exploitant, in strijd met de wet kon
                        worden geacht. Met de opheffing van het algemeen bordeelverbod heeft deze
                        discussie aan belang verloren.</al><al>Van verordeningsbepalingen over arbeidsvoorwaarden van prostituees moet
                        worden aangenomen dat die te zeer treden in het particuliere belang van de
                        prostituee en de exploitant, en de grenzen van de huishouding (de
                        regelgevende bevoegdheid) van de gemeente te buiten gaan. Blijkens de MvT
                        stelt ook de wetgever zich op het standpunt dat 'de centrale noch de lokale
                        overheid het tot haar taak dient te rekenen om binnen de grenzen van
                        vrijheid en zelfbepaling nadere regels te stellen over de rechtsverhouding
                        tussen exploitant en prostituee.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.14</nr></kop><al><onderstreept>Beëindiging exploitatie</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste en tweede lid</titel></kop><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft
                    er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente
                    actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat
                    binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet
                    worden kennisgegeven.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.15</nr></kop><al><onderstreept>Wijziging beheer</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te
                    kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in
                    het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun
                    werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week
                    na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van
                    de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege
                    vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting
                    in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de
                    exploitant zelf.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst
                    te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in
                    dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is
                    voorgeschreven in artikel 11.4, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te
                    vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de
                    nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Derde lid</titel></kop><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                    moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er
                    voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het
                    aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee
                    tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van
                    beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de
                    exploitatie.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.16</nr></kop><al><onderstreept>Overgangsbepaling</onderstreept></al><al>Als na de inventarisatie van de lokale situatie, die vooraf gaat aan de
                        beleidsformulering, blijkt dat er in de gemeente geen seksinrichtingen zijn
                        gevestigd, bestaat er uiteraard geen noodzaak om overgangsrecht te
                        formuleren.</al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Met het in hoofdstuk 11 opgenomen vergunningstelsel wordt een nieuw
                        rechtsregime van toepassing, onder meer op bestaande inrichtingen. Vanuit
                        een oogpunt van behoorlijk bestuur dient exploitanten van deze inrichtingen
                        een redelijke termijn te worden gegund om de benodigde vergunning aan te
                        vragen. In het eerste lid, onder a, moet worden vermeld wat daarvoor, mede
                        gelet op de plaatselijke omstandigheden, als redelijke termijn moet worden
                        beschouwd. Indien de exploitant de vergunningaanvraag binnen deze termijn
                        heeft ingediend, mag hij de inrichting zonder vergunning exploiteren zolang
                        op zijn aanvraag niet is beslist (eerste lid, onder b).</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het is echter onwenselijk dat de exploitant gedurende deze termijn zijn
                        bedrijfsvoering geheel naar eigen inzicht gestalte zou kunnen geven.
                        Denkbaar is namelijk dat, hangende het besluit over de vergunningaanvraag,
                        het bevoegd bestuursorgaan kennis krijgt van excesomstandigheden in de
                        inrichting die met het oog op een verantwoorde exploitatie onmiddellijk
                        zouden moeten worden beëindigd; een dergelijke omstandigheid kan
                        bijvoorbeeld zijn dat nooduitgangen geblokkeerd of onbruikbaar zijn,
                        waardoor de veiligheid van in de inrichting aanwezige personen acuut in het
                        geding is. Met het oog op het tegengaan van dergelijke situaties is in het
                        tweede lid bepaald, dat het bevoegd bestuursorgaan de exploitant kan
                        aanschrijven tot het treffen van in de aanschrijving te noemen
                        voorzieningen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.17</nr></kop><al><onderstreept>Kwetsing openbare zedelijkheid</onderstreept></al><al>Deze bepaling houdt een eigenlijke aanvulling in van artikel 239 van het
                        Wetboek van Strafrecht. Het tweede lid is noodzakelijk om een afbakening met
                        artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht te bewerkstelligen. De bepaling
                        betreffende kwetsing van de openbare zedelijkheid mag geen betrekking hebben
                        op geheel of gedeeltelijk ongeklede recreatie. Het geheel of gedeeltelijk
                        ongekleed recreëren wordt namelijk beheerst door artikel 430a van het
                        Wetboek van Strafrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.18</nr></kop><al><onderstreept>Ongeklede openbare recreatie</onderstreept></al><al>Het college kan voor ongeklede openbare recreatie geschikte plaatsen
                        aanwijzen, gelet op het bepaalde in artikel 430a van het Wetboek van
                        Strafrecht.</al><al>Artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat hij die zich buiten
                        een door de raad als geschikt voor ongeklede openbare recreatie aangewezen
                        plaats, ongekleed bevindt op of aan een voor het openbaar verkeer bestemde
                        plaats die voor ongeklede recreatie niet geschikt is, wordt gestraft met een
                        geldboete van de eerste categorie. Dit artikel is opgenomen in titel 2 van
                        boek 3 van het Wetboek van Strafrecht, genaamd ‘Overtredingen van de
                        openbare orde’. Het motief voor deze bepaling is niet zozeer de zedelijkheid
                        maar veeleer de openbare orde en dan in het bijzonder de mogelijkheid om een
                        ruimtelijke scheiding tussen geklede en ongeklede recreatie aan te kunnen
                        brengen teneinde aan zowel voor- als tegenstanders van deze vorm van
                        recreatie tegemoet te komen. Onder ‘ongeklede recreatie’ valt zowel geheel
                        als gedeeltelijk ongeklede recreatie. Overigens wordt opgemerkt dat uit de
                        behandeling van dit artikel in de Tweede Kamer is gebleken dat niet alleen
                        op plaatsen die de raad of - via delegatie – het college geschikt geachte
                        ongeklede openbare recreatie mag plaatsvinden, maar dat in feite op alle
                        voor het openbaar verkeer bestemde plaatsen waar dit geschikt is ongekleed
                        gerecreëerd mag worden. Uiteindelijk maakt de rechter uit of er inderdaad
                        sprake is van een geschikte plaats als in het evenvermelde artikel is
                        bedoeld. Of er sprake is van een geschikte plaats voor ongeklede openbare
                        recreatie is afhankelijk van een aantal factoren, zoals het feit dat de
                        grote meerderheid van de ter plaatse aanwezigen geen bezwaren moeten hebben,
                        de lokale omstandigheden, de tijdsomstandigheden en soms het tijdstip van de
                        dag.).</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>12</nr></kop><al><onderstreept>NAAMGEVING EN NUMMERING</onderstreept></al><al></al><al>In aanloop naar de Wet BAG was de bevoegdheid om straatnamen en huisnummers vast
                    te stellen al formeel vastgesteld aan het college. De inmiddels van kracht
                    zijnde wet maakt het ook noodzakelijk om begripsdefinities aan te passen.</al><al><cursief>Wettelijke grondslag</cursief></al><al>Op 1 juli 2009 is de Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen (hierna: Wet
                    BAG), in werking getreden. Deze wet omvat ondermeer regels betreffende de
                    methodische registra-tie van adresgegevens. Met de invoering van de Wet BAG is
                    de gemeente de plicht opge-legd om ten behoeve van de basisregistratie adressen
                    bepaalde, expliciet in de Wet BAG genoemde zaken, van een naam, nummer of
                    begrenzing te voorzien. Voor zover het deze zaken betreft is er sprake van
                    medebewind als bedoeld in artikel 108, tweede lid, van de Gemeentewet. Hoeveel
                    vrijheid de gemeente nog heeft om zelf een regeling rond naamge-ving en
                    nummering te treffen wordt aangegeven in artikel 121 Gemeentewet. Dit artikel
                    stelt, dat de gemeentelijke regeling niet in strijd mag zijn met wetten,
                    algemene maatre-gelen van bestuur en provinciale verordeningen. Deze
                    bevoegdheidsafbakening betekent, dat de gemeente een aanvullingsbevoegdheid
                    heeft op de hogere regelgeving. De gemeen-te heeft ter voorbereiding daarvan wel
                    rekening te houden met twee grenzen. Een bene-dengrens (niet treden in de
                    bijzondere belangen van de ingezetenen) en een bovengrens (regels mogen niet in
                    strijd zijn met hogere regelgeving).</al><al>Al met al staat het de gemeente dus vrij om, met het oog op een goede uitvoering
                    van het medebewind, de wijze van naamgeving en nummering in het kader van de Wet
                    BAG nader te regelen. Het gaat hier om het zogeheten ‘vrije medebewind’, omdat
                    in de Wet BAG geen regels worden gegeven voor het meer creatieve proces dat aan
                    de eerder genoemde me-thodische registratie vooraf gaat; onder andere het
                    bedenken en toekennen van namen aan woonplaatsen en aan delen van de openbare
                    ruimte en de methode van toekennen van nummeren aan objecten en plaatsen. </al><al>Het is de gemeente, in het kader van regeling en bestuur van de eigen
                    huishouding, toe-gestaan om in de APV op het gebied van naamgeving en nummering
                    bepalingen op te ne-men over zaken waarin de Wet BAG in het geheel niet
                    voorziet. Daaronder vallen bijvoor-beeld zaken als de afbakening en aanduiding
                    van wijken, buurten en bouwblokken, evenals het nummeren van afgebakende en
                    afsluitbare terreinen en de naamgeving van gemeen-telijke bouwwerken. Hoofdstuk
                    12 van de APV heeft daardoor een dubbele grondslag no-dig. Met betrekking tot de
                    beslissingen, als bedoeld in artikel 6 van de Wet BAG, is er sprake van regeling
                    van bestuur in medebewind, waarvoor artikel 108, tweede lid, en arti-kel 149 van
                    de Gemeentewet de grondslag biedt. Voor de overige beslissingen betreft de
                    regeling en bestuur op grond van artikel 108, eerste lid en artikel 149 van de
                    Gemeente-wet. </al><al>Op het punt van de taaktoedeling bepaalt de Wet BAG, dat de in artikel 6 van die
                    wet ge-noemde beslissingen door de gemeenteraad moeten worden genomen, waarmee
                    wordt aangesloten op de voorheen bestaande taaktoedeling op basis van artikel
                    108, eerste lid en hoofdstuk IX van de Gemeentewet. Het is zodoende – mede als
                    gevolg van artikel 149 van de Gemeentewet - de raad die, naast het autonome
                    deel, ook het onderwerpelijke medebewinddeel in een regeling kan uitwerken. In
                    de APV zelf kan delegatie van beslissin-gen aan het college worden geregeld op
                    grond van de algemene delegatiebevoegdheid van artikel 156, eerste lid, van de
                    Gemeente. Dit is in deze APV ook het geval. (Zie verder ook hierna onder
                    dualistisch bestel)</al><al><cursief>Belang van naamgeving en nummering (adressen)</cursief></al><al>Adressen vervullen een essentiële functie in het maatschappelijk verkeer. Niet
                    alleen voor dienstverlenende instanties als politie, brandweer, posterijen en
                    ambulancebedrijven, maar ook voor bijvoorbeeld de makelaardij, de advocatuur,
                    het notariaat en het bedrijfsleven. Zij kunnen veelal hun werkzaamheden niet
                    uitvoeren zonder goed sluitende informatie over adressen. Ook de burger heeft
                    belang bij goede adressering van zijn woonverblijf. Hij wenst in brede zin
                    vindbaar te zijn. Adressen vervullen binnen het openbaar bestuur even-eens een
                    wezenlijke functie. Enerzijds is een groot deel van de overheidsregistraties
                    geor-dend (toegankelijk) op alfanumerieke volgorde van adressen. Anderzijds zijn
                    adressen van wezenlijke betekenis voor het koppelen en maken van selecties uit
                    deze registraties. Het benoemen van delen van de openbare ruimte en het
                    toekennen van nummers aan ver-blijfsobjecten is een taak die de gemeente met
                    extra zorg moet omgeven.</al><al><cursief>Algemene wet bestuursrecht</cursief></al><al>Het toekennen van een naam of nummer (adressen) op grond van hoofdstuk 12 van de
                    APV is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het
                    besluit zal aan de formele en materiële eisen van de Awb moeten voldoen. Op
                    grond van de Awb is het mogelijk tegen een besluit een bezwaarschrift in te
                    dienen bij het besluitende bestuursor-gaan. Tevens staat de mogelijkheid open om
                    een beroepschrift in te dienen bij de sector bestuursrecht van de
                    arrondissementsrechtbank.</al><al>Vooral ten aanzien van naamgeving kan de vraag rijzen of er wel sprake is van
                    een besluit. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord indien het besluit
                    zich richt op bepaalde, concreet aanwijsbare objecten en het besluit gebaseerd
                    is op een publiekrechtelijke rege-ling die een gedoogplicht inhoudt voor de
                    rechthebbende op onroerende zaken in verband met het op deze objecten aanbrengen
                    van naam- en nummerborden. Op grond van hoofd-stuk 12 van de APV zal daarom
                    sprake zijn van een besluit tot naamgeving of nummering. Ook wijziging of
                    intrekking van een naam of nummer of het afwijzen van een verzoek daartoe valt
                    binnen de reikwijdte van de AWB. Indien een aanvraag voor een naam of een
                    nummering moet worden afgewezen of een besluit tot naamgeving of nummering
                    belang-hebbenden zou treffen, moet worden bezien of artikel 4:7 dan wel 4:8 van
                    de AWB van toepassing is. Deze artikelen houden de verplichting in de aanvrager
                    of belanghebbende te horen voordat het besluit wordt genomen.</al><al><cursief>Dualistisch bestel </cursief></al><al>Maar er is meer te melden over de bevoegdheid op het gebied van naamgeving en
                    num-mering; namelijk het dualistische stelsel. De kern van het dualisme is de
                    ontvlechting van de positie en bevoegdheden van de raad en het college. De
                    kaderstellende en controleren-de bevoegdheden worden bij de raad gelegd en de
                    bestuursbevoegdheden worden bij het college geconcentreerd. Er kunnen drie typen
                    bestuursbevoegdheden worden onderschei-den in a.) bestuursbevoegdheden die in de
                    Gemeentewet zijn opgenomen, b.) de be-stuursbevoegdheden in medebewindwetten en
                    c.) de autonome bevoegdheden. De be-stuurlijke bevoegdheden die in de
                    Gemeentewet zijn opgenomen zijn met de inwerkingtre-ding van de Wet dualisering
                    gemeentebestuur (Stb.2002, 111) bij het college gelegd.</al><al>De naamgeving en nummering kunnen worden aangemerkt als een autonome
                    bestuursbe-voegdheid. Deze bevoegdheid blijft dus nog bij de raad liggen. Pas na
                    de aanvaardig van de grondwetswijziging en een wijziging van de artikelen 108 en
                    147 Gemeentewet kan de-ze bevoegdheid aan het college worden toegekend.
                    Voorlopig blijft deze bevoegdheid nog bij de Gemeenteraad. Wel kan de raad
                    ervoor kiezen om vooruitlopend op deze wijziging van de Grondwet de bevoegdheid
                    tot naamgeving en nummering aan het college te dele-geren. Ter volmaking van het
                    dualistische stelsel ligt dit ook in de rede. Wel blijft ook in het dualistische
                    stelsel de verordende bevoegdheid bij de raad liggen. Dit betekent dat de
                    bevoegdheid tot vaststelling van een hoofdstuk in de APV met betrekking tot
                    naamgeving en nummering bij de raad blijft berusten. De raad in Amstelveen heeft
                    er echter al voor gekozen om de verordende bevoegdheid ter zake van naamgeving
                    en nummering op grond van artikel 156 Gemeentewet aan het college te delegeren.
                    Dat is in hoofdstuk 12 van de APV ook zo geregeld.</al><al><cursief>Regelen van de gevolgen</cursief></al><al>Bij het gebruik van de bevoegdheid tot naamgeving en nummering moet het college
                    reke-ning houden met het belang van vooral bewoners en bedrijven. Wijziging van
                    een naam of een nummer treft immers de belangen van bewoners en bedrijven. In
                    bepaalde gevallen kan er sprake zijn van een gemeentelijke gehoudenheid tot
                    regeling van de gevolgen van de wijzigingsbesluiten. Een aantal punten is
                    hierbij van belang:</al><lijst><li nr="1."><al>Tussen het besluit tot wijziging en de uitvoering van de wijziging dient
                            voldoende tijd te liggen, zodat de bewoners en de bedrijven zich op de
                            gewijzigde naam of het veran-derde nummer kunnen voorbereiden. Hoe
                            langer deze periode is, hoe minder de ge-meenten gehouden is tot
                            compenserende maatregelen. Sterk naar buiten tredende be-drijven met een
                            groot klantenpotentieel, moeten op zichzelf worden bezien. Het ver-dient
                            aanbeveling in een vroeg stadium contact op te nemen met de betrokken
                            bewo-ners en bedrijven. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent deze
                            verplichting op grond van artikel 4:8. </al></li><li nr="2."><al>Voor de gevallen waarin de gemeente gehouden kan worden tot het
                            vergoeden van de gemaakte kosten, is geen algemene norm aan te geven
                            waaruit de hoogte of de vorm van de vergoeding kan worden afgeleid.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging bewoners betreft en er een korte
                            voorbereidingsperiode geldt, is het beschikbaar stellen van een aantal
                            adreswijzigingkaarten in de meeste gevallen een redelijke vorm van
                            schadeloosstelling.</al></li><li nr="4."><al>Bedrijven die ook bij een voorbereidingsperiode van een jaar onredelijk
                            in hun belan-gen worden getroffen, kunnen een aanspraak maken op
                            vergoeding van een deel van de kosten die ze maken. Daarbij zijn de
                            volgende aspecten te overwegen:</al><lijst><li nr="a."><al>De bevoegdheid van de gemeente om tot wijziging te
                                    besluiten;</al></li><li nr="b."><al>Het maatschappelijk risico dat een bedrijf dientengevolge is toe
                                    te rekenen, waarbij de keuze voor vermelding van het adres op
                                    verpakkingsmateriaal, winkelruiten, markiezen, bedrijfsauto’s of
                                    productieonderdelen geacht worden tot het onderne-mersrisico te
                                    behoren;</al></li><li nr="c."><al>De lengte van de voorbereidingsperiode;</al></li><li nr="d."><al>De specifieke aspecten van het bedrijf;</al></li><li nr="e."><al>De voorraad naar buiten gerichte kantoorbescheiden en
                                    andersoortige productieon-derdelen die niet tot het
                                    ondernemingsrisico zijn te rekenen;</al></li><li nr="f."><al>De actualiteit van de onder punt e genoemde zaken;</al></li><li nr="g."><al>Het gemiddelde gebruik of de omzet per tijdsperiode van de onder
                                    punt e genoemde zaken;</al></li><li nr="h."><al>De mogelijkheid tot bedrijfseconomische en fiscale afschrijving
                                    van de onder punt e genoemde zaken.</al></li></lijst></li></lijst><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr></kop><al><onderstreept>Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>De begripsomschrijvingen zijn aangepast aan de omschrijving zoals opgenomen
                        in artikel 1 van de Wet BAG. Daardoor zijn de voorheen in hoofdstuk 12 van
                        de APV gehanteerde be-grippen object, gebouw, complex en bouw- en kunstwerk
                        komen te vervallen. De definities van nummer (nummeraanduiding), openbare
                        ruimte, verblijfsobject, standplaats en lig-plaats zijn aangepast. Adres,
                        afgebakend terrein, convenant, pand, rechthebbende,
                        uitvoe-ringsvoorschriften, wijk- en buurtindeling, woonplaats en de wet zijn
                        aan de begripsom-schrijvingen toegevoegd. Voor de goede orde wordt gewezen
                        op het feit dat het begrip openbare ruimte onder punt f niet precies
                        overeenkomt met de openbare ruimte die wordt gebezigd in het
                        spraakgebruik.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr></kop><al><onderstreept>Naamgeving en begrenzing van woonplaatsen, toekennen van namen
                            aan de openbare ruimte</onderstreept>.</al><al>Het eerste lid regelt het vaststellen en begrenzen van de woonplaats(en).
                        Het totale grondgebied van de gemeente moet in een of meer woonplaatsen
                        worden opgedeeld. Dit betekent, dat de gemeentegrens altijd samenvalt met de
                        woonplaatsgrenzen. Verder biedt het eerste lid de mogelijkheid om
                        woonplaatsen te verdelen in wijken en buurten. In het kader van de
                        Volkstelling 1971 is tussen gemeenten, de provinciale planologische diensten
                        en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een gebiedsindeling
                        overeengekomen, die wordt aangeduid met de term CBS wijk- en buurtindeling.
                        Deze indeling werd noodzakelijk geacht, omdat op provinciaal en landelijk
                        niveau behoefte bestond aan inzicht in de onder-verdeling van het
                        gemeentelijk grondgebied. Sinds 1971 heeft het echter ontbroken aan
                        systematisch interbestuurlijk overleg waardoor onduidelijkheid kon ontstaan
                        over de te hanteren wijk- en buurtindeling. De minister van Economische
                        Zaken is voornemens zijn coördinerende rol op het gebied van wijk- en
                        buurtindeling te reactiveren, maar dat heeft nog niet geleid tot nadere
                        bijhoudingsregels. Gemeenten doen er voorlopig verstandig aan - bij het
                        opdelen van een woonplaats in wijken en buurten - de CBS-voorschriften
                        betref-fende de wijk- en buurtindeling uit 1970 aan te houden.</al><al>Het tweede lid regelt het per woonplaats benoemen van openbare ruimte. In de
                        Wet BAG zijn geen bepalingen opgenomen over de grenzen van benoemde delen
                        van de openbare ruimte. Daar is in de APV wel voor gekozen om te voorkomen
                        dat delen van de openbare ruimte, onbedoeld, een dubbele naam krijgen of
                        deels geen naam krijgen vanwege ondui-delijkheid over de begrenzingen. Voor
                        de meeste gemeenten is het vastleggen van be-grenzingen van benoemde delen
                        van de openbare ruimte al dagelijkse praktijk. Verder is in het tweede lid
                        de naamgeving van gemeentelijke gebouwen en bouwwerken meegenomen. </al><al>Met de wettelijke regeling op het gebied van de naamgeving van de openbare
                        ruimte komt een einde aan discussies over de naamgeving van rijkswegen en
                        provinciale wegen. De Wet BAG schrijft namelijk voor dat alle
                        verblijfsobjecten van een nummer moeten zijn voorzien en dat geldt dus ook
                        voor bijvoorbeeld benzinestations, restaurants of hotels die alleen via een
                        rijks- of provinciale weg zijn te bereiken. Nummers kunnen alleen worden
                        uitgegeven als zij worden gerelateerd aan een door het college vastgestelde
                        naam aan een deel van de openbare ruimte. Gemeenten moeten daarom ex artikel
                        6 van de Wet BAG voor rijks- en provinciale wegen een naambesluit nemen.
                        Gemeenten moeten hier ver-standig met hun bevoegdheid omgaan. In dit soort
                        gevallen kan worden aangesloten bij de al jaren door veel gemeenten
                        toegepaste werkwijze, waarbij de naamgeving louter wordt gebaseerd op het
                        nummer en het type weg. Bijvoorbeeld door de A3 in een bepaalde woonplaats
                        de naam Rijksweg A3 toe te kennen. Daarmee blijft de A-nummering in tact en
                        ook het type weg (rijksweg) blijft onveranderd. (E-aanduidingen moeten niet
                        in de naam-geving van rijkswegen worden betrokken.) Zo kan ook bijvoorbeeld
                        de provinciale weg N999 de naam Provinciale weg N999 worden toegekend. Ook
                        hier blijft het type weg en de N-nummering volledig in tact. Tot op heden
                        hebben gemeenten zich aan deze werkwijze gehouden.</al><al>Anders ligt dat bij de naamgeving van rivieren en wateren van internationale
                        betekenis. Na ampel beraad is besloten over de naamgeving van dit soort
                        openbare buitenruimten geen regels op te nemen in de APV. Er bestaat voor de
                        gemeente immers geen enkele aanlei-ding of noodzaak tot het herbenoemen van
                        deze rivieren en wateren. Het behoeft boven-dien geen nadere uitleg dat het
                        tot onoverzichtelijke situaties leidt als bijvoorbeeld een ri-vier per
                        woonplaats een andere naam krijgt toebedeeld. Het toekennen van nummeringen
                        aan een object of plaats dient te worden gekoppeld aan de naam van de
                        openbare ruimte naast voornoemde rivieren en wateren. Als zich de bijzondere
                        situatie al mocht voordoen om een naam van een rivier of water van
                        internationale betekenis te wijzigen, dan kan dat niet eerder plaatsvinden
                        dan na gehouden overleg met het bestuursorgaan die dat aan-gaat.</al><al>Het derde lid bepaalt, dat onder de termen bepalen, vaststellen, verdelen en
                        toekennen, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, tevens het wijzigingen
                        of intrekken daarvan om-vat. Deze passage is opgenomen, omdat hierover in
                        het verleden problemen zijn gerezen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr></kop><al><onderstreept>Het nummeren van verblijfsobjecten, ligplaatsen, standplaatsen
                            en afgebakende terreinen</onderstreept></al><al>Het eerste en tweede lid regelen het vaststellen van standplaatsen en
                        ligplaatsen en het toekennen van nummers aan verblijfsobjecten, ligplaatsen,
                        standplaatsen en afgebakende terreinen. Hier is niet voor de term huisnummer
                        gekozen, omdat bij afgebakende terrei-nen, lig- en standplaatsen niet kan
                        worden gesproken van huis. Vandaar dat de term nummeraanduiding wordt
                        gebruikt. </al><al>Een burger kan overigens een aanvraag voor een nummeraanduiding bij
                        burgemeester en wethouders indienen. Deze aanvraag zal in de regel zijn aan
                        te merken als een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen in
                        de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
                        (hierna: Awb). Op de afwikkeling van de aanvraag zijn de hoofdstukken 3 en 4
                        van de Awb van toepassing (zie hierover ook de algemene toelich-ting).</al><al>De strekking van het vierde lid spreekt voor zich en behoeft geen verdere
                        toelichting. Het vijfde lid regelt, dat het tweede en vierde lid ook kan
                        worden toegepast op andere be-treedbare en afsluitbare objecten - zoals
                        afgebakende terreinen - als het college dat nodig oordeelt.</al><al>Het zesde lid bepaalt dat onder de termen vaststellen, verdelen en
                        toekennen, zoals be-doeld in het eerste tot en met het vijfde lid, tevens
                        het wijzigingen of intrekken daarvan omvat. Deze passage is opgenomen, omdat
                        hierover in het verleden problemen zijn gere-zen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr></kop><al><onderstreept>Namen en nummers aanbrengen</onderstreept></al><al>De toegekende namen moeten in overeenstemming met de wens van het college
                        worden aangebracht. De kosten daarvan komen voor rekening van de gemeente.
                        De in het eerste lid vervatte zinsnede ‘in voldoende aantallen ter plaatse’
                        verdient nadere toelichting. Onder dit begrip wordt verstaan, dat een
                        verkeersdeelnemer bij het oprijden van een kruising van wegen, door in
                        voldoende aantallen aangebrachte naamborden, zonder omkijken en in een
                        oogopslag de naam van de dwarsstraat moet kunnen lezen. Dit betekent
                        doorgaans dat op alle hoeken van de kruising borden dienen te worden
                        aangebracht.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat een object of plaats of terrein een door het
                        college toegekend nummer ook feitelijk moet dragen. Het college wordt de
                        mogelijkheid geboden toe te zien op de naleving van het aanbrengen van
                        nummers. Met het oog op de dienstverlening is het immers noodzakelijk dat de
                        nummers, die door het college zijn toegekend, ook ter plaatse terug zijn te
                        vinden. Voor de hieraan verbonden kosten wordt verwezen naar de algemene
                        toelichting.</al><al>Het derde lid verbiedt een ieder die daartoe niet is bevoegd, namen toe te
                        kennen aan de-len van de openbare ruimte door naamborden zichtbaar ter
                        plaatse aan te brengen. Het komt steeds vaker voor dat burgers - om de meest
                        uiteenlopende redenen - een straat-naambord in de tuin plaatsen of aan de
                        onroerende zaak bevestigen. Dat geeft veelal ver-warring met de door de
                        gemeente toegekende namen aan de openbare ruimte. Het derde lid geeft de
                        gemeente de bevoegdheid om hiertegen op te treden. Voor de goede wordt er-op
                        gewezen dat het iedereen vrij staat om een naam toe te kennen aan zijn
                        onroerende zaak, zolang dat geen verwarring geeft met de door de gemeente
                        toegekende namen aan de openbare ruimte.</al><al>Het vierde lid verbiedt een ieder die daartoe niet is bevoegd nummers toe te
                        kennen aan onroerende zaken die privé bezit zijn door deze op zichtbare
                        wijze aan te brengen. Het aanbrengen van zelf gekozen nummers door
                        eigenaren, gebruikers of beheerders aan ob-jecten, plaatsen en terreinen is
                        de laatste decennia hand over hand toegenomen. Boven-dien is bij de
                        invoering van de BAG ook gebleken dat nummers vaak zijn verdwenen. Ook
                        worden nummers soms zo abstract vormgegeven dat zij niet meer aan het
                        criteria van doeltreffendheid, zoals bedoeld in het tweede lid, voldoen.
                        Deze criteria kunnen worden uitgewerkt in de uitvoeringsvoorschriften, zoals
                        bedoeld in artikel 12.8.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr></kop><al><onderstreept>Gedoogplicht naamborden</onderstreept></al><al>Vanuit een weloverwogen algemeen maatschappelijk belang dienen naamborden
                        door of namens de gemeente ter plaatse goed zichtbaar en in voldoende mate
                        te worden aange-bracht. Veelal is het noodzakelijk om naamborden te
                        bevestigen aan gebouwgevels, ter-reinafscheidingen of aan paaltjes die op
                        privéterrein worden geplaatst. De betrokken rechthebbenden zijn verplicht
                        dat toe te laten. Het artikel houdt verder rekening met de omstandigheid dat
                        de borden niet door de gemeente zelf, maar op verzoek van de ge-meente door
                        derden worden aangebracht.</al><al>Het tweede lid geeft de gemeente de mogelijkheid om een bord met de oude
                        (doorgehaal-de) naam enige tijd te handhaven naast een bord met de nieuwe
                        naam. Op deze wijze wordt voorkomen dat zij, die niet van de herbenoeming op
                        de hoogte zijn, hun bestem-ming niet kunnen vinden.</al><al>Het derde lid zorgt dat rechthebbenden op de hoogte zijn van het feit dat
                        een bord wordt aangebracht of gewijzigd.</al><al>Het vierde lid is opgenomen om te voorkomen dat de
                        leesbaarheid/zichtbaarheid van een aangebracht naambord door bijvoorbeeld
                        hoog opschietend groen, zonnescherm of recla-mebord wordt belemmerd. Vandaar
                        dat is bepaald dat de rechthebbende ervoor dient te zorgen dat de bedoelde
                        borden vanaf de openbare weg leesbaar blijven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr></kop><al><onderstreept>Verplichting tot aanbrengen van
                        nummerborden</onderstreept></al><al>Met betrekking tot dit artikel wordt gewezen op het feit dat het aanbrengen
                        van nummer-borden per gemeente verschillend is geregeld. Sommige gemeenten
                        brengen de nummers zelf aan. Het aanbrengen van de nummers wordt echter ook
                        uitbesteed of overgelaten aan de aannemer. Bijvoorbeeld als onderdeel van
                        het uitvoeren van een bouwwerk. Ten slotte wordt het ook vaak aan de
                        rechthebbende opgedragen om de nummers, conform de ge-meentelijke
                        voorschriften, aan te brengen.</al><al>In hoofdstuk 12 van de APV is gekozen voor een formulering waarbij de
                        rechthebbende het nummer dient aan te brengen, tenzij het college anders
                        besluit. Het laatste zal vaak het geval zijn bij nieuwbouwprojecten, waarbij
                        een uniform uitgevoerde nummering wenselijk wordt geacht. Het verdient
                        aanbeveling de verantwoordelijkheid voor het aanbrengen van een nummer in de
                        tekst van het nummerbesluit te regelen.</al><al>In het tweede en derde lid is bepaald dat het door het college toegekende
                        nummer binnen een bepaalde termijn moet zijn aangebracht. Voor gevallen
                        waarin het object nog niet is voltooid, moet het nummer vier weken na de
                        voltooiing zijn aangebracht.</al><al>Het vierde lid biedt de gemeente de mogelijkheid om een bord met het oude
                        (doorgehaal-de) nummer enige tijd te handhaven naast een bord met het nieuwe
                        nummer. Op deze wijze wordt voorkomen dat zij, die niet van de hernummering
                        op de hoogte zijn, hun be-stemming niet kunnen vinden. Het handhaven van het
                        oude (doorgehaalde) nummer wordt soms bij omvangrijke of ingewikkelde
                        vernummering toegepast.</al><al>Het vijfde lid geeft het college de mogelijkheid de in het tweede en derde
                        lid genoemde termijnen te verlengen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.7</nr></kop><al><onderstreept>Verwijdering e.d. van aanduidingen</onderstreept></al><al>Het eerste lid verbiedt een ieder die daartoe niet is bevoegd naamborden te
                        verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen of onleesbaar te maken.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat zaken die in hogere wetgeving zijn geregeld, niet
                        in lagere wet-geving extra worden geregeld.</al><al>Het derde lid bepaalt dat het rechthebbenden vrij staat zelf te bepalen in
                        welke vorm de door het college bepaalde nummeraanduiding wordt aangebracht.
                        Het college kan hier wel eisen aan stellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.8</nr></kop><al><onderstreept>Uitvoeringsvoorschriften</onderstreept></al><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid om uitvoeringsvoorschriften vast te
                        stellen ten aanzien van naamgeving en nummering. Deze
                        uitvoeringsvoorschriften zijn gericht op vast ge-meentelijk beleid. Dat kan
                        van belang zijn bij beroeps- en bezwaarprocedures. De
                        uitvoe-ringsvoorschriften kunnen bepalingen bevatten met betrekking tot de
                        bestuurlijke, taal-kundige en inhoudelijke aspecten van de naamgeving,
                        evenals bepalingen over de wijk- en buurtindeling, de toekenning van
                        nummers, de wijze van nummeren, de uitvoering en plaatsing van borden en
                        voorschriften van administratief-organisatorische aard. Ook kun-nen modellen
                        worden voorgeschreven voor verklaringen, besluiten en formulieren.</al><al>Lid 2 bepaalt dat de uitvoeringsvoorschriften niet in strijd mogen zijn met
                        het postcode-convenant. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.9</nr></kop><al><onderstreept>Vervallen oude regels</onderstreept></al><al>Dit artikel regelt het vervallen van de oude bepalingen. De strekking van
                        dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.10</nr></kop><al><onderstreept>Overgangsbepaling</onderstreept></al><al>Het principe van het benoemen van de openbare ruimte en het nummeren van
                        verblijfsob-jecten, ligplaatsen, standplaatsen en afgebakende terreinen
                        dateert al uit de vorige eeuw. In de loop der jaren zijn veel opvolgende
                        voorschriften van kracht geweest. Het is niet zin-vol bij de invoering van
                        de verordening te eisen dat alle nummers in de gemeente dienen te worden
                        aangepast aan de nieuwe uitvoeringsvoorschriften, zoals vervat in artikel
                        12.8. Nummers die onder het oude regime tot stand zijn gekomen, blijven
                        gehandhaafd. Het col-lege heeft wel de mogelijkheid om aanpassing van de
                        nummers te eisen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.11</nr></kop><al><onderstreept>Strafbepaling</onderstreept></al><al>Het opleggen van verplichtingen, zoals vervat in de verordening, heeft
                        alleen zin wanneer deze verplichtingen bij nalatigheid of overtreding kunnen
                        worden afgedwongen, zodra deze worden overtreden. Het is gebruikelijk aan
                        lichte overtredingen een geldboete van de eer-ste categorie te verbinden.
                        Dit is de reden waarom is afgeweken van de strafbepaling ge-noemd in artikel
                        14.1.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>13</nr></kop><al><onderstreept>OVERIGE</onderstreept></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.1</nr></kop><al><onderstreept>Begripsomschrijving</onderstreept></al><al>Het is van belang te omschrijven wat onder venten wordt verstaan omdat het
                        uitoefenen van de ambulante handel (het venten) onderscheiden moet worden
                        van enerzijds de collectevergunning en anderzijds de standplaatsvergunning.
                        Onder venten met goederen wordt dan ook verstaan: de uitoefening van
                        kleinhandel waarbij goederen aan willekeurige voorbijgangers worden
                        aangeboden dan wel het huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten. Bij
                        venten is het van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn
                        waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in
                        afwachting van klanten is geen venten. HR 26-03-1974, NJ 1974, 239.</al><al>Van venten of colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële
                        contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe
                        worden bij collecteren geen goederen aangeboden, maar gaat het om het
                        inzamelen van geld en goederen. Verkrijgt men een drukwerk of ander goed
                        door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële
                        contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of te
                        overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel
                        doel, dan is sprake van een collecte. De goederen worden daarbij slechts ter
                        ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij strafrechtelijk optreden tegen
                        dit soort zonder vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en
                        bewezen moeten worden dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de
                        opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel doel. </al><al>Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden
                        van goederen vanaf eenzelfde plaats, al dan niet gebruikmakend van fysieke
                        hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het
                        onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de
                        periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                        aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Het tien minuten standplaats
                        innemen vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR
                        26-03-1974, NJ 1974, 239. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus
                        uit.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.2</nr></kop><al><onderstreept>Venten e.d</onderstreept>.</al><al>Straathandel is een verzamelnaam voor een aantal vormen van handel, zoals:
                        het innemen van een standplaats op de markt, het innemen van een
                        standplaats, en het venten. Straathandel vindt plaats in de openbare
                        (buiten)ruimte. Op de straathandel is een aantal wetten van toepassing,
                        zoals de Grondwet, de Gemeentewet, de Wet milieubeheer, de Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening, de Colportagewet, de Vestigingswet bedrijven, de
                        Warenwet en de Winkelsluitingswet. Deze wetten stellen, ieder vanuit
                        verschillende motieven, grenzen aan het drijven van handel.</al><al>De Marktverordening bevat regels voor de straathandel in de gemeente
                        Amstelveen. Particuliere (snuffel)markten vallen niet onder deze
                        verordening. De bepalingen voor het innemen van een standplaats gelden
                        evenmin. De handel op particuliere markten wordt gereguleerd via artikel
                        13.8. In artikel 13.2. wordt het venten geregeld. Onder venten met goederen
                        wordt verstaan: de uitoefening van kleinhandel, waarbij de goederen aan
                        willekeurige voorbijgangers worden aangeboden, dan wel het huis-aan-huis
                        aanbieden van goederen. In artikel 13.4 wordt het innemen van een
                        standplaats geregeld. Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan
                        het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde plaats, al dan niet
                        gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen, in
                        de openbare ruimte. Het onderscheid tussen venten en het innemen van een
                        standplaats, betreft de periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde
                        plaats op straat worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers.</al><al>Artikel 13.2 gaat uit van een algeheel verbod op het venten, behoudens
                        indien met een door het college verstrekte vergunning wordt gehandeld. In
                        lid 3 staat wanneer het verbod niet geldt; lid 4 geeft aan wanneer de
                        aangevraagde vergunning kan worden geweigerd. Het afgrenzen van het begrip
                        'venten' ten opzichte van andere vormen van straathandel is belangrijk bij
                        de beantwoording van de vraag of een ventvergunning vereist is bij het
                        aanbieden van goederen of diensten. Volgens de Hoge Raad geldt, wil er
                        sprake zijn van venten, een verbod tot het aanbieden vanaf een vaste plaats.
                        De venter moet, wanneer hij zijn waren aanbiedt, dit voortdurend vanaf een
                        andere plaats doen, tenzij hij zijn cliëntèle aan het bedienen is. Het
                        aanbieden van goederen in een rijdende winkelwagen wordt in de
                        jurisprudentie tot venten gerekend.</al><al>Aan artikel 13.2 is een tweede lid toegevoegd om te voorkomen dat burgers op
                        zondag of in de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters. </al><al>In artikel 13.2 wordt een aantal uitzonderingen met betrekking tot de
                        reikwijdte van het verbod tot het venten met goederen en diensten gemaakt.
                        In de jurisprudentie is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als
                        een zelfstandig middel van bekendmaking aangemerkt. Artikel 7 van de
                        Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de gebruikmaking
                        van een zelfstandig middel van bekendmaking. Daarom wordt in artikel 13.2,
                        lid 3a, het venten met gedrukte of geschreven stukken van de verbodsbepaling
                        uit lid 1 uitgezonderd.</al><al>De reikwijdte van het ventverbod betreft in beginsel ook het aan de deur
                        afleveren van goederen. In bepaalde gevallen worden echter artikelen die in
                        een winkel zijn aangeschaft door de winkelier of zijn personeel aan huis
                        afgeleverd. Een dergelijk afleveren van goederen betreft niet de verkoop van
                        goederen aan de deur, waardoor de openbare orde wordt aangetast. Hiervoor
                        wordt dan ook in artikel 13.2., lid 3, onder b, een uitzondering
                        gemaakt.</al><al>Krachtens de Gemeentewet is het noodzakelijk een raadsbesluit te nemen voor
                        het instellen van een door de gemeente te organiseren markt. De raad besluit
                        dan wanneer en waar een markt gehouden mag worden. Veelal stelt de raad een
                        verordening (Marktverordening) inzake de vergunning die vereist is om een
                        standplaats op de markt in te mogen nemen. In deze verordening kunnen
                        voorschriften gesteld worden waaraan degene die een standplaats op de markt
                        inneemt zich moet houden. Het te koop aanbieden van goederen op een markt
                        wordt aldus gereguleerd volgens de regels die de raad stelt. Of venten met
                        goederen op een gemeentelijke markt is toegestaan, hangt af van de
                        bepalingen van de geldende marktverordening. Met betrekking tot particuliere
                        of 'snuffel'-markten, kan de gemeente in het belang van de openbare orde
                        regels stellen. Van een snuffelmarkt is sprake wanneer een markt wordt
                        gehouden die is georganiseerd door particulieren. </al><al>Voor het innemen van een standplaats is een afzonderlijke regeling opgenomen
                        in artikel 13.4. Deze regeling is van toepassing op het te koop aanbieden
                        van goederen vanaf een standplaats. Tussen het venten met goederen en het
                        aanbieden van goederen vanaf een standplaats wordt een onderscheid gemaakt.
                        Om die reden is het noodzakelijk dat in artikel 13.2., lid 3, onder d, een
                        uitzondering wordt gemaakt voor het aanbieden van goederen vanaf een
                        standplaats.</al><al>In artikel 13.2., lid 1, is bepaald dat het verboden is te venten zonder
                        vergunning van het college. In het belang van de rechtszekerheid moet worden
                        aangegeven wanneer een vergunning kan worden geweigerd. Met het vaststellen
                        van de weigeringsgronden wordt bepaald in welke gevallen de vereiste
                        vergunning kan worden geweigerd of wanneer de vergunning moet worden
                        verleend. Hiermee wordt ook de grens van de regelingsbevoegdheid van de
                        gemeente aangegeven. De motieven op grond waarvan de gemeente het venten met
                        goederen mag ordenen, zijn gebaseerd op artikel 149 van de Gemeentewet. De
                        onderwerpen die tot de huishouding van de gemeente worden gerekend - en op
                        grond waarvan een vergunning kan worden geweigerd - zijn: - openbare orde; -
                        voorkomen of beperken overlast; - verkeersvrijheid of -veiligheid; -
                        bijzondere omstandigheden (verzorgingsniveau van de consument). In artikel
                        13.2., lid 4, zijn deze motieven aangehaald als weigeringsgronden voor een
                        ventvergunning.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.3</nr></kop><al><onderstreept>Vrijheid van meningsuiting</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Venten met gedrukte stukken</titel></kop><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel
                    van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er
                    in een concrete situatie sprake is van de uitoefening van 'een zelfstandig
                    middel van bekendmaking' in de zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er
                    sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of
                    gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot
                    de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de Grondwet. </al><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de
                    praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een
                    groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met prentbriefkaarten.
                    De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in het kader van een
                    commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte stukken
                    betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen
                    worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de
                    opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te
                    komen aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op
                    grond van overtreding van een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt
                    vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk.</al><al>In een geval van verkoop van posters met reproducties van aquarellen en
                    afbeeldingen van foto's al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat deze
                    voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting van kunst
                    bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke gedrukte stukken
                    gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens openbaren als bedoeld in art.
                    7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de
                    inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                    resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod. </al><al>Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het
                    verlenen van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wel
                    toelaatbaar. De beperking van de verkoop van drukwerk waarop een mededeling
                    staat is, gelet op artikel 7 van de Grondwet, niet mogelijk voor zover het
                    betreft de inhoud van het drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers
                    ‘iedere openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of een
                    gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit’ (Kb 5 juni
                    1986, Stb. 339). Wel kan de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare
                    orde en veiligheid naar tijd en plaats worden ingeperkt.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.4</nr></kop><al><onderstreept>Standplaatsen: uitstallingen op de weg</onderstreept></al><al>Artikel 13.4., lid 1, bevat een verbod tot het te koop aanbieden van
                        goederen vanaf een vaste plaats in de openbare ruimte. Dit verbod geldt niet
                        wanneer een vergunning door het college is verstrekt. De bevoegdheid tot het
                        reguleren van de handel vanaf een vaste standplaats is gebaseerd op artikel
                        149 van de Gemeentewet. Artikel 13.4. ziet duidelijk op het te koop
                        aanbieden van goederen vanaf een vaste plaats. Hiermee wordt dan ook een
                        onderscheidend criterium gevormd ten opzichte van het venten met goederen.
                        Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit gegaan, dat de venter
                        voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de openbare ruimte moet
                        aanbieden.</al><al>In artikel 13.4., lid 2, wordt een uitzondering gemaakt op het verbod op de
                        straathandel (art. 13.4., eerste lid, sub b) voor zover het betreft het
                        uitstallen van stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard
                        (artikel 7 van de Grondwet). Artikel 13.4, lid 2, heeft als strekking dat
                        voor het aanbieden van gedrukte stukken geen vergunning kan worden geëist.
                        Dit aanbieden van gedrukte stukken wordt gezien als een zelfstandig middel
                        van verspreiding. Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een
                        standplaats gedrukte stukken worden aangeboden (artikel 13.4, lid 1, sub a).
                        Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden
                        aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen.</al><al>Artikel 13.4, lid 3, bepaalt dat het in artikel 13., lid 1, geformuleerde
                        verbod op het innemen van een standplaats behoudens een vergunning van het
                        college niet geldt ten aanzien van het innemen van een standplaats op een
                        door de gemeente ingestelde markt op basis van artikel 160, eerste lid,
                        aanhef en onder h, van de Gemeentewet of op een snuffelmarkt (zie artikel
                        13.8.). Voor de markt die door de raad is ingesteld, geldt krachtens de
                        Gemeentewet een afzonderlijk regime. Degene die op de markt een standplaats
                        wil innemen, zal zich moeten houden aan de regels die in het kader van dit
                        afzonderlijke regime zijn vastgesteld. Dit is neergelegd in de
                        Marktverordening voor de gemeente Amstelveen, die voor het innemen van een
                        standplaats een vergunning vereist. De Marktverordening regelt hoe een
                        dergelijke vergunning is te verkrijgen. Voor het innemen van een standplaats
                        op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens artikel 13.4. nodig.
                        Op het evenement is dan een afzonderlijk regime van toepassing, waarbij de
                        bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van
                        toepassing zijn.</al><al>13.4, lid 4, bepaalt dat het in artikel 13.4., lid 1, vastgestelde verbod
                        niet geldt voor zover de Wet algemene bepalingen milieubeheer, de Woningwet,
                        het Rijkswegenreglement of het in de provincie geldende Provinciaal
                        wegenreglement van toepassing is. Indien in de hogere regeling dezelfde
                        regeling geldt als het bepaalde in artikel 13.4, dan treedt deze bepaling
                        terug, omdat de bepalingen van de hogere regeling dan van toepassing
                        zijn.</al><al>Artikel 13.4., lid 5, geeft een aantal weigeringsgronden waarop een
                        vergunning die in artikel 13.4., lid 1, vereist wordt, kan worden geweigerd.
                        De weigeringsgronden zijn: openbare orde, het voorkomen of beperken van
                        overlast, de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving, de
                        verkeersvrijheid of -veiligheid, bijzondere omstandigheden in de gemeente of
                        in een deel der gemeente waardoor redelijkerwijs te verwachten is dat door
                        het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de
                        consument ter plaatse in gevaar komt, strijd met het bestemmingsplan. Aan de
                        hand van deze weigeringsgronden kan het college beleidsregels vaststellen,
                        waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het afgeven van een
                        standplaatsvergunning wordt overgegaan.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vijfde lid, onder a, Openbare orde</titel></kop><al>De weigeringsgrond omtrent de openbare orde sluit nauw aan bij de
                    weigeringsgrond inzake het beperken of voorkomen van overlast. Ook wordt deze
                    weigeringsgrond dikwijls gehanteerd in combinatie met de weigeringsgrond 'belang
                    van de verkeersvrijheid of -veiligheid'.</al><al>Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden hebben in de praktijk een
                    verkeersaantrekkend karakter. Door deze verkeersaantrekkende werking ontstaan
                    mogelijk ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers en ontoelaatbaar
                    rijwielverkeer in voetgangersgebieden. Ook parkerende en geparkeerde auto's
                    kunnen overlast in de omgeving veroorzaken. In het belang van de
                    verkeersveiligheid is het daarom niet mogelijk overal een standplaats in te
                    nemen.</al><al>Uit de jurisprudentie blijkt dat beperking van het aantal te verstrekken
                    vergunningen in het belang van de openbare orde en de verkeersveiligheid is
                    toegestaan. Dit neemt niet weg dat iedere aanvraag voor het innemen van een
                    standplaats op haar eigen merites beoordeeld dient te worden. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vijfde lid, onder b, Overlast</titel></kop><al>Bij het hanteren van de weigeringsgrond 'overlast' kan een verdeling
                    gerealiseerd worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven
                    vergunningen zodanig over de week verspreid worden, dat een concentratie van de
                    in te nemen standplaatsen wordt tegengegaan. Deze weigeringsgrond kan ook
                    gebruikt worden wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat. Een
                    aantal standplaatsen op één plek doet ook de kans op feitelijke marktvorming
                    ontstaan.</al><al>Ook is het mogelijk om specifieke standplaatsen op bepaalde locaties te weren.
                    Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bakkramen die in verband met stankoverlast
                    of brandgevaarlijkheid niet in de directe nabijheid van gebouwen gewenst zijn. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vijfde lid, onder c, Redelijke eisen van welstand</titel></kop><al>Bij de herziening van 2004 is de weigeringsgrond vervangen door ‘redelijke eisen
                    van welstand’ vanwege het streven om de terminologie in de model-APV zo
                    eenduidig mogelijk te houden. </al><al>De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden
                    ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt.
                    Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden
                    tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of
                    stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de
                    inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig
                    om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vijfde lid, onder d, Verkeersvrijheid en -veiligheid</titel></kop><al>Zie de toelichting op de weigeringsgrond, het belang van de openbare orde.</al><al><cursief>Vijfde lid, onder e</cursief>, Verzorgingsniveau</al><al>Op een tweetal manieren kan de aanvraag voor het innemen van een standplaats
                    worden geweigerd wanneer het voorzieningenniveau ter plaatse in gevaar
                    komt.</al><al>De eerste betreft de weigering door het vergunningverlenend orgaan met een
                    beroep op een distributieplanologisch onderzoek (DPO). In een dergelijk
                    onderzoek wordt aan de hand van uit onderzoek verkregen gegevens aangegeven wat
                    de minimale voorzieningen moeten zijn in de gemeente of in een bepaalde wijk van
                    de gemeente. Indien uit het onderzoek blijkt dat er voldoende verkooppunten zijn
                    hoeft dit geen weigeringsgrond voor de aanvraag voor het innemen van een
                    standplaats te betekenen. Het bepalende element om tot het niet verstrekken van
                    de vergunning over te gaan is het verzorgingsniveau voor de consument. In
                    beginsel is de concurrentiepositie van een gevestigde winkelier geen reden om
                    een standplaatsvergunning te weigeren. Op grond van een DPO kunnen wel
                    winkeliers in een nieuw opgezet winkelcentrum beschermd worden tegen
                    concurrentie door standplaatshouders. De Afdeling rechtspraak heeft aanvaard dat
                    winkeliers gedurende een bepaalde periode, waarin de aanloopkosten nog hoog
                    zijn, gevrijwaard dienen te zijn van concurrentie, in het belang van het
                    opzetten van een voldoende voorzieningenniveau voor de consument (Vz. ARRS
                    17-02-1986, AB 1987, 3).</al><al>Indien blijkt dat binnen het verzorgingsgebied in een bepaalde branche nog
                    slechts één winkel is gevestigd die door de concurrentie van een
                    standplaatshouder ten onder dreigt te gaan, kan het verzorgingsniveau ter
                    plaatse in het gedrang komen. De winkelier moet aan de hand van zijn boekhouding
                    aantonen dat de levensvatbaarheid van zijn winkel in gedrang is. Op de dagen dat
                    de standplaatshouder zijn goederen niet aanbiedt, is er in dat geval geen aanbod
                    van deze soort goederen binnen het verzorgingsgebied. In een dergelijk geval kan
                    een vergunning tot het innemen van een standplaats worden geweigerd.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vijfde lid, onder f, Bestemmingsplan</titel></kop><al>De bepalingen in de model-APV met betrekking tot het innemen van een standplaats
                    zijn gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de
                    regulerende bevoegdheid van de gemeente die zaken te regelen die tot haar
                    huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de
                    ruimtelijke ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige
                    weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een
                    vergunning voor het innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de
                    voorschriften die uit het bestemmingsplan voortvloeien.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Zesde lid Kerstbomenverkoop</titel></kop><al>Op grond van het standplaatsenbeleid konden bloemisten - standplaatshouders
                    jaarlijks een aparte objectvergunning aanvragen voor het innemen van extra
                    ruimte op straat voor de opslag t.b.v. verkoop van kerstbomen tussen 6 december
                    en 24 december. Dit was een apart traject, met eigen kosten en een eigen
                    bestuurlijke rechtsgang. In het nieuwe APV artikel omtrent objecten (artikel
                    6.1.) is opgenomen dat dit nog slechts gemeld hoeft te worden als er niet meer
                    dan 15 m² aan objecten wordt geplaatst voor de duur van maximaal 6 maanden. In
                    de regel wordt steeds ca 20 m² in gebruik genomen om kerstbomen op te slaan. Dit
                    zou dus nog steeds vergunningplichtig zijn op grond van artikel 6.1. APV. In de
                    standplaatsvergunning zou kunnen worden opgenomen dat de kerstbomenverkoop mag
                    tussen 6 en 24 december en dat daarvoor maximaal 20 m² in gebruik mag worden
                    genomen, zodat een melding op grond van artikel 6.1. APV niet meer nodig
                    is.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.5</nr></kop><al><onderstreept>Toestemming rechthebbende</onderstreept></al><al>Artikel 13.5. verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                        standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is
                        verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen degene die zonder
                        vergunning een standplaats inneemt te vervolgen, maar ook de eigenaar van de
                        grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.6</nr></kop><al><onderstreept>Aanhoudingsplicht</onderstreept></al><al>Geen toelichting</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.7</nr></kop><al><onderstreept>Inzameling van geld of goed</onderstreept></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college
                    nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels
                    collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de
                    inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd
                    wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in
                    geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te
                    doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of
                    aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                    plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor
                    een commercieel doel. </al><al>Deze bepaling ziet formeel ook op inzamelen met collectebussen die op de
                    toonbank van winkels geplaatst zijn. Meestal betreft het hier een collectebus
                    die voor langere tijd geplaatst wordt. Hoewel dit formeel vergunningsplichtig
                    is, wordt hier in de praktijk soepel mee omgegaan. Het heeft nog nooit tot
                    klachten van hetzij burgers hetzij organisaties op het collecterooster geleid. </al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) dient bij vreemdelingen die
                    willen collecteren voor een commercieel doel bij de aanvraag om een vergunning
                    een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden voordat tot vergunningverlening
                    kan worden overgegaan. </al><al>Het college houdt rekening bij de vergunningverlening voor kledinginzameling met
                    spreiding van die activiteit over het jaar. Er zal één vergunning per seizoen
                    voor dat doel worden afgegeven.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij
                    een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt
                    veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding
                    van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij
                    de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Briefkaartenacties</titel></kop><al>Bij briefkaartenacties worden briefkaarten huis-aan-huis te koop aangeboden.
                    Deze activiteit komt tot stand op initiatief van commerciële organisaties
                    waarbij de naam van een goed doel wordt gebezigd. Er wordt gebruikt gemaakt van
                    studenten bij de verkoop. Een klein deel van de opbrengst komt ten goede aan het
                    goede doel, de rest van de opbrengst aan de initiatiefnemers van de commerciële
                    instelling. Het is verwarrend dat erkende goede doelen (CBF-keur) meewerken aan
                    dergelijke acties, Het CBF dringt er bij de door haar erkende goede doelen dan
                    ook op aan om goed toezicht te houden op de verkoopactiviteiten en de informatie
                    die daarbij vertrekt wordt. Vanwege klachten over deze activiteiten die zowel
                    bij het CBF als bij de goede doelen zijn binnengekomen, is door verschillende
                    instellingen met een goed doel besloten te stoppen met deze activiteiten.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><al>De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van
                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit is
                    niet het geval. In vaste rechtspraak is een scheiding aangebracht tussen het
                    collecteren enerzijds en het daarbij aanbieden van gedrukte stukken anderzijds
                    (HR 26-05-1987, 106, Vz ARRS 16-08-1979, AB 1979, 297 en 18-10-1979, OB 180, nr.
                    41340, rubriek III.2.2.7). Ook een beroep op artikel 10 van het EVRM en artikel
                    19 van het IVBPR heeft de verbindendheid van een dergelijke bepaling niet
                    aangetast. </al><al>In het tweede lid van artikel 13.7. zijn de beide handelingen - het collecteren
                    en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar
                    gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare
                    inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of
                    verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Dit houdt dus in dat als een
                    aanvraag om een inzamelingsvergunning wordt geweigerd waarbij de aanvrager van
                    plan was om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het
                    recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan. Daarbij maakt het
                    bijzondere element '... indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk
                    wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of een
                    ideëel doel is bestemd' nog eens duidelijk, dat het gaat om een regeling van het
                    collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met gedrukte
                    stukken. Huis-aan-huisverkoop van briefkaarten e.d. waarbij te kennen wordt
                    gegeven dat dit geheel of gedeeltelijk plaatsvindt ten behoeve van het goede
                    doel is op basis van het bovenstaande dan ook een vergunningplichtige
                    activiteit. De uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2000, NJ 2000, 482 waar
                    door commerciële kaartverkooporganisaties nog wel eens naar verwezen wordt, doet
                    daar niet aan af. Bij deze kaartverkoopacties is het voornaamste doel het
                    inzamelen van geld (veelal deels ten behoeve van het goede doel).</al><al><cursief>Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of inzamelen (onder
                        gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken)</cursief></al><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                    onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Venten
                    of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, eerste
                    lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de
                    kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van
                    gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de
                    verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer
                    voor deze stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt
                    gevraagd. Denk hierbij aan de verkoop van abonnementen op kranten of
                    tijdschriften. Verkrijgt men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag
                    of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken,
                    bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een
                    duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake
                    van een collecte. De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning
                    van die actie uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte.
                    Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort, zonder vergunning gehouden
                    inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden, dat te kennen is
                    gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is
                    bestemd voor een ideëel doel. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Derde lid </titel></kop><al>In het derde lid van artikel 13.7 is een uitzondering op de vergunningplicht
                    opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden 'in besloten kring'. Voor deze
                    uitdrukking is aansluiting gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch
                    colporteren voor charitatieve doeleinden wordt verboden. De uitdrukking 'in
                    besloten kring' doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de
                    persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of
                    verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het
                    begrip 'besloten kring' veronderstelt een nauwere band dan alleen het
                    gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere
                    gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band
                    tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk
                    lidmaatschap van een grote organisatie als een vak- of een omroepvereniging.
                    Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde kerkgenootschap. Wordt de actie
                    echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door een
                    plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake
                    kunnen zijn van een besloten kring. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Het Centraal Bureau Fondsenwerving</titel></kop><al>Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de
                    inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het
                    CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse
                    gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig door het CBF
                    geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor nadere informatie. Het CBF is zo het
                    eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van
                    fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad
                    bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten
                    aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met
                    alle gemeenten en een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een
                    'collectenplan' gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF
                    jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt
                    waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een
                    week wordt toegewezen. De 'vrije' perioden zijn beschikbaar voor andere
                    instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De
                    fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle
                    gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken
                    instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen mogelijk.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Direct dialogue</titel></kop><al>Direct dialogue is een fondsenwervingmethode waarbij mensen worden aangesproken
                    en gevraagd om donateur of lid te worden van een instelling voor een goed doel
                    en waarbij een intekenlijst wordt aangeboden. Het publiek geeft een machtiging
                    af.</al><al>Tot voor kort voor was de meest voorkomende vorm van direct dialogue inzameling
                    op plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het winkelgebied of bij
                    stations. Tegenwoordig wordt deze vorm van inzamelen ook huis-aan-huis
                    toegepast. Dit maakt de vergunningverlening complexer. Duidelijk is dat voor de
                    huis-aan-huiswerving rekening gehouden dient te worden met het collecterooster.
                    De vergunning voor huis-aan-huis direct dialogue kan dan ook alleen verleend
                    worden voor de vrije perioden, waarin ook ruimte dient te zijn voor lokale
                    instellingen.</al><al>Organisaties die gebruik maken van direct dialogue, willen graag meerdere malen
                    per jaar, gedurende enkele dagen leden werven. Een systeem van
                    vergunningverlening zoals aan de huis-aan-huiscollecten ten grondslag ligt (één
                    keer per jaar één week) voldoet niet aan deze behoefte. Duidelijk is ook dat er
                    een verschil is tussen huis-aan-huis collecteren en inzamelingen op straat. Een
                    groot aantal huis-aan-huiscollecten geeft eerder dan een groot aantal
                    straatcollecten aanleiding tot afkeer en wrevel onder de bevolking (AR
                    02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3). </al><al>Niet elke gemeente heeft te maken met direct dialogue-activiteiten, maar
                    gemeenten die regelmatig aanvragen krijgen kunnen overwegen om beleidsregels
                    vast te stellen. De gemeente kan aangeven hoeveel instellingen op een zelfde dag
                    een inzamelingsvergunning krijgen voor straatwerving, waarbij ook gekeken kan
                    worden naar het aantal wervers dat per instelling ingezet mag worden. Ook kan de
                    gemeente bepalen op welke plaatsen gebruik kan worden gemaakt van de vergunning.
                    Afgewogen dient te worden welke plekken het meest wenselijk zijn vanuit de
                    belangen van de wervende instelling en welke plekken geschikt zijn in het kader
                    van verkeersveiligheid, openbare orde en overlast.</al><al>Er bestaat een Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct Dialogue
                    Donateurswervers Nederland. In deze gedragscode zijn regels opgenomen voor het
                    werven van leden en donateurs door middel van persoonlijke gesprekken. Enkele
                    van die regels zijn: de dienstverleners en hun medewerkers zullen zich aan
                    landelijke en lokale regelgeving houden (o.a. de APV), geen gebruik maken van
                    een intimiderende of agressieve werkwijze, de wervers hebben altijd een
                    identificatie bij zich en zijn goed getraind en geïnformeerd. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Direct dialogue in relatie tot venten</titel></kop><al>Het komt de laatste tijd regelmatig voor dat gemeenten benaderd worden door
                    marketing- en salesorganisaties die een vergunning aanvragen om huis-aan-huis
                    klanten te werven voor hun opdrachtgevers. Een opdrachtgever kan een
                    charitatieve instelling zijn waarvoor leden worden geworven door middel van een
                    intekenlijst, maar ook een bedrijf dat producten verkoopt. Bijvoorbeeld een
                    energie- of telefonieleverancier werft huis-aan-huis klanten waarbij aan de deur
                    een contract wordt ondertekend.</al><al>De vergunningen die mogelijk op deze activiteiten van toepassing zijn, zijn de
                    inzamelingsvergunning (art 13.7. APV) en de ventvergunning (art. 13.2. APV). Wat
                    betreft de inzamelingsvergunning is het verwarrend dat het niet het charitatieve
                    doel zelf is dat de vergunning aanvraagt, maar de commerciële organisatie in
                    opdracht van een goed doel. Voor de hand ligt dat aan deze instelling bij het
                    verlenen van de inzamelingsvergunning dezelfde voorwaarden worden opgelegd als
                    aan een charitatieve instelling, dus ook het terugkoppelen van wat ingezameld is
                    (hoeveel machtigingen en voor welk bedrag). </al><al>Bij venten ziet de vergunningplicht zowel op het aanbieden van goederen als het
                    aanbieden van diensten. Het werven van klanten voor energieleveranciers valt
                    onder het aanbieden van diensten. Doel is immers om via deze methode een
                    contract af te sluiten voor de levering van een dienst. Een andere vorm van
                    venten is het op straat of huis-aan-huis verkopen van producten als een hotelbon
                    of bon voor vakantiepark.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Gemeentelijk beleid met betrekking tot de verlening van de
                        inzamelingsvergunningen</titel></kop><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van inzamelingsvergunningen heeft
                    twee uitgangspunten: de inzameling geschiedt door bonafide te achten
                    instellingen en in het kader van overlast wordt het aantal collecten beperkt en
                    gelijkmatig over het jaar verdeeld. Desgewenst wordt een onderscheid gemaakt
                    tussen inzamelingen huis-aan-huis en op straat.</al><al>De collecten van landelijke instellingen, voorkomende op het collecterooster
                    krijgen een doorlopende vergunning. De gemeente volgt hierbij het CBF en de
                    Stichting Collecteplan. Instellingen die niet op dit collecterooster voorkomen
                    en een vergunning vragen voor een vrije periode of voor werving op straat dienen
                    door de gemeente beoordeeld te worden. Bij de beoordeling van de aanvragen
                    worden in de praktijk onder meer de volgende criteria gehanteerd (indien van
                    toepassing): </al><al>· de instelling moet als bonafide zijn aan te merken (advies inwinnen bij CBF); </al><al>· de instelling moet specifiek plaatselijke kenmerken bezitten; en/of </al><al>· de voorgenomen actie is geen duplicering van andere al 'gevestigde'
                    inzamelingen ten bate van een identiek doel, met name dat van instellingen
                    vermeld op het collecteplan; en/of </al><al>· de opbrengst van de voorgenomen collecte moet worden besteed ten behoeve van
                    personen of instellingen buiten de kring van collecterende instellingen; en/of </al><al>· de aanvragende instelling mag geen (controversiële) politieke doeleinden
                    nastreven;</al><al>· controle van de begroting op besteding van de gelden;</al><al>· tellen onder toezicht van een notaris;</al><al>· betalingsbewijs achteraf (dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt aan
                    doel);</al><al>· gesloten bus, legitimatie inzamelaars etc;</al><al>· onderschrijven Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct
                    Dialogue Donateurswervers Nederland.</al><al>Een inzameling is openbaar als deze aan de openbare weg of van daaraf zichtbaar
                    dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats plaatsvindt. HR
                    31-10-1938, NJ 1939, 235.</al><al>Het te koop aanbieden van bonnetjes op zich zelf en zonder dat is aangegeven tot
                    welk doel de opbrengst van de verkoop strekt, is nog niet aan te merken als het
                    houden van een openbare inzameling. HR 07-11-1932, W. 1933, 12584.</al><al>Het zich tot verschillende personen wenden om een geldelijke bijdrage, levert
                    het houden van een inzameling van geld op, ook indien op die verzoeken slechts
                    één gift is ontvangen. HR 21-03-1927, NJ 1927.</al><al>De collectevergunning geldt voor liefdadige én commerciële inzamelingen.
                    Daarnaast rechtvaardigt de ABRS het door de gemeente gelegde verband tussen
                    inzamelingsvergunningen voor textiel en het afvalstoffenbeleid, JG 00.0187
                    .</al><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al>Men kan twee soorten vergunningen onderscheiden. De eenmalige vergunning en de
                    vergunning voor onbepaalde tijd, ook wel de doorlopende vergunning genoemd die
                    uitsluitend bestemd is voor de instellingen die voorkomen op het
                    collecterooster.</al><al>De collectevoorwaarden verbonden aan beide vergunningen kunnen grotendeels
                    gelijk zijn.</al><al>De doorlopende vergunning geldt voor de zogenoemde Collecteplaninstellingen, de
                    instellingen die zich hebben aangesloten bij Stichting Collecteplan, omdat deze
                    gebonden zijn aan de voorwaarden van het zogenoemde collecterooster.</al><al>Uit jurisprudentie blijkt dat gemeentebesturen in beginsel gebonden zijn aan het
                    collecteplan. Zij hebben amper de vrijheid hiervan af te wijken bij het verlenen
                    van vergunningen. Het verlenen van een doorlopende vergunning voor collecten die
                    in overeenstemming zijn met het collecteplan, maakt deel uit van de verbetering
                    van de dienstverlening door gemeenten aan burgers en het bedrijfsleven. De
                    inzamelende instelling is gebaat bij het niet jaarlijks aanvragen van de
                    vergunning. De werkdruk wordt voor zowel de inzamelende instelling als de
                    gemeente enigszins verminderd. Wel is een meldingsplicht vereist en blijft de
                    gemeente bijhouden of er in een bepaalde periode gecollecteerd wordt of niet. De
                    gemeente dient een instelling die zich niet meldt te benaderen, om te weten te
                    komen of deze van de aan hem toebedeelde collecteperiode al dan niet gebruik
                    maakt. Dan kunnen ook de burgers (en doorgaans ook de politie in het kader van
                    de handhaving) worden geïnformeerd over welke instelling die periode
                    collecteert.</al><al>Het is niet zo dat de gemeente kan bepalen dat instellingen die voorkomen op het
                    collecterooster geen vergunning meer nodig hebben. Het CBF en het
                    collecterooster ontlenen hun kracht voor een groot deel aan de vergunningen van
                    de gemeenten doordat zij zich aansluiten bij het rooster. Het CBF is geen
                    bestuursorgaan dat vergunning kan verlenen. Daarnaast collecteren de landelijke
                    instellingen in de hun toegewezen periode niet in alle gemeenten. Het college
                    zal, bij instellingen welke twee jaar achtereen geen gebruik maken van de
                    doorlopende vergunning, deze intrekken, zodat de vrije periode in deze gemeente
                    verruimd wordt.</al><al></al><al>Toelichting op de voorwaarden</al><al>Instellingen met een doorlopende vergunning zijn verplicht om drie maanden van
                    te voren te melden of ze al dan niet gebruik maken van de vergunning. Het
                    college neemt kennis van deze mededeling en beantwoordt dat met een
                    schriftelijke bevestiging. Het is praktisch om in deze bevestiging de op dat
                    moment geldende voorschriften die aan de inzamelingsvergunning zijn verbonden op
                    te nemen als service aan de inzamelende organisatie, zodat deze herinnerd wordt
                    aan de vergunningvoorwaarden.</al><al>De gemeente reguleert het inzamelen op basis van de openbare orde en veiligheid.
                    Overlast voor de burger dient voorkomen te worden en deze dient beschermd te
                    worden tegen niet-bonafide instellingen. Het vergunningstelsel zorgt er voor dat
                    de burger geen overlast ondervindt door een veelvoud van collecten aan de deur
                    in een korte periode. De aan de vergunning verbonden voorwaarden zorgen ervoor
                    dat andere denkbare vormen van overlast voorkomen worden (geen inzameling op
                    zondag, of ‘s-avonds laat, politie kan aanwijzingen geven enz.).</al><al>Enkele voorwaarden zien op de betrouwbaarheid van de inzamelende instantie
                    (afgesloten bus, gewaarmerkt legitimatiebewijs inzamelaar, verantwoording
                    afleggen over het opgehaalde bedrag).</al><al>De intrekkinggronden voor de vergunning zijn gekoppeld aan de voorwaarden
                    waaronder een vergunning wordt afgegeven. Het voorkomen op het collecterooster
                    ligt voor de hand, het gebruiken van de vergunning komt voort uit de belangen
                    van andere organisaties, niet voortkomend op het rooster, om de mogelijkheid te
                    hebben een (gewone) inzamelingsvergunning aan te vragen.</al><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 14</label></kop><tussenkop><onderstreept>STRAF-, OVERGANGS- EN
                        SLOTBEPALINGEN</onderstreept></tussenkop><tussenkop>Handhaving algemeen</tussenkop><al>Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving door anderen
                        van rechtsregels te bevorderen. De belangrijkste redenen voor een goede
                        handhaving zijn in het kort:</al><al>Door een goede handhaving zal de overheid uiteindelijk in steeds grotere
                        mate het door haar beoogde doel bereiken. Door handhaving kan de
                        achteruitgang van de kwaliteit van de samenleving worden tegengegaan.</al><al>De rechtszekerheid en de gelijke behandeling van burgers dienen te worden
                        gewaarborgd. Dit kan door een goed handhavingsbeleid te voeren. De relatie
                        van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid met handhaving wordt verder
                        uitgediept.</al><al>De geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en integriteit van bestuurders zullen
                        het ambtelijk en maatschappelijk draagvlak vergroten.</al><al>Handhaving kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn. </al><al>Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een opsomming van
                        de aan het bestuursorgaan toekomende dwangmiddelen en de regels die bij de
                        toepassing van de dwangmiddelen in acht genomen moeten worden. Hierna worden
                        deze dwangmiddelen en regels toegelicht. Ook is er een korte introductie tot
                        de strafrechtelijke handhaving opgenomen.</al><tussenkop>Toezicht</tussenkop><al>In veel wetten worden, ter handhaving van de regelgeving, aan bepaalde
                        ambtenaren toezichtbevoegdheden toegekend. Zij mogen plaatsen betreden,
                        inlichtingen en inzage van stukken vorderen, monsters nemen en
                        vervoermiddelen zoeken. Dit handhavingstoezicht, ook wel controle genoemd,
                        wordt beheerst door het bestuursrecht. De algemene regels zijn opgenomen in
                        afdeling 5.2 van de Awb. In bijzondere wetten kunnen echter beperkingen
                        worden aangebracht op de in de algemene regels gegeven bevoegdheden
                        (bijvoorbeeld: artikel 45, derde lid van de Wet wapens en munitie in
                        vergelijking met artikel 5:18 van de Awb.</al><al>Toezicht vindt plaats in een stadium waarin (nog) geen sprake is van een
                        redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. In het strafrecht
                        ligt dit anders. Om tot opsporing te komen moet er in beginsel wel sprake
                        zijn van een vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. Bepaalde
                        opsporingsbevoegdheden vereisen zelfs een ontdekking op heterdaad.</al><al>Om goed toezicht uit te kunnen oefenen moet een toezichthouder beschikken
                        over de nodige bevoegdheden. Voor het uitoefenen van toezicht is vaak
                        medewerking benodigd van de toezicht gestelde. In artikel 5:20, eerste lid,
                        van de Awb is de verplichting van eenieder opgenomen om aan een
                        toezichthouder alle medewerking te verlenen die hij redelijkerwijs kan
                        vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Uiteraard zijn er
                        uitzonderingen op de medewerkingsplicht. In het tweede lid van artikel 5:20
                        is opgenomen dat geheimhouders, zoals de arts en de advocaat, niet hoeven
                        mee te werken. Maar ook de verdachte hoeft niet mee te werken. Volgens de
                        regering geldt de plicht namelijk niet na het moment waarop de overheid
                        jegens de betrokkene een handeling heeft verricht waaraan deze in
                        redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat tegen hem
                        strafvervolging wordt ingesteld. "Vanaf dat moment is er sprake van
                        "criminal charge" in de zin van artikel 6 Europees Verdrag van de Rechten
                        van de Mens en kan de betrokkene een beroep doen op het zwijgrecht."</al><al>Het bovenstaande kan in de praktijk voor verwarring zorgen. Het komt voor
                        dat er toezichthouders zijn met opsporingsbevoegdheden. Degene die onder
                        toezicht staat moet dus goed weten welke 'pet' de ambtenaar opheeft. In het
                        geval van toezicht moet een ieder meewerken. Zodra er echter sprake is van
                        opsporing, kan er een beroep op zwijgrecht worden gedaan. Iemand kan immers
                        niet worden verplicht om aan zijn eigen veroordeling mee te werken.</al><al>Toezichthouders worden meestal belast met het toezicht op de naleving van de
                        voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de wet of verordening op
                        grond waarvan zij als toezichthouder zijn aangewezen. Zo worden in artikel
                        100 Woningwet de ambtenaren bouw- en woningtoezicht aangewezen als
                        toezichthouders op het gebied van de Woningwet. Met deze aanwijzing moeten
                        zij niet alleen toezicht houden op de naleving van de bepalingen in de
                        Woningwet zelf, maar ook op de naleving van hetgeen krachtens wettelijk
                        voorschrift anderszins is bepaald. Te denken valt hierbij aan de
                        voorschriften bij een bouwvergunning. </al><tussenkop>Strafrechtelijke handhaving</tussenkop><al>Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze
                        genormeerd. In artikel 1:6 van de Awb is bepaald dat de Awb niet van
                        toepassing is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten noch op de
                        tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het handelen van
                        strafrechtelijke organen wordt genormeerd door de regels van het Wetboek van
                        Strafrecht en door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende
                        materiële normen zijn verwoord en waarin soms ook van de algemene
                        strafvordering afwijkende strafprocessuele bevoegdheden zijn opgenomen, en
                        het Wetboek van Strafvordering, dat algemene regels van strafprocesrecht
                        bevat, bevoegdheden in het leven roept en de grenzen van de bevoegdheden
                        bepaalt.</al><al>Op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak te
                        zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen
                        van hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van deze algemene politietaak,
                        alsmede op grond van de last die in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek
                        van Strafvordering aan de aldaar genoemde ambtenaren wordt gegeven om
                        strafbare feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren onderzoek doen.
                        Een opsomming van de daarbij te hanteren methoden ontbreekt. Algemene
                        opsporingsmethoden zijn niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Er
                        zijn wel bijzondere opsporingsbevoegdheden geregeld. Dit zijn observatie,
                        infiltratie, de pseudo-koop of pseudo-dienstverlening, het stelselmatig
                        inwinnen van informatie, het onderzoek doen in een besloten plaats zonder
                        toestemming van de rechthebbende, het opnemen van vertrouwelijke
                        communicatie, het onderzoek van telecommunicatie en het stelselmatig volgen
                        of waarnemen.</al><al>Opsporingsambtenaren kunnen, naast dat zij bevoegd zijn
                        opsporingshandelingen te verrichten, ook bevoegd zijn tot het uitoefenen van
                        controlebevoegdheden die in bijzondere wetten worden toegekend. Op grond van
                        artikel 160 Wegenverkeerswet bijvoorbeeld kan een ambtenaar de bestuurder
                        van een voertuig vorderen zijn voertuig te doen stilhouden, terwijl het
                        vijfde lid van het artikel bepaalt dat de bestuurder op eerste vordering van
                        de opsporingsambtenaar verplicht is medewerking te verlenen aan een
                        ademonderzoek. Als een bevoegde ambtenaar van deze bevoegdheid gebruikmaakt
                        en de ademtest wijst een te hoog alcoholpromillage uit, dan is er een
                        verdenking ontstaan en gaat controle over in opsporing.</al><al>In het bestuursrecht worden de sancties opgelegd door een bestuursorgaan. De
                        rechter speelt in het bestuursrecht pas een rol indien een belanghebbende,
                        na bezwaar of administratief beroep, beroep instelt bij de rechter. De
                        rechter speelt in het strafrecht een centrale rol. Sancties in het
                        strafrecht worden opgelegd door de rechter. </al><tussenkop>Bestuursdwang, dwangsom en gedogen</tussenkop><al>De Gemeentewet kent in artikel 125 aan het gemeentebestuur een algemene
                        bevoegdheid toe tot het uitoefenen van bestuursdwang. </al><al>In artikel 5:21 van de Awb is bestuursdwang als volgt gedefinieerd: het door
                        feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen
                        in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde
                        verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.</al><al>Het feitelijk handelen omvat onder meer: het doen wegnemen, ontruimen,
                        beletten, in de vorige toestand herstellen of het treffen van maatregelen om
                        verdere nadelige gevolgen van een overtreding te voorkomen.</al><al>Het uitoefenen van bestuursdwang is dus zuiver gericht op het feitelijk in
                        overeenstemming brengen met de bestuursrechtelijke voorschriften van een
                        onwettige situatie. Dit heeft dus een herstellende werking en heet daarom
                        'reparatoire sanctie'.</al><al>Onder overtreding van een voorschrift wordt ook verstaan het niet nakomen
                        van voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, zoals bijvoorbeeld
                        geluidsvoorschriften bij een milieuvergunning.</al><al>In artikel 5:32 van de Awb is aangegeven dat een bestuursorgaan dat bevoegd
                        is om bestuursdwang toe te passen, ook bevoegd is om een dwangsom op te
                        leggen. Het opleggen van een dwangsom is een middel om de overtreder door
                        het opleggen van een last om te betalen, te bewegen de overtreding te
                        beëindigen. Bijna vanzelfsprekend hoort hier de vraag bij welk instrument
                        het geschiktst is om aan de geconstateerde overtreding een einde te maken.
                        Deze vraag zal steeds beantwoord moeten worden aan de hand van feiten, de
                        omstandigheden en de belangen die aan de orde zijn. De wet laat zich hier
                        niet over uit. Wel is in artikel 5:36 van de Awb opgenomen dat een dwangsom
                        niet mag worden opgelegd zolang een reeds genomen beslissing tot toepassing
                        van bestuursdwang niet is ingetrokken. Met andere woorden: een combinatie
                        van bestuursdwang met last dwangsom is niet mogelijk. </al><al>De eerste stap in een handhavingscyclus zal zijn dat een overtreding
                        plaatsvindt dan wel gaat plaatsvinden. Dat betekent dat er een onderzoek
                        moet worden gedaan. Met behulp van de toezichtsbevoegdheden wordt de
                        situatie onderzocht. Hiervan zal de ambtenaar een rapport van bevindingen
                        moeten opmaken. Het is belangrijk dat een dergelijk rapport van foto's of
                        ander bewijsmateriaal wordt voorzien. Bij de voorbereiding van een besluit
                        moet immers worden voldaan aan het zorgvuldigheidsbeginsel.</al><al>Het kan een keuze zijn van het bestuursorgaan om niet over te gaan tot
                        handhaven. De met de wet strijdige situatie wordt dan gedoogd. Is een
                        bestuursorgaan op de hoogte van de overtreding, maar wordt er geen actie
                        nomen, dan is er sprake van passief gedogen. Het toepassen van bestuursdwang
                        is een bevoegdheid, geen absolute verplichting. Een gemeente heeft dus de
                        mogelijkheid om het belang van de handhaving door middel van bestuursdwang
                        af te wegen tegen andere belangen, zoals de mogelijkheid om een andere
                        bestuursrechtelijke sanctie in te zetten of over te gaan tot het gedogen.
                        Deze vrijheid is echter betrekkelijk. Uit jurisprudentie blijkt dat er een
                        beginselplicht tot handhaving bestaat. Bijvoorbeeld: ABRS 22 maart 2001,
                        BR2001/778, Dwangsom Camping Nunspeet . Enkel in geval van bijzondere
                        omstandigheden kan van handhavend optreden worden afgezien. Het is goed dit
                        te beseffen. Indien er namelijk een veelheid aan regelgeving binnen een
                        gemeente bestaat, en de gemeente wordt op handhaving van die regels
                        aangesproken, is zij in beginsel dus verplicht hier gevolg aan te geven. De
                        handhaafbaarheid speelt dus een grote rol bij het opstellen van regels.</al><tussenkop>Bestuurlijk instrumentarium gemeenten</tussenkop><al>Gemeenten hebben in het kader van toezicht en handhaving reeds een aantal
                        bestuursrechtelijke instrumenten ter beschikking. Voor de
                        bestuursrechtelijke instrumenten waarover gemeenten beschikken geldt een
                        scheiding in sancties die erop zijn gericht de ontstane situatie in de
                        gewenste situatie te herstellen (herstelsancties) en sancties die primair
                        zijn bedoeld om bestraffend op te treden (punitieve sancties). Bij de
                        herstelsancties gaat het om bestuursdwang.en dwangsom. Deze sancties kunnen
                        alleen worden ingezet in situaties waarin herstel daadwerkelijk mogelijk is,
                        zoals het terugbrengen van een bouwwerk in de oorspronkelijke staat. Het
                        intrekken van een begunstigend besluit (vergunning, ontheffing, subsidie) is
                        een voorbeeld van de tweede categorie. De meeste normen die
                        verloederingsfeiten en onveiligheidsgevoelens van burgers moeten tegengaan
                        lenen zich niet voor handhaving via dwangsom of bestuursdwang. Of het
                        herstel is feitelijk niet mogelijk (denk aan geluidsoverlast), óf het
                        herstel zélf, dan wel de controle daarop, leveren problemen op (denk aan een
                        last onder dwangsom tot het niet meer voortijdig plaatsen van vuilniszakken
                        op straat, die wekelijks gecontroleerd zou moeten worden). </al><al>In mei 2004 heeft de VNG het concept wetsvoorstel bestuurlijke boete kleine
                        ergernissen ontvangen van de ministers van BZK en Justitie met het verzoek
                        hierop te reageren. In het concept wetsvoorstel wordt een stelsel
                        voorgesteld waarin het mogelijk wordt gemaakt dat het gemeentebestuur
                        desgewenst bevoegd wordt tot het opleggen van een bestuurlijke boete in
                        reactie op overtreding van specifieke bij of krachtens formele wet als
                        beboetbare feiten aangewezen APV-normen. Er is dus sprake van een keuze
                        tussen invoering en geen invoering van de bestuurlijke boete. </al><al>Heeft een gemeente de bestuurlijke boete ingevoerd dan kan zij te allen
                        tijde besluiten de bestuurlijke boete weer af te schaffen. Een besluit van
                        de raad tot intrekking van het besluit tot invoering van de bestuurlijke
                        boete treedt echter niet eerder in werking dan na negen maanden na de
                        bekendmaking van het intrekkingsbesluit. Bij het opstellen van de
                        feitenlijst die onder de reikwijdte van de bestuurlijke boete worden
                        gebracht is vooralsnog de model-APV van de VNG als uitgangspunt genomen.
                        Verkeersdelicten, met uitzondering van fout-parkeren, zullen volgens dit
                        voorstel niet onder de bestuurlijke handhaving worden gebracht. Zoals gezegd
                        wordt de lijst met beboetbare feiten door de formele wetgever vastgesteld
                        (bij algemene maatregel van bestuur). Gemeenten kunnen de lijst dus niet
                        aanpassen aan de lokale situatie. </al><al>De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt uitgeoefend
                        door het college. Deze bevoegdheid wordt evenwel uitgeoefend door de
                        burgemeester, indien de toepassing van dit middel dient tot handhaving van
                        regels welke hij uitvoert. </al><al>Tegen de boete-oplegging staat de rechtsgang van de Algemene wet
                        bestuursrecht open. De boete dient door een bestuurlijk toezichthouder in
                        dienst van de gemeente, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, te
                        worden opgelegd. Mandateren van deze bevoegdheid aan particuliere
                        toezichthouders is niet toegestaan. De opbrengsten van de boeten komen toe
                        aan de gemeenten. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de incasso en de
                        registratie van opgelegde boeten (daarbij kunnen ze eventueel externen,
                        zoals bijvoorbeeld het Centraal Justitieel Incassobureau, inschakelen). </al><al>In de Memorie van Toelichting bij het concept wetsvoorstel wordt inzicht
                        gegeven in de financiële implicaties van de introductie van het
                        handhavingsinstrument. De cijfers die hierin worden genoemd geven aan dat
                        tegenover iedere euro aan opbrengsten er 2,5 euro aan investeringen staat. </al><al>Voor wat betreft de verkeershandhaving is er een wetsvoorstel in
                        voorbereiding voor het introduceren van de bestuurlijke boete voor fout
                        parkeren en stilstaan. Hierin wordt aan gemeenten de bevoegdheid toegekend
                        om een bestuurlijke boete op te leggen voor ‘fout parkeren’ en ‘stilstaan’.
                        Deze twee overtredingen, die thans in de Wet administratiefrechtelijke
                        handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), oftewel de Wet Mulder, zijn
                        opgenomen, kunnen worden gekenschetst als zogenaamde neutrale
                        ordeningsfeiten. Voor de lokale overheden betekent de bevoegdheid bij deze
                        feiten in punitieve zin op te treden evenwel een belangrijk instrument voor
                        de handhaving van het eigen parkeerbeleid. </al><al>Dit sluit aan bij de brief die op 15 november 2001 door de ministers van BZK
                        , Justitie en V&amp;W aan de Tweede Kamer is gezonden. Hierin is
                        geconcludeerd dat een bestuurlijke boete voor verkeersovertredingen die
                        wordt opgelegd door het lokale bestuur, beperkt dient te blijven tot
                        normatief neutrale ordeningsfeiten. Ernstige verkeersfeiten (waaronder
                        snelheidsovertredingen) dienen daarom te worden uitgesloten. Deze conclusie
                        komt overeen met het standpunt Handhaven op Niveau, waarin het kabinet heeft
                        aangegeven dat invoering van de bestuurlijke boete aan de rand van de harde
                        kern van het strafrecht onder omstandigheden een gewenste aanvulling kan
                        zijn op de handhavingbevoegdheden. Op basis hiervan heeft het kabinet
                        geconcludeerd dat de invoering van een door het lokale bestuur op te leggen
                        bestuurlijke boete gewenst is voor een tweetal verkeersovertredingen te
                        weten: ‘fout parkeren’ en ‘stilstaan’. </al><al>Ten aanzien van de overige verkeersfeiten wijst de regering er op dat
                        hiervoor reeds een uiterst effectief functionerend systeem van bestuurlijke
                        handhaving is neergelegd in de Wet Mulder. In tegenstelling tot parkeren,
                        dat vaak al door gemeentelijke buitengewoon opsporingsambtenaren wordt
                        gehandhaafd, verwacht het kabinet geen verbetering van de handhaving van de
                        overige verkeersfeiten als die worden overgebracht naar het lokale niveau.
                        Uitgangspunt van dit systeem is dat de verkeershandhaving eenduidig
                        herkenbaar is voor de weggebruikers. Indien per gemeente verschillende
                        prioriteiten worden gehanteerd, vermindert de effectiviteit van de
                        handhavende overheid. Politie en OM kunnen de benodigde eenduidigheid
                        bevorderen. Versnippering van de handhaving over de gemeentebesturen
                        betekent dat deskundigheid verloren gaat en duur moet worden binnengehaald.
                        Het risico is groot dat dit ten koste gaat van de handhaving van de lastig
                        handhaafbare normen. Politie en Justitie zullen hun invloed op de
                        prioritering van de te handhaven normen moeten inleveren. Bovendien zullen
                        gemeenten bij de verwerking van de boeten geen gebruik kunnen maken van de
                        schaalvoordelen die gelden indien deze verkeersfeiten landelijk uniform
                        worden afgedaan. De doelmatigheid van de verkeershandhaving zal dan verloren
                        gaan. De politie moet actief blijven op de weg, zowel met het oog op
                        verkeersveiligheid als met het oog op andere politietaken. Voor effectieve
                        en efficiënte handhaving rond ernstige verkeersmisdrijven als grove
                        snelheidsovertredingen en agressief rijgedrag is een speciaal toegeruste en
                        niet aan een bepaald gemeentelijk territoir gevonden handhavingorganisatie
                        onontbeerlijk.</al><al>In gemeenten waar gekozen wordt voor invoering van de bestuurlijke boete
                        krijgt het gemeentebestuur voor wat betreft de aanpak van de kleine
                        ergernissen het primaat bij de handhaving in de publieke ruimte en neemt de
                        rol van de politie hierbij af. Daarbij zal de lijn zijn dat waar gekozen is
                        voor bestuurlijke beboeting, de politie niet meer stelselmatig aandacht
                        besteedt aan kleine ergernissen en het bestuur een 24-uurs beschikbaarheid
                        van de bestuurlijke toezichthouders waarborgt. De politie blijft wel bevoegd
                        om, waar nodig, strafrechtelijk op te treden tegen de overtreding van de
                        APV-normen. Veel overtredingen in het publieke domein worden gepleegd door
                        daders van wie de identiteit niet bekend is. Om een voorziening te treffen
                        voor deze zogenaamde “anonieme daderproblematiek” wordt gekozen voor
                        aansluiting bij het wetsvoorstel Wet op de uitgebreide identificatieplicht:
                        toezichthouders in het publiek domein krijgen de bevoegdheid de
                        identificatie van de betrokkene te vorderen. De eis dat de toezichthouder
                        tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, complementeert het geheel aan
                        bevoegdheden om de bestuurlijke boete te effectueren. Mocht niet voldaan
                        worden aan het verzoek van de toezichthouder om inzage te verlenen in het
                        identiteitsbewijs, dan kan de toezichthouder optreden als buitengewoon
                        opsporingsambtenaar en hiervan een proces-verbaal opmaken.</al><tussenkop>Artikel 14.1</tussenkop><tussenkop>Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op
                        overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet
                        zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete
                        van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke
                        uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de
                        maxima van de zes boetecategorieën opgenomen. Het maximum van een boete van
                        de eerste categorie bedraagt euro 225 en van de tweede categorie euro 2250.
                        Het is overigens uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat van de
                        straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de
                        gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van
                        artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Het
                        algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt euro 2 (artikel 23,
                        tweede lid, WvSr).</al><tussenkop>Strafbaarheid rechtspersonen</tussenkop><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder
                        de werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                        rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het
                        bedrag van de naasthogere categorie 'indien de voor het feit bepaalde
                        boetecategorie geen passende bestraffing toelaat' (artikel 23, zevende en
                        achtste lid WvSr). Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een
                        rechtspersoon de rechter de mogelijkheid heeft een boete van de derde
                        categorie op te leggen (euro 4500 ).</al><al><cursief>Uitgangspunten bij een keuze tussen de tweede en de eerste
                            geldboetecategorie</cursief>.</al><al>Het is niet goed mogelijk om algemene criteria te geven voor de vraag of een
                        overtreding van een gemeentelijke verordening bedreigd moet worden met een
                        boete van de eerste (lichte overtredingen) dan wel de tweede categorie. De
                        opvatting van de gemeenteraad over de ernst van bepaalde overtredingen is
                        hiervoor maatgevend. Wel kunnen enkele algemene uitgangspunten worden
                        genoemd:</al><al>De hoogte van een op te leggen boete zal in overeenstemming moeten zijn met
                        de aard van de overtreding. Gezien de aard van de bepalingen van de APV kan
                        als algemene lijn worden gehanteerd dat op overtredingen een straf van de
                        tweede categorie wordt gesteld. Op de overtredingen die de gemeenteraad
                        minder ernstig acht, kan een boete van de eerste categorie worden gesteld.
                        Overigens dient er bij de vaststelling van de strafhoogte rekening te worden
                        gehouden met het feit dat ook de lichtere delicten soms onder zodanige
                        omstandigheden kunnen worden gepleegd, dat zij een zwaardere bestraffing
                        verdienen. Het komt nog wel eens voor dat de rechter er behoefte aan heeft,
                        voor bijvoorbeeld bepaalde baldadigheidsdelicten - waarop in het algemeen
                        een zware straf niet past - met het oog op de algemene preventie, een
                        zwaardere straf op te leggen. Desondanks blijft het gewenst om na te gaan
                        welke overtredingen in de eigen gemeentelijke verordeningen in aanmerking
                        komen voor onderbrenging in de eerste categorie. </al><al>Op milieuovertredingen, met name overtredingen die ook door rechtspersonen
                        kunnen worden gepleegd, wordt veelal een boete van tweede categorie gesteld. </al><al>Indien aanvullend wordt opgetreden ten opzichte van provinciale
                        verordeningen, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat de gemeenteraad
                        kiest voor een geldboete van de eerste categorie indien de provinciale
                        regelgever daar ook voor heeft gekozen. </al><al>Een voorbeeld. In een provinciale landschapsverordening is het verboden om
                        zonder vergunning buiten de bebouwde kom op of aan onroerend goed
                        commerciële reclames aan te brengen of te hebben. In een APV is, uit hoofde
                        van hetzelfde motief, eenzelfde verbod opgenomen voor het gebied binnen de
                        bebouwde kom. Zou nu overtreding van het provinciale voorschrift worden
                        bedreigd met een geldboete volgens de eerste categorie, terwijl op
                        overtreding van het gemeentelijk voorschrift een geldboete is gesteld
                        volgens de tweede categorie, dan zouden voor identieke gedragingen
                        verschillende maximumstraffen gelden (euro 225 buiten de bebouwde kom; euro
                        2250 binnen de bebouwde kom). Overigens staat het de gemeenteraad vrij om in
                        dit soort gevallen toch te kiezen voor de tweede categorie. </al><al>Indien de gemeenteraad aanvullend optreedt ten opzichte van een
                        rijksregeling, kan net als bij de provincie als uitgangspunt worden genomen
                        dat het Rijk wordt gevolgd bij de keuze van de boetecategorie. Zo zijn in
                        elke APV wel bepalingen opgenomen die een aanvulling zijn op overtredingen
                        waar Boek III WvSr een boete van eerste categorie op stelt. Het betreft
                        veelal artikelen die beogen overlast en baldadigheid tegen te gaan. </al><tussenkop>Hechtenis?</tussenkop><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling hechtenis
                        wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog
                        meer terug te dringen 'ten gunste' van de geldboete. Toch is in het eerste
                        lid van dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij
                        voorbaat kan worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzonderings)gevallen
                        (bijvoorbeeld in het geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de
                        mogelijkheid tot oplegging van een vrijheidsstraf.</al><al>Op overtreding van de in het tweede lid van dit artikel genoemde - in de
                        eerste geldboetecategorie ingedeelde - bepalingen, is echter geen hechtenis
                        gesteld, omdat het hier lichte overtredingen betreft.</al><tussenkop>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                        vergunningsvoorschriften</tussenkop><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt
                        in dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het
                        college de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de
                        overtreding hiervan levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de
                        overtreding van krachtens artikel 1.4 van de model-APV gegeven beperkingen
                        en voorschriften bij een vergunning of een ontheffing. </al><al>Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 1.4, tweede lid, op.
                        Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens de APV een
                        vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden
                        voorschriften en beperkingen na te komen.</al><tussenkop>Artikel 14.2</tussenkop><tussenkop>Toezichthouders</tussenkop><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                        modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr).
                        De basis voor deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In
                        dit hoofdstuk zijn algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke
                        handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                        voorschriften. De aanwijzing als toezichthouder in de APV is de grondslag
                        voor het hebben van opsporingsbevoegdheid. </al><tussenkop>Aanwijzen toezichthouders</tussenkop><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift
                        belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                        of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De aanwijzing
                        van toezichthouders kan derhalve in de APV plaatsvinden. Een deel van de
                        toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen (dit is noodzakelijk indien
                        een toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen. Hiernaast
                        kunnen toezichthouders door het college dan wel de burgemeester worden
                        aangewezen. </al><al>Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als toezichthouders voorzover
                        zij bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. Artikel
                        2 van de Politiewet, dat een algemene omschrijving van de politietaak bevat,
                        kan niet worden beschouwd als een wettelijk voorschrift in de zin van het
                        artikel. </al><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen.
                        Bij een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen
                        met name te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale
                        aanwijzing wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe
                        de met toezicht belaste personen behoren. </al><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren
                        (artikel 5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het
                        bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam
                        is. Het in artikel 5:12, derde lid, van de Awb genoemde model van het
                        legitimatiebewijs is vastgesteld bij de Regeling model legitimatiebewijs
                        toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131). Deze regeling bevat geen echt model,
                        maar een opsomming van alle elementen die in ieder geval op het
                        legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld van een
                        legitimatiebewijs.</al><tussenkop>Het evenredigheidsbeginsel</tussenkop><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een
                        toezichthouder mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voorzover dit
                        redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                        toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde gebruik maken van alle
                        bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                        Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van
                        zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van
                        het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien. </al><tussenkop>Bevoegdheden toezichthouder</tussenkop><al>In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan
                        toezichthouders toegekend. In artikel 5:14 is de mogelijkheid opgenomen om
                        aan een toezichthouder minder bevoegdheden toe te kennen. Zo is op voorhand
                        vaak al duidelijk welke bevoegdheden voor het uitoefenen van toezicht niet
                        relevant zijn of per definitie onevenredig. </al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                        betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                        'Plaats' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                        (bedrijfs)terreinen, maar ook (bedrijfs)gebouwen. Dat de Awb een
                        uitzondering maakt voor het betreden van een woning zonder toestemming van
                        de bewoner vloeit voort uit het in artikel 12 van de Grondwet vastgelegde
                        'huisrecht'. Op grond hiervan is voor het binnentreden van woningen zonder
                        toestemming van de bewoner steeds een grondslag in een bijzondere wet
                        vereist. Voor de handhaving van gemeentelijke verordeningen is de basis voor
                        het binnentreden zonder toestemming van de bewoner gelegd in artikel 149a
                        van de Gemeentewet. Op grond van dit artikel kan aan toezichthouders deze
                        bevoegdheid worden toegekend, indien het gaat om het toezicht op de naleving
                        van bij verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de
                        openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid
                        van personen. In artikel 14.3 van de APV wordt deze bevoegdheid aan
                        toezichthouders toegekend. In de Algemene wet op het binnentreden (Awbi)
                        zijn de vormvoorschriften gegeven die bij het binnentreden van een woning in
                        acht genomen moeten worden. In de toelichting op artikel 14.3 van de APV zal
                        nader op de Awbi worden ingegaan.</al><al>De bevoegdheid tot het betreden van plaatsen houdt niet tevens in de
                        bevoegdheid tot het doorzoeken van die plaatsen. De Awb geeft
                        toezichthouders dus niet de bevoegdheid om willekeurig kasten, laden en
                        andere bergplaatsen te openen. In gevallen waarin die bevoegdheid niettemin
                        noodzakelijk is, dient deze te worden verschaft door de bijzondere wetgever. </al><al>Artikel 5:16 Awb geeft de toezichthouder de bevoegdheid om inlichtingen te
                        vorderen. Op grond van artikel 5:20 Awb is een ieder ook verplicht deze
                        inlichtingen te verstrekken, behoudens een aantal uitzonderingen dat terug
                        te voeren is op het beroepsgeheim. </al><al>In de artikelen 5:17 tot en met 5:19 Awb worden aan toezichthouders de
                        bevoegdheden verleend om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en
                        bescheiden en om zaken en vervoermiddelen te onderzoeken. </al><tussenkop>Bijzondere wetten</tussenkop><al>Bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het maken
                        van verordeningen, kunnen op het punt van de aanwijzing van toezichthoudende
                        ambtenaren een eigen regeling bevatten. Die aanwijzing heeft doorgaans tot
                        gevolg dat de aangewezen ambtenaar bepaalde (toezicht)bevoegdheden
                        krijgt.</al><al>Zo heeft de aanwijzing als bedoeld in artikel 18.4, derde lid, van de Wet
                        milieubeheer (Wm) tot gevolg dat de aangewezen ambtenaar de bevoegdheid van
                        artikel 18.5 van de Wm het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                        de bewoner met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen verkrijgt.</al><al>Ook in artikel 100 van de Woningwet is aan toezichthouders de bevoegdheid
                        toegekend om een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoners. </al><al>In bijzondere wetten kan van de bepalingen van de Awb worden afgeweken. Zo
                        hebben toezichthouders in het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op
                        grond van artikel 69 van deze wet slechts toegang tot terreinen tussen
                        zonsopgang en zonsondergang. 'Terreinen' is daarbij een beperkter begrip dan
                        'plaatsen' van artikel 5:15 Awb. Zo vallen alle gebouwen - dus ook
                        bedrijfsgebouwen - hier buiten. </al><tussenkop>Toezicht en opsporing</tussenkop><al>De meeste bepalingen van de model-APV bevatten ge- en verboden. Op de
                        naleving hiervan dient te worden toegezien en bij overtreding dient te
                        worden opgetreden. Dit kan op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk -
                        door onder andere het toepassen van bestuursdwang dan wel het opleggen van
                        een dwangsom - en strafrechtelijk. Voor beide vormen van handhaving dienen
                        personen te worden aangewezen met toezichthoudende respectievelijk
                        opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de aanwijzing van de toezichthouders is
                        een bepaling opgenomen in de APV. De opsporingsambtenaren worden aangewezen
                        in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv). </al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                        onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij
                        op grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid
                        tussen beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn
                        van enig vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij
                        opsporing wel. Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan
                        of bijvoorbeeld de voorschriften van een vergunning in acht worden genomen.
                        Indien mocht blijken dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld,
                        hoeft dit ook niet automatisch te leiden tot een strafrechtelijke
                        vervolging. Het hanteren van bestuursrechtelijke middelen zoals het
                        intrekken van de vergunning of het toepassen van bestuursdwang vormen in
                        veel gevallen een meer passende reactie. </al><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                        vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                        blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding
                        tussen de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het
                        bijzonder wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd.
                        Beide bevoegdheden kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd
                        wordt dat de bevoegdheden die samenhangen met het toezicht en de
                        bevoegdheden die samenhangen met de opsporing worden gebruikt waarvoor ze
                        zijn toegekend. Op het moment dat toezicht overgaat in opsporing is het
                        derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen die aan de verdachte
                        toekomen in het kader van de opsporing in acht worden genomen. </al><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de
                        volgende.</al><lijst><li nr="-"><al>Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die
                                tot burgers en bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve
                                werking. Opsporing dient gericht te zijn op strafrechtelijke
                                afdoening.</al></li><li nr="-"><al>Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd
                                door de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opsporing wordt
                                geregeld in het WvSv.</al></li></lijst><tussenkop>Opsporingsambtenaren</tussenkop><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare
                        feiten belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren
                        hebben een opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten
                        geldt (algemene opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de
                        ambtenaren van de regiopolitie. Artikel 142 betreft de buitengewone
                        opsporingsambtenaren die in de regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor
                        een beperkt aantal strafbare feiten (beperkte opsporingsbevoegdheid). </al><al>Op basis van artikel 142, lid 1, onder c, WvSv hebben de volgende - voor de
                        APV relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin
                                bedoelde strafbare feiten worden belast en</al></li><li nr="-"><al>personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de
                                naleving van die verordening, een en ander voorzover het die feiten
                                betreft en die personen zijn beëdigd.</al></li></lijst><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en
                        woningtoezicht. De grondslag van de opsporingsbevoegdheid ligt in de
                        Woningwet. </al><al>De tweede groep betreft de toezichthouders die in de gemeentelijke
                        verordeningen als zodanig worden aangewezen. De aanwijzing dient in de APV
                        te geschieden aangezien artikel 142, eerste lid, sub c, WvSv geen delegatie
                        van de aanwijzingsbevoegdheid toestaat. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld
                        milieu en parkeerwachters, belast met het toezicht op de desbetreffende
                        autonome bepalingen in de APV.</al><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv
                        ontlenen, is een nadere regeling in de APV niet mogelijk. De aanwijzing als
                        toezichthouders in de APV is de grondslag voor de aanwijzing als
                        buitengewoon opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de
                        buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij
                        toezichthouder zijn. De personen die op grond van dit artikel worden
                        aangewezen, dienen op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar
                        aan de volgende voorwaarden te voldoen:</al><lijst><li nr="-"><al>zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en
                                betrouwbaarheid;</al></li><li nr="-"><al>zij dienen te zijn beëdigd door het College van Procureurs Generaal
                                (volgens art. 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon
                                opsporingsambtenaar).</al></li></lijst><al>De akte van beëdiging bevat een aantal gegevens met betrekking tot de
                        buitengewoon opsporingsambtenaar, waaronder in ieder geval de feiten tot de
                        opsporing waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. De akte wordt op naam van
                        de desbetreffende ambtenaar gesteld en na de beëdiging aan hem uitgereikt.
                        De akte wordt voor vijf jaar afgegeven. Hierna kan hij worden verlengd, mits
                        de ambtenaar nog voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid. </al><tussenkop>Gemeentelijke verordeningen en opsporing</tussenkop><al>Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de Gemeentewet,
                        met inachtneming van de Awbi, de bevoegdheid tot het binnentreden van
                        woningen worden verleend (zie verder de toelichting bij artikel 14.3). Hun
                        overige opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het WvSv. De gemeenteraad
                        heeft hiernaast niet de bevoegdheid om andere opsporingsbevoegdheden te
                        creëren. Ingevolge artikel 1 WvSv mag bij gemeentelijke verordening geen
                        regeling worden gegeven omtrent de opsporing of het bewijs van de in die
                        verordening strafbaar gestelde feiten. </al><al>Ook in een aantal bijzondere wetten worden opsporingsambtenaren aangewezen.
                        Dit is met name van belang voor de, in deze verordening opgenomen,
                        medebewindsvoorschriften. Een speciale regeling geldt voor de op de
                        artikelen 437 en 437ter van het WvSr gebaseerde en in afdeling 2.5
                        bepalingen ter bestrijding van heling van goederen opgenomen bepalingen. De
                        in de artikelen 551 en 552 van het WvSv geregelde opsporings- en
                        toezichtbevoegdheden komen reeds toe aan de algemene opsporingsambtenaren
                        als bedoeld in artikel 141 WvSv. Gezien de bijzondere materie is het in het
                        algemeen niet zinvol om ook nog eens buitengewone opsporingsambtenaren aan
                        te wijzen.</al><tussenkop>Toezichthoudende ambtenaren belasten met opsporing?</tussenkop><al>Gezien het voorgaande zijn toezichthoudende ambtenaren vanuit hun
                        aanstelling in hun functie niet automatisch belast met opsporing. Dit zal in
                        veel gevallen ook niet nodig zijn. Veelal kan volstaan worden met
                        toezichthoudende bevoegdheden. De aanwijzing hoeft dan niet direct in de
                        verordening te geschieden (art.14.2, eerste lid), maar kan aan het college
                        worden gedelegeerd (tweede lid). Indien namelijk de handhaving van bepaalde
                        wettelijke voorschriften voornamelijk bestuursrechtelijk geschiedt
                        (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te beschikken over
                        opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men strafrechtelijk wil
                        gaan handhaven. In die situatie is het vaak ook niet noodzakelijk om alle
                        toezichthouders opsporingsbevoegdheden te geven. Veelal kan worden volstaan
                        met één of enkele opsporingsambtenaren. Ook kan soms de hulp ingeroepen
                        worden van een algemeen opsporingsambtenaar (ambtenaar van politie).</al><tussenkop>Artikel 14.3</tussenkop><tussenkop>Binnentreden woningen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                        naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de model-APV bepaalde
                        plaatsen kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan
                        toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van
                        woningen zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra
                        bescherming op basis van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde
                        'huisrecht' regelt. Het betreden van de woning zonder toestemming van de
                        bewoner is daarom met veel waarborgen omkleed. Op het betreden van een
                        woning met toestemming van de bewoner zijn deze waarborgen niet van
                        toepassing, al gelden daar wel, zij het wat beperktere, vormvoorschriften
                        van de Awbi (zie de toelichting , Algemene wet op het binnentreden (Awbi),
                        a. vormvoorschriften). De bevoegdheid voor het binnentreden zonder
                        toestemming van de bewoner kent drie elementen:</al><lijst><li nr="1."><al>de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te
                                zijn verleend;</al></li><li nr="2."><al>de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of
                                krachtens de wet te worden aangewezen;</al></li><li nr="3."><al>er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen.
                            </al></li></lijst><al>Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen
                        van de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te
                        gebeuren. In vele wetten zijn dan ook binnentredingsbevoegdheden opgenomen,
                        zoals in artikel 100 van de Woningwet. Deze bevoegdheden zijn vooral
                        toegekend aan ambtenaren of personen die belast zijn met een opsporings- of
                        toezichthoudende taak in het kader van de wetshandhaving. Voorts bestaan
                        bevoegdheden tot binnentreden voor de uitvoering van rechterlijke taken en
                        bevelen, de uitoefening van bestuursdwang, de handhaving van de openbare
                        orde, ter bescherming van de volksgezondheid en ter uitvoering van
                        noodwetgeving. </al><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                        verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                        toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn
                        met het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                        verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de
                        openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid
                        van personen. In artikel 14.3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid. </al><tussenkop>Algemene wet op het binnentreden (Awbi)</tussenkop><tussenkop>a. Vormvoorschriften</tussenkop><al>In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een
                        woning wil betreden in acht moet nemen. Hij dient:</al><lijst><li nr="-"><al>zich te legitimeren (artikel 1 Awbi);</al></li><li nr="-"><al>mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1
                                Awbi);</al></li><li nr="-"><al>te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2
                                Awbi);</al></li><li nr="-"><al>verslag te maken van het binnentreden (artikel 10 Awbi).</al></li></lijst><al>De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere binnentreding,
                        dus ook indien dit gebeurt met toestemming van de bewoner. </al><al>De artikelen 2 tot en met 11 van de Awbi gelden alleen als zonder
                        toestemming van de bewoner wordt binnengetreden. Degene die binnentreedt,
                        dient te beschikken over een machtiging. In deze machtiging is aangegeven in
                        welke woning binnengetreden kan worden. De Awbi gaat daarbij in beginsel uit
                        van een machtiging voor een woning. Zo nodig kunnen in de machtiging echter
                        maximaal drie andere afzonderlijk te noemen woningen worden opgenomen. De
                        minister van Justitie heeft een model voor de machtiging vastgesteld
                        (opgenomen in de circulaire van het Ministerie van Justitie, 15 augustus
                        1994, 452425/294).</al><al>In artikel 3 van de Awbi wordt aangegeven wie een machtiging tot
                        binnentreden kunnen afgeven: de procureur-generaal bij het gerechtshof, de
                        officier van justitie en de hulpofficier van justitie hebben een algemene
                        bevoegdheid hiertoe gekregen. Hiernaast kan ook de burgemeester bevoegd zijn
                        machtigingen te verlenen. Dit is het geval indien het binnentreden in de
                        woning in een ander doel is gelegen dan in het kader van strafvordering
                        (bijvoorbeeld bij woningontruimingen). </al><al>In artikel 5:27 van de Awb is voor het binnentreden zonder toestemming van
                        de bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang een andere regeling
                        opgenomen. De bevoegdheid tot het afgeven van de machtiging is daar met
                        uitsluiting van de in de Awbi genoemde functionarissen bij hetzelfde
                        bestuursorgaan gelegd dat de bestuursdwang toepast. Dit betekent dat een
                        college dat bestuursdwang wil uitoefenen, ook de eventueel benodigde
                        machtiging moet afgeven. </al><al>Van het binnentreden dient na afloop een verslag opgemaakt te worden
                        (artikel 10 Awbi). Een voorbeeldverslag is opgenomen in de circulaire van
                        het ministerie van Justitie van 15 augustus 1994, 452425/294.</al><tussenkop>b. Bevoegdheden</tussenkop><al>In de Awbi wordt aan de binnentreder een aantal algemene bevoegdheden
                        toegekend. Degene die bevoegd is een woning zonder toestemming van de
                        bewoner binnen te treden, kan zich daarbij door anderen doen vergezellen
                        (artikel 8, tweede lid, Awbi). Dit is slechts toegestaan voorzover dit voor
                        het doel waartoe wordt binnengetreden vereist is en de machtiging dit
                        uitdrukkelijk bepaalt. Deze personen hoeven zelf niet te beschikken over een
                        machtiging. Het aantal en de hoedanigheid van de vergezellende personen
                        moeten in het verslag worden vermeld; de namen van deze personen hoeven niet
                        vermeld te worden.</al><al>Dat anderen de binnentreder kunnen vergezellen kan noodzakelijk zijn in het
                        belang van de veiligheid van de binnentreder, maar ook indien de nodige
                        werkzaamheden door mensen met een bepaalde vakbekwaamheid moeten worden
                        uitgevoerd. </al><al>Artikel 9 van de Awbi bepaalt dat de binnentredende ambtenaar zich de
                        toegang kan verschaffen indien hij de woning of een deel daarvan afgesloten
                        vindt. Dit geldt ook indien de bewoner wel thuis is, maar zijn medewerking
                        niet wil verlenen. Hierbij kan degene die wil binnentreden zo nodig de hulp
                        van de sterke arm inroepen. </al><tussenkop>c. Het begrip 'woning'</tussenkop><al>Het huisrecht strekt tot bescherming van het ongestoorde gebruik van de
                        woning. Het begrip woning omvat de ruimten die tot exclusief verblijf voor
                        een persoon of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding
                        levende personen ingericht en bestemd zijn. Door het huisrecht wordt dus
                        niet de eigendom of de huur van een woning beschermd. </al><al>Of een ruimte een woning is, wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke
                        kenmerken zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en ander huisraad,
                        maar ook door de daaraan werkelijk gegeven bestemming. Woning is derhalve
                        een ruim begrip, ook een woonboot, stacaravan, tent en keet. kunnen
                        hieronder worden verstaan. Zelfs een hotelkamer kan onder het begrip woning
                        vallen. Een bepaalde ruimte kan ook uit meer woningen bestaan. De
                        verschillende kamers in een woongroep gelden bijvoorbeeld als aparte
                        woningen. Dit geldt ook voor een binnen een woning gelegen kamer van een
                        kamerbewoner. </al><tussenkop>d. Spoedeisende situaties</tussenkop><al>Artikel 2, derde lid van de Awbi voorziet in de bevoegdheid om in
                        uitzonderlijke omstandigheden zonder machtiging en zonder toestemming de
                        woning binnen te treden. Dit is bijvoorbeeld het geval in situaties waarbij
                        ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen
                        dreigt, zoals bij de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in een
                        woning of de aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van
                        zijn wapen gebruik zou kunnen maken. De politieambtenaar die geen machtiging
                        op zak heeft en die terstond moet optreden, is dan voor het binnentreden
                        niet op toestemming van de bewoner aangewezen en is bevoegd om zonder
                        toestemming binnen te treden. Men kan ook denken aan gevallen waarin de
                        belangen van de bewoner ernstig worden aangetast. Hierbij kan worden gedacht
                        aan ontdekking op heterdaad van een inbraak in de woning. Indien de
                        opsporingsambtenaar de bewoner, bijvoorbeeld als gevolg van diens
                        afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen, is hij bevoegd
                        om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te treden.
                        Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond op
                        te treden en is binnentreden zonder toestemming en zonder machtiging
                        gerechtvaardigd. </al><al>Op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, blijft
                        ook bij spoedeisende gevallen de Awbi zo veel mogelijk van toepassing. Het
                        spoedeisende karakter van de situatie is derhalve voornamelijk van invloed
                        op het hebben van een machtiging. Dat betekent dat deze bevoegdheid slechts
                        kan worden uitgeoefend door personen die bij of krachtens de wet bevoegd
                        zijn verklaard zonder toestemming van de bewoner binnen te treden. Van het
                        binnentreden zal een verslag moeten worden gemaakt.</al><tussenkop>e. Mandaat is niet geoorloofd</tussenkop><al>De bevoegdheid machtigingen om binnen te treden af te geven, kan niet worden
                        gemandateerd. De machtiging voor het binnentreden in een woning zonder
                        toestemming vormt de basis voor het plegen van een inbreuk op de
                        grondwettelijke vrijheden van de bewoner. Op grond van artikel 10:3, eerste
                        lid, van de Awb is mandaatverlening geoorloofd, tenzij bij wettelijk
                        voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen
                        verzet. Gezien de zwaarte van deze inbreuk is hier sprake van een
                        bevoegdheid waarvan de aard zich tegen mandaatverlening verzet (zie de
                        parlementaire behandeling van de Awbi).</al><tussenkop>f. De strafrechtelijke sanctie</tussenkop><al>Een ambtenaar die zonder dat hij de bevoegdheid daartoe heeft of zonder dat
                        hij de vormvoorschriften in acht neemt, een woning, lokaal of erf betreedt,
                        dient zich op vordering van de rechthebbende direct te verwijderen. Het niet
                        opvolgen van deze vordering levert het ambtsmisdrijf van artikel 370 WvS.
                        op.</al><tussenkop>Artikel 14.4</tussenkop><tussenkop>Inwerkingtreding</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Op 1 januari 2005 is de Tijdelijke referendumwet (Trw) vervallen. Dit brengt
                        met zich mee dat voor algemeen verbindende voorschriften de regeling van
                        artikel 142 van de Gemeentewet weer van toepassing is. Deze luidt dat alle
                        verordeningen in werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij
                        een ander tijdstip daarvoor is aangewezen. De oude redactie van vóór 1
                        januari 2002 – het tijdstip van inwerkingtreding van de Trw - is daarom weer
                        gebruikt voor de herziening van artikel 14.4. </al><al>Het is ook geoorloofd in de verordening te bepalen dat de dag van
                        inwerkingtreding door het college van burgemeester en wethouders zal worden
                        vastgesteld. Het alternatief luidt in dat geval: </al><al>‘Deze verordening treedt in werking op een door het college nader te bepalen
                        tijdstip.’</al><al>De APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf
                        is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als
                        alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende
                        voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet). </al><al>Van belang is dat de gemeente gehouden is dit besluit mee te delen aan het
                        parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen (artikel 143
                        Gemeentewet. </al><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard
                        niet mogelijk aan de bepalingen van een strafverordening terugwerkende
                        kracht te verlenen. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid van artikel 6.4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude
                        verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de
                        nieuwe verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude verordening
                        vervalt.</al><tussenkop>Artikel 14.5</tussenkop><tussenkop>Overgangsbepaling</tussenkop><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande
                        vergunningen, ontheffingen, enz.al dan niet hun rechtskracht blijven
                        behouden na de inwerkingtreding van deze verordening.</al><al>Dit geldt ook voor de vraag of het oude dan wel het nieuwe recht van
                        toepassing is bij beroepszaken, aanhangig gemaakt voor de inwerkingtreding
                        van het nieuwe recht, maar behandeld na de inwerkingtreding. Sanering van de
                        oude vergunningen en ontheffingen wordt niet noodzakelijk geacht. Dat is de
                        reden voor het opnemen van deze “alternatieve” overgangsbepaling in
                        afwijking van de reguliere bepaling in de model-APV van de VNG.</al><al>Het zesde lid van artikel 14.5 heeft betrekking op activiteiten waarvoor
                        voor de inwerkingtreding van deze APV geen ontheffing of vergunning nodig
                        was, maar waarvoor dat op grond van de nieuwe APV wel het geval is. Zonder
                        een overgangsregeling zouden deze activiteiten een overtreding van de APV
                        inhouden totdat onherroepelijk positief beslist is op de desbetreffende
                        aanvraag. Gekozen is voor een redelijke overgangstermijn van twaalf weken".
                        Voornoemde houdt in dat na de inwerkingtreding van deze verordening een
                        betrokkene twaalf weken de tijd heeft om voor activiteiten waarvoor op grond
                        van deze verordening (dit in tegenstelling tot de ingetrokken) nu wel een
                        vergunning dan wel ontheffing moet worden aangevraagd, deze alsnog kan
                        aanvragen zonder dat er sprake is van een overtreding.</al><tussenkop>Artikel 14.6</tussenkop><tussenkop>Citeertitel</tussenkop><al>Geen toelichting<onderstreept></onderstreept></al><al></al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Kaart als bedoeld in artikel 1.1 onder c van de APV</titel></kop><al><plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="Bijlage 1 APV" type="foto" id="i25070"></illustratie></plaatje></al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Kaart als bedoeld in artikel 4.1 onder j van de Algemene plaatselijke
                        verordening van de gemeente Amstelveen</titel></kop><al><plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="Bijlage 2 APV" type="foto" id="i25071"></illustratie></plaatje></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>