<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR62037_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kleinschalige nevenactiviteiten</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loon op Zand</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loon op Zand</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekjournaal 2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kleinschalige nevenactiviteiten</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden, art. 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet stankemissie veehouderij in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden, art. 6c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-01-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-01-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2006-10-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2006</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kleinschalige nevenactiviteiten</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Loon op Zand;</al><al>gezien het voorste1 van het college van burgemeester en wethouders d.d. 20 december
            2005, nummer2006/3;</al><al>gelet op het advies van de commissie Openbare Ruimte en Economische Zaken d.d. 10
            januari 2006</al><al>gelet op de artikelen 1 en 6 onder c van de Wet stankemissie veehouderijen in
            landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden en artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al/><al><vet>b e s l u i t</vet></al><al/><al>vast te stellen <vet>Verordening kleinschalige nevenactiviteiten.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze Verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al> wet: Wet stankemissie veehouderij en in landbouwontwikkelings- en
                verwevingsgebieden. </al></li><li nr="b."><al> bijlage: bij deze Verordening behorende bijlage. </al></li><li nr="c."><al> kleinschalige nevenactiviteit: activiteiten, als bedoeld in artikelen 1 en 6 sub
                c van de wet. </al></li><li nr="d."><al> agrarisch bedrijf: veehouderij of andere inrichting, als bedoeld in artikel1 van
                de wet. </al></li><li nr="e."><al> veehouderij: inrichting, die tot een krachtens artikel 1 van de wet. </al></li><li nr="f."><al> verordening: verordening kleinschalige nevenactiviteiten. </al></li><li nr="g."><al> landbouwontwikkelingsgebied: landbouwontwikkelingsgebied, als bedoeld in artike11
                van de Reconstructiewet concentratiegebieden. </al></li><li nr="h."><al> verwevingsgebied: verwevingsgebied, als bedoeld in artikel 1 van de
                Reconstructiewet concentratiegebieden. </al></li><li nr="i."><al> extensiveringsgebied: extensiveringsgebied met het primaat natuur of overig, als
                bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Als kleinschalige nevenactiviteit worden aangewezen: </al><lijst><li nr="a."><al> de activiteiten, zoals opgenomen in de bij deze Verordening behorende bijlage;
              </al></li><li nr="b."><al> de activiteiten die naar aard en omvang zijn gelijk te stellen met de in de
                bijlage aangewezen activiteiten; </al></li><li nr="c."><al> voor zover deze activiteiten zijn gelegen in landbouwontwikkelings- en
                verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden met het primaat natuur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lijst><li nr="a."><al>voorgesteld wordt om de nevenactiviteiten opgenomen in bijlage behorende bij deze
                verordening vast te stellen; </al></li><li nr="b."><al> de raad van de gemeente Loon op Zand mandateert het college van burgemeester en
                wethouders om de bijlage te wijzigen; </al></li><li nr="c."><al> een keer per jaar wordt de gemeenteraad geïnformeerd over eventuele wijzigingen
                die in de bijlage zijn aangebracht.</al></li></lijst><al/><al/><tussenkop>Bijlage behorende bij de verordening kleinschalige
            nevenactiviteiten (besluit 2006/3 d.d. 26 januari 2006)</tussenkop><table><tgroup cols="2" char="" charoff="50" align="left"><colspec colname="col1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>Thema</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Activiteit</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>Agrotoerisme/recreatie</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>o.a.: - kleinschalige horeca - terras/thee-tuin - bezoekerscentrum -
                      verblijfsrecreatie - dagrecreatie</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>Landbouwverwante/agrarische functies</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Agrarische hulpbedrijven - landbouwmechanisatie - loonbedrijf</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>Dienstverlening</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>o.a.: - kinderopvang - zorgboerderij - huisvesting seizoenarbeiders -
                      cursuscentrum - educatie</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel/></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel 'Verordening kleinschalige
            nevenactiviteiten'. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel/></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 27 januari 2006.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besluit: </ondertekening><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Loon op Zand van
        26 januari 2006.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop><vet>T</vet><vet>OELICHTING VERORDENING KLEINSCHALIGE
            NEVENACTIVITEITEN</vet></tussenkop><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Agrarische ondernemers ontwikkelen steeds vaker een kleinschalige bedrijfsmatige
          nevenactiviteit naast hun agrarische hoofdactiviteit. Het sturingsmechanisme voor de
          toelaatbaarheid van deze nevenactiviteiten vindt plaats via het spoor van de ruimtelijke
          ordening (bestemmingsplan e.d.). Daarnaast vormt bij vergunningverlening voor deze
          kleinschalige nevenactiviteiten geurhinder (naast andere milieuhygiënische items) een
          belangrijk toetsingskader. Het huidige geurbeleid leidt ertoe dat kleinschalige
          nevenactiviteiten niet mogen plaatsvinden in de geurcirkels van andere bedrijven en dat
          kleinschalige nevenactiviteiten de omliggende agrarische bedrijven beperken in hun
          bedrijfsontwikkeling. Het nieuwe geurbeleid neemt - onder voorwaarden- deze beperkingen
          weg. Hiertoe dienen gemeenten een "Verordening kleinschalige nevenactiviteiten" als
          bedoeld in de Wet Stankemissie Veehouderijen in landbouwontwikkelings- en
          verwevingsgebieden vast te stellen. De verordening kan hiervoor als opstap worden gebruikt
          en kan per gemeente specifiek voor de gemeentelijke situatie op maat worden gemaakt. De
          verordening heeft dus voordelen voor agrarische bedrijven, die hun bedrijf verder willen
          ontwikkelen en voor ondernemers, die willen starten met een nevenactiviteit.</al><al/><al><vet>Stankwet en verordening</vet></al><al>Op 1 mei 2003 is de Wet "Stankemissie veehouderijen in
          landbouwontwikkelings- en verwevings gebieden" (hierna: "Stankwet") in werking getreden.
          Deze Stankwet geldt voor reconstructiegebieden en heeft betrekking op veehouderijen
          gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, een verwevingsgebied of een
          extensiveringsgebied met het primaat natuur. Deze gebieden zijn in de reconstructieplannen
          nader aangewezen. De wet is van toepassing nu het reconstructieplan is goedgekeurd en
          bekendgemaakt in de Staatscourant. De Stankwet biedt gemeenten de mogelijkheid om een
          "Verordening kleinschalige nevenactiviteiten" (hierna "verordening") voor haar gemeente of
          delen daarvan vast te stellen. Kleinschalige nevenactiviteiten die in deze verordening
          zijn opgenomen worden dan -onder voorwaarden- voor de stankgevoeligheid gelijkgesteld met
          de bij de veehouderij behorende woning (categorie 4 of 5, afhankelijk van de
          categorie-indeling van het agrarisch bedrijf). Op het moment dat een gemeente een
          verordening heeft vastgesteld, is duidelijk welke nevenactiviteiten uit het oogpunt van
          geur geen of nagenoeg geen belemmering vormen voor de -uitbreiding van- omliggende
          agrarische bedrijven. Hierdoor is helder welke kleinschalige nevenactiviteiten op basis
          van de stankwetgeving mogelijk zijn in het buitengebied.</al><al/><al><vet>Reikwijdte verordening</vet></al><al>De verordening is opgesteld in het kader van de Stankwet en is niet bedoeld
          om de toelaatbaarheid van dergelijke activiteiten in het buitengebied te regelen vanuit
          planologisch oogpunt. Daar is en blijft het bestemmingsplan voor. De beoordeling in het
          kader van geurhinder laat de toetsing in het ruimtelijke ordeningspoor dus onverlet. Het
          kan dus voorkomen dat een kleinschalige nevenactiviteit wei is opgenomen in de
          verordening, maar dat het bestemmingsplan deze activiteit op die bewuste locatie niet of
          in beperktere mate toestaat. Wij pretenderen een integrale aanpak. Dit betekent dat deze
          verordening bij de opstelling van het nieuwe bestemmingsplan buitengebied opnieuw onder de
          loep genomen zal worden. In het nog op te stellen nieuwe bestemmingsplan buitengebied zal
          getoetst</al><al>worden of de bijlage behorende bij deze verordening gewijzigd moet worden. Daarnaast kan
          het ook betekenen dat een kleinschalige nevenactiviteit welke is opgenomen in de
          verordening en vanuit planologische oogpunt is toegestaan, bij stopzetten van de
          agrarische hoofdactiviteit opnieuw aan een RO-toets moet worden onderworpen.</al><al/><al>In artikel 1, lid 1, van de Stankwet wordt gedefinieerd wat een kleinschalige
          nevenactiviteit is. De definitie luidt: <cursief>kleinschalige nevenactiviteit:</cursief>
          bij gemeentelijke verordening als zodanig aangewezen activiteit, die een organisatorische
          binding heeft met een agrarisch bedrijf en binnen de inrichting, of in de onmiddellijke
          nabijheid daarvan plaatsvindt.</al><al/><al>De Stankwet stelt dus als voorwaarden dat de activiteit een organisatorische binding
          heeft met een agrarisch bedrijf en binnen de inrichting, of in de onmiddellijke nabijheid
          daarvan plaatsvindt. Deze in de wet gestelde voorwaarden kunnen in de verordening niet
          nader worden uitgewerkt. De verordening kan zich uitsluitend richten op de aard van de
          activiteiten en eventueel op de omvang en de plaats van de activiteiten.</al><al/><al><vet>De aard van de activiteiten</vet></al><al>Op grond van artikel 6, onder c van de wet wordt een kleinschalige
          nevenactiviteit en een zodanige activiteit gelijkgesteld met een gevoelig object,
          behorende tot dezelfde categorie als een bij een veehouderij behorende woning. Uit de
          Stankwet en de toelichting op de wet blijkt dat met het aanwijzen van kleinschalige
          nevenactiviteiten wordt beoogd om stankgevoelige objecten in een categorie met een lagere
          bescherming te plaatsen. Het moet dus gaan om activiteiten, die op grond van de Stankwet
          in categorie 1, 2 of 3 vallen en waarvan de gemeente het wenselijk acht dat deze naar
          categorie 4 of 5 gaan. </al><al>In artikel 1, lid 2, van de Stankwet worden als stankgevoelige objecten categorie 1, 2
          of 3 aangewezen woonbebouwing en objecten voor dag- en verblijfsrecreatie. Het kamperen en
          het recreatief verblijf bij de boer zijn vervolgens op grond van art. 1, lid 3, hiervan
          uitgezonderd (en zijn dus geen stankgevoelig object). Deze activiteiten kunnen dus niet in
          de verordening worden opgenomen, want dat betekent het toekennen van een beschermingsgraad
          categorie 4 of 5, hetgeen in strijd is met de wet (die zegt dat er geen bescherming is). </al><al>In het algemeen worden woon- c.q. verblijfsfuncties, voor zover het kleinschalige
          nevenactiviteiten zijn, niet beschouwd als stankgevoelig object. Hooguit zijn het objecten
          met beschermingsgraad categorie 4 of 5. Het aanwijzen hiervan in een verordening betekent
          het toekennen van een beschermingsgraad categorie 4 of 5 waar tot dan geen bescherming is
          of waar toch al een beschermingsgraad categorie 4 of 5 is. </al><al>De beschermingsgraad wordt in dat geval door het aanwijzen hoger (niet gewenst) of
          blijft gelijk (niet zinvol). Om die reden wordt aanbevolen (huis)verkoop van ter plaatste
          vervaardigde producten en ambachtelijke bedrijvigheid (timmerwerkplaats e.d.) niet aan te
          wijzen. Wat is dan nog wei zinvol om aan te wijzen? Het moet dan gaan om objecten waarvan
          het vaststaat dat zij categorie 1, 2 of 3 zijn, namelijk: - objecten van dagrecreatie
          (agrotoerisme); - woon- c.q. verblijfsfuncties van niet recreatieve aard
          (dienstverlenend).</al><al/><al>De aanwijzing volgens deze modelverordening heeft een niet-limitatief karakter. De
          thema's zijn wel opgenomen in de bijlage. Derhalve is artikel 2, sub b opgenomen.
          Tenslotte nog een opmerking over het kamperen bij de boer. Dat is in de wet gedefinieerd
          als kampeerterrein dat valt onder de Wet op de openluchtrecreatie (Wor). De intrekking van
          de Wor vindt sinds 18 juni 2004 gefaseerd plaats. Ais de Wor vervalt, wordt het kamperen
          categorie 1, maar aanwijzen in de verordening kan dan alsnog. Ais de veehouderij stopt
          voordat de Wor vervalt, wordt het kamperen eveneens categorie 1. Als de veehouderij stopt
          nadat de Wor is vervallen, wordt het kamperen categorie 1, tenzij het kamperen inmiddels
          is aangewezen in de verordening.</al><al/><al><vet>De omvang van de activiteiten</vet></al><al>In deze modelverordening is er voor gekozen om de omvang van de activiteiten
          niet nader te bepalen. Dit zou immers de werkingssfeer van de verordening beperken.
          Bovendien zou daar een schijnzekerheid mee worden gesuggereerd. Het opnemen van een
          maximale omvang regelt de toelaatbaarheid van een nevenactiviteit namelijk niet. </al><al>Deze moet via het RO-spoor worden geregeld.</al><al/><al><vet>De plaats van de activiteiten</vet></al><al>De Stankwet is van toepassing op de "Iandbouwontwikkelingsgebieden",
          "verwevingsgebieden" en "extensiveringsgebieden met primaat natuur". </al><al>Met de verordening wordt beoogd om stankgevoelige objecten in een categorie met een
          lagere bescherming te plaatsen. Het ligt dus voor de hand om dat te doen in de gebieden
          waar deze belemmeringen zouden kunnen vormen voor de -uitbreiding van- omliggende
          agrarische bedrijven. </al><al>Dit is met name het geval in de landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden. In deze
          verordening is er voor gekozen om de "extensiveringsgebieden met primaat natuur"niet uit
          te zonderen. </al><al>Het opstarten of uitbreiden van een kleinschalige nevenactiviteit zal hierdoor niet zo
          gauw door de stankcirkels van omliggende bedrijven worden belemmerd. Dit zal de gewenste
          ontwikkeling van het agrotoerisme in deze gebieden alleen maar stimuleren.</al><al/><al><vet>Functieverandering</vet></al><al>Wanneer de bedrijvigheid van karakter of de eigendomssituatie van het agrarisch bedrijf
          en de bedrijfswoning wijzigen spreken we van functieverandering. Dit kan in het kader van
          stankhinder leiden tot een andere beoordeling. </al><al>Artikel 6 c van de Wet regelt functieveranderingen vanaf 19 maart 2000. Dat leidt in de
          volgende situaties tot een lagere bescherming aan de activiteit zoals die is aangegeven in
          de verordening: </al><al>1. De agrariër start een kleinschalige nevenactiviteit op of zet deze voort terwijl zijn
          agrarische bedrijf volledig in werking blijft. </al><al>2. De agrariër is in het verleden een kleinschalige nevenactiviteit begonnen. Hij zet
          deze activiteit voort nadat hij zijn agrarische bedrijf geheel buiten werking heeft
          gesteld op of na 19 maart 2000. </al><al>3. De agrariër is in het verleden een kleinschalige nevenactiviteit begonnen. Hij zet
          deze activiteit voort nadat hij zijn agrarische bedrijf gedeeltelijk buiten werking heeft
          gesteld. Een andere mogelijkheid is dat de agrariër de activiteit opstart tegelijkertijd
          met het gedeeltelijk buiten werking stellen van het agrarische bedrijf. </al><al/><al>Heeft de agrariër zijn agrarisch bedrijf voor 19 maart 2000 gestopt, dan geldt de lagere
          bescherming niet.</al><al>Artikel 6 onder c van de wet spreekt ook over zodanige activiteiten. Dit zijn
          activiteiten die op of na 19 maart 2000 zijn voortgezet of opgestart, na het geheel of
          gedeeltelijk (veehouderijtak) buiten werking stellen van het agrarisch bedrijf. De datum
          van 19 maart 2000 ligt vast in de wet. In de verordening kan geen afwijkende datum worden
          gesteld. Verder zijn het precies dezelfde soort activiteiten als de kleinschalige
          nevenactiviteiten; het enige verschil is dat ze formeel niet onder het begrip
          kleinschalige nevenactiviteiten vallen, omdat er geen binding meer is met de
          hoofdactiviteit: de nevenactiviteit gaat door nadat het agrarische bedrijf is gestopt. </al><al>Artikel 6 c van de wet regelt in dat geval rechtstreeks dezelfde bescherming. De
          systematiek is als volgt: de gemeente wijst in de verordening de kleinschalige
          nevenactiviteiten aan. Als een activiteit wordt voortgezet nadat het agrarische bedrijf is
          gestopt, volgt direct uit de wet dat zo'n activiteit nog steeds de lagere bescherming
          krijgt. De gemeente wijst dus in de verordening alleen kleinschalige nevenactiviteiten
          aan, en niet 'zodanige activiteiten'. Dat kan ze ook niet, want de wet biedt daar geen
          grondslag voor en bovendien regelt de wet al de bescherming.</al><al/><al><vet>Relatie ruimtelijke ordening – stankhinder</vet></al><al>Indien de voorgenomen activiteit op grond van de verordening kan worden
          aangemerkt als een kleinschalige nevenactiviteit, kunnen daaraan geen rechten worden
          ontleend voor het verkrijgen van de benodigde toestemming op het planologisch gebied.
          Immers, de vraag of een bepaalde kleinschalige nevenactiviteit ook daadwerkelijk mag
          worden uitgevoerd, hangt in de eerste plaats af van planologische aspecten. Bij de
          aanvraag voor een kleinschalige nevenactiviteit dient altijd een RO-toets plaats te
          vinden, evenals bij elke wijziging van het agrarisch hoofdgebruik. Om deze reden is een
          directe koppeling tussen verordening en bestemmingsplan van groot belang. Zonder een
          koppeling kan zich de situatie voordoen waarbij een nevenactiviteit mogelijk is conform de
          verordening, maar niet mogelijk is binnen het planologisch kader ondanks een positieve
          attitude van het gemeentebestuur ten opzichte van het voornemen. </al><al/><al>De lijst van bedrijfsactiviteiten, die bestaat uit een opsomming van kleinschalige
          nevenactiviteiten of zodanige activiteiten, is geen statisch document, maar kan door het
          gemeentebestuur worden aangepast als gewijzigd planologisch beleid dat zou vereisen (als
          blijkt dat de RO-discussie voortschrijdt).</al><al/><al><vet>Voorbeelden/praktijksituaties</vet></al><al>Hier volgen enkele situaties waarop de verordening kleinschalige
          nevenactiviteiten betrekking heeft: </al><lijst><li nr="1."><al>Een kleinschalige nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf. </al><al>Voorbeeld: Melkveebedrijf met varkenstak wil starten met kinderdagopvang voor 12
              kinderen. </al><al>→ Als de RO-toets positief is valt de kinderopvang in categorie 4 of 5, afhankelijk
              van de categorie van het agrarische bedrijf. </al></li><li nr="2."><al>Een kleinschalige nevenactiviteit die wordt voortgezet nadat het agrarisch bedrijf
              op of na 19 maart 2000 gedeeltelijk is beëindigd. </al><al>Voorbeeld: Tuinbouwbedrijf annex pluimveehouderij met kinderopvang voor 12 kinderen
              stopt met pluimveehouderij, tuinbouwbedrijf blijft, kinderopvang blijft (zelfde omvang
              als voorheen).</al><al> → Officieel moet er een nieuwe RO-toets plaatsvinden door verandering van gebruik.
              Als die positief uitvalt (kinderopvang wordt op die bewuste locatie in het
              buitengebied mogelijk bevonden) dan wordt de kinderopvang nog steeds beschouwd als
              categorie 4 of 5.</al></li><li nr="3."><al>Een kleinschalige nevenactiviteit die is opgestart nadat het agrarisch bedrijf op of
              na 19 maart 2000 gedeeltelijk is beëindigd. </al><al>Voorbeeld: Melkveehouderij met varkenshouderij is in 2001 gestopt met de
              varkenshouderij en gaat in de voormalige stal een zorgboerderij beginnen. De
              melkveetak blijft bestaan. </al><al>→ Als de RO-toets positief uitvalt (een zorgboerderij is op de bewuste locatie in
              het buitengebied mogelijk), valt de activiteit in categorie 4 of 5.</al></li><li nr="4."><al>Een kleinschalige nevenactiviteit die is opgestart nadat het agrarisch bedrijf
              op of na 19 maart 2000 geheel is beëindigd. </al><al>Voorbeeld: Het bedrijf uit het vorige voorbeeld stopt nu ook met de melkveehouderij. </al><al>→ Als de RO-toets positief uitvalt (zorgboerderij is op die bewuste locatie in het
              buitengebied mogelijk, valt de activiteit in categorie 4 of 5. </al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al><vet>Overige opmerkingen</vet></al><al>Bij het bepalen of een agrarische bedrijfsactiviteit de hoofdfunctie is op een
              bedrijfsperceel, kan worden aangesloten bij de algemene regels van de Amvb (ten
              behoeve van melkrundveehouderijen, akkerbouwbedrijven en glastuinbouwbedrijven) of
              voorschriften van de milieuvergunning (ten behoeve van o.a. intensieve veehouderijen).
              Voldoet de onderhavige agrarische bedrijfsactiviteit aan de bepalingen die door de
              Amvb of milieuvergunning worden gesteld, dan kan de agrarische activiteit als
              volwaardig worden beschouwd. De omvang of economische rentabiliteit van de agrarische
              activiteit speelt bij deze beoordeling geen rol. Het college van burgemeester en
              wethouders (B&amp;W) kan te allen tijde een voorstel tot aanpassing van de bijlage ter
              vaststelling aan de gemeenteraad aanbieden. Het is echter handiger om bij de
              vaststelling van de verordening door de gemeenteraad tevens te bepalen dat het college
              van B&amp;W bevoegd is om de opsomming van kleinschalige niet-agrarische
              nevenactiviteiten, zoals opgenomen in de bijlage van de verordening, in de toekomst te
              wijzigen. Dit wordt geregeld in artikel 3. De intrekking van de Wet op de
              Openluchtrecreatie (WOR) vindt sinds 18 juni 2004 gefaseerd plaats. Met name de
              bepalingen over het stelsel van vergunningen, vrijstellingen en ontheffingen voor
              kampeerterreinen zullen niet meteen vervallen. Zo hebben gemeenten de tijd om na te
              gaan of door het vervallen van de WOR aanpassingen van bestemmingsplannen of
              gemeentelijke verordeningen nodig zijn. De ruimte die de wet biedt voor kleinschalig
              kamperen wordt in het wetsvoorstel vergroot, zolang het WOR-vergunningenstelsel nog
              van kracht is. Gemeenten mogen toestaan dat kleinschalige kampeerterreinen gedurende
              het hele kampeerseizoen - de periode van 15 maart tot en met 31 oktober - plaats
              bieden aan 15 kampeermiddelen in plaats van 10. Tevens heeft de ministerraad ingestemd
              met een gedoogbesluit dat het mogelijk maakt dat gemeenten per direct de beoogde
              uitbreiding kunnen gedogen.</al></li></lijst></bijlage></regeling></body></cvdr>