<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR619372_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening watersysteemheffing waterschap Hollandse Delta 2019</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hollandse Delta</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hollandse Delta</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2018-12824">wsb-2018-12824</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening watersysteemheffing waterschap Hollandse Delta 2019</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">N.v.t.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2018-11-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>D1804068</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Belastingverordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Artikelen 110, 113 en 117 Waterschapswet</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Nieuwe regeling voor 2019</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening watersysteemheffing waterschap Hollandse Delta 2019</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Verenigde Vergadering van waterschap Hollandse Delta;</al><al/><al>op voordracht van dijkgraaf en heemraden van waterschap Hollandse Delta d.d. 30 oktober 2018; Gelet op de artikelen 110, 113 en 117 Waterschapswet;</al><al/><al>Besluit:</al><al/><al>Vast te stellen  de: Verordening watersysteemheffing waterschap Hollandse Delta 2019</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Hoofdstuk I lnleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte, met dien verstande  dat gebruik van woonruimte door de leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik door een lid van dat huishouden, dat wordt aangewezen door de heffingsambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>heffingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, of de ambtenaar bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onder a, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="c."><al>invorderingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel c, of de ambtenaar bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen  blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="e."><al>kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap, bedoeld in artikel  120, eerste  lid, eerst  volzin, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="f."><al>buitendijks gelegen  onroerende zaken:  onroerende zaken die geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn gelegen;</al></li><li nr="g."><al>natuurterreinen:  ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg  geheel en duurzaam zijn afgestemd  op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder  natuurterreinen worden  mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;</al></li><li nr="h."><al>ongebouwde onroerende zaken:  ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn;</al></li><li nr="i."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de bij het provinciaal</al></li><li nr="j."><al>reglement behorende kaart waarin het waterschap bevoegd is het watersysteembeheer uit</al></li><li nr="k."><al>te oefenen;</al></li><li nr="l."><al>de heffing:  de watersysteemheffing als genoemd in artikel117, aanhef, Waterschapswet.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit en belastingplichtigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ter bestrijding van kosten  die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam  watersysteemheffing een directe belasting geheven.</al></li><li nr="2."><al>De heffing wordt geheven van hen die:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van een gezamenlijke huishouding  wordt aangemerkt als gebruik door een door de heffingsambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden;</al></li><li nr="b."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap;</al></li><li nr="c."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen in het gebied van het waterschap;</al></li><li nr="d."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Heffingsplichtig In de zin van het tweede lid, onderdelen b, c en d, is degene die bij het begin van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen b, c en d, is heffingsplichtig de:</al><lijst><li nr="a."><al>beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de onroerende zaak is onderworpen aan het recht van beklemming, van erfpacht, van opstal of van vruchtgebruik;</al></li><li nr="b."><al>eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien dat recht uitsluitend is</al></li><li nr="c."><al>gevestigd ten behoeve van de aanleg  of het onderhoud, dan wel ten behoeve  van de aanleg en het onderhoud, van ondergrondse dan wel bovengrondse leidingen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Indien de onroerende zaak is onderworpen aan beperkte rechten als bedoeld in het vorige artikellid, heeft voor de heffingplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier;</al></li><li nr="b."><al>de opstaller  voorrang boven de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Heffingsmaatstaf</titel></kop><al>Als heffingsmaatstaf geldt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ingezetenen: de woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>voor ongebouwde onroerende  zaken en voor natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaken, uitgedrukt in een aantal hectaren  of een gedeelte daarvan;</al></li><li nr="c."><al>voor gebouwde  onroerende zaken: de waarde die voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tarief ingezetenen</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de watersysteemheffing voor de categorie ingezetenen: € 103,68  per woonruimte.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede  lid, onderdeel b en artikel 9, derde lid van deze verordening, wordt  als één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een kadastraal  perceel of een gedeelte  daarvan, met dien verstande  dat buiten  aanmerking wordt  gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste  en tweede lid, wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>hetgeen ingevolge  artikel 7  wordt aangemerkt als een natuurterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing  van dit hoofdstuk worden  openbare land-  en waterwegen  en banen voor openbaar  vervoer  per rail, een en ander met inbegrip  van kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die worden  beheerd  door organen, instellingen of diensten  van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige  werken  die dienen als woning, aangemerkt als ongebouwde eigendommen, niet zijnde  natuurterreinen.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Tarief ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief  van de heffing  voor ongebouwde onroerende zaken:  € 97,32  per hectare;</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste  lid en met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in artikel 4, eerste  lid van de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief  voor buitendijks gelegen ongebouwde onroerende  zaken, € 24,33 per hectare;</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste  lid en met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in artikel  4, tweede  lid, van de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief  voor verharde  openbare  wegen, € 408,75 per hectare.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in artikel 5 van de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief  voor verharde  openbare  wegen die buitendijks zijn gelegen € 335,76  per hectare.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al/><al>Voor de toepassing  van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid, onderdeel c van deze verordening, wordt  als één natuurterrein aangemerkt een kadastraal  perceel of gedeelte daarvan, met  dien verstande  dat buiten  aanmerking wordt  gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen  ingevolge artikel 9, eerste  en tweede lid wordt  aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>hetgeen  ingevolge artikel 5 wordt  aangemerkt als een ongebouwde onroerende zaak.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief  van de heffing  voor natuurterreinen: € 6,03 per hectare.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing  van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede  lid, onderdeel d van deze verordening, wordt  als één gebouwde  onroerende zaak aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom;</al></li><li nr="b."><al>een gedeelte  van een gebouwd  eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om</al></li><li nr="c."><al>als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;</al></li><li nr="d."><al>een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a bedoelde  gebouwde eigendommen of van in onderdeel b bedoelde  gedeelten  daarvan  die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;</al></li><li nr="e."><al>het binnen het gebied  van een gemeente  gelegen deel van een in onderdeel  a bedoelde  eigendom, van een in onderdeel  b bedoeld gedeelte  of van een in onderdeel  c bedoeld  samenstel;</al></li><li nr="f."><al>het binnen  het gebied  van het waterschap  gelegen deel van een in onderdeel a bedoelde  eigendom, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte  of van een in onderdeel  c bedoeld  samenstel of van een in onderdeel  d bedoeld deel.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voorzover  ongebouwde eigendommen als bedoeld in artikel 5 een samenstel vormen met een gebouwd  eigendom  als bedoeld  in  het eerste lid van deze bepaling, maken zij deel uit van de gebouwde  onroerende zaak.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde  in het vorige  artikellid maken de ongebouwde eigendommen, voorzover de waarde  daarvan  bij de waardebepaling op de voet  van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken op basis van het bepaalde  krachtens artikel 18, vierde lid, van die wet buiten  aanmerking wordt  gelaten, geen deel uit van de gebouwde onroerende zaak.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Tarief gebouwde onroerende zaken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief  van de heffing voor gebouwde  onroerende zaken 0,0388% van de heffingsmaatstaf, als bedoeld  in artikel 3, onderdeel c, van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde  in het eerste lid en met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in artikel 4, eerste  lid, van de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief  voor buitendijks gelegen  gebouwde  onroerende zaken 0,0097% van de voor de onroerende zaak vastgestelde WOZ-waarde.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</titel></kop><artikel><kop><label/><nr/><titel>Artikel11 Wijze van heffing</titel></kop><al>De heffing  wordt  bij  wege van aanslag  geheven.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer belastingplichtigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien ter zake van hetzelfde  voorwerp van de belasting  of hetzelfde  belastbare  feit twee of meer personen  belastingplichtig zijn, stelt  de heffingsambtenaar de aanslag ten name van een van hen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belastingplicht, bedoeld  in het eerste lid, voortvloeit uit  het genot  van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt  recht  en de aanslag ten name van een van de belastingplichtigen is gesteld, kan de invorderingsambtenaar de belastingaanslag op de gehele  onroerende zaak verhalen op degene op wiens naam de aanslag ingevolge het eerste  lid is gesteld, zonder rekening  te houden  met de rechten van de overige  belastingplichtigen.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label/><nr/><titel>Artikel13 Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aanslagen die een bedrag  van € 9 niet te boven gaan, worden niet opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste  lid wordt  het totaal  van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één aanslag.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>De watersysteemheffing gebouwde  onroerende zaken wordt  niet  geheven  ter zaken van straatmeubilair, waaronder  alle zodanige  gebouwde  eigendommen - niet  zijnde  gebouwen-  worden begrepen  die zijn geplaatst  ten gerieve  of in het belang van het publiek, ten dienste  van het verkeer  of ter verfraaiing van een in het waterschapsgebied gelegen gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hek!&lt;en en palen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Betaaltermijnen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 9, eerste  lid, van de Invorderingswet 1990, moet  de aanslag worden  betaald  binnen drie maanden  na dagtekening van het aanslagbiljet.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval de verschuldigde bedragen  door middel van automatische betalingsincasso kunnen  worden afgeschreven, dat de aanslag  moet worden betaald in tien gelijke  termijnen. De eerste termijn vervalt één maand  na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende  termijnen telkens  een maand  later.</al></li><li nr="3."><al>Een navorderingsaanslag is invorderbaar een maand na dagtekening van het aanslagbiljet.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur  van het waterschap kan nadere regels geven met betrekking tot  de heffing en de invordering van de watersysteemheffing.</al><al/></artikel><artikel><kop><label/><nr/><titel>Artikel17 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening  op de watersysteemheffing 2018, vastgesteld bij besluit  van 30 november 2017, wordt  ingetrokken met  ingang  van de in het derde lid genoemde  datum  van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing  blijft op belastbare feiten die zich voor die datum  hebben voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt  in werking met ingang  van de eerste  dag na die van haar bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum  van ingang  van de heffing  is 1 januari 2019.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden  aangehaald  als "Verordening watersysteemheffing waterschap  Hollandse Delta 2019".</al></li></lijst><al/><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening><functie>Ridderkerk, 29 november 2018</functie><functie>De Verenigde Vergadering  voornoemd,</functie><functie>Secretaris-directeur, drs. A.A. van Vliet</functie><functie>Dijkgraaf, ir. I.G.M. de Bondt</functie></ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Toelichting op de Verordening watersysteemheffing waterschap Hollandse Delta 2019</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen Deel</vet></al><al/><al><vet>1. Wettelijke basis</vet></al><al>De wettelijke basis voor de watersysteemheffing vormen de artikelen 113 en 116 tot en met 122 van de Waterschapswet.</al><al/><al><vet>2. De watersysteemtaak</vet></al><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is 'de zorg voor het  watersysteem' als eerste hoofdtaak van het waterschap  vermeld. De zorg voor het watersysteem omvat  de zorg voor de waterkering en de zorg voor de waterhuishouding, waaronder  ook de zorg voor de waterkwaliteit. Met het gebruik  van de term  'zorg  voor het watersysteem' wordt  benadrukt dat zij een nauwe onderlinge  samenhang  kennen  en als één integrale taak moeten  worden  uitgevoerd.</al><al/><al>In artikel 1, lid 2, is de zorg voor  de zuivering  van afvalwater op de voet van artikel 3.4 van de Waterwet  als andere hoofdtaak van het waterschap  genoemd.  Ook is bepaald  dat de zorg voor een of meer andere waterstaatsaangelegenheden aan de waterschappen kan zijn of worden opgedragen. De uitvoering van de wegentaak  is een uiting  van dit  laatste.</al><al/><al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het  waterschap, uitzonderingen daargelaten, in zijn gehele beheersgebied uitoefent. Alhoewel de wetgever  dit niet met  zoveel woorden  aangeeft, moet  worden  aangenomen dat de uitzonderingen gevallen  betreffen waarin andere overheden  dan de waterschappen taken  ter zake uitoefenen. In de Waterschapswet wordt de zorg voor het watersysteem in algemene  zin aan de waterschappen toegekend. De nadere invulling ervan vindt  plaats  in het provinciale waterschapsreglement en in de praktijk ook in belangrijke mate in bijzondere wetgeving, zoals de Waterwet  . Op grond  van artikel 2 van de Waterschapswet  worden  het gebied en de taken van het waterschap  door Provinciale Staten bepaald.</al><al/><al>3<vet>. De watersysteemheffing</vet></al><al/><al>Belastingplichtig voor de watersysteemheffing zijn:</al><al>- de ingezetenen;</al><al>- de eigenaren1 van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde  natuurterreinen;</al><al>- de eigenaren  van natuurterreinen;</al><al>- de eigenaren  van gebouwde  onroerende zaken.</al><al>Dit zijn de belastingplichtige categorieën.</al><al/><al>Blijkens de Memorie  van Toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel hebben degenen die tot de belastingplichtige categorieën behoren  per definitie belang  bij  de uitoefening van de taken van het waterschap. Hun betaling  is hierop  gebaseerd.</al><al><noot type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>In de toelichting gebruiken wij gemakshalve de term 'eigenaren' (van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken). De juridisch juiste term is 'degene die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot heeft' (van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen  en gebouwde onroerende zaken).</noot.al></noot></al><al/><al><vet>4. De heffing voor de wegentaak</vet></al><al/><al>Aan het Waterschap Hollandse  Delta is door de provincie  het wegbeheer opgedragen.  Hiervoor  kan het waterschap een wegenheffing instellen.  Het waterschap heft een afzonderlijke wegenheffing.</al><al/><al><vet>5. De heffingsmaatstaven en de tarieven van de heffing</vet></al><al/><al>De heffingsmaatstaven zijn geregeld  in artikel 121van de Waterschapswet. De heffingsmaatstaf voor de ingezetenen is de woonruimte. Voor ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn en voor natuurterreinen is de heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak en voor gebouwde  onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (Wet  WOZ) vastgestelde waarde. Het tarief  van de belasting moet op grond  van de Waterschapswet worden  gesteld  op een gelijk bedrag per woonruimte (ingezetenen), op een gelijk  bedrag per hectare  (ongebouwd niet  zijnde  natuur  en natuur)  of op een vast percentage van de WOZ-waarde  (gebouwd). De watersysteemheffing kent daarmee  dus ook vier afzonderlijke tarieven.</al><al/><al><vet>6. Tariefdifferentiatie</vet></al><al/><al>Tariefdifferentiatie is voor de waterschappen een mogelijkheld om rekening  te houden met het feit dat het belang  bij  het watersysteembeheer voor bepaalde  onroerende zaken duidelijk afwijkend</al><al>kan zijn dan dat van andere  onroerende zaken. In die gevallen heeft  het algemeen  bestuur  van een waterschap  de mogelijkheid, maar niet  de verplichting, de tarieven te differentiëren. Uit een oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging zijn de gevallen waarin  tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief in de wet opgesomd. Or'n dezelfde redenen  is de bandbreedte van de differentiatie wettelijk begrensd. Tariefdifferentiatie kan alleen worden  toegepast voor buitendijks gelegen onroerende zaken, voor onroerende zaken die blijkens de legger  van het waterschap  als waterberging worden  gebruikt, voor onroerende zaken gelegen  in bemalen  gebieden, voor onroerende zaken die in hoofdzaak uit glasopstanden bestaan  en voor verharde  openbare  wegen. De regeling  van de tariefdifferentiatie staat in artikel 122 van de Waterschapswet.</al><al/><al>Het Waterschap  Hollandse  Delta kent  een tariefdifferentiatie voor ongebouwde  en gebouwde onroerende zaken die buitendijks zijn gelegen  en voór verharde openbare  wegen. Dit is vastgelegd . in artikel 4 van de Kostentoedelingsverordening.</al><al/><al><vet>7. Hoofdstukindeling</vet></al><al/><al>De verordening bestaat  uit 6. hoofdstukken, genummerd I tot en met VIen 17 artikelen. Hoofdstuk I bevat  inleidende bepalingen. De hoofdstukken II tot  en met V gaan respectievelijk in op de heffing  ter zake van ingezetenen, ongebouwde onroerende zaken (niet  zijnde natuurterreinen), natuurterreinen en gebouwde  onroerende zaken. Het slothoofdstuk bevat  algemene  bepalingen over de heffing en de invordering van de watersysteemheffing.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze</vet><vet>toelichting</vet></al><al/><al><vet>Aanhef</vet></al><al/><al>Het besluit  om de watersysteemheffing in te voeren, is een bevoegdheid van het algemeen bestuur van het waterschap, welke wordt  geconcretiseerd door de vaststelling van de belastingverordening. Dit wordt  in de aanhef  van de verordening tot uitdrukking gebracht, waarbij  ook de relevante wettelijke bepalingen worden  genoemd. Artikel HO  Waterschapswet is de wettelijke bepaling  die over het besluit tot invoering van de belasting  en de daarvoor benodigde vaststelling van de belastingverordening gaat. Artikel 113 is de wettelijke bepaling die aangeeft welke belastingen  en rechten  door de waterschappen geheven  mogen worden  en artikel 117 is de bepaling  op grond waarvan  waterschappen ter bestrijding van kosten  verbonden aan de zorg voor het watersysteem, onder de naam  watersysteemheffing een belasting  mogen  heffen.  In de aanhef wordt  daarnaast  tot uitdrukking gebracht dat aan de vaststelling van de verordening door het algemeen  bestuur een voordracht van het dagelijks bestuur  vooraf  gaat.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk I</vet><vet/><vet>Inleidende bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al/><al>In dit artikel zijn omwille van de duidelijkheid omschrijvingen opgenomen van in de verordening vaker voorkomende begrippen.</al><al/><al><vet>a. Ingezetenen</vet></al><al>De omschrijving van het begrip  ingezetenen  is ontleend  aan artikel 116, onder a, van de Waterschapswet. Om als ingezetene  aangemerkt te kunnen  worden, moet sprake zijn van het hebben van woonplaats en het gebruik  van woonruimte in het gebied van het waterschap.  Of sprake is van het hebben  van woonplaats, wordt  aan de hand van gegevens  uit de basisregistratie personen bépaald.  De situatie  bij het begin van het kalenderjaar is bepalend.</al><al/><al>Woonruimte  is iedere  ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien  in woongelegenheid. Dit betekent dat de gebruiker van de woonruimte niet anders dan bijkomstig afhankelijk mag zijn van voorzieningen elders  in het gebouw. In het geval van woonruimten moet  worden gedacht  aan voorzieningen als keuken, douche en toilet. Deze moeten de gebruiker van de woonruimte, met uitsluiting van anderen  die niet tot zijn of haar huishouden behoren, exclusief  ter beschikking  staan. Bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen kunnen  om deze reden veelal niet als ingezetenen  in de zin van artikel 116, onder a, van de Waterschapswet worden aangemerkt. Hetzelfde  geldt voor bewoners van studentenhuizen.</al><al/><al><vet>b. Heffingsambtenaar</vet></al><al>De ambtenaar van het waterschap  die de heffingsbevoegdheden (inspecteurbevoegdheden) uit de</al><al>Algemene wet inzake  rijksbelastingen uitoefent, wordt  in de verordening de heffingsambtenaar genoemd.  Tot de inspecteursbevoegdheden behoort  de bevoegdheid tot het vaststellen ·van belastingaanslagen en de bevoegdheid tot het doen van uitspraken op bezwaarschriften. Het dagelijks  bestuur  van het waterschap  moet een besluit  nemen  waarin  de heffingsambtenaar wordt aangewezen.  De wettelijke basis is artikel 123, derde lid, onder a, van de Waterschapswet.</al><al/><al>Indien  twee of meer  waterschappen samenwerken in een gemeenschappelijke regeling  en indien bij die regeling  een openbaar  lichaam  is ingesteld, kan een ambtenaar van dit openbaar lichaam  als heffingsambtenaar worden  aangewezen. Dit is in artikel 124, vijfde lid, onder a, van de Waterschapswet geregeld. Aanwijzing  tot heffingsambtenaar gebeurt bij besluit  van het openbaar lichaam.</al><al/><al><vet>c. Invorderingsambtenaar</vet></al><al>De ambtenaar van het waterschap  die de ontvangersbevoegdheden uit de Invorderingswet 1990 uitoefent, wordt  in de verordening met de term 'invorderingsambtenaar' aangeduid. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort  de bevoegdheid tot  de invordering van de belasting. Ook het verlenen  van kwijtschelding van belasting  is een ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet noemt  de ontvanger in artikel  123, derde lid, onder c. Evenals dat ten aanzien van de heffingsambtenaar het geval is, kan in geval samenwerking door  waterschappen in een gemeenschappelijke regeling  eh indien hierbij een openbaar  lichaam  is ingesteld, een ambtenaar van dit openbaar  lichaam  als invorderingsambtenaar worden  aangewezen. Dit volgt uit artikel 124, vijfde  lid, onder  b, van de Waterschapswet. Aanwijzing  tot invorderingsambtenaar gebeurt bij besluit van het openbaar  lichaam.</al><al/><al><vet>d. Woonruimte</vet></al><al>Voor een beschouwing op het begrip  woonruimte wordt  verwezen naar onderdeel  a, hiervoor.</al><al/><al><vet>e. Kostentoedelingsverordening</vet></al><al>Elk waterschap  moet  ingevolge  artikel  120, eerste lid, eerste  volzin, van de Waterschapswet  ten behoeve van de watersysteemheffing een verordening vaststellen waarin de toedeling  van het kostenaandeel  voor elk van de belastingplichtige categorieën is vastgelegd.  Deze verordening wordt de Kostentoedelingsverordening genoemd.  De Kostentoedelingsverordening is ook in het kader van de tariefdifferentiatie van belang.</al><al/><al><vet>f. Buitendijks gelegen onroerende zaken</vet></al><al>Buitendijks gelegen  onroerende  zaken zijn omschreven als onroerende zaken die geheel of gedeeltelijk buiten  de primaire waterkering zijn gelegen.  Deze omschrijving is gelijk  aan de definitie  uit de kostentoedelingsverordening.</al><al/><al><vet>g. Natuurterreinen</vet></al><al>De omschrijving van het begrip  natuurterreinen is ontleend  aan artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve omschrijving van het begrip, waarbij  de nadruk  op de duurzame  inrichting en beheer als natuurgebied ligt. Bij de beoordeling of sprake is van een ongebouwde  onroerende zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam  zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur  (toetsing aan de zojuist genoemde  kwalitatieve omschrijving), zijn ook de feitelijke of uiteindelijke bestemming  van de onroerende zaak van belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren  niet is bewerkt en waar inmiddels eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar  waar uiteindelijk wel gebouwd  zal worden, niet  als een natuurterrein kwalificeren. Ook stadsparken, plantsoenen  en dergelijke zullen vanwege  hun overwegende recreatieve functie  niet  als natuurterrein in aanmerking genomen  kunnen  worden.</al><al/><al>Onder natuurterreinen worden  mede bossen en open wateren  met  een oppervlakte van tenminste één hectare  verstaan.  Er is sprake  van wetsduiding: zodra een bos of open water een oppervlakte van één hectare of meer  heeft, is sprake van een natuurterrein. In deze gevallen  is niet relevant of de inrichting en het beheer  van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe  dat ook bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen van tenminste één hectare  tot de categorie natuurterreinen worden gerekend. Geheel of nagenoeg geheel staat overigens voor 90% of meer.</al><al/><al>Over de vraag wat wel en wat niet als een natuurterrein in de zin van de Waterschapswet  moet worden  aangemerkt, bestonden in de praktijk in een aantal gevallen verschillen van inzicht  tussen waterschappen en grondeigenaren. De verschillen van inzicht  concentreerden zich voornamelijk rond graslanden en akkers die in de praktijk (mede) agrarisch  worden  gebruikt, of waar agrarische beheermaatregelen worden  ingezet. De hamvraag was in deze gevallen veelal dan ook of de inrichting en het beheer  van het betreffende perceel geheel of nagenoeg  geheel is afgestemd  op het behoud  of de ontwikkeling van natuur.</al><al/><al>Om hierover duidelijkheid te krijgen hebben de Unie van Waterschappen en het Bosschap in gezamenlijk overleg  een aantal landelijke voorbeeldprocedures gevoerd. Op 7 november 20142 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een van de voorbeeldprocedures. De Hoge Raad oordeelt als volgt: "Bij  de beoordeling van de vraag of een ongebouwde onroerende zaak kan worden aangemerkt als natuurterrein in de zin van artikel 116, letter  c, van de Wet - en de gelijkluidende bepaling  in de Verordening - geldt  als eis dat de inrichting en het  beheer van die zaak geheel of nagenoeg  geheel en duurzaam zijn afgestemd  op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Activiteiten die zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur  moeten  worden gerekend  tot het beheer  in de zojuist  bedoelde zin. Dit geldt ook indien  die activiteiten leiden tot agrarische  opbrengsten. De wettekst noch de wetsgeschiedenis van artikel 116 van de Wet biedt steun aan de in het middel vervatte andersluidende opvatting. In dit verband  is niet van belang hoeveel opbrengst die activiteiten genereren, en evenmin  of zij worden  verricht door de eigenaar van het terrein of door een derde, zoals een pachter.  Voor zover  het middel  betoogt  dat een resterend agrarisch  opbrengst-vermogen van meer dan tien percent meebrengt dat geen sprake  is van een natuurterrein in voormelde zin, faalt het derhalve."</al><al/><al>De uitspraak van de Hoge Raad geeft duidelijkheid voor de percelen waarvan  de agrarische activiteiten zijn afgestemd op behoud  of ontwikkeling van natuur. Dan staan agrarisch  gebruik  of agrarische  opbrengsten niet  in de weg aan de kwalificatie als natuurterrein.</al><al><noot type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>ECU:NL:HR:2014:3118.</noot.al></noot></al><al/><al><vet>h. Ongebouwde onroerende zaken</vet></al><al>Waar in deze verordening wordt  gesproken  over ongebouwde onroerende zaken, worden steeds ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterrein zijn, bedoeld. Het gaat om de ongebouwde onroerende zaken bedoeld  in artikel117, onder b, van de Waterschapswet.</al><al/><al><vet>i. Gebied  van het  waterschap</vet></al><al>In artikel l van de Waterschapswet is het functionele karakter van de waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied. In verband  hiermee is onder andere de zorg voor het  watersysteem aan hen opgedragen. De regeling van het gebied gebeurt door de provincie, bij  provinciaal reglement. Omdat  de toekenning van 'zorg  voor het watersysteem' aan de waterschappen niet impliceert dat alle zorg voor het watersysteem  in een bepaald gebied aan het waterschap is toegekend  (ook andere  overheden kunnen  immers  ter zake taken uitoefenen), is in de verordening opgenomen dat het moet  gaan om het gebied waarin het waterschap  de bevoegdheid tot uitoefening van het watersysteembeheer heeft.</al><al/><al><vet>j. De heffing</vet></al><al>Waar in de verordening over 'de heffing' wordt  gesproken, wordt  steeds de watersysteemheffing,</al><al>genoemd  in artikel  117, aanhef, van de Waterschapswet, bedoeld.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Belastbaar feit  en belastingplichtigen</vet></al><al>In artikel 2 is aangegeven  van wie de belasting  wordt  geheven. Tezelfdertijd zijn in het artikel de belastbare  feiten  opgenomen. Deze vallen samen met  de omschrijving van de belastingplichtigen.</al><al/><al>Belastingplichtig zijn degenen te wiens aanzien het belastbaar  feit  zich voordoet.  In overeenstemming met artikel 117 van de Waterschapswet zijn als belastingplichtigen respectievelijk aangewezen  degenen die woonachtig zijn in het gebied  van het waterschap  en die aldaar het gebruik  hebben van woonruimte (de ingezetenen) en degenen die in het gebied  van het waterschap  eigenaar  zijn  van ongebouwde  onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, van natuurterrein of van gebouwde  onroerende zaken. Deze vier belastingplichtige categorieën zijn  in artikel  2, tweede  lid, onderdelen a tot en met d, van de verordening opgenomen.</al><al/><al>In het derde lid van het artikel is vastgelegd  dat het begin van het  kalenderjaar bepalend  is voor de belastingplicht van de eigenaren  van ongebouwde onroerende zaken niet zijnde  natuurterreinen, de eigenaren van natuurterreinen en de eigenaren van gebouwde  onroerende  zaken. Dit volgt  uit artikel  119, eerste lid, van de Waterschapswet. Indien  het genot  krachtens  eigendom, bezit  of beperkt  recht  van een onroerende zaak in de loop van het jaar aanvangt of eindigt, heeft  dat dus geen invloed op de belastingplicht vanwege  het tijdstipkarakter van de heffing. Het begin  van het kalenderjaar is blijkens artikel  1, onderdeel a, van de verordening overigens  ook bepalend  voor de ingezetenen. Deze bepaling  stoelt op artikel 116, onder  a, van de Waterschapswet.</al><al/><al>In artikel 119, tweede en derde lid, van de wet is voor een aantal specifieke situaties de rangorde bij het bepalen  van de heffingplichtige aangegeven. Deze regelingen zijn in het vierde  en vijfde lid van artikel 2 van de verordening overgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</vet></al><al/><al>Artikel 3 geeft per belastingplichtige categorie  de heffingsmaatstaf aan. De bepaling  is gebaseerd op artikel 121, eerste lid, van de Waterschapswet. De heffingsmaatstaf voor ingezetenen  is de woonruimte en voor natuurterreinen en ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, is de heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak. Voor gebouwde  onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de voor het kalenderjaar vastgestelde WOZ-waarde.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk II</vet><vet/><vet>Watersysteemheffing ingezetenen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4 Tarief ingezetenen</vet></al><al/><al>In artikel 4 is de relatie  tussen het tarief  en de Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht en is, conform  het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder a, van de Waterschapswet, vastgelegd dat het tarief  op een gelijk  bedrag per woonruimte wordt  gesteld. Tariefdifferentiatie  is niet mogelijk.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5 Belastingobject ongebouwde onroerende zaken</vet></al><al/><al>De voorschriften voor de afbakening van de objecten  waarop de heffing  betrekking heeft, staan in artikel 118 van de Waterschapswet. Het derde lid regelt  de afbakening van een ongebouwde onroerende zaak die geen natuurterrein is. Het ongebouwd  wordt  afgebakend op basis van de kadastrale registratie: als één ongebouwde onroerende zaak wordt  aangemerkt een kadastraal perceel of een gedeelte daarvan. Hierbij geldt  wel de nuancering dat hetgeen  ingevolge de wet wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen  ingevolge de wet een natuurterrein is, bij  de afbakening van het ongebouwde object  buiten  aanmerking moet  worden gelaten. In artikel  5, eerste lid, van de verordening komt  deze wettelijke regeling terug.</al><al/><al>In het tweede  lid van artikel 5 is hetgeen  in artikel 118, vijfde  lid, van de Waterschapswet, is bepaald, weergegeven. Er is niet zozeer sprake  van een afbakeningsvoorschrift, maar van een fictiebepaling op grond  waarvan  de in dit artikellid genoemde  objecten als ongebouwde eigendommen, niet zijnde  natuurterreinen, worden  aangemerkt. Het gaat  om openbare  land-  en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail en hun kunstwerken. Ook waterverdedigingswerken die worden  beheerd  door organen, instellingen of diensten  van publiekrechtelijke rechtspersonen worden  in genoemde  wettelijke bepaling  als ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde  natuurterreinen, aangemerkt. Ook voor deze objecten geldt trouwens dat de afbakening plaatsvindt op basis van kadastrale grenzen. Delen van waterverdedigingswerken die worden  aangemerkt als woning, kwalificeren uitdrukkelijk niet als ongebouwde objecten.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken</vet></al><al/><al>Lid 1</al><al>Op grond  van het bepaalde  in artikel 121, eerste lid, onder b, van de Waterschapswet, wordt het tarief  van de heffing  ter zake van ongebouwde onroerende zaken gesteld  op een gelijk bedrag per hectare.  Deze bepaling  en de relatie met de Kostentoedelingsverordening, zijn  in het eerste lid van artikel 6 opgenomen</al><al/><al>Tariefdifferentiatie</al><al>De Waterschapswét noemt  in artikel 122 vijf  situaties waarin  het mogelijk is om de tarieven  van de belasting  lager of hoger vast te stellen. Artikel  122 (de bepaling  die de tariefdifferentiatie regelt)</al><al>maakt  dus een inbreuk op het uitgangspunt dat het tarief  van de belasting op een gelijk  bedrag  per hectare  wordt  gesteld. De Kostentoedelingsverordening geeft uitsluitsel over  de vraag of er in een concreet  geval gedifferentieerd wordt en zo ja, in welke mate.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Eén van de tariefdifferentiaties die in het geval van ongebouwde onroerende zaken kan worden ingesteld, is de differentiatie wegens het feit dat deze onroerende zaken buitendijks zijn gelegen. Indien hiervan sprake is, kan het tarief  van de belasting  maximaal 75%  lager  worden  vastgesteld. De mate  waarin wordt  gedifferentieerd blijkt uit artikel 4, eerste lid, van de Kostentoedelingsverordening.</al><al/><al>Lid 3</al><al>In dit artikellid is de tariefdifferentiatie voor verharde  openbare  wegen opgenomen. Het is mogelijk het tarief  maximaal 400%  hoger  vast te stellen, Indien het algemeen  bestuur voor  1 juli 2012 tariefdifferentiatie toepaste.  Dat laatste is bij waterschap  Hollandse  Delta  het geval. De mate  waarin wordt gedifferentieerd blijkt uit artikel 4, tweede lid, van de Kostentoedelingsverordening van het waterschap.</al><al/><al>Lid 4</al><al>In dit artikellid is de cumulatie van de tariefdifferentiaties van het tweede  en derde lid</al><al>geconcretiseerd.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7 Belastingobject</vet></al><al/><al>Het voorwerp  van de belasting  is het natuurterrein. De wet merkt  een kadastraal perceel of gedeelte daarvan  als één natuurterrein aan. Ook natuurterreinen worden dus op basis van de kadastrale  registratie afgebakend. Hierbij wordt  hetgeen  als een gebouwde  onroerende zaak en hetgeen  als een ongebouwde  onroerende zaak, niet zijnde  een natuurterrein, wordt aangemerkt, buiten  aanmerking gelaten (artikel 118, vierde  lid, Waterschapswet).</al><al/><al>Een natuurterrein is een ongebouwde onroerende zaak waarvan  de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam  zijn afgestemd  op het behoud of de ontwikkeling van natuur.  Of een onroerende zaak een natuurterrein is, wordt met andere woorden  door de feitelijke en niet door de toekomstige bestemming of de bestemming volgens het bestemmingsplan bepaald. Geheel of nagenoeg geheel staat voor 90%  of meer, terwijl gebruik van het woord 'duurzaam' erop duidt dat geen sprake mag zijn van een situatie die als tijdelijk is bedoeld.</al><al/><al>Bossen en open wateren  met een oppervlakte van tenminste één hectare worden  op grond  van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet als natuurterreinen aangemerkt. Zij hoeven niet aan het vereiste  te voldoen dat zij geheel of nagenoeg geheel en duurzaam  moeten zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bossen die bedrijfsmatig worden geëxploiteerd onder het begrip  natuurterreinen vallen. De wetgever  heeft  hiervoor gekozen omdat  het onderscheid  in niet-bedrijfsmatig  geëxploiteerde bossen enerzijds  en bossen die wel als zodanig worden  geëxploiteerd, in de praktijk moeilijk is te maken 3• Natte veenweidegebieden worden, op grond  van de overweging dat deze gebieden ook een agrarische  functie  hebben, door de wetgever  niet als natuurterrein maar  als agrarische  grond aangemerkt.</al><al/><al>De objectafbakeningsvoorschriften van artikel  118, vierde  lid, van de Waterschapswet gelden ook voor bossen en open wateren. Bij open wateren  moet overigens  worden gedacht  aan wateren  met een weids karakter. Openbare waterwegen behoren niet tot deze categorie, maar tot  de categorie ongebouwd  niet  zijnde natuur.</al><al><noot type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Zie de toelichting op het Waterschapsbesluit, Staatsblad 2007, 497, bladzijde 131.</noot.al></noot></al><al/><al><vet>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</vet></al><al>Het tarief  van de heffing  wordt  op een gelijk bedrag  per hectare gesteld. Dit is in artikel 121, eerste lid, onderdeel  c, van de Waterschapswet bepaald. In artikel 8 van de verordening wordt  dit ook zo aangegeven. Daarnaast  wordt  in deze bepaling  de relatie  met de Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9 Belastingobject</vet></al><al>Het belastingobject is in dit geval de gebouwde  onroerende zaak. Wat onder één gebouwde onroerende zaak moet  worden verstaan, blijkt uit artikel 118, eerste en tweede  lid, van de Waterschapswet. De regeling  van de Waterschapswet is in artikel 9 van de verordening overgenomen.</al><al/><al>De Waterschapswet  sluit wat betreft de afbakening  ter zake van gebouwde  onroerende zaken zoveel als mogelijk aan bij de objectafbakening van de Wet waardering onroerende zaken (hierna ook Wet WOZ genoemd). De wetgever  heeft deze aansluiting vorm gegeven door bij  een samenstel van ongebouwde en gebouwde eigendommen te bepalen dat sprake is van één gebouwde onroerende zaak. De ongebouwde  onroerende zaak gaat in deze gevallen deel uitmaken van de gebouwde  onroerende zaak. Voorbeelden  van dergelijke objecten zijn sportterreinen met  kantine en kleedkamers, golfbanen  met clubgebouw, maneges, campings en kazerneterreinen met oefenterreinen.</al><al>Het is van belang op te merken  dat niet  alle ongebouwde  eigendommen een samenstel met een gebouwd  eigendom kunnen vormen. Dit is in het derde lid van artikel 9 tot uitdrukking gebracht. Op grond van deze bepaling kunnen  ongebouwde eigendommen die bij de waardebepaling op grond van de Wet waardering  onroerende zaken buiten  aanmerking worden  gelaten, geen deel uitmaken van de gebouwde  onroerende zaak. Het gaat concreet om de ongebouwde eigendommen die zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten  Wet WOZ, dus bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, Natuurschoonwetlandgoederen, natuurterreinen, openbare land-  en waterwegen en spoorwegen  inclusief  hun kunstwerken. Deze onroerende zaken blijven, ook al vormen ze een samenstel met een gebouwd  eigendom, dus ongebouwd.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Tarief</vet></al><al/><al>Lid 1</al><al>Het tarief  van de belasting  wordt  voor gebouwde onroerende zaken op een vast percentage van de WOZ-waarde gesteld. Deze regeling, die in artikel 121, eerste lid, onderdeel d, van de Waterschapswet is opgenomen,is in de verordening overgenomen. Daarnaast geeft artikel 10, eerste  lid, van de verordening de relatie  met  de Kostentoedelingsverordening aan.</al><al/><al><cursief>Tariefdifferentiatie</cursief></al><al>De Waterschapswet noemt  in artikel 122 vijf  situaties waarin  het mogelijk Is om de tarieven van de belasting lager of hoger vast te stellen. Artikel 122 (de bepaling  die de tariefdifferentiatie regelt) maakt  dus een inbreuk  op het uitgangspunt dat het tarief  van de belasting  op een vast percentage van de vastgestelde WOZ-waarde  wordt  gesteld. De Kostentoedelingsverordening geeft  uitsluitsel over  de vraag  of er in een concreet  geval gedifferentieerd wordt  en zo ja, in welke mate.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Een van de tariefdifferentiaties die kan worden  Ingesteld, is de differentiatie voor gebouwde onroerende zaken die buitendijks zijn gelegen. Ingevolge artikel 122, eerste lid, Waterschapswet kan het tarief  in deze gevallen maximaal 75%  lager  worden  vastgesteld. De mate waarin  wordt gedifferentieerd blijkt uit het eerste lid van artikel 4 van de Kostentoedelingsverordening van het waterschap.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk VI</vet><vet/><vet>Heffing en invordering</vet></al><al/><al><vet>Artikel 11 Wijze van heffing</vet></al><al/><al>Ingevolge artikel  125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen op de volgende wijzen  worden  geheven:</al><lijst><li nr="•"><al>bij wege van aanslag;</al></li><li nr="•"><al>bij wege van voldoening op aangifte of </al></li><li nr="•"><al>op andere  wijze.</al></li></lijst><al>Heffing  bij  wege van afdracht op aangifte is niet  mogelijk. De toegestane  heffingstechnieken verschillen van elkaar. Voor welke heffingswijze wordt  gekozen zal veelal van de aard en de ingewikkeldheid van de te heffen  belasting  afhangen. De huidige  praktijk is dat de watersysteemheffing bij wege van aanslag  wordt geheven.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer belastingplichtigen</vet></al><al/><al>Waterschappen zijn  bevoegd  om in gevallen waarin  ter zake van hetzelfde  voorwerp van de belasting of ter zake van hetzelfde  belastbare feit twee of meer personen  belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name van een van hen te stellen. Vloeit de belastingplicht voort  uit de eigendom van een onroerende zaak en is de aanslag  ten name van een van de belastingplichtigen gesteld, dan kan de invorderingsambtenaar van het waterschap  de gehele belastingschuld op laatstbedoelde persoon verhalen. Deze persoon  moet  het gehele bedrag van de aanslag voldoen. Hij is wel bevoegd  hetgeen hij meer heeft  voldaan dan overeenkomt met  zijn belastingplicht, naar evenredigheid van ieders belastingplicht op de overige  belastingplichtigen te verhalen. Dit blijkt uit artikel 142, eerste tot en met derde lid, van de Waterschapswet. De regeling  van artikel 142 Waterschapswet maakt  de toevoeging 'cum  suis', die in het verleden  in voorkomende gevallen wel eens op het aanslagbiljet placht  te worden  opgenomen, overbodig.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Niet  opleggen van aanslagen</vet></al><al/><al>Artikel  13 van de verordening is een weergave  van hetgeen in artikel 115a van de Waterschapswet Is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt  dat een aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag  niet te boven gaat, niet wordt opgelegd.  Doelmatigheid van de heffing  staat hierbij voorop; de bepaling  voorkomt dat aanslagen  voor betrekkelijk geringe bedragen  moeten  worden opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de belasting  in deze gevallen  Immers  als snel kunnen  overstijgen. Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het voorgaande  voor het totaal van de aanslag. Het belang van deze bepaling  blijkt in situaties waarin een belastingplichtige eigenaar  van meerdere  objecten met een relatief  geringe  waarde  in het gebied van het waterschap  is. Indien het waterschap  de voor deze belastingplichtige bestemde  aanslagen  op één biljet  verenigt, wordt  wellicht  boven de eerder bedoelde doelmatigheidsdrempel uitgekomen en kan  dus wel een aanslag worden opgelegd.</al><al/><al>In de Gemeentewet is In het kader  van de heffing  van de gemeentelijke onroerende­ zaakbelastingen bepaald dat gemeenten geen belastingaanslagen hoeven  op te leggen indien  de heffingsmaatstaf beneden de € 12.000,- of in een de belastingverordening te bepalen lager bedrag blijft. Een vergelijkbare bepaling  komt  in de Waterschapswet  niet voor. Elk waterschap  is dan ook vrij  de hoogte van de doelmatigheidsdrempel voor zichzelf te bepalen  en in de heffingsverordening neer te leggen.</al><al/><al><vet>Artikel 14  Vrijstellingen</vet></al><al/><al>In artikel  14 is een vrijstelling voor straatmeubilair opgenomen.  Straatmeubilair behoort  tot de categorie  gebouwde onroerende zaken. Het algemeen  bestuur  heeft  ervoor  gekozen geen vrijstelling op te nemen voor onroerende zaken waarvan  het waterschap  zelf genothebbende is krachtens  eigendom, bezit, of beperkt  recht.</al><al/><al><vet>Artikel 15 Betaaltermijnen</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De betalingstermijn in het tweede  lid wijkt  af van die in artikel  9 van de Invorderingswet 1990. Om die reden is de afwijkende betalingstermijn hier opgenomen.  De bevoegdheid om afwijkende betalingstermijnen in de belastingverordening op te nemen staat  in artikel 139, eerste lid, Waterschapswet.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Indien  de aanslagen middels  automatische incasso kunnen worden  geïncasseerd, kan de aanslag in 10 termijnen worden  betaald.  De eerste termijn vervalt  één maand  na dagtekening van de aanslag en de volgende  termijnen telkens  1 maand later.  Voor deelname   aan de automatische incasso moet een machtiging worden  afgegeven  voor het rekeningnummer vanwaar  wordt  geïncasseerd.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De betalingstermijn voor een navorderingsaanslag komt  overeen met  die in artikel  9 van de Invorderingswet 1990. Strikt genomen  hoeft deze bepaling  niet in de verordening te staan wanneer het waterschap  aansluit  bij  de daar genoemde  termijn. Indien  de verordening daar geen bepalingen  over bevat, is immers automatisch artikel 9 van de invorderingswet 1990 van toepassing. Omwille van de duidelijkheid is de bepaling  zo opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Nadere regels</vet></al><al/><al>Het dagelijks bestuur  kan nadere  regels geven op het gebied van de heffing  en de invordering van de watersysteemheffing. Deze bepaling  is in de verordening opgenomen om er geen misverstanden over te laten bestaan dat er op het gebied van de heffing  en de invordering van de belasting  ook op andere plaatsen dan in de verordening zelf relevante  regels kunnen  zijn opgenomen. Het gaat hierbij  met name om regels die gelden voor het doen van aangifte {voor  de watersysteemheffing minder  relevant), het opleggen  van voorlopige  aanslagen, regels  in het kader van de invorderingsrente en nadere regels  in het kader van de heffing  op andere  wijze. Voor dit laatste wordt ook verwezen  naar artikel 125a, eerste lid, tweede volzin, Waterschapwet. De bevoegdheid van het dagelijks bestuur  om nadere regels te stellen strekt  zich uit tot  de bevoegdheden  die in de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan de Minister van Financiën, het bestuur  van de Rijksbelastingen en de directeur zijn toegekend.</al><al/><al><vet>Artikel 17 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing en citeertitel</vet></al><al/><al>In het eerste lid van artikel 17 wordt  de oude heffingsverordening ingetrokken met ingang van de datum  van ingang van de heffing. De datum  van ingang  de heffing  is 1januari 2019. De oude verordening blijft van toepassing op belastbare  feiten  die zich vóór 1 januari  2019 hebben voorgedaan. Het blijft dus mogelijk om deze belastbare  feiten  op basis van de oude verordening te belasten, ook al is de verordening ingetrokken.</al><al/><al>Ingevolge het tweede lid van artikel  17 treedt  de verordening de eerste dag na haar bekendmaking in werking.</al><al/><al>Omtrent de bekendmaking van de verordening is verder  hetgeen  in artikel 73 van de Waterschapswet is bepaald, van belang. Bekendmaking van de verordening is essentieel, want zonder bekendmaking heeft de verordening immers  geen verbindende kracht.  Bekendmaking geschiedt in het waterschapsblad. De uitgifte van het waterschapsblad geschiedt elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze. Na de uitgifte blijft het waterschapsblad elektronisch op een algemeen  toegankelijke wijze beschikbaar.</al><al/><al>In het vierde  lid is de citeertitel van de verordening en het jaartal 2019 genoemd. Het jaar 2019 verwijst naar het eerste  jaar  waarin het waterschap  de watersysteemheffing op basis van deze verordening zal heffen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>