<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR61780_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Ouder-Amstel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Ouder-Amstel 23-12-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Ouder-Amstel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-06-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe Regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009/28</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Uitvoeringsbesluit artikel 5.22 Ligplaats vaartuigen</al><al>Uitvoeringsbesluit artikel 5.5 Parkeren recreatie e.d.</al><al>Uitvoeringsbesluit artikel 5.7 Parkeren grote voertuigen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Ouder-Amstel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>INDEX ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING VOOR DE GEMEENTE
                                OUDER-AMSTEL</cursief></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Schriftelijke mededeling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Algemene weigeringsgronden</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1</nr><titel>BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en
                                    samenkomsten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Messen en steekwapens</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2</nr><titel>BETOGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3</nr><titel>VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4</nr><titel>VERTONINGEN E.D. OP DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5</nr><titel>BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>6</nr><titel>VEILIGHEID OP DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10</nr><titel>Hinderlijke beplanting of voorwerp</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.12</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.13</nr><titel>Verbod om de weg te gebruiken als slaapplaats</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.14</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>7</nr><titel>EVENEMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.15</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.16</nr><titel>Evenement</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.17</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8</nr><titel>TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.18</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.19</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.20</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.21</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.22</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.23</nr><titel>Beperking verstrekking alcoholhoudende drank</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.24</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.25</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.26</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>9</nr><titel>TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.27</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.28</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>10</nr><titel>MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.29</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.30</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.31</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.32</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.33</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34</nr><titel>Rijden over bermen e.d</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.35</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.36</nr><titel>Hinderlijk gebruik drank en softdrugs</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.37</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.38</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.39</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.40</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.41</nr><titel>Gevaarlijke of hinderlijke honden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.42</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.43</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.44</nr><titel>Bijen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.45</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>11</nr><titel>DRUGSOVERLAST</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.46</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>12</nr><titel>BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN
                                CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.47</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.48</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.49</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Seksinrichtingen en escortbedrijven</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d.</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3</nr><titel>BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.11</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.12</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4</nr><titel>BEEINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.13</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.14</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1</nr><titel>GELUIDHINDER EN VERLICHTING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Aanwijzing van collectieve festiviteiten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Geluidhinder door toestellen of apparaten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Geluidhinder door dieren</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Geluidhinder door bromfietsen e.d.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Geluidhinder door vrachtauto’s</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Routering</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2</nr><titel>BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3</nr><titel>MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.15</nr><titel>Vergunningplicht reclame</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.16</nr><titel>Vergunningplicht lichtreclame</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4</nr><titel>KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1</nr><titel>PARKEEREXCESSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.9</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.10</nr><titel>Overlast van fiets, bromfiets of
                                    gehandicaptenvoertuig</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2</nr><titel>COLLECTEREN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.11</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3</nr><titel>VENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.12</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.13</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.14</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4</nr><titel>STANDPLAATSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.15</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.16</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.17</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.18</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5</nr><titel>SNUFFELMARKTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.19</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.20</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>6</nr><titel>OPENBAAR WATER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.21</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.22</nr><titel>Ligplaats vaartuigen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.23</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.24</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.25</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.26</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.27</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.28</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>7</nr><titel>CROSSTERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.29</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8</nr><titel>VERBOD VUUR TE STOKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.30</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al/><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING OP DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING</tussenkop><tussenkop>De toelichting op deze algemene plaatselijke verordening is na hoofdstuk
                    6 gevoegd</tussenkop><al> De raad van de gemeente Ouder-Amstel,</al><al>gelezen het voorstel van het college van 3 november 2009, nr. 2009/55,</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet,</al><al>gezien het advies van de raadscommissie 3 december 2009,</al><al>overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving van de
                    openbare orde,</al><tussenkop>s t e l t v a s t:</tussenkop><al>De ‘algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Ouder-Amstel.’</al><tussenkop>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1</tussenkop><tussenkop>Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Weg:</al><lijst><li nr="-"><al>de voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met
                                    inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die
                                    wegen behorende paden en bermen of zijkanten, alsmede de -al dan
                                    niet met enige beperking -voor publiek toegankelijke
                                    parkeerterreinen en parkeergebouwen;</al></li><li nr="-"><al>de – al dan niet met enige beperking - voor publiek
                                    toegankelijke pleinen, open plaatsen, parken, plantsoenen,
                                    speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten,
                                    veerponten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al></li><li nr="-"><al>de voor publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken,
                                    liften, gangen, achterpaden, passages en galerijen die
                                    uitsluitend tot voor bewoning en/of bedrijf in gebruik zijnde
                                    ruimen toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>de andere voor publiek toegankelijke – al dan niet afsluitbare -
                                    stoepen, trappen, portieken, gangen, liften, passages en
                                    galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet
                                    door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd
                                    is zijn afgesloten;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Openbaar water:</al><al> wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk
                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>Bebouwde kom:</al><al> de bebouwde kom waarvan de gemeenteraad de grenzen heeft
                            vastgesteld;</al></li><li nr="d."><al>Rechthebbende:</al><al> eenieder die over enige zaak of dier enige zeggenschap heeft krachtens
                            een zakelijk of persoonlijk recht of daar enige feitelijke macht over
                            uitoefent;</al></li><li nr="e."><al>Zaak:</al><al> ieder voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object;</al></li><li nr="f."><al>Bouwwerk:</al><al> elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                            materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect
                            met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of
                            op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="g."><al>Gebouw:</al><al> elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of
                            gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;</al></li><li nr="h."><al>Voertuigen: gelede en ongelede motorvoertuigen en alle rij- en
                            voertuigen, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="-"><al>treinen en trams;</al></li><li nr="-"><al>kruiwagens, kinderwagens e.d. kleine voertuigen;</al></li></lijst></li><li nr="i."><al>Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II,
                            behorend bij artikel 18 van de Meststoffenwet;</al></li><li nr="j."><al>Woonwagen: een wagen die voortdurend of nagenoeg voortdurend als woning
                            wordt gebezigd of daartoe is bestemd. Een woonwagen houdt niet op dit te
                            zijn, indien aan of bij de woonwagen voorzieningen worden getroffen ten
                            gevolge waarvan deze niet langer kan worden voortbewogen;</al></li><li nr="k."><al>Vaartuigen: elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder
                            waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk wordt gebruikt of
                            geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water,
                            alsmede drijvende werktuigen zoals kranen, werkeilanden, baggermolens,
                            pontons en ander materieel van soortgelijke aard;.</al></li><li nr="l."><al>Woonschepen:</al><lijst><li nr="-"><al>elk vaar- of drijftuig, dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt
                                    gebezigd als of te oordelen naar zijn constructie en/of
                                    inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot dag- en/of
                                    nachtverblijf van een of meer personen;</al></li><li nr="-"><al>een vaar- of drijftuig als bedoeld onder a. in aanbouw;</al></li><li nr="-"><al>een casco, dat tot een vaar- of drijftuig als bedoeld onder a.
                                    kan worden opgebouwd;</al></li><li nr="-"><al>elk vaar- of drijftuig, waarin of waarop bedrijfsmatige of
                                    soortgelijke activiteiten worden uitgeoefend of dat daartoe is
                                    ingericht;</al></li><li nr="-"><al>een vaar- of drijftuig als bedoeld onder a. tot en met d. dat is
                                    ingegraven, aangeaard, op de wal getrokken of door een andere
                                    oorzaak niet onmiddellijk kan varen of drijven;</al></li><li nr="-"><al>overblijfselen van een vaar- of drijftuig als bedoeld onder a.
                                    tot en met e.;</al></li></lijst></li><li nr="m."><al>Handelsreclame:</al><al> iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
                            beoogd wordt een commercieel belang te dienen;</al></li><li nr="n."><al>Raad:</al><al> de gemeenteraad van de gemeente Ouder-Amstel;</al></li><li nr="o."><al>College:</al><al> het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                            Ouder-Amstel;</al></li><li nr="p."><al>Burgemeester:</al><al> de burgemeester van de gemeente Ouder-Amstel.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1.2 </tussenkop><tussenkop>Beslistermijn</tussenkop><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of
                    ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.</al><tussenkop>Artikel 1.3 </tussenkop><tussenkop>Indiening aanvraag</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend
                            minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de
                            vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten
                            de aanvraag niet te behandelen.</al></li><li nr="2."><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of
                            ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd
                            tot ten hoogste acht weken.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1.4 </tussenkop><tussenkop>Schriftelijke mededeling</tussenkop><al>Als bij of krachtens deze verordening van een voornemen of een handeling
                    mededeling moet worden gedaan, geschiedt dat schriftelijk.</al><tussenkop>Artikel 1.5 </tussenkop><tussenkop>Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden
                    verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming
                    van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is
                    vereist.</al><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan
                    verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.</al><tussenkop>Artikel 1.6 </tussenkop><tussenkop>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</tussenkop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze
                    verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen
                    verzet.</al><tussenkop>Artikel 1.7 </tussenkop><tussenkop>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</tussenkop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                            verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten
                            opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking
                            of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter
                            bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen
                            een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde
                            termijn, binnen een redelijke termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1.8 </tussenkop><tussenkop>Algemene weigeringsgronden</tussenkop><al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd
                    in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="d."><al>de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="e."><al>de zedelijkheid of de volksgezondheid;</al></li><li nr="f."><al>de bescherming van het milieu;</al></li><li nr="g."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving.</al></li></lijst><tussenkop>HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE</tussenkop><tussenkop>AFDELING 1 BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 </tussenkop><tussenkop>Samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en
                    samenkomsten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk
                            gebouw of vaartuig deel te nemen aan een samenscholing of in
                            groepsverband dan wel afzonderlijk onnodig op te dringen, anderen lastig
                            te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk
                            gebouw of vaartuig een zaak bij zich te hebben waarvan aannemelijk is
                            dat deze is meegebracht of aanwezig is om de orde te verstoren dan wel
                            schade aan zaken of letsel aan personen toe te brengen.</al></li><li nr="3."><al>Degene die op of aan de weg bij een gebeurtenis is die tot toeloop van
                            publiek aanleiding geeft of bij enig voorval waardoor ongeregeldheden
                            ontstaan of dreigen te ontstaan aanwezig is dan wel zich in de richting
                            van die gebeurtenis of dat voorval begeeft, vervolgt op een daartoe
                            strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg in de
                            aangegeven richting.</al></li><li nr="4."><al>De verboden gelden niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige
                            en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                            manifestaties.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.2 </tussenkop><tussenkop>Messen en steekwapens </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen, met inbegrip
                            van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen, messen of
                            andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te
                            hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet
                            wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als steekwapen kunnen
                            worden gebruikt mits deze zaken zodanig zijn ingepakt dat zij niet
                            geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 2 BETOGING</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.3 </tussenkop><tussenkop>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te
                            houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en tenminste 48 uur
                            voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de
                            burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld in artikel
                            1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare
                            manifestaties.</al></li><li nr="3."><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="-"><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="-"><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="-"><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van
                                    aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="-"><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats
                                    van beëindiging;</al></li><li nr="-"><al>voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al></li><li nr="-"><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een
                                    regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het
                            tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></li><li nr="5."><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een
                            vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende
                            feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de
                            dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.</al></li><li nr="6."><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid,
                            genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling
                            nemen.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 3 VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.4 </tussenkop><tussenkop>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                    afbeeldingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen
                            onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op of aan
                            door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en
                            uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis
                            bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde
                            verbod.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 4 VERTONINGEN E.D. OP DE WEG</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.5 </tussenkop><tussenkop>Straatartiest </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                            straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 5 BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.6 </tussenkop><tussenkop>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een
                            weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming
                            daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of
                                    hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor
                                    commerciële doelenden worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor
                                    voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:</al><lijst><li nr="-"><al>geen onderdeel zich minder dan 2,5 meter boven dat
                                            gedeelte bevindt;</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook
                                            staat, zich op minder dan 0,6 meter van het voor het
                                            rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; en</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande
                                            gevel reikt;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>standplaatsen, mits vergunning is verleend als bedoeld in
                                    artikel 5.16;</al></li><li nr="d."><al>evenementen mits vergunning is verleend als bedoeld in artikel
                                    2.16;</al></li><li nr="e."><al>terrassen mits vergunning is verleend als bedoeld in artikel
                                    2.19;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen
                            waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                            brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
                            constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg,
                            gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig
                            en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het
                            doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></li><li nr="4."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                    oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig
                                    en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen
                                    voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband
                                    met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                    welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                    gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet
                            Milieubeheer, de Drank- en Horecawet, de Wet beheer
                            rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening Noord-Holland.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod
                            in het eerste lid niet geldt.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.7 </tussenkop><tussenkop>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen,
                            de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten,
                            aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins
                            verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken, het Wetboek van Strafrecht, de Wegenverordening
                            Noord-Holland, de Telecommunicatiewet en de Telecommunicatieverordening
                            Ouder-Amstel.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.8 </tussenkop><tussenkop>Maken, veranderen van een uitweg</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college:</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen
                            artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="3."><al>De vergunning kan worden geweigerd</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de
                                    weg;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                    de omgeving;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                    gemeente;</al></li><li nr="e."><al>vanwege de strijdigheid met een (ontwerp) bestemmingsplan.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien in de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken, het Rijkswegenreglement of de Wegenverordening
                            Noord-Holland.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEG</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.9</tussenkop><tussenkop>Winkelwagentjes</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking
                            stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is
                            verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander
                            herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek
                            op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen
                            of te doen verwijderen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.10 </tussenkop><tussenkop>Hinderlijke beplanting of voorwerp</tussenkop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op
                    zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of
                    daaraan op een andere wijze hinder of gevaar oplevert.</al><tussenkop>Artikel 2.11 </tussenkop><tussenkop>Openen straatkolken e.d.</tussenkop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput,
                    brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare
                    nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.</al><tussenkop>Artikel 2.12 </tussenkop><tussenkop>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers
                            bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad,
                            puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben
                            hangen lager dan 2,5 meter boven dat gedeelte van de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of
                            andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,60 meter uit de
                            uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een
                            afscheiding zijn aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel
                            1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                            Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.13 </tussenkop><tussenkop>Verbod om de weg te gebruiken als slaapplaats</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om de weg als slaapplaats te gebruiken en verder op of
                            aan de weg een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen,
                            keetwagen, tent, aanhangwagen of auto als slaapplaats te gebruiken of
                            daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid genoemde
                            verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare
                            orde, veiligheid en zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden,
                            onder andere ter voorkoming en beperking van hinder en overlast,
                            verontreiniging, voorkoming van besmettelijke ziekten en
                            brandgevaar.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.14 </tussenkop><tussenkop>Veiligheid op het ijs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                    verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige
                                    andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                    geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg
                                    te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                    daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                            vaarwegenverordening.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 7 EVENEMENTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.15 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepaling</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek
                            toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                    Gemeentewet en artikel 5.20 van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                    gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                    openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2.5 en 2.27 van deze
                                    verordening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.3
                                    van deze verordening, op de weg;</al></li><li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                    weg.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.16 </tussenkop><tussenkop>Evenement</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te
                            organiseren.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag voor een vergunning wordt ingediend uiterlijk acht weken
                            voor de datum van aanvang van het evenement.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan in verband met de voorbereidingstijd van het
                            evenement van deze termijn afwijken of voor bijzondere, periodiek
                            terugkerende evenementen afzonderlijk bepalen op welk tijdstip de
                            aanvraag wordt ingediend.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde is geen vergunning
                            vereist voor de bij besluit van de burgemeester aangewezen evenementen,
                            onder voorwaarde dat het voornemen tot het organiseren van dergelijke
                            evenementen tenminste drie weken voor de aanvang van het evenement door
                            de organisator ervan bij de burgemeester is gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan voorschriften stellen met het oog op een ordelijk en
                            veilig verloop van een evenement als bedoeld in lid 4 en met het oog op
                            het voorkomen van hinder voor derden.</al></li><li nr="6."><al>De burgemeester kan besluiten het organiseren van een evenement als
                            bedoeld in het vierde lid te verbieden, indien daardoor de openbare
                            orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                            komt of in geval van uitvoering van werkzaamheden in de openbare
                            ruimte.</al></li><li nr="7."><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de
                            weg, voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                            artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.17 </tussenkop><tussenkop>Ordeverstoring</tussenkop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al><tussenkop>AFDELING 8 TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.18 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                            bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt
                            verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor
                            directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf
                            wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café,
                            cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder
                            horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras
                            en andere aanhorigheden;</al></li><li nr="b."><al>terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van
                            het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar
                            tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor
                            directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon voor wiens
                            rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd;</al></li><li nr="d."><al>natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan een
                            bedrijf alsmede de bestuurder van de rechtspersoon voor wiens rekening
                            en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.19 </tussenkop><tussenkop>Exploitatievergunning horecabedrijf </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van
                            de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>Een vergunning als bedoeld in lid 1 vervalt drie jaar na de datum van
                            inwerkingtreding tenzij door de burgemeester een andere looptijd is
                            vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie
                            van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitant of
                            leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning geheel of
                            gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen
                            dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de
                            openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.</al></li><li nr="6."><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt
                            de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk,
                            waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het
                            horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                            blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.</al></li><li nr="7."><al>Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in een winkel als
                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voorzover de horeca een
                            nevenactiviteit is van de winkelactiviteit.</al></li><li nr="8."><al>Voorts geldt het eerste lid niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een horecabedrijf in zorginstellingen;</al></li><li nr="b."><al>een horecabedrijf in musea;</al></li><li nr="c."><al>stationsrestauraties;</al></li><li nr="d."><al>bedrijfskantines.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.20 </tussenkop><tussenkop>Sluitingstijd</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is de exploitant verboden het horecabedrijf voor bezoekers geopend
                            te hebben of bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven van
                            24.00 tot 07.00 uur.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere
                            sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een
                            daartoe behorend terras.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer
                            gebaseerde voorschriften.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.21 </tussenkop><tussenkop>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                            zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden
                            voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens
                            artikel 2.20 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting
                            bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de
                            Opiumwet.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.22 </tussenkop><tussenkop>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</tussenkop><al>Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de
                    tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2.20 of ingevolge een op grond van
                    artikel 2.21 genomen besluit gesloten dient te zijn.</al><tussenkop>Artikel 2.23 </tussenkop><tussenkop>Beperking verstrekking alcoholhoudende drank</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in
                            een bedrijf of een onderdeel daarvan:</al><lijst><li nr="a."><al>waar uitsluitend of in hoofdzaak kleine eetwaren worden
                                    verkocht;</al></li><li nr="b."><al>dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een
                                    jeugdorganisatie of -instelling;</al></li><li nr="c."><al>dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een
                                    sportorganisatie of -instelling;</al></li><li nr="d."><al>dat in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een
                                    openbaar vervoerbedrijf of waar onderwijs wordt gegeven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.24 </tussenkop><tussenkop>Handel in horecabedrijven</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld
                            in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel
                            437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of
                            een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft,
                            verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.25 </tussenkop><tussenkop>Ordeverstoring</tussenkop><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al><tussenkop>Artikel 2.26 </tussenkop><tussenkop>Het college als bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de
                    Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing
                    van artikel 2.19 tot en met 2.23.</al><tussenkop>AFDELING 9 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.27 </tussenkop><tussenkop>Speelgelegenheden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek
                            toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                            bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen,
                            waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen
                            of verloren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                            speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is
                            niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste
                                    lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is
                                    verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer
                                    van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                    kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                    kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                    bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                    handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de
                                    kansspelen te verrichten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
                                    leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed
                                    door de exploitatie van de speelgelegenheid;</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met
                                    een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.28 </tussenkop><tussenkop>Speelautomaten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van
                                    de Wet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c,
                                    van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                    onder d, van de Wet;</al></li><li nr="e."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                    onder e, van de Wet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten toegestaan, waarvan
                            maximaal twee kansspelautomaten.</al></li><li nr="3."><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten toegestaan, met
                            dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn
                            toegestaan.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 10 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.29 </tussenkop><tussenkop>Betreden gesloten woning of lokaal</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens
                            artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek
                            toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te
                            betreden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens
                            artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek
                            toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een
                            voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                            betreden.</al></li><li nr="3."><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning
                            of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.30 </tussenkop><tussenkop>Plakken en kladden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf
                            de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op
                            de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg
                            zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding
                                    aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te
                                    brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding,
                                    letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen
                                    aanbrengen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                            gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                            meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken
                            voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                            meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op
                            de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="7."><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is
                            verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering
                            terstond ter inzage af te geven.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.31 </tussenkop><tussenkop>Vervoer plakgereedschap e.d.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te
                            hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of
                            verfgereedschap.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of
                            gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen
                            als verboden in artikel 2.30.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.32 </tussenkop><tussenkop>Vervoer inbrekerswerktuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich
                            te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen,
                            voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de
                            in het eerste lid bedoelde handelingen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.33 </tussenkop><tussenkop>Betreden van plantsoenen e.d.</tussenkop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het
                    college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken,
                    wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin
                    gelegen wegen of paden.</al><tussenkop>Artikel 2.34 </tussenkop><tussenkop>Rijden over bermen e.d.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden
                            te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij
                            dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                            Wegenverordening Noord-Holland.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.35 </tussenkop><tussenkop>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld,
                                    monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                    voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en
                                    daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers
                                    of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast
                                    of hinder wordt veroorzaakt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht
                            of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.36 </tussenkop><tussenkop>Hinderlijk gebruik drank en softdrugs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan de weg, op het openbaar water of in een voor
                            publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen als dit
                            gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en
                            leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op of aan de weg, op het openbaar water of in een voor
                            publiek toegankelijk gebouw softdrugs te gebruiken of openlijk
                            voorhanden te hebben, als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare
                            orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast
                            veroorzaakt.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten
                            alcoholhoudende drank te nuttigen of bij zich te hebben in aangebroken
                            flessen, blikjes en dergelijke.</al></li><li nr="4."><al>In dit artikel wordt verstaan onder softdrugs: de middelen als bedoeld
                            in lijst II, onderdeel b. behorende bij de Opiumwet.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het derde lid geldt niet voor :</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a,
                                    waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank-
                                    en Horecawet.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.37 </tussenkop><tussenkop>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                    houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                    drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                            appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen
                            die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel
                            te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van
                            zo'n gebouw.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.38 </tussenkop><tussenkop>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten</tussenkop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze
                    op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel,
                    wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of
                    een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                    verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende
                    ruimte is bestemd.</al><tussenkop>Artikel 2.39 </tussenkop><tussenkop>Loslopende honden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                            verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op of aan de weg zonder dat die hond
                                    aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een
                                    andere door het college aangewezen plaats.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste
                            lid onder a. niet geldt.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich
                            vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond
                            als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of
                            houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                            geleidehond.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.40 </tussenkop><tussenkop>Verontreiniging door honden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die
                            hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op of aan de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan wegen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste
                            lid niet geldt.</al></li><li nr="3."><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde
                            gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg
                            voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.</al></li><li nr="4."><al>De eigenaar of houder van een hond dient te allen tijde een geschikt
                            opruimmiddel bij zich te hebben, bij het betreden van de weg samen met
                            de hond.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.41 </tussenkop><tussenkop>Gevaarlijke of hinderlijke honden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze te laten lopen
                            of te laten verblijven op of aan de weg, op een andere voor publiek
                            toegankelijke plaats of op het terrein van een ander:</al><lijst><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd als het college aan hem heeft bekend
                                    gemaakt dat het de hond gevaarlijk of hinderlijk acht en het in
                                    verband met het gedrag van de hond noodzakelijk acht dat deze
                                    kort is aangelijnd of</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf als het
                                    college aan hem heeft bekendgemaakt dat het de hond gevaarlijk
                                    of hinderlijk acht en het in verband met het gedrag van de hond
                                    noodzakelijk acht dat deze kort is aangelijnd en een muilkorf
                                    draagt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van
                                    stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een
                                    stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat
                                    verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die
                                    zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten,
                                    dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van
                                    de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig
                                    zijn;</al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                    lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan
                                    1,50 meter.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.42 </tussenkop><tussenkop>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                            plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of
                            schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide
                            dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben,of</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen
                                    gestelde regels, of</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing
                                    is aangegeven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats
                            daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben
                            anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan
                            wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is
                            aangegeven.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen
                            een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente
                            ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.43 </tussenkop><tussenkop>Loslopend vee</tussenkop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of
                    terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
                    verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee
                    die weg niet kan bereiken.</al><tussenkop>Artikel 2.44 </tussenkop><tussenkop>Bijen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bijen te houden:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere
                                    gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van dertig meter van de weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand
                            van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is
                            aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om
                            het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet
                            voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als
                            bedoeld in dat lid.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b., gestelde verbod geldt niet
                            voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                            Wegenverordening Noord-Holland.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                            verlenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.45 </tussenkop><tussenkop>Bedelarij</tussenkop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in
                    een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere
                    zaken.</al><tussenkop>AFDELING 11 DRUGSOVERLAST</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.46</tussenkop><tussenkop>Drugshandel op straat</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post
                    te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op
                    een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het
                    kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of
                    daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden
                    of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al><tussenkop>AFDELING 12 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN
                    CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.47 </tussenkop><tussenkop>Bestuurlijke ophouding</tussenkop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot
                    het tijdelijk doen ophouden van door haar/hem aangewezen groepen van personen op
                    een door haar/hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel
                    2.1 (samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en samenkomsten), artikel
                    2.2 (messen en steekwapens), artikel 2.6 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven
                    de weg), artikel 2.7 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg), artikel
                    2.11 (openen straatkolken e.d.), artikel 2.12 (gevaarlijk of hinderlijk
                    voorwerp), artikel 2.35 (hinderlijk gedrag op of aan de weg), artikel 2.36
                    (hinderlijk gebruik drank en softdrugs), artikel 2.37 (hinderlijk gedrag bij of
                    in gebouwen), artikel 2.38 (hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                    ruimten) of artikel 5.30 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen
                    of anderszins vuur te stoken) van deze verordening groepsgewijs niet
                    naleven.</al><tussenkop>Artikel 2.48 </tussenkop><tussenkop>Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij
                    verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of bij ernstige
                    vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen
                    voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                    veiligheidsrisicogebied.</al><tussenkop>Artikel 2.49 </tussenkop><tussenkop>Cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                            besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten
                            behoeve van het toezicht op een openbare plaats.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid
                            eveneens ten aanzien van parkeerterreinen.</al></li></lijst><tussenkop>HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.</tussenkop><tussenkop>AFDELING 1 BEGRIPSBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                            seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van
                            seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                            waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                            seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                            erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                            worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                            sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens
                            begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                            elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                            rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                            was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de
                            bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                            rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan
                            wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                            rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="f."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                            feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting
                            of escortbedrijf;</al></li><li nr="g."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering
                            van:</al><lijst><li nr="-"><al>de exploitant;</al></li><li nr="-"><al>de beheerder;</al></li><li nr="-"><al>de prostituee;</al></li><li nr="-"><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="-"><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van
                                    deze - verordening;</al></li><li nr="-"><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                    dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 3.2 </tussenkop><tussenkop>Bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of,
                    voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
                    erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al><tussenkop>Artikel 3.3 </tussenkop><tussenkop>Nadere regels</tussenkop><al>Met het oog op de in artikel 3.12 genoemde belangen, kan het college over de
                    uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels
                    vaststellen.</al><tussenkop>AFDELING 2 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.4 </tussenkop><tussenkop>Seksinrichtingen en escortbedrijven</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te
                            wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Een vergunning als bedoeld in lid 1 vervalt drie jaar na de datum van
                            inwerkingtreding tenzij door de burgemeester een andere looptijd is
                            vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning worden in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 3.5 </tussenkop><tussenkop>Gedragseisen exploitant en beheerder</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke
                                    macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de
                            beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                    in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                    artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking
                                    gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                    onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                    rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel
                                    door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar
                                    Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                    artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
                                    toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><lijst><li nr="-"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                            Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet
                                            arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en
                                            met 249, 250a (oud), 252, 273a, 300 tot en met 303, 416,
                                            417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                            Strafrecht;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
                                            juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
                                            Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van
                                            de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                            gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                    tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
                                    derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                    tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                    van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen
                            exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf
                            die voor tenminste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is
                            gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid,
                            is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt
                            treft.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3.6 </tussenkop><tussenkop>Sluitingstijden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en
                            daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven van 24.00 tot 07.00
                            uur.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een vergunning voor een
                            afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.</al></li><li nr="3."><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden
                            gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of
                            tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste lid, gesloten dient te
                            zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in
                            de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet
                            milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3.7 </tussenkop><tussenkop>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de in artikel 3.12, tweede lid, genoemde belangen of in
                            geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het
                            bevoegd bestuursorgaan:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.6, eerste of tweede
                                    lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                    gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                            bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid
                            bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene
                            wet bestuursrecht.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3.8 </tussenkop><tussenkop>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                            zonder dat de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant
                            of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de
                            seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                    feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden),
                                    XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX
                                    (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede
                                    Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet
                                    wapens en munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met
                                    het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 3.9 </tussenkop><tussenkop>Straatprostitutie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere
                            wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan
                            te lokken:</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod,
                            kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in
                            een bepaalde richting te verwijderen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3.10</tussenkop><tussenkop>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische
                    goederen, afbeeldingen e.d.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop
                            goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken
                            dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon
                            te stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                    bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                    aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                    het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    gestelde regels.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het
                            tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften,
                            aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die
                            dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in
                            artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 3 BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.11</tussenkop><tussenkop>Beslissingstermijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                            vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de
                            dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf
                            weken verdagen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3.12 </tussenkop><tussenkop>Weigeringsgronden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, wordt geweigerd
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.5
                                    gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                    stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
                                    met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij
                                    of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                    bepaalde.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van artikel 1.8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3.4,
                            eerste lid, worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                    leefklimaat;</al></li><li nr="d."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>AFDELING 4 BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.13 </tussenkop><tussenkop>Beëindiging exploitatie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning
                            vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het
                            escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft
                            de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                            bestuursorgaan.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3.14 </tussenkop><tussenkop>Wijziging beheer</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.1, onder f., het beheer in
                            de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft
                            de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van
                            het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het
                            bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de
                            verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te
                            wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder a.,
                            is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer
                            worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een
                            aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de
                            aanvraag is besloten.</al></li></lijst><tussenkop>HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR
                    HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</tussenkop><tussenkop>AFDELING 1 GELUIDHINDER EN VERLICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                            milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider,
                            beheerder of anderszins een inrichting drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een
                            klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan
                            één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel
                            1 van de Wet Geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige
                            gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende
                            inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de
                            Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met
                            uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4.2 </tussenkop><tussenkop>Aanwijzing van collectieve festiviteiten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                            Besluit en artikel 4.5 van deze verordening gelden niet voor de door het
                            college aan te wijzen collectieve festiviteiten.</al></li><li nr="2."><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                            sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste
                            lid van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen
                            collectieve festiviteiten.</al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het
                            college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van
                            de gemeente en voor bepaalde tijden.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing bekend.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet
                            te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit
                            als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</al></li><li nr="6."><al>Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,Lt), veroorzaakt door de
                            inrichting, mag niet meer dan 75 dB(A) bedragen, gemeten op de gevel van
                            geluidgevoelige gebouwen (waaronder woningen) op een hoogte van 1,5
                            meter als invallend geluid. Gemeten waarden worden niet gecorrigeerd met
                            een muziektoeslag.</al></li><li nr="7."><al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid geldt ook voor
                            onversterkte muziek.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4.3 </tussenkop><tussenkop>Kennisgeving incidentele festiviteiten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan gedurende een jaarlijks vast te stellen
                            maximum aantal dagen incidentele festiviteiten te houden waarbij de
                            geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                            Besluit en artikel 4.5 van deze verordening niet van toepassing zijn
                            mits de houder van de inrichting tenminste zes weken voor de aanvang van
                            de festiviteit het college daarvan schriftelijk in kennis heeft
                            gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Na de vaststelling van het aantal collectieve festiviteiten op grond van
                            artikel 4.2 van deze verordening bepaalt het college het maximum aantal
                            dagen waarvoor overeenkomstig het eerste lid een kennisgeving gedaan kan
                            worden (incidentele festiviteiten). Het gezamenlijk totaal van
                            collectieve en incidentele festiviteiten bedraagt jaarlijks maximaal
                            12.</al></li><li nr="3."><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes incidentele
                            festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten
                            behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, eerste lid van het
                            Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting
                            tenminste 6 weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan
                            in kennis heeft gesteld</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving
                            als bedoeld in het eerste en derde lid.</al></li><li nr="5."><al>Een kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier,
                            volledig en naar waarheid ingevuld, is ingeleverd binnen de termijn
                            gesteld in het eerste en derde lid bij de op het formulier aangegeven
                            plaats.</al></li><li nr="6."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college
                            op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit,
                            die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.</al></li><li nr="7."><al>Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,Lt), veroorzaakt door de
                            inrichting, mag niet meer dan 75 dB(A) bedragen, gemeten op de gevel van
                            geluidgevoelige gebouwen (waaronder woningen) op een hoogte van 1,5
                            meter als invallend geluid. Gemeten waarden worden niet gecorrigeerd met
                            een muziektoeslag.</al></li><li nr="8."><al>De geluidsnorm als bedoeld in het zevende lid geldt voor het bebouwde
                            gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4.4 </tussenkop><tussenkop>Verboden incidentele festiviteiten</tussenkop><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten,
                    feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het
                    organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn
                    oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of openbare
                    orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. </al><tussenkop>Artikel 4.5 </tussenkop><tussenkop>Artikel 4.5 </tussenkop><tussenkop>Onversterkte muziek</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in
                            artikel 2.18, eerste lid onder f. en lid 5 van het Besluit, binnen
                            inrichtingen is de hieronder opgenomen tabel 1 van toepassing.</al><lijst><li nr="a."><al>de in tabel 1 aangegeven waarden binnen in- of aanpandige
                                    gevoelige gebouwen gelden niet indien de gebruiker van deze
                                    gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in
                                    redelijkheid uitvoeren of doen uit-voeren van
                                    geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in tabel 1 aangegeven waarden op de gevel gelden ook bij
                                    gevoelige terreinen op de grens van het terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voorzover
                                    het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en
                                    verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in tabel 1.
                                    wordt geen bedrijfsduur-correctie toegepast.</al></li></lijst></li></lijst><al>Tabel 1.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Tijdstip (uur)</al></entry><entry colname="col2"><al>07:00–19:00</al></entry><entry colname="col3"><al>19:00–23:00</al></entry><entry colname="col4"><al>23:00–07:00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmMAX op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,MAX in in- en aanpandige gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al>Voor de duur van twee uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het
                            oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en
                            fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en
                            avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste
                            lid.</al></li><li nr="3."><al>Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte
                            elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en
                            is het Besluit van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Het eerste lid geldt niet indien artikel 4.2 of artikel 4.3 van deze
                            verordening van toepassing zijn.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4.6 </tussenkop><tussenkop>Geluidhinder door toestellen of apparaten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                            of het Besluit een (recreatie)toestel, (bouw)machine of geluidsapparaat
                            in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze
                            dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt
                            veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing
                            verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet, voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare
                            manifestaties, het Bouwbesluit, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                            milieuverordening.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat
                            in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van
                            bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten,
                            (recreatie)toestellen of (bouw)machines, voorzover wordt voldaan aan de
                            door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of
                            beperking van (geluid)hinder.</al></li><li nr="5."><al>Aan de in het tweede lid bedoelde ontheffing kunnen ter voorkoming of
                            beperking van geluidhinder door het college voorschriften worden
                            verbonden die onder meer kunnen betreffen:</al><lijst><li nr="a."><al>het maximale geluidsniveau dat mag worden veroorzaakt;</al></li><li nr="b."><al>de situering van geluidsbronnen;</al></li><li nr="c."><al>de frequentie en tijden van gebruik.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 4.7 </tussenkop><tussenkop>Geluidhinder door dieren</tussenkop><al>Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft
                    voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de
                    omgeving geluidhinder veroorzaakt.</al><tussenkop>Artikel 4.8 </tussenkop><tussenkop>Geluidhinder door bromfietsen e.d.</tussenkop><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zich met
                    een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een
                    omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.</al><tussenkop>Artikel 4.9 </tussenkop><tussenkop>Geluidhinder door vrachtauto’s</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                            een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder ao, van het Reglement
                            verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te
                            lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving
                            geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                            verlenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4.10 </tussenkop><tussenkop>Routering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                            met een vrachtauto, als bedoeld in artikel 4.9, waarvan het ledig
                            gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kg of
                            die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of
                            een hoogte van meer dan 2 meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere
                            dan door het college bij openbaar bekend te maken besluit aangewezen weg
                            te rijden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                            verlenen.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.11</tussenkop><tussenkop>Natuurlijke behoefte doen</tussenkop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke
                    behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al><tussenkop>Artikel 4.12 </tussenkop><tussenkop>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten
                    buiten gebouwen </tussenkop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen
                    zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid,
                    nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor
                    anderen.</al><tussenkop>AFDELING 3 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.13 </tussenkop><tussenkop>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een
                            inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten
                            de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente,
                            ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade
                            aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te
                            slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                    voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4.17 of onderdelen
                                    daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan
                                    geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een
                                    commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                    verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                    landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan
                            wordt in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b., van de
                            Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald
                            voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te
                            hebben.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede
                            lid nadere regels stellen.</al></li><li nr="5."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer, de
                            Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale milieuverordening van
                            toepassing is.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4.14 </tussenkop><tussenkop>Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames</tussenkop><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te
                    voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het
                    verkeer in gevaar wordt gebracht of ontsierende of ernstige hinder ontstaat voor
                    de omgeving.</al><tussenkop>Artikel 4.15 </tussenkop><tussenkop>Vergunningplicht reclame </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het in artikel 4.14 bepaalde is het verboden zonder
                            vergunning van het college, op enigerlei wijze, in het openbaar
                            handelsreclame te maken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan plaatsen aanwijzen of nadere regels stellen voor het
                            aanbrengen van handelsreclame.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4.16</tussenkop><tussenkop>Vergunningplicht lichtreclame</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 4.14 is het verboden zonder
                            vergunning van het college op of aan een onroerende zaak verlichte
                            handelsreclame te maken of te voeren die vanaf de weg zichtbaar is.</al></li><li nr="2."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de
                                    omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                    gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak;</al></li><li nr="c."><al>indien de openbare orde en openbare veiligheid in het geding
                                    zijn.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De weigeringsgrond van het tweede lid onder b geldt niet voorzover in
                            het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                            milieubeheer.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 4 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.17</tussenkop><tussenkop>Begripsbepaling</tussenkop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: </al><al>een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40
                    van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt
                    of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</al><tussenkop>Artikel 4.18 </tussenkop><tussenkop>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen
                            te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als
                            zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen
                            gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het
                            eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden
                            geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 4.19 </tussenkop><tussenkop>Aanwijzing kampeerplaatsen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4.18,
                            eerste lid niet geldt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de
                            gronden, genoemd in artikel 4.18, vierde lid.</al></li></lijst><tussenkop>HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER
                    GEMEENTE</tussenkop><tussenkop>AFDELING 1 PARKEEREXCESSEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1 </tussenkop><tussenkop>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van
                            maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te
                            verhandelen verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                    op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 50
                                    meter met als middelpunt een van deze voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen
                                    tegen betaling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend
                            voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht
                            die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die
                            nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.2 </tussenkop><tussenkop>Te koop aanbieden van voertuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te
                            parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te
                            verhandelen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.3 </tussenkop><tussenkop>Defecte voertuigen</tussenkop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te
                    verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan twee weken op de
                    weg te parkeren.</al><tussenkop>Artikel 5.4 </tussenkop><tussenkop>Voertuigwrakken</tussenkop><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud
                    en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te
                    parkeren.</al><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                    door de Wet milieubeheer.</al><tussenkop>Artikel 5.5 </tussenkop><tussenkop>Kampeermiddelen e.a.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor
                            andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op vier achtereenvolgende dagen te plaatsen of te
                                    hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar
                                    zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                    beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit
                                    naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                                    de gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en
                            onder a, gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening
                            Noord-Holland of de Landschapsverordening Noord-Holland.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.6 </tussenkop><tussenkop>Parkeren van reclamevoertuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van
                            handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee
                            handelsreclame te maken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.7 </tussenkop><tussenkop>Parkeren van grote voertuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte
                            heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te
                            parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn
                            oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte
                            heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college
                            aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met
                            het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van
                            maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden
                            ontheffing verlenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.8 </tussenkop><tussenkop>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte
                            heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de
                            weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                            gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of
                            gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun
                            anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt
                            wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van
                            het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.9 </tussenkop><tussenkop>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te
                            laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde
                            beplanting of groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.10 </tussenkop><tussenkop>Overlast van fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig te
                            parkeren als daardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>schade ontstaat of</al></li><li nr="b."><al>voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of
                                    waarvoor de fiets, bromfiets of het gehandicaptenvoertuig staat
                                    geparkeerd de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het
                            belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                            opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                            gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de
                            daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 2 COLLECTEREN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.11</tussenkop><tussenkop>Inzameling van geld of goederen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                            inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst
                            aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij
                            het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of
                            gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van
                            geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk
                            wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of
                            ideëel doel is bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden
                            wordt.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 3 VENTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.12 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepaling</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van
                            de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                            goederen dan wel diensten aan te bieden op of aan de weg, aan huis dan
                            wel op een andere voor het publiek toegankelijke en in de open lucht
                            gelegen plaats.</al></li><li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die
                                    dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel
                                    1 van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als
                                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet
                                    of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.19;</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in
                                    artikel 5.15.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.13 </tussenkop><tussenkop>Ventverbod</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare
                            veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden te venten op zondagen, op Nieuwjaarsdag, op Goede
                            Vrijdag na 19.00 uur, op tweede Paasdag, op Hemelvaartsdag, op tweede
                            Pinksterdag, op 24 december na 19.00 uur, op eerste en tweede Kerstdag,
                            op 4 mei na 19.00 uur, en maandag t/m zaterdag voor 06.00 uur en na
                            22.00 uur.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                            Wegenverkeerswet.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.14 </tussenkop><tussenkop>Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid geldt niet voor
                            venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                            worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                            Grondwet.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste
                            lid beperken door een verbod in te stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen, of</al></li><li nr="b."><al>voor bepaalde dagen en uren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het
                            tweede lid.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 4 STANDPLAATSEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.15</tussenkop><tussenkop>Begripsbepaling</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste
                            plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop
                            aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te
                            bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen
                            of een tafel.</al></li><li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                    2.16.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.16 </tussenkop><tussenkop>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te
                            nemen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                            bestemmingsplan.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden
                            geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met
                                    de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;</al></li><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                    of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is
                                    dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats
                                    voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau
                                    voor de consument ter plaatse in gevaar komt.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.17 </tussenkop><tussenkop>Toestemming rechthebbende</tussenkop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder
                    vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.</al><tussenkop>Artikel 5.18 </tussenkop><tussenkop>Afbakeningsbepalingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5.16, eerste lid geldt niet voorzover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Noord-Holland.</al></li><li nr="2."><al>De weigeringsgrond van artikel 5.16, derde lid, onder a., geldt niet
                            voor bouwwerken.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 5 SNUFFELMARKTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.19 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepaling</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een
                            voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en
                            incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden
                            vanaf een standplaats.</al></li><li nr="2."><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid,
                                    aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2.16.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.20 </tussenkop><tussenkop>Organiseren van een snuffelmarkt</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt
                            te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg
                            geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de
                            Winkeltijdenwet.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                            bestemmingsplan</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 6 OPENBAAR WATER</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.21 </tussenkop><tussenkop>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden
                            zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een
                            vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of
                            te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen
                            waarop gedachten en gevoelens worden geopenbaard.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop
                            gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of
                            te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of
                            plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het
                            openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel
                            een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het
                            openbaar water.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde
                            onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de
                            Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                            Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening
                            gemeente Ouder-Amstel.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.22 </tussenkop><tussenkop>Ligplaats vaartuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben
                            dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door
                            het college aangewezen gedeelten van openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een
                            ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid
                            aangewezen gedeelten van openbaar water:</al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                    gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen;</al></li><li nr="c."><al>beperkingen stellen naar de tijdsduur.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                            Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                            Provinciale vaarwegenverordening of de Landschapsverordening
                            Noord-Holland.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.23 </tussenkop><tussenkop>Aanwijzingen ligplaats</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.22 bepaalde kan
                            het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met
                            betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in
                            het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de
                            milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het
                            college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen
                            of gebruik van een ligplaats op te volgen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in de
                            daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                            Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                            Ligplaatsenregeling vaarwegen in nautisch beheer bij de provincie
                            Noord-Holland of de Landschapsverordening Noord-Holland.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.24 </tussenkop><tussenkop>Artikel 5.24 </tussenkop><tussenkop>Verbod innemen ligplaats</tussenkop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen
                    in strijd met het krachtens de artikelen 5.22 en 5.23 bepaalde.</al><tussenkop>Artikel 5.25 </tussenkop><tussenkop>Beschadigen van waterstaatswerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te
                            brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare
                            wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen,
                            oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen,
                            gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                            Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                            Provinciale vaarwegenverordening.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.26 </tussenkop><tussenkop>Reddingsmiddelen</tussenkop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het
                    water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor
                    dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al><tussenkop>Artikel 5.27 </tussenkop><tussenkop>Veiligheid op het water</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water
                            ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer
                            daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.28 </tussenkop><tussenkop>Overlast aan vaartuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                            vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin
                            te begeven of te bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig,
                            liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 7 CROSSTERREINEN </tussenkop><tussenkop>Artikel 5.29 </tussenkop><tussenkop>Crossterreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig
                            als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in
                            artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en
                            verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een
                            wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan
                            wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets
                            met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                            toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze
                            terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                    de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                    eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                    publiek.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat
                            artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het
                            Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></li></lijst><tussenkop>AFDELING 8 VERBOD VUUR TE STOKEN </tussenkop><tussenkop>Artikel 5.30 </tussenkop><tussenkop>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur
                    te stoken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                            inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te
                            leggen, te stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels e.d.;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                    afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar,
                                    overlast of hinder voor de omgeving oplevert.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden
                            geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van
                            Strafrecht of de Provinciale milieuverordening Noord-Holland.</al></li></lijst><tussenkop>HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1 </tussenkop><tussenkop>Strafbepaling </tussenkop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, en de op grond
                    van artikel 1.5 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of met een geldboete van de tweede
                    categorie.</al><tussenkop>Artikel 6.2 </tussenkop><tussenkop>Toezichthouders</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de opsporingsambtenaren van de afdeling
                            Ruimtelijke ontwikkeling en vergunningverlening.</al></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                            krachtens deze verordening belast de door het college dan wel de
                            burgemeester aangewezen personen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6.3 </tussenkop><tussenkop>Binnentreden woningen</tussenkop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een
                    overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke
                    strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van
                    het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in
                    een woning zonder toestemming van de bewoner.</al><tussenkop>Artikel 6.4 </tussenkop><tussenkop>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De Algemene Politieverordening voor de gemeente Ouder-Amstel wordt
                            ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is
                            bekendgemaakt.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6.5 </tussenkop><tussenkop>Artikel 6.5 </tussenkop><tussenkop>Overgangsbepaling</tussenkop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, eerste lid,
                    die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en
                    waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten
                    genomen krachtens deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 6.6 </tussenkop><tussenkop>Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening voor de
                    gemeente Ouder-Amstel.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Ouder-Amstel, 17 december 2009</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>De raad voornoemd,</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>de raadsgriffier,</al></entry><entry colname="col2"><al>de voorzitter,</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>L.J. Heijlman</al></entry><entry colname="col2"><al>M.T.J. Blankers-Kasbergen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>TOELICHTING OP DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING VOOR DE GEMEENTE
                    OUDER-AMSTEL</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Hoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden niet alleen voor
                    dit ene hoofdstuk maar voor de hele Algemene Plaatselijke Verordening (APV). </al><al>Het grootste deel van hoofdstuk 1 heeft betrekking op vergunningen en
                    ontheffingen. Er zijn regels opgenomen die zich richten tot de bevoegde
                    bestuursorganen en regels die zich richten tot de burgers. Het gaat om:
                    Begripsbepalingen, (procedurele) regels voor het indienen en behandelen van een
                    aanvraag, beslistermijnen, algemene weigeringsgronden, een bevoegdheid om
                    voorschriften en beperkingen op te leggen, algemene gronden om te wijzigen of in
                    te trekken, de niet-overdraagbaarheid van een vergunning of ontheffing en een
                    algemene verplichting om mededelingen aan het bevoegde gezag schriftelijk te
                    doen. </al><tussenkop>Artikel 1.1 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen gedefinieerd dat in deze verordening
                    wordt gehanteerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen
                    die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de
                    desbetreffende afdeling definities opgenomen.</al><al>Over de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden
                    opgemerkt.</al><lijst><li nr="a."><al>Weg:</al><al> deze definitie bevat een omschrijving van wat onder weg moet worden
                            verstaan en valt uiteen in een aantal delen. In alle onderdelen gaat het
                            om wegen en plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Het eerste
                            liggende streepje betreft de weg in de zin van de Wegenverkeerswet,
                            namelijk de feitelijk voor het openbaar verkeer openstaande wegen met
                            toebehoren, aangevuld met voor publiek toegankelijke parkeerterreinen en
                            parkeergebouwen. Het tweede liggende streepje betreft diverse plaatsen,
                            zoals parken en pleinen, maar ook ijsvlakten en aanlegplaatsen. De
                            zinsnede “al dan niet met enige beperking” geeft aan dat ook als er
                            voorwaarden zijn gesteld voor de toegankelijkheid (bijvoorbeeld het
                            betalen van entreegeld) er nog steeds sprake is van een weg, zolang de
                            plek voor publiek toegankelijk is. Het derde en vierde liggende streepje
                            betreffen gedeelten van gebouwen die tot de openbare ruimte horen. Door
                            deze onderdelen zijn de verschillende bepalingen van deze verordening
                            onder andere ook van toepassing in galerijen van flatgebouwen en
                            portieken van woningen. In een aantal bepalingen van deze verordening
                            wordt de term “op of aan de weg” gebruikt. Als dat het geval is, geldt
                            de betreffende bepaling ook op plaatsen die strikt genomen geen weg
                            zijn, maar zich wel in de nabijheid daarvan bevinden. Een bepaling kan
                            dan ook gelden op een privé-terrein, omdat er een duidelijke relatie is
                            met of een uitstraling naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>Openbaar water:</al><al> een "openbaar water" in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is
                            ieder water, dat open staat voor het publiek. "Openbaar" is hier dus
                            synoniem aan "feitelijk voor het publiek toegankelijk”;</al></li><li nr="c."><al>Bebouwde kom:</al><al> de reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan)
                            beperkt (zijn) tot de bebouwde kom;</al></li><li nr="d."><al>Rechthebbende:</al><al> hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht; </al></li></lijst><al> e. Zaak:</al><al> dit is een ruime definitie die aansluit bij het begrip zoals dat in het
                    privaatrecht wordt gehanteerd. Dat betekent dat alle mogelijke voorwerpen onder
                    het begrip zaak kunnen vallen. De term “zaak” wordt bijvoorbeeld gehanteerd
                    wanneer het niet goed mogelijk is om een concrete opsomming te geven;</al><lijst><li nr="f."><al>Bouwwerk:</al><al> deze omschrijving is ontleend aan artikel 1.1, eerste lid, van de
                            Bouwverordening voor de gemeente Ouder-Amstel;</al></li><li nr="g."><al>Gebouw:</al><al> deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de
                            Woningwet;</al></li><li nr="h."><al>Voertuigen:</al><al> de verwijzing naar artikel 1, onder a en al, van het RVV 1990 voorkomt
                            verwarring over de inhoud van het begrip voertuigen. In artikel 1, onder
                            a. worden aanhangwagens gedefinieerd als: voertuigen die door een
                            voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te
                            worden voortbewogen, alsmede opleggers. In artikel 1, onder al, worden
                            als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen,
                            motorvoertuigen, trams en wagens. De APV zondert van deze voertuigen
                            uit: a. treinen en trams en b. kruiwagens, kinderwagens e.d. kleine
                            voertuigen;</al></li><li nr="i."><al>Vee:</al><al> voor de uitleg van het begrip vee is aangesloten bij de Meststoffenwet.
                            In Bijlage A van deze wet worden als diersoorten genoemd: rundvee,
                            varkens, kippen, kalkoenen, schapen, vossen, nertsen, geiten, eenden,
                            konijnen en parelhoenders;</al></li><li nr="j."><al>Woonwagen:</al><al> de definitie spreekt voor zich;</al></li><li nr="k."><al>Vaartuigen:</al><al> als voorbeelden van hier bedoelde vaartuigen kunnen worden genoemd:
                            pleziervaartuigen, woonboten, baggerwerktuigen, bokken, kranen en
                            zeilplanken;</al></li><li nr="l."><al>Woonschepen:</al><al> hier worden ook woonarken en woonboten onder verstaan;</al></li><li nr="m."><al>Handelsreclame:</al><al> in het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de
                            vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame)
                            met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is
                            vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van
                            artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een
                            vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d..</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1.2 </tussenkop><tussenkop>Beslistermijn </tussenkop><al>In deze verordening is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid).
                    Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de
                    Algemene wet bestuursrecht, wordt gesteld. Het merendeel van de aanvragen zal
                    binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker
                    die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd.
                    Hiervoor kan door het bestuursorgaan de beslistermijn worden verlengd.</al><tussenkop>Artikel 1.3</tussenkop><tussenkop>Indiening aanvraag</tussenkop><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie
                    weken kunnen worden behandeld, is de mogelijkheid geschapen om de termijn van
                    drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. </al><tussenkop>Artikel 1.4 </tussenkop><tussenkop>Schriftelijke mededeling</tussenkop><al>Dit artikel regelt dat de burgers verplicht zijn om van een voornemen, een
                    activiteit of een handeling schriftelijk mededeling te doen. De zinsnede
                    “krachtens deze verordening” verwijst naar de situatie waarin niet de APV zelf,
                    maar een voorschrift bij een besluit op grond van de APV een meldingsplicht
                    bevat. </al><tussenkop>Artikel 1.5 </tussenkop><tussenkop>Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties.</al><al>In de in deze verordening opgenomen algemene strafbepaling in Hoofdstuk 6 wordt
                    overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf
                    bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of
                    ontheffing verbonden voorschriften.</al><tussenkop>Artikel 1.6 </tussenkop><tussenkop>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing </tussenkop><al>De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling
                    dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit.</al><tussenkop>Artikel 1.7 </tussenkop><tussenkop>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</tussenkop><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter ("kan"). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                    intrekking of wijziging wordt overgegaan.</al><tussenkop>Artikel 1.8 </tussenkop><tussenkop>Algemene weigeringsgronden </tussenkop><al>In dit artikel zijn de algemene weigeringsgronden opgenomen. In bepaalde
                    artikelen in deze verordening zijn meer specifieke weigeringsgronden
                    opgenomen.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE</tussenkop><tussenkop>AFDELING 1 BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 </tussenkop><tussenkop>Samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en
                    samenkomsten</tussenkop><al>Dit artikel strekt tot bescherming van de openbare orde en verbiedt
                    ordeverstoringen, zowel individueel als collectief, op of aan de weg en in voor
                    het publiek toegankelijke gebouwen en vaartuigen.</al><al>Onder een voor het publiek toegankelijk gebouw wordt elke gebouwde ruimte
                    verstaan die in principe voor iedereen toegankelijk is, zoals een winkel, een
                    postkantoor of een stationshal. Daarnaast vallen onder dit begrip ook gebouwen
                    die met enige beperkingen openstaan. Hierbij valt te denken aan gebouwen die
                    toegankelijk zijn voor personen die in het bezit zijn van een toegangs- of
                    plaatsbewijs (bijvoorbeeld musea, theaters, perrons van metrostations).</al><al>Het eerste lid verbiedt het onnodig opdringen. Hoewel de intentie onschuldig van
                    aard kan zijn, bijvoorbeeld bij optochten en andere evenementen, kan hierdoor
                    toch de openbare orde en veiligheid in gevaar komen. Verder zijn verboden het
                    lastig vallen van personen en vechten, zowel individueel als collectief. </al><al> Niet alleen individuele handelingen kunnen de orde en veiligheid bedreigen,
                    maar ook het in en vanuit een groep lastig vallen van anderen.</al><al>In het tweede lid wordt het begrip “zaak” gebruikt. Met deze aan het
                    privaatrecht ontleende term wordt elke stoffelijk voorwerp bedoeld, ongeacht de
                    vorm, dat naar rellen e.d. wordt meegebracht om de orde te verstoren, zoals
                    stenen, stokken en vloeistoffen. Het verbod richt zich niet alleen op meegenomen
                    voorwerpen maar ook op bijvoorbeeld stenen die ter plaatse zijn opgeraapt om mee
                    te gooien.</al><al>In het derde lid is voor gevallen van (dreigende) wanordelijkheden de plicht
                    opgenomen zich te verwijderen als een politieambtenaar daartoe een bevel geeft.
                    De politie heeft op grond van de Politiewet tot taak zo nodig met onmiddellijke
                    maatregelen het leven in de openbare ruimte in ordelijke banen te leiden en
                    direct te zorgen voor de veiligheid van personen of zaken. Die taak houdt ook de
                    bevoegdheid in om in concrete gevallen de daarvoor benodigde bevelen te geven.
                    Artikel 2.1 is een nadere concretisering daarvan op lokaal niveau. De
                    bevoegdheid is in dit geval aan een bepaald doel gebonden. Het geen gehoor geven
                    aan het bevel is strafbaar ingevolge artikel 184 Wetboek van Strafrecht. De
                    politieambtenaar verricht de beoordeling die nodig is voor toepassing van de
                    strafbepaling; de rechterlijke toetsing vindt plaats als vervolging wordt
                    ingesteld.</al><al>Samenscholingen of samenkomsten kunnen (mede) het karakter hebben van een
                    betoging. Regeling daarvan behoort niet tot de bevoegdheid van de gemeentelijke
                    wetgever. In het vierde lid zijn daarom uitgezonderd de samenkomsten waarop de
                    Wet openbare manifestaties van toepassing is. De burgmeester moet eventuele
                    maatregelen op die wet baseren. De wet kent aan de burgemeester onder andere
                    bevoegdheden toe om bij ongeregeldheden maatregelen te treffen en bevat
                    dienaangaande strafbepalingen.</al><tussenkop>Artikel 2.2 </tussenkop><tussenkop>Messen en steekwapens</tussenkop><al>Op grond van deze bepaling kan de burgemeester wegen aanwijzen, waarop het
                    voorhanden hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen
                    worden gebruikt, verboden is. De Wet wapens en munitie is gericht op de
                    bescherming van de persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit tegen
                    wapengeweld, terwijl artikel 2.2 ziet op de bescherming van de openbare orde en
                    de aantasting daarvan. Vanuit dat motief mag men in een aangewezen gebied geen
                    enkel mes of ander voorwerp dat als steekwapen kan worden gebruikt, bij zich
                    hebben. Het verbod geldt niet voor messen en andere zaken waarvan het dragen al
                    door de Wet wapens en munitie verboden is, en evenmin voor voorwerpen die als
                    zodanig zijn ingepakt dat zij niet direct als steekwapen gebruikt kunnen
                    worden.</al><tussenkop>AFDELING 2 BETOGING</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.3 </tussenkop><tussenkop>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</tussenkop><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM).</al><al>In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid "openbare
                    plaats" gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik
                    openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is
                    begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid,
                    van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name
                    wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</al><al>Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent
                    de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8
                    WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.</al><tussenkop>Betoging</tussenkop><al>Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de
                    Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als een aantal personen openlijk en
                    in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en de groep er op uit is een
                    mening uit te dragen.</al><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om
                    het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied. Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting
                    (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en groepsverband. Het
                    gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen van een mening. </al><al>Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een optocht is niet perse
                    een betoging. Een betoging kan een optocht zijn. De Hoge Raad acht voor het
                    aanwezig zijn van een betoging geen "menigte" nodig. Acht personen wordt al
                    voldoende geacht om van een betoging te kunnen spreken.</al><al>Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is "betoging" omschreven
                    als "het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar
                    uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek gebied".
                    Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                    bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het
                    mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze
                    rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van
                    een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht. Dit kan
                    bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen.</al><al>Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke
                    meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is
                    geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM. Zo’n optocht
                    kan, als die opiniërende elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel
                    7, derde lid, Grondwet vallen.</al><tussenkop>AFDELING 3 VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.4 </tussenkop><tussenkop>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                    afbeeldingen</tussenkop><al>Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen
                    wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod
                    voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren,
                    waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog
                    resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid
                    toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er "geen
                    gebruik van enige betekenis" overblijft. </al><al>Artikel 2.4 heeft betrekking op het grondrecht de vrijheid van
                    meningsuiting.</al><tussenkop>Daklozenkrant</tussenkop><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2.4.</al><al>Als verkoop plaatsvindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan
                    kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de
                    daklozen vertegenwoordigt. </al><al>De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de
                    koepelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële
                    straatkrantverkopers zijn.</al><tussenkop>AFDELING 4 VERTONINGEN E.D. OP DE WEG</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.5 </tussenkop><tussenkop>Straatartiest</tussenkop><al>Het optreden van een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen
                    evenement. Daarom is de straatmuzikant onder artikel 2.5 gebracht. Hetzelfde
                    geldt voor straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel
                    2.5.</al><tussenkop>AFDELING 5 BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.6 </tussenkop><tussenkop>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De vergunningplicht. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te
                    houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen
                    zijn.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hierin is opgenomen wanneer de vergunningplicht niet geldt. </al><tussenkop>Tweede lid, onder c. standplaatsen</tussenkop><al>Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop artikel 5.16 van
                    toepassing is.</al><tussenkop>Tweede lid, onder d. evenementen</tussenkop><al>Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van
                    artikel 2.16, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel
                    2.6. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de
                    voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan immers ook de
                    verkeersveiligheid worden gewaarborgd.</al><tussenkop>Tweede lid, onder e. terrassen horecabedrijf</tussenkop><al>Het in dit artikel bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor terrassen
                    behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester vergunning is
                    verleend op grond van artikel 2.19. Zo’n terras maakt blijkens de definitie in
                    artikel 2.18 deel uit van dat bedrijf. Daarom is hier een afbakeningsbepaling
                    opgenomen.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Hierin zijn de weigeringsgronden opgenomen.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het
                    eerste lid niet geldt.</al><tussenkop>Artikel 2.7 </tussenkop><tussenkop>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</tussenkop><al>Aan dit artikel ligt als motief ten grondslag, de behoefte om de aanleg,
                    beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op
                    de bruikbaarheid van die weg.</al><al>Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst
                    zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst
                    onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere
                    aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering,
                    water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende
                    lange tijd sterk verminderd zal zijn.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Als een derde eigenaar van de
                    grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om
                    vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. </al><tussenkop>Artikel 2.8 </tussenkop><tussenkop>Maken, veranderen van een uitweg</tussenkop><al>Artikel 2.8 beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen
                    creëert. Lid 2 noemt de belangen die hierbij een rol kunnen spelen.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar is van de weg, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijk toestemming worden gegeven. Als een derde eigenaar is van de
                    grond, kan het college de aanvrager van de vergunning er op wijzen dat hij ook
                    privaatrechtelijke toestemming nodig heeft.</al><tussenkop>AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEG</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.9 </tussenkop><tussenkop>Winkelwagentjes</tussenkop><al>Deze bepaling bestrijdt het "zwerfkarrenprobleem" door winkelbedrijven te
                    verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze
                    winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen.</al><tussenkop>Artikel 2.10</tussenkop><tussenkop>Hinderlijke beplanting of voorwerp</tussenkop><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last
                    opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. </al><tussenkop>Artikel 2.11 </tussenkop><tussenkop>Openen straatkolken e.d.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2.12 </tussenkop><tussenkop>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp </tussenkop><al>Dit artikel geeft een afstandsvereiste voor het aanbrengen van prikkeldraad,
                    schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen.</al><tussenkop>Artikel 2.13</tussenkop><tussenkop>Verbod om de weg te gebruiken als slaapplaats</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen om op te kunnen treden tegen personen die overnachten
                    in een auto en dergelijke. Dit is vanuit het oogpunt van openbare orde en
                    veiligheid ongewenst.</al><al>Een ontheffing zou verleend moeten kunnen worden bijvoorbeeld op het moment dat
                    een woonhuis van iemand volledig is afgebrand en er op korte termijn geen andere
                    mogelijkheden tot overnachting voorhanden zijn.</al><tussenkop>Artikel 2.14 </tussenkop><tussenkop>Veiligheid op het ijs</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>AFDELING 7 EVENEMENTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.15 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepaling</tussenkop><al>Gekozen is voor een negatieve omschrijving van het begrip evenement. Uitgaande
                    van een algemeen geldend criterium (“elke voor publiek toegankelijke verrichting
                    van vermaak”) wordt vervolgens in lid 1 een aantal evenementen opgesomd welke
                    niet onder de werking van de bepaling valt.</al><lijst><li nr="a."><al>in de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen. Deze
                            voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt;</al></li><li nr="b."><al>daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten;</al></li><li nr="c."><al>de Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime;</al></li><li nr="d."><al>dansen in een Drank- en Horecawet inrichting is uitgezonderd van het
                            evenementenbegrip omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan
                            worden gezien. Een andere meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan
                            het gelegenheid geven tot dansen (bijvoorbeeld het optreden van een
                            band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel als evenement worden
                            aangemerkt;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de
                            Wom;</al></li><li nr="f."><al>hieronder zijn tenslotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2.5
                            (straatartiest) en 2.27 (speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard om
                            dubbele regelgeving te voorkomen. In lid 2 wordt aangegeven wat mede
                            onder een evenement wordt verstaan. Optochten, feest, muziek en
                            wedstrijd e.d. zijn niet meer als uitzondering opgenomen. Optochten,
                            braderie, feest en wedstrijd op of aan de weg vallen nu onder de
                            reikwijdte van het evenementenbegrip.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.16 </tussenkop><tussenkop>Evenement</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeente. Voor een goed
                    verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en
                    duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt. Gekozen is voor een
                    vergunningstelsel omdat in dat kader het noodzakelijke vooroverleg, de benodigde
                    advisering van betrokken diensten, de onderlinge afstemming van wensen en
                    voorschriften en mogelijke belangen van derden het best gestalte kunnen krijgen.
                    Door aan de vergunning voorschriften te verbinden, kunnen al deze belangen
                    worden meegewogen. Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de
                    vergunning al dan niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1.8
                    genoemde criteria. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het artikel legt de vergunningplicht voor evenementen vast, evenals de termijn
                    die voor het indien van een aanvraag in acht moet worden genomen. Juist omdat
                    voor evenementen ter voorbereiding vaak een periode van advisering en overleg
                    nodig is tussen ambtelijke diensten en de organisator is voor het indien van een
                    aanvraag een termijn van tenminste acht weken voor de aanvang vastgesteld. </al><al>Dient de organisator de aanvraag te laat in dan loopt hij het risico dat de
                    aanvraag niet in behandeling wordt genomen. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>De burgemeester kan voor eenvoudige evenementen van de gestelde termijn
                    afwijken. Ook kan hij voor grote evenementen een afzonderlijke termijn vast
                    stellen. Dat is van belang voor (periodieke) grootschalige evenementen, zoals
                    bijvoorbeeld Cirque du Soleil.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De burgemeester kan bij besluit evenementen aanwijzen, waarvoor geen vergunning
                    is vereist. Hiertoe zal beleid worden ontwikkeld dat vooral ziet op kleine
                    evenementen. De organisator stelt de burgemeester tenminste drie weken
                    voorafgaand aan het evenement in kennis van het evenement. </al><al> De gemeente heeft er belang bij om tijdig op de hoogte te zijn van een
                    initiatief dat zich afspeelt in de buitenlucht. Hiervoor kan volstaan worden met
                    een melding. Het blijft verboden om zonder melding zo’n evenement te houden. De
                    gemeente kan optreden als zonder melding een dergelijk evenement wordt
                    georganiseerd.</al><tussenkop>Drank- en Horecawet</tussenkop><al>De Drank- en Horecawet bepaalt dat er geen vergunning of ontheffing nodig is
                    als: a. er een besloten feest wordt gehouden, waar b. geen entree wordt gevraagd
                    en waar c. gratis alcohol wordt geschonken. Er moet dan wel voldaan worden aan
                    alle drie vereisten, Wanneer er sprake is van het vragen en betalen van een
                    vaste bijdrage impliceert dit dat er sprake is van het anders dan om niet
                    verstrekken van alcoholische drank. In laatstgenoemde geval dient eveneens een
                    ontheffing te worden aangevraagd op grond van artikel 35 van de Drank- en
                    Horecawet. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>De burgemeester kan voorschriften stellen aan een evenement als bedoeld in lid
                    4.</al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>Er kan aanleiding zijn om het organiseren van als bedoeld in het vierde lid te
                    verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid,
                    de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt of in het geval van
                    werkzaamheden in de openbare ruimte.</al><tussenkop>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</tussenkop><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. </al><tussenkop>Artikel 2.17 </tussenkop><tussenkop>Ordeverstoring</tussenkop><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><tussenkop>AFDELING 8 TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.18 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepalingen</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip "horecabedrijf" sluit zoveel mogelijk aan bij de
                    Drank- en Horecawet en hoofdstuk 3 van deze APV. </al><tussenkop>Artikel 2.19 </tussenkop><tussenkop>Exploitatievergunning horecabedrijf</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het gemeentebestuur van Ouder-Amstel heeft een Bibob beleid vastgesteld ten
                    aanzien van exploitatievergunningen voor horecabedrijven. Artikel 174 van de
                    Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van
                    verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het
                    publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de burgemeester
                    verleend.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Een exploitatievergunning geldt voor drie jaar tenzij een andere looptijd is
                    vastgesteld.</al><al>Krachtens artikel 1.5 van deze APV kunnen voorschriften worden verbonden aan de
                    exploitatievergunning.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Als het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet
                    toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de exploitatievergunning moet worden
                    verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het
                    bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringsgrond opgenomen.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De achtergrond van deze bepaling is dat de exploitant en de leidinggevende
                    verantwoordelijk zijn voor een goede gang van zaken in het bedrijf en de directe
                    omgeving daarvan. De eis dat de exploitant en de leidinggevende niet in enig
                    opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn, dient om de beroepsuitoefening in
                    zekere banen te leiden en met het oog op een (maatschappelijk) verantwoorde
                    beroepsuitoefening. De eis ziet op geschiktheid van de exploitant en de
                    leidinggevende voor deze beroepsuitoefening. Zij hebben te maken met de aard van
                    de bedrijvigheid en met de functie die de exploitant en de leidinggevende daarin
                    vervullen. De APV legt geen beperkingen op ten aanzien van feiten of
                    omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden
                    betrokken. Zo kunnen veroordelingen maar ook proces verbalen van de politie een
                    rol spelen.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1.8 voor de horeca te ruim
                    zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is
                    bepaald dat het hier om de openbare orde gaat en om het woon- en
                    leefklimaat.</al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf zich
                    verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in
                    welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate
                    de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen
                    aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden staat
                    omschreven in het vijfde lid.</al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>Winkels in de zin van de Winkeltijdenwet, die als nevenactiviteit een
                    horecagedeelte hebben, behoeven geen exploitatievergunning te hebben. Te denken
                    valt aan tearooms, een ontbijthoekje bij de bakker, ijssalons etc. Voor het
                    horecagedeelte geldt dezelfde sluitingstijd als voor de winkel om te voorkomen
                    dat de horeca-activiteiten na sluitingstijd worden voortgezet.</al><tussenkop>Achtste lid</tussenkop><al>In dit lid zijn categorieën van horecabedrijven opgenomen waarvoor de
                    vergunningplicht niet geldt. </al><al>Indien alcoholische dranken worden geschonken, moet wel een vergunning op grond
                    van de Drank- en Horecawet worden aangevraagd.</al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (zie artikel 9, tweede lid) dient bij
                    de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden
                    alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. </al><tussenkop>Artikel 2.20 </tussenkop><tussenkop>Sluitingstijden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van het horecabedrijf, waarin de
                    eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir
                    gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting
                    bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten,
                    clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als horecabedrijf aan te merken.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de
                    burgemeester andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk
                    horecabedrijf. Dat kan neerkomen op een verruiming van de openingstijden, of op
                    een beperking. Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid dat te
                    regelen met een voorschrift bij de exploitatievergunning. Het gaat hier om een
                    vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1.5 van deze APV, dat dus moet
                    strekken ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                    vergunning vereist is. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.18 kan vergunningplichtig zijn
                    ingevolge de Wet milieubeheer of onder de werking van het Activiteitenbesluit
                    vallen. Aan een krachtens de Wet milieubeheer te verlenen vergunning kunnen
                    eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden gesteld ter
                    voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De sluitingsbepalingen
                    van de APV gelden derhalve niet voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde
                    voorschriften van toepassing zijn. </al><tussenkop>Artikel 2.21 </tussenkop><tussenkop>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het
                    belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of in bijzondere
                    omstandigheden. Het betreft een algemene bevoegdheid die anders dan bij de
                    bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, die een individueel
                    karakter heeft zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of
                    zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. De bevoegdheid beperkt
                    zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot
                    tijdelijke sluiting.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Door middel van het bepaalde in het tweede lid wordt buiten twijfel te gesteld
                    dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b
                    Opiumwet is bedoeld. </al><tussenkop>Artikel 2.22 </tussenkop><tussenkop>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</tussenkop><al>Sluitingsbepalingen richten zich tot exploitant. Dit artikel richt zich
                    daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met
                    goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de
                    inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2.22. Als hij geen
                    toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat
                    vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk).</al><tussenkop>Artikel 2.23 </tussenkop><tussenkop>Beperking verstrekking alcoholhoudende drank</tussenkop><al>Deze bepaling is gebaseerd op artikel 23 van de Drank- en Horecawet. Het
                    schenken van sterke drank wordt aan beperkingen gebonden in inrichtingen in de
                    zin van de Drank- en Horecawet waar veel jongeren plegen te komen. </al><al>Onder kleine eetwaren onder a. worden verstaan eetwaren zoals belegde broodjes,
                    patates frites, kroketten, versnaperingen e.d..</al><tussenkop>Artikel 2.24 </tussenkop><tussenkop>Handel in horecabedrijven</tussenkop><al>Dit artikel betreft een verbod van heling. Dit sluit aan bij artikel 437 van het
                    Wetboek van Strafrecht. Ook sluit dit artikel aan op het in artikel 14 Drank en
                    Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste
                    verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.</al><al>Omdat dit artikel een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de
                    handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149
                    Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154
                    Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 2.25 </tussenkop><tussenkop>Ordeverstoring</tussenkop><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat
                    zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><tussenkop>AFDELING 9 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.27 </tussenkop><tussenkop>Speelgelegenheden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het begrip "speelgelegenheid" als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten
                    aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals
                    speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met
                    uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden,
                    waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</al><tussenkop>Tweede en derde lid</tussenkop><al>De vergunningplicht geldt voor het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Dit artikel heeft het beschermen van de openbare orde en het woon- en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan.</al><al>In dit artikel is een vergunningplicht opgenomen, met in het derde lid de
                    mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel van de
                    burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving
                    van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                    beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er strijd bestaat
                    met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft,
                    heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid last
                    onder bestuursdwang toe te passen. </al><tussenkop>Artikel 2.28 </tussenkop><tussenkop>Speelautomaten</tussenkop><al>Op 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over de
                    speelautomaten in werking getreden (opnieuw gewijzigd per 1 november 2000). Op
                    grond van de Wet op de Kansspelen dient een vergunning te worden aangevraagd
                    voor zowel een kansspelautomaat als een behendigheidsautomaat.</al><al>Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft uitspraken gedaan ten
                    aanzien van het hoog- dan wel laagdrempelig zijn van een inrichting. Deze
                    jurisprudentie vormt een leidraad bij de bepaling of een horecalokaliteit hoog-
                    dan wel laagdrempelig is.</al><tussenkop>AFDELING 10 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.29 </tussenkop><tussenkop>Betreden gesloten woning of lokaal</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. </al><al>Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting
                    regelt, zijn deze hiermee in de APV geregeld. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid van dit artikel is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als
                    in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als
                    bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd,
                    verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid toegevoegd. </al><tussenkop>Artikel 2.30 </tussenkop><tussenkop>Plakken en kladden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term "bekladden" ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><tussenkop>Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Dit artikel maakt op
                    dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens
                    het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van
                    bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht wordt
                    geschonden. De eis dat "plakken" slechts is toegestaan indien dit geschiedt met
                    toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die
                    rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van
                    een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.
                    De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of
                    weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</al><tussenkop>Doen plakken of doen aanbrengen</tussenkop><al>Het "doen" plakken of het op andere wijze "doen" aanbrengen van aanplakbiljetten
                    valt onder de verbodsbepaling. Onder "doen" aanplakken, wordt in de
                    jurisprudentie verstaan het geven van opdracht om te plakken of een actieve
                    bemoeienis daarmee hebben. </al><tussenkop>Artikel 2.31 </tussenkop><tussenkop>Vervoer plakgereedschap e.d.</tussenkop><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                    rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde
                    stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden</al><tussenkop>Artikel 2.32 </tussenkop><tussenkop>Vervoer inbrekerswerktuigen</tussenkop><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken.</al><tussenkop>Artikel 2.33 </tussenkop><tussenkop>Betreden van plantsoenen e.d.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2.34 </tussenkop><tussenkop>Rijden over bermen e.d.</tussenkop><al>Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet
                    derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving.</al><al>De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn voorzien van
                    rubberbanden, is opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten. </al><al>Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in
                    niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende
                    groenstroken, wordt geregeld in artikel 5.9 (aantasting groenvoorzieningen door
                    voertuigen).</al><tussenkop>Artikel 2.35 </tussenkop><tussenkop>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</tussenkop><al>Op basis van dit artikel (en artikel 2.37) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden.</al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt "straatschenderij" strafbaar,
                    terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf
                    bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Artikel 5 van de
                    Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te
                    gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan
                    wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. </al><tussenkop>Artikel 2.36 </tussenkop><tussenkop>Hinderlijk gebruik drank en softdrugs</tussenkop><al>In het eerste lid is een verbod opgenomen om op hinderlijke wijze alcohol te
                    gebruiken.</al><al>In het tweede lid is eenzelfde verbod opgenomen ten aanzien van softdrugs. In
                    het vierde lid is bepaald wat daaronder wordt verstaan.</al><al>De Opiumwet stelt het bezit van en de handel in drugs strafbaar maar
                    drugsgebruik is ingevolge de Opiumwet niet strafbaar. Op grond van het tweede
                    lid kan worden opgetreden tegen drugsgerelateerde hinder door het gebruik en het
                    voorhanden hebben en softdrugs te verbieden.</al><al>De bepaling is wel zodanig geformuleerd dat er sprake moet zijn van gedrag dat
                    de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins
                    overlast veroorzaakt. De mogelijkheid tot het instellen van een zogenaamd
                    blowverbod is bedoeld om overlast aan te pakken die kan worden ondervonden door
                    bepaald gebruik van softdrugs. Het gebruik van softdrugs bevordert onder andere
                    hanggedrag en kan in belangrijke mate bijdragen aan overlast. </al><al>In het derde lid van dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door
                    het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of
                    aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit
                    verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een
                    horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van
                    artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats
                    waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al>Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld
                    gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig
                    overlast veroorzaakt wordt. Een gebied kan worden aangewezen als
                    gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de
                    openbare orde is al aangetast.</al><tussenkop>Artikel 2.37 </tussenkop><tussenkop>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><tussenkop>Artikel 2.38 </tussenkop><tussenkop>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten</tussenkop><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. </al><tussenkop>Artikel 2.39 </tussenkop><tussenkop>Loslopende honden</tussenkop><al>Dit artikel beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond
                    aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn
                    algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten
                    grondslag.</al><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: de bescherming van
                    de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht,
                    het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden, het voorkomen van
                    hinder voor voetgangers, het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van
                    speelweiden, zandbakken, e.d.) en het voorkomen van schade en dierenleed, die
                    worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name
                    schapen en kippen naar het leven staan.</al><al>Het tweede lid is ingevoegd om het mogelijk te maken dat het college plaatsen
                    aanwijst waar honden niet hoeven te zijn aangelijnd. </al><al>Het derde lid treft een voorziening voor de eigenaren van
                    blindengeleidehonden.</al><tussenkop>Artikel 2.40 </tussenkop><tussenkop>Verontreiniging door honden</tussenkop><al>Dit artikel is erop gericht om de verontreiniging door honden tegen te gaan. Het
                    college kan honden-uitlaatplaatsen aanwijzen. De strafbaarheid van dit artikel
                    wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd. </al><tussenkop>Artikel 2.41 </tussenkop><tussenkop>Gevaarlijke of hinderlijke honden</tussenkop><al>Enige jaren geleden ontstond bezorgdheid over agressief gedrag van bepaalde
                    honden. Bij incidenten brachten honden aanzienlijk letsel toe aan mens of dier.
                    Dit artikel geeft het college de bevoegdheid te besluiten dat een gevaarlijke of
                    hinderlijke hond aangelijnd, dan wel gemuilkorfd dient te worden.</al><tussenkop>Artikel 2.42 </tussenkop><tussenkop>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</tussenkop><al>Door in het eerste lid de zinsnede "buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd.</al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid
                    dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de
                    constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen
                    waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. </al><tussenkop>Artikel 2.43 </tussenkop><tussenkop>Loslopend vee</tussenkop><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. </al><al>Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt
                    het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend
                    pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die
                    bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</al><tussenkop>Artikel 2.44 </tussenkop><tussenkop>Bijen</tussenkop><al>Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst
                    zijn en op zodanige wijze dat de "aanvliegbanen" hiervan over de weg lopen,
                    gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren. Dit artikel beoogt dit te
                    reguleren.</al><tussenkop>Artikel 2.45 </tussenkop><tussenkop>Bedelarij</tussenkop><al>In de APV is dit artikel opgenomen dat beoogt bedelarij tegen te gaan. Op grond
                    van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. </al><al>Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie in een
                    bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen.</al><al>Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een
                    geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod,
                    maar onder de regeling van artikel 2.5 (straatartiesten). </al><tussenkop>AFDELING 11 DRUGSOVERLAST</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.46 </tussenkop><tussenkop>Drugshandel op straat</tussenkop><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage "onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet" opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk
                    instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden
                    genoemd op lijst I ("harddrugs") en II ("softdrugs") die behoren bij deze wet. </al><al>Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te
                    verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In
                    de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel
                    op straat. Om hiertegen te kunnen optreden, is dit artikel opgenomen dat het
                    voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot
                    doel heeft.</al><al>In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars
                    ("drugsrunners") strafbaar gesteld. Het "kennelijk doel" kan blijken uit
                    ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van
                    voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</al><tussenkop>AFDELING 12 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN
                    CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.47 </tussenkop><tussenkop>Bestuurlijke ophouding</tussenkop><al>Dit artikel is gebaseerd op artikel 154a van de Gemeentewet. Dit artikel
                    voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige
                    ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een
                    door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding
                    is hieronder begrepen. </al><tussenkop>Artikel 2.48 </tussenkop><tussenkop>Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet heeft de raad aan de burgemeester bij deze
                    verordening de bevoegdheid verleend om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: vervoermiddelen te
                    onderzoeken, een ieders kleding te onderzoeken, of te vorderen dat verpakkingen
                    die men bij zich draagt, worden geopend.</al><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. </al><tussenkop>Artikel 2.49 </tussenkop><tussenkop>Cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet heeft de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij deze verordening de bevoegdheid verleend tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde.</al><tussenkop>Openbare plaats</tussenkop><al>De invulling van het begrip openbare plaats uit artikel 151c Gemeentewet is
                    ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet openbare manifestaties (Wom). Op
                    grond van die wet omvat het begrip openbare plaats, zeer in het algemeen, de
                    plaatsen "waar men komt en gaat". In eerste instantie gaat het hierbij om "de
                    straat" of "de weg" in de ruime zin des woords, ofwel de wegen die voor eenieder
                    vrij toegankelijk zijn. Maar het begrip omvat nog een aantal andere plaatsen die
                    een met de weg vergelijkbare functie vervullen en daarom als het "verlengde" van
                    de weg kunnen worden aangemerkt. In de wetsgeschiedenis staan als voorbeelden
                    vermeld: openbare plantsoenen, speelweiden, parken en de voor eenieder vrij
                    toegankelijke gedeelten van overdekte passages, winkelgalerijen, stationshallen
                    en vliegvelden.</al><tussenkop>Vaste camera’s</tussenkop><al>De wetgever heeft dit onderwerp uitputtend bij formele wet geregeld. Uitsluitend
                    op de wijze omschreven in artikel 151c Gemeentewet kan worden besloten tot
                    langdurige plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van de handhaving van de
                    openbare orde. Ander gebruik van camera’s ten behoeve van de openbare orde en
                    veiligheid dan het hiervoor bedoelde statische en langdurige gebruik, wordt door
                    de regeling onverlet gelaten. </al><tussenkop>Proportionaliteit en subsidiariteit</tussenkop><al>Het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen moet noodzakelijk zijn
                    voor de handhaving van de openbare orde. Het cameratoezicht moet evenredig zijn
                    in relatie tot het doel (proportionaliteit) en er moet worden bezien of dit
                    doel, i.c. de handhaving van de openbare orde, niet op een minder ingrijpende
                    wijze kan worden geëffectueerd (subsidiariteit).</al><tussenkop>Kenbaarheid</tussenkop><al>In artikel 151c lid 4 Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s
                    kenbaar moet zijn. Door het goed zichtbaar plaatsen van borden, waarop wordt
                    aangeven dat in het betrokken gebied met camera’s wordt gewerkt, kan het publiek
                    hierop worden geattendeerd.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c lid 1 Gemeentewet de bevoegdheid
                    om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk
                    zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te
                    brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het
                    doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wom
                    vallen. Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht
                    noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Prostitutie en prostituee(onder a. en b.)</tussenkop><al>Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie in
                    artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. </al><tussenkop>Seksinrichting (onder c.)</tussenkop><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor hoofdstuk 3.
                    “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige
                    wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een
                    zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als
                    bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. </al><al>In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat
                    dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of
                    een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich
                    niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of
                    gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking
                    voor het publiek toegankelijk is.</al><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                    zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                    seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                    behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet
                    alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                    plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees
                    voor korte tijd kamers verhuren. Een seksbioscoop is een inrichting waarin
                    hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door
                    middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van een
                    seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische aard
                    worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin deze
                    vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten -
                    met andere woorden “live” - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de
                    seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk
                    voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. </al><al>Een café bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt,
                    dient derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet
                    echter worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke
                    verrichting van vermaak”), waarvoor vergunning van de burgemeester vereist
                    is.</al><tussenkop>Escortbedrijf (onder d.)</tussenkop><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een
                    website op internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de
                    vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van
                    advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van
                    een combinatie van een seksinrichting en een escortservice.</al><tussenkop>Bezoeker (onder g.)</tussenkop><al>Het behoeft geen betoog dat, tegen de achtergrond van de bij of krachtens de
                    artikelen 3.6 of 3.7 vastgestelde sluitingsuren, niet alle in de inrichting
                    aanwezige personen als “bezoeker” moeten worden aangemerkt.</al><al>Van het begrip “bezoeker” zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de
                    prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens toezichthouders en
                    opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in
                    de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken
                    aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van
                    goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden).</al><tussenkop>Artikel 3.2 </tussenkop><tussenkop>Bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester te worden
                    aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de
                    voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden. In de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere
                    begrip “ruimte” opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat
                    om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om
                    escortbedrijven. </al><tussenkop>Artikel 3.3 </tussenkop><tussenkop>Nadere regels</tussenkop><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. (artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet).</al><al>Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (meestal de burgemeester) over zijn
                    bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van de Awb. </al><tussenkop>AFDELING 2 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.4 </tussenkop><tussenkop>Seksinrichtingen en escortbedrijven</tussenkop><al>Het gemeentebestuur van Ouder-Amstel heeft een Bibob beleid vastgesteld ten
                    aanzien van exploitatievergunningen voor seksinrichtingen en
                    escortbedrijven.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Hieruit vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort. Het
                    wijzigen van de seksinrichting valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het
                    wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook, zoals bijvoorbeeld
                    een verandering van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze van
                    exploitatie etc. Tenzij anders is bepaald, is de looptijd van een vergunning
                    drie jaar.</al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan</al><tussenkop>Artikel 3.5 </tussenkop><tussenkop>Gedragseisen exploitant en beheerder</tussenkop><al>Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld
                    in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële
                    documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                    beheerder zijn vermeld in een aanvraag (artikel 13 van het Besluit justitiële
                    gegevens).</al><al>In dit artikel is zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden
                    nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en
                    het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. In
                    aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horeca zijn in deze
                    bepaling zedendelicten en mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en
                    overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen opgenomen.
                    De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en mishandeling
                    dienen ter bescherming van de prostituees. </al><al>De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                    vreemdelingen is gelegen in de bestrijding van de mensenhandel.</al><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding “in enig opzicht slecht
                    levensgedrag” in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in de
                    navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk
                    geval sprake is van “in enig opzicht slecht levensgedrag”. Dat het niet als een
                    limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik van het
                    woord “naast” aan het begin van het tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 3.6 </tussenkop><tussenkop>Sluitingstijden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De hier opgenomen sluitingsurenregeling heeft betrekking op
                    seksinrichtingen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een vergunning voor een of meer
                    afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden vaststellen. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde
                    lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met
                    toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                    gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het
                    derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of
                    beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering
                    verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk). </al><tussenkop>Artikel 3.7 </tussenkop><tussenkop>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Ten opzichte van artikel 3.6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                    voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het “reguliere” sluitingstijdenregime
                    is) biedt artikel 3.7 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te
                    wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat:</al><lijst><li nr="-"><al>voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere
                            sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3.6
                            gestelde; of</al></li><li nr="-"><al>van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of
                            gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen.</al></li></lijst><al>Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3.12, tweede
                    lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van
                    strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. </al><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht
                    in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of
                    beperking van overlast e.d..</al><al> De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als
                    bedoeld in het eerste lid, onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de gemeente
                    gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de bevoegdheid
                    genoemd in het tweede lid, die individueel gericht is. Tijdelijke sluiting kan
                    slechts van afzonderlijke inrichtingen worden bevolen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Een besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a. als b.), richt zich
                    doorgaans tot een of meer belanghebbenden - de betrokken exploitant(en) - en
                    moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb).</al><al>Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de
                    tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3.6, derde lid), is in het tweede
                    lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan de
                    betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan op de door
                    3:42 Awb voorgeschreven manier. Het zichtbaar aanplakken van de
                    geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient aanbeveling.</al><tussenkop>Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Om effectiever te kunnen optreden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid een
                    verbod opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang
                    in verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het
                    tweede lid.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                    verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de
                    inrichting. </al><al>Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend, moeten richten op
                    het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie, prostitutie door
                    minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling, geweldsdelicten
                    e.d..</al><al>Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel
                    aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden.
                    Afhankelijk van de omstandigheden kan tot een tijdelijke beperking van de
                    openingstijden, een tijdelijke sluiting of een (tijdelijke) intrekking van de
                    vergunning worden besloten.</al><tussenkop>Artikel 3.9 </tussenkop><tussenkop>Straatprostitutie</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De plicht om aan een door de politie gegeven bevel onmiddellijk gevolg te geven
                    vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie
                    op niet-naleving.</al><tussenkop>Artikel 3.10 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d.</tussenkop><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voorzover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. </al><tussenkop>AFDELING 3 BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.11 </tussenkop><tussenkop>Beslissingstermijn</tussenkop><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. In lid 1 is
                    bepaald dat er binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen een
                    besluit wordt genomen. Lid 2 regelt de verdaging.</al><tussenkop>Artikel 3.12 </tussenkop><tussenkop>Weigeringsgronden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid, onder a.: levensgedrag</tussenkop><al>Zie voor toelichting hierop de toelichting onder artikel 3.5.</al><tussenkop>Eerste lid, onder b.: bestemmingsplan</tussenkop><al>Het zal voor kunnen komen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als
                    bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende bestemmingsplan vestiging van
                    een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is in dat
                    geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar
                    tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van kan worden
                    gemaakt.Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het bestemmingsplan
                    als weigeringsgrond opgenomen.</al><tussenkop>Eerste lid, onder c: minderjarig, onvrijwillig, illegaal</tussenkop><al>Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker
                    voorkomende weigeringsgrond, namelijk vrees voor ernstige verstoring van de
                    openbare orde. Als er aanwijzingen zijn dat de voorgenomen exploitatie in strijd
                    is met artikel 273f is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet worden
                    dat de exploitant prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of
                    minderjarigen laat werken. Zo dient ter bescherming van de openbare orde ook te
                    worden voorkomen dat de exploitant prostituees zonder een voor het verrichten
                    van arbeid geldige verblijfstitel inzet. </al><tussenkop>Tweede lid, onder a.: openbare orde</tussenkop><al>De bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving is onder meer
                    aanleiding geweest om het aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden
                    verleend aan een maximum te binden.</al><tussenkop>Tweede lid, onder c.: woon- en leefomgeving</tussenkop><al>De exploitatie van seksinrichtingen kan worden tegengegaan op plaatsen waar de
                    woon- en leefomgeving op ontoelaatbare wijze nadelig zou worden beïnvloed. </al><tussenkop>Tweede lid, onder d.: Veiligheid personen of goederen</tussenkop><al>Bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot
                    belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen
                    die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet is het
                    Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de brandveiligheid van de
                    inrichting zelf; en biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag
                    voorzover het gaat om het gebruik van de inrichting.</al><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting
                    bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</al><tussenkop>Tweede lid, onder e.: verkeersvrijheid of -veiligheid</tussenkop><al>Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare
                    veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en
                    raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of aan de
                    openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen voetgangers en
                    motorvoertuigen. </al><al> Dit kan bezwaarlijk zijn wanneer daardoor bijvoorbeeld de normale
                    bereikbaarheid van het desbetreffende gebied wordt geschaad of bewoners ter
                    plaatse niet of nauwelijks meer kunnen parkeren. </al><tussenkop>Tweede lid onder f.: gezondheid</tussenkop><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook
                    dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende
                    instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de
                    ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid. In dit verband wordt
                    gewezen op de Wet collectieve preventie volksgezondheid en het Besluit
                    collectieve preventie volksgezondheid. </al><tussenkop>Tweede lid, onder f.: zedelijkheid</tussenkop><al>Het zedelijkheidsmotief zal bij de regulering van de commerciële exploitatie van
                    prostitutie doorgaans niet vooropstaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat op basis
                    van het zedelijkheidsmotief in de vergunningvoorschriften een
                    minimumleeftijdsgrens voor bezoekers wordt gesteld van bijvoorbeeld 16 of 18
                    jaar.</al><tussenkop>Tweede lid, onder g.: arbeidsomstandigheden</tussenkop><al>Door opheffing van het algemeen bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet van
                    toepassing op delen van de prostitutiebranche, te weten waar sprake is van een
                    arbeidsverhouding als bedoeld in de wet.</al><tussenkop>Artikel 3.13 </tussenkop><tussenkop>Beëindiging exploitatie</tussenkop><tussenkop>Eerste en tweede lid</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. </al><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij een actueel overzicht te kunnen
                    hebben van de in de gemeente actieve exploitanten; in verband daarmee is in het
                    tweede lid bepaald, dat binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie daarvan moet worden kennisgegeven.</al><tussenkop>Artikel 3.14 </tussenkop><tussenkop>Wijziging beheer</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te
                    kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in
                    het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun
                    werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week
                    na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van
                    de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege
                    vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting
                    in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de
                    exploitant zelf.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst
                    te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in
                    dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is
                    voorgeschreven in artikel 3.4, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te
                    vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de
                    nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                    moment dat de aanvraag is ingediend. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR
                    HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</tussenkop><tussenkop>AFDELING 1 GELUIDHINDER EN VERLICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Besluit</tussenkop><al>Op 1 januari 2008 is het nieuwe Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer (hierna: Besluit) in werking getreden. Dit besluit vervangt een
                    groot aantal algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Een van die AMvB’s was
                    het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Ook het
                    nieuwe Besluit geeft gemeenten de mogelijkheid om bij festiviteiten via een
                    gemeentelijke verordening ontheffing te verlenen voor artikelen over geluid-,
                    trillings- en lichthinder.</al><tussenkop>Inrichting</tussenkop><al>Op grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor
                    het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken, of
                    voldoen aan een algemene maatregel van bestuur (AMvB), die artikelen met
                    betrekking tot de bescherming van het milieu bevat. In het nieuwe Besluit wordt
                    onderscheid gemaakt in drie typen inrichtingen: type A (niet melding- of
                    vergunningplichtig), type B (meldingsplichtig) en type C (vergunningplichtig).
                    Afhankelijk van het type inrichting gelden bepaalde (standaard)voorschriften uit
                    het Besluit.</al><tussenkop>Geluidsgevoelige gebouwen en terreinen</tussenkop><al>Voor deze begripsbeschrijving wordt aangesloten bij definities voor
                    (geluids)gevoelige gebouwen en terreinen uit het Besluit en de Wet geluidhinder.
                    Het begrip onversterkte muziek is niet eerder gedefinieerd.</al><tussenkop>Artikel 4.2 Aanwijzing van collectieve festiviteiten</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet
                    gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid,
                    onder a, van het Besluit. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn
                    carnaval, kermis of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties.</al><al>De uitvoering van de regeling is neergelegd bij het college. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij
                    sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn
                    uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij
                    collectieve festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid, onder a, van het
                    Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten
                    de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een
                    sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Het college kan rekening houden met de aard van het gebied door
                    gebiedsdifferentiatie toe te passen. Het grondgebied van de gemeente kan
                    bijvoorbeeld verdeeld worden in verschillende kernen of wijken. De vaststelling
                    van deze gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit. </al><al> Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval,
                    kermissen of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties. Het onderscheid
                    tussen collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijven en
                    blijken. </al><al>Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen
                    per gebied kan verschillen. De artikelen 2.21 en 4.113 van het Besluit kennen
                    alleen gebiedsdifferentiatie voor collectieve festiviteiten.</al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>In tegenstelling tot het oude besluit biedt dit Besluit gemeenten de
                    mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te
                    stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De basis voor deze
                    bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel a. Hierin wordt
                    wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om voorwaarden ter voorkoming van
                    geluidhinder. Voor de verlichting bij sportbeoefening is deze mogelijkheid niet
                    in het Besluit opgenomen.</al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is
                    onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. Dit
                    betekent dat voor onversterkte muziek in principe geen maximum geluidsnorm
                    geldt. </al><al>Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het Besluit
                    hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke verordening aan
                    te passen (zie ook artikel 4.5). De reguliere geluidsnormen gelden niet bij
                    festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen produceren. Om de
                    omgeving enige bescherming te bieden en geluidsniveaus van onversterkte muziek
                    bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek meegenomen in de
                    geluidsnorm.</al><tussenkop>Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</tussenkop><tussenkop>Eerste en tweede lid</tussenkop><al>De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten
                    voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en
                    4.113 van het Besluit. </al><al>Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij
                    verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele
                    inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van
                    de geluidsnormen. </al><al>Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal
                    inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek
                    bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege
                    vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen
                    waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar
                    betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening
                    houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te
                    verlagen. In het onderhavige artikel dient de raad in de verordening te bepalen
                    hoeveel incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn toegestaan in de
                    gemeente. Het maximum aantal van 12 incidentele festiviteiten is ongewijzigd in
                    vergelijking met de vorige regeling voor horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen. Wat wel verandert is dat de regeling nu ook geldt voor
                    festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit
                    vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel en kantoren een beroep op
                    deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet
                    geldt, zijn de type C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig
                    blijven of vallen onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw).</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de
                    verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur
                    zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 4.113 kan hiervan worden
                    afgeweken. </al><al> Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en
                    recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun
                    lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege
                    vogels”-toernooi. </al><al>Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113
                    tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duister voor
                    de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele
                    activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare
                    lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd
                    gezag.</al><al>In tegenstelling tot het oude besluit biedt het Besluit gemeenten de
                    mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te
                    stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat
                    in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel b. Voor de algemene toelichting
                    over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij festiviteiten wordt
                    kortheidshalve verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4.2 APV. Net
                    als bij de collectieve festiviteiten geldt de regeling voor incidentele
                    festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Besluit in plaats
                    van alleen voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen zoals onder het oude
                    besluit.</al><tussenkop>Achtste lid</tussenkop><al>Hierin wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit
                    beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben over het
                    algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Voor muziekgeluid op buitenpodia
                    of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kunnen in de
                    evenementenvergunning voorschriften worden opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 4.4 </tussenkop><tussenkop>Verboden incidentele festiviteiten</tussenkop><al>De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van
                    de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op
                    de voor publiek openstaande gebouwen en andere openbare vermakelijkheden. </al><tussenkop>Artikel 4.5 </tussenkop><tussenkop>Onversterkte muziek</tussenkop><al>Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17 en 2.18 van het Besluit. Het artikel
                    is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten
                    inrichtingen. </al><al>Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In
                    het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus.
                    Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f juncto vijfde lid, van
                    het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek
                    regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening. </al><al>Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te
                    geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2
                    een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van
                    de geluidsniveaus. In lid 2 wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier
                    worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van
                    oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</al><al>De genoemde geluidsniveaus in tabel 1 zijn niet van toepassing op;</al><lijst><li nr="a."><al>het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst
                            of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of
                            levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid
                            in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;</al></li><li nr="b."><al>het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens
                            het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en
                            zonsondergang op militaire inrichtingen;</al></li><li nr="c."><al>het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire
                            muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum
                            van twee uren per week op militaire inrichtingen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4.6 </tussenkop><tussenkop>Geluidhinder door toestellen of apparaten</tussenkop><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd.
                    Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een
                    milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn
                    algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels
                    zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</al><al>In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare
                    manifestaties en het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom
                    is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in lid 3.</al><al>De provinciale milieuverordening is toegevoegd aan dit lid. In een provinciale
                    milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden
                    aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij
                    provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van
                    geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale
                    milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.</al><al>Artikel 4.6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</al></li><li nr="-"><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen;</al></li><li nr="-"><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen;</al></li><li nr="-"><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz.;</al></li><li nr="-"><al>overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</al></li></lijst><al>Voorts kunnen onder artikel 4.6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door
                    het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van
                    geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook
                    niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde,
                    aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging
                    betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke
                    situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften.</al><tussenkop>Artikel 4.7 </tussenkop><tussenkop>Geluidhinder door dieren</tussenkop><al>Deze bepaling regelt de verplichting om te zorgen dat dieren geen geluidhinder
                    veroorzaken voor de omgeving. De verplichting geldt voor degene die de zorg
                    heeft voor een dier, dat wil zeggen de eigenaar of de houder. De afbakening
                    betreft de Wet Milieubeheer, omdat voor inrichtingen die daaronder vallen,
                    bijvoorbeeld dierenasiels, al regels betreffende geluidhinder gelden.</al><tussenkop>Artikel 4.8 </tussenkop><tussenkop>Geluidhinder door bromfietsen e.d.</tussenkop><al>Dit artikel verbiedt het zich “(geluid)hinderlijk” gedragen met een
                    motorvoertuig of een bromfiets. “Gedragen” betreft niet alleen het rond rijden,
                    maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor.</al><al>Dit artikel komt niet in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet; de Hoge
                    Raad heeft uitgemaakt dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van
                    de weg door personen die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen
                    gelden.</al><tussenkop>Artikel 4.9 </tussenkop><tussenkop>Geluidhinder door vrachtauto’s en artikel 4.10 Routering.</tussenkop><al>Deze artikelen spreken voor zich.</al><tussenkop>AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.11 </tussenkop><tussenkop>Natuurlijke behoefte doen</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 4.12 </tussenkop><tussenkop>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten
                    buiten gebouwen </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><tussenkop>AFDELING 3 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.13 </tussenkop><tussenkop>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.</tussenkop><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d. en landbouwproducten. Het college is
                    bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan
                    bepaalde regels gebonden is.</al><al>Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin
                    van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voorzover de
                    in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan
                    worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen
                    voorschriften.</al><al>De in de afdeling 5.1 “Parkeerexcessen” opgenomen artikelen bevatten onder meer
                    bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare
                    voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingsruimte voor
                    auto’s door garagebedrijven e.d. en het parkeren van caravans e.d.</al><tussenkop>Artikel 4.14 </tussenkop><tussenkop>Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames</tussenkop><al>Dit artikel verbiedt om handelsreclame te maken of te voeren waardoor het
                    verkeer in gevaar wordt gebracht of ontsierende of ernstige hinder ontstaat voor
                    de omgeving. </al><al>Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1 van de APV als: iedere openbare
                    aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een
                    commercieel belang te dienen. In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het
                    in dit artikel gaat om niet-ideële reclame, waarbij geen gedachten of gevoelens
                    worden geopenbaard. Volgens vaste jurisprudentie behoren reclame-uitingen in de
                    commerciële sfeer niet tot het eigenlijke gebied van de vrijheid van
                    meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.</al><al>Onroerende zaken zijn volgens het artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk
                    Wetboek onder meer de grond, de met de grond verenigde beplantingen en de
                    gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. </al><tussenkop>Artikel 4.15 </tussenkop><tussenkop>Vergunningplicht reclame </tussenkop><al>In dit artikel is een vergunningplicht opgenomen om in het openbaar reclame te
                    maken. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 4.14. Voor een reclame van
                    enige omvang of betekenis is doorgaans tevens een bouwvergunning nodig is,
                    waardoor aan de welstand kan worden getoetst. </al><tussenkop>Artikel 4.16 </tussenkop><tussenkop>Vergunningplicht lichtreclame</tussenkop><al>Hierin is opgenomen een verbod om zonder vergunning van het college op of aan
                    een onroerende zaak verlichte handelsreclame te maken. Voor een reclame van
                    enige omvang of betekenis is doorgaand tevens een bouwvergunnng nodig, waardoor
                    aan de welstand kan worden getoetst.</al><al>In het tweede lid zijn de weigeringsgronden opgenomen. </al><tussenkop>AFDELING 4 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.17 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepaling</tussenkop><al>In verband met de afschaffing van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) met
                    ingang van 1 januari 2008 zijn de artikelen in deze afdeling opgenomen. Dit ter
                    voorkoming van ongewenste situaties.</al><al>In de Begripsbepaling gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan.</al><tussenkop>Artikel 4.18 </tussenkop><tussenkop>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 4.19 </tussenkop><tussenkop>Aanwijzing kampeerplaatsen</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER
                    GEMEENTE</tussenkop><tussenkop>AFDELING 5.1 PARKEEREXCESSEN</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting </tussenkop><tussenkop>1. Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen</tussenkop><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen
                    verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid
                    van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde
                    milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of
                    beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of
                    de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer. Artikel 2a WVW
                    1994 geeft aan dat gemeenten bevoegd zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te
                    stellen. De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149
                    Gemeentewet.</al><tussenkop>2. Begrip “parkeerexces”</tussenkop><al>In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip
                    “parkeerexces” precies inhoudt. Blijkens de jurisprudentie kan onder het begrip
                    “parkeerexces” ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen, dus:</al><lijst><li nr="a."><al>zowel wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de
                            verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers,
                            die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien
                            hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke
                            aanvulling).</al></li><li nr="b."><al>in deze omschrijving ligt besloten, dat het gebruik van de weg als
                            parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat
                            de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het
                            aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist
                            in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen;</al></li><li nr="c."><al>alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om
                            andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde
                            of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast
                            (oneigenlijke aanvulling).</al></li></lijst><tussenkop>3. Beperking tot gedragingen op de weg </tussenkop><al>Bij parkeerexcessen “in eigenlijke zin” gaat het om gedragingen op de weg in de
                    zin van de WVW 1994. Onder weg verstaat deze APV ingevolge artikel 1.1 hetzelfde
                    als de WVW 1994 daaronder verstaat. </al><al>In de afdeling “Parkeerexcessen” zijn niet uitsluitend onderwerpen geregeld
                    welke als parkeerexcessen “in eigenlijke zin” kunnen worden aangeduid. Zo hebben
                    artikelen ook betrekking op gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. </al><al>Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de bepalingen betreffende
                    parkeerexcessen - zowel de “eigenlijke” als de “oneigenlijke” - zoveel mogelijk
                    in een afdeling samengevoegd. De bedoelde gedragingen zullen door het publiek
                    immers alle als parkeerexces worden ervaren.</al><tussenkop>Artikel 5.1 </tussenkop><tussenkop>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</tussenkop><tussenkop>Eerste lid, onder a.</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op
                    buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden
                    geacht (verkeersmotief).</al><al>Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). </al><tussenkop>Eerste lid, onder b.</tussenkop><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake
                    geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd
                    over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</al><al>Met het oog op het vorenstaande is de strafbaarheid van het herstellen of slopen
                    op de weg niet gerelateerd aan de omstandigheid dat er sprake moet zijn van drie
                    of meer voertuigen.</al><al>Ingevolge de aanhef is slechts diegene strafbaar die bij herhaling de weg als
                    werkplaats voor reparatie- of sloopdoeleinden gebruikt. Ook voor diegenen moet
                    echter de mogelijkheid blijven bestaan aan de door hem (en zijn gezin) gebruikte
                    auto kleine reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het vierde lid opent deze
                    mogelijkheid.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Onder a. is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” teneinde twijfel
                    over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan
                    een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term
                    “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf.</al><al>Het bepaalde bij artikel 5.1 kan niet als een soort “escape” fungeren ten
                    opzichte van de andere in deze afdeling opgenomen verbodsbepalingen. </al><al>Artikel 5.1 mag met andere woorden niet gelezen worden in verband met de andere
                    artikelen in de afdeling, in die zin dat de “faciliteit” die in artikel 5.1 is
                    besloten - garagehouders enz. mogen twee auto’s sowieso op de weg laten staan -
                    ook impliceert dat zij een autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot
                    voertuig enz. ongelimiteerd lang op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte
                    die hen is aangewezen dezelfde blijft.</al><al>Het bepaalde bij artikel 5.1 geeft de daarin genoemde personen niet een
                    “vrijstelling” om voertuigen te parkeren in afwijking van de andere
                    verbodsbepalingen in deze afdeling. </al><al>Immers, in artikel 5.1 bestaat het excessieve in de ruimte die door het aantal
                    voertuigen in beslag wordt genomen, in bijvoorbeeld de artikelen 5.3 en 5.4
                    bestaat het excessieve met name in het niet gerechtvaardigde doel om gedurende
                    lange tijd parkeerruimte in beslag te nemen met wrakken of daarvan nauwelijks te
                    onderscheiden vehikels. Dit doel is, indien zulks door garagehouders geschiedt,
                    even onduldbaar als wanneer particulieren zich hieraan bezondigen.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Aan
                    de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden. </al><tussenkop>Artikel 5.2 </tussenkop><tussenkop>Te koop aanbieden van voertuigen</tussenkop><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks
                    sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                    beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden. Anders ligt het
                    wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden worden. Behalve
                    dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, kan dit voor de omwonenden
                    aanzienlijke overlast met zich meebrengen. Ook wordt er een beslag op de
                    beschikbare parkeerruimte gelegd. </al><tussenkop>Artikel 5.3 </tussenkop><tussenkop>Defecte voertuigen</tussenkop><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Soms slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die
                    gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig,
                    moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                    krijgen.</al><al>Deze bepaling ziet slechts op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil zeggen op
                    het plaatsen en hebben van defecte voertuigen op de weg (in de zin van de WVW
                    1994). </al><tussenkop>Artikel 5.4 </tussenkop><tussenkop>Voertuigwrakken</tussenkop><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of
                    bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in
                    het straatbeeld vormt. </al><al>Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de
                    weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus primair om
                    die reden excessief. </al><tussenkop>Artikel 5.5 </tussenkop><tussenkop>Kampeermiddelen e.d.</tussenkop><tussenkop>Eerste lid, onder a.</tussenkop><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder
                    geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens,
                    keetwagens e.d. op de weg. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan
                    verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten
                    (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als
                    vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het excessieve van het hier
                    bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het buitensporige gebruik
                    van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste vier achtereenvolgende dagen wordt
                    niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen,
                    caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken, respectievelijk
                    na de reis op te ruimen.</al><tussenkop>Eerste lid, onder b.</tussenkop><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de
                    weg.</al><tussenkop>Artikel 5.6 </tussenkop><tussenkop>Parkeren van reclamevoertuigen</tussenkop><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf
                    handelsreclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van
                    reclameopschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame
                    voorop. Als handelsreclame in de zin van dit artikel wordt niet gezien de
                    vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in
                    gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf
                    pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt “met
                    het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als
                    vervoersmiddel.</al><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente. </al><tussenkop>Artikel 5.7 </tussenkop><tussenkop>Parkeren van grote voertuigen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt de aantasting van het uiterlijk aanzien tegen te gaan van
                    de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen. </al><al>Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen,
                    zoals op dorpspleinen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een
                    ernstige aantasting van het dorps- of landschapsschoon betekenen. Vrachtauto’s,
                    aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s bijvoorbeeld kunnen op dergelijke
                    plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze
                    bepaling het oog heeft.</al><al>Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van
                    grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel
                    betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen.</al><al>Wat het motief: bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft,
                    dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan
                    om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van dorpsschoon of
                    karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van
                    een “parkeerexces”.</al><al>In lid 1 wordt zowel een lengte- als een hoogtecriterium gehanteerd omdat zeer
                    wel denkbaar is dat een voertuig weliswaar nog geen lengte van 6 meter heeft,
                    doch niettemin op grond van de hoogte schadelijk moet worden geacht voor het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een
                    excessief gebruik van de weg.</al><al>Met betrekking tot dit motief: buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt,
                    dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér
                    voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een
                    parkeerexces in deze zin opleveren. In het licht van het motief van deze
                    bepaling is het stellen van een hoogtegrens minder opportuun.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
                    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is.</al><al>Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het
                    college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden
                    kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor
                    het in het eerste lid gestelde verbod.</al><al>Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede
                    lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan
                    bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden
                    krachtens het artikel 5.8.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven
                    verboden een ontheffing te verlenen.</al><al>Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een
                    onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.</al><al>Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken. Aan
                    een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende de
                    tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><tussenkop>Artikel 5.8 </tussenkop><tussenkop>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. </al><al>Door opneming van de bestanddelen “of hen anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan
                    uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of
                    gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan
                    belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bijvoorbeeld ten
                    gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op (het parkeren van)
                    "hoogwerkers", meetwagens e.d.</al><tussenkop>Artikel 5.9 </tussenkop><tussenkop>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen.</al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het
                    groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</al><tussenkop>Artikel 5.10 </tussenkop><tussenkop>Overlast van fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig</tussenkop><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen.
                    In lid 1 is bepaald wanneer het is verboden om een fiets, bromfiets of
                    gehandicaptenvoertuig te parkeren. </al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    tweede lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen.</al><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang.</al><tussenkop>AFDELING 2 COLLECTEREN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.11 </tussenkop><tussenkop>Inzameling van geld of goederen</tussenkop><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van inzamelingsvergunningen heeft
                    twee uitgangspunten: de inzameling geschiedt door bonafide te achten
                    instellingen en in het kader van overlast wordt het aantal collecten beperkt en
                    gelijkmatig over het jaar verdeeld. </al><al>De collecten van landelijke instellingen, voorkomende op het collecterooster
                    krijgen een doorlopende inzamelingsvergunning. De inzamelende instelling is
                    gebaat bij het niet jaarlijks aanvragen van de vergunning. De werkdruk wordt
                    voor zowel de inzamelende instelling als de gemeente enigszins verminderd. Wel
                    is een meldingsplicht vereist en blijft de gemeente bijhouden of er in een
                    bepaalde periode gecollecteerd wordt of niet. Het college zal, bij instellingen
                    welke twee jaar achtereen geen gebruik maken van de doorlopende vergunning, deze
                    intrekken, zodat de vrije periode in deze gemeente verruimd wordt.</al><al>De gemeente volgt het CBF en de Stichting Collecteplan. Voor instellingen die
                    niet voorkomen op het collecterooster kan een vergunning voor bepaalde tijd
                    worden afgegeven in een collectevrije periode. Daarbij is uitgangspunt van het
                    collecterooster dat er slechts één organisatie per week huis-aan-huis mag
                    collecteren met het oog op het voorkomen van overlast. De weigeringsgronden zijn
                    in hoofdstuk 1 van deze APV benoemd.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college
                    nodig. Het artikel ziet toe op de welbekende inzamelingen van geld middels
                    collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de
                    inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd
                    wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in
                    geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te
                    doneren. </al><al>Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of aan de
                    openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                    plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor
                    een commercieel doel.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij
                    een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt
                    veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding
                    van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij
                    de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al><al>De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van
                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit is
                    niet het geval. In het tweede lid van artikel 5.11 zijn de beide handelingen -
                    het collecteren en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken -
                    bewust van elkaar gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden
                    van openbare inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij
                    aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. </al><al>Daarbij maakt het bijzondere element “... indien daarbij te kennen wordt gegeven
                    of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig
                    of een ideëel doel is bestemd” nog eens duidelijk, dat het gaat om een regeling
                    van het collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met
                    gedrukte stukken. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het derde lid van artikel 5.11 is een uitzondering op de vergunningplicht
                    opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. De
                    uitdrukking “in besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende
                    instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke,
                    maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt
                    van de actie.</al><tussenkop>Het Centraal Bureau Fondsenwerving</tussenkop><al>Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de
                    inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het
                    CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse
                    gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. De beoordelingen van het CBF vormen een
                    leidraad bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de
                    gemeenten aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Het CBF
                    stelt jaarlijks een rooster vast waarin aan grote landelijk collecterende
                    fondsen voor hun inzamelingsactie een week wordt toegewezen. De “vrije” perioden
                    zijn beschikbaar voor andere instellingen. Een essentieel element van het
                    rooster is de exclusiviteit. </al><tussenkop>Direct dialogue</tussenkop><al>Direct dialogue is een fondsenwervingmethode waarbij mensen worden aangesproken
                    en gevraagd om donateur of lid te worden van een instelling voor een goed doel
                    en waarbij een intekenlijst wordt aangeboden. Het publiek geeft een machtiging
                    af. </al><al>Tot voor kort was de meest voorkomende vorm van direct dialogue inzameling op
                    plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het winkelgebied of bij
                    stations. Tegenwoordig wordt deze vorm van inzamelen ook huis-aan-huis
                    toegepast. De vergunning voor huis-aan-huis direct dialogue kan dan ook alleen
                    verleend worden voor de vrije perioden, waarin ook ruimte dient te zijn voor
                    lokale instellingen.</al><tussenkop>AFDELING 3 VENTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.12 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepaling</tussenkop><al>Onder venten met goederen wordt verstaan: de uitoefening van kleinhandel waarbij
                    goederen of diensten aan willekeurige voorbijgangers worden aangeboden dan wel
                    het huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten. Bij venten is het van
                    belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan
                    vanaf een andere plaats. </al><al>Van venten is sprake wanneer voor de aangeboden goederen of diensten een reële
                    contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. </al><tussenkop>Artikel 5.13 </tussenkop><tussenkop>Ventverbod</tussenkop><al>Het is nog slechts verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen. Tot het
                    afschaffen van het vergunningstelsel is besloten, omdat in deze gemeente venten
                    geen overlast e.d. oplevert. De praktijk van vergunningverlening is dat men de
                    vergunning vrijwel altijd verleent onder dezelfde voorwaarden. Er is dan ook
                    geen goede reden waarom een vergunningstelsel nog noodzakelijk en proportioneel
                    is. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zon- en feestdagen of
                    in de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Het derde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving. Artikel 5 van de
                    Wegenverkeerswet luidt: Het is eenieder verboden zich zodanig te gedragen dat
                    gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer
                    op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</al><tussenkop>Artikel 5.14 </tussenkop><tussenkop>Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. Het verspreiden van
                    handelsreclame wordt niet tot de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7,
                    vierde lid van de Grondwet.</al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de
                    inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                    resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod.</al><tussenkop>AFDELING 4 STANDPLAATSEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.15 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepaling</tussenkop><al>Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen of
                    diensten vanaf een vaste plaats. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het
                    innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis
                    van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet.</al><al>Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning
                    krachtens artikel 5.16 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2.15 en 2.16
                    van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een
                    standplaats niet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 5.16 </tussenkop><tussenkop>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De standplaatsvergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt
                    verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld:
                    geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. </al><tussenkop>Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><al>Voor het aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen vergunning worden
                    geëist. Het wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. </al><al>Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken
                    worden aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte
                    stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt
                    ingenomen. Dus het gaat hier om een standplaatsvergunning.</al><tussenkop>Tweede lid Bestemmingsplan</tussenkop><al>De bepalingen in deze APV met betrekking tot het innemen van een standplaats
                    zijn gebaseerd op het ordenen van de straathandel en zijn gebaseerd op de
                    regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding
                    behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke
                    ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit
                    betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het
                    innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit
                    het bestemmingsplan voortvloeien. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als
                    imperatieve weigeringsgrond opgenomen.</al><tussenkop>Derde lid Weigeringsgronden</tussenkop><al>De generieke weigeringsgronden worden genoemd in artikel 1.8. Nadere uitleg
                    daarvan vindt men in de toelichting bij dat artikel.</al><tussenkop>Derde lid, onder a. Redelijke eisen van welstand</tussenkop><al>De terminologie in dit lid sluit aan bij die van de Woningwet. </al><al>De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden
                    ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. </al><tussenkop>Derde lid onder b. Redelijk verzorgingsniveau</tussenkop><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.
                    De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><tussenkop>Maximumstelsel</tussenkop><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in
                    het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen
                    aan een maximum te binden. Een maximum aantal vergunningen kan eventueel worden
                    uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche. Indien het totaal aantal
                    aanvragen om een standplaatsvergunning het totaal aantal af te geven
                    vergunningen overtreft kan het college een wachtlijst opstellen. </al><tussenkop>Winkeltijdenwet</tussenkop><al>De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden
                    van winkels en het leveren van goederen aan particulieren. De bepalingen uit de
                    Winkeltijdenwet gelden ook voor de verkoop van goederen vanaf een standplaats. </al><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Winkeltijdenwet geschiedt
                    door de Economische Controledienst.</al><tussenkop>Warenwet</tussenkop><al>Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet
                    (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere dan van
                    tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de
                    Warenwet van toepassing. </al><al>De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede hoedanigheid en aanduiding
                    van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met betrekking tot de hygiëne en
                    degelijkheid van producten. Met betrekking tot het toezicht op de naleving van
                    de bepalingen van de Warenwet is een afzonderlijk regime van toepassing.</al><al>De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden naast de voorschriften
                    die door het college gesteld kunnen worden op basis van een
                    standplaatsvergunning.</al><tussenkop>Wet milieubeheer</tussenkop><al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen
                    die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen
                    gelden ook voor een standplaatshouder, voorzover zijn verkoopplek als
                    “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de regelgeving die geldt voor
                    bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan
                    bepaalde voorwaarden moeten voldoen. </al><tussenkop>Gebruik van de openbare weg</tussenkop><al>Voor het innemen van een standplaats op de openbare weg is een vergunning
                    vereist. In veel gevallen zal de gemeente de eigenaar of rechthebbende van de
                    openbare weg zijn. </al><al>Op grond hiervan kan de gemeente van degene die op de openbare weg met
                    vergunning een standplaats inneemt een vergoeding bedingen voor het gebruik van
                    het deel van de openbare weg. De grondslag voor het bedingen van een vergoeding
                    wordt gegeven in een huurovereenkomst.</al><tussenkop>Artikel 5.17 </tussenkop><tussenkop>Toestemming rechthebbende</tussenkop><al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                    standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt.
                    Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die
                    zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al><tussenkop>Artikel 5.18 </tussenkop><tussenkop>Afbakeningsbepalingen</tussenkop><al>In het eerste lid vindt afbakening plaats met de Wet beheer
                    rijkswaterstaatswerken en het Provinciaal wegenreglement, het tweede lid ziet op
                    afbakening met de Woningwet.</al><tussenkop>AFDELING 5 SNUFFELMARKTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.19 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepaling</tussenkop><al>De laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten
                    organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar
                    “ongeregelde” zaken verkocht. Bij “ongeregelde” zaken kan met name worden
                    gedacht aan incourante goederen, dat wil zeggen goederen, die in de regel niet
                    meer langs normale handelskanalen het publiek bereiken, zoals bijvoorbeeld
                    beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn, restanten en zaken van
                    een te liquideren onderneming.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Van de snuffelmarkt te onderscheiden zijn:</al><al>de weekmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                    Gemeentewet. Het begrip “markt” is niet nader omschreven in de Gemeentewet. In
                    de regel worden op een weekmarkt “geregelde” waren verkocht, dat wil zeggen:
                    geen tweedehands goederen. </al><al>Indien de te verwachten concentratie van een aantal standplaatsen zo hoog is,
                    dat het uiterlijk de karakteristieken van een markt krijgt, mag niet meer worden
                    volstaan met het verlenen van standplaatsvergunningen, maar dient het college
                    een besluit te nemen over het instellen van een markt. </al><al>Ook het begrip “jaarmarkt” wordt niet nader gedefinieerd in de Gemeentewet. Bij
                    een jaarmarkt moet gedacht worden aan een jaarlijks terugkerende traditie. </al><al>Evenement: de zogenaamde snuffelmarkten worden gehouden in een gebouw of plaats.
                    Indien het betreft braderieën, vrijmarkten op Koninginnedag of vlooienmarkten in
                    de openbare ruimte, is deze paragraaf niet van toepassing, maar is er sprake van
                    een evenement, dat al dan niet vergunningplichtig is op grond van artikel
                    2.16.</al><tussenkop>Artikel 5.20 </tussenkop><tussenkop>Organiseren van een snuffelmarkt</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt kunnen een
                    uitstralende werking hebben buiten het gebouw. </al><al>Het houden van een snuffelmarkt is dan ook verboden als de openbare orde dreigt
                    te worden aangetast en overlast te verwachten is. </al><tussenkop>Weigeringsgronden</tussenkop><al>De weigeringsgronden voor een snuffelmarktvergunning zijn de generieke zoals
                    genoemd in artikel 1.8.</al><tussenkop>Bestemmingsplan</tussenkop><al>Strijd met het bestemmingsplan kan bijvoorbeeld voorkomen als een gebouw een
                    agrarische of industriebestemming heeft.</al><tussenkop>Winkeltijdenwet</tussenkop><al>De Winkeltijdenwet is op het houden van een vrije markt van toepassing als de
                    markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit is afhankelijk van de aard van de op
                    de markt ontplooide activiteiten, of er geregelde of ongeregelde goederen worden
                    verkocht en de frequentie waarmee de markt wordt gehouden.</al><tussenkop>AFDELING 6 OPENBAAR WATER</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.21 </tussenkop><tussenkop>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</tussenkop><al>Dit artikel is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de
                    overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                    enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. </al><tussenkop>Artikel 5.22 </tussenkop><tussenkop>Ligplaats vaartuigen</tussenkop><al>Op grond van het eerste lid van dit artikel kan het college gedeelten van het
                    openbaar water aanwijzen waar het is verboden om met een vaartuig (zie de
                    definitie in artikel 1) ligplaats in te nemen of een ligplaats beschikbaar te
                    stellen. </al><al>Het tweede lid, onder a., van dit artikel biedt het college de mogelijkheid om
                    nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een
                    ligplaats. Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om
                    bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben,
                    eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de
                    drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het
                    drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de
                    mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</al><al>Krachtens het tweede lid van dit artikel heeft het college ook de mogelijkheid
                    om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. </al><al>Zo kunnen ligplaatsen voor pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan
                    het aantal gelimiteerd worden en kunnen beperkingen worden gesteld aan de
                    tijdsduur van het innemen van de ligplaats.</al><al>In de bestemmingsplannen is opgenomen waar het is toegestaan dat woonboten
                    ligplaats innemen.</al><tussenkop>Artikel 5.23 </tussenkop><tussenkop>Aanwijzingen ligplaats</tussenkop><al>Naast de algemene regels die krachtens artikel 5.22, tweede lid, kunnen worden
                    uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een
                    individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt
                    daarvoor de grondslag. </al><tussenkop>Artikel 5.24 </tussenkop><tussenkop>Verbod innemen ligplaats</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 5.25 </tussenkop><tussenkop>Beschadigen van waterstaatswerken</tussenkop><al>Deze bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn
                    bij de gemeente.</al><tussenkop>Artikel 5.26 </tussenkop><tussenkop>Reddingsmiddelen</tussenkop><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><tussenkop>Artikel 5.27 </tussenkop><tussenkop>Veiligheid op het water</tussenkop><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers
                    van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de
                    gebruikers van vaartuigen. Dit artikel verbiedt gevaarlijk gedrag van de overige
                    gebruikers van het openbaar water.</al><tussenkop>Artikel 5.28 </tussenkop><tussenkop>Overlast aan vaartuigen</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>AFDELING 7 CROSSTERREINEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.29</tussenkop><tussenkop>Crossterreinen</tussenkop><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s,
                    motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                    verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol
                    in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</al><al>Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke regelingen zo al van toepassing
                    kunnen zijn.</al><tussenkop>1. Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en APV</tussenkop><al>Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW 1994 juncto artikel 5 van het
                    Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts worden bestuurd door personen
                    die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het verkeersrechtelijk regime is
                    echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op
                    een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het
                    openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. </al><tussenkop>Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op de
                    weg in de zin van de WVW 1994</tussenkop><al>Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in
                    de WVW 1994, plaatsvindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de
                    WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden
                    is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
                    Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de
                    deelnemers aan de wedstrijd. </al><al>Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op andere
                    wegen dan bedoeld in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al>Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg in
                    de zin van de WVW 1994, dan kan dit artikel van toepassing zijn. Dit artikel
                    ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het
                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een
                    wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend
                    voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen,
                    medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld.</al><al>Indien dit artikel van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel
                    2.16 (evenementenartikel) niet meer aan de orde. </al><tussenkop>Auto- of motorsportactiviteit zonder wedstrijdkarakter op de
                    weg</tussenkop><al>Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de
                    bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van toepassing.
                    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid
                    of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo’n evenement dan wel
                    het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto-
                    en motorsportevenementen, die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten,
                    oldtimerritten e.d..</al><tussenkop>2. Wet milieubeheer en APV</tussenkop><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de
                    weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte
                    terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken,
                    plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst
                    bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige
                    terreinen kan een gemeente zelf regels stellen.</al><tussenkop>AFDELING 8 VERBOD VUUR TE STOKEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.30 </tussenkop><tussenkop>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur
                    te stoken</tussenkop><al>Voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen is altijd een
                    ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer.
                    Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de bescherming
                    van het milieu zich daartegen niet verzet. </al><al>Uit de kamerbehandeling van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer blijkt
                    dat de ontheffing kan worden verleend voor: vreugdevuren, zoals paas- en
                    oudejaarsvuren en voor de instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen, in
                    het kader van klein landschapsbeheer en voor hout dat men van bomen of struiken
                    afhaalt om het natuurlijke proces om welke reden dan ook te bevorderen. Voor
                    welke gevallen er nog meer een ontheffing kan worden gegeven, is sterk
                    afhankelijk van de lokaal specifieke situatie. Op grond van artikel 10.63,
                    tweede lid, Wet milieubeheer is het in ieder geval verboden ontheffing te
                    verlenen voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen. </al><al>Verder is het mee verbranden van allerlei afvalstoffen (banden, verf, afgewerkte
                    olie) verboden.</al><al>Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten van belang. Indien het college deze aspecten wil reguleren,
                    is eveneens het verlenen van een ontheffing op grond van dit artikel van de APV
                    noodzakelijk. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de APV dan aan de
                    Wet milieubeheer. Tevens wordt het college de mogelijkheid geboden om aan deze
                    ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde en
                    veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in vierde
                    lid. De uitzonderingen in lid 2.</al><al>De ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer en de
                    ontheffing op grond van artikel 5.30, tweede lid, APV worden niet gecombineerd
                    tot één te verlenen ontheffing. Het blijven twee afzonderlijke besluiten om
                    reden van het verschil in wettelijke grondslag (Wet milieubeheer versus
                    Gemeentewet), het verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en
                    het verschil in strafbaarstelling (Wet op de economische delicten versus
                    Gemeentewet). De gemeente kan wel de aanvraag om beide ontheffingen coördineren. </al><al>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer
                    wordt geweigerd, is er geen ruimte meer voor een ontheffing op grond van artikel
                    5.30 APV. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</tussenkop><al>Hoofdstuk 6 regelt het toezicht en de strafrechtelijke handhaving. Bepalingen
                    ten aanzien van bestuursrechtelijke handhaving van de voorschriften van deze
                    verordening zijn elders te vinden. Zie hiervoor onder meer de Algemene wet
                    bestuursrecht en de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 6.1 </tussenkop><tussenkop>Strafbepaling </tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet is de gemeenteraad bevoegd om straf
                    te stellen op overtreding van zijn verordeningen. Deze straf kan niet zwaarder
                    zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede
                    categorie . </al><al>In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de maxima van de zes
                    boetecategorieën opgenomen. Het maximum van een boete van de tweede categorie
                    bedraagt euro 2250. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter die de soort
                    en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door
                    de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van
                    artikel 24 Wetboek van Strafrecht rekening te houden met de draagkracht van de
                    verdachte. </al><al>Op grond van artikel 91 juncto artikel 51 Wetboek van Strafrecht vallen ook
                    rechtspersonen onder de werking van gemeentelijke strafbepalingen.</al><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan
                    levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens
                    artikel 1.5 gegeven beperkingen en voorschriften bij een vergunning of een
                    ontheffing. </al><al>Dit laat onverlet dat bestuursrechtelijke handhaving wel mogelijk is.</al><tussenkop>Artikel 6.2 </tussenkop><tussenkop>Toezichthouders</tussenkop><al>In het eerste lid van deze bepaling zijn toezichthouders aangewezen en ingevolge
                    het tweede lid kunnen de burgemeester en het college toezichthouders aanwijzen.
                    Een persoon die belast wordt met het houden van toezicht op de naleving van deze
                    verordening wordt toezichthouder en heeft daardoor verschillende bevoegdheden.
                    Hij mag plaatsen betreden, inlichtingen en inzage van stukken vorderen, monsters
                    nemen en vervoermiddelen zoeken. Toezicht vindt plaats in een stadium waarin
                    (nog) geen sprake is van een redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is
                    gepleegd. Dit handhavingtoezicht, ook wel controle genoemd, wordt beheerst door
                    het bestuursrecht. De algemene regels zijn opgenomen in afdeling 5:2 van de
                    Algemene wet bestuursrecht. </al><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren.</al><al>Buitengewone opsporingsambtenaren (BOA’s) ontlenen hun bevoegdheid aan het
                    Wetboek van Strafvordering (artikel 141 en 142) . De aanwijzing als
                    toezichthouder in deze verordening is de grondslag voor het hebben van
                    opsporingsbevoegdheid.</al><tussenkop>Artikel 6.3 </tussenkop><tussenkop>Binnentreden woningen`</tussenkop><al>Op basis van artikel 5:15 Algemene wet bestuursrecht is een toezichthouder
                    bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming
                    van de bewoner. “Plaats” is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven
                    en andere (bedrijfs)terreinen, maar ook (bedrijfs)gebouwen. Dat de Algemene wet
                    bestuursrecht een uitzondering maakt voor het betreden van een woning zonder
                    toestemming van de bewoner vloeit voort uit het in artikel 12 van de Grondwet
                    vastgelegde “huisrecht”. </al><al> Op grond hiervan is voor het binnentreden van woningen zonder toestemming van
                    de bewoner steeds een grondslag in een bijzondere wet vereist. Voor de
                    handhaving van gemeentelijke verordeningen is de basis voor het binnentreden
                    zonder toestemming van de bewoner gelegd in artikel 149a van de Gemeentewet. Op
                    grond van dit artikel kan aan toezichthouders deze bevoegdheid worden toegekend,
                    indien het gaat om het toezicht op de naleving van bij verordening gegeven
                    voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of
                    bescherming van het leven of de gezondheid van personen. In de Algemene wet op
                    het binnentreden zijn de vormvoorschriften gegeven die bij het binnentreden van
                    een woning in acht genomen moeten worden. </al><al>Voor een bepaling in de APV wordt de bevoegdheid om een woning zonder
                    toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere
                    wet. Het betreft artikel 2.3 inzake betogingen, dat steunt op artikel 4 van de
                    Wet openbare manifestaties (WOM). In artikel 8 van de WOM wordt de bevoegdheid
                    tot het binnentreden van woningen en andere plaatsen geregeld.</al><tussenkop>Artikel 6.4 </tussenkop><tussenkop>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt, is de datum waarop de
                    oude verordening vervalt.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is
                    gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle
                    overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
                    inhouden. </al><tussenkop>Artikel 6.5 </tussenkop><tussenkop>Overgangsbepaling</tussenkop><al>Het betreft in dit artikel besluiten, genomen krachtens de oude verordening
                    bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, dus de Algemene Politieverordening voor de
                    gemeente Ouder-Amstel. De besluiten waar het om gaat zijn vergunningen,
                    ontheffingen, voorschriften en beperkingen, nadere regels, beleidsregels en
                    aanwijzingbesluiten.</al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening.</al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>