<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR617347_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN MIDDELBURG 2019</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Middelburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Middelburg</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:EPSG28992">32383 391198</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2018-275252">gmb-2018-275252</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2019</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=220&amp;g=2018-09-19">artikel 220 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2018-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2019</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2019</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Gemeentewet artikel 220</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN MIDDELBURG 2019</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>VERORDENING ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN MIDDELBURG 2019</al><al>De raad van de gemeente Middelburg;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders met volgnummer </al><al/><al>gelet op de artikelen 216 en 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>VERORDENING OP DE </vet><vet>HEFFING EN INVORDERING</vet><vet/><vet>VAN </vet><vet>ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN MIDDELBURG 2019</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label/><nr/><titel/></kop><al><vet>____________________________________________________________________</vet></al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>1. Onder de naam "onroerende-zaakbelastingen" worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><al>a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;</al><al>b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al><al/><al>2. Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><al>a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;</al><al>b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al><al/><al>3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet  waardering onroerende zaken.</al><al>2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk  IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak </al><al> kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel  volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van de heffing</titel></kop><al>1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken  voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.</al><al>2. Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet  waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met </al><al> overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede  lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al> 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten  aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel </al><al> bedoelde waarde, de waarde van:</al><al>a.voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede  begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig </al><al> aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al><al> b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van  gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a. bedoelde </al><al> grond;</al><al> c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het  houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, één en </al><al> ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al><al> d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de  Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd </al><al> in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van  de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al><al> e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,  zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige </al><al> rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van  natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al><al> f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, één en ander met  inbegrip van kunstwerken;</al><al> g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen,  instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de </al><al> delen van zodanige werken die dienen als woning;</al><al> h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met </al><al> uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al><al> i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat  beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf </al><al> als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al><al> j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;</al><al> k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen-niet zijnde  gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste </al><al> van het verkeer of ter verfraaiïng van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties,  standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen;</al><al> l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de  gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering </al><al> van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al><al> m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige  onroerende zaken die dienen als woning.</al><al> 2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken  voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft </al><al> krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.</al><al> 3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de  gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak </al><al> die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: </al><al>1. de gebruikersbelasting 0,2444% </al><al>2. de eigenarenbelasting</al><al> a. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1254%</al><al> b. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3038%</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Termijnen van betaling</label></kop><al>1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden  betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van </al><al> het aanslagbiljet is vermeld.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid geldt dat, zolang de verschuldigde bedragen door middel van  automatische incasso kunnen worden afgeschreven, de aanslagen worden betaald in tien gelijke </al><al> termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet, elk van de volgende termijnen telkens een maand later.</al><al>3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de hiervoor gestelde termijnen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</label></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende zaakbelastingen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>De ‘Verordening onroerende zaakbelasting 2018’ van 18 december 2017 wordt, tezamen met alle wijzigingsverordeningen die hierop van toepassing zijn, ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.</al><al>2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening onroerende-zaakbelastingen 2019".</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening><functie>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 december 2018.</functie><functie/><functie>De griffier, De voorzitter,</functie><functie/><functie>Drs. M. Wisse-Roelse mr. H.M. Bergmann</functie></ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>