<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR61696_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening gemeente Oostzaan 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oostzaan</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oostzaan</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://gemeente.oostzaan.nl/gemeenterubriek/gemeenterubriek_2010">Kompas, 7 december 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening gemeente Oostzaan 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">-</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al><extref doc="1.1:CVDR61727_1">subsidieregel 1. Sportverenigingen;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR61786_1">subsidieregel 2. Muziek- en toneelverenigingen;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR61894_1">subsidieregel 3. Cultureel erfgoed;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR61897_1">subsidieregel 4. Kunst en cultuur;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR61919_1">subsidieregel 5. Lokale omroep;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR61926_1">subsidieregel 6. Openbare bibliotheek;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR61941_1">subsidieregel 7. Brede schoolontwikkeling;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR61948_1">subsidieregel 8. Straathoekwerk;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR61952_1">subsidieregel 9. Jongerenwerk;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR61959_1">subsidieregel 10. Peuterspeelzaalwerk;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR61967_1">subsidieregel 11. Dierenasiel;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR61973_1">subsidieregel 12. Recreatie en ontmoeting;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR61978_1">subsidieregel 13. Sociale huurwoningen;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR62001_1">subsidieregel 14. Advies en ondersteuning;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR62006_1">subsidieregel 15. Mantelzorgondersteuning;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR62013_1">subsidieregel 16. Vrijwillige inzet;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR62023_1">subsidieregel 17. openbare geestelijke gezondheidszorg;</extref></al><al><extref doc="1.1:CVDR62036_1">subsidieregel 18. Collectieve preventie geestelijke gezondheidszorg.</extref></al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Subsidieverordening gemeente Oostzaan 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Definities</label></kop><lijst><li nr="a."><al><cursief>Awb</cursief>: Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="b"><al><cursief>college</cursief>: college van burgemeester en
                                    wethouders van de gemeente Oostzaan;</al></li><li nr="c."><al><cursief>eenmalige subsidie</cursief>: subsidie ten behoeve van
                                    bijzondere incidentele projecten of activiteiten die niet
                                    behoren tot de reguliere bezigheden van de aanvrager en waarvoor
                                    het college slechts voor een van tevoren bepaalde tijd van
                                    maximaal vier jaar subsidie wil verstrekken;</al></li><li nr="d"><al><cursief>jaarlijkse subsidie</cursief>: subsidie die per
                                    (boek)jaar of voor een bepaald aantal boekjaren aan een
                                    instelling voor een periode van maximaal vier jaar wordt
                                    verstrekt.</al></li><li nr="e."><al><cursief>subsidieplafond</cursief>: het bedrag dat gedurende een
                                    bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking
                                    van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift.</al></li><li nr="f."><al><cursief>raad</cursief>: raad van de gemeente Oostzaan;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt vast dat voor de volgende beleidsterreinen subsidie
                                kan worden verstrekt: </al><lijst><li nr="a."><al>algemeen bestuur;</al></li><li nr="b."><al>klantgerichte dienstverlening;</al></li><li nr="c."><al>wonen;</al></li><li nr="d."><al>veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>werkgelegenheid en bedrijvigheid;</al></li><li nr="f."><al>leefomgeving;</al></li><li nr="g."><al>maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="h."><al>mobiliteit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op de Algemene subsidieverordening stelt de raad
                                subsidieregels vast. Een subsidieregel bevat tenminste:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de subsidie;</al></li><li nr="b."><al>de te subsidiëren activiteiten;</al></li><li nr="c."><al>regels voor het verdelen en berekenen van subsidies;</al></li><li nr="d."><al>overgangsbepalingen;</al></li><li nr="e."><al>inwerkingtreding.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van
                                subsidies met in achtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen
                                financiële middelen of het subsidieplafond en - indien de begroting
                                nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd - onder de voorwaarde
                                dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om voorwaarden aan de beschikking tot
                                subsidieverlening te verbinden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is bevoegd om jaarlijks subsidieplafonds per
                                subsidieregel vast te stellen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan jaarlijks besluiten tot het instellen van
                                subsidieplafond(s).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de vaststelling van een subsidieplafond wordt aangegeven op
                                welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad kan ingevolge artikel 2 voor vastgestelde beleidsterreinen
                                nadere regels stellen omtrent de verdeling van het beschikbare
                                bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de bekendmaking van de subsidieplafonds wordt gewezen op de
                                mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds
                                ingediende aanvragen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is
                                vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende
                                middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanvraag van de subsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvraag subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk of digitaal
                                ingediend bij het college met behulp van een door het college
                                vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager de volgende
                                gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de activiteiten waar subsidie voor
                                        wordt aangevraagd;</al></li><li nr="b."><al>de doelstellingen en resultaten, die daarmee worden
                                        nagestreefd, en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen.
                                        In bijzonder ook in welke mate de activiteiten gericht zijn
                                        op de gemeente of haar ingezetenen en op door de gemeente
                                        vastgestelde doelen of beleidsterreinen;</al></li><li nr="c."><al>een begroting en dekkingsplan van de kosten van de
                                        activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het
                                        dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen
                                        of private organisaties of personen aangevraagde subsidies
                                        of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder
                                        vermelding van de stand van zaken daarvan;</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing bij een jaarlijkse subsidie, de stand
                                        van de reserves en voorzieningen op het moment van de
                                        aanvraag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een aanvrager voor de eerste maal een jaarlijkse subsidie
                                aanvraagt, voegt hij een exemplaar van de oprichtingsakte, de
                                statuten, het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het
                                voorgaande jaar als bijlagen toe aan het aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in
                                het tweede en derde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die
                                voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk,
                                respectievelijk voldoende, zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het college subsidie verstrekt voor activiteiten, die mede
                                door andere bestuursorganen worden gesubsidieerd, kan het college
                                afwijken van de bij of krachtens deze Algemene subsidieverordening
                                aan de subsidie te verbinden verplichtingen, voor zover dit
                                wenselijk is met het oog op een goede afstemming met de door die
                                andere bestuursorganen opgelegde of op te leggen verplichtingen, en
                                daardoor het belang met het oog, waarop die verplichtingen zouden
                                moeten worden opgelegd, niet onevenredig wordt geschaad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aanvraagtermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt gedaan uiterlijk 1
                                mei in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de
                                subsidieaanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan andere termijnen stellen voor het indienen van een
                                aanvraag voor daarbij aan te wijzen subsidies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen
                                13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, dan wel, indien het
                                college hiertoe regels heeft opgesteld, 13 weken gerekend vanaf de
                                uiterste indieningtermijn voor het aanvragen van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie
                                uiterlijk vóór 31 december van het jaar waarop de aanvraag is
                                ingediend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>weigering van de subsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieverlening kan worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal
                                        ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen
                                        belang of de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet
                                        passen binnen het ter zake door de gemeente gevoerde
                                        beleid;</al></li><li nr="c."><al>de activiteiten van de aanvrager niet of niet in overwegende
                                        mate gericht zijn op de gemeente Oostzaan of haar
                                        ingezetenen of niet of nauwelijks ten goede komen aan de
                                        gemeente Oostzaan of haar ingezetenen;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag betrekking heeft op reguliere activiteiten van
                                        de aanvrager waarvoor de gemeente (of een ander
                                        bestuursorgaan) reeds een subsidie aan de aanvrager heeft
                                        verleend;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager zelf over voldoende middelen beschikt om de
                                        activiteiten te bekostigen;</al></li><li nr="f."><al>de aanvraag voor subsidie, of de in verband met de aanvraag
                                        te overleggen bescheiden, niet in de daartoe gestelde
                                        termijn worden ingediend.</al></li><li nr="g."><al>één van de weigeringgronden genoemd in artikel 4:25, 4:34 en
                                        4:35 van de Awb zich voordoet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Subsidies beneden €125,- (per jaar) worden niet verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Wet BIBOB</titel></kop><al>Het college kan voor subsidies binnen door de raad vast te stellen
                            beleidsterreinen of onderdelen daarvan bepalen dat de gevraagde subsidie
                            kan worden geweigerd of de verleende subsidie kan worden ingetrokken in
                            het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet
                            bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>verlening van de subsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verlening subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het besluit tot verlenen van de subsidie geeft het college aan
                                op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaats
                                vindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om verplichtingen aan de beschikking tot
                                subsidieverlening te verbinden met betrekking tot het beheer en
                                gebruik van de subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Betaling en bevoorschotting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in
                                artikel 17, eerste lid, onderdeel a, wordt gegeven, vindt de
                                betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel
                                17, eerste lid, onderdeel b, wordt gegeven, wordt 100%
                                bevoorschot.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien besloten wordt tot bevoorschotting van de subsidie, wordt in
                                het besluit tot subsidieverlening, de hoogte en de termijnen van de
                                voorschotten bepaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie wordt verstrekt aan organisaties met rechtspersoonlijkheid
                                naar burgerlijk recht zonder winstoogmerk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan een eenmalige subsidie worden verstrekt
                                aan een natuurlijk persoon of een rechtspersoon in oprichting;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><al>Bij subsidies, hoger dan 50.000 euro, welke verleend worden voor
                            activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan het college de
                            verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en
                            verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten. Een dergelijke tussentijdse verantwoording wordt
                            niet vaker dan één keer per jaar gevraagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><al>De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college, zodra
                            aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend,
                            niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel
                            aan de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen
                            zal worden voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verplichtingen betreffende de financiën van de
                                subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het vormen van voorzieningen en reserves is alleen toegestaan indien
                                een instelling hiertoe de toestemming heeft van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in lid 1 genoemde toestemming wordt gegeven indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de reservering en het vormen van
                                        voorzieningen passen binnen de doelstelling van de
                                        activiteiten waarvoor de gemeente subsidie verleent;</al></li><li nr="b."><al>de hoogte van de reservering(en) en voorziening(en) – naar
                                        het oordeel van het college – redelijkerwijs in verhouding
                                        staan tot de bestemming van de reserves en
                                        voorzieningen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het eigen vermogen van een instelling meer bedraagt dan
                                redelijkerwijs voor het uitvoeren van de activiteiten noodzakelijk
                                is, kan het college - na overleg met de instelling - de subsidie op
                                een lager bedrag verlenen, dan waarop normaliter aanspraak kan
                                worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan beleidsregels vaststellen voor het vormen van
                                reserves en voorzieningen door organisaties die een subsidie
                                ontvangen van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op subsidies beneden een bedrag
                                van €5.000,-.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Overige verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger verricht de activiteiten, waarvoor de subsidie
                                is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk
                                schriftelijk over:</al><lijst><li nr="a."><al>besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging
                                        van de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, dan wel
                                        ontbinding van de rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al>relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische
                                        verhouding met derden;</al></li><li nr="c."><al>ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat aan de
                                        beschikking tot subsidieverlening verbonden voorwaarden
                                        geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van
                                        de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het
                                        doel van de rechtspersoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor
                                handelingen als vermeld in artikel 4:71 Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>VERANTWOORDING EN VASTSTELLING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verantwoording subsidies tot 5.000 euro</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidies tot 5.000 euro worden door het college:</al><lijst><li nr="a."><al>direct vastgesteld of;</al></li><li nr="b."><al>ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de
                                        activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel b, kan het college de aanvrager verplichten om op de door
                                haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de
                                subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan
                                de subsidie verbonden verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verantwoording subsidies vanaf 5.000 tot 50.000 euro</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan 5.000 euro, maar
                                minder dan 50.000 euro, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13
                                weken na het verricht zijn van de activiteiten een aanvraag tot
                                vaststelling in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten
                                        waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een financieel verslag, waarin opgenomen een overzicht van
                                        de activiteiten en de hieraan verbonden inkomsten en
                                        uitgaven;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit
                                artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van
                                belang zijn, worden overgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Verantwoording subsidies vanaf 50.000 euro</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan 50.000 euro, dient de
                                subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het
                                college:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na het
                                        verricht zijn van de activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>bij een jaarlijks verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 mei
                                        in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk
                                        4 maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is
                                        verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten
                                        waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een financieel verslag of jaarrekening, waarin opgenomen een
                                        overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden
                                        inkomsten en uitgaven;</al></li><li nr="c."><al>een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een
                                        toelichting daarop;</al></li><li nr="d."><al>een accountantsverklaring.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit
                                artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van
                                belang zijn, worden overlegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Vaststelling subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot
                                subsidievaststelling de subsidie vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording
                                daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de
                                subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid
                                genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger
                                daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot
                                subsidievaststelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan categorieën van subsidies of subsidieontvangers
                                aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat
                                de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in
                                te dienen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het in het
                                eerste lid genoemd tijdstip is ontvangen, gaat het college zes weken
                                na een eenmalige rappel over tot ambtshalve vaststelling (conform
                                artikel 4:47 Awb).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Terugbetaling</titel></kop><al>Tenzij anders is bepaald, dient de subsidieontvanger binnen vier weken
                            na kennisgeving van een besluit tot vaststelling, wijziging of
                            intrekking de onterecht of teveel ontvangen subsidiebedragen en
                            voorschotten terug te betalen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Ontheffing</titel></kop><al>Het college kan in individuele gevallen voor één of meer
                            subsidieverplichtingen van de subsidieaanvrager of de subsidieontvanger
                            ontheffing verlenen van deze verordening of van de beleidsregels.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan van het bepaalde in deze verordening afwijken in
                            gevallen waarin deze verordening of een van de nadere subsidieregels
                            niet voorzien, tot onbillijkheid leiden of tot situaties leiden waarmee
                            geen aanwijsbaar belang is gediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking drie na bekendmaking met
                            terugwerkende kracht vanaf de datum van vaststelling en is van
                            toepassing op subsidieaanvragen vanaf het subsidiejaar 2011 en aanvragen
                            voor het subsidiejaar 2011 die worden ontvangen na inwerkingtreding van
                            deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gelijktijdig met het in werking treden van de Algemene
                                subsidieverordening gemeente Oostzaan 2011 wordt de Algemene
                                subsidieverordening gemeente Oostzaan 2001 ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelijktijdig met inwerking treden van de subsidieregels
                                Sportverenigingen, , Muziek- en toneelverenigingen, Cultureel
                                erfgoed, Kunst en cultuur, Lokale omroep, Openbare bibliotheek,
                                Brede schoolontwikkeling, Straathoekwerk, Jongerenwerk,
                                Peuterspeelzaalwerk, Dierenasiel, Recreatie en ontmoeting, Advies en
                                ondersteuning, Mantelzorgondersteuning, Vrijwillige inzet, Openbare
                                Geestelijke Gezondheidszorg, Collectieve preventie geestelijke
                                gezondheidszorg en sociale huurwoningen, worden ingetrokken:</al><lijst><li nr="a."><al>de deelverordening voor sportverenigingen 1987;</al></li><li nr="b."><al>deelverordening jeugd- en jongerenwerk 1897</al></li><li nr="c."><al>de deelverordening voor muziek-, zang- en toneelverenigingen
                                        1987;</al></li><li nr="d."><al>de deelverordening sociale huurwoningen 2010.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanvragen die vóór het besluit tot vaststelling van deze verordening
                                worden ingediend, worden op grond van de Algemene
                                subsidieverordening gemeente Oostzaan 2001 afgehandeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De “nieuwe” Algemene subsidieverordening gemeente Oostzaan 2011 is
                                niet van toepassing op subsidieaanvragen c.q. subsidiebeschikkingen
                                die vóór het besluit tot vaststelling van deze verordening zijn
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het tweede lid genoemde beschikkingen worden beoordeeld op
                                basis van de Algemene subsidieverordening gemeente Oostzaan
                                2001.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Algemene subsidieverordening
                            gemeente Oostzaan 2011.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 22 november 2010.</ondertekening><ondertekening>L.Ouwehand P.J. Möhlmann</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Artikelsgewijze toelichting Algemene subsidieverordening gemeente Oostzaan 2011</label></kop><al><vet>I</vet><vet>NHOUD</vet></al><al>HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN </al><al>HOOFDSTUK 2 SUBSIDIEPLAFOND EN BEGROTINGSVOORBEHOUD </al><al>HOOFDSTUK 3 AANVRAAG VAN DE SUBSIDIE </al><al>HOOFDSTUK 4 WEIGERING VAN DE SUBSIDIE </al><al>HOOFDSTUK 5 VERLENING VAN DE SUBSIDIE </al><al>HOOFDSTUK 6 VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER </al><al>HOOFDSTUK 7 VERANTWOORDING EN VASTSTELLING VAN DE SUBSIDIE </al><al>HOOFDSTUK 8 OVERIGE BEPALINGEN </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 inleidende bepalingen </vet></al><al><vet> Artikel 1 Definities </vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verduidelijkt, dat in de verordening
                    wordt gehanteerd. Er is in de definities een onderscheid gemaakt tussen
                    verschillende vormen van subsidie. De jaarlijkse subsidie, die bij voorkeur voor
                    meerdere jaren wordt verleend en veelal op voortdurende activiteiten van een
                    instelling betrekking heeft. Hierbij kan worden gedacht aan exploitatiesubsidies
                    en subsidie in de loonkosten. In de onderhavige verordening is bepaald dat deze
                    voor een periode van ten hoogste vier jaren worden verstrekt. Na het verstrijken
                    van die periode kan uiteraard opnieuw worden besloten een jaarlijkse subsidie te
                    verstrekken. Voor de periode van 4 jaar is gekozen, omdat deze termijn én
                    aansluit bij de zittingstermijn van de raad (hoewel die termijnen uiteraard niet
                    gelijk hoeven te lopen) én het een goede termijn lijkt om te bezien of eerder
                    vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die met de verstrekte subsidies
                    worden gediend. Als deze subsidie voor langer dan drie jaar aan een instelling
                    wordt verstrekt voor de uitvoering van dezelfde activiteit(en), ontstaat er een
                    subsidierelatie, zoals beschreven in artikel 4:51 van de Awb en dient bij
                    weigering van de subsidie voor een nieuw tijdvak een redelijke termijn in acht
                    te worden genomen. In deze verordening is er bewust niet voor gekozen het regime
                    van afdeling 4.2.8 van de Awb in zijn geheel van toepassing te verklaren op de
                    jaarlijkse subsidie. Afdeling 4.2.8 biedt een regeling voor subsidies waarbij
                    het bestuursorgaan financieel en beleidsmatig sterk betrokken is, hetgeen zeker
                    niet bij iedere door gemeenten verstrekte jaarlijkse subsidie het geval is.
                    Bovendien kunnen bij de jaarlijks verstrekte subsidies in de subsidiebeschikking
                    zeer goed afspraken op dit punt worden vastgelegd. Juist bij per jaarlijks
                    verstrekte subsidies is de aard en grote van de instelling en de hoogte van de
                    subsidie bepalend voor de omvang van aanvullende afspraken. </al><al/><al>Eenmalige subsidies zijn subsidies die voor een eenmalige activiteit of een
                    activiteit, waarvoor het college slechts voor een van te voren bepaalde tijd van
                    maximaal 4 jaar subsidie wil verlenen. Te denken valt aan een subsidie ten
                    behoeve van het doorgang doen vinden van de gebruikelijke activiteiten van de
                    subsidieontvanger, terwijl die doorgang door bijzondere, incidentele
                    omstandigheden anders niet gewaarborgd zou zijn. Hierbij kan worden gedacht aan
                    inhuur van uitzendkrachten voor de vervanging van niet-verzekerd,
                    arbeidsongeschikt geworden personeel, het vervangen van een teloor gegaan
                    bedrijfsgebouw en dergelijke. Of aan projectsubsidies die worden gegeven voor
                    door de subsidieontvanger te realiseren bijzondere projecten, zoals bijvoorbeeld
                    een dansvoorstelling of kunstmanifestatie. Eenmalige subsidies hebben een
                    looptijd, afhankelijk van de duur van het project en kunnen onder omstandigheden
                    dus een looptijd hebben van langer dan een jaar. </al><al/><al>Een bijzondere vorm van eenmalige subsidies betreft de waarderingssubsidies. Het
                    is een benaming die door gemeenten veelal wordt gebruikt, maar in juridische zin
                    niet veel toevoegt aan de benaming ‘eenmalige subsidie’. Waarderingssubsidies
                    zijn subsidies die, zoals het woord al zegt, verstrekt worden om waardering voor
                    de activiteiten van de ontvanger uit te drukken. Overigens dient in een
                    afwijzing van een dergelijke subsidieaanvraag altijd helder te worden
                    gemotiveerd dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt gevraagd, niet in
                    aanmerking komen voor de waarderingssubsidie en niet de aanvrager pur sang. Deze
                    subsidies mogen naar eigen wens van de ontvanger worden besteed en kunnen dus
                    zowel worden gestoken in de reguliere activiteiten van de ontvanger als in extra
                    activiteiten. Hiermee wordt nog steeds recht gedaan aan de reden, dat subsidies
                    worden verstrekt: het bevorderen van bepaalde voor de gemeente, dan wel haar
                    ingezetenen positieve doelen. Een uiting van waardering voor degenen, die de
                    doelen bevorderen, draagt bij aan hun motivering en dus ook aan de wijze, waarop
                    zij de doelen behartigen. Nu de besteding van deze subsidie geheel ter keuze van
                    de ontvanger is, wordt ter zake van de besteding geen verantwoording geëist en
                    is geregeld dat het moment van verlening van de subsidie tevens dat van de
                    vaststelling daarvan is. Hiermee worden onnodige administratieve en bestuurlijke
                    procedures voorkomen. Er wordt hierop nader ingegaan bij de toelichting op
                    artikel 17 van deze verordening. Overigens is het zeer wel mogelijk om
                    achtereenvolgens meerdere “eenmalige” waarderingssubsidies te verlenen. De facto
                    is een waarderingssubsidie, dus een eenmalige subsidie, waaraan geen
                    verantwoordingseisen worden gesteld. </al><al/><al><vet>Artikel 2 Reikwijdte verordening </vet></al><al>In het eerste lid is aangegeven voor welke beleidsterreinen subsidies kunnen
                    worden verstrekt. Het ligt voor de hand dat de opsomming van beleidsterreinen
                    aansluit bij de indeling van de programmabegroting. </al><al/><al>Door de veelheid en verscheidenheid van subsidiemogelijkheden is uiteraard niet
                    te vermijden, dat op onderdelen nadere regels (lid 2: subsidieregels)
                    noodzakelijk zullen blijken. Die verscheidenheid onderbrengen in een algemene
                    verordening is mogelijk, maar komt de met een algemene verordening nagestreefde
                    overzichtelijkheid niet ten goede. Daarbij komt dat beleidsdoelen en
                    prioriteiten wijzigen en dit, naar aangenomen mag worden, in een hoger tempo
                    zullen doen dan de Algemene subsidieverordening aan wijziging toe is. Wijziging
                    van een alsdan complexe en uitgebreide verordening, die veel beleidsterreinen
                    bestrijkt, gaat gepaard met aanzienlijke bestuurlijke en administratieve lasten.
                    Met deze algemene verordening, die de kaders geeft voor nadere regels, worden
                    deze lasten beperkt in aantal en kwaliteit. Zo zal het bij een eventuele
                    wijziging van de verordening niet noodzakelijk zijn alle beleidsafdelingen van
                    de gemeente daarbij anders dan in informerende zin te betrekken. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Bevoegdheid college </vet></al><al>Het college besluit ingevolge het eerste lid binnen de daarvoor door de raad
                    vastgestelde kaders, zoals neergelegd in de gemeentebegroting en deze Algemene
                    subsidieverordening. Dit betekent dat het college geen subsidies kan verlenen,
                    die niet stroken met de door de raad vastgestelde algemene regels. Met besluiten
                    over het verstrekken van subsidies in plaats van verlenen van subsidies wordt
                    beoogd de bevoegdheid te besluiten over het gehele subsidieproces, dus ook het
                    bevoorschotten, lager vaststellen, terugvorderen en dergelijke. </al><al/><al>In het eerste lid is bepaald dat het college daarbij de gemeentebegroting en
                    subsidieplafonds in acht neemt. Als de gemeentebegroting nog niet is vastgesteld
                    en er formeel dus nog geen financiële ruimte door de raad beschikbaar is
                    gesteld, wordt subsidie slechts verleend onder de voorwaarde dat de raad
                    daarvoor geld beschikbaar zal stellen, het zogenoemde begrotingsvoorbehoud. </al><al/><al>In het tweede lid is de bevoegdheid van het college geregeld om voorwaarden aan
                    de subsidie te verbinden. Zie hiertoe ook artikel 4:33 Awb en voor het verschil
                    met verplichtingen artikel 4:37 Awb. </al><al/><al><vet>hoofdstuk 2 subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</vet></al><al><vet> Artikel 4 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud </vet></al><al>In de Awb zijn in de artikel 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste bepalingen
                    rondom het werken met een ‘subsidieplafond’ gegeven. Ingevolge het eerste lid
                    van artikel 4 kan het college subsidieplafonds per beleidsterrein vaststellen.
                    In de regel valt dit qua tijdstip samen met de vaststelling van de begroting.
                    Het college stelt subsidieplafonds vast en maakt daarbij de wijze van verdeling
                    van de beschikbare middelen bekend. </al><al/><al>Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Awb, dat het subsidieplafond
                    bekend wordt gemaakt, vóórdat de periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo
                    kunnen potentiële aanvragers tijdig weten hoeveel geld beschikbaar is. Maar
                    vooral van belang is, dat subsidieaanvragen zonder nadere motivering kunnen
                    worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is. Indien het
                    voor subsidie beschikbare bedrag enkel op de begroting vermeld staat en de
                    gemeente deze bedragen niet als zijnde subsidieplafonds heeft gepubliceerd, kan
                    de gemeente subsidieaanvragen niet ongemoti­veerd weigeren wegens het bereiken
                    van het plafond. </al><al/><al>Lid 5. Indien wordt gewerkt met een begrotingsvoorbehoud moet er rekening worden
                    gehouden met het feit dat alleen de Rijksoverheid haar begroting direct kan
                    vaststellen. Gemeenten moeten hun begroting voorleggen aan de provincie ter
                    goedkeuring; pas daarna is er sprake van een definitieve begroting. </al><al/><al><vet> Hoofdstuk 3 Aanvraag van de subsidie </vet></al><al><vet>Artikel 5 Aanvraag subsidie </vet></al><al>Ingevolge artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een
                    aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in afdeling 4.1.1. van de
                    Awb. </al><al/><al>In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient
                    te worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’.
                    Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het college het door hem
                    vastgestelde formulier ook in digitale vorm beschikbaar heeft gesteld. </al><al/><al>In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij
                    zijn subsidieaan­vraag. De bevoegdheid van het college ter zake nadere regels te
                    stellen, is geregeld in lid 4. Het college kan zo desnoods per geval regelen
                    welke gegevens dienen te worden verstrekt, waarbij het uitgangspunt is dat het
                    college dit doet om de administratieve en bestuurlijke lasten voor alle
                    betrokkenen zo beperkt mogelijk te houden. Zo kan het college bijvoorbeeld
                    bepalen dat voor duidelijk bepaalde categorieën subsidies - bijvoorbeeld
                    zogenaamde ‘waarderingssubsidies’, eenmalige subsidies waaraan geen
                    verantwoordingseisen worden gesteld - met minder dan de standaard te overleggen
                    gegevens bij aanvraag van een subsidie kan worden volstaan. </al><al/><al>In artikel 5, lid 2, sub d, wordt verwezen naar de systematiek van
                    subsidieverlening en verrekening bij jaarlijks (per boekjaar) verstrekte
                    subsidies conform artikel 4:72 Awb. Een dergelijke verplichting dient in de
                    beschikking tot subsidieverlening te worden opgenomen. Inzage in de financiële
                    reserve van een instelling is slechts aan de orde voor de beoordeling van een
                    jaarlijkse subsidieaanvraag van een grote instelling met overeenkomstige
                    subsidiebehoefte. </al><al/><al>In artikel 5, lid 3, worden meer formele eisen gesteld aan instellingen, die
                    voor de eerste maal subsidie aanvragen. </al><al/><al><vet>Artikel 6 Aanvraagtermijn </vet></al><al>In dit artikel wordt slechts een uiterste indiendatum genoemd voor
                    (meer)jaarlijkse subsidies. Overigens worden aan grote instellingen bij voorkeur
                    meerjarige subsidies verleend. Via de tussentijdse rapportage wordt de gemeente
                    op de hoogte gesteld van de resultaten. Een jaarlijkse aanvraag is daarmee
                    overbodig. </al><al/><al><vet>Artikel 7 Beslistermijn </vet></al><al>In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. In de
                    regel wordt een termijn van acht tot dertien weken redelijk geacht. Indien
                    deskundigen of een commissie moet worden geraadpleegd over de kwaliteit van de
                    subsidieaanvragen, wordt deze beslistermijn tot tweeëntwintig weken verlengd. De
                    termijnen lijken redelijk royaal. Uitgangspunt moet zijn, dat afhandelen binnen
                    13 weken de maximale termijn is, in principe wordt de aanvraag zo servicegericht
                    dus zo snel mogelijk afgehandeld.<extref doc="#_ftn1">[1]</extref></al><al/><al>De Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is per 1 oktober 2009 in
                    werking getreden. Hierdoor bestaat het risico dat bestuursorganen, die zich niet
                    aan de door zichzelf gestelde termijnen houden, met een dwangsom kunnen worden
                    geconfronteerd. Onder omstandigheden kan het college zich een termijn van een
                    half jaar gunnen om tot een beslissing te komen. Gezien de complexiteit van
                    bepaalde subsidieaanvragen en de daarmee gemoeide gelden en nagestreefde
                    beleidsdoelen is deze termijn verdedigbaar. Gelet op de Wet dwangsom en beroep
                    bij niet tijdig beslissen verdient het aanbeveling om een voorzien­bare lange
                    beslistermijn in nadere regels vast te leggen. </al><al/><al><vet> hoofdstuk 4 weigering van de subsidie </vet></al><al><vet>Artikel 8 Weigeringgronden </vet></al><al>De algemeen geldende weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 Awb, worden
                    hier met een nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden grond aangevuld.
                    Dit betreft het niet of niet in overwegende mate gericht zijn van de
                    activiteiten van de aanvrager op de gemeente, dan wel haar ingezetenen of
                    daaraan niet of nauwelijks ten goede komen. </al><al/><al>In artikel 8 lid 2 is, met het oog op administratieve lastenvermindering, een
                    minimum bedrag voor subsidies opgenomen. Voor subsidies beneden de €125,- geldt
                    dat de kosten voor het verlenen van de subsidie hoger zijn dan de verstrekte
                    subsidie. </al><al/><al><vet>Artikel 9 Wet BIBOB</vet></al><al>Een bijzondere weigeringsgrond is opgenomen in artikel 9, eerste lid. Het
                    betreft het geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de Wet Bibob
                    niet kan doorstaan. Indien deze weigeringsgrond niet zou zijn opgenomen, dan zou
                    het kunnen betekenen dat het college gehouden is subsidie te verlenen aan
                    aanvragers aan wie het college geen vergunning voor niet-subsidiabele
                    activiteiten zou verlenen. Daarbij is niet van belang of de activiteiten,
                    waarvoor subsidie wordt gevraagd, op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het
                    gaat bij deze weigeringsgrond louter om de persoon, dan wel rechtspersoon van de
                    aanvrager. </al><al/><al>De Wet Bibob is bedoeld als aanvulling op bestaande instrumenten, die het
                    college reeds ter beschikking heeft. Het college zal bij ieder beleidsdoel, dat
                    het wil subsidiëren, zich de vraag moeten stellen of er enig risico is van het
                    faciliteren van strafbare feiten en of die risico’s niet voldoende worden
                    ondervangen met de bestaande toetsing van aanvragen. Het is niet mogelijk te
                    bepalen dat de Wet Bibob generiek op alle subsidies wordt toegepast. Het college
                    dient zelf een afweging te maken in welke situatie toepassing zinvol is. Voordat
                    tot toepassing op een gemeentelijke subsidieregeling kan worden overgegaan,
                    dient daarvoor toestemming te zijn verkregen van de ministers van Justitie en
                    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. </al><al/><al>Het college heeft hier de bevoegdheid gekregen die goedkeuring te vragen. De
                    bepaling strekt ertoe inzichtelijk te maken voor zowel bestuur als aanvrager van
                    een subsidie in welke gevallen en voor welke (onderdelen van) beleidsdoelen een
                    toetsing aan de Wet Bibob kan plaatsvinden. </al><al/><al><vet> hoofdstuk 5 verlening van de subsidie</vet></al><al><vet>Artikel 10 Verlening subsidie </vet></al><al>Ingevolge het eerste lid geeft het college al in het besluit tot verlening van
                    de subsidie aan op welke wijze de verantwoording van de ontvangen subsidies
                    dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat degene, aan wie de subsidie is
                    toegekend, van meet af aan duidelijk is aan welke voorwaarden en administratieve
                    eisen hij dient te voldoen. In het tweede lid is geregeld dat het college de
                    ontvanger verplichtingen kan opleggen. </al><al/><al>Bij veel, veelal kleinere subsidies zal het stellen van verplichtingen bij de
                    toekenning niet noodzakelijk zijn. In die gevallen kan het college daarvan
                    eenvoudig afzien. In gevallen, dat het college van oordeel is dat redelijkerwijs
                    nadere verplichtingen dienen te worden gesteld, zal dit veelal op de
                    subsidieontvanger en de door hem te ondernemen activiteiten toegesneden
                    verplichtingen zijn. Een bij de beschikking verstrekte bijlage, waarin de
                    verplichtingen zijn opgenomen, is overzichtelijk en klantvriendelijk. In artikel
                    4:37 Awb staan de standaardverplichtingen vermeld welke het college bij de
                    beschikking tot subsidieverlening aan de subsidieontvanger kan opleggen. Er kan
                    maatwerk worden gevonden door een differentiatie te maken tussen verplichtingen,
                    die worden gesteld aan eenmalige subsidies, en jaarlijkse (boekjaar)subsidies.
                    Voor een selectie uit de verplichtingen, die te stellen zijn bij het verlenen
                    van de jaarlijkse subsidies; zie ook titel 4.2.8 Awb. </al><al/><al>Bij de in het tweede lid van artikel 10 te stellen verplichtingen kan worden
                    gedacht aan bijvoorbeeld het verzekeren van de zaken, die voor de uitvoering van
                    de gesubsidieerde activiteit noodzakelijk zijn, de arbeidsvoorwaarden voor het
                    personeel van de subsidieontvanger, reservevorming, het bestuur, het aanstellen
                    van toezichthouders, de inrichting van de administratie en de benodigde
                    toestemming van het college voor het aangaan van rechtshandelingen als bedoeld
                    in artikel 4:71 Awb. </al><al/><al><vet> Artikel 11 Betaling en bevoorschotting </vet></al><al>Voorschotten worden automatisch (ambtshalve) verstrekt volgens het in de
                    subsidieregeling of de verleningsbeschikking opgenomen bevoorschottingsritme. De
                    bevoorschottingsbeschikking wordt ambtshalve gegeven op het moment van de
                    verleningsbeschikking. De subsidieaanvrager hoeft geen aanvra(a)g(en) voor
                    bevoorschotting in te dienen of tussentijdse overzichten van prestaties of
                    uitgaven te overleggen. Dit leidt tot lastenbesparingen bij zowel de
                    subsidieontvanger als de subsidie­verstrekkende gemeente. Omdat de
                    bevoorschotting mede afhankelijk is van de aard van de te subsidiëren activiteit
                    is er voor gekozen om de termijnen, waarop de (automatische) bevoorschotting
                    plaats vindt, niet in de verordening te noemen. Het bevoorschottingsritme en de
                    hoogte van de voorschotten worden in de verleningsbeschikking vermeld. </al><al/><al>De subsidieontvanger is volgens artikel 13 verplicht te melden, indien er
                    omstandigheden zijn die van invloed zijn op de hoogte van het verleende bedrag.
                    De subsidieverstrekker kan vervolgens, indien nodig, door een wijziging van de
                    verleningsbeschikking het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten
                    aanpassen. Na vaststelling van de subsidie wordt het resterende bedrag (het
                    vastgestelde bedrag verminderd met de verleende voorschotten) uitgekeerd aan de
                    subsidieontvanger. </al><al/><al>Met de algemene formulering van dit artikel is de mogelijkheid open gelaten om,
                    zonder dat daartoe wijziging van de verordening noodzakelijk is, recht te doen
                    aan de wijziging van de voorschotregeling, die beslag heeft gekregen met de
                    invoering van de vierde tranche Awb. Indien in de verleningsbeschikking niet
                    anders is bepaald, vindt betaling van het voorschot binnen zes weken na
                    verzending van de verleningsbeschikking plaats. Zie artikel 4:87, lid 1, Awb. </al><al/><al><vet> HOOFDSTUK 6 VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER</vet></al><al><vet>Artikel 12 Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger </vet></al><al>Bij de verlening van de subsidie moet aan de ontvanger duidelijkheid worden
                    gegeven over de verplichtingen. Het beginsel van de rechtszekerheid laat niet
                    toe dat bij de daarop volgende subsidievaststelling alsnog verplichtingen worden
                    opgelegd. Het verdient aanbevelingen alle verplichtingen te herhalen in een
                    bijlage bij de subsidieverlening. </al><al/><al><vet> Artikel 13 Tussentijdse rapportage </vet></al><al>In het kader van het terugdringen van de administratieve lasten is ervoor
                    gekozen aan meerjarig verstrekte subsidies, hoger dan 50.000 euro, de
                    mogelijkheid te verbinden om jaarlijks een tussentijdse verantwoording te
                    vragen. Het college moet vooraf bepalen welke vereisten worden gesteld aan de
                    tussentijdse, inhoudelijke en financiële verantwoording, bij voorkeur door
                    middel van standaardformulieren. Het ligt voor de hand dat dit regime in ieder
                    geval lichter is dan het regime wat is opgesteld voor de eindverantwoording. </al><al/><al><vet>Artikel 14 Meldingsplicht</vet></al><al>De meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen
                    in de vorm van onder andere: het niet standaard verantwoording afleggen bij
                    subsidies tot 5.000 euro, het vragen van minder tussenrapportages en
                    automatische bevoorschotting. </al><al/><al>De subsidieontvanger is verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te
                    melden bij de gemeente als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit
                    niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden
                    verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op
                    nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het
                    aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de
                    uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze meldingsplicht
                    kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb
                    alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en
                    behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de
                    subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo'n
                    geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van
                    het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan de onderhavige
                    subsidieverordening. </al><al/><al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de meldingsplicht niet geldt na
                    vaststelling van de subsidie of voor zover er (op verzoek van de belanghebbende)
                    door de subsidieverlener een ontheffing is verleend van de verplichting om een
                    prestatie overeenkomstig de subsidietoekenning uit te voeren. </al><al/><al><vet> Artikel 15 Verplichtingen betreffende de financiën van de
                        subsidieontvanger </vet></al><al>Het vormen van reserves past binnen de jaarlijkse subsidies. Indien de ontvanger
                    de zaken op orde heeft kan de ontvanger, met toestemming van het college, binnen
                    bepaalde marges ruimte te krijgen waarbinnen hij/zij zelf de zaken kan regelen. </al><al/><al><vet>Artikel 16 Overige verplichtingen van de subsidieontvanger </vet></al><al>In artikel 16 zijn de overige verplichtingen van de ontvanger van de subsidie
                    opgenomen, als ook de plicht belangrijke wijzigingen te melden aan het college.
                    Overigens moet “schriftelijk” hier niet al te letterlijk worden opgevat; een
                    melding per e-mail kan ook voldoende zijn. Niets belet de gemeente om bij
                    twijfel direct contact op te nemen met de subsidieontvanger en om nadere stukken
                    te vragen. </al><al/><al><vet> HOOFDSTUK 7 VERANTWOORDING EN VASTSTELLING VAN DE SUBSIDIE</vet></al><al>In de artikelen 17, 18 en 19 is een ander regime voor de verantwoording van
                    subsidies opgenomen. Hiermee is aansluiting gezocht bij de nota ‘Kaderbeheer
                    financieel beheer rijkssubsidies’ in die zin, dat de wijze van verantwoording
                    afhankelijk is gemaakt van de hoogte van de subsidies. </al><al/><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting wordt in lid 3 van de artikelen 16 en
                    17 geregeld dat ook alternatieve verantwoordingsbewijzen kunnen worden gevraagd.
                    Daarmee geven wij invulling aan het uitgangspunt, dat de verantwoordingslasten
                    in verhouding moeten zijn met de hoogte van het subsidiebedrag. </al><al/><al><vet>Artikel 17 Verantwoording subsidies tot 5.000 euro</vet></al><al>Kenmerkend voor subsidies tot 5.000 euro is dat een vast bedrag (lump sum) wordt
                    verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard verantwoording
                    hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De subsidieontvanger hoeft geen
                    aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor
                    kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker
                    worden bespaard. </al><al/><al>In het geval van directe vaststelling (eerste lid, onderdeel a) worden de
                    bewijsstukken van de prestatie direct met de aanvraag meegestuurd. Ook indien de
                    activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden, kan onderdeel a worden toegepast.
                    De toepassing is dan onder meer afhankelijk van de aard van de subsidie
                    (bijvoorbeeld een ‘waarderingssubsidie’) en risicoafweging van de
                    subsidieverstrekker. Steekproefsgewijze controle na de vaststelling is mogelijk,
                    maar leidt alleen in bijzondere gevallen, zoals fraude, tot terugvordering. </al><al/><al>In het geval van verlening, gevolgd door ambtshalve vaststelling (eerste lid,
                    onderdeel b), wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde
                    activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen 13 weken
                    na de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht, ambtshalve
                    vastgesteld door de subsidieverstrekker. De ambtshalve vaststelling zal in de
                    praktijk veelal al vóór het verstrijken van de termijn gebeuren, namelijk als
                    het vanuit oogpunt van een efficiënte werkwijze wenselijk wordt geacht, dat
                    dergelijke vaststellingsbeschikkingen op een vaste datum worden genomen. Wel
                    dient de gemeente binnen een beperkte termijn, hier is gekozen voor 13 weken na
                    afloop van de activiteit, te reageren. </al><al/><al>Door te kiezen voor het systeem van ambtshalve vaststelling is er juridisch meer
                    mogelijkheid om op te treden, indien de gemeente bemerkt dat de activiteit niet
                    (geheel) is gerealiseerd. De subsidie is immers niet bij verstrekking reeds
                    vastgesteld. De subsidieontvanger dient, desgevraagd, op een door het college in
                    de beschikking aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de
                    subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie
                    verbonden verplichtingen. De subsidieverstrekker zal steekproefsgewijs van deze
                    bevoegdheid gebruik maken. </al><al/><al>Tip: Neem in de subsidiebeschikking altijd een datum op wanneer de activiteit
                    wordt geacht te zijn verricht of voltooid en koppel deze aan een exacte datum
                    (dertien weken erna) voor de indiening van de vaststelling. De datum van
                    voltooiing van de activiteit is namelijk niet bij alle subsidieaanvragen
                    concreet benoemd. </al><al/><al><vet> Artikel 18 Verantwoording subsidies vanaf 5.000 tot 50.000 euro</vet></al><al>In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidiënt de aan hem verleende
                    subsidie aan het college dient te verantwoorden. Ingevolge artikel 10, eerste
                    lid, wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de
                    subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt. </al><al/><al>Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de
                    activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Daarbij zal
                    vooraf door de subsidieverstrekker al moeten zijn aangegeven op welke manieren
                    het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten
                    worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een
                    managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken
                    (bijvoorbeeld een publicatie) enz. </al><al/><al>Ook hier kan het college bepalen dat bepaalde categorieën van subsidies, dan wel
                    subsidie­ontvangers, niet tot verantwoording van de aan hun verleende subsidie
                    hoeven over te gaan. Te denken valt daarbij aan subsidies van een beperkte
                    omvang of subsidies, die aan een vertrouwde ontvanger worden verstrekt, dan wel
                    subsidies die voor een doel worden aangewend, dat nadere verantwoording van de
                    besteding van het geld overbodig maakt. Bij dit laatste kan worden gedacht aan
                    de huurkosten van een gebouw. De verantwoorde besteding van de subsidie blijkt
                    dan immers al uit het feit, dat het betreffende gebouw in gebruik is bij de
                    subsidieontvanger. </al><al/><al>Ingevolge het derde lid kan het college bepalen dat het voor de verantwoording
                    daarvan andere stukken en bewijzen verlangt dan gebruikelijk en uit hoofde van
                    de gewone bedrijfsvoering van de subsidieontvanger al worden opgesteld. Te
                    denken valt aan de verslagen, die rechtspersonen uit hoofde van de wet al dienen
                    op te stellen en die natuurlijk naar gelang van de hoedanigheid van de
                    betreffende rechtspersoon verschillen. </al><al/><al><vet>Artikel 19 Verantwoording subsidies vanaf 50.000 euro</vet></al><al>Bij subsidies van 50.000 euro of meer wordt uitgegaan van de traditionele
                    afrekening van subsidies. De vaststelling van de subsidie vindt - tenzij de
                    voorschriften voor subsidies tot 50.000 euro worden toegepast - plaats op basis
                    van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Bij de financiële
                    verantwoording mag de subsidieverstrekker een door een accountant opgesteld stuk
                    vragen. Het is echter niet verplicht daar in alle gevallen om te vragen.
                    Zekerheid kan ook worden verkregen door steekproefsgewijze controles van de
                    uitvoerings­instanties of door verantwoording in de jaarrekening van een
                    instelling. </al><al/><al>Indien er wordt gekozen voor het opvragen van een accountantsverklaring, is het
                    van belang dat de gemeente en de subsidieontvanger voorafgoede afspraken
                    maken over de wijze van verantwoorden en over de aspecten, die in de controle
                    worden betrokken. Hierbij kan het raadzaam zijn om ook de accountant te
                    consulteren. In de regel worden drie niveaus van controle onderscheiden: </al><al>1. een getrouwheidsverklaring bij een financiële verantwoording; </al><al>2. een rechtmatigheidsverklaring bij een financiële verantwoording; </al><al>3. een rechtmatigheidsverklaring bij een financiële verantwoording plus een
                    Assurance-rapport bij het activiteitenverslag. </al><al/><al><vet>Artikel 20 Vaststelling subsidie </vet></al><al>In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit ter zake van
                    de vaststelling van de subsidie. Ingevolge het derde lid kan het college, naast
                    deze Algemene subsidieregeling, categorieën van subsidies of subsidieontvangers
                    aanwijzen voor wie de subsidie wordt vastgesteld zonder dat hiervoor door de
                    subsidieontvanger een aanvraag moet worden ingediend. Hierdoor kunnen de lasten
                    voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard. </al><al/><al><vet> Artikel 21 Betaling</vet></al><al>Geen toelichting. </al><al/><al><vet> Hoofdstuk 8 overige bepalingen </vet></al><al><vet>Artikel 22 Ontheffing </vet></al><al>Het college kan in individuele gevallen voor één of meer subsidieverplichtingen
                    van de subsidieaanvrager of de subsidieontvanger ontheffing verlenen van deze
                    verordening of van de beleidsregels. </al><al/><al><vet> Artikel 23 Hardheidsclausule</vet></al><al>In de hardheidsclausule is aangegeven op welke onderdelen van de regeling deze
                    clausule van toepassing is. De te treffen voorziening, die niet in de
                    verordening is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie
                    te passen. De toepassing van de hardheidsclausule dient beperkt te blijven tot
                    individuele gevallen. Zodra de toepassing van een hardheidsclausule voor
                    bepaalde gevallen voldoende is uitgekristalliseerd en daardoor en bestendig
                    karakter heeft gekregen, dient dit beleid in de Algemene subsidie­verordening of
                    nadere regels te worden neergelegd. </al><al/><al><vet> Artikel 24 Inwerkingtreding</vet></al><al>Geen toelichting. </al><al/><al><vet>Artikel 25 Intrekking </vet></al><al>Geen toelichting. </al><al/><al><vet>Artikel 26 Overgangsbepalingen </vet></al><al>Geen toelichting. </al><al/><al><vet>Artikel 27 Citeertitel </vet></al><al>Geen toelichting. </al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label></kop><al>Hoofdstuk 1 inleidende bepalingen </al><al>Artikel 1 Definities </al><al>Artikel 2 Reikwijdte verordening </al><al>Artikel 3 Bevoegdheid college </al><al>hoofdstuk 2 subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud </al><al>Artikel 4 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud </al><al>Hoofdstuk 3 Aanvraag van de subsidie </al><al>Artikel 5 Aanvraag subsidie </al><al>Artikel 6 Aanvraagtermijn </al><al>Artikel 7 Beslistermijn </al><al>hoofdstuk 4 weigering van de subsidie </al><al>Artikel 8 Weigeringgronden </al><al>Artikel 9 Wet BIBOB </al><al>hoofdstuk 5 verlening van de subsidie </al><al>Artikel 10 Verlening subsidie </al><al>Artikel 11 Betaling en bevoorschotting </al><al>HOOFDSTUK 6 VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER </al><al>Artikel 12 Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger
                            </al><al>Artikel 13 Tussentijdse rapportage </al><al>Artikel 14 Meldingsplicht </al><al>Artikel 15 Verplichtingen betreffende de financiën van de
                                subsidieontvanger </al><al>Artikel 16 Overige verplichtingen van de subsidieontvanger
                            </al><al>HOOFDSTUK 7 VERANTWOORDING EN VASTSTELLING VAN DE SUBSIDIE </al><al>Artikel 17 Verantwoording subsidies tot 5.000 euro </al><al>Artikel 18 Verantwoording subsidies vanaf 5.000 tot 50.000 euro
                            </al><al>Artikel 19 Verantwoording subsidies vanaf 50.000 euro </al><al>Artikel 20 Vaststelling subsidie </al><al>Artikel 21 Terugbetaling </al><al>Hoofdstuk 8 overige bepalingen </al><al>Artikel 22 Ontheffing </al><al>Artikel 23 Hardheidsclausule </al><al>Artikel 24 Inwerkingtreding </al><al>Artikel 25 Intrekking </al><al>Artikel 26 Overgangsbepalingen </al><al>Artikel 27 Citeertitel </al></bijlage></regeling></body></cvdr>